In het vorige nummer van PC schreef MSM over de bezetting van het P.C. Hoofthuis. Het stuk in kwestie kan op z’n minst een zure recensie genoemd worden – met de kanttekening dat recensenten meestal de locatie die ze bespreken wél hebben bezocht. Kon ik dat, als vijfde colonne in de PC-redactie, over mijn kant laten gaan? Of, om meteen Lenin maar te citeren: ‘Wat te doen?’

Een eerste optie was het publiceren van een uitgebreid geannoteerde versie. Zelfs voor nazipamfletten wordt dat tegenwoordig echter niet noodzakelijk geacht, en hoewel MSM dan wel claimt dat niets zo angstaanjagend is als ‘een groep mensen met gedeelde opvattingen, die hun eensgezindheid uitdragen door middel van kledingvoorschriften’ – niet erg vriendelijk als je keppeltjes of sjtreimels daar ook onder schaart – ging dat misschien wat ver. Bij het uitblijven van een wetenschappelijke editie van PC-Onthoofthuis hier dan toch een respons.

In zijn eerste inhoudelijke punt beticht MSM de bezetters van hypocrisie. Ze eisten dekolonisatie en meer diversiteit aan de UvA, maar bestonden zelf uit een groep van ‘hoofdzakelijk witte, heteroseksuele, Nederlandse jongemannen.’ Bij iedere andere auteur had ik me om te beginnen afgevraagd hoe hij zo overtuigd was van de heteroseksualiteit van een groep gemaskerden. MSM, wiens gaydar zo goed werkt dat hij al een crush op Maxim Februari had toen die nog Marjolein heette, geloof ik hierin volledig.

Hoewel de eis heus wat hypocriet was – welke protestbeweging is dat niet; zodra hypocrisie verboden wordt kunnen we sociale vooruitgang wel vergeten – vielen de bezetters in het niet bij de schijnheiligheid van hun universiteit. Zelf hadden ze hun excuusminderheden in ieder geval discreet en egalitair verborgen achter bivakmutsen en Arafatsjaals – in tegenstelling tot de UvA, die zodra een medewerker ergens een krullende zwarte haar vindt een team van fotografen stuurt, op zoek naar het boegbeeld van een nieuwe mediacampagne. Als het om foto’s voor websites of billboards gaat neemt de afdeling communicatie nog net niet een stel witte studenten onder handen met een blik schoenpoets, en scheelt het niet veel of er worden her en der een paar gezonde benen bewerkt met een loden buis, om zo de quota toch ten minste op een paar mooie plaatjes te halen.

De eis aan het universiteitsbestuur om een staking te faciliteren is volgens MSM onzinnig, omdat stakingsrecht al bestaat. Het zal wel. Met rechten kun je de gracht dempen. Staken wordt een stuk minder gezellig zodra je er achter komt dat werkgevers niet verplicht zijn lonen door te betalen. Wat werd geëist was dan ook het actief faciliteren van actie, zodat stakingsrecht voor universitair personeel niet hetzelfde blijft als seksuele vrijheid voor eenogige bochelaars: een mooi theoretisch ideaal dat in de praktijk flink in de kosten loopt. Het is, kortom, dat er geen vakbond bestaat voor PC-redacteuren, anders wist ik wie er voor de voorzitterspositie niet op mijn stem hoefde te rekenen.

Als volgend punt van kritiek verwijt MSM de bezetters wetenschappelijke onnauwkeurigheid: ‘Aan het manifest van de Autonome Universiteit te zien is Academisch Schrijven al wegbezuinigd.’

Academisch Schrijven is niet wegbezuinigd: Academisch Schrijven is voor kneuzen. Het laatste dat je moet willen is een manifest met meer bronverwijzingen dan leuzen, en bij PC zou dat duidelijk moeten zijn. Om m’n eigen citations op te krikken haal ik er graag de cursus PC-redacteur van de huidige jaargang bij: ‘Als beginnend student heeft u geluk: u bent nog niet verpest door de verplichte cursus academisch schrijven. Van voetnoten, literatuurlijsten en verantwoordingen willen wij niet horen. Wind u ergens over op, ram uw pen in iemands slagader, en schrijf een stuk waar wij om kunnen lachen.’ Verander hier de laatste woorden zodat niet lachen, maar het omverwerpen van het kapitalisme, patriarchaat of stichtingsbestuur van Propria Cures centraal staat, en u heeft wat mij betreft een prima handboek manifesten schrijven.

Met veel opmerkingen van MSM was ik het, om positief af te sluiten, overigens volledig eens. Iedere keer dat hij het eens leek te zijn met de bezetters, bijvoorbeeld. Ook op andere manieren kwam zijn tekst zeker van pas. Voorlopig lijkt Geert ten Dam de Mohammed bin Salman van de UvA te blijven. Zoals de Saudische kroonprins zich presenteert als liberale hervormer, maar ondertussen familietradities als het opsluiten van dissidenten en het in stukken zagen van kritische journalisten achter de schermen gewoon in stand houdt, zo zal ook Geert ondanks haar permanent bezorgde blik interne problemen nooit serieus aanpakken zolang ze als goedmakertje af en toe een kruiwagen puppy’s in de UB kan dumpen. Gelukkig heeft MSM de studentenbeweging aan de nieuwe naam voor een toekomstige splintergroep geholpen. Wanneer het is afgelopen met de softe provokaatsies en de Rote Karree Fraktion Ten Dam daadwerkelijk ontvoert zal hij ongetwijfeld dankbaar worden genoemd in het manifest.

BN

Niets is zo angstaanjagend als een groep mensen met gedeelde opvattingen, die hun eensgezindheid uitdragen door middel van kledingvoorschriften – of het nou om stropdassen, armbanden of vilten vierkantjes gaat. Wat hun opvattingen ook zijn, je weet: dit gaat vroeg of laat ordinair worden. De Rote Karree Fraktion die vorige week het PC Hoofthuis annexeerde is dit stadium definitief gepasseerd. Wie op zoiets belachelijks als de afschaffing van de dividendbelasting reageert met de nog veel idiotere plundering van een letterenfaculteit staat nog verder van de werkelijkheid af dan Rutte III. Of de rebellen hebben een neoliberale saboteur in hun midden die zich nu in de handen wrijft, of ze hebben in één opzicht gelijk: studenten in het huidige universitaire stelsel leren totaal niet meer helder nadenken. 

Na de ontruiming stelden de gearresteerde bezetters zich onder de hoede van Willem Jebbink, een advocaat gespecialiseerd in de verdediging van veganisten, onder wie ook Volkert van der Graaf. Zijn nieuwe cliënten passen in zijn dieet, ondanks het feit dat ook de melkchocoladerepen van Tony’s Chocolonely uit de kantine van het PC Hoofthuis verdwenen waren. Wat traangas noch ME-paarden in het verleden was gelukt, daarin slaagde Jebbink moeiteloos: de grootste brulboeien ervan overtuigen even hun klep te houden. De meeste arrestanten zijn op 12 november gedagvaard, en om niet geïdentificeerd te worden heeft hij ze aangeraden om zich tot die datum van ieder commentaar te onthouden. Dat geeft iedereen aan de UvA die zich nog wel interesseert voor onderzoek een ruime maand de tijd om zich in alle rust te wijden aan een buitengewoon complex vraagstuk: wat willen deze mensen?

De bezetters opereerden onder de naam ‘Autonome Universiteit Post-Colonial House’. Het bronnenonderzoek naar de beweging berust op twee pijlers. Ten eerste is er een overdaad aan video- en audiomateriaal, in te delen in drie categorieën: (i) herhaling van de gescandeerde leuzen die we nog kennen van de Maagdenhuisbezetting, wat aantoont dat hervormingen niet alleen voor de UvA een grote uitdaging zijn, (ii) mensen die verklaren dat ze het pand niet vrijwillig gaan verlaten, (iii) mensen die er schande van spreken dat ze het pand niet vrijwillig hebben kunnen verlaten. Ten tweede zijn er uiterst schaarse geschreven bronnen. Twee stuks om precies te zijn: een Foucault-persiflage van vier pagina’s genaamd ‘Manifest’ en een anarcho-communistisch partijprogramma met de titel ‘Eisen’. 

Voor een verkennende profielschets van de Autonome Universiteit kunnen we het best de eisen erbij pakken. Deze zijn buitengewoon hebberig voor een extreemlinks verlanglijstje: ik tel zo’n twintig onvoorwaardelijke punten die vrijwel allemaal neerkomen op meer geld. Uitgangspunt is dat de UvA een duistere dictatuur vormt, een ‘plek van kennisvernietiging’ voor ‘een steeds selecter gezelschap van bevooroordeelden’ die de kwaliteit van onderwijs ‘op dit moment’ niet kan waarborgen. Op het moment van de bezetting klopte dat laatste in ieder geval: een complete faculteit lag op z’n gat. De eerste inhoudelijke eis betreft vervolgens de dekolonisatie van de universiteit, omdat er te weinig diversiteit is in de UvA-gebouwen. Ook met deze claim sloegen de bezetters de spijker op z’n kop. Zo bevonden zich tijdens de bezetting hoofdzakelijk witte, heteroseksuele, Nederlandse jongemannen op de UvA-locatie PC Hoofthuis. Omdat de meeste krakers gesluierd rondliepen was het op AT5 misschien niet te zien, maar vergeleken met de Autonome Universiteit is het Forum voor Democratie nog een bolwerk van diversiteit. 

Kabinet Rutte III krijgt een eigen to-do list, met puntjes variërend van het terugdraaien van de afschaffing van de dividendbelasting tot structurele investering in het hoger onderwijs. Deze wensen zijn redelijk – megalomaan weliswaar, maar tenminste niet schijnheilig. Dat de UvA wel een kapitaalinjectie kan gebruiken staat als een paal boven water na de verwoesting die de peaceful protesters in het PC Hoofthuis hebben aangericht. (Kameraden, waarom moesten al die beveiligingscamera’s zo nodig stuk? Daar kan je toch gewoon zo’n doek om binden als je ook voor je kop hebt hangen?) Voor een beweging die meer geld, en dus afhankelijkheid, van de overheid verlangt kun je je afvragen waaraan die het recht ontleent zichzelf de ‘Autonome’ Universiteit te noemen. Zoals de activisten zelf al opmerken: aan de universiteit worden ze ‘niet langer opgeleid tot zelfstandige kritische denkers’. Blijkbaar is de zelfkritiek als eerste overboord gegaan. 

De overige eisen wisselen sterk van karakter. Zo verlangen de activisten stakingsrecht. Wie weet laat de premier deze wens in vervulling gaan, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat dit recht allang bestaat. What’s next jongens, een bezetting van de Ridderzaal om algemeen kiesrecht af te dwingen? Andere eisen worden gekenmerkt door oplopende gradaties van surrealisme, met als hoogtepunt de ‘heraanstelling van docent Rudolf Valkhoff en volledige excuses voor de schandelijke manier waarop hij is ontslagen’. Ik waag me niet aan een oordeel over Valkhoff, maar bewonder het gezag van iemand die als onderdeel van een persoonlijke wraakactie 31 mensen zo gek krijgt zich te laten arresteren. 

Aan het manifest van de Autonome Universiteit te zien is Academisch Schrijven al wegbezuinigd. Vier pagina’s compacte blokken post-structuralistische propaganda moeten de lezer er in de eerste plaats van overtuigen dat getallen stom zijn. Kwantiteit, productiviteit, efficiëntie: allemaal neoliberale demonen. De heksensabbat wordt voorgezeten door het ‘rendementsfetisjisme’. Rendement is de verhouding tussen resultaat en benodigdheden, bijv. een essay over strategisch denken na twaalf uur in de UB. Of, dichter bij de belevingswereld van de Autonome Universiteit: twintig chocoladerepen na een minuut in een UvA-kantine. De bezetters streven zelf naar maximaal rendement door met minimale middelen (zes A4’tjes uitgemolken retoriek en wat koevoeten) een maximaal effect te behalen (tientallen bezetters afgevoerd op live tv). Hun haat voor het begrip wordt gemotiveerd door een verzet tegen kwantificering, maar dan alleen van (geesteswetenschappelijke) arbeid, want van de inkomende cash wordt iedere cent geteld. Ik vind dat neohypocriet. 

Het is mijn grote angst dat, wanneer er ooit oorlog uitbreekt, het verzet wordt georganiseerd vanuit cellen zoals deze Autonome Universiteit. Organisaties die het voor elkaar krijgen om belangrijke actiepunten te overspoelen met zoveel inconsistentie, eenkennigheid en paranoia dat je iedere tegenstander ermee in de kaart speelt. Groepen die de mond vol hebben van inclusiviteit en open debat, maar je in de praktijk al afschrijven als je geen rood vierkantje opspeldt. In hun manifest beklagen de activisten zich over de weerstand tegen personen met ‘politiek onwelgevallige meningen’. Ik ben benieuwd naar hun reactie op de mijne. Jammer dat het nog zo lang duurt tot 12 november. 

MSM

Elke student moet zich profileren als originele denker, liever vandaag dan morgen en liever gisteren dan vandaag. En aangezien iedereen straks hetzelfde cv heeft met bijpassende meningen, staat alleen de optie open om tegen de stroom in te zwemmen. Dat wil zeggen, exclusief voor studenten die in Amsterdam studeren. Want Amsterdam, dat is de stad van Van Heutsz. Noem zijn naam in gezelschap van intellectuelen en het debat ontspoort. Dit is het profileringsmomentje bij uitstek. Als Amsterdamse student kunt u niets ergers doen, dan zich te profileren als goede koloniaal.

Eerst even wat context. In deze stad is de politiek-correcte opvatting over het koloniale verleden als volgt: alles eraan is fout, iedereen was een misdadiger (beter gezegd: oorlogsmisdadiger) en er moeten excuses en terugbetalingen komen. Zeker door degenen die blank, ik bedoel wit, zijn. Die zijn extra schuldig. Vanzelf. Buiten de hoofdstad, vooral in de noordelijke buitengewesten, denken ze in de regel genuanceerder, maar een Amsterdamse student komt daar uiteraard niet en dus blijft het Amsterdamse morele kompas hem/haar/ anders de weg naar de waarheid wijzen.

Ik weet dit omdat ik de biografe van Van Heutsz ben, en ik reis door stad en land om over hem en het koloniale verleden te spreken. Dat het aanslaat, merk ik aan de groeiende hoeveelheid haatmails. De afzenders daarvan zullen mijn aandachtigste lezers zijn wanneer de biografie verschijnt. In 2020, dank voor de belangstelling.

Wat te zeggen?

Wat te zeggen Er is bijzonder vaak een moment waarin een debat kan ontstaan. Een herdenking hier of daar, een opmerking over Zwarte Piet is een gemakkelijk bruggetje (denk: racisme nu, racisme toen) en anders staat er wel een bruikbare aanleiding in de krant. Uw taak is de discussie te laten ontsporen, om de eigen zichtbaarheid te vergroten. U bent een Russische tank, de ander is een Italiaanse brug.

Zo’n debat begint redelijk. Even laten ontwikkelen, dat de ander denkt wat een fijn gesprek is dit. Dan: aanvang ontsporing.

Eerste tip. U zegt vol overtuiging: “Maar we hebben in Indië tenminste wèl spoorwegen aangelegd.” Een goede koloniaal begint altijd over spoorwegen. Niets zeggen over het snellere transport van legertroepen, hoor. Benadruk het voordeel dat de bevolking ervan had, economisch en dergelijke. Noem familiebezoek voor een emo-momentje. Wijs ook op de architectonische schoonheid van de koloniale spoorwegstations, daar verschijnen boeken over: “Dat zegt toch wel iets?” Dooddoeners hebben hun nut.

Tweede tip. De ja-maar-methode. Die is geschikt wanneer het debat over de dekolonisatie-oorlogen gaat. Dat heb je tegenwoordig snel, want het historisch geheugen van de gemiddelde Nederlander is klein, daar past niet zoveel kennis in. Iedere zin die u zegt begint met: Ja, maar. Ja, maar de Bersiap, ja, maar de doden aan Nederlandse zijde, ja, maar de Buitenkampers, ja, maar weet je wel dat het aantal doden nog veel hoger is dan tot dusver wordt aangenomen? Nooit het samen eens worden dat oorlog per definitie een lelijk ding is.

De derde tip komt zo dadelijk.

Heutszerdam

Even een tussenstukje met leuke weetjes. Amsterdam is Heutszerdam. Nadat Van Heutsz uit Indië terugkeerde, besloot hij om nou eens niet in Den Haag te gaan wonen zoals de meeste GG’s deden, maar in Amsterdam. Jarenlang woonde hij er heerlijk en ontving hij er zijn vrienden en zakenrelaties. Hij hielp mee het Tropeninstituut op te richten. Hij kreeg er in 1924 een glorieuze staatsbegrafenis, dus op kosten van Nederland, en tout Amsterdam liep uit, wat dacht u. Op de NieuweOoster is, voor wie wil, zijn graf te bezoeken, het is een enorm mausoleum, kunt u niet missen. Na wat andere monumenten voor de man werd in 1935 helemaal speciaal voor Van Heutsz het toen grootste monument van Nederland onthuld, aan het Olympiaplein. Tegenwoordig is de buurt er zenuwachtig over, al heeft het monument een andere naam gekregen. Ja, je kunt nooit weten, een handgranaat heb je zo. Een paar jaar geleden was er opeens een manifestatie, dat is onrustig.

Onderzoek

Nu komt de derde tip. Daarmee maakt u geen vrienden, dat zeg ik er volledigheidshalve bij. Uw gesprekspartner zal inmiddels heel warm gedraaid zijn en beginnen over uitbuiting en slavernij, en misbruik en misdaad. Hier heeft u het nieuwste taboe en dat is, dat er geen enkel positief woordje meer gezegd mag worden over de koloniale tijd. U heeft de spoorwegen al genoemd. Kan niet nog een keer. Dus wat doet u? Op rustige toon zegt u te verlangen naar een groot onderzoek dat de gehele koloniale periode moet omvatten, daarna leunt u voorover en u zegt met nadruk: “Dus óók de positieve aspecten.”

Kaboem!

Vilan van de Loo

Tijdens het schrijven luister ik graag naar het album One-Trick Pony van Paul Simon (dat heb ik gemeen met Michel Houellebecq). Ik ben Feyenoordsupporter. ’s Nachts droom ik van een man die in een kelder achter mij staat met zijn broek afgestroopt tot op zijn enkels. Er zijn kortom wel een paar dingetjes misgegaan in mijn jeugd. Ik ben geboren en opgegroeid in de Rembrandtstraat in de Schilderswijk in Den Haag. Mijn vader was een op medische gronden afgekeurde groenteboer die met behoud van uitkering een illegaal denksportcafé (dammen en klaverjassen) uitbaatte in de voormalige groentewinkel. Kon ik niet slapen, dan kreeg ik van mijn moeder een literfles cola mee zodat ik die in bed fijn leeg kon drinken. Nadat mijn vader was gestorven, meldde zich op de dag van de begrafenis al óp de begraafplaats een man bij me die zei dat hij vierduizend euro van mijn vader kreeg. Nu ontving hij die graag van mij, deelde hij me mee. Hoe gingen we dit zo snel mogelijk oplossen?

Er kwamen die dag nog enkele schuldeisers naar me toe. Ik herkende ze aan de tatoeages, de schakelarmbanden en de bakkebaarden. Mijn vader bleek geen begrafenisverzekering te hebben afgesloten; die kosten kwamen erbij. Mijn erfenis bestond al met al uit een negatief bedrag van enkele tienduizenden euro’s. We hebben het hier vanzelfsprekend over zwart geld – het was niet de bedoeling dat we er met z’n allen op de een of andere manier legaal uit zouden komen. Of dat ik zou betwijfelen dat mijn vader die bedragen inderdaad schuldig was aan deze lui. Er meldden zich ook mannen die het voor mijn vader en mij opnamen en die wel iets konden regelen voor me. Ze zeiden dat we ook andere wegen konden bewandelen dan gewoon maar te betalen. Die vroegen veel minder geld aan mij. Ze waren goedkoper. Moet ik nog iets vertellen over mijn jeugd?

Inmiddels is de begrafenis van mijn vader een paar jaren geleden en ik vertel over de dag dat ik een wc in een keurig restaurant in Amsterdam-Oost verliet. Ik dacht eraan hoe vervelend ik mannen als Jan Terlouw, Adriaan van Dis en uitgever Joost Nijsen vond. En nog steeds vind, moet ik zeggen. Dat heb ik aan mijn jeugd te danken: ik kan niet tegen achterbaks gedrag. Authenticiteit wordt op prijs gesteld. De genoemde ‘heren’ zijn drie mannen die het enorm achter hun ellebogen hebben. Ze zeggen dit, maar ze doen dat. En iedereen trapt erin. Ik stond een keer met Joost Nijsen te praten met een jonge vrouw. Ze was een van de organisatoren van een literaire bijeenkomst waar zowel Joost Nijsen als ik een praatje moest houden. We hadden het met de vrouw over hoelang we iets moesten zeggen en wie er na wie sprak; dat soort zaken. De vrouw liep na ons gesprek weg, tevreden dat ze alles had geregeld. Joost wendde zich tot mij en zei: ‘Kleine tietjes, maar geile tietjes.’ Dat niveau. Zelfs de mannen uit mijn jeugd zeiden dat soort dingen niet, waren niet zo schijnheilig. Die knepen de kat wel, maar niet in het donker. Die schoten die dieren voor iedereen zichtbaar dood als ze daar zin in hadden. Het is mijn woord tegen Joost, maar er zullen wel meer mensen zijn die dergelijke ervaringen met hem hebben.

Maar het geval Joost staat niet op zichzelf. De hele Nederlandse literatuur is vergeven van deze verderfelijke mentaliteit. Jan Terlouw die Griet Op de Beeck tijdens een etentje schalks op schoot trekt. Griet die aan het kirren slaat. Jan Terlouw die parkeerwachters schoffeert. Met die dure auto van hem. Ik was die parkeerwachter. Of dat dacht hij. Toen bleek dat ik net als hij te gast was in de radiostudio die boven de parkeergarage zat, begon hij met me te slijmen. Adriaan van Dis die mensen te lijf gaat omdat ze die boeken van hem niet goed vinden. Adriaan van Dis die een literaire prijs wint. En nóg een literaire prijs. En nog één. Waarom? Zijn de echte schrijvers op? Of mogen die niet meedoen? Mag je tegenwoordig alleen meedoen als je bekend bent van de tv?

Ik was gevraagd om in een literaire jury plaats te nemen, vandaar dat ik me in dat restaurant bevond. En misschien dat ik daarom aan Terlouw, Van Dis en Nijsen dacht. Ik vroeg me af wat deze mensen met literatuur te maken hadden. Je kwam ze tegen op het Boekenbal, er werd hun gezag toegekend, ze werden opgevoerd als mensen die veel deden voor de leesbevordering van ándere mensen. Ze brachten arme debielen aan het lezen, mensen uit achterstandswijken, mensen zoals ik vroeger. Ze werkten samen met de CPNB. Dat was een stichting die ook mensen aan het lezen bracht. Niet met moeilijke boeken, maar met toegankelijke boeken. Maar die toegankelijke boeken waren evenzogoed voortreffelijk, hield de CPNB ons voor. Murat Isik en Jan Siebelink, dat waren ook schrijvers, zo deelde de CPNB mee in persberichten. Echt wel! Iedereen begreep hun boeken. Die gingen over opgroeien in de Bijlmer of in een christelijk gezin. Waarom was ik ooit gaan lezen? En nu ik las, waarom moest ik dan opeens Murat Isik gaan lezen? Dat was een mislukte Charles Dickens. Dickens las ik al op mijn twaalfde. Ik kon beter Dickens blijven lezen. Waarom moest iemand die troep van Isik lezen? Of wie had je allemaal nog meer? Tommy Wieringa. Pieter Waterdrinker.

Ik liep naar mijn mede-juryleden toe. Die hadden het over Arnon Grunberg. Of beter gezegd, ik hoorde ze de hele tijd ‘Arnon’ zeggen. ‘Arnon’ dit en ‘Arnon’ dat. Stuk voor stuk kenden ze Arnon persoonlijk. Arnon stuurde mailtjes naar hen; Arnon hield van hen. Arnon deed niet eens mee aan deze prijs! Het was een prijs die zou worden toegekend aan de beste amateurverhalenschrijver van Amsterdam-Oost. Maar ik had de indruk dat mijn mede-juryleden het oneerlijk vonden dat de prijs niet naar Arnon kon gaan. De Nederlandse literatuur en alles wat ermee te maken heeft, is een compleet gekkenhuis. Ik ben blij dat ik er in Propria Cures verslag van heb mogen doen.

AS

Onder de titel Mijn strijd verscheen onlangs de nieuwe vertaling van Mein Kampf (genomineerd voor de Nazi-Literatuurprijs 1926) in het Nederlands. Lange tijd was dit spraakmakende debuut van Adolf Hitler in ons land verboden, maar sinds 2016 zijn de rechten vrijgegeven. Uitgever Mai Spijkers over het belang van zijn nieuwe aanwinst en over hoe hij de concurrentie aftroefde in het confisqueren daarvan.

Mai Spijkers (Goirle, 10 april 1955) werd geboren als Mai Snickelgroeier, maar hij liet zijn achternaam – om begrijpelijke redenen – reeds op jonge leeftijd veranderen. In 1989 startte hij in een krap bemeten kelder in Amsterdam zijn eigen uitgeverij en sindsdien verovert hij in talrijke landen de boekenmarkt.

We worden hartelijk ontvangen in zijn ‘Promethuis’, zoals Spijkers’ vorstelijke vakantienestje op een bergtop in het zuiden van Duitsland heet. Het is een plek waar hij naar eigen zeggen “lebensraum vindt” en waar geregeld goede vrienden en vakbroeders over de vloer komen. De succesvolle uitgever laat zich tijdens ons bezoek vergezellen door een vrouwelijke publiciteitsmedewerker en aan zijn voeten ligt een vrolijk kwispelende herdershond, die voortdurend nederig aan zijn schoenen likt.

Wanneer vernam U voor het eerst dat de rechten werden vrijgegeven?

‘Ik was in Engeland en luisterde naar een bericht op de Nederlandse radio. Op zo’n moment leert de geschiedenis dat je onmiddellijk in actie moet komen. Dat je de concurrentie als het ware met een Blitzkrieg moet overrompelen. Ik vloog nog diezelfde dag naar Duitsland, waar we op een mooie vergaderlocatie aan een meer in slechts twee uur onderhandelen met alle betrokkenen tot een finale oplossing kwamen.’

Mai Spijkers neemt ons mee naar het balkon van zijn villa. Onder het genot van een apfelstrudel met slagroom smullen we van het uitzicht. ‘Mano, afgelopen nu!’ beveelt hij de hond die zich direct weer likkend op zijn schoenen stort als we gaan zitten. ‘Geen snugger beest,’ fluistert Spijkers ons toe, ‘maar we hebben hem jaren geleden bij zijn familie weggeplukt, toen we er een nodig hadden, en nu zitten we ermee.’

Terug naar uw boek. Het omslag is sober en bruin als een oud hemd. Vindt u dit geen gemiste kans?

‘Kijk, ik had natuurlijk dolgraag een portret van de auteur op de achterflap gezet, maar dat bleek helaas verboden. Ook een swastika, commercieel gezien toch een symbool met een bewezen aantrekkingskracht, is nog altijd onwettig. Ik denk dat we in ons kikkerlandje nog niet klaar zijn voor het Gesundes Volksempfinden.’

Er zit natuurlijk wel een reden achter, waarom dat verboden is.

‘Dat zal best an sich, maar als men de rechten op het boek vrijgeeft, dan zeg ik: maak het dan meteen in zijn geheel salonfähig. Op deze manier loop je een uitgever namelijk behoorlijk voor de voeten. Stel je toch eens voor dat ik Vijftig Tinten1 zou uitgeven maar de anaalballetjes niet mochten worden verkocht. Een onwerkbare situatie voor onze merchandise-afdeling.’ Zijn publiciteitsdame schiet hem bij:  ‘Briljante ideeën als een Hitlermok of een SSleutelhangertje konden inderdaad na de eerste brainstorm gelijk in de prullenbak.’

Spijkers lijkt zich plots iets te binnen te schieten: ‘O, kun jij trouwens nog even achter die auto aangaan?’ Al bellende verlaat zijn medewerker het balkon.

‘Je ziet, het werk gaat zelfs in het Promethuis gewoon door,’ zegt Spijkers. Om daarna ambitieus te vervolgen: ‘Toen ik las dat die Buwalda voor zijn boekpromotie met een reclameauto het land intrekt, dacht ik: misschien kunnen wij de komende maanden met een Mercedes 770K Grosser Offener Tourenwagen2 door Nederland gaan. Beter goed gejat dan slecht bedacht, denk ik dan.’

Daar heeft u gelijk in, en dat brengt ons gelijk weer bij uw vertaling. Mijn strijd ligt nu enkele weken opgestapeld tussen de bestsellers in de boekwinkels. Wat vindt u van de kritiek dat het een slecht idee is om de uitgave zo makkelijk beschikbaar te stellen?

‘Ik vind het als uitgever en boekenliefhebber belangrijk dat in een tijd waarin het rechtsextremisme overal in Europa opbloeit, er een handboek voor de doelgroep in de winkels ligt. De bekende kwestie van vraag en aanbod. Voor mezelf is het daarnaast een grote aha-erlebnis, want zo ging het destijds ook bij Vijftig Tinten3. Er was een enorme behoefte aan een boek dat ons uit de seksuele dip haalde, en zoiets is natuurlijk ook op het sluimerende fascisme van toepassing. En om dat laatste in het perspectief van onze tijd te zien, hebben we wat verklarende inleidingen aan het boek toegevoegd4.’

Maar volgens critici bladeren nieuwsgierige en onervaren lezers deze inleidingen snel door. Men wil meteen naar de sensatie, naar de woorden van Hitler, zoals men ook bij het kijken naar een seksfilm het kennismakingsgesprek met de loodgieter overslaat. Het ontbreken van voetnoten als zorgvuldige duiding zien velen als een historische vergissing.

‘Daar gaan we weer. Zoals ik in een televisie-interview al stelde5 kunnen lezers die het boek serieus willen begrijpen de Duitse vertaling6 met al die minuscule rotlettertjes raadplegen. Voor de liefhebber staan er 3700 in. Je moet er maar zin in hebben, denk ik dan. Voor mij leiden voetnoten alleen maar af van de gedachte van het centrale verhaal. Ik streef naar bladzuiverheid.’

Heeft u nog andere namen overwogen dan Mijn strijd?

(lachend) ‘Mein Bankrekening kon binnen de uitgeverij op aardig wat stemmen rekenen. Die zouden we dan op het omslag communiceren zodat de lezer meteen wist waar de opbrengst naartoe zou gaan.’

Het boek kost vijftig euro7– vanwaar die hoge prijs?

‘Ja, we waren eerst van plan om het bedrag tussen de veertig – vijfenveertig euro te houden, dat vond de publiciteitsafdeling ook wel geestig, maar die extra euro’s bleek ik toch nodig te hebben om mijn nieuwste project vorm te gaan geven…’

En dat is?

‘Ik kan en wil daar helaas nog niet al te veel over zeggen, maar ik heb altijd al een droom gehad om een groot vakantieparadijs aan de Noordzee te bouwen.’

Heeft U tot slot zelf eigenlijk iets met Hitler of die periode uit onze geschiedenis?

Misschien alleen dat ik op 10 april8 ben geboren. We hebben nog gekeken of we daar iets mee konden in de promotie, maar het was natuurlijk pas echt kassa geweest als ik tien dagen later9 ter wereld was gekomen… (lachend)… Dan hadden we het Mai Kampf genoemd!

Eva de Bruin en Gaston Kamerling


Grijs

2 De auto van Hitler, ook wel bekend als de Führerbumper

3 Grijs

4 Historicus Willem Melching heeft de hoofdstukken van inleidingen voorzien

5 Bij Nieuwsuur, Uitzending 4-9-2018

6 Wetenschappelijke vertaling verschenen in 2016

7 Het boek kost 49,99 om precies te zijn

8 De dag dat de Oostenrijkers met een overgrote meerderheid goedkeuring gaven aan de Anschluss.

9 Op 20 april werd auteur Adolf Hitler geboren, verantwoordelijk voor de moord op 6 miljoen joden. De vertaling van Spijkers staat momenteel op plek 3 in de Bestsellerlijst.

Archief