Een recensie beginnen met het citaat van dat ene zinnetje uit de Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte is niet alleen een cliché, het zou in een bespreking van De wondergrijsaard van Onno Blom ook de plank behoorlijk misslaan. Hoewel de lanterfanter van de Leidsekade zichzelf als een held uit een Griekse tragedie zag, lezen zijn boeken toch meer als het werk van een laatbloeiende puber die, net verlost van zijn clearasilkop, tijdens zijn eerste jaar politicologie, filosofie of aanverwante studie een introductie tot een tekst van Plato, Machiavelli, Nietzsche of andere dode witte man die neerkeek op de vrouwtjes vanwege hun aangeboren drang tot hysterie las, en daar zo van onder de indruk was dat hij een essay van vijfhonderd pagina’s tikte waarin hij vaak woorden als ressentiment, übermensch, virtu en Fortuna, Koning-Filosoof gebruikte (vooral in een context waaruit bleek dat hij de concepten niet echt begrepen had en er enkel óver had gelezen in middelmatige Nederlandstalige handboeken die stamden uit de jaren zeventig en dito modieuze spelling bezaten in plaats van de originele werken in het oud-Grieks, Renaissance-Italiaans of Duits te bestuderen) en dat de bravoure waarmee hij zijn inconsequente denkkader aan de man bracht zo hypnotiserend was voor de onbenullige toehoorders, die zelf nooit een boek opensloegen, dat ze meegezogen werden in de draaikolk van orakelgebrabbel, hocus pocus en blablabla met als gevolg dat de ijdele kwast tevoorschijn kwam als het slimste jochie van de werkgroep, terwijl hij, toen hij na zijn optreden zich uit de voeten maakte, zijn publiek in opperste staat van verwarring achterliet. Als een klucht dus. 

Over die dooie ik ga het hier niet hebben. De afgelopen weken heeft u in iedere andere krant, ander tijdschrift of, als u een teeveekijker bent, op een van de spaarzame niet-pornokanalen wel wat mee kunnen krijgen over het leven van de teckelteef. En begrijp mij niet verkeerd: ik houd van teckels, vooral ruwharige; later, als ik wat groter woon, krijgt zo’n wandelende worst op pantoffels bij mij onderdak, ik noem hem dan Kolonel; niet omdat ik een militarist ben, van oorlog of uniformen houd, nee, vanwege de snor. Kolonel bromsnor. Maar terug naar de klucht. Weet u wat erger is dan een klucht? Een klucht over een klucht. Kluchtkwadraat. En dat is misschien wel de beste beschrijving die ik van Onno Blom kan geven.

Op de flaptekst van De wondergrijsaard wordt dr. Blom voorgesteld aan de hand van zijn indrukwekkendste pennenvrucht: zijn Wolkersbiografie, het proefschrift waarmee hij ‘een rel ontketende’. En de films van Harvey Weinstein zorgden voor ophef. Misschien herinnert u zich nog dat na tien jaar noeste arbeid Bloms beoogde proefschrift door de promotiecommissie terug naar de tekentafel werd gestuurd? En dat vervolgens, geheel volgens Irakese, Libische of anderszins autoritaire wijze, door de decaan een nieuwe promotiecommissie, vol met jaknikkers en net-niet gepensioneerden die niets meer te verliezen hadden, werd samengesteld? Deze affaire is redelijk uitgekauwd, maar tot nu toe heeft een persoon de dans ontsprongen: Mark Rutgers, de decaan van de Leidse geesteswetenschappenfaculteit én het lafhartigste en meest kleurloze weekdier dat ik ken. Nou nou, zal u misschien denken, moet dat zo? Ja, want mijn haat is niet professioneel; het is persoonlijk. Deze ruggengraatloze minkukkel stond erbij toen ik, tijdens de inzage van zíjn tentamen, nadat ik zijn vrouwelijke co-docent erop had gewezen dat ze niet de daadwerkelijke maar aangepaste vragen besprak, door haar voor leugenaar werd uitgemaakt, een verdraaiing van de waarheid die ik met het papieren tentamen in de hand kon ontkrachten. Rutgers haalde zijn schouders op.

In NRC van 11 november 2017 blikten Rutgers en Willem Otterspeer, Bloms promotor en schrijver van de mislukte WFH-biografie, op een succesvolle show terug. Ze vonden het toch nodig om hun opmerkelijke stappen rondom de opstelling van de opponenten goed te praten. ‘Ook die tweede commissie was kwalitatief goed. Je wordt altijd door je peers getoetst hè,’ zei Rutgers. ‘Ik ken het ook uit het verleden, de sociale wetenschappen en de linguïstiek in de jaren tachtig. Toen wist je: je moet echt niet iemand uit het andere kamp in je commissie hebben, want dat geeft alleen maar ellende.’ Dat niemand zin heeft in gefit op de vierkante millimeter is begrijpelijk, maar Rutgers tuigt hier een metershoge stropop op met als enige doel zijn achterlijkheid en onbekwaamheid te maskeren. Sta mij toe.

Op 13 juni 2014 verdedigde Benno Netelenbos, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, in de Agnietenkapel zijn proefschrift Four Faces of Political Legitimacy. Het boek is een kloeke baksteen (veel Weber, Habermas, etc.) en dus handig om bij iemand de ruiten mee in te gooien. In de promotiecommissie zaten onder andere Willem Schinkel en, u raadt het al, Mark Rutgers. Ik zat in de zaal: het is altijd leuk om te zien dat de docent die jou laat zweten tijdens een tentamen nog harder kan transpireren dan jijzelf. De bijdrage van Rutgers aan het duel is mij niet bijgebleven, die van Schinkel des te meer. ‘Dear candidate. I read your book, especially the part about Niklas Luhmann, and I strongly disagree with you.’ Wat volgde was een kwartier academisch spektakel dat nog het best te vergelijken was met de Olympische turnfinale: geen idee wat ze doen, maar het ziet er indrukwekkend uit. Resultaat? Een uur later werd doctor B. Netelenbos door alle aanwezigen gefeliciteerd voor zijn promotie cum laude.

Schinkel, de grootste raaskaller van Rotterdam, de man die om de ondoordringbaarheid van zijn betonproza ook wel Heidegger aan de Maas wordt genoemd, gaf zijn tegenstander na vijftien minuten verbaal rollebollen, waarna ze – nog steeds – hartstochtelijk van mening verschilden, het predicaat met lof. Nee, ik snap wel waarom Rutgers voor Blom iedere drempel, zelfs die van vijf millimeter hoog, op het bij zijn geboorte al aangelegde pad richting het doctoraat heeft platgewalst. Blommetje komt uit een Leidse professorenfamilie en moest en zou promoveren. Het was een noodzaak. Noodzaak? Halszaak! En dan scheelt het natuurlijk als de lijntjes kort zijn en paps hier en daar wat handjes, al dan niet gevuld met een envelop met onderzoeksgeld, kan schudden. 

Literair Nederland was te lui om, in de klucht over de commissie, eens uit te zoeken wie de rol van fluisteraar achter de troon speelde. Wie het etterspoor volgt, ziet hoe smerig incestueus de hele bende was. En dat was pas de eerste klucht. De aanloop naar de grote shitshow die plaatsvond op 19 oktober. Blom moest en zou promoveren op dít boek op de tiende sterfdag van Wolkers en niets – gebrek aan kwaliteit, bijvoorbeeld – mocht daarbij in de weg staan. Niet verrassend dat de laatste stelling van Bloms proefschrift dan ook was dat hij ‘promoveert voor zijn vader’. Hier hengelt iemand wel erg opzichtig naar een aai over de bol van zijn verwekker, een stukje erkenning en genegenheid van de man die hij enkel op zondag zag en die hem, als dertienjarige jongen, vooral inprentte dat papa erg teleurgesteld was in zijn gemiddelde van 8,2. Dit lijkt een freudiaanse analyse, eindelijk een makkelijk stukkie tekst op de sofa, maar daar ga ik maar niet aan beginnen. Want dat is theorie. Wetenschap. Methodologie. Ik wil dat onnozele Onno dit ook kan begrijpen. 

We zijn bijna bij het boekje, ik wil slechts nog één stelling van Blom presenteren. Waarom? Ik kan wel zeggen dat het een pedante idioot is wiens enige talent is om in de buurt te zijn van bekende Nederlanders op het moment dat ze de hoek omgaan (dit is een waarschuwing!), maar waarom zou ik u dat in godsnaam uit gaan leggen als de fopdoctor het zelf kan tonen? Stelling 8: ‘Klikspaan heeft anderhalve eeuw na dato nog altijd gelijk: “Het bestaan van Leiden hangt aan een haar: de Academie; snijdt het af, Leiden is weg.”’ Tien jaar lang, iedere dag, pakte Onno de trein van Leiden naar Gouda, of van Leiden naar Deventer, van Leiden naar Amersfoort, naar Dordrecht, Apeldoorn, Zwolle, Roermond, noem maar op, ging op een terras aan het marktplein van de provinciestad zitten, dronk twee pilsjes, at een tosti kaas-tomaat en ging weer naar de Sleutelstad om uiteindelijk tot de conclusie te komen: ‘Ja, die studentjes maken zo’n stad wel gezellig.’

En dan nu zijn nieuwste meesterwerk. De wondergrijsaard van Dr. No Blom is een hagiografisch stuk, geschreven in de beste stalinistisch-realistische stijl, dat zelfs door de redactie van Granma, het foldertje van de Partido Comunista de Cuba, als te schaamteloze pravdapropaganda zou worden weggezet. Natuurlijk is het moeilijk om een boek te schrijven met een ijzeren logica van 1+1=2 als de persoon om wie het gaat op iedere willekeurige rekensom antwoord met ‘Auschwitz!’. Maar Blom heeft er geen moeite mee om als labknaapje op te treden van deze pyrrusproducent. ‘De alchemist in Mulisch kon er een bewijs in zien: zijn schrijverij stokte, want zijn oeuvre vormde een volmaakte as, paste precies tussen de “a” van archibald strohalm en de “s” van Siegfried.’ Tsja. Als Mulisch’ laatste boek Xandra’s natte poes had geheten was er een perfecte ax ontstaan, wat in fonetisch Engels een bijl is, wat toevallig ook onderdeel was van de Romeinse fasces, het gereedschap waarvan het woord fascisme is afgeleid, en laat dat nou het heliocentrische middelpunt zijn geweest in het leven van Harry “40-45” Mulisch. Of als zijn laatste boek een autobiografie getiteld Baviaan, brulaap, bullebak was geweest, was er geen centrale as ontstaan, maar ab, waarmee Nostradamus met zijn grote neus had geroken dat er tien jaar na zijn dood een pandemie zou zijn waarover Ab Osterhaus in talkshows met een glas rode wijn bij de hand zou oreren. Als Harry nog had geleefd had Ab vast bij zijn jongensclubje gemogen.

Mulisch is niet de enige fröbelfilosoof die aan het woord komt in De wondergrijsaard. Kleine Connie gaf Blom inzage in haar dagboeken. Vijf dagen voordat Harry zijn eeuwige pijp aan Maarten gaf schreef ze: ‘In de schemerige kamer ligt Harry de soevereine dood te sterven die hij altijd in zich had. Ik maak de stomme fout te dicht bij hem te gaan zitten, waardoor hij me niet kan zien.’ In die goede tijd ontkurkte Connie nog twee flessen merlot bij het ontbijt, lunchte ze met White Russians, kwam om vier uur de pastis op tafel en snoepte ze, terwijl ze in haar doorzichtige nachtjapon naar de lege plek naast haar in bed keek, nog snel vijf lepels advocaat naar binnen om een goede nachtrust te garanderen. En dat had zijn effect op haar gedachtespinsels. Ik heb Hobbes erbij gepakt, en Schmitt, Benjamin en Agamben afgestoft (spreekwoordelijk dan, want Schmitt lees ik iedere week op zondag ter voorbereiding van mijn nog te plegen staatsgreep, de uitnodiging komt tijdig uw kant op), en kan in al hun werken niets vinden over een soeverein met een hersentumor. Die knobbel in Mulisch’ kankerkop legde de man om, hij was de laatste maanden een slaaf van zijn gezwel. Gelukkig is Palmen tegenwoordig weer van de drank af.

De enige goede woorden in het boek komen van Blom noch van Mulisch. Hugo Claus is de vent in het verhaal. Mulisch was een zielenpoot die, terwijl zijn vriend aan het dementeren was, achterlijke opmerkingen aan het maken was over het volschijten van zijn onderbroek. ‘Toen ik twee was, droeg ik een luier. Waarom kan dat niet opnieuw?’ De gedachtegang van een eeuwige peuter. Nee, doe mij maar Claus. De mooiste vrouwen, het beste oeuvre. En toen het niet meer ging, hij kon geen hij zei van hij zij meer onderscheiden, maakte hij er zelf een eind aan, wet of geen wet. ‘Ni Dieu, ni maître,’ besloot hij zijn afscheidsbrief. Sommige schrijvers zijn slechts een vertoning; Claus was koning. 

TD

Onno Blom, De wondergrijsaard, De Bezige Bij, € 21,99

Er zijn allerlei cursussen en opleidingen die je op pad kunnen helpen schrijver te worden. Om schrijver te worden, en dat is een punt dat bij de meeste van die cursussen wel wordt meegenomen, moet je schrijven, daar kun je eigenlijk niet omheen. Dus krijg je allerlei tips over hoe je dat dient aan te pakken. Maar dan zijn we eigenlijk al een stap te ver, want er wordt daarbij van uitgegaan dat je iets zou kunnen hebben aan die adviezen; dat schrijven net als het bakken van een taart iets is wat je kunt leren. Een verstandig mens begrijpt op voorhand dat je niets aan die tips hebt, maar je hebt nu eenmaal iets nodig om een cursus een cursus te kunnen noemen. De optimistische gedachte bij mensen die schrijver willen zijn (maar die liever niet schrijven) overheerst dat als je eenmaal een cursus hebt gevolgd, daarna het schrijverschap vanzelf volgt.

Ik heb best wel lang over deze problematiek nagedacht, ook omdat ik zélf schrijflessen heb gegeven. Je zou dus kunnen zeggen dat ik boter op mijn hoofd heb. Tip: vermijd vaste uitdrukkingen als boter op je hoofd hebben, ze maken een tekst clichématig. Vervolgtip: gebruik soms juist wel een vaste uitdrukking, want iedereen weet meteen waar je het over hebt; het is eigenlijk geen cliché, maar idioom.

Soms spreek ik met andere schrijvers over schrijven. Ik ben daar niet dol op, maar soms gebeurt dat gewoon, en eigenlijk gebeurt dat het vaakst als die andere schrijver voordat hij of zij publiceerde een cursus heeft gevolgd waarin hij of zij de kneepjes van het vak onderwezen kreeg. Daar zijn ze meestal niet helemaal fris uitgekomen, uit die cursussen. Voor je het weet praten ze met je over hoe personages zich moeten ontwikkelen, over de drijfveren die je aan personages moet meegeven en wat het verschil is tussen een plot en een verhaal. Onzinnige kwesties waarover ze hebben geleerd na te denken en erover te praten op de opleiding.

Dit zijn tevens de schrijvers die versie na versie van hun ‘boek’ schrijven. Dat is altijd een teken van gebrek aan talent – een beetje schrijver schrijft het allemaal in één keer op. Ben je inmiddels bezig met je vierde versie, gooi dan liever de hele boel het raam uit, en jezelf erbij. Dat is mijn tip. Deze mensen werken ook vaak met ‘proeflezers’ of ‘meelezers’. Daarmee zijn we definitief in de hel van het amateurisme beland. Om een uitstapje naar de schilderkunst te maken: Rembrandt vroeg toch zeker ook niet aan zijn buurman/goede vriend/tante/collega op kantoor/echtgenote of die even wilde meekijken of het al een beetje ergens op sloeg, evenmin stelde hij de vraag of die ‘proefkijker’ of ‘meekijker’ op de continuïteit wilde letten, zelf raakte hij in de drift van het schilderen immers weleens de weg kwijt. Ja, Woody Allen (om een uitstapje te maken naar wéér een andere kunstvorm) neemt wellicht jonge meisjes mee naar de filmset, maar dat heeft er weer niks mee te maken.

Op Twitter kwam ik opeens het hoofd van een langharige schrijver tegen, een man, en het was niet Ilja Leonard Pfeijffer. In het kader van een project dat door Rosanne Y. Hertzberger was gelanceerd zou hij ons in een filmpje tips gaan geven voor het schrijven van een kort verhaal. Dat project van Hertzberger werd gevangen onder de noemer #zevenkunsten. Het is de bedoeling dat haar volgers zich elke maand met een ander ‘kunstje’ gaan bezighouden: het maken van een foto, het schrijven van een sonnet of liedje, het maken van een tekening. In april 2021 zijn de volgers van Hertzberger op die manier inmiddels aangekomen bij het schrijven van een essay, en de boel wordt in mei afgerond met het maken van ‘een werk met kunstvorm naar keuze (van opera tot borduurwerk)’. Marja Pruis reageerde op Twitter met de opmerkingen ‘vind t heel vreemd dit’, ‘ik snap t initiatief niet. Zo gek naïef’ en ‘Ik voel me heel zuur, zo stom als ik het vind. Alsof iedereen maar een kunstje kan beoefenen’.

Ik haalde diep adem en dacht aan een andere tweet, van Hertzberger: ‘Ik heb zoveel zin in dit gestoorde plannetje. Even buiten de comfort zone, iets nieuws en ongemakkelijks doen. Mijn hoofd door elkaar schudden. Iets maken zonder automatisme.’ (Haar columns schrijft ze blijkbaar op de automatische piloot.) Wilde ik mijn hoofd door elkaar laten schudden? Ik waagde het erop, ik klikte het filmpje aan.

Het hoofd met het lange grijs haar erop en ernaast en eromheen begon te spreken. Met zichtbare tegenzin begon het adviezen te geven. Gebruik meerdere personages. Plan niet alles vooraf. Werk niet met overgevoelige personages. Het duurde allemaal niet meer dan twee minuten, deze cursus. Maar gelukkig was er een vervolg van ongeveer dezelfde lengte. Daar gingen we weer.

Het is een kort verhaal dus je hoofdpersonage mag onsympathiek zijn, je zit er godzijdank slechts kort mee opgescheept. Laat als je het verder ook niet meer weet iemand binnenkomen met een revolver. Onthul op het laatst niet dat de hoofdpersoon een hond is of een zeepaardje, en als het dan toch een van die twee moet zijn, kies dan voor het zeepaardje. Als je het verhaal afhebt, haal dan de eerste en de laatste alinea weg.

Zuchtend waren we aan het eind van de cursus beland. In december leren we hoe je een foto maakt (knip de zijkanten eraf). En zo begeven we ons in rap tempo naar de ultieme cursus: hoe leg ik een goede lus in een touw als ik zelfmoord wil plegen? (Is het touw tien meter, snij het dan eerst doormidden.) In deze coronatijd staan ons vast nog vele leuke cursussen te wachten. Op dit moment twittert Rosanne de favoriete verhalenbundels van Tommy Wieringa. Doe er je voordeel mee!

AS

Hoewel de overheid momenteel eventjes iets anders aan het hoofd schijnt te hebben, stijgt de zeespiegel ondertussen stoïcijns door. De wetenschap ziet nog maar één oplossing: nu alvast één provincie offeren aan de zee. Maar welke? Zeeland heeft al eens een dappere poging gedaan, maar vond het niet zo’n succes. Noord-Holland wordt het in ieder geval niet, want daar wonen wij al. Friesland zou een goede kandidaat zijn, ware het niet dat er van die schattige zeehonden op de Waddeneilanden aanmeren. Maar echt, heel schattig. Daarom een nieuw voorstel: Limburg. Het zou immers niet zo moeten zijn dat een provincie niet in aanmerking voor afzinken komt, puur en alleen omdat ze 200 meter boven zeeniveau en niet aan het water ligt – we zijn niet voor niks grootmeesters in naviducten geworden.

Waarom Limburg? Ik zou zeggen: waarom niet? Vlaaien zijn zuur, Limburgers onverstaanbaar. En als we ze al konden verstaan, dan zouden ze uitleggen waarom ze PVV stemmen. Door al die heuvels valt er niks te zien. Ja, nog meer heuvels, als je geluk hebt. Limburgers zijn er trots op dat hun provincie ‘net het buitenland’ is. Alsof Syrië niet in die categorie valt. Voor de Moederkerk, het carnaval en de drugsindustrie hebben we de Brabanders al. En tante Con woont al jaren op veilige afstand bij ons op de grachtengordel. Zet de pompen maar aan, zou je denken. Helaas. Limburg houdt één troef, één instrument achter de hand: André Rieu en zijn viool. 

André Rieu is de Churchill van de muziekwereld: volksheld die altijd loopt op te scheppen in het Gemenebest, en tot z’n dood onmogelijk om vanaf te komen. Vooral in Australië is André razend populair. Dat krijg je, als je bevolking nog niet zo lang geleden alleen nog maar op didgeridoos liep te blazen. Maar ook een groot aantal Nederlanders luistert dagelijks naar Andrés covernummers. Meestal is dat niet vrijwillig. Zijn dvd’s blasten doorgaans zo hard door de verzorgingstehuizen dat het personeel de verzoeken om euthanasie van de bewoners simpelweg niet meer hoort. Menig wegstervende bejaarde kreeg door Andrés toedoen de Radetzkymars als requiem. Een keer of negen achter elkaar, want André is niet van het halve werk. Of hij nu op het Vrijthof of in Melbourne staat, als zijn publiek om een toegift vraagt – en dat doet het altijd –, dan geeft hij een toegift. Die staat dan ook al vanaf het begin van de tour vast, en beslaat zo’n 60 procent van het totale programma.

Natuurlijk dient er iets tegenover al deze inspanningen te staan. Miljoenen, bijvoorbeeld. En meer, als het even kan. Wanneer André in Maastricht een cappuccino en stuk kruisbessenvlaai bestelt, lijkt het hem niet meer dan logisch dat hij zijn bestelling niet hoeft af te rekenen. Lukt niet altijd. ‘Ongelooflijk,’ noemt hij dat. ‘“Dat is dan 5 euro 50, meneer Rieu,” zeggen ze dan. Ik verbaas me er elke keer weer over.’Andrés redenering: tijdens zijn concerten lopen de horeca-uitbaters net zo goed binnen. Zo bezien zouden de stratenmakers ook maar gratis voedselbonnen uitgedeeld moeten krijgen. Zonder hen zouden die vreetschuren er überhaupt niet staan. Bovendien vertelt André ons niet hoeveel hij zelf aan de gemeente betaalt voor het gebruik van het Vrijthof. Zou hij in het dichtstbijzijnde theater gaan staan, dan zou hij door de beperkte capaciteit en zijn neoclassicistische opblaaskasteel ‘nog maar net de broodjes in de pauze kunnen betalen’. Hij mag, kortom, de heilige Lambertus van Maastricht in de Sint-Servaasbasiliek op zijn blote knietjes danken dat ze telkens opnieuw dat plein voor hem ontruimen. De meeste gekken die herrie komen maken worden direct doorverwezen naar het Malieveld.

Toch zijn Andrés provinciale privileges niet genoeg voor hem. André wil meer. André wil wat tot nu toe alleen een grote internetprovider is gelukt. Ooit zal, als het aan hem ligt, de André Rieu Dome in Maastricht verrijzen. En al ben je Jaap van fucking Zweden met het New York Philharmonic in je kielzog, de muzikale elite komt er mooi niet in. En de recensenten, die altijd lullige dingen over André en zijn orkest schrijven, al helemaal niet. Want zijn muzikanten van het Johann Strauss Orkest (de enige reden dat het orkest niet het André Rieu Orkest heet, is dat het gebruiken van een bekende naam meer prestige oplevert – als ik ergens indruk wil maken zeg ik ook altijd dat ik het Hella Haasse-fellowship bij PC volg) zijn briljant. Wereldklasse. Beter kan niet. Het zal best. Buiten kijf staat dat deze muzikanten poederroze prinsessenjurken als bedrijfskleding dragen. Kijk dan niet, luister gewoon, zou je zeggen. Maar dat is juist het punt: je moet zelf óók naar de dirigent kijken. Anders weet je niet wanneer je de polonaise in moet zetten.

Natuurlijk gaan we André zelf wel horen in zijn Dome. En niet alleen met die hoempapahupsateeholladiejee-walsen hè, want André heeft echt nog wel meer in zijn mars. Een oorlogsmars, bijvoorbeeld. Zo trakteerde André zijn publiek eerder op Alte Kameraden, het strijdlied waarop duizenden gevangen concentratiekamp Neuengamme werden ingeleid en op werden vermoord. Maar ja, die meezinger bestond al voor de oorlog, en het is toch ook niet alsof we alle Volkswagens van de weg hebben gehaald? Nou dan. Bovendien, André is volgens zijn woordvoerder en zoon helemaal niet met politiek bezig. Dat bewees hij ook toen hij tegen alle adviezen in een optreden in Tel Aviv gaf. ‘De concerten hebben maar één doel: mensen een fijne avond bezorgen met prachtige muziek, zodat ze hun dagelijkse zorgen voor even kunnen vergeten.’ Het is ook niet niks wat er daar op die Gazastrook gebeurt. Maar gooi er een goeie polka tegenaan en je zult zien dat de mensen weer helemaal opfleuren.

Spelen in het Johann Strauss Orkest verschilt niet zoveel van het werken in een mijn: het is loodzwaar, en af en toe wordt er een Pool ingevlogen om te helpen. Zo niet dit jaar. André heeft zijn kerstconcerten jammerlijk af moeten blazen. Met die afzegging is tevens een definitieve streep door de opnames van de 36e dvd-box gezet. Misschien komen we deze feestdagen tot de conclusie dat die eerste 35 ook eigenlijk wel genoeg zijn. Het is mooi geweest. We zetten André uit in het gangenstelsel van de eerste de beste mergelgrot. Met viool, voor mijn part.

TS

Politiek. U hoort er steeds vaker over. Wat het is weet u ondertussen min of meer, maar wat vindt u er zelf eigenlijk van? Waar bevindt u zich op het steeds ingewikkelder wordende vierdimensionale spectrum van opvattingen, stromingen en idealen? Om op die vragen voor eens en altijd een duidelijk antwoord te krijgen presenteert PC u De Grote Links, Rechts of Ergens in het Midden-Quiz. Wij geven u een woord of frase, u kiest uit een van de mogelijkheden om ’m te completeren. U houdt uw antwoorden bij. Ten slotte leest u dan wie u nu eigenlijk bent en waar u staat. Voor de revoluties, genocides, of stem op D66 die u daar vervolgens aan verbindt draagt de redactie geen enkele verantwoordelijkheid.


1. Internationale…

  A. solidariteit.

  B. soevereiniteit.

  C. superoverheid.


2. Wir… 

  A. versaufen unser Geld.

  B. haben es nicht gewusst.

  C. schaffen das.


3. God…

  A. is dood.

  B. is groot.

  C. -verdomme wat is die Sigrid Kaag toch een topwijf.


4. There is no…

  A. war but the class war.

  B. such thing as a free lunch.

  C. alternative.


5. Bloed…

  A. -bruiloft.

  B. en Bodem.

  C. , zweet, en tranen.


6. Arbeid…

  A. vervreemdt.

  B. macht frei.

  C. adelt.


UITSLAG:

Meestal A: U bent links. Ontwaakt, verworpenen der aarde!

Meestal B: U bent rechts. De straten vrij voor de bruine bataljons!

Meestal C: U zit ergens in het midden. 

Ik begrijp dat het deze keer in dit blad over mannen gaat. Eindelijk. Kunnen we weer grappen maken over vrouwen die niet kunnen inparkeren of te laat komen omdat ze niet weten wat ze aan moeten trekken. Paul Damen, Michiel Eijsbouts, kom er maar in met jullie schuine grappen. Eindelijk even niet dat gezeur over stemmen van vrouwen die ook gehoord moeten worden, die zo nodig ook mee moeten tellen in de literaire prijzen. Excuustruzen. Zoals Elma Drayer laatst al zei, het maakt niet meer uit welke geslachtsdelen je bezit, zolang je maar kwaliteit levert. ‘We leven écht niet meer in de jaren vijftig’, schreef ze. ‘Dat vrouwelijke auteurs minder vaak in de prijzen vallen is écht een kwestie van tijd.’

Laten we wel wezen: het heeft nu wel lang genoeg geduurd, die inclusiviteit. Al die moderne genderneutrale onzin, lghbtxyz, vroeger hoorde je er nooit iemand over. Vrouwen hebben hun momentje gehad, met die zelfgebreide kuttemutsjes. Ooit gehoord dat er homo’s zaten in het leger van Napoleon? Of, nog erger, vrouwen die het met vrouwen deden, terwijl de mannen hun land verdedigden? Tolstoi had er meteen een mooie verhaallijn van gemaakt als het wel zo was, niks hoor. Musea doen ingewikkeld als ze een schilderij van een blote vrouw aan de muur hangen. Voeren discussies met jonge policor hipsters over de ‘male gaze’. Ja logisch toch, dat je naar zo’n mooie blote vrouw kijkt, en dat je dat dan schildert, als je dat kunt. 

Ik sprak laatst een wat oudere journalist, bijna met pensioen. Wim heette ’ie, dan heeft u een beeld. Wim had moeite met de moderne tijd. Kijken naar een mooie vrouw is al riskant. Hij had naaktfoto’s verzameld. Foto’s die mannen gemaakt hadden van hun vrouwen of geliefden, in verleidelijke poses, toen dat nog kon. Lang voordat #MeToo had toegeslagen. Niet dat de fotografen hun naam op de foto’s hadden gezet, maar je zag gewoon dat die vrouwen dat niet zelf bedacht konden hebben, vond Wim. Laat staan dat ze hun vriend of vriendin of wat dan ook hadden gevraagd foto’s te maken. Deze vrouwen deden tenminste nog gewoon wat je van ze vroeg. De foto’s waarop ze chagrijnig keken had Wim er voor de zekerheid maar uitgelaten. Je weet het tegenwoordig maar  nooit.

Die onzekerheid van de witte man, over of ze iets fout doen, of ze ongeschreven regels overtreden, dat moet verschrikkelijk zijn. Als ik met een iets te diep decolleté schunnige opmerkingen naar me toe krijg geslingerd, vráág ik daarom. Zo werkt dat al eeuwen, dat weet een kind. Vrouwen kleden zich opvallend en verleidelijk zodat ze gezien worden door de mannen. Zodat die mannen er iets over kunnen zeggen, en naar kunnen kijken. Daarom is het ook zo irritant als vrouwen denken ook mee te moeten besturen, dat ze ook burgemeester kunnen zijn, of minister. Je ziet het gebeuren met Femke, met Angela, met dat mens in Nieuw-Zeeland en met die jonge blom in de VS, die zo’n lange naam heeft dat ze haar een afkorting hebben gegeven. AZC of zoiets. Altijd maar de aandacht trekken met buttons, mantelpakjes, een dikke buik of godbetert een make-up-tutorial. Zou een man nooit doen – Hugo de Jonge daargelaten.

Mannen zijn nu eenmaal beter in sommige dingen. Hun mening vertellen bijvoorbeeld, niet dat voorzichtige. Logisch dat ze vaker bij praatprogramma’s zitten. Even in een paar zinnen zeggen hoe de zaak in elkaar zit, wat er gedaan moet worden, daar moet je ballen voor hebben. Vrouwen zijn meer multitaskers. Vandaar dat het ook zo goed werkt, die deeltijdbanen voor hen, zodat ze ook zien wanneer je moet stofzuigen en in de supermarkt bedenken dat het wc-papier op is. Hebben we in Nederland mooi geregeld, dat de kinderopvang niet voor iedereen is. Zo krijgen onze kinderen tenminste de goede normen en waarden mee, van huis. 

Dat sommige witte mannen in het verleden verkeerde beslissingen hebben genomen, is niet meer dan menselijk. Ook logisch dat ze daar eerst een standbeeld voor kregen, en jammer dat dat standbeeld nu weer weg moet. Ik stel daarom voor om op de plaats van die omstreden monumenten, dat J.P. Coen-beeld in Hoorn, Leopold de Tweede in België, gezien de laatste perikelen rond het koningshuis desnoods ook een paar Willem van Oranjes, moderne monumenten neer te zetten. Standbeelden voor de gewone witte man. Voor de wethouder die in een raadsvergadering een schunnige opmerking maakt naar zijn vrouwelijke collega van een andere partij. Voor de politicus die vindt dat als een vrouw nee zegt, ze ja bedoelt. Voor de recensent die een boek beoordeelt op de lunchwillendheid van de schrijfster. De man die de vrouw even uitlegt wat ze net zelf al zei. Voor de man die vrouwenquota aan de bestuurstop onzin vindt, omdat de keuzes voor nieuwe commissarissen toch altijd lopen via het kwaliteitskeurmerk van het old boys network en dat dat altijd prima was. En voor de man die zich in een hokje voelt geduwd, en daarom niet meer gewoon kan zijn wie hij altijd was. Alleen witte mannelijke kunstenaars mogen een voorstel indienen, hebben die ook eindelijk weer iets te doen.

JdW

Archief