Onder de titel Mijn strijd verscheen onlangs de nieuwe vertaling van Mein Kampf (genomineerd voor de Nazi-Literatuurprijs 1926) in het Nederlands. Lange tijd was dit spraakmakende debuut van Adolf Hitler in ons land verboden, maar sinds 2016 zijn de rechten vrijgegeven. Uitgever Mai Spijkers over het belang van zijn nieuwe aanwinst en over hoe hij de concurrentie aftroefde in het confisqueren daarvan.

Mai Spijkers (Goirle, 10 april 1955) werd geboren als Mai Snickelgroeier, maar hij liet zijn achternaam – om begrijpelijke redenen – reeds op jonge leeftijd veranderen. In 1989 startte hij in een krap bemeten kelder in Amsterdam zijn eigen uitgeverij en sindsdien verovert hij in talrijke landen de boekenmarkt.

We worden hartelijk ontvangen in zijn ‘Promethuis’, zoals Spijkers’ vorstelijke vakantienestje op een bergtop in het zuiden van Duitsland heet. Het is een plek waar hij naar eigen zeggen “lebensraum vindt” en waar geregeld goede vrienden en vakbroeders over de vloer komen. De succesvolle uitgever laat zich tijdens ons bezoek vergezellen door een vrouwelijke publiciteitsmedewerker en aan zijn voeten ligt een vrolijk kwispelende herdershond, die voortdurend nederig aan zijn schoenen likt.

Wanneer vernam U voor het eerst dat de rechten werden vrijgegeven?

‘Ik was in Engeland en luisterde naar een bericht op de Nederlandse radio. Op zo’n moment leert de geschiedenis dat je onmiddellijk in actie moet komen. Dat je de concurrentie als het ware met een Blitzkrieg moet overrompelen. Ik vloog nog diezelfde dag naar Duitsland, waar we op een mooie vergaderlocatie aan een meer in slechts twee uur onderhandelen met alle betrokkenen tot een finale oplossing kwamen.’

Mai Spijkers neemt ons mee naar het balkon van zijn villa. Onder het genot van een apfelstrudel met slagroom smullen we van het uitzicht. ‘Mano, afgelopen nu!’ beveelt hij de hond die zich direct weer likkend op zijn schoenen stort als we gaan zitten. ‘Geen snugger beest,’ fluistert Spijkers ons toe, ‘maar we hebben hem jaren geleden bij zijn familie weggeplukt, toen we er een nodig hadden, en nu zitten we ermee.’

Terug naar uw boek. Het omslag is sober en bruin als een oud hemd. Vindt u dit geen gemiste kans?

‘Kijk, ik had natuurlijk dolgraag een portret van de auteur op de achterflap gezet, maar dat bleek helaas verboden. Ook een swastika, commercieel gezien toch een symbool met een bewezen aantrekkingskracht, is nog altijd onwettig. Ik denk dat we in ons kikkerlandje nog niet klaar zijn voor het Gesundes Volksempfinden.’

Er zit natuurlijk wel een reden achter, waarom dat verboden is.

‘Dat zal best an sich, maar als men de rechten op het boek vrijgeeft, dan zeg ik: maak het dan meteen in zijn geheel salonfähig. Op deze manier loop je een uitgever namelijk behoorlijk voor de voeten. Stel je toch eens voor dat ik Vijftig Tinten1 zou uitgeven maar de anaalballetjes niet mochten worden verkocht. Een onwerkbare situatie voor onze merchandise-afdeling.’ Zijn publiciteitsdame schiet hem bij:  ‘Briljante ideeën als een Hitlermok of een SSleutelhangertje konden inderdaad na de eerste brainstorm gelijk in de prullenbak.’

Spijkers lijkt zich plots iets te binnen te schieten: ‘O, kun jij trouwens nog even achter die auto aangaan?’ Al bellende verlaat zijn medewerker het balkon.

‘Je ziet, het werk gaat zelfs in het Promethuis gewoon door,’ zegt Spijkers. Om daarna ambitieus te vervolgen: ‘Toen ik las dat die Buwalda voor zijn boekpromotie met een reclameauto het land intrekt, dacht ik: misschien kunnen wij de komende maanden met een Mercedes 770K Grosser Offener Tourenwagen2 door Nederland gaan. Beter goed gejat dan slecht bedacht, denk ik dan.’

Daar heeft u gelijk in, en dat brengt ons gelijk weer bij uw vertaling. Mijn strijd ligt nu enkele weken opgestapeld tussen de bestsellers in de boekwinkels. Wat vindt u van de kritiek dat het een slecht idee is om de uitgave zo makkelijk beschikbaar te stellen?

‘Ik vind het als uitgever en boekenliefhebber belangrijk dat in een tijd waarin het rechtsextremisme overal in Europa opbloeit, er een handboek voor de doelgroep in de winkels ligt. De bekende kwestie van vraag en aanbod. Voor mezelf is het daarnaast een grote aha-erlebnis, want zo ging het destijds ook bij Vijftig Tinten3. Er was een enorme behoefte aan een boek dat ons uit de seksuele dip haalde, en zoiets is natuurlijk ook op het sluimerende fascisme van toepassing. En om dat laatste in het perspectief van onze tijd te zien, hebben we wat verklarende inleidingen aan het boek toegevoegd4.’

Maar volgens critici bladeren nieuwsgierige en onervaren lezers deze inleidingen snel door. Men wil meteen naar de sensatie, naar de woorden van Hitler, zoals men ook bij het kijken naar een seksfilm het kennismakingsgesprek met de loodgieter overslaat. Het ontbreken van voetnoten als zorgvuldige duiding zien velen als een historische vergissing.

‘Daar gaan we weer. Zoals ik in een televisie-interview al stelde5 kunnen lezers die het boek serieus willen begrijpen de Duitse vertaling6 met al die minuscule rotlettertjes raadplegen. Voor de liefhebber staan er 3700 in. Je moet er maar zin in hebben, denk ik dan. Voor mij leiden voetnoten alleen maar af van de gedachte van het centrale verhaal. Ik streef naar bladzuiverheid.’

Heeft u nog andere namen overwogen dan Mijn strijd?

(lachend) ‘Mein Bankrekening kon binnen de uitgeverij op aardig wat stemmen rekenen. Die zouden we dan op het omslag communiceren zodat de lezer meteen wist waar de opbrengst naartoe zou gaan.’

Het boek kost vijftig euro7– vanwaar die hoge prijs?

‘Ja, we waren eerst van plan om het bedrag tussen de veertig – vijfenveertig euro te houden, dat vond de publiciteitsafdeling ook wel geestig, maar die extra euro’s bleek ik toch nodig te hebben om mijn nieuwste project vorm te gaan geven…’

En dat is?

‘Ik kan en wil daar helaas nog niet al te veel over zeggen, maar ik heb altijd al een droom gehad om een groot vakantieparadijs aan de Noordzee te bouwen.’

Heeft U tot slot zelf eigenlijk iets met Hitler of die periode uit onze geschiedenis?

Misschien alleen dat ik op 10 april8 ben geboren. We hebben nog gekeken of we daar iets mee konden in de promotie, maar het was natuurlijk pas echt kassa geweest als ik tien dagen later9 ter wereld was gekomen… (lachend)… Dan hadden we het Mai Kampf genoemd!

Eva de Bruin en Gaston Kamerling


Grijs

2 De auto van Hitler, ook wel bekend als de Führerbumper

3 Grijs

4 Historicus Willem Melching heeft de hoofdstukken van inleidingen voorzien

5 Bij Nieuwsuur, Uitzending 4-9-2018

6 Wetenschappelijke vertaling verschenen in 2016

7 Het boek kost 49,99 om precies te zijn

8 De dag dat de Oostenrijkers met een overgrote meerderheid goedkeuring gaven aan de Anschluss.

9 Op 20 april werd auteur Adolf Hitler geboren, verantwoordelijk voor de moord op 6 miljoen joden. De vertaling van Spijkers staat momenteel op plek 3 in de Bestsellerlijst.

En opeens vroeg ik me af waarom ik eigenlijk was gaan lezen, alles eraan stond me plotseling tegen. Het had in mijn geval ook niet gehoeven, ik groeide op in een gezin waar het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder zeer laag stond aangeschreven. Het werd aangemoedigd om níét te lezen. Het enige boek dat weleens werd opengeslagen was de bijbel, een van de slechtst geschreven boeken die ik ken.

Ik was de enige in mijn omgeving die op een kwade dag écht aan het lezen sloeg. Waarom? Voor mij was lezen niet een manier om mijn leven te verrijken, of om me beter te kunnen inleven in anderen, of om dingen te weten te komen, of om een beter taalgevoel te ontwikkelen, daar had ik nog allemaal niet van gehoord, die onzin zouden ze me later proberen wijs te maken, nee, aan mijn lezen lag geen enkele positieve beweegreden ten grondslag: het was een vorm van escapisme, een ordinair vluchten uit het leven dat me dreigde te overspoelen. De oliedomme zomergast Pieter Waterdrinker schijnt in dat oliedomme programma Zomergasten te hebben gezegd dat tussen de kaften van een boek het volledige bestaan zit, rare beeldspraak, maar dat is wat er precies níét zit. Tussen de kaften van een boek wordt áls er al iets gebeurt het volledige bestaan doodgedrukt (of een mug). Dat was precies wat me zo in boeken aansprak. De volledige zinloosheid ervan. Het negatieve. De duisternis. Welcome to the dark side.

Na het lezen van een paar boeken was ik volkomen vervreemd van de mensen – mijn vader, mijn moeder, mijn zussen, mijn ooms en tantes – die me omringden. Ik begreep hen niet meer en zij begrepen mij niet meer. Zíj stonden volop in het leven; ik bewoog me er zo’n beetje naast. Zij déden de hele dag gewoon wat ze moesten doen, ik dacht de hele tijd bij alles wat ik deed na. En niet bepaald op een opbouwende manier. Het lezen van romans zorgt ervoor dat je een volkomen paranoïde wereldbeeld ontwikkelt. In literaire fictie staat iedereen elkaar de hele dag naar het leven, zijn complotten de norm, graaft elk personage eindeloos in zijn of haar verleden totdat niets meer daarover vaststaat behalve dat men in zijn of haar jeugd misbruikt blijkt te zijn én in literaire fictie heeft letterlijk elk personage een geestelijke afwijking, een complex, een klap van de molen en dientengevolge een visie op de wereld die niets met de werkelijkheid te maken heeft.

Over literaire fictie wordt gezegd dat ze je ogen opent, maar ze sluit die juist. Literatuur is slecht voor je. Een boek is geen vitaminepil, zoals leesbevorderingsfanaten je proberen wijs te maken, een pil die goed voor je zou zijn, iets gezonds, iets waar je een beter mens van wordt. Dat is lezen dus niet. Het is gif dat in hoog tempo je zenuwstelsel aantast, wegvreet en vernietigt. Je bevindt je binnen de kortste keren nadat je bent gaan lezen in de diepste ellende. Vanaf het moment dat je begint met het lezen van literaire fictie, sta je er alleen voor. Ja, je hebt je ‘papieren vriendjes’, de personages, maar aan die lui heb je niets, ze bestaan niet, bovendien zijn ze allemaal gek.

Het lijkt er misschien op dat je zodra je een roman of verhalenbundel openslaat toetreedt tot een heerlijke gemeenschap van lezers, en in zekere zin is dat ook zo, er bestáát een gemeenschap van lezers, maar al snel ontdek je dat die gemeenschap niet zo heerlijk is, maar uitsluitend uit idioten bestaat. Het schijnt moeilijk te zijn voor lezers om niet een soort religieus gedrag te vertonen. Zíj lezen en ze willen ook dat anderen lezen. Ze hebben een missie, ze verrichten zendingswerk. En als je al een lezer bént, dan willen ze dat je hetzelfde leest als zij lezen. Ze raden je boeken aan, ze dringen je boeken op, ze proberen je boeken in je handen te proppen. Het zijn altijd slechte boeken, zeker als het een boekhandelaar is die je adviseert. Luister nooit naar je plaatselijke boekhandelaar, lees die domme kaartjes met aanbevelingen niet die ze op boeken leggen, negeer hun top tienen, kom liever helemaal niet in een boekhandel zolang daar nog levend personeel rondloopt. Nog nooit heeft iemand me een boekentip gegeven waar ik wat aan had. Ze staan voor je neus en zeggen dat je De acht bergen van Paolo Cognetti moet lezen of De heilige Rita van Tommy Wieringa. Openingszin: ‘Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.’ Het ene boek is nog verschrikkelijker dan het andere. Het lezen van een roman is als naast Paul Krüzen staan die een bijl boven zijn hoofd heft. Tweede zin: ‘De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar.’ En dat alleen maar door het heffen van de bijl! Literatuur in Nederland, dat zijn Pieter Waterdrinker en Tommy Wieringa. Wil je over de grens lezen, dan krijg je Italiaanse kitsch aangesmeerd.

Geld verdienen, aantrekkelijk, gezond en populair zijn, een gelukkig en liefdevol gezinsleven hebben – ik heb het allemaal opgegeven voor lezen. In Nederland is er zelfs een stichting die lezen propageert: de CPNB. In een van haar uitingen schrijft deze stichting dat lezen ‘immers’ (let op dat immers) leidt ‘tot meer begrip voor de ander en daarmee tot een hechtere samenleving’. Hoe onwaar is dat! In The Solitary Vice (een boek tegen lezen) merkt Mikita Brottman op: ‘Hitler was a great reader, after all, and so was the Unabomber.’ Mijn advies: denk goed na alvorens je lid wordt van een leesclubje. Je begeeft je al snel tussen onfrisse types. De lezer draagt door zijn asociale gedrag per definitie een ongewenst steentje bij aan de ondergang van de wereld. Lezen haalt de innerlijke Hitler in je naar boven. Volgende keer schrijf ik iets over mijn favoriete boeken.

AS

Liever schrijven dan lezen? Doe mee aan de KOLOMKOMPETITIE.

Het was een prachtige zomer voor de rustzoekers in Amsterdam. Theodor Holman was in Italië om verslag uit te brengen van de gedienstige kamermeisjes aldaar, Han Lips heeft zijn RTL XL Premium-account ten volle benut en Hiske Versprille verruilde noodgedwongen de terrassen voor magnetronmaaltijden. Bovendien zal het menig vrouw zijn opgevallen dat haar nek in de avonduren bij afwezigheid van bronstig gehijg op feesten en partijen eindelijk eens droog bleef. Inderdaad: ook Hans van der Beek, beheerder van de fuifrubriek Schuim in Het Parool, zei de salons en partytenten tijdelijk gedag om een zomerstop in te lassen.

Mogelijk heeft u ook voor deze zomer nog nooit last van Hans van der Beek gehad. Dan bent u ofwel een man, ofwel nog nooit op een feest/evenement/ presentatie/festival/bijeenkomst/gala/ housewarming in Amsterdam geweest. Geldt het voorgaande niet voor u maar bent u wel geabonneerd op Het Parool, dan hebt u dubbel zoveel pech. Het Parool is de krant waarin Van der Beek iedere dag verslag doet van de festiviteiten die hij afgaat. Die stukken weet hij elke dag weer zuurder te maken dan zijn kop ernaast doet vermoeden. Het laffe ironische toontje dat werkelijk in al zijn stukken wordt aangeslagen en dat Van der Beek zelf voor humor aanziet is zijn vrijbrief om alles waar mensen tijd en moeite in hebben gestoken vluchtig de grond in te trappen.

Krijgt Hans een goedgevulde goodiebag mee, dan lukt het hem niet daar simpelweg enige dankbaarheid voor te uiten of er desnoods gewoon helemaal zijn bek over te houden, maar lijkt het hem zinniger zijn onvrede te laten blijken over de roze kleur van de verpakking waarin de luxueuze goodies zich bevinden. ‘Ik moet hiermee over straat.’ Mag Hans zich melden voor een zesgangendiner dat wordt verzorgd door twintig ingevlogen Italiaanse sterrenkoks, vindt Hans het nodig zijn lezers te berichten over de file waar hij in heeft moeten staan voor hij aan tafel kon en de onmogelijkheid om tussen de gangen door ‘even een peukje’ te roken. Gaat Hans zich gratis volstouwen met frituurvoer bij het café dat de AD friettest voor de vierde keer op rij heeft gewonnen, wil hij eerst zijn vraagtekens zetten bij de relativiteit van goede friet. ‘Hoezo de lekkerste frieten van Amsterdam? Friet is een stukje aardappel dat een tijdje in de frituur heeft gelegen. Dat kun je langer doen of iets korter en je kunt ook een andere aardappel proberen. Dat was het verder wel, lijkt me toch.’

Waarom stapt Van der Beek niet gewoon naar een Smullers binnen de ring, waar je, als je de boel binnen weet te houden, sowieso niets mee naar huis krijgt? Het antwoord: omdat je in de Smullers geen lekkere wijven kunt vastleggen. Als Hans niet met zijn kolossale lijf alle meisjes van de bediening voor de andere gasten aan het oog onttrekt jaagt hij op bekende vrouwen die hij niet alleen voor zijn camera sleept, maar ook voor zijn vuurpeloton van kritische vragen. Zo stelde hij Doutzen onlangs voor een culinair dilemma dat hemzelf op menig feest gek maakt: ‘Frikandel of kroket?’

Doet Van der Beek dan niks anders dan vrouwen die nietsvermoedend naar een feestje gingen vragen naar hun favoriete vleesstaaf? Jawel, Hans schrijft ook boeken over feestjes en vrouwen. In 2011 tekende hij een top 100 van het Amsterdamse uitgaansleven op, deed Kluun de flauwe suggestie Paradiso op nummer 1 te zetten en ramde uitgeverij Podium er een kaft omheen waar Van der Beeks naam nauwelijks meer op te lezen is, maar die van Kluun des te beter. Rest nog een in de vergetelheid geraakte roman over een geschiedenisdocent met een obsessie voor Chantal Janzen, de vrouw die ooit een dag lang door Van der Beek werd gestalkt omdat hij per se een portret van zes kantjes van haar wilde optekenen. Sindsdien keert Janzen ook regelmatig terug als toevallige aanwezige op de feesten waar Van der Beek verslag van doet, zoals de lancering van het blad &C en het éénjarig bestaan van het blad &C. ‘Chantal Janzen, toevallig naast me, mompelt: “Grote zwans…”’

Tegen mogelijke uitkomsten als een straatverbod of extra beveiliging heeft Van der Beek zich allang gewapend. Afgelopen maand werd hij geweigerd aan de net geopende poorten van het Soho House, ooit de plek waar Van der Beek zelf colleges volgde en inmiddels voor de gemiddelde Amsterdammer onbegaanbare grond. Juist als Van der Beek een keer alle reden heeft om in zijn rubriek in de grootste krant van Amsterdam een evenement ter ere van malafide praktijken totaal de grond in te boren doet hij het natuurlijk niet. ‘Werkelijk schitterend’, ‘opnieuw valt mijn mond open’, ‘krakers eruit, young, hip & beautiful erin’, schrijft de man die in eerste instantie zelf niet eens naar binnen mocht omdat hij absoluut niet tot deze groep behoort. ‘Om binnen te komen, was nog best een toestand. […] Ook foto’s maken van de gasten was niet mogelijk. Dat was om de privacy te waarborgen. […] Ik moest werkelijk al mijn natuurlijke charme inzetten.’ Natuurlijke charme, dat wil bij Van der Beek zeggen: pens naar voren, frons op je kale kop en tegen het meisje van de gastenlijst brullen dat je wél naar binnen mag.

Het zal niet lang meer duren voor Hans terugkeert van zijn feestvakantie op Ibiza en de Amsterdamse markt opnieuw met zijn volle gewicht gaat bezetten. Sluit dus uw ramen als u de frituur aanzet en mijd evenementen die op facebook als openbaar zijn aangemerkt. Dan is het voor u het weet weer tijd voor de volgende zomerstop.

TS

Ook honger? Win de KOLOMKOMPETITIE en krijg 100 euro.

Ik begon in 2006 te studeren in Amsterdam. Dat is nu twaalf jaar geleden. Ik had me dat nooit zo gerealiseerd, tot ik dit stukje ging schrijven. Twaalf jaar. Dat is niet ‘een paar jaar geleden’, dat is gewoon echt officieel ‘vroeger’.

Want ik kan jullie vertellen: Amsterdam was in mijn tijd een heel andere stad. Er was geen Noord-Zuidlijn, om maar eens iets te noemen. Dat kunnen jullie je nu niet meer voorstellen, maar die was toen pas 362 jaar in aanbouw, dus nog lang niet af. Als je naar Noord wilde moest je achter het station gaan staan en drie keer op je vingers fluiten, dan kwam er een sloep met een norsige man in een streepjestrui die vroeg: wat mot je? En dan moest je zeggen: ik wil graag naar Noord, meneer. En dan zei die vent: zes florijnen. Want daar betaalden we mee. Niks geen bitcoins. En voor zes florijnen was je dan in Noord. Al was de vraag wat je daar te zoeken had, want Noord was nog helemaal niet hip. Dat was toen nog gewoon Zaandam-Zuid. Paar verlaten fabrieken en één aftandse supermarkt, waar alles over datum was.

Ja, twaalf jaar is een lange tijd.

Ik had bijvoorbeeld woonruimte. Betaalbare woonruimte. Dus je hoefde niet met 5 man in een bedstee voor 1400 euro per maand, welnee, ik had gewoon een appartementje, met een eigen keukentje, en een slaapkamer, en een woonkamer, en twee badkamers, en een kelder, en een fietsenschuurtje, en drie balkons, twee filmzalen en een dakterras. Dat kon toen nog gewoon. Gedeeld toilet, dat wel, maar je kan natuurlijk niet alles hebben.

Ja, het is bijna ongelooflijk hoeveel er in twaalf jaar tijd kan veranderen. Je mocht buiten staan met een glas. Dus dan bestelde je wat te drinken in de kroeg, en dan mocht je dat mee naar buiten nemen. Stond je gewoon op de stoep met een biertje. Even frisse lucht halen. Want binnen werd natuurlijk altijd gerookt.

En nog nauwelijks toeristen. Amsterdam was nog niet ontdekt. De rij voor het Anne Frankhuis kwam hooguit tot Amstelveen, meer mensen kwamen er gewoon nog niet op af. Je werd hooguit eens per vijf minuten omver gereden door iemand op een huurfiets. Ging nog heel rustig allemaal. Rondvaartboten dreven leeg en doelloos door de grachten. Je kon ’s nachts op het Leidseplein een speld horen vallen. Al was dat meestal een naald, want drugs hadden we al wel.

Ja, het was een andere tijd. Een andere stad. Al kan het zijn dat ik het inmiddels een klein beetje geromantiseerd heb. Maar ja. Het is immers ook alweer twaalf jaar geleden.

Pieter Derks

Ook ’n mooi verhaal op de plank?

Doe mee aan de KOLOMKOMPETITIE.

Liesbeth Rasker zit het liefst zo vaak en zo lang mogelijk in een vliegtuig. Staat ze aan de grond, dan blogt ze over de volgende keer dat ze weer de Polderbaan op mag. De Flying Blue Miles die ze heeft gespaard kan ze inmiddels omruilen voor een eigen Boeing. Voor een meisje dat zich zo tot het luchtruim voelt aangetrokken lijkt een carrière weggelegd als stewardess, of voor mijn part gevechtspiloot. Maar veel makkelijker is natuurlijk om gewoon schrijfster te worden. Raskers debuut Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken is sinds mei te koop bij boekhandels door het hele land, en tax-free aan boord van KLM-vluchten.

 

In haar boek stelt Rasker zich voor de uitdaging om lezers ervan te overtuigen dat vakanties leuk zijn. Zelf heeft ze het over ‘reizen’, jezelf ‘leren kennen’ en ‘het ultieme gevoel van vrijheid’. Dat kan niet op de camping in Appelscha of fietsend naar Genua. Daarvoor moet je pinnen in Mongolië. En motorrijden in Vietnam, met beesten zwemmen bij de Filipijnen of een oerlelijke rugtas de Amazone doorsjouwen. Eigenlijk is iedere bestemming geschikt om jezelf te leren kennen, zolang je er maar minstens tien uur voor in een vliegtuig moet. Dit lijkt overdreven, maar dat is het niet voor wie zo’n complexe persoonlijkheid heeft als Liesbeth Rasker. Onlangs mocht ze van een corrupte redactiechef voor de Volkskrant een stuk typen over Instagramclichés, waarin ze zonder ironie alle vrouwen bespot die zich even afgezaagd laten fotograferen als zij op haar eigen sociale mediaprofielen. Trots vertelt ze over de mapjes die ze al jaren bijhoudt om dit soort gekkigheid te archiveren, waarvoor ze werkelijk ieder denkbaar Instagramaccount heeft geplunderd behalve dat van zichzelf. Dat heb ik dus maar voor haar gedaan – zie foto’s. Of ze staat te ver van haar management af om in de gaten te houden wat er in haar naam op het internet wordt gedumpt, of ze heeft zo’n dissociatieve identiteitsstoornis dat ze inderdaad maar het best in een Tibetaanse druipsteengrot kan gaan bedenken wie ze nou eigenlijk is.

 

Er is amper een rode lijn te ontdekken in de tientallen ontwikkelingslanden waar Rasker jaarlijks heen vliegt om dat ultieme gevoel van vrijheid te ervaren. Op het eerste gezicht lijkt het alsof ze alle Windows-bureaubladachtergronden af wil werken. Maar wie beter kijkt, ontdekt de invloed van een andere multinational: opvallend veel van haar bestemmingen horen bij het assortiment van de KLM. De luchtvaartmaatschappij wordt slechts een paar keer genoemd in haar boek, maar dankzij haar Instagramteam loopt ze opnieuw tegen de lamp: ‘Hieperdepiep @KLM is jarig! 98 kaarsjes staan er op de taart, en dat wordt gevierd met DRIE speciale rechtstreekse ticketdeals. Naar New York (nu vanaf €449), Curaçao (nu vanaf €499) en Colombo (nu vanaf €649). Kiezen is moeilijk, maar mag ik je adviseren om naar Sri Lanka te gaan?’ Uiteraard gaat Reisbureau Rasker voor het duurste ticket naar het verste, armste land: Sri Lanka, een eiland dat op jaarbasis verantwoordelijk is voor minder CO2-uitstoot dan deze neokoloniale millennial in haar eentje. Ooit behoorde een kwart van de wereld toe aan de Britse koning, tegenwoordig is de hele aarde inclusief dampkring bedoeld voor het vermaak van Liesbeth Rasker.

 

Haar pact met de KLM is maar één van de louche sponsordeals waar Rasker op teert. Als influencer/aanplakzuil op kanalen die worden gedomineerd door basisschoolleerlingen is ze de ideale kinderlokker voor Ketel One Vodka, Moët en andere bedrijven die niet mogen adverteren in de Tina. Famke Louise neemt genoegen met een duimpje op Facebook; Liesbeth Raskers PR-demonen rusten niet voordat je je eerste zuipvakantie hebt geboekt naar Palma de Mallorca (KLM-retour v/a €468), of liever nog naar Ho Chi Minhstad (KLM-retour v/a €1309). Want reizen zul je. Daarover is de vlieggoeroe vanaf haar eerste hoofdstuk branded content heel duidelijk: ‘je moet reizen’. Mocht je haar willen gehoorzamen, dan is je vakantie aan meer regels onderworpen dan een rondleiding door Pyongyang. Je moet in een hostel, je moet met een backpack en je moet sociaal. Je moet, kortom, alles wat je op een vakantie hoopt te ontvluchten.

 

Liesbeth Rasker voelt de tijdsgeest feilloos aan. Klimaatakkoorden die met de grootste moeite tot stand zijn gekomen worden teruggedraaid, zodat ze de kans ziet om haar morbide ecologische voetafdruk te presenteren als een toffe hobby. Een atlas is voor haar een H&M-catalogus vol hebbedingetjes, middelen om egoïstische doelen te verwezenlijken zoals ‘sterker, zelfverzekerder en wijzer’ terugkeren en je overgeven ‘aan de grillen van het onbekende’. Als ze zich echt wilde overgeven aan het onbekende had ze zich wel in Indonesië laten besnijden of in China haar voeten laten inbinden. In plaats daarvan trekt ze door het oerwoud met roedels hostelvolk die een week later in de Coco’s Outback aan het Thorbeckeplein zitten. Met al haar overstapstrategieën, malariapillen en jetlags ziet Rasker over het hoofd waar het bij reizen echt om draait. Terwijl dat maar zo weinig is: een beetje zon, een goed boek, en zo min mogelijk met pizza’s poserende Nederlandse mokkels om je heen.

MSM

Liesbeth Rasker, Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken. Nijgh & van Ditmar, €17,50.

Archief