Het roer moet om, zoveel is wel duidelijk. Ik heb een leeftijd bereikt waarop je je op een bepaalde manier moet zien te verhouden tot de dood. Je kunt de dood ontkennen, je kunt de dood accepteren, je kunt er kapot van zijn, en je kunt er je voordeel mee proberen te doen.

Hoe gaan andere schrijvers van mijn leeftijd om met het grote sterven? Inmiddels zijn er al heel wat collega’s tussenuit gepiept, maar die interesseren me nu niet: de overlevenden zijn belangrijker. Dat vinden ze zelf meestal ook. En dus kiezen ze vrijwel onveranderlijk voor de laatste optie: de ander gaat dood en die gebeurtenis grijpen ze aan om zelf eens flink een nummertje te gaan staan shinen, zodat ze de verkoopcijfers van hun eigen boeken kunnen opstuwen.

Bij de begrafenis van de dichter Menno Wigman was een van de sprekers de bekende kitschschrijver Tommy Wieringa (‘de Konsalik van de Lage Landen’). Meteen aan het begin van zijn toespraak – Tommy heeft een stem die je algauw het woord toespraak te binnen doet schieten als je probeert te bedenken waar je nu eigenlijk naar zit te luisteren, dat heeft hij gemeen met grote wereldleiders uit het verleden – maakte Tommy duidelijk dat we hier niet waren om afscheid te nemen van Menno, maar dat we met zijn allen naar begraafplaats Zorgvlied waren gekomen om naar Tommy te luisteren.

Het is niet mijn gewoonte om begrafenissprekers te recenseren, maar als er zo duidelijk sprake is van een optreden kan dat wel, vind ik. Tommy krijgt voor zijn act vijf sterren. Wat hij zei was op zijn eigen manier zo volkomen aangrijpend, en dat was al het geval nog vóórdat hij in feite iets had gezegd. De visuele performance mocht er van het begin af aan zijn. We zagen een goed gesoigneerde man van middelbare leeftijd die rechtop probeerde te staan maar die tegelijkertijd gebukt ging onder een groot leed, een diep verdriet, een niet te dragen verlies. Opeens haalde hij ergens van tussen en uit zijn indrukwekkende kleding een leesbril tevoorschijn. Het vel papier dat plotseling voor hem lag streek hij nog eens lekker recht. Vervolgens keek hij de zaal in naar al die mensen, zíjn publiek, een enorme menigte die zich tot ver buiten de aula uitstrekte en die aangaf hoe populair Tommy inmiddels was geworden. Tommy schraapte zijn keel en stak van wal.

Het was verbluffend. Tommy had het over een vliegreis die hij maakte, een smartphone die overging (mag dat in een vliegtuig, vroeg ik me af, maar ik geef meteen toe dat ik nooit in zo’n ding zit), en hoe hij de piloot ertoe wist te bewegen het vliegtuig rechtsomkeert te laten maken. Helaas was hij net te laat om erbij te zijn op het moment dat Menno zijn laatste adem uitblies. Tommy pakte daarom maar door naar de vriendschap die hij voelde voor Menno: Menno had mooie sokophouders gehad. Menno had misschien wel lid mogen worden van het eetclubje waar Tommy voorzitter van was, en waarvan slechts mensen lid mochten worden die goed genoeg waren om enigszins in de schaduw van Tommy te kunnen staan, maar helaas voor Menno was Menno te vroeg gestorven om dat punt echt aan de orde te kunnen stellen. En misschien was het fijn als hij met die mooie stem van hem nu tot slot een gedicht voorlas van, even kijken, o ja, van Menno dus.

Tommy zag deze poëzie duidelijk voor het eerst, maar hij sloeg zich er geweldig doorheen. ‘Mooie dingen, allemaal mooie dingen,’ las hij hardop, en daarna keek hij op dramatisch verantwoorde wijze naar ons. Toen het gedicht klaar was, maakte Tommy een kleine buiging; hij ging bescheiden weer op zijn stoel zitten op de eerste rij tussen de gewone mensen.

Blijkbaar waren er ook talentenjagers van de CPNB bij dit spectaculaire nummer aanwezig geweest, want een ruime maand later mocht Tommy deze show nog eens opvoeren, maar dan tijdens het Boekenbal. Tommy dacht er later in zijn column voor het Haarlems Dagblad met genoegen aan terug: ‘Toen ik op het podium de onlangs gestorven dichter Menno Wigman herdacht en een gedicht van hem voorlas…’ Ja, wat een triomf! Iedereen had tijdens het Boekenbal enorm hard geapplaudisseerd voor Tommy. Zelfs waren er drie donkere dames aanwezig geweest die zich op Twitter hadden geërgerd: ‘Een andere witte man aan het woord over een… jawel een witmang… #Boekenbal #HalloWitteMensen’. Tommy kon er snedig over opmerken: ‘Menno Witmang – hij had er zelf vast hartelijk om moeten lachen. Het was jammer dat de vrouwen op hun smartphones huidskleur zaten af te vinken in plaats van naar mijn mooie stem te luisteren.’

Het roer moet om, schreef ik al, er valt veel meer succes te behalen dan ik nu doe met het herdenken van doden die ik nauwelijks heb gekend. De volgende keer vertel ik over de persoonlijke band die ik had met Philip Roth.

AS

Here’s looking at you, Sid.

Sommige mensen hebben een verstandelijke beperking. Sommige mensen hebben geen verstandelijke beperking, maar lijken wel door iemand met zo’n beperking te zijn bedacht. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor Sid Lukkassen, auteur van driftig gekapitaliseerde titels als De Democratie en haar Media, Avondland en Identiteit en Levenslust en Doodsdrift. Lukkassen kan niet anders worden gezien dan als de door chromosoomoverschotten verstoorde weergave van een publieke intellectueel.

Een eerste aanduiding dat Lukkassen geen mens is, maar een personage dat, als Athena uit het hoofd van Zeus, rechtstreeks uit de verbeelding van een geestelijk gehandicapte de wereld in is gestapt: bij dit door God gemorste stukje Oswald Spengler verkeren het boertige uiterlijk en de stompzinnige inhoud in perfecte harmonie. Sid Lukkassen is niet zomaar een voorspelbaar totaalplaatje: hij is een gesamtkunstwerk. Het enige driedimensionale aan flat character Sid is zijn lichaam. Zijn BiFi-lippen, pruilend in permanente verontwaardiging over hun positie in zijn verongelijkte peuterhoofd, en zijn ogen, die in een wanhopige poging iets uit te stralen dat voor pienter door zou moeten gaan genoeg calorieën verbranden om zijn pens enigszins toonbaar te houden, zijn echter zo in overeenstemming met zijn inborst dat ze ervoor zorgen dat hij er kans op maakt alsnog de eerste mens te zijn die door een toekomstige biograaf niet als een ‘vat vol tegenstrijdigheden’ zal worden omschreven.

Zoals gezegd, Sid is een keihard argument tegen dualisme, en niet alleen in vorm, maar ook in inhoud lijkt hij het resultaat van een poging tot het klonen van Alain de Botton waarbij halverwege het proces een rechtse mopshond in het DNA-materiaal heeft gepiest. Die inhoud openbaart hij onder andere in het in het Nederlands napraten van een Amerikaanse complottheorie die Theodor Adorno weet te beschuldigen van elk sinds 1968 afgebrokkelde stukje traditie. Natuurlijk, Adorno heeft alles weg van een in een geheime onderwaterbasis wonende antagonist uit een Bondfilm. De Protocollen van de Wijzen van Frankfurt waar Sid in gelooft zijn desalniettemin absurd, al was het maar omdat niemand buiten een klein groepje armlastige geesteswetenschappers zich überhaupt met Adorno, Horkheimer, Marcuse of andere pessimistische Duitsers bezighoudt.

Als Sid niet rukboeken vol paranoïde gezever aan het schrijven is, wil hij ook nog wel eens in de media verschijnen. Zo mocht hij bijvoorbeeld recentelijk in de Volkskrant het bestellen van Thaise postorderbruiden ‘een stukje seksuele emancipatie van de blanke westerse man’ noemen. Gelukkig voor Sid wist hij de Volkskrantredactie zo ver te krijgen tevens in dat interview te vermelden dat hij onlangs is ingetrokken bij zijn vriendin. Mensen zouden immers maar gaan denken dat de verhandeling over vrouwen die worden ingepikt door ‘boomlange basketbalspelers’ uit Avondland en Identiteit autobiografisch is. Dat Lukkassen de eerste dertig jaar van zijn leven in zijn ouderlijk oikos doorbracht vermeldde de vriendelijk meedenkende krant uit piëteit niet – en vooruit, als ik er van overtuigd was dat ‘de zomer en herfst van 2017 in het teken stonden van de ophanden zijnde ondergang van West-Europa’, zoals de flaptekst van Lukkassens laatste boek Levenslust en Doodsdrift droogjes-alarmistisch begint, zou ik m’n tijd ook niet verspillen op Funda.

Ondertussen lijkt men in een onverwachte hoek, in tegenstelling tot bij de Volkskrant, Lukkassen wel af te schrijven. Toen hij vijf minuten zou spreken op een evenement van Leefbaar Rotterdam, maar na een half uur nog steeds, bevangen door de in het hiernamaals blijkbaar aan lager wal geraakte geest van Cicero, met voor het publiek iets te weidse handgebaren een betoog stond te houden, snoerde presentatrice Ebru Umar hem de mond: ‘Misschien wil je die slotzin even uitspreken, dan zijn we allemaal heel erg gelukkig.’ Ook Jan Dijkgraaf weigerde een bijdrage van Lukkassen af te drukken. Dijkgraaf had Lukkassen om een stukje gevraagd, maar kreeg in plaats van iets waar zijn publiek wat mee kon een Pleidooi voor een Verlichte autocratie, en op Dijkgraaf kwam dat over als een interpretatie van een kleuter die met de volledige werken van Friedrich Nietzsche in een blender was beland. Nu was dat Pleidooi niet eens bijzonder hoogdravend, maar reden genoeg voor Dijkgraaf om Lukkassen de als beschuldiging van pretentie bedoelde kwalificatie ‘Linda Duits zonder tieten’ toe te dichten.

Het is eindelijk eens een prettige bijkomstigheid van anti-intellectualisme: als iemand helemaal geen intellectueel is, maar door het brein van een zwakbegaafde naar een intellectueel is gemodelleerd, kan hij er toch slachtoffer van worden. De positie van Sid Lukkassen in het lezingencircuit zal dan ook, ondanks alles, de westerse beschaving niet overleven. Het kan echter nooit lang duren voor Sid een nieuw tijdverdrijf heeft gevonden. Als ‘iemand die de traditionele masculiniteit van migranten goed aanvoelt’ kan Lukkassen namelijk ‘prima omgaan met allochtonen.’ Mocht u binnenkort op het Osdorpplein worden lastiggevallen door een over zijn Vespa leunende, sissende hangjongere, ga dan niet op zijn avances in, want bij een welgemeend compliment voor uw borsten of kledingkeuze zal het niet blijven. Voor u het weet wordt u drie kwartier later nog steeds verbaal aangerand.

BN

Win de PC ONTHOOFTPRIJS.

Wie het interview met Arie Boomsma in Volkskrant Magazine heeft gelezen weet dat het niet goed gaat met de fitness-evangelist. Zelf zegt hij dat het beter met hem gaat dan ooit, maar al die squats de hele dag, dat moet wel dienen om iets te onderdrukken. Toch is Arie altijd bereid om zowel geestelijke als fysieke raad te geven.

 

Beste Arie,
Ik ben vluchteling. Ik ben helemaal van Syrië naar Nederland lopen in karavaan. Ik dacht hier leven opbouwen, maar mensen zij binden varkens aan boom en zij gooien stenen door mij raam. Mij vrouw en kinderen zij zijn bang dat Nederlanders niet gastvrij zijn als wij dachten. Help mij.
Tarek Abboud

 

Lieve Tarek,
Dat is nog eens een goede oefening voor je kuiten, zo’n mars vanuit Syrië! Ik zou als ik jou was niet bij de pakken neer gaan zitten: die stenen kun je uitstekend gebruiken. Door zo’n kei te deadliften train je niet alleen je been- en bilspieren, maar ook grote groepen spieren in je rug, armen en schouders. Zelf lift ik graag als ik even op zoek ben naar de goede woorden. Tijdens het schrijven van dit antwoord heb ik al drie rondes van tien keer achter de rug!
Arie

 

Beste meneer Boomsma,

Net als u heb ik altijd veel hoop geput uit het geloof. Van u begrijp ik dat: God lijkt u op geen enkele manier tegen te werken in de dingen die u onderneemt. Zelfs uw homoseksuele neigingen weet u met hulp van boven ogenschijnlijk moeiteloos te onderdrukken. Hoe anders is dat voor mij? Ik heb een gemene vrouw en een diep ongelukkige, gehandicapte zoon die nooit zal leren lopen. Wat heb ik fout gedaan? Is dit rechtvaardigheid volgens de Heer?

Een gelovig man

 

Lieve medegelovige,Niet zo sip! Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Mijn nieuwe boek Fit (€19,99) daarentegen niet. Ik begrijp uit je brief dat je zoon in een rolstoel zit, maar is er ook iets mis met zijn armen? Druk die jongen een paar gewichtjes in zijn handen! Kun jij hem ondertussen al joggend vooruit duwen. Blijf vooral bidden, twintig weesgegroetjes per dag die je beurtelings aanvult met een reverse lunge en een diepe squat. Veel sportplezier!

Arie

 

Hoi Arie,

Ik probeer iedere week minstens drie keer langs de GGZ te gaan, en richt me dan altijd op verschillende onderdelen. Maandag zit ik bij de gespreksgroep borderline, woensdag doe ik therapeutisch kartonprikken en vrijdag speel ik Cluedo op de psychotische afdeling. Verder let ik op mijn voeding: ik ontbijt met een lithiumshake, lunch met een flink bord citalopram en trazodon, slik de hele dag door clozapine en klap voor het slapengaan de nodige pammetjes. Toch heb ik er vorige week nog een diagnose bijgekregen: een dwangneurose. Is het dan nooit genoeg? Moet ik de hele DSM afwerken? Graag hoor ik hoe jij mijn problemen zou oplossen.

Groetjes,

een verward persoon

 

Hoi verward persoon, wat vervelend nou allemaal. Dwangneuroses zijn bijna net zo naar als hamstringblessures. Het goede nieuws is dat je ze prima kunt bestrijden met mijn fitnessregime. Leg om te beginnen een halter onderaan de trap. Daarmee ga je voortaan bij iedere tree eerst tien keer een upright row doen, en dan tien keer een military press. Als je terug moet doe je hetzelfde, maar dan van onder naar boven! Koop vervolgens een flink zware kettlebell, doe hem in je tas en neem hem overal mee naar toe. Voordat je iemand gedag zegt ga je voortaan eerst 25 swings doen met die kettlebell. En niet smokkelen hè: zowel met links als met rechts. Geleidelijk kun je het schema uitbreiden met oefeningen onder de douche, in bed en op de WC. Als het je te ver gaat vraag je jezelf: wil ik nou van die dwangneurose af of niet? Wees systematisch, consequent en onverbiddelijk, dan ben je voor je het weet weer zo gezond als een vis.

Arie

Het leven van een schrijver bestaat niet alleen uit glamour, uit het ophalen van geldprijzen van 50.000 euro, het geïnterviewd worden op tv of radio, het in ontvangst nemen van beurzen en subsidies of het knuffelen met boekhandelaren die zeggen dat ze je boek goed vinden, omdat ze het nu eenmaal goed vinden. ‘En dat is mijn mening. Basta!’ Ze zeggen dat omdat je er al tienduizend keer langs bent geweest om met ze te slijmen. Het zijn altijd ontzettende imbecielen, boekhandelaren. Je hebt om boekhandelaar te worden helemaal geen opleiding nodig. Je raadt de mensen, je klánten, maar wat in het wilde weg aan, alles wat in de bestsellerlijst staat, als je maar zelf al die rotzooi niet hoeft te lezen, als je zelf überhaupt maar niet hoeft te lezen.

Maar het schrijversbestaan bestaat dus niet alleen uit gefêteerd worden en shinen en omhelsd worden door boekhandelaren, soms is het ook gewoon tot vervelens toe wachten tot die man die jóú in je jeugd heeft verkracht is overleden (waartoe collega Noort gedwongen was) of tot die broer met die verzameling kinderporno de pijp uit is gegaan (dat had collega Mutsaers bij de hand) of tot je vader dood is zodat hij je niet meer kan tegenspreken (collega Op de Beeck). Je hebt ook nog zoiets als fatsoen en een verfijnde literaire smaak.

(Ik moet opeens terugdenken aan die middag dat Eva Hoeke en Marcel van Roosmalen me thuis kwamen interviewen en alle pakken jus d’orange leegdronken. Op een gegeven moment begonnen ze ongevraagd zelfs zélf naar de ijskast te lopen. Dan schonk Marcel staand een glas in, dronk dat snel leeg, vulde het opnieuw en vervolgens gingen ze verder met het interview, waarbij ze het overigens voornamelijk over zichzelf en hun kind hadden.)

En dan heb je dus die verschrikkelijke jeugdherinneringen – an unhappy childhood is a writer’s gold mine, zeggen ze wel, maar intussen heb je die ongelukkige jeugd wel beleefd. Zoals die keer dat ik met mijn schoolklas uit de Haagse Schilderswijk naar het museum moest. Hoe oud was ik toen? Tien, hooguit elf. Ik had in elk geval nog nooit met een boekhandelaar gesproken of een boekhandel vanbinnen gezien, ik was nog onbedorven, ik stond nog open voor kunst en literatuur. Ik ging met al mijn klasgenoten, met dat hele zootje ongeregeld, naar het Gemeentemuseum. De bus werd op de heenweg half gesloopt. Maar uiteindelijk zaten we dan in het museum op de vloer – omdat we uit de Schilderswijk kwamen waren er voor ons geen stoeltjes of bankjes – en daar zaten we met zijn allen te staren naar een schilderij. Voor zover dat tenminste te zien was, want ervoor stond een vrouw. Die kwam duidelijk uit de keurige Vogelwijk; het was zo’n tuthola die bekakt sprak en ons streng aankeek en zei dat het jammer was dat wij allemaal uit de Schilderswijk kwamen. Waarom was dat zo jammer? Omdat, legde ze uit, als we nette kindertjes van een nette school in een nette buurt waren geweest, er zeker wel eentje van ons had geweten wie de schilder was geweest die dit schilderij had gemaakt.

Naast het schilderij hing een bordje en daar stond op ‘Piet Mondriaan’. Ik dacht: dat zal hem wel zijn. Maar ik durfde het niet te zeggen. Ik dacht: dat zal wel te makkelijk zijn, dat zal wel niet mogen, dat je dan zegt wie het is. Dan telt het vast niet, want het staat al op het bordje.

Ik heb er altijd spijt van gehad dat ik het niet heb gezegd, dan had ik het vooroordeel van die vrouw over Schilderswijkkindjes kunnen wegnemen. Ik was tien, hooguit elf, maar ik hád het moeten zeggen.

Dit is dus duidelijk weer een voorbeeld van hoe je in Nederland wordt gediscrimineerd enkel en alleen omdat je in de Schilderswijk bent geboren.

De volgende keer vertel ik over mijn bezoek aan Renate Dorrestein, maar nu kan ik al zeggen dat ik haar oude schrijfmachine (nee, geen computer, echt nog zo’n aftands apparaat, een roestige Continental, het ding stond op een wankel krukje in de woonkamer, vlak bij de keuken) probeerde te stelen, maar hoe ze erin slaagde me op de drempel – ik stond al bijna buiten – te tackelen en de schrijfmachine weer van me af te pakken. En dat met dat verzwakte lichaam van haar! ‘Schenk woorden en blijf!’ riep ik nog door de brievenbus, want de deur had ze al, met die verroeste schat in haar armen, met onverwacht veel kracht dichtgesmeten.

AS

Zelf iemand tackelen? Doe mee aan de PC ONTHOOFTPRIJS.

‘Dit is Haydn, duifje’ zei ik, terwijl ik met mijn linkerhand door de haardos van mijn vriendinnetje kamde.

Ze pruilde haar opgespoten onderlip. Ik wist zeker dat ze een vulgaire Italiaan wilde horen, net als de vorige keer. Vivaldi misschien, of Rossini. Zoals op alle momenten van moedeloosheid schoot me meteen een citaat van Houellebecq te binnen. ‘Hoe heet het vet rondom de vagina? De vrouw.’ Ja, good old Becqy. Chroniqueur van de ondergang van het avondland. De mens is een stompzinnig schepsel. De beschaving heeft ons Sophocles gegeven, Brahms en Nietzsche, en wat doet de mensheid? Zij luistert naar Drake en loopt rond op afzichtelijk Amerikaans schoeisel. Absque omnis exceptionibus.

Ik besloot haar te straffen met Schoenbergs Drei Klavierstücke. Een beetje atonaal, maar nog net lekker fin de siècle. Precies goed genoeg om meisjes mee te martelen zonder daarbij mijn eigen gehoor te verzieken. Bestonden er vrouwen met wie je langer dan vijf minuten op onderhoudende wijze over componisten kon spreken? Nee, en dat kwam omdat ze altijd direct over Chopin begonnen, alsof er buiten die epileptische tuberculoselijer om niemand in staat was geweest het notenschrift te hanteren. Aures habere et non audire.

Ik boog me voorover en sloeg de toetsen buitensporig hard aan. Maiorus cede! Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe mijn Florentijnse schoonheid ineen kromp. Ze had een draak van een ziel – volkomen aangerand door deze lege, liefdeloze tijd – die in een uitzonderlijk geslaagde mal was gegoten. Het product van eeuwenlange inspanningen van haar voorouders om zo goed mogelijk te trouwen, de bloedlijn vrij te houden van schadelijke invloeden, het familiefortuin te bewaken en de jongens op Grand Tour te zenden, was tenietgedaan, het was in één generatie bedorven, en dat allemaal door de jaren zestig! Crimine ab unus discus omnes.

Ik sloeg de toetsen aan alsof ik een ongehoorzame hond afroste. Mijn blik gleed over het notenschrift. Die Tasten tonlos niederdrücken! Ik drukte het pedaal naar beneden alsof ik een Ferrari reed. Etwas flüchtiger! Ik beeldde me in dat de toetsen haar clitoris waren en liet mijn nagels over het ivoor krassen. Het stuk duurde dertien gelukzalige minuten. Al die tijd lag ze met opgetrokken knieën en halfopen mond op zijn vloer, ijskoud en levenloos als een aangespoelde zeebaars. Nemo mi impune lacessit! Undique periculae nostrum imminentus! Vitus brevis est, longa arte!

Van elk waarheen bevrijd verschijnt juni 2018 in het Frans, Latijn en Hoogduits.

 

Irae furor brevus estis? Participeer aan het PC-ONTHOOFTCONCOURS.

Archief