Polemiek

Afgelopen zondag werd Willem Otterspeer 65. Hoewel hij nog niet met pensioen mag, kan hij nu wel van allerlei voordelen genieten, zoals het Dal 65+ abonnement van de NS. Daarmee reist hij vanaf nu buiten de spitsuren extra voordelig met de trein. Hij zou eens naar Museum het Valkhof in Nijmegen kunnen gaan, gebouwd waar vroeger het paleis van Karel de Grote stond, en misschien zelfs wat studenten meenemen, want die “weten niet dat Karel de Grote eerder was dan Karel de Vijfde, als ze die twee al kennen”, en hen daar dan alles over vertellen. Wat een feest is het toch om oud en gerijpt te zijn, of zoals de oude Romeinen zouden zeggen: senex. Vlak voor zijn 65’ste verjaardag (pre-seniel, zouden de Romeinen zeggen) gaf hij nog een boekje uit. “Weg met de wetenschap”, heet het.

 

Het spijt me dat ik alles naar het Latijn vertaal, het komt door dat boekje van Otterspeer. Die man is een barokke fontein van kennis, en daar spuit nu eenmaal een enorme hoeveelheid Griekse en Latijnse woorden uit, compleet met vertaling en duiding. Logos, dat betekent woord. Certum, dat betekent zekerheid. Het is net Ad Verbrugge; ik hing aan zijn labia. Wist u ook al dat dialectica en grammatica in het klassieke vakkenpakket zaten? Zo nee, dan weet u het nu, en dan kunt u zich de volgende keer dat iemand daarover begint gewoon uit de voeten maken, want wat er daarop volgt kan ik u ook wel vertellen: een hoop vrijblijvend gebazel over betrokken burgerschap en een kritisch wereldbeeld, en dat we dat nu missen, en daarom (non sequitur, zouden de Romeinen zeggen) alle studies moeten verbreden.

 

Het heeft even mogen duren, maar Opa Otterspeer is erachter gekomen dat het niet zo lekker gaat met de universiteit. Daarom heeft hij een pamflet tegen de natuurwetenschappen geschreven, volgens hem een “koekoeksei” in het universitaire nest. Publicatiedruk, rendementsdenken, valorisatiemania, eigenlijk alles dat Science in Transition meer dan 2 jaar geleden al aankaartte is volgens Otterspeer de schuld van de bèta’s. Gelukkig weet hij nog niks van de inval in Irak en de vervanging van K3, want dat had hij dan waarschijnlijk ook toegeschreven aan het natuurwetenschappelijk wereldcomplot. “Wetenschap is in die zin onderdeel van een groot rationaliseringsproces dat al door Max Weber werd beschreven. Maar die rationalisering baarde een monster en dat heet kwantificering. De fetisj van de feitenreeks, de aanbidding van de grafiek, reduceerde de universiteit tot een rekenmodel. Het gaat aan de universiteit vooral om het aantal diploma’s, om het aantal promoties. En het gaat om de mogelijkheid om wat men daar aan de weet komt om te zetten in ‘commercieel haalbare producten, processen of diensten’.” De redenering van Otterspeer komt dus hierop neer: de universiteit kijkt teveel naar getallen, en er is een clubje mensen op de universiteit (de bèta’s) dat zich ook al een tijdje met getallen bezighoudt, dus (o onfeilbare dialectica!) dan zullen die ook wel die problemen op hun geweten hebben. Weg met de wetenschap!

 

‘Of nouja,’ zegt Otterspeer in een interview met De Correspondent, ‘Weg met de waarheid zou misschien nog een betere titel zijn geweest. Weg met het idee dat er maar één waarheid is, het uitgangspunt van de natuurwetenschappen.’ Zoals er ook talloze waarheden zijn, zijn er talloze manieren om het boekje te lezen. Eén daarvan is dat hier een verongelijkte geesteswetenschapper aan het woord is die alle narigheden die de gemene grote jongens in de bèta-hoek ooit over zijn vakgebied hebben gezegd even van een flink weerwoord wil voorzien. Een natuurkundige die Otterspeer eens te eten had citeerde Rutherford en zei dat alle wetenschap of natuurkunde, of postzegels verzamelen is. Plato zei dat je geometrie moest kennen voor je zijn academie binnen kwam, en Kamerlingh Onnes had ‘Door meten tot weten’ als motto. Pestkoppen zijn het! Omdat Otterspeer hiermee nog geen stromannen genoeg had, heeft hij nog een blik positivisten opengetrokken die (verrassing!) inderdaad stuk voor stuk natuurwetenschap als enige logische kader voor ons denken zien.

 

Ik heb nog een waarheid gevonden voor Otterspeer, en het was niet eens lang zoeken. Philip Warren Anderson is namelijk een Nobelprijswinnaar in de natuurkunde (1977), en zijn artikel “More is different” is meer dan 2000 keer geciteerd. Komt ‘ie: “the reductionist hypothesis does not by any means imply a “constructionist” one: The ability to start from the laws of physics and reconstruct the universe. In fact, the more the elementary particle physicists tell us about the nature of the fundamental laws, the less relevance they seem to have to the very real problems of the rest of science, much less to those of society.” De waarheid die Otterspeer de natuurkundige zo graag in de mond legt, het idee dat alles, van atoomkernen en zwarte gaten tot de hoofdrol van de Christenunie in de gemeentepolitiek van Veenendaal en Bunschoten, uiteindelijk door de natuurkunde zal worden beschreven, daar gelooft helemaal niemand meer in. Behalve dan de sukkelaar die zich bij Otterspeer te eten uitnodigt.

 

Er is intussen wel wat meer veranderd in de wereld, maar het is Otterspeer, vanachter die hoge stapel met woordenboeken Latijn-Nederlands en het hele oeuvre van Johan Huizinga, niet opgevallen. Zo herinner ik me levendig de laatste keer dat iemand (Frank van Vree) probeerde zijn geesteswetenschappenfaculteit om te bouwen tot een VWO jaar 7. Het kostte hem nog net niet zijn kop, maar wel de laatste haren op zijn schedeldak. Otterspeer vindt die verbreding toch noodzakelijk omdat we “een gemeenschappelijk corpus van kennis” missen (waar dienen dan toch al die eindexamenprogramma’s voor?), volgens mij is het vooral heel vervelend dat wanneer je gewoon Russisch, wiskunde of sociologie wil gaan studeren, Otterspeer je lastig komt vallen met wat hij dan ook in gedachten heeft om “het vermogen patronen te herkennen en problemen op te lossen” te bevorderen, en de talloze vakken die nodig zijn om al die ontbrekende feitenkennis bij te spijkeren: van Frans en Duits tot Quintilianus en Rembrandt, want we moeten “weten wat pendantportretten zijn, welke ontwikkelingen Rembrandt doorgemaakt heeft, wat het portret voorstelt in de cultuur van de zeventiende eeuw.”

 

Otterspeer is inmiddels 65, en ik ben bang dat hij het niet meer bewust mee zal maken dat iedereen alles over alles weet. Met dit boekje lijkt zijn geestelijke aftakeling in ieder geval te zijn begonnen. Langzaamaan zal hij afspraken gaan vergeten, welke maand het eigenlijk is, waar hij ook alweer de theepot met het waxinelichtje eronder heeft neergezet. Van de familie en vrienden die hem komen helpen met de karweitjes in huis zal hij de gezichten door elkaar gaan halen, tot die verschrikkelijke dag aanbreekt dat hij niet meer weet wie er nou eerder kwam: Karel de Grote, of Karel de Vijfde. Ik hoop dat zijn lijfarts daarvan de gravitas zal onderkennen; en hem uit dat uitzichtloze lijden zal verlossen.

 

DM

De eerste persvoorstelling van mijn leven was ondanks de film erg geslaagd. Ik stond op de gastenlijst tussen de groten der aarde, zoals Belinda van der Graaf van Trouw en Ab Zagt van het AD. Toen ik ook nog een gratis Sisi aangeboden kreeg, een persmap én een ansichtkaart van de filmposter van Publieke Werken, was mijn kinderhand gevuld.

 

Filmposters in sepiatinten voorspellen meestal weinig goeds. Het blijft een vreemde zaak om de historische waarde van een film, die gewoon in full color geschoten is, te benadrukken door los te gaan met een kleurpalet van geel- en bruintinten. Alsof de cilinderhoed van Gijs Scholten van Aschat en de drakerige kanten jurk van Rifka Lodeizen niet negentiende-eeuws genoeg zijn. Linksboven in het hoekje van de poster zegt Thomas Rosenboom – die niet zoveel ruimte inneemt – dat de verfilming van zijn boek Publieke Werken ‘grootser en meeslepender’ is dan hij ‘ooit had durven dromen’. Kleine mannetjes hebben blijkbaar ook kleine droompjes.

 

‘Groots en meeslepend’ is in ieder geval wel de insteek geweest van de makers, dat hebben we kunnen zien. Luchtshots van stoomtreinen die door een landschap draven, dramatisch bedoelde muziek die continu aan lijkt te zwellen, en verschillende personages die af en toe plechtig ‘dit is de nieuwe tijd!’ zeggen. Publieke Werken de film is gebaseerd op het misverstand dat Nederland tegen het eind van de negentiende eeuw grootser en belangwekkender was dan nu. Hoewel dit voor de letterkunde misschien wel geldt, daarover kan men twisten, was onze natie ook in de negentiende eeuw een onbeduidende speler op het wereldtoneel. We hadden natuurlijk een fraaie archipel in de Oost, maar waren de hekkensluiter van Europa als het om de nieuwste ontwikkelingen ging. Met ‘dit is de nieuwe tijd’ verwijst men naar de industriële revolutie, een ontwikkeling die rond 1750 in Engeland begon. Zo’n honderd jaar later, in 1850, begon men ook in Nederland te prutsen met stoommachines.

 

Natuurlijk mag een kleinburgerlijke natie best trots zijn op haar succesjes. Het Centraal Station, het Victoria-hotel en het Concertgebouw zijn pronkstukken die we zorgvuldig afstoffen en oppoetsen. Het mag gezegd dat de producenten van Publieke Werken ontzettend hun best hebben gedaan om de gebouwen in de film overtuigend weer te geven. Omdat er niet gefilmd mocht worden op het drukste kruispunt van Amsterdam, werden de cast en crew naar Hongarije gevlogen om de film daar op een nagebouwde set te schieten. Het droevige is dat hoeveel stoomboten, paardentrams, authentieke reclameborden en gedetailleerde 3D-modellen men daar in Hongarije ook bij elkaar heeft verzameld, je de hele film lang maar één ding ziet: het hangende ooglid van Gijs Scholten van Aschat.

 

Het hangende ooglid van Gijs Scholten van Aschat is onbedoeld de grote ster van Publieke Werken geworden. Terwijl Rifka Lodeizen en Jacob Derwig honderdtwintig minuten lang vol inspanning van gezichtsuitdrukking proberen te veranderen (ze hebben de instructie gekregen om ‘klein’ te acteren, wat vooral voor Jacob Derwig een onmogelijke opgave blijkt), heeft Scholten van Aschat het makkelijk. Zijn gezichtsspieren kan hij laten voor wat ze zijn, want zijn hangende ooglid doet al het werk. Het overtollige stukje gezichtsvlees straalt tegelijkertijd woede, verdriet, afgunst, waanzin en bovenal wantrouwen uit – de basisingrediënten voor elk drama.

 

En een drama, dat is de film zeker. Maar wel een drama op z’n Nederlands. Een drama waarin een romantische scene zich laat kenmerken door een man die al struikelend over een ophaalbrug rent en een vrouw die met overslaande stem ‘Christiaan! Blijf hier!’ gilt. Een drama waarin een speech die volgens het scenario ‘bezield’ zou moeten zijn haperend boven een bord aardappelen wordt gebracht: ‘Het gaat me om de liefde voor de medemens! Ik bekommer me om die mensen!’ Een drama waarin vaak vuisten op tafels worden geslagen om een punt te maken en waarin de seksscènes je alle lust om ooit nog seks te hebben, ontnemen. Een drama waarin een neef die een tijdje in Amerika heeft gewoond opeens niet meer normaal Nederlands blijkt te kunnen spreken, maar na drie zinnen vol met ‘hey buddy!’ toch weer wel. En, tot slot, een drama waarvan de makers hebben gedacht: ‘Ha! Jeanine Janssen wil de soundtrack doen! Dat zullen ze godverredomme horen ook!’ Een drama dus waarin er altijd, maar dan ook altijd, ergens wel een viool klinkt.

 

Een gezellige familiefilm voor in de kerstvakantie is Publieke Werken niet echt geworden. De film opent met een verkrachtingsscène, vervolgt met een scène waarin Jacob Derwig als apotheker met doktersambities met een scherp mes op de buik van een zwangere vrouw inhakt, en tegen het einde wordt de kijker getrakteerd op de halfslachtige maar toch succesvolle zelfmoordpoging van Vedder. Wie de film na alles wat ik heb verklapt toch nog wil zien, wens ik een prettige confrontatie toe met de staat van de Nederlandse cinema. Vergeet vooral niet te genieten, want we hebben allemaal meebetaald aan dit stukje Hollandse glorie: Topkapi Films B.V. kreeg van het filmfonds een subsidie van ruim twee miljoen. Euro’s die gelukkig niet naar Paul Verhoeven zijn gegaan, zo kun je het natuurlijk ook bekijken. Hoe dan ook mogen we Publieke Werken dus met recht een publiek werk noemen.

 

MM

 

In januari vorig jaar, kort na de aanslag op Charlie Hebdo, plaatste PC een oproep aan extremisten wereldwijd om niet de satirici aan te vallen, die beroepshalve iedereen afzeiken, maar de mensen die een oprechte en specifieke hekel aan de islam hebben. Charlie Hebdo heeft geen hekel aan de islam, hooguit aan terrorisme en georganiseerd geloof. Annabel Nanninga daarentegen heeft een persoonlijke hekel aan elke moslim. IS, waar wacht je nog op? Die houding was natuurlijk naïef.

Niet omdat IS-strijders geen Nederlands kunnen lezen, omdat de oproep op een pagina vol advertenties stond en waarschijnlijk niemand is opgevallen, of omdat we geen abonnees in Syrië hebben, nee, die houding was naïef omdat er maar twee instituten op deze wereld blij zijn dat Annabel Nanninga bestaat: The Post Online en IS. Nu is The Post Online natuurlijk een beetje het IS van de Nederlandse media: iedereen heeft er een hekel aan, ze waren er ineens maar wanneer gaan ze weer weg, en er wordt achter de schermen veel te weinig nagedacht.

Zeker door Annabel Nanninga, die over de islam dingen opschrijft als “het kan me niet schelen dat er ook aardige mensen bij die club horen,” of het in haar stukken over “mensen, islamitisch of anderszins mentaal uitgedaagd”. Nanninga spuit onverbloemde haat tegen een bevolkingsgroep, een manier van leven, een geloofsovertuiging, en dat maakt haar tot een schadelijk en onwenselijk element in het publieke debat. Natuurlijk is de islam geen inherent gewelddadige of verwerpelijke godsdienst, en zoals gewoonlijk is het de mediëvistiek die ons uit kan leggen waarom.

De Middeleeuwen worden vaak ingezet in de discussie rond de islam, maar dan gewoonlijk om aan te geven dat moslims ‘nog in de Middeleeuwen leven’, of dat de islam een ‘Middeleeuws’ geloof is, dat we zonder gêne ‘achterlijk’ mogen noemen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de mens in de Middeleeuwen minder intelligent, minder ontwikkeld of zelfs minder kritisch of nieuwsgierig was dan nu. De mens was enkel méér gelovig, en daar zit de crux. In dezelfde tijd en in dezelfde streek waar zonder het gebruik van torenkranen, staalconstructies of beton, gebouwen werden gemaakt met gewelven van ruim vijftig meter hoog, stapels stenen die door niets anders dan druk, tegendruk en een beetje cement inmiddels al zo’n zes eeuwen overeind blijven, heerste ook de opvatting dat wij, Europese christenen, de taak hadden om het Midden-Oosten te zuiveren van de verwerpelijke ongelovigen die daar die dienst uitmaakten. Dat er in het Midden-Oosten ondertussen net zo goed geweldige uitvindingen werden gedaan, prachtige kunst werd gemaakt en intelligente gedachten op papier werden gezet, deed ons niet zo veel. Wij hadden immers God en het gelijk aan onze hand.

Zoals Godfried van Bouillon niet per se minder intelligent is dan de gemiddelde moderne mens, zo is ook de gemiddelde jihadist niet minder intelligent dan de gemiddelde mens. Ze handel(d)en alleen allebei vanuit een misvatting: mijn geloof heeft het gelijk in pacht, en dat geeft mij het recht om anderen te terroriseren. Is het christendom een inherent gewelddadig geloof, dat we met wortel en tak uit moeten roeien? Is het irrelevant dat er, nu en toen, ook een overweldigende meerderheid bestaat van christenen die nog nooit een moslim pijn hebben willen doen, en die op een gewone, deugdzame, zelfs liefdevolle manier hun geloof willen belijden?

Natuurlijk, aan wie gelooft zit een steekje los. Of het nu komt door langdurige indoctrinatie van kindsbeen af of door een ander trauma, wie meent zich in welke mate dan ook moreel boven iemand anders te kunnen plaatsen door een fictie als waarheid aan te hangen, of wie de stok achter de deur van een wraakzuchtig opperwezen nodig heeft om een deugdzaam leven te kunnen leiden, die is een arm mens. Maar wie ervoor kiest om op een persoonlijke manier de immense leegte en beklemmende zinloosheid van het bestaan te lijf te gaan met een troostende vorm van spiritualiteit, en daarbij accepteert dat andere mensen andere opvattingen hebben, en hen daar niet voor veroordeelt, die doet niets verkeerd of hij nu tot Jahweh of Allah of het spaghettimonster bidt.

Toch zijn het ook die mensen die door de haatdragende letterkots van Nanninga worden weggezet als aanhangers van een zieke ideologie van geweld en vernietiging. Schaamteloos schrijft ze dat de islam, in de vorm van immigranten, een oorlog met ons voert op ons eigen grondgebied. Dat is niets minder dan een groep in de samenleving tot vijandige mogendheid verklaren, met alle implicaties van dien. Er staan misschien weinig grappen in dit stuk, maar de tijd om te lachen met mensen die islamitisch extremisme gelijkstellen met het islamitisch geloof, is zo langzamerhand wel voorbij. Hoe meer het conflict tussen Oost en West tot een kookpunt komt, hoe meer de rijen zich sluiten en Annabel Nanninga en haar blinde kornuiten staan aan de verkeerde kant. Daarom houdt IS van hen: zij werken mee aan de tweespalt die IS nodig heeft om een burgeroorlog te starten.

Ik voel antipathie voor bijna alle gelovigen. Omdat ze zichzelf soms moreel superieur achten. Omdat ze hun opvattingen soms aan anderen op willen dringen. Omdat ze soms hun ogen sluiten voor de realiteit. Maar niet omdat ze iets aanhangen dat in alle gevallen verwerpelijk is, dat altijd haat en geweld predikt. Er bestaat niet zoiets als een gewelddadig geloof. Er bestaat alleen gewelddadige geloofsbelijdenis. Allah is groot, Annabel Nanninga. Groter en beter en menselijker dan jij.

 

 

DD

Voor ik het vergeet: je krijgt de groeten van mijn vader, moeder, tantes, grootouders, vriendinnen, en eigenlijk ook van de rest van Nederland. Ze vinden allemaal dat je hele mooie programma’s maakt, vooral omdat je verhalen altijd ‘van twee kanten’ laat zien en daarbij de goede inborst van de mens toont. Dat laatste moet ik je nageven. Als jij weer eens met een pro-Russische separatist die twee patroonbanden om heeft, staat te keuvelen, denkt iedereen: “ach, die man heeft vast een erg schattig gezinnetje dat thuis met een grote pan borsjtj op hem wacht.” Hoe langer jullie praten, des te meer de kijkers zich afvragen waarom die man daar in godsnaam in dat uniform staat. Een kwartiertje smalltalk verder en iedereen gelooft dat het om een figurant van een amateurtoneelclub uit de Volksrepubliek Donetsk gaat.

 

Dat talent van je om leuke gesprekjes aan te knopen op straat, dat heb je vast niet van je vader. Als Brandt Corstius senior in zijn tijd een serie over de Sovjet-Unie had gemaakt, was hij na een half interview met een bakker al op transport naar Siberië gezet. Toch heeft die oude heer van je je wel uitgerust met een bruikbare eigenschap voor een Oostblokcorrespondent: een pessimisme dat feilloos aansluit bij het decor van de gemiddelde Grenslandaflevering. Als jij een voormalige testlocatie voor atoomwapens afstruint, lijk je meer op een Kazakse gedupeerde die zijn oude moestuintje terug probeert te vinden, dan op een journalist uit Bloemendaal. In het straatbeeld van Daugavpils ben ik je een kwartier lang kwijt. Tussen alle grijze jassen en kale koppen, tussen alle ‘kak’, ‘da’ en nasale ‘aah-ha’-klanken ben jij misschien wel de persoon die je het liefste zou willen zijn: een kind van moedertje Rusland.

 

Het is zonde dat je af en toe nog naar Nederland moet om als Poetinbarometer aan te schuiven bij praatprogramma’s. ‘Poetinbarometer’, daartoe heeft men je in de lage landen gereduceerd. Elke keer laat je weer filmpjes zien van die gekke, maar vooral ‘absurde’ Russen. Het weerbericht in Rusland: ‘Het is september, er is weinig wind en een lage luchtvochtigheid: kortom, een prima maand om luchtaanvallen in Syrië uit te voeren.’ Iedereen lacht, en je ogen twinkelen. ‘Dit is volgens mij waarom jij zo van Rusland houdt, hè Jelle?’ zegt de presentator. Je knikt maar. In Nederland kun je geen Rus zijn, de enige rol die hier – naast die van liefhebber – voor je is weggelegd, is die van Poetinpessimist.

 

En dan kunnen ze het krijgen ook, zal je wel hebben gedacht: ‘Rusland heeft een ontzettend indrukwekkend leger, en we gaan nog zien hoe dat zich de komende tijd gaat ontwikkelen.’ Je maakt me bang Jelle, hou op! ‘Ik heb me maar vast opgegeven als reservist bij het Nederlandse leger. Het zijn gewoon onzekere tijden, dus ik denk dat mensen maar beter voorbereid moeten zijn op het ergste. Of je nou ervaring opdoet in het leger, of dat je leert hoe je een moestuintje houdt, ik denk dat dat wel nuttige zaken zijn.’ Stop, Jelle! Ik wil het leger niet in! ‘Poetin laat in Syrië zien waar het Russische leger toe in staat is, en dat blijkt dus best wel verdomd veel te zijn. Nederlanders denken dat de wereld hetzelfde blijft in de komende jaren, maar dat vraag ik me echt af.’ Het wordt oorlog met Rusland en we gaan dood, allemaal! Dat lijkt in ieder geval de boodschap te zijn die de vier afgezanten van Down voor Dummies, die toevallig achter je in het publiek zaten en steeds wanhopiger keken, hebben opgepikt.

 

Ach, Jelle, met jouw maximalistische ziel hoor je gewoon niet thuis in dit land. Wij begrijpen het Russiche doemdenken niet, raken erdoor van streek. Geef een westerling geen Russische sprookjes, want hij kan er nachten niet van slapen. Als kleuter werd ik ooit meegenomen naar de Russische jeugdfilm Poes Poes van Ivan Popov, die bedoeld was voor kinderen tussen de vier en zes jaar. Een poesje liep weg van huis en beleefde allemaal avonturen. Na anderhalf uur werd het dier doodgereden door een auto. De ontreddering die ik toen om me heen zag heb ik zelden nog gezien. De Russische jeugd verliet de zaal waarschijnlijk gewoon met droge ogen, en trok een les uit de film: wie wegloopt van huis, wordt gestraft door het lot.

 

Een paar jaar geleden beloofde je bij de oprichting van de Correspondent om een serie over Nederland te gaan maken. Niet van Moskou tot Moermansk, maar van Meppel tot Maastricht. Daar hebben we nooit meer iets over gehoord, en dat valt wel te begrijpen. Een man die de Wolga heeft zien stromen, die de machtige klanken van Borodin heeft gehoord, en die zijn ijzige handen heeft gewarmd aan een Svetlana of een Raisa, is voor dit land verloren. De Maas is voor hem een modderig pisstraaltje geworden, en de Hollandse vrouw een man met borsten. Nee, het enige dat een leven in dit land spanning zou geven, zou een goeie oorlog met Rusland zijn. Ik begrijp best dat je je daar een beetje op verheugt.

 

MM

Ik vind mijzelf in wezen zeer geschikt als poëzierecensent. Eerst en vooral omdat ik poëzie haat. U vindt dat misschien oneerlijk; een cynicus vindt immers altijd wel iets in een gedicht dat zijn gelijk staaft. Maar nou vraag ik u: is liefde voor poëzie niet oneerlijker? Ik ken althans geen poëziecriticus, die, net zoals ik, zijn vooroordeel, zijn framework opbiecht. Als ze al zeggen dat ze van poëzie houden, en dat doen ze vaak, dan toch altijd met zo’n Arjen Fortuin-achtige bibliofielengrijns, met zo’n joi de triomfe, zo’n zweem van gestudeerde objectiviteit. Maar wat is objectiviteit waard? Is de ideale poëzielezer nu juist niet onbevangen, kinderlijk, misschien zelfs analfabeet. En is walging niet een oorspronkelijkere reactie dan sjaaltjesdragend ja-knikken? Iedereen die ooit een zucht van een vers heeft meegekregen weet dondersgoed dat walging een reflex is en waardering een spier. Een spier die je pas na lang trainen onder controle krijgt. Ik ken eigenlijk maar één zo’n zelfde spier.

Het begint al bij de titel. Verzen, Vormen, Nieuwe Gedichten, dat kan ik nog wel aan, daar zit nauwelijks leugen bij. Maar bij Verzamelde Gedichten moet ik eigenlijk al fronsen. Verzameld? Door wie dan? De uitgever, de dichter? En hoelang hebben ze gespaard? Flippo’s, die kun je verzamelen, of bestekzegels. Maar daar heb je dan op een gegeven moment een velletje mee vol. Maar wie bepaalt wanneer zo’n bundel vol is. Arjan Peeters schrijft wel eens dat een boek te lang doorgaat, of te vroeg stopt, maar wat gek, zoiets hoor je Piet Gerbrandy nooit zeggen. Ja, als de prijs te hoog is, maar dat is die bij poëzie vrijwel altijd. Zijn ‘Verzamelde gedichten’ wel àl iemands gedichten? Het is de implicatie, maar het staat er niet. Als een uitgever nou bijvoorbeeld zo’n moeilijk lerende dissonantpreker eens telefoneert ‘dat het weer tijd is’ en toevoegt ‘(…)desnoods wat oud werk of een paar schetsjes, weet ik veel’ en zo’n woordenwoekeraar veegt vervolgens velletjes (1) binnen handbereik met een veeg van zijn bureau (2) in een map en stuurt die op, telt dat dan ook of moet het dan, voor behoud van rein geweten, ‘Een greep gedichten’ worden genoemd?

Verzamelde gedichten is nog maar het begin. Je hebt erbij die ook nog kunnen rekenen. ’27 gedichten en geen lied’ krijg je dan. En je begint met tellen en verdraaid: het klopt! En waar je ook zoekt, geen lied te vinden. Er valt wel meer niet in te vinden: een brief, een filmscript, een vakantiefoto, maar nee, dat zet meneer Nasr er niet op. Van sneden als ‘zoveel en enige gedichten’ zijn er inmiddels ook meer dan duizend. Of van die onwoorden: ‘Het glimpen van de welkwiek’, ‘Roeshoofd hemelt’, ‘Een grimwoud in mijn keel.’ Maar goed, weet je wel weer waar je aan toe bent, want veel meer dan zulk soort ‘associatieve taalmozaïek’ zal je in die bundels niet aantreffen. Weer een rennie verder zijn titels met een hele of halve volzin. Alsof het allemaal nog ergens over gaat ook, een onderwerp heeft, een thema! ‘De vis en het boek’, ‘De man van vele manieren’, ‘Hier was vuur’, ‘De steen vreest mij’, ‘Van verlies en dood’. Maar het allerergste zijn toch wel die zinnen die gewoon niet kunnen, maar bij nader inzien op een of andere manier toch kloppen. Verschrikkelijk is dat, dat zo’n navelstaarder je nog voor de eerste pagina te slim af wil zijn: ‘Zacht gat in broekzak’, ‘Uit een vinger valt men niet’, ‘Het meisje dat ik nog moet’, ‘Met terugwerkende kracht’.

Die laatste is van Yannick Dangre. Ik stond ermee in m’n handen in de winkel en draaide het boekje maar om. En jawel hoor, daar zal je hem hebben: de dichter himself. Want dat is nog wel de grootste reden van mijn afkeer van poëzie: dichters. Begrijp me niet verkeerd, als ik eenmaal een paar minuten lees, kan ik het heus hogere emoties krijgen van poëzie, maar die kaften, dat omslaan, dat beginnen, die uitlijning, de woorden ‘Zonder titel IX’, die dichter. En dan dat declameren. In zo’n bundel moet ik zinnen ontcijferen waar willekeurig in ge-enterd is en diezelfde zinnen dragen ze voor alsof ze van een autocue worden voorgelezen. Kunst moet zijn medium rechtvaardigen, maar met poëzie is het kennelijk om het even in wat voor mal het gegoten wordt, het blijft ‘betekenen’. God, dichters! Maar denk niet dat je ze op straat herkent, dat het ‘een slag mensen’ is, nee hoor, daar zijn ze veel te eigenzinnig voor, maar als er dan zo’n koffiedikkijker ten voeten uit geportretteerd, in een pak dat ie nooit aanheeft, maar toch stroploos draagt, want ‘dat vind ie nooit zo lekker zitten’, als zo’n snotneus je dan van achter op z’n gesubsidieerde bundel aanstaart, dan kan ie niet missen: een Dichter. Zo’n lulletje waarvan niks anders te maken viel en dan verkondigt dat ie niks anders had kunnen zijn. ‘Dichter’, ze spreken het uit zoals een bakker ‘bakker’ zegt. Maar een bakker doet zijn beroepskeuze niet naakt voor de spiegel. Want ja, zelfmoord is eigenlijk pas na bundel drie een optie.

Ik zette de (gesigneerde!) bundel terug en rekende voor de helft van het geld een roman af. Dat zouden meer poëzierecensenten moeten doen. (3)

LAH

 

 

1) Misschien zijn die velletjes een te romantisch beeld. Waarschijnlijker schrijven dichters op hun telefoon of in hun agenda. Het zou althans een pak van m’n hart wezen. Je moet er toch niet aan denken dat zo’n veeg sujet met een zwart notitieboekje op het terras gaat zitten, of thuis, met gesloten gordijnen de vulpen oppakt en op cremekleurig lijntjespapier… in zo’n geoefend huisartsenhandschrift. Of godbetert: op bierviltjes! Ik geloof sowieso niet dat dichters ‘schetsen’ of ‘opzetjes’ laten slingeren. Die schrijven natuurlijk alles uit, laten geen vier geschreven regels onbetaald.

2) Misschien is dat bureau te romantisch. Ik kan me niet indenken dat een dichter een schrijftafel heeft. Nee joh, die zitten gewoon de hele dag tosti’s te eten op het balkon, of in de tuin, want reken maar dat ze een balkon hebben, en dan nodigen ze hun vrienden uit. Samen schrijven. Ik zie er soms zelfs zitten op een bankje bij een kanaal of in het park, of zelfs in kleermakerszit in het gras. Jakkes! Op zulke momenten wens je toch een hond te hebben, maar vergeet het maar, die lui weten hun idylle wel uit te zoeken. Schoonheid is zeldzaam, bijna even zeldzaam als een verboden-uitlaatzone in Amsterdam, maar dichters kennen ze beter dan de gemeente. En dan lekker doorvertellen natuurlijk, aan andere dichters.

3) Ik vind DD trouwens best wel aardig.

Toen Charlie Hebdo twee cartoons plaatste over dat Syrische joch in die Turkse branding stonden opiniemakers aller landen meteen klaar om een hele reeks hele rare stukken te schrijven, waarin voortdurend om de hete brij heen werd gedraaid. Het leek alsof elke opiniemaker wilde zeggen dat de mensen die ten tijde van de aanslag hun steun aan het blad betuigden (lees: iedereen en uw moeder) zich daar nu voor zouden moeten schamen, maar dat net niet helemaal durfden, omdat het natuurlijk impliceert dat een redelijk mens het blad indertijd juist niet had moeten steunen, wat weer zou moeten betekenen dat die aanslagen helemaal zo erg niet waren en de jongens en meisjes Hebdo de boel toch wel een beetje uit hebben gelokt.

 

Het was vermakelijk om te zien hoe de politiek-correcte medemens (daar moet een goed woord voor komen, policor is veel te Jalta en de South Parkvondst PC betekent natuurlijk al iets veel mooiers) zich in bochten wrong om recht te praten wat krom is: Charlie Hebdo moet kunnen schrijven wat ze willen, en over verdronken kinderen mag je geen grappen maken want dan ben je een lul.

 

Wat is oranje en blauw en ligt op de bodem van de Middellandse Zee? Een Syrisch vluchtelingenjongetje met een lekgestoken zwemvest. Wat is oranje en rood en drijft aan het oppervlak van de Middellandse Zee? Een zwemvest met een lekgestoken Syrisch vluchtelingenjongetje. Het is met deze tandemmop net als met de twee cartoons van Charlie Hebdo: je kan je afvragen of het nou allemaal wel nodig is, je kan je afvragen of het eigenlijk wel leuke grappen zijn, en je kan je afvragen of je er niet meer boosheid dan debatreflectie mee teweeg brengt, maar wat absoluut nooit een boeiende vraag is, is: mag dit? Het antwoord daarop luidt namelijk altijd: tuurlijk.

 

Als het antwoord namelijk niet ‘tuurlijk’ is, kom je in een schimmig gebied waarin je blijkbaar te ver kan gaan, en als je te ver gaat en je wordt vervolgens overhoop geknald door twee zwakbegaafde testosteronbroertjes met een obsessie voor actiefilms en een religie als quasimorele quasidekmantel, wat moet je daar dan van vinden? Niet dat het oke is, maar blijkbaar ook niet dat het allemaal de schuld van de heren Kouachi is. Op deze twijfelachtige richel balanceerde de afgelopen tijd de publieke opinie, en de domheid daarvan wil ik graag illustreren aan de hand van een willekeurig gekozen zondebok, een man over wie ik zometeen hele beledigende dingen ga zeggen alleen maar omdat zijn tweet het eerste voorbeeld was dat ik kon vinden.

 

Ene Feroz Khan, sportfotograaf en blijkbaar deugdethicus, tweette “Anyone still want to be #JeSuisCharlie now?” Nog afgezien van de afzichtelijke translinguistische taalfout die deze zin vormt, is dit een van de domste opmerkingen die ik in tijden heb gelezen. Ja natuurlijk zou men dat nog steeds moeten willen, domme sportfotograferende bokkenlul, want de implicatie van Charlie Hebdo nu afvallen is dat je het voor een minuscuul beetje allemaal wel prima vindt wat er is gebeurd. Roepen dat het vrije woord nooit ingedamd mag worden is blijkbaar weer uit, of het was eigenlijk al uit in de weken na de aanslag, toen er steeds meer stukken verschenen die het blad ervan betichtten dat ze nodeloos kwetsen. Dat zo’n redenering vreselijke dingen impliceert, kan je niet wegnemen door te zeggen: “natuurlijk vind ik niet dat je mensen overhoop mag schieten omdat je beledigd bent,” want tot op zekere hoogte vind je dat dan dus wel. De schuld van de aanslag mag dan nog steeds voor laten we zeggen 90% bij de daders liggen, een willekeurig percentage, die overige tien procent maakt wel dat het afknallen van de redactie van Charlie Hebdo blijkbaar een iets minder verwerpelijke daad is dan het afknallen van de redactie van de Tina, die nog nooit iemand heeft geschoffeerd. Dat is een redenering waar ik niet in mee wil gaan, en bovendien een die een gevaarlijk hellend vlak schept.

 

Dit allemaal nog afgezien van het feit dat die cartoons natuurlijk (in tegenstelling tot mijn hilarische voorbeeldgrappen) helemaal niet de spot drijven met verdronken vluchtelingen, maar met de West-Europese houding tegenover de vluchtelingencrisis. Maar het oormerk van goede satire is onbegrip bij het gepeupel, als je iemand in een massagraf legt door middel van fototrucage, als je een gekleurde medemens ongeletterd noemt, als je een dood Syrisch jongetje gebruikt om een punt te maken over de hypocrisie van de vluchtelingencrisis. Bovendien: als het smakeloos zou zijn om een dood jongetje te gebruiken om een punt te maken, dan zou ik nu aandelen Kalashnikov kopen. Dan is geen krant- of webredactie onschuldig.

 

DD

Het zal u niet ontgaan zijn: Joost Zwagerman, schrijver, essayist, kunstliefhebber, mediapersoonlijkheid en al tijden onze bureaublad-achtergrond cq kwelgeest, is door eigen toedoen overleden. Propria Cures heeft juist de mensen die ze graag de maat neemt het liefst lang en gezond levend, dan hebben we immers wat te schrijven, en de redactie betreurt het dan ook zeer dat Zwagerman niet meer onder ons is. Ons medeleven gaat uit naar zijn familie en vrienden, hoewel die daar uit onze mond vast niet op zitten te wachten.

 

De redactie gaat zich hier niet belachelijk maken door een hypocriet stuk te schrijven waarin Zwagerman wordt geroemd om alle fantastische dingen die hij bij leven gedaan heeft, enkel en alleen omdat ook wij zijn zelfverkozen dood bijzonder tragisch vinden. Niemand zou moeten worstelen met zoiets afschuwelijks als een depressie die uiteindelijk zo hevig blijkt, dat het beëindigen van je eigen leven als de enige zinvolle optie gaat voelen.

 

Vanwege zijn veelvuldige, eigenzinnige aanwezigheid in alle media en zijn temperamentvolle liefde voor de polemiek was Zwagerman een vruchtbaar, maar moeizaam onderwerp voor PC. Dat de aan Zwagerman bedeelde erfopvolging een verspreking van Mulisch was, laat niet onverlet dat hij desondanks in dit blad toch een beetje de plek van ome Har innam. De vriendschappelijke animositeit tussen PC en Mulisch was echter niet de soms grimmige verstandhouding tussen PC en Zwagerman, een gegeven dat we graag anders hadden gezien.

 

Wij hebben Joost Zwagerman leren kennen als een getroubleerde man, even heetgebakerd als gepassioneerd, die tegelijk extreem onredelijk en extreem redelijk kon zijn. Hoe onredelijk hij zijn kon, laten we hier verder onbesproken, maar wanneer hij bijvoorbeeld verzuchtte, dat hij zo graag had gezien dat we ons minder tegen zijn persoon en meer tegen zijn werk richtten, was dat een appèl waar de redactie natuurlijk ook de zin wel van inzag. De redactie vindt het sympathiek dat er met het verscheiden van Zwagerman  in de vorm van De stilte van het licht toch nog stof voor toekomstige stukken is aangeleverd, zodat we de daad binnenkort bij het woord kunnen voegen.

 

Toen Harry Mulisch overleed, heeft Propria Cures een extra editie uitgegeven, die geheel in het teken van De Neus stond. Bij dezen laat de redactie weten dat er enkele uitstekende grappen zijn gesneuveld om deze voorpagina volledig in te ruimen voor dit in memoriam, maar dat de rest van dit nummer, dat al af was toen het treurige nieuws ons bereikte, ongewijzigd is gebleven. Ook in de nabije toekomst gaan wij geen Joost Zwagerman-nummer maken.

 

Wie hierdoor al te zeer is teleurgesteld, kan het katern over De Kin teruglezen, dat in 2011 verscheen. Daarin schreef de toenmalige redactie onder andere de volgende, naar nu blijkt in meerdere opzichten profetische woorden:

 

“Joost Zwagerman is een alleskunner die van geen wijken weet, zijn productiviteit kent geen grenzen en wanneer hij een bad neemt, wat hij vaak doet, want hij is zeer hygiënisch, dan kan men van het restwater een elixer brouwen waarmee de eeuwige wijsheid kan worden verkregen. Speciaal om deze boodschap uit te dragen is er de Z. Een eenmalig katern waarmee de redactie van Propria Cures een hommage brengt aan de schrijver die het meer dan wie dan ook verdient om serieus genomen te worden. Noem het een introductie, noem het een eerbetoon. Maar lees het als een viering van zijn leven.

 

P.S.: die Anil Ramdas, dat is pas een lul.”

 

Joost, het was ons een dubieus genoegen. Het spijt ons dat verdere Zwagermanpolemiek zowel van jouw kant als de onze de wereld voorgoed bespaard zal moeten blijven. Blijf ons vooral mailen vanuit het hiernamaals.

 

 

de redactie

 

Het was 6 mei 2002, op een terras in Barcelona, dat mijn ouders ervan overtuigd raakten dat Pim Fortuyn zelfmoord had gepleegd. Of dat nu lag aan de Catalaans ratelende ober, die de moord waarschijnlijk op het journaal had gezien en het verhaal verkeerd aan hen vertelde, of dat mijn moeder ten onrechte een wederkerend voornaamwoord verstaan heeft, daar wordt meestal wijselijk over gezwegen. Zeker is dat wat eerst nog ongelooflijk leek- waarom zou je jezelf negen dagen voor een zekere verkiezingsoverwinning omleggen?- bij de laatste ronde tapas de vanzelfsprekendste zaak van de wereld was geworden. Hij stond natuurlijk plots onder grote druk, het was een gevoelige man, met een aanleg voor het grote gebaar bovendien. Logisch eigenlijk. Hoe hadden ze dit niet aan kunnen zien komen?

Iets soortgelijks overkwam me toen ik onlangs de Groene Amsterdammer open sloeg. ‘(…) ik dacht dat ik gewoon een vriendschap had, maar ik zat ernaast’, las ik. ‘Wat ik blijk te hebben is een woord dat het laatste jaar ineens overal opduikt; (…) Het is “mannenvriendschap”.’ Verbazing was mijn deel. Schrijft Paulien Cornelisse tegenwoordig pagina’s lange essays voor de Groene? Wie anders zou zich voor dit soort talige wetenswaardigheden interesseren? Sommige dingen heten nou eenmaal eerst anders (“aangenaam”, “rustig”, “lekker”, “onbezorgd”, “kalmeer” en “met mensen iets doen” heten tegenwoordig respectievelijk “chill”, “chill”, “chill”, “chill”, “chill” en “chillen”), maar wie anders dan Paulien zou daarover beginnen? Aan de andere kant: waarom zou Paulien haar vriendschappen als ‘mannenvriendschap’ omschrijven? Zij is toch een vrouw? Ik voelde een vlaag van cognitieve dissonantie opkomen, maar gelijk trad mijn afweermechanisme in werking: was ik misschien te star in mijn denken over gender? Had Paulien niet altijd al iets mannelijks over zich? Ik googlede haar naam. Verdraaid, dat was gewoon een man! Waarom heb ik dat nooit eerder gezien?

We kunnen een belangrijke les leren uit deze twee gebeurtenissen: dat het mogelijk is om de meest onsamenhangende dingen in gedachten met elkaar te verenigen. Een duiding is nooit ver weg, en een verklaring is altijd te geven, ook al is Pim Fortuyn geen zelfmoordenaar, al heet de schrijver van het stuk (met de omineuze kop ‘De grootste lul’) niet Paulien Cornelisse maar Joost de Vries. Vandaar dat ik niet verbaasd opkijk als iemand beweert dat iets ‘naadloos past in deze zelfbewuste tijd en deze feminiserende wereld’, zoals Joost de Vries in dat stuk in De Groene doet; dat kun je over alles wel beweren. In dit geval gaat het over mannenvriendschap, en de strekking is als volgt: mannenvriendschap is nu populair, want het is een ondoordringbaar mannenbolwerk in tijden van oprukkende vrouwenbemoeienis. Bovendien is het lekker simpel en plat, en dus een verademing ten opzichte van de facebookwereld, waar je voortdurend moet nadenken hoe je jezelf presenteert.

Zoals het sociologie van de koude grond betaamt, klinkt dit allemaal aannemelijk. Toch is er wel wat op aan te merken: dat het gevolg al langer bestaat dan de oorzaak, bijvoorbeeld. Starre causaliteit hoeft het essayistische Freispiel niet te bederven, toch zijn er grenzen aan wat ik me wijs laat maken. Dat mannen als vrienden dingen met elkaar ondernemen (jagen, voetballen, wielrennen) en daarbij nauwelijks over emoties praten, is niet ‘een beeld van mannen zoals het tot een paar jaar geleden alleen nog in bierreclames voorkwam’, maar een cliché dat teruggaat van Komt Een Vrouw Bij De Dokter, All Stars en The Deer Hunter tot Nescio. Dat mannen onderling lekker onhandig barbecueën is heus niets nieuws; hoe denk je dat Japi die kachel van Bavink kapot gestookt heeft?

Dat heeft Joost de Vries een pagina verderop ook in de gaten. Dan verlegt hij zijn vraagstelling naar ‘waarom dit cliché zo populair is’. Dat deze vraagstelling een pleonasme bevat zij ‘m vergeven, want hij heeft wel gelijk: er zijn boeken over mannenvriendschap (Ventoux, Altijd Viareggio), en een film (Ventoux), en ‘zelfs een toneelstuk’, al blijkt dat een toneelstuk van Raoul Heertje te zijn, waarvan ik me niet kan voorstellen dat Joost de Vries het kende tot hij in een poging zijn stelling te onderbouwen “mannenvriendschap” ging googelen. Hoe dan ook, we zouden dus wel voorzichtig aan van een Maatschappelijke Tendens kunnen spreken, waarvoor we naar een verklaring op zoek moeten.

Joost zoekt het in de hoek van de Grote Maatschappelijke Vraagstukken (ik schrijf dit met hoofdletters, want het is een instituut). Zelf heb ik er ook één opgesteld. Komt ‘ie: er is een best wel bekende man, Bert Wagendorp, gevraagd door een redelijk bekende regisseuse, Nicole van Kilsdonk, om voor haar een filmscript te schrijven. Die film kwam er telkens niet, toen heeft Bert er alvast een boek van gemaakt (Ventoux) dat heel goed verkocht, misschien wel omdat er mensen in voor komen zoals je ze zelf ook wel kent, omdat mensen nu eenmaal zo zijn. Toen heeft Mai “Kale Khmer” Spijkers van Prometheus gedacht: zo’n boek wil ik ook verkopen, en vervolgens het boek waar Rick Nieman al een tijdje mee aan het zeulen was maar uitgegeven (Altijd Viareggio). Dat verkocht ook best aardig, omdat Rick Nieman nu eenmaal ook een bekende Nederlander is en het over motoren gaat. ‘We all like motorcycles to some degree’, nietwaar? Vervolgens kwam die film er toch, en die was ook best goed. Dat de Surinamer uit het boek door een Vlaming was vervangen mocht de pret niet drukken, de tropen beginnen tenslotte in Roosendaal. Conclusie: er is geen Groot Verhaal, en al helemaal geen alwetende verteller. Wie durft het tegen Joost te zeggen?

 

DM

‘In 1985 stelde Italo Calvino zijn ‘zes memo’s voor het volgende millennium’ op: een serie lezingen die hij zou geven aan Harvard, over wat hij de belangrijkste literaire waarden voor de toekomst achtte. Hij stierf voordat hij ze kon uitspreken, en de laatste lezing bleef onvoltooid.’

Omdat we dit jaar precies even ver van de millenniumwisseling verwijderd zijn als Calvino toen, achtte De Gids het educatief zes lezingen af te drukken over deze memo’s, die zes schrijvers in maart ergens in Brussel uitspraken. De vorige keer besprak ik de eerste twee memo’s: die van Niña Weijers over ‘lichtheid’ en die van Peter Terrin over ‘snelheid’, waarin u leerde wat show don’t tell betekent en dat vlot geschreven boeken goed verkopen. Voor het geval u dacht dat er een verschil is tussen Das Magazin en De Gids: dat is er nauwelijks. De één is de schoolkrant van de schrijversvakschool, de ander is een papieren schrijfcursus. Een goedkope bovendien, maar in het geval van schrijfcursussen is dat misschien juist ethischer.

Twee schrijftips volstaan natuurlijk niet; om zelf schrijver te worden heb je er op z’n minst drie nodig. Gelukkig is Ann De Craemers tekstje over de memo ‘exactheid’ geheel in lijn met de eerdere twee. Exactheid = precies zijn in je beschrijvingen, dialogen, illustraties, enz. (lees ook Handboek Stijl (Peter Burger)hoofdstuk 3, paragraaf 2.1, cliché 15: schrijven = schrappen). Waren de eerste twee memo’s vooral gênant om te lezen, deze is ronduit beledigend: de lezer heeft een spraakprobleem en De Craemer is de logopediste die hem het woord ‘ar-ti-cu-le-ren’ leert. Hoewel, niet gênant? Ze begint haar stukje met ‘”De literatuur is het Beloofde Land waar de taal wordt zoals zij eigenlijk zou moeten zijn.” Het is een van de mooiste zinnen over taal die ik ooit heb gelezen, en ze komt uit de memo van Italo Calvino over exactheid in de literatuur.’ Hoe lang zou De Craemer hebben geschrapt voor dat dit in de rasp bleef steken? Het aangehaalde citaat is niet mooi – eerder pedant – en de rest is overbodig, want al verteld in de redactionele inleiding. Exactheid lijkt mij dat je geen woord teveel schrijft, maar dit waren al twee zinnen. Of: geen woord te weinig… De ‘Calvino bespreekt drie aspecten van exactheid, maar ik zal het alleen hebben over de exactheid van taal die hij bepleit.’ Welke twee we dan missen, vertelt ze niet, maar we weten tenminste hoevéél we missen. Ze vervolgt door exactheid (of 1/3e ervan) tot het definiërend criterium van literatuur te verheffen (de andere schrijvers hebben hier ook een handje van, ieder natuurlijk met zijn eigen onderwerpje – is veelzijdigheid wellicht het definiërend criterium van literatuur?). Exactheid scheidt literatuur van het gebrabbel. Oké, maar waarom is de literatuur dan zo plat tegenwoordig? En waarom zijn haar schrijvers niet eens slecht (Easton Ellis, Grunberg)? Geen idee, ze heeft het liever over Elsschot en Streuvels (die Calvino’s oma nog gekend hebben?). O, en we moeten vooral niet denken dat ze zo elitair is om de literatuur als redder van de taal te presenteren, want: ‘Ook non-fictieschrijvers stellen zich (…) die exactheidsvraag, dus exactheid in de taal is geen puur literaire aangelegenheid.’

Een memo over zichtbaarheid in literatuur, gaat over de beeldende kracht van literatuur, slechts bemiddeld door de geesteskracht, enz. Yves Petry verstaat zichtbaarheid als een etalagist. Zijn tekst is 1/3e langer dan de rest, maar die ruimte gebruikt hij voor zelf(feli)citatie (dus het is oké), afkomstig uit (hoe kan het ook anders) zijn laatste roman. Dit stukje tekst is zo geweldig luimig, dat we het maar integraal overgenomen tussen de advertenties hebben geplaatst. Graag gedaan, Yves, gratis en voor niets! Ook PC verstaat immers hoe belangrijk zichtbaarheid is voor de schrijverij tegenwoordig. Blader dus eerst even naar pagina 6. Tot zo!

(…)

–Nu de dijen rood zijn, is het tijd voor de wangen. Schamen moet u zich! Petry: ‘In hoeverre zoiets voor de lezer geloofwaardig is, hangt natuurlijk af van zijn of haar inlevingsvermogen en persoonlijke ervaring en doet hier niet te zaken.’ Kijk aan, Petry doet aan terugtiks! U heeft zojuist uw eigen gebrek aan inlevingsvermogen uitgelachen! Verdere diagnoses van het citaat: een verwijzing naar Spinoza’s Ethica; ‘heel logisch’; ‘een natuurbeschrijving’; een ‘weergave van een innerlijke toestand die in tegenspraak is met de chronologie van de zintuigen’; ‘een vorm van abstracte poëzie’; ‘een ontbranding van extase’; ‘een beleving van hart en hoofd die het getuigenis van de zintuigen overstemt’; en iets dat je ‘spiritueel of artistiek [zou] kunnen noemen’. Dat zichtbaarheid niks met geloofwaardigheid van doen heeft, is een loepzuivere duiding van het literaire klimaat van dit millennium tot nu toe. Goed dat ie het ook even demonstreert. Hij eindigt met een sneer naar de televisie, die terecht zou zijn als hij het over de onbemiddelde visuele kracht van literatuur had gehad, of als mensen überhaupt nog televisie keken.

Bij ‘veelvuldigheid’, denk ik aan een boek als Bonita Avenue, dat over heel veel gaat en toch één verhaal is. Jamal Ouariachi verblijft echter nog niet lang genoeg in Nederland om te snappen dat veelvuldigheid niet hetzelfde is als gelaagdheid (wat is hij eigenlijk? Chinees? Turks? Oeigoers?). Hij leert paleontologie voor een topografie-examen. Ik weiger zijn werk na te kijken.

De enige goede memo van de zes is die van Christophe Van Gerrewey over ‘consistentie’ (al had ik hier liever Niña Weijers aan het woord gehad, ik zou graag het verschil met consequentheid weten) Van Gerrewey geeft een latijnse definitie en laat aan de hand van Herman Melville’s Bartleby – het verhaal dat Calvino ook wilde gebruiken – zien dat zelfs hypocriete personages consistent kunnen zijn. Verhelderend. Maar was dan ook de onafgemaakte memo. Conclusie: de enige voorwaarde waarop een schrijver uit ons taalgebied nog een goed opstel kan schrijven, is als ie z’n thema uit z’n duim mag zuigen.

Op 12 maart overleed de Engelse fantasyschrijver Terry Pratchett aan de gevolgen van zijn Alzheimer. Een overlijden is een passend moment om terug te blikken. De nabestaanden wenen zachtjes en de sfeer is stemmig, waardoor het kraken van kritische noten nog wat luider klinkt dan normaal. Dat kan zomaar tot groot ongenoegen leiden, bijvoorbeeld bij de katholieke Delftse studenten die in 1958 PC-redacteur Herbert Leupen ontvoerden, in elkaar sloegen en een tonsuur schoren, toen die paus Pius XII ‘in de grond niet zo slecht’ had genoemd.

 

Daar hoeven we tegenwoordig niet meer voor te vrezen; God is uit Delft vertrokken, en haar studenten hebben ander tijdverdrijf dan gebed en inquisitie moeten verzinnen om het vagevuur tussen hen en een baangarantie bij Shell door te komen. Geen probleem, de ene fantasyfiguur is moeiteloos door de ander vervangen: met van die puntoren op lijkt Maria net een elf en Jozef was al aangesloten bij de Guild of Woodworkers. Niet langer op zondag naar de mis, maar de hele zaterdagnacht een LAN-party; een USB-kabel in plaats van de rozenkrans. De Delftenaar grijpt alles aan om maar aan zijn leven van alledag te kunnen ontsnappen- en geef hem eens ongelijk, in een dorp met alleen maar mannen-, of het nu de belofte van een eeuwig Paradijs is, of Live Action Role Playing. Van dit nieuwe evangelie is ons onlangs één van de grootste boodschappers ontvallen: de eerdergenoemde Sir Terry Pratchett.

 

Dus daar kwamen weer necrologieën van, zo bedroevend dat je zou wensen dat Pratchett in de eerste plaats niet was gestorven. “Hoewel hij een uitgesproken voorstander was van euthanasie, stierf hij naar verluidt een natuurlijke dood.”, was in de Volkskrant te lezen. Korte update voor journalist Hans Bouman: Niet alle voorvechters van een zelfgekozen dood overlijden daar vervolgens ook aan. Vraag Els Borst maar eens! Hans vervolgt met een beschrijving van de door Pratchett verzonnen wereld, Discworld, “(…) die rust op de ruggen van een viertal olifanten, die op hun beurt staan op een reusachtige vliegende schildpad.” Mijn these is dat de wereldbevolking in twee groepen uiteenvalt: mensen waarop bovenstaande zin een wervend effect heeft, en mensen waarop deze zin dat niet heeft. De tweede groep zou nog liever genomen worden door een centaur dan ooit een boek van Pratchett te lezen, en de eerste groep heimelijk ook.

 

Ik heb me toch over mijn afkeer heen gezet en ben aan één van de boeken uit de veertig delen tellende reeks begonnen, Soul Music. Een korte samenvatting: er is een meisje zo onopvallend dat de leraren haar letterlijk niet zien zitten in de les (à la het grapje ‘Dokter, ik heb het gevoel dat mensen mij negeren’ ‘Volgende patiënt’) en een Imp wil in een band spelen maar gaat bovenop zijn harpje zitten. Ook is er nog een vliegend paard, maar de kortzichtige medescholieren geloven niet in magie en verdringen dat weer. De clou is van deze lange, belerende mop moet ik jullie schuldig blijven, want ik heb het einde niet gehaald.

 

Wel heb ik me laten vertellen dat Pratchetts oeuvre een allegaartje vormt van uit de literatuur en mythologie opgeduikelde plots en personages. Hans Bouman formuleert dit iets serieuzer en literairder als de “invloeden (…) van Shakespeare en Tolkien”. Pratchett en zijn volgelingen zullen dit zeker kunnen waarderen, want ze lijken nogal in de knoop te zitten met hun eigen voorkeur voor fantasy. “Snobbery towards this genre still exists”, klaagt The Guardian, of zoals Pratchett het zelf verwoordde “I could write a book and I could set it in Tombstone, Arizona (…) and the moment I put in one fucking dragon, they’d call me a fantasy writer. (…) once you are a fantasy writer it’s always going to be fantasy.” Voor Pratchett zelf is het al te laat, maar voor alle lezers heb ik een simpele tip: als je per se niet als fantasyschrijver gezien wilt worden, probeer dan de neiging te onderdrukken draken in je boeken te verwerken. Nog zo’n tip: stop met tegen betaling andermans bloembedden bij te werken, als je niet als hovenier bekend wilt komen te staan. De wereld is een vreselijke plek, heb ik weleens horen zeggen, waar wat je doet zomaar kan bepalen wat je beroep is.

 

Pratchett bleef daar zuur over, in plaats van tevreden naar de miljoenenverkoop van zijn boeken te kijken en zijn schouders op te halen over genrekwesties. Het moest aan de buitenwereld liggen, in plaats van aan de drakendichtheid van zijn verhalen, dat sommige mensen zijn verzinsels niet leuk vonden. “Stories of imagination tend to upset those without one.”, zei hij eens. Het heeft toch iets treurigs dat je na het schrijven van een boekenreeks die grotendeels bedoeld is als maatschappij- en religiekritiek, uiteindelijk toch niet beter weet dan de kleuterredenatie van de gelovige: “Ikheb dit Boek en als jij dit Boek niet ook leuk vindt, ben je minder dan ik.”

 

Afin, ter afsluiting was ik nu mooi rond geweest met een vergelijking tussen de religieuze dogmatici paus Pius XII en Terry Pratchett. Dan had ik me vervolgens vrolijk kunnen te maken om Pratchetts teraardebestelling en Delftenaren opgeroepen me met hun schuimrubberen zwaarden en toverspreuken te komen halen. Maar niets van dat alles, want zo erg is het allemaal ook weer niet. Die boeken zal hij vast niet kwaad bedoeld hebben en bovendien stortte hij ooit een miljoen pond op de rekening van het Alzheimerfonds. Hij zal dus wel niet snel vergeten worden.

 

DM

 

Toen ik op het boekenbal voor 3,75 genoeg consumptiemuntjes had gehaald voor een broodje kroket (ook de prijzen behoorden blijkbaar tot de thematische uitingen), manoeuvreerde ik door wat groepjes heen. ‘Pardon, mag ik er misschien langs,’ vroeg ik, uiterst beleefd van toon, aan een kleine beveiligingsbeambte – op wie ik ondanks beide zaken geenszins neerkeek – die met een groepje vrouwen stond te kabbelen. ‘Nouw, dan mot ik je er dus eerst doorlaten, hè?’ snauwde hij en hij draaide zich weer om naar zijn gezelschap en trapte hierbij op mijn teen.

Ik liep maar om. Verbazing tolde door mijn hoofd. Zijn manieren deden inderdaad niet onder voor een beveiligingsbeambte, maar was zijn pak niet wat goedkoop, zijn pantalon niet wat te lang? En waar waren zijn manchetknopen? En waar het roestvrijstalen V-speldje? Waar moet het heen met de Nederlandse Schrijverij, als zij op haar jaarlijkse ijdelfuif haar beveiliging niet eens in een fatsoenlijk uniform kan steken? En wat voor veiligheid mogen we verwachten van bewakers die zulk een autoriteit uitstralen? Er zouden wel eens ongenode jongelui binnen kunnen komen! Zeker in deze tijd een gevaarlijk iets.

Word ik toch de volgende ochtend wederom door deze portier begroet, wanneer ik het Volkskrant Magazine opensla! Alex Boogers heet ie en wat blijkt: meneer kan niet alleen gewoon lezen, maar ook schrijven. Boeken en zijn naam. Dat eerste bepaal ik zelf wel. Dat laatste klopt niet helemaal, want hij is gewoon als Alexander geboren, maar veranderde dat dus in Alex. Dat heb je wel eens. Dat een Ruprecht dan opeens Rudi heet, of Hiëronymus plotseling Jordi is. Maar goed, ook deze naamsverandering zal wel z’n betekenis hebben. Alexander betekent trouwens ‘hij die de mannen afweert’, wat dan wel niet met Alex’ inborst gestrookt zal hebben. Op de foto’s bij het interview heeft hij hetzelfde pak aan als op het bal, dus het interview zal wel ergens achter de coulissen hebben plaatsgevonden. Toch raar dat ie dan poseert met een boeddhahoofd dat ik meen van de week nog bij de Xenos te hebben gezien, maar het zijn barre tijden, ook voor schouwburgen. En hoewel ik het gros van de tijd naar de grond keek, heb ik die avond geen loslopende honden gezien. Op een van de foto’s namelijk, laat hij zich door zijn Pittbull Terriër likken, genaamd B.J. (wat die hond verder doet als zijn baasje hem bij zich roept, staat niet in het interview).

‘Na zeven bejubelde boeken is Alex Boogers (44) nog steeds geen bekende schrijver,’ meldt het tijdschrift. Zeven bejubelde boeken, en ik heb nog nooit van de man gehoord! Een beetje schaamte ebt al weg als ik in zijn CV lees dat hij na het halen van zijn mavo-diploma en een carrière in het zwembadschoonmakingswezen, inderdaad ook in het beveiligingsambt werkzaam is geweest. Via een omweg weet hij toch nog gewoon een normaal diploma te bemachtigen en studeert in vier jaar filosofie, rechten en Nederlands. Of ie deze studies af maakt en dus nabij geniaal is, wordt helaas niet vermeld, maar we mogen toch op z’n minst van propedeusjes uitgaan, anders had het de moeite van vermelden überhaupt niet waard geweest. Hij wordt ook nog eens kickboxtrainer en éne Soumia Abalhaja wordt onder hem wereldkampioen. Gelukkig niet nog een naam die ik had moeten kennen, want tenzij ze voetbalvrouwen schaken of naast mij dansen, weet ik niet waarom ik respect voor kickboxers zou moeten hebben.

Dan de boeken: van Het boek Estee heb ik geloof ik weleens gehoord, maar dat is onder het pseudoniem M.L. Lee verschenen, dus daar was ik kansloos. Van titels echter als Het waanzinnige van sneeuw, Lijn 56, Het sterkste meisje ter wereld, De tijger en de kolibrie of Alle dingen zijn schitterend heb ik nog nooit gehoord. Wanneer de mieren schreeuwen is me wel bekend. Het was een van de eerste e-books die gratis weggegeven werden, dus ook hier was ik als literatuurminnaar volstrekt kansloos. Een pr-stuntje was het niet, zegt Boogers, hij vond dat het gelezen móést worden. Iets met waargebeurd en zinloos geweld. Dat zal allemaal wel, maar het relativeert wel waarom men die andere boeken dan wel zou moeten kopen. En dan is zijn achtste boek Alleen met de goden ook nog eens net uit. Dat met mijn resterende honderd woorden hier nog bespreken, is onmogelijk, en bovendien onrechtvaardig, al was het maar omdat het volgens Boogers ‘het eindboek’ is. Of dat betekent dat we alles behalve de Heilige Schrift en het Telefoonboek binnenkort in het haardvuur gooien kunnen, is niet duidelijk, dus stook nog maar even op hout, zou ik zeggen. ‘Alles waar ik in mijn eerdere werk over schreef, komt terug in dit boek, maar dan puurder, heftiger.’ Kijk eens aan. Ik kan dus door het lezen van een boek acht boeken lezen. Een mooie boetedoening. Ik zal de boekbespreking daarom maar tot de volgende keer bewaren en mijn resterende woorden aan wat leuks uit het interview besteden.

‘Al mijn hele leven wordt ik […] geplaagd door beelden. Fragmenten. Waar ik verbanden tussen probeer te leggen. Ik blijf malen, malen, tot ik denk: dát is het verhaal.’ En even later: ‘Ik schrijf niet therapeutisch.’ Over Birdman: ‘Één scène bleef me bij.’ Toch knap voor scènes van twee uur. Of een leuk ergernisje: ‘Nog altijd word ik geïntroduceerd als de schrijvende kickboxer. […] Ver van de waarheid. Ik ben namelijk nooit kickboxer geweest. […] ik ben trainer.’ Zo, dat is even rechtgezet. Voortaan zegt iedereen gewoon weer ‘schrijvende kickboxtrainer’, zoals het hoort. Tot over twee weken!

Ik zal er maar eerlijk voor uit komen, ik heb wel eens een boek van Saskia Noort gelezen. Ik zat in een berghut ergens in de Alpen. Op de boekenplank stonden een groot deel van het oeuvre van Thomas Mann, Mein Kampf, een autobiografie van Arnold Schwarzenegger en een boek van Saskia Noort, dus veel keuze had ik niet. Ik heb geen idee meer welk boek het was, maar erg goed was het niet.

Een paar jaar later werd ik aangeklaagd door de kleinzoon van Rietveld, die de beroemde ‘Hillebrandt’ tuinbanken van zijn opa verkocht voor 2200 euro per stuk. Met een vriend had ik bedacht dat we dezelfde banken konden maken en dat we, als we er driehonderd euro voor vroegen, nog steeds een prima winstmarge zouden hebben. Omdat we onze banken aanprezen met ‘een echte Rietveld’ en de kleinzoon de rechten op het ontwerp bleek te bezitten hadden we niet echt een poot om op te staan en zijn we maar gestopt met onze business.

Bij het verschijnen van het debuut van Liselotte Stavorinus Het Reservaat vond ook Saskia Noort dat ze werd geplagieerd. Ze sleepte Stavorinus (wat een idiote naam trouwens, ik noem mezelf toch ook niet Tim Haarlimus) voor de rechter en noemde 29 elementen op die Het Reservaat rechtstreeks overgenomen zou hebben uit De eetclub. De rechter oordeelde echter dat clichés niet te beschermen zijn en dat er dus geen sprake is van auteursrechtschending. Noort besloot afgelopen week niet in hoger beroep te gaan, maar laat het er niet bij zitten en zocht de media op. ‘Ik miste de discussie over wat een cliché is’, aldus Noort.

Daarover hoeft wat mij betreft weinig discussie over te bestaan. Volgens de Van Dale, wat toch wel een betrouwbaar naslagwerk is als het gaat om de betekenis van woorden, betekent cliché het volgende: ‘telkens overgenomen, altijd weer gebruikte en daardoor versleten, niet meer ‘sprekende’ wending of figuur’. Zo zou je blinkende SUV’s op de opritten van Gooise huizen, vrouwen die witte wijn drinken, nouveau riche types met banen als televisieproducent of binnenhuisarchitect die vreemdgaan met de enorme merkzonnebrillen dragende vriendinnen van hun vrouw, allemaal clichés kunnen noemen. De proleet met de dikke auto, lelijke nieuwbouwvilla, opzichtig dure levensstijl en een voorliefde voor jongere domme huppelkutjes is namelijk het archetype van de mannelijke Gooibewoner. De opgetutte niet al te intelligente milf met dikke tieten en opgespoten lippen die het geld van haar man over de balk smijt in ruil voor het negeren van zijn slippertjes die van de vrouwelijke.

Stomtoevallig zijn al de hierboven genoemde voorbeelden ook elementen die Stavorinus in Het reservaat volgens Noort heeft overgenomen uit haar boek De eetclub. Zo zijn beide hoofdpersonen vrouwen die naar een klein dorp buiten Amsterdam verhuisd zijn, waar de opritten naar riante optrekjes vol staan met patserige terreinwagens, en voelen ze zich na de verhuizing eenzaam. Er wordt in beide boeken een witte wijn gedronken tijdens de eerste ontmoeting tussen twee vriendinnen en in beide boeken wordt de hoofdpersoon uitgenodigd voor een etentje, dat zowel het begin vormt van de uitweg uit de eenzaamheid voor de hoofdpersoon, als de aanleiding is voor een serie noodlottige gebeurtenissen. En alsof het nog niet erg genoeg is, kiezen beide hoofdpersonen ook nog eens na lang twijfelen voor een zwart jurkje om aan te trekken naar dit diner. Gelukkig zag de rechter in dat deze en alle overige genoemde elementen ‘niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking [komen] omdat het voor de hand liggend en basaal is en niet het resultaat is van een creatieve schepping.’

Daar is geen speld tussen te krijgen. Als Noort haar hoofdpersoon gefermenteerde jakmelk had laten drinken en een clownspak had laten dragen en Stavorius had dit overgenomen, dan was er sprake geweest van plagiaat. Maar fucking witte wijn en zwarte jurkjes? Kom nou. Alsof Noort het alleen recht heeft op het schrijven van kutboeken.

De ophef die Noort probeert te creëren over het overeenstemmen van 29 clichés die toevallig zowel in haar boek als in het boek van Stavorinus voorkomen is alsof ik aangeklaagd zou zijn omdat ik ook een opa heb die timmerman was, en ik banken maakte, die van hout waren, bij elkaar gehouden werden door schroeven en houtlijm, die gelakt werden en zitplaats boden aan drie tot vier personen. Maar daar ging het niet om. Ik werd volkomen terecht aangeklaagd omdat ik een één op één kopieën maakte van de tuinbank van Rietveld. Maar het boek van Stavorinus heet niet De Eetclub en gaat ook niet over een vrouw die naar Bergen verhuist en een vriendin heeft die twee moorden op haar geweten blijkt te hebben. Saskia Noort gaat toch ook niet Herman Koch aan klagen omdat hij een boek heeft geschreven waarin een etentje een belangrijke rol speelt?

Uit de wanhopige poging van Noort om via de media alsnog haar gelijk te halen kunnen we drie dingen concluderen; ten eerste, Noort weet niet wat een cliché is en denkt dat meer mensen hier last van hebben. Ten tweede, Saskia Noort is bij mijn weten de enige schrijfster van Nederland van wie in een uitspraak van het hof is vastgelegd dat ze clichématig schrijft en ‘geen creatieve schepping’ neerzet in haar boeken. En tenslotte zijn zowel De eetclub als Het reservaat boeken die je niet hoeft te lezen, tenzij je natuurlijk in een berghut zit en je Mein Kampf al uit hebt.

Ik heb onlangs mijn abonnement op Het Parool opgezegd. In de praktijk merk ik daar weinig van. Om te beginnen krijg ik nog gewoon elke dag de krant, want de opzegtermijn is ongeveer een half jaar, dus ik zit er nog wel even aan vast. Bovendien merk ik er financieel niets van, want wat ik in PC altijd met veel brio ‘mijn abonnement op Het Parool’ noem, is in werkelijkheid natuurlijk gewoon het abonnement van mijn inwonende geliefde.

Toch kreeg ik er bijna spijt van dat mijn vriendin op de krant wilde bezuinigen, want ik las dat Eva Hoeke, toch wel een van de betere redenen om een andere krant te gaan lezen, naar De Volkskrant is vertrokken. Daar vonden ze de bijdragen van Aaf Brandt Corstius en Sylvia Witteman blijkbaar nog niet genoeg kleurloos huisvrouwengewauwel, daar moest nog een zwakzinnige bij. Enter Eva Hoeke, wier grootste talent Marcel van Roosmalen is, de man die om onduidelijke redenen Eva Hoeke koos uit de drie miljard vrouwen die onze planeet rijk is.

Waar kennen we Eva Hoeke ook alweer van? Waarom krijgen we bij de naam Eva Hoeke een onprettige, teerachtige smaak in onze mond? Eva Hoeke is de vrouw achter één bijzonder onfrisse en één bijzonder kneuterige rel, waar we sinds enkele dagen nog een bijzonder laakbare vorm van luiheid aan toe kunnen voegen. Het begon allemaal toen een onbekend gebleven medewerker van de Jackie een stukje tikte over de bijzonder aantrekkelijke, bijzonder succesvolle en naar het schijnt bijzonder vriendelijke zangeres Rihanna meende te moeten zeggen dat ze ‘een echte niggabitch’ is, een opmerking die Rihanna begrijpelijkerwijs nogal in het verkeerde keelgat schoot. Hoewel de Volkskrant uitpakte met de stompzinnige kop “Waarom zorgt het woordje ‘niggabitch’ in een Nederlands tijdschrift voor zoveel ophef?”, is de door hen opgetekende uitspraak van hiphopjournalist Saul van Stapele onmiskenbaar raak: “in het stuk van de Jackie krijg je de indruk dat zo’n modedame liggend op de bank met een wit wijntje iets lolligs heeft bedacht. Dit is net je foute oom die ooit een rapplaatje heeft gehoord en nu voortdurend ‘Yo, Yo, Yo’ roept.” Eva Hoeke, destijds hoofdredacteur en dus verantwoordelijk voor het gedrocht van een tekst, zoek het voor de grap eens op zou ik zeggen, stapte na alle commotie op. Dit deed ze echter niet voordat ze een flemerige excuusreactie had getikt, en vervolgens tegen Nu.nl liet weten dat ze een rectificatie achteraf niet nodig en een beetje overdreven vond.

Wie nu denkt dat Eva Hoeke na deze affaire was uitgerangeerd, heeft buiten het Parool gerekend, de krant waar de halfseniele Loes de Fauwe, de ongeletterde Rasit Elibol en de glibberige stijldwaas Mano Bouzamour emplooi vinden. Daar moet nog een rabiate racist bij! Enter Eva Hoeke. Bij Het Parool was het tijd voor de volgende rel. In een boze column maakte Hoeke gehakt van een pannenkoekenboerderij, die haar vriend had laten betalen voor twee glazen jus d’orange, terwijl hij zijn glas alleen maar had bijgevuld nadat het was omgevallen. Met haar column wist Hoeke de pannenkoekenboerderij-uitbaters, door de bank genomen toch de meer vreedzame inwoners van ons land, dusdanig op de kast te krijgen, dat ze een rectificatie eisten. In een tijd waarin de spanningen tussen vele bevolkingsgroepen op knappen staan, en radicalisering met bijbehorende geweldsuitbarstingen op de loer liggen, koos de redactie eieren voor haar geld, en bekeek, ik verzin dit niet, de camerabeelden. Daar bleek dat Van Roosmalen, die als NRC-columnist blijkbaar maar een schamele aalmoes van zijn Vlaamse despoot mag ontvangen, voor het afrekenen nog snel de helft van het sap had weggetikt, om vervolgens nog eens bij te vullen, en stampij te schoppen over de € 2,40 die Boerderij Meerzicht voor een glaasje versgeperst sap rekent, er van uit gaande dat Van Roosmalen kleine dorst had, want een groot glas sap kost € 3,75. Dat Van Roosmalen een pannenkoekenboerderij probeert op te lichten voor nog geen twee euro is al behoorlijk zielig, maar dat zijn vriendin er vervolgens in een landelijke krant over meent te moeten liegen (of dat hij zijn vriendin erover heeft voorgelogen, waardoor die zichzelf voor lul zet) is te treurig voor woorden. Het Parool rectificeerde, en een week later stuitte een andere medewerker van de krant per ongeluk op het onvermoede pareltje van een pannenkoekenboerderij dat we inmiddels wel kennen als Boerderij Meerzicht, waar de pannenkoeken lekker zijn, de medewerkers vriendelijk en de jus d’orange goedkoop. Het Parool ruimde twee hele pagina’s in voor een uitgebreid artikel en zette bovendien een aanbieding voor lezers op poten. Dit was uiteraard een integere nieuwsafweging, en volstrekt geen opzichtige Wiedergutmachungspannenkoek.

Wie nu denkt dat Eva Hoeke na deze affaire toch wel echt werd afgeserveerd, heeft buiten de Volkskrant gerekend, waarvan ik het povere columnistenaanbod hierboven al heb besproken. Eva Hoeke besloot haar derde baan in evenzoveel jaren te vieren met een derde rel. Een column schrijven voor de Volkskrant is natuurlijk een hele eer, en dat moet je toepasselijk terugeren. Bijvoorbeeld door helemaal je archief in te duiken en dan uitgebreid te zoeken naar een oude column, die je vervolgens een beetje aanpast, maar wel zo weinig dat zelfs Jan Dijkgraaf doorheeft dat we hier met onvervalst zelfplagiaat van doen hebben. Dan ben je lekker snel klaar, en heb je en passant ook weer je jaarlijkse flater geslagen. Op naar volgend jaar, Eva. Misschien kan je dan naar Trouw, en daar een fotoreportage inleveren over die keer dat je het gezicht van Jezus ontdekte in je eigen stront, om vervolgens je steun aan Robert Mugabe te betuigen met een Holocaustontkenning. Het wordt elk jaar moeilijker te toppen, maar als iemand het kan Eva, dan ben jij het.

 

De eerste dag van de lentemaand was de laatste dag van de Rothkotentoonstelling in het Gemeentemuseum te ’s Gravenhage. Een recordaantal bezoekers heeft de tentoonstelling sinds zijn opening op 20 september bezocht, 265.000 mensen om precies te zijn. Een indrukwekkend aantal voor wat doeken die mijn lieve moeder voor ‘wat vlakken onder elkaar’ verslijt, een mening die zelfs Rudi Fuchs met zijn mooiste bril op niet tegen kan spreken. Ach, hoe kan zij ook weten dat Rothko ook meer is dan dat (meditatie, transcendentie, ego-dood), als zij de columns van Joost Zwagerman niet leest. Hoe kan iemand van de Blijde Boodschap weten, als ie haar Evangelist niet eens kent?

Voor missiewerk was het echter te laat. Niet omdat die columns nog niet gebundeld zijn te overhandigen (ik bewaar alle ‘Zwagermannetjes’ netjes uitgeknipt in een met stickers versierd mapje in mijn bureaulade), maar omdat er simpelweg geen tijd was om eruit voor te dragen – het was immers al de laatste dag van de tentoonstelling.

Op de fiets naar Den Haag maakte ik een rekensom. 20 September tot 1 maart is 167 dagen. Minus 24 gesloten maan- en
feestdagen maakt 143 dagen. 265.000 verdeelt over 143 dagen brengt het gemiddelde op 1853 bezoekers per dag.
Een dag – dat wil zeggen de 6 uur tussen 12:00 een 18:00 – wordt natuurlijk maar ten dele aan de tentoonstelling gespendeerd. Het is immers duur parkeren in de stad waar zelfs de machthebbers fietsen. Zeg dat men er 2 uur verblijft en dat er dus te allen tijden 618 mensen naar 50 doeken staan te kijken. Dat is 12.5 mensen per doek, een half jaar lang, ononderbroken. ‘Dat wordt dus groepsmeditatie,’ decreteerde ik bij een stoplicht en ik voelde aan het pluche kussentje op mijn bagagedrager.

Bij aankomst – ik was er vrij vroeg – kreeg ik gelijk: de rij stond tot aan de overkant van de straat. Van beide kanten moesten auto’s keren, de mensenmassa week niet, sommigen waren wellicht al in trance. Over de mensen kon ik maar twee woorden kwijt: ‘Goed Volk’. Een automobilist stapte midden op de weg uit en ging in de rij staan. Ik stond achter hem. Toen ik hem op zijn fout geparkeerde voertuig wees, mompelde hij ‘Verlichting…verlichting, ik moet en zal verlichting vinden…’. Ik mompelde mee.

Ik ontwaakte toen de caissière mij op ‘t hoofd sloeg. Duizelig betaalde ik en liep onder een Russisch-realistisch portret van Zwagerman door, de tentoonstelling in. Eindelijk. Een kleurrijke massa wachtte mij op. Een mensenmassa wel te verstaan; van de schilderijen zag ik niks. Het stonk een beetje naar goedkope wierook, maar ik zag niet waar het vandaan kwam. Mensen die achter mij in de rij hadden gestaan, duwden me de horde in. Even dacht ik iemand te herkennen van het Bungehuis, maar ik was hem al kwijt. Ik raakte aan de praat met een bejaarde vrouw met dreadlocks, die tegen mij opgedrukt werd. ‘Namasté! Kunt u ook niet wachten om…’ (zij pauzeerde, probeerde zich iets te herinneren) ‘…-zo’n hemels, zo’n prachtig vibrerend werk te ondergaan!’ Een ander, deze met groen haar en de bundel Collega’s van God in haar handen, stemde in: ‘Ja, het moet echt geweldig zijn om…’ (zij sloeg de bundel open) ‘-door zo’n plat, onbeweeglijk stuk linnen in je gezicht te worden gemept.’

Na een kwartier bereikte ik de eerste ‘Untitled’. En inderdaad. Wat een kleur. ‘Hier kan ik rustig in opgaan’, zei ik. Helaas dachten 15 anderen daar net zo over en nog geen tel later werd ik tegen het canvas aan geduwd. Ik draaide mij om en probeerde de menigte te manen:
‘Mensen, rustig! Als u hier allemaal zo’n 2 uur verblijft – een zeer redelijke schatting, al zeg ik het zelf – en er zijn 50 doeken en 15 mensen per doek, dan houden we een tijd van 9,6 seconden meditatie per doek per persoon over. Zeer schappelijk, aangezien de ervaren yogi die 10 seconden tot een eeuwigheid uit kan rekken!’ Een ander vond dat kennelijk veel te kort, want hij kwam ook voor het doek staan en riep: ‘Luister niet naar deze bedrieger! We moeten per kleurvlak rekenen: elk doek heeft gemiddeld 4 kleuren en…’ Maar een vuistslag snoerde hem de mond. Ook ik werd geslagen en binnen een mum van tijd ging de hele menigte met elkaar op de vuist. ‘Verlos mij!’ werd er geroepen. ‘Nee, verlos mij!’ Het brandalarm ging af, naar later bleek omdat iemand zijn waxinelichtjes naar een doek had gegooid. Ik probeerde te ontkomen, maar kon geen muur zien, laat staan een uitgang. Met mijn kussentje voor mijn hoofd manoeuvreerde ik door de moshpit. Hier en daar kwam ik extatische mensen tegen. ‘Krishna is de
weg naar waarheid!’ hoorde ik, en ‘Zwagerman moet de P.C. Hooft krijgen!’.

Plots werd ik vastgegrepen. Het was de bejaarde vrouw met het touwhaar. Haar hoofd stak door ‘Untitled Black and Grey’. ‘Het is gelukt jongen! Ik ben er in ópgegaan! Het schilderij zoog me op. En ik zal er voor altijd in blijven!’ Ik schudde haar van me af en ontweek een elleboog van een woeste man met baard.
‘Ondergaan?! Ondergaan?! Schoenzolen, die ben ik ondergaan!’ Toen volgde een harde klap en werd het zwart voor
m’n ogen. Mooi zwart wel, lekker diep ook, alsof het van mijn netvlies loskwam en me in zich opnam….

Buiten zag ik de vrouw die niet kon wachten tot ze door een mural in het gezicht werd gemept, met verband om haar jukbeenderen weggevoerd worden. Het groene haar stak er bovenuit. ‘Waar is mijn bundel!?’ vroeg ze, maar ik kon het
haar niet zeggen.

Alle personen en gebeurtenissen in dit artikel – zelfs die gebaseerd zijn op WvdL, [GECENSUREERD] en [GECENSUREERD] – zijn volstrekt fictief. Dit artikel bevat grof taalgebruik en passages die door mensen met een stuitend gebrek aan zelfrelativering als kwetsend kunnen worden ervaren. Ook wordt er een aanzienlijke hoeveelheid onzin in verkondigd.

Daar zat hij dan. De dag die hij wist dat zou komen was hier. [GECENSUREERD] streek met zijn vingers over het papier, terwijl hij probeerde te overzien wat de consequenties van de afgedrukte woorden zouden zijn. Wie zou deze onzin geloven? Zijn tegenstanders. De reaguurders, de zwakzinnigen. Zij die hem niet zagen voor wat hij werkelijk was: keizer der letteren, want door zijn voorganger aangewezen. Voorvechter van het vrije woord, want interviewer van islamcritici. De enige dichter die de levenslust van Jackson Pollocks’ abstract-expressionisme in poëzie had weten te vangen. Droedels, had hij de werken genoemd. Nu hij eraan terugdacht ontroerde de vondst hem opnieuw.

Niets liever wilde hij dan zijn juwelen delen. Het volk verheffen, hen deelgenoot maken van de extase die hij voelde bij het zien van droedels. Hoe gering was de waardering voor de schatten die hij bewaarde in zijn geest? De onbaatzuchtigheid en vlijt waarmee hij alinea’s uit Taschen-boeken had gememoriseerd, om ze vervolgens live op televisie breed gesticulerend te parafraseren, leken hem niets dan smaad en laster te hebben gebracht. Misschien liet het volk zich wel helemaal niet verheffen, dacht [GECENSUREERD]. Misschien moest hij zich louter nog omringen met de port, het witte goud en zijn eigen gedachten. Welbeschouwd was het al zo ver.

Het laatste Schund-stuk in PC bestond grotendeels uit smakeloze, ongemeen groffe omschrijvingen van seksuele avontuurtjes die de auteur, ene ‘WvdL’, samen met zijn [GECENSUREERD] zou hebben beleefd. Maar het was niet de passage over het keelneuken die hem raakte. Niet de opsomming van vunzigheden die zouden hebben plaatsgevonden tijdens een lang weekend in Landal Greenparks. Niet de bewering dat [GECENSUREERD] met angstaanjagende gulzigheid het zaad van WvdL’s verslapte geslacht had gelikt, en dat hij geregeld aanzienlijke moeite had het ding uit de klem van haar lippen te bevrijden. Welbeschouwd deed zelfs de meeste stuitende anekdote, waarin het duo tijdens een screening van Birdman de omvang van zijn gok had bespot, hem nauwelijks iets.

Nee, wat hem werkelijk trof was de onzin die werd verkocht; het jonge schrijftalent beweerde bij herhaling haar op orgasmes te hebben getrakteerd. Ze mochten alles over haar schrijven, bedacht [GECENSUREERD] terwijl hij het laatste restje Fonseca uitschonk, tot beledigende teksten aan toe. Maar men mocht geen onzin verkopen. En dat zijn [GECENSUREERD] plezier zou kunnen beleven aan geslachtsgemeenschap was pertinente onzin.

Juridisch stond hij ijzersterk, wist hij. Met [GECENSUREERD], media-advocaat for the stars, aan zijn zijde kon een fikse schadevergoeding hem nauwelijks ontgaan. Tegelijkertijd waren de nadelen van een eventuele rechtsgang evident. Wellicht zou de satiricus zich gedwongen zien zijn beweringen te staven middels een gedetailleerde beschrijving van [GECENSUREERD]’s genitaliën, en hoewel uit het onderzoek naar vermeend kindermisbruik door Michael Jackson bleek dat zo’n beschrijving zelden definitief uitsluitsel gaf, voelde hij er weinig voor zijn vriendin-annex-dienstmeid te onderwerpen aan een anatomisch onderzoek door de politie [GECENSUREERD].
Nee, dat kon hij beter zelf doen.

Trillend van woede zocht hij naar de bel, die hij in navolging van Mulisch speciaal voor dit doel in de bovenste la van het bureau bewaarde, en ontbood [GECENSUREERD] in zijn werkkamer. Nauwelijks een snuif later verscheen het serviele schaap in de deuropening, een verse fles Pinot noir in de ene en een vol zakje sos in de andere hand. Even speelde hij met de gedachte haar nog eens [GECENSUREERD]; het zou voor kortstondige verlichting zorgen, maar hij wist uit ervaring dat frequent fysiek [GECENSUREERD] vrouwen soms de koffers deed pakken, zelfs wanneer hun partner een genie van zijn statuur betrof. Geheel tegen zijn natuur in had hij zichzelf daarom een beperking opgelegd; één [GECENSUREERD] per week. Een quotum dat hij gisteren al tot drie keer toe had bereikt.

“Zet maar op de grond. Doe je rok omlaag. En je slipje ook.”
“Ik heb geen slipje aan”.
[GECENSUREERD]stond op en gaf haar een oorvijg. [GECENSUREERD] deed het gevraagde.

In zijn Schund-stuk had WvdL gesproken van een verborgen ‘plezierknopje’, niet groter dan een erwt. Het snotjoch beweerde haar te kunnen bevredigen door deze geheime plek te beroeren met tong, vingers… en ja, zelfs het uiteinde van zijn geslacht, dat hij ‘Dillinger’ had gedoopt. Onwillekeurig dacht hij aan zijn eigen essay van enige jaren geleden, over seks in de literatuur. Er bestonden schrijvers die snikkels stengels noemden. De prutsers.

[GECENSUREERD] legde zijn handen tussen haar dijen.
“Ga je me weer neuzen?” zei [GECENSUREERD] met gespeelde geilheid.
“Ik vind het zo heerlijk als je me neust.”
“Je zult vandaag niet worden geneusd”, zei hij knorrig. “Ik heb louter de intentie je aan een kortstondig anatomisch onderzoek te onderwerpen.”
[GECENSUREERD] begon met zijn vingers tussen de schaamlippen te wroeten. Hoe beschreef dat studentje het ook alweer? Boven de vaginale opening. Beschermd door een soort afdakje? Maar hoe hij ook zocht, het plezierknopje was nergens te bekennen. En daarmee was het bewijs geleverd. Smaad en laster.
[GECENSUREERD] boog zich voorover en bracht zijn mond tot vlak voor [GECENSUREERD]’s oorschelp.

“Ik zal niet nalaten de lasteraars zonder vooraankondiging in rechte te betrekken”, fluisterde hij. “Ze mogen alles schrijven dat ze willen, zelfs als het beledigend is…”
[GECENSUREERD] zoog zijn longen vol met lucht, via zijn gok. Toen schreeuwde hij:
“MAAR MEN MOET GEEN ONZIN VERKOPEN!”. [GECENSUREERD] deinsde achteruit.
“Je kunt gaan.”
“Wil je me misschien nog eens [GECENSUREERD]?”.
“GA HEEN!”.
[GECENSUREERD] verliet de kamer en [GECENSUREERD] pakte de telefoon.
“[GECENSUREERD], beste vriend. Werk aan de winkel.”

In 1993 zegt Joost Zwagerman over Prince dat hij het ‘een hoerige relnicht’ vindt, alsmede een ‘eunuchachtige geilneef’. [GECENSUREERD]. Twintig jaar later is Zwagerman een man die de ene na de andere streng van woedende mailtjes braakt op een klein satirisch blad dat twee stukken schrijft die hem niet bevallen.

Polemiek lijkt iets dat hij graag verdedigt als het hem uitkomt, maar ook graag met het gestrekte been onderuit knalt als hij er minder fraai in voor de dag komt. Nu is PC een speler met meer rode kaarten dan Nigel de Jong, dus als Zwagerman het zo wil spelen kan ‘ie het [GECENSUREERD] krijgen ook. Propria Cures gaat in de ogen van Zwagerman verschrikkelijk over de schreef met een artikel dat het subsidiegedrag van Joost Zwagerman bevraagt. Een rectificatie wordt afgedwongen, en Propria Cures zet de zaak recht. Een geste die overigens in latere mails weer belachelijk wordt gemaakt door Zwagerman. Misschien dat hij nu begrijpt hoe Arjen Peters zich voelde in 2006, toen Zwagerman ‘een klassieke strafexpeditie’ (Max Pam) ondernam omdat Peters ‘met gespleten pen’ zou schrijven, onder andere omdat hij de roman van de redacteur van zijn vrouw positief had besproken. Jezelf in een positie begeven, waarin het beroep van je vrouw insinuaties oplevert over je eigen integriteit, dat is natuurlijk een misstap van formaat.

Vorige week verwijderde PC een bloemlezing uit mails die Zwagerman vorig jaar naar de redactie stuurde. Dit deden wij, omdat Zwagerman van mening was dat wij niet mochten citeren uit correspondentie die hij nota bene zelf instuurde, en bereid was dat voor de rechter uit te vechten. Daar hebben wij helaas helemaal geen geld voor, want studentenblaadjes krijgen nu eenmaal geen beurs van het Letterfonds omdat ze chronisch ziek zijn. Dat Zwagerman die mails verwijderd wilde hebben, vindt de redactie niet verwonderlijk. Er staan heel wat taal- en spelfouten in de mails, dat wil je natuurlijk niet op straat hebben liggen, zeker niet als je jezelf als schrijver presenteert, terwijl het blijkbaar je redacteur is die het zware werk doet.

Destijds kozen wij er voor niet uit de mails te citeren, [GECENSUREERD] naar wij tegen Zwagerman zeiden ‘uit piëteit’. Elke idioot snapt dat we daar ‘medelijden’ bedoelen en slechts ‘piëteit’ schrijven uit piëteit (ook hier bedoelen we dus ‘medelijden’, welbeschouwd zijn die twee synoniem). Volgens Zwagerman zouden we dit principe van piëteit hebben verloochend, door nu wel tot publicatie over te gaan. Niks daarvan. Je beklag doen over die dekselse rakkers die zo naar over je schrijven, wekt medelijden op. Respect? Nee, maar medelijden: zeker.

Welnu, als meneer de schrijver zichzelf en zijn leven zo vol acht, dat ‘ie het in z’n volledigheid ter beschikking stelt aan Wie Het Maar Lezen Wil, terwijl hij zich nog nimmer in het autobiografische, dan wel het brievengenre heeft laten gelden, dan vervalt dit medelijden. Als je werkelijk zo denkt over jezelf Joost, dan kun je onze publicatie [GECENSUREERD] niet anders zien dan een ontmoeting in deze pretenties en een achting van jou als een man waarvan voorspeld is dat hij de volgende Mulisch zou zijn. Ware het niet dat de Neus de schaamte op kon brengen autobiografie te verachten.

Wat we moeilijker kunnen begrijpen, omdat die mooie vlieger van het wederrechtelijk citeren hier niet opgaat, is dat de advocaat van meneer Zwagerman ons ook sommeerde om de alinea voorafgaand aan deze citaten te verwijderen, een alinea geschreven door redacteur TM, waarin dat hele voorval rond het Letterenfonds nog eens werd samengevat, en de rectificatie die we deden juist nog eens werd onderstreept. Als je onze tegemoetkomingen censureert wordt het wel heel erg makkelijk demoniseren, Joost! [GECENSUREERD]
Daarom volgt nu een alinea van gelijke strekking met nóg beter grappen.

Het archief van Zwagerman zit, als hij tenminste niet alleen zijn sympathieke kant laat zien (maar in dat geval is de vraag hoe hij in godsnaam tien strekkende meter vol heeft gekregen), vol met krankzinnige mailtjes gericht aan eenieder die ook maar iets heeft gezegd wat de beste man niet aanstond. Hij mag ons bijvoorbeeld nog dankbaar zijn dat we niet schreven over de mail die we kregen op Valentijnsdag, waarin Zwagerman onze intelligentie in twijfel trekt. Dan, iets voor twee uur ’s nachts, weer een mail waarin het door de bank genomen diepe en zelfverzekerde stemgeluid van DD wordt vergeleken met dat van een angstig, onderkoeld klein meisje. Vijf minuten later nog een mail, met zulke grove beledigingen dat we ze niet eens zouden durven herhalen, al zouden we het mogen. Nog eens vijf minuten later opnieuw een bericht, wederom worden er twijfels geuit over onze geestelijke gezondheid, dreigende ondertoon. Tien
minuten later, tot twee maal toe wordt de naam van DD verkeerd gespeld (wie is er nu dom, Joost?). [GECENSUREERD]. Enfin, u krijgt een beeld, iets met een lijnenspel, en dan doelen we niet op het onvolprezen werk van Malevich.

In een brief die bol staat van de quasi-juridische grootspraak smijt de advocaat van Zwagerman, ons de meest lelijke dingen naar het hoofd. Zo zouden wij niet alleen verantwoordelijk, maar ook nog eens aansprakelijk zijn voor de bedreigingen die aan het adres van Zwagerman en de zijnen zouden zijn gericht. Behalve niet onderbouwd en een aperte leugen is dat ook bijzonder kwetsend (heet dat niet smaad en laster?). Hoewel kwade tongen wel eens anders beweren zijn wij een volstrekt [GECENSUREERD]
vredelievend blad, en hebben we nooit iemand bedreigd of anderen daartoe opgeroepen. Sterker, wij hebben juist de grootst mogelijke afstand gedaan van wat andere idioten in hun hoofd halen.

[GECENSUREERD]

Propria Cures is er niet op uit om een hetze tegen Joost Zwagerman te voeren, zoals we er ook nooit op uit waren om een hetze tegen Harry Mulisch te voeren. Het doet een beetje pijn om Joost Zwagerman met Harry Mulisch te moeten vergelijken, maar goed, dat hebben we aan onszelf te danken (en aan Mulisch, die er mee is begonnen. Damn you Mulisch.) Harry begreep het: hoge bomen vangen veel wind, en PC is die stevige zuidwester die je wind tegen geeft op weg ergens naartoe en, tegen alle meteorologische wetten in, op de weg terug ook.

Tragisch, dat wij nu moeten erkennen, dat Harry Mulisch iets goed begrepen had. Dat is nou echt jouw schuld Joost, dat we Mulisch moeten prijzen om nota bene zijn zelfrelativerend vermogen. Had hij in jouw schoenen gestaan, hij zou ons een bijdrage doen toekomen, waarin hij scherp, snedig en met gevoel voor zelfspot uit de doeken doet, waarom de zittende redactie hem, zijn donatie aan het Letterkundig Museum en bij uitbreiding eigenlijk het leven zelf niet heeft begrepen. Daarnaast zou hij eloquent [GECENSUREERD]. Die bijdrage zouden wij dan grootmoedig plaatsen op de voorpagina, en bovendien delen op de sociale media die zo bepalend zijn in het hedendaagse medialandschap. Zo had het kunnen zijn, maar jij wilde het anders.

En natuurlijk hadden we niet per se weer over die hele affaire hoeven beginnen, en jij had ook je caféfoto’s met vrienden niet uit hoeven laten smeren over twee pagina’s in de Volkskrant, maar je mag het wel, het is je goed recht. Hooguit schrijven we dat we het een stuitende kermis van egomanie vinden, maar wij zullen nooit een poot uitsteken om jou dat te verbieden. Helaas is het omgekeerd blijkbaar niet zo.

Stop ogenblikkelijk met het lezen van het meest recente nummer van uw geliefde Propria Cures! Volgens de advocaat van Joost Zwagerman zouden we namelijk in het laatste nummer wederrechtelijk hebben geciteerd uit e-mails die Zwagerman ons enige tijd geleden toestuurde. Onder dreiging van het aanspannen van een rechtszaak hebben we besloten de verdere verspreiding van de citaten, zoals die te vinden zijn in het laatste nummer, onmiddellijk te staken. Al was het maar omdat Propria Cures al jaren geen subsidiegeld meer ontvangt om in rechtszaken te steken.

Mocht u niet uw gehele exemplaar willen vernietigen, maar ons toch niet voor de rechter willen brengen, dan bent u op woensdagavond 25 februari vanaf 21.00 van harte welkom in café de Zwart op het Spui in Amsterdam, alwaar de gehele redactie van PC aanwezig zal zijn om uw PC  gratis en voor niets te censureren met een zwarte stift.

Bent u niet in het bezit van een papieren exemplaar van PC? Dan moet u zich schamen en kunt u het gecensureerde stuk hier lezen: https://www.propriacures.nl/2015/02/tm-heeft-een-nieuwe-luier-nodig-joostileaks-2/

Diegenen die bij het vernemen van hét grote nieuws van deze week, dat Joost Zwagerman zijn persoonlijke archief aan het Letterkundig museum in Den Haag heeft gedoneerd, net als ik dachten dat dit betekende dat de beste man ofwel was overleden of tenminste op het punt stond de pijp uit te gaan moet ik teleurstellen, Joost is kerngezond. Of nu ja, gezond, niet geesteszieker dan gewoonlijk. Het verzoek van de Universiteit van Amsterdam om zijn archief – net als Grunberg- in bruikleen te geven werd door Zwagerman aangegrepen om maar liefst tien strekkende meter oud papier te schenken aan het Letterkundig museum. De geschatte waarde van de schenking? 200.000 euro.

Ik ga er voor het gemak even van uit dat in het gehele archief niets te vinden is wat een intrinsieke waarde heeft, dus dat de taxatiewaarde gebaseerd is op de huidige oud-papierprijs; ongeveer tachtig euro per duizend kilo. Een kleine rekensom leert dan dat Zwagerman ongeveer vijfentwintigmiljoen kilo archiefmateriaal naar Den Haag heeft gesleept. Ter vergelijking, dat is evenveel als de gehele oplage van de Volkskrant van de afgelopen drie jaar bij elkaar, het water van tien olympische zwembaden, of drie A.F.Th. van der Heijdens (wanneer je ze ’s ochtends zou wegen).

Wat treft men zoal aan in deze papieren toren van Babel? Foto’s, van Zwagerman met Tom Lanoye, Martin Bril, Herman Brusselmans, A.F.Th. van der Heijden, briefwisselingen met collega-schrijvers, politici, kunstenaars en filosofen, dagboeknotities, handschriften van onder andere het onvolprezen Gimmick!, een aantal edities van het tijdschrift De Zwagergids, dat hij uitgaf toen hij dertien was en naar verluid een brief aan Koning Beatrix waarin Zwagerman voorstelt om hem aan te nemen als wettige oudste zoon, zodat niet Willem-Alexander, maar hij haar opvolger zou worden.

Wie door het archief gaat kan niet anders dan concluderen dat Zwagerman niet alleen een groot schrijver is, die vanaf eind jaren tachtig eigenhandig het literaire veld heeft opengebroken, maar ook nog een groot denker, een vlijmscherp essayist, hobbyfotograaf, liefhebbend vader, brievenschrijver, stijlicoon en een niet onverdienstelijk kok, als je de knipselmappen met allerhande recepten erop naslaat. Daarmee is de vraag echter nog niet beantwoord waarom Zwagerman er nu al toe over is gegaan om zijn archief weg te geven en niet pas aan het einde van zijn leven (evenmin als de vraag waarom het letterkundig museum zijn gift in godsnaam heeft aangenomen). Waarschijnlijk voelde hij zelf al aan dat het alleen de hele grote gegeven is om niet al tijdens het leven te verzinken in vergetelheid en moet hij hebben vermoed dat hij zijn archief over dertig jaar alleen nog kwijt had gekund in een per maand te huren opslagruimte langs de A10.

jzedit2

Het is niet niks om 125 jaar oud te worden. Zo zat ik laatst tijdens een kerstdiner naast een 101-jarige en toen dacht ik al; nou nou, die is oud. Kunt u nagaan. Er is dan ook een hoop veranderd de afgelopen 125 jaar. 125 jaar geleden leefde Hitler bijvoorbeeld nog. Sterker nog als, hij nu nog steeds geleefd zou hebben, zou hij op dit moment ook 125 jaar oud zijn geweest. Ook had 125 jaar geleden nog niemand van Jody Bernal gehoord, of van marktwerking in de zorg.

Sommige dingen blijven gelukkig gewoon wat ze zijn. Neem nou Propria Cures. Wist u bijvoorbeeld dat PC al 125 PC’s, vouw om iedere jaargang een kekke neplederen kaft en ze krijgen een onweerstaanbare aantrekkingskracht, niet jaar lang meer gemeen heeft met lelijke
vrouwen dan u op het eerste gezicht zou denken? Een enkele onaantrekkelijke vrouw zal u in het voorbijgaan niet zo snel opvallen, tenzij ze het echt bont maakt, maar zet zes exemplaren samen op de foto en ze zien er opeens helemaal niet meer zo onaantrekkelijk uit. Precies zo is het met Propria Cures. Elk afzonderlijke nummer is net niet goed, net te flauw, te voor de hand liggend, misplaatst, achterhaald, of te gehaast in elkaar geflanst. Maar neem 125 jaar aan in de laatste plaats door alle beroemde oud-redacteuren waar iedere zittende redactie zich zo graag mee vereenzelvigt.

Het zijn deze grote namen, waaronder Menno ter Braak, Mensje van Keulen, J. Slauerhoff en Martinus Nijhoff, die maken dat PC al 125 jaar lang een instituut is om rekening mee te houden. Het zijn dezelfde namen, die, mits ze nog niet overleden zijn, door de huidige redactie keer op keer gebeld worden om hun voorleesavondjes op te komen luisteren.

Je zou bijna vergeten dat er voor elke beroemde oud-redacteur minstens tien roemloos ten onder zijn gegaan.

Is PC dan enkel een opsomming van literaire hoogvliegers? Wie deze mening is toegedaan doet het blad tekort. Zo is Özcan Akyol niet enkel een dramatisch slechte auteur, hij is daarnaast ook een omhooggevallen crimineel met een misselijkmakend narcisme en een microscopisch kleine zelfkennis. PC is niet alleen een handvol beroemdheden uit vervlogen tijden, het is ook een blad dat al 125 jaar principieel dusdanig wars is van rages en populaire cultuur, dat het maar goed is dat het nooit een succesvol blad is geworden, omdat het dan alleen nog maar over PC zou gaan in PC, in een prachtig literair droste-effect.

PC heeft nooit geprobeerd vernieuwend te zijn en dat is maar goed ook. Het is al lastig genoeg om überhaupt vernieuwend te zijn, laat staan dat je dit 125 jaar lang weet vol te houden. Van het begin af aan wist men bij PC waar je oud mee kunt worden: op goedkoop papier kankeren op alles wat je niet aanstaat. Het mooie aan dingen die je niet aanstaan is namelijk dat er zich telkens nieuwe van aandienen. Voeg aan het gekanker een aantal goede grappen toe, roer het geheel tot een vlot lezend stuk tekst en je hebt een recept voor een blad dat zo nog 125 jaar mee kan gaan, als de er tegen die tijd tenminste überhaupt nog geletterden zijn.

Het verachten van alle schijn, alle inhoudsloze pretenties, het doet denken aan Nietzsches Zarathustra die zich tot het volk went met de woorden: ‘Wehe! Es kommt die Weit des verächtlichsten Menschen, der sich selber nicht mehr verachten kann.’ De laatste mens kan volgens Nietzsche zichzelf niet meer verachten en heeft daarmee ook alle vermogen tot achting verloren. Want ook verachting is nog altijd een vorm van achting. Maar zover is het nog niet. Zover zal het pas zijn als bij PC het licht uit gaat.

Het is overigens wel te hopen dat er binnen afzienbare tijd nog een flinke oorlog uitbreekt, het liefst op wereldschaal. Hoe PC het namelijk in godsnaam de eerste vijftig jaar heeft weten te stellen zonder Tweede Wereldoorlog is namelijk nog steeds een groot mysterie. Geen dankbaarder onderwerp voor een ongepaste grap dan een WOII-verwijzing op zijn tijd, al begint deze formule na zeventig toch ietwat sleets te worden. En IS moet het wel heel bont gaan maken de komende tijd, om de grap ‘Als de Duitse oorlogsprestaties in 1941 een matig succes zijn, dan is Abu Bakr al-Baghdadi een gematigde moslim.’ over vijftig jaar nog te kunnen maken, al kan dat er natuurlijk ook aan liggen dat het nu al niet zo’n hele sterke grap is.

fnvFNV,

Het was een onaanzienlijk ding, die flesopener. Hij was van metaal, omhuld met hard wit plastic waarop in gifgroene letters ‘FNV Bouw- en Houtbond’ geschreven stond. Maar toen ik mijn vader meedeelde dat hij na het zoveel-duizendste geopende biertje met dank aan de over drie decennia verzamelde roest in tweeën was gespleten, leek er ook bij hem iets te breken. Een even tastbare als bruikbare herinnering aan zijn vader en zijn eigen sociale stijging verdween die avond in de vuilnisbak, om de volgende dag te worden vervangen door een karakterloos exemplaar van de Blokker.

Hoe we aan die flesopener gekomen zijn weet ik niet exact, maar het zal vermoedelijk iets te maken hebben met het feit dat mijn opa meer dan veertig jaar (tot aan zijn dood) lid is geweest van de FNV. In de jaren ’50 hielp hij als afdelingssecretaris andere arbeiders op de NDSM-werf met het invullen van hun belastingaangifte. Vrijwilligerswerk. ‘Solidariteit’ had nog betekenis.

Lang verhaal kort: de familie vdL kent een lange en gelaagde geschiedenis van vakbondslidmaatschap. Dus toen ik in de laatste maand van 2012 telefonisch werd benaderd met de vraag of ik gratis lid wilde worden van FNV Bondgenoten, twijfelde ik geen moment. Uiteraard besefte ik ter dege dat de vakbonden niet meer van deze tijd zijn; ze vertegenwoordigen nog maar een fractie van de werknemers en hebben zo doende nauwelijks een mandaat in de Cao-onderhandelingen. In het artikel De vakbeweging, waartoe is zij op aarde en welke rol moet zij spelen in de 21e eeuw?, dat in 2012 verscheen in De Volkskrant, omschrijft auteur Barry Smit de bonden als ‘een sociale ANWB’. Ik citeer: ‘Leden worden als consumenten benaderd, er wordt niet mét hen maar vóór hen gewerkt. Veel diensten die de bond aanbiedt, kan men evengoed elders betrekken. De vakbeweging lijkt geheel vergeten wat de waarden zijn waarop haar bestaansrecht is gebaseerd’. De juistheid van deze kwalificatie zal ik in het vervolg van dit artikel treffend illustreren.

Ziet u, ik kon toen nog niet vermoeden dat uw bond ‘gratis’ definieert als ‘na een half jaar gaan wij zonder enige vorm van kennisgeving het schone bedrag van 16,90 per maand afschrijven’. In het telefoongesprek was mij gevraagd om mijn rekeningnummer, maar ik werd gerustgesteld: dat was puur voor administratieve doeleinden. Vermoedelijk ben ik voorgelogen ten behoeve van de targets van de door u ingeschakelde telemarketeers. Maar uiteraard had ik er alle vertrouwen in dat de FNV dit misverstand snel uit de wereld zou helpen.

De klantenservice was graag bereid mij uit te leggen hoe dat nu allemaal precies in zijn werk ging bij de FNV. Studenten en uitkeringstrekkers (ik viel in deze categorie) mochten lid zijn tegen gereduceerd tarief. Voor slechts 6,75 de maand kon ik, in de dalperiode van mijn productiviteit, genieten van haar diensten. De teveel betaalde contributie met terugwerkende kracht terugontvangen was uiteraard niet mogelijk. En een gratis lidmaatschap, wel, dat bestond helemaal niet.

Volgens mij heeft u mij niet goed begrepen, zei ik. De mevrouw zei dat ze mij heel goed begrepen had. Ze vond het werkelijk vervelend dat ik verkeerd geïnformeerd was. Maar nu was het zaak de contributie z.s.m. over te maken. Want door mijn storneringen was er inmiddels sprake van een betalingsachterstand van iets meer dan honderd euro, en op overdracht aan het incassobureau zat ik vast niet te wachten?

Er volgde een eindeloze correspondentie. Althans, ik meen dat twee e-mails, een brief en acht telefoontjes, gegeven de omstandigheden, toch wel als ‘eindeloos’ te kwalificeren valt. De reacties waren verschillend, de uitkomst steeds dezelfde. Nu eens begreep uw medewerker best dat ‘Oeps, het was toch niet gratis’ zelfs in onze vrijemarkteconomie geen acceptabele manier van zakendoen is. Ik mocht dan op haar sympathie rekenen en het zou allemaal worden doorgegeven aan de contributieafdeling. Een garantie kreeg ik uiteraard niet; zij ging daar niet over, ze was immers maar een simpele klantenservicemedewerkster. Dan weer moest ik genoegen nemen met een uitleg over FNV ’s contributietarieven. Ondertussen bleven de betalingsherinneringen binnenstromen.

Het ergste van alles: omdat ik precies een week te laat was met het opzeggen van mijn lidmaatschap, kon zij pas over veertien maanden (14×16,90=236,60) worden beëindigd. Zoals u wellicht weet heeft de Europese Unie een einde gemaakt aan de bekende praktijk van ‘niet op tijd opgezegd, dan zit u er nog een jaar aan vast’. Helaas geldt deze nieuwe regeling wel voor de Donald Duck en de sportschool, maar niet voor uw vakbond. Want dat is een vereniging. Ene Jaap Roelants schrijft op de site geldenrecht.nl : “Op 1 november dit jaar was ik 50 jaar lid van vakvereniging FNV Bondgenoten. Ik heb daarmee naar mijn gevoel mijn bijdrage wel geleverd en wil het stokje doorgeven aan de nieuwe generatie”. En toch is hij verplicht nóg een jaar lid te blijven. Na vijftig jaar! Hoe valt dit nu te rijmen met het begrip solidariteit?

Niet, is het antwoord. De heer Roelants bedient zich van een terminologie die de bond inmiddels vreemd is. De vakbond heeft niets meer met solidariteit. Het is een club die zijn eigen overbodigheid probeert te bestrijden met de inzet van malafide callcenters. Dit zijn praktijken die je nog niet zou verwachten bij de boekenclub. Maar die leveren dan ook een product waar daadwerkelijk mensen op zitten te wachten.

Een aantal audio-opnames van de gevoerde gesprekken zijn van mijn telefoon overgebracht naar een Soundcloud-account en hier

https://soundcloud.com/user941383520/sets/fnv

te beluisteren. In afwachting van een reactie van uw PR-afdeling verblijf ik, laagachtend alsmede twee dikke middelvingers,

WvdL

Archief