Beroepsgroepen zijn tot nu toe het favoriete onderwerp in mijn stukken hier. Het gaat me niet om individuen, of om enkele personen, of om afzonderlijke figuren – nu ja, op een enkeling na dan, echte eikels, types als de ‘uitgever’ Joost Nijsen of de ‘schrijver’ Tommy Wieringa of de ‘politicus’ Jan Terlouw – nee, waar ik mijn pijlen op richt zijn mensen die in een bepaalde branche zijn beland en daar prompt gecorrumpeerd raken, rare dingen gaan doen, macht krijgen en die misbruiken, meningen gaan lopen verkondigen die ontzettend fout zijn, uitspraken doen die zogenaamd door wetenschappelijk onderzoek worden bevestigd maar die in feite nergens op slaan, die zich verplaatsen in anderen niet omdat ze zo in die anderen geïnteresseerd zijn maar omdat ze die ander iets willen aansmeren, het gaat mij kortom om boekhandelaren.

Nee, dat is ook weer niet waar. Want op zichzelf is het niet zo dat je omdat je een boekhandelaar bent meteen ook maar een slecht mens bent of wordt. Je treft slechte mensen eveneens aan op de universiteit, in het onderwijs in het algemeen, in de media, bij kranten en tijdschriften, bij radio en tv; ik heb het realiseer ik me over mensen die iets hoog hebben te houden. Mensen die voor anderen denken, die doen alsof ze het goed met de medemens voorhebben. De redenering luidt: ik geef ze een goed boek, ik leer ze iets, ik schrijf iets voor hen op waar ze iets aan hebben, ik vertel een leuk verhaal voor de mensen op radio en tv, ik draag bij aan een betere wereld…

Eigenlijk moet ik hier een lange stilte laten vallen, want eerlijk gezegd kan ik al die rotkoppen niet meer horen of zien. En op momenten van zwakte vraag ik me af of het aan míj ligt, maar die ogenblikken gaan weer snel voorbij zodra ik Margriet van der Linden zich zo enorm zie aanstellen op tv, Mieke van der Weij op de radio hoor met dat zogenaamd slimme toontje van haar, of als ik zo’n slecht geschreven gedicht of schijnbaar warmmenselijke en invoelende maar in werkelijkheid stuitend onbeschofte tweet lees van de voormalige dichteres des vaderlands Ester Naomi Perquin, of wanneer ik een stuk lees van de ‘taalkundige’ Marc van Oostendorp, die soms ook iets over literatuur te zeggen meent te hebben, of als ik willekeurig de verontwaardiging omdat hij niet meteen naar de mond wordt gepraat van welke boekhandelaar dan ook moet aanhoren – boekhandelaren zijn, heb ik gemerkt, sneller beledigd dan mensen die afkomstig zijn uit een trotse niet-westerse cultuur, en dat wil dus wat zeggen.

Nu ik in het voorafgaande enkele namen heb laten vallen, lijkt het misschien of het me wél om personen gaat, maar dat is niet het geval. Ik verbaas me oprecht over de mechanismen die achter dit gedrag schuilgaan. Ik verwonder me over wat dit gedrag veroorzaakt; hoe het komt dat iemand dergelijke opvattingen heeft, die uitingen doet; waar iemand het recht vandaan meent te halen om zo knotsgek te doen.

Sommigen van deze mensen heb ik in het echt gezien, kén ik, ik heb met hen gepraat, ik heb ze een hand gegeven, nu ja, ik ben met hen omgegaan zoals beschaafde mensen met elkaar om horen te gaan, en ze vielen me niet meteen op als slecht (in de niet mis te verstane betekenis wat slechte mensen zijn en hoe die zich gedragen en wat ze denken), maar dat zijn ze dus wel. Je draait je om en ze doen iets onbegrijpelijks. Ze stellen zich aan, zeggen iets over je dat nergens op slaat, laten zich iets over anderen ontvallen, ze weten dat het onjuist is, of ze zouden het kunnen weten, maar ze kunnen het niet laten.

Waarschijnlijk vinden ze zichzelf niet slecht. Ik weet niet precies hoe dat werkt bij opportunisten en ik ben me er heel goed van bewust dat ik mezelf nu op een hogere trede plaats en dat ik de indruk wek dat ik vind ik meer moreel besef heb dan de genoemde personen en dat ik van mezelf vind dat ik geen opportunist ben. En dat is ook zo. Ik zal me nooit tot het gedrag van deze mensen verlagen: wat je zegt of schrijft moet wáár zijn, op een bepaalde manier moet het zelfs waar zijn wanneer je fictie schrijft. Hoe komt het dan dat sommige mensen de waarheid met een korreltje zout nemen en andere mensen niet, en dat iedereen vindt dat hij of zij gelijk heeft?

Het moet iets te maken hebben met de behoefte te willen pleasen. Je komt in een bepaalde positie, je staat boeken te verkopen in een winkel, je presenteert op radio of tv een programma, je wordt dichter of dichteres des vaderlands of je hebt een baan aan de universiteit, en vervolgens verdedig je die functie. En je ziet dat mensen je er prompt om waarderen. Je gooit er nog wat stoplappen uit… en mensen waarderen je nog meer. Je vertelt een leugentje omdat je je daarmee kunt profileren, omdat je daarmee overtuigend de indruk kunt wekken dat je een goed mens bent, en het werkt. Je schrijft een slecht gedicht, maar wel met een boodschap die zo leeg is dat vrijwel iedereen erachter kan staan, en je merkt dat je populariteit stijgt. Je neemt het op een armetierige wijze op voor de kunst, en je wordt omarmd. Je bent dichter of dichteres des vaderlands en je vindt dat zelf een volkomen normale functie. Iemand moet het doen. Dus doe jij het. En daar gaat je integriteit. Ja, ik denk dat het zo werkt. Dat moet haast wel. Hoe kan het anders dat slechte mensen dergelijke functies vervullen? Ze zijn toch niet slecht en daarom krijgen ze een dergelijke functie? Het moet wel zo zijn dat ze het in die functie worden. Zullen we gewoon stoppen met zoiets stoms als dichter des vaderlands? Volgens mij is dat beter voor de mensheid. En daarna schaffen we tv af. Of in elk geval praatprogramma’s. Het is een begin.

AS

De Levenseindekliniek in Den Haag heeft drukke weken achter de rug. Waar de psychologen normaal gesproken zo’n acht verzoeken per maand behandelen, mocht het team naar aanleiding van misplaatste nieuwsberichten (‘Dutch Teen Allowed To Die At Home’) in één week 41 euthanasietoeristen te woord staan. Hoewel de kliniek beweert alle binnenkomende verzoeken zeer zorgvuldig te behandelen, zouden deze gevallen toch niet al te ingewikkeld moeten zijn. Het gaat hier om mensen die blijkbaar niet eerst uit eigen beweging het internet zijn opgeklommen, maar die toevallig naar Fox News zaten te kijken en dachten: dat lijkt mij ook wel wat. Dat buitenlandse media en ThePostOnline de dood van een zeventienjarig meisje aangrijpen om euthanasie in een kwaad daglicht te stellen is hoe dan ook verschrikkelijk. Euthanasie is juist iets prachtigs, iets wat na jaren lijden eindelijk verlichting brengt. Vooral als het wordt toegepast op, bijvoorbeeld, Hendrik Groen.

Het is inmiddels vijf jaar geleden Groens debuut, Pogingen iets van het leven te maken, het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar, met de snelheid van een opgevoerde scootmobiel de bestsellerlijsten beklom. Stopte hij nou maar eens met pogen. Helaas, op de kaft van de vijfenveertigste druk worden we nog altijd gewaarschuwd: ‘Hendrik Groen mag dan oud zijn, hij is nog lang niet dood en niet van plan zich eronder te laten krijgen.’ Ik ben ervan overtuigd dat zelfs Groen na de juiste hoeveelheid morfine wel anders zou piepen. Dat niemand de inmiddels bijna 90-jarige daar eens een handje bij komt helpen, komt doordat Groen verkoopcijfers voortbrengt waarmee Hugo de Jonge de hele zorgsector naar het niveau van een private kliniek in Qatar kan tillen. Voorlopig zal Meulenhoff dus geen middel schuwen om Groen in leven te houden en bij ieder voorschot voor een nieuw boek ook een karrenvracht aan glucosamine en chondroïtine afleveren om de artrose in zijn vingers te lijf te gaan. Want schrijven zal die bejaarde gek.

Zodoende heeft de succesformule dit jaar een nieuw boek uit zijn broze botten weten te schudden. Een kleine verrassing heet het, daarmee beslist niet doelend op de thema’s die erin aan bod komen. Klagende senioren, een graaiende directie en volgepiste luiers: dat demente bejaarden hier hun laatste beetjes energie in steken, verklaart nog niet waarom de rest van Nederland dit in vier vuistdikke romans beschreven wil zien worden. Op papier kan de mensheid blijkbaar geen genoeg krijgen van al dat oudelullengezeik, al is er geen ziel meer te vinden die in het echte leven voor deze uitdijende groep wil zorgen. Zelfs onze eigen grootouders bezoeken we niet meer, behalve met kerst misschien, om het voorgeslacht de nieuwste Groen massaal cadeau te doen.

Het enige verrassende aan Een kleine verrassing is de achterflaptekst: ‘Hendrik Groen en Evert Duiker, trouwe vrienden in voor- en tegenspoed, zijn de zeventig ruim gepasseerd.’ Pardon? Zijn er opeens nieuwe geboortepapieren opgedoken? Of heeft Meulenhoff Groen een elixer toegediend dat hem minstens tien jaar jonger heeft gemaakt? Waarschijnlijk is er op de uitgeverij paniek uitgebroken toen men besefte dat het voor de geloofwaardigheid van het karakter noodzakelijk was dat de kanker of alzheimer binnen afzienbare tijd zou toeslaan – met zinnetjes als ‘de benen willen niet meer’ zouden ze het niet lang redden. Niet alleen werd besloten de leeftijd van Groen niet meer in ondertitels mee te nemen en hem voortaan gewoon ‘oud’ te noemen, ook zette de publiciteitsafdeling vaart achter de televisieserie en merchandise-lijn: de markt bleek grote behoefte te hebben aan boekenleggers, tasjes, strandballen en keukenschorten met de tekst ‘I love Hendrik Groen’.

Waarom complete volksstammen zo dol zijn op Groen blijft een groot raadsel. Hij is het Nederlandse antwoord op De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, over een bejaarde die niet alleen tien jaar ouder is, maar die tenminste wel de ballen heeft om gewoon weg te lopen als een plek hem niet zint. Nee, dan die kankerpit van een Hendrik Groen: zogenaamd heldhaftig uit het verzorgingstehuis ‘ontsnappen’ om stiekem uit eten te gaan bij de Griek om de hoek, maar zodra de Ouzo achter de kiezen is wel terugkeren om zich nog door een 15-jarige ROC-stagiaire Zorg en Welzijn te laten wassen. Niet voor niks is het uitgerekend Kluun die op de achterflap geciteerd wordt: ‘Hendrik Groen is koning!’

Er zijn mensen die beweren dat de 62-jarige Peter de Smet het brein is achter Hendrik Groen. Zelf weiger ik te geloven dat die boeken geschreven worden door iemand die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet eens heeft bereikt. Wat staat ons dan nog allemaal te wachten? Voor iedere bezuiniging in de zorg zal De Smet zijn botontkalking trotseren en een nieuw boek in elkaar draaien. Er zullen nog talloze passages over gevechten om het laatste advocaatje volgen, om nog maar te zwijgen over de eindeloze dialogen met zorgrobots. Laat in uw wilsbeschikking alvast opnemen dat u er onder geen enkele omstandigheid uit voorgelezen wilt worden.

TS

Mensen die niet weten wat ze met hun tegenstrijdigheden aan moeten kunnen daar op heel wat verschillende manieren mee omgaan. Ze kunnen zich allereerst natuurlijk gewoon bedrinken om de hele teringzooi te vergeten, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Een serie schizofrene identiteiten aannemen, bijvoorbeeld, en die voor elkaar en de buitenwereld verbergen achter lawaai en praatjes. Dit zijn niet de openingszinnen van mijn autobiografie. Dit is een stuk over voormalig GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil.

Özdil zag zichzelf graag als een van de meer activistische leden van de Tweede Kamer. Dat ging hem niet bijzonder vlot af. Ik was ooit aanwezig bij een van zijn pogingen om politiek betrokken studenten te imponeren. Daar stond hij dan, met de spreektoeter in zijn handen. Om de zin laste hij een pauze in, bedoeld om ruimte te bieden aan een gejoel dat maar niet wilde komen. Om zijn toneel ook voor de doven onder ons van spektakel te voorzien eindigde hij door heel demonstratief en schlemielig een of ander wetsvoorstel doormidden te scheuren. Geen hond die het wat kon schelen. Het was voor iedereen duidelijk dat Zihni dezelfde ochtend voor z’n spiegel had staan oefenen hoe zo’n papiertje nou een beetje theatraal in tweeën ging.

Foto’s van Zihni’s toespraak werden door de aanwezige GroenLinks-medewerkers – toen nog gehoorzaam aan Zihni’s grillen – gemaakt vanuit een intimiderend kikvorsperspectief, en zijn vervolgens zo afgesneden dat het er in ieder geval op Instagram uit moet hebben gezien alsof een Turkse Troelstra woedende volksmeuten had opgezweept. Het is een imago dat Özdil enthousiast probeerde te cultiveren: dat van een maverick binnen de GroenLinks-fractie; een ruwe bonk die vanwege zijn onorthodoxe methodes constant overhoop lag met zijn leidinggevenden. ‘Maar ja, we kunnen niet zonder Zihni,’ fluisterden zij in deze fantasie vervolgens tegen elkaar, wanneer ze dachten dat Özdil hen niet hoorde. ‘He gets the job done.’ Dat hij uiteindelijk vanwege een vertrouwensbreuk uit de fractie werd gewipt moet een diep gekoesterde wens zijn geweest die na jaren in vervulling ging. ‘Your licence to kill is revoked, Özdil.’ Hij had het Jesse in zijn dromen al zo vaak horen zeggen.

De laatste keer dat Zihni voor losgeslagen projectiel mocht spelen was niet lang voor zijn afscheid, in SPUI25. Dat deed hij toen onder andere door gebruik te maken van de eerste vluchtroute die ik zojuist noemde en zich te bezatten, maar daar wordt hij door mij, in tegenstelling tot zijn fractiegenoten, niet op afgerekend. Het lijkt me de meest menselijke en herkenbare manier waarop zijn onzekerheid zich manifesteert. Enfin, Özdil mocht daarnaast ook weer spelen dat hij volksmassa’s aanzette tot een bestorming van het Winterpaleis. Hij was niet mild. Marktwerking in het hoger onderwijs had geleid tot ‘al de problemen, al het gezeik, alle tyfuszooi waar we nu mee te maken hebben.’

De volgende morgen zal Özdil met een kater wakker zijn geworden. Nogmaals, dat is niet mijn probleem. Voor dit kankertranendal vluchten in de drank is volkomen herkenbaar. Sommigen doen dat bij een debatavond, andere mensen komen thuis uit het café en draaien om drie uur ’s nachts vier keer achter elkaar River van Joni Mitchell op vol volume. Terug naar mijn punt: ik begrijp Zihni. Waar de meesten onder ons echter vooral de ochtend na zo’n gelag weer heel anders denken over de voorgaande avond – River is een heel mooi nummer, maar moet het echt zo hard worden meegeblèrd dat het hele huis wakker wordt? – slingerde Zihni’s identiteit permanent op een vergelijkbare manier heen en weer.

Zodra de woede die hij zo graag aan zou willen wakkeren resultaten begon te sorteren ontwaakte namelijk een andere Özdil. Wanneer er geklapt moest worden voor de verkiezingsoverwinning van een tegenstander stond Zihni pal vooraan blij zijn knuistjes tegen elkaar te rammen. Wanneer iemand een ander verantwoordelijk stelde voor het beleid waar ook Zihni Özdil zo graag tegen ageerde, wist hij niet snel genoeg onder hoeveel beschaving en vijandenliefde hij zich moest verschuilen. Dan stond hij de mensen waar hij iets eerder nog tegen fulmineerde opeens innig te knuffelen, en als iemand van zo’n actie iets zei verdwenen de scheldwoorden plots uit Zihni’s vocabulaire en kon hij alleen nog maar het vrije en onbegrensde debat in de meest dociele termen verdedigen. Dan vergat Özdil opeens weer dat hij zelf ook om het ontslag van mensen die hij niet mocht had staan roepen, en verwijderde hij de stukken die hij daarover had geschreven snel van het internet.  

Dat er verschil bestaat tussen iedereen met een mening die u niet bevalt de hersens intimmeren, en slijmerig de erkenning nastreven van elke tegenstander, daar wilde Özdil dan niet meer aan. Of dat woede niet alleen een voorstelling is, maar dat sommige mensen écht boos zijn. Voor Zihni waren zulke emoties slechts wenselijk zolang ze werden gesublimeerd in waardering voor Zihni. Nu hij zijn zetel braaf aan de partij teruggeeft – een laatste daad die laat zien dat Zihni helemaal niet de eigenwijze eenling is die hij graag portretteerde – zal hij de komende periode redelijk wat tijd om handen hebben. Als ik Zihni Özdil één advies mag geven is het dat hij vooral lekker door moet gaan met drinken. Hopelijk weet het de schizofrene praatjes en eventuele andere overlevingsmechanismen te vervangen. En als hij dan toch per se een keer lawaai wil maken zet hij maar gewoon net als de rest van ons Joni Mitchell op.

BN

Nog liever dan romans lees ik de aanbiedingsbrochures waarin uitgeverijen hun nieuwe koopwaar etaleren. Deze folders zijn bedoeld als reclame voor boekhandelaren, die op basis van de aanbieding hun inkoopbeleid kunnen bepalen, maar ik gebruik ze anders: ik blader erdoorheen alsof het een Bijenkorf-catalogus betreft en mail de uitgeverijen vervolgens welke artikelen zij mij gratis op mogen sturen. Daar staat doorgaans tegenover dat er in PC een recensie van de ontvangen romans moet verschijnen, al is het voor de promotie van het boek meestal beter als het daar niet meer van komt. Toch reageren PR-stagiairs braaf op mijn verzoeken, en sturen ze direct de volgende aanbieding mee, zodat ik in augustus aan het zwembad al kruisjes kan zetten in de najaarsbrochure.

Das Mag houdt niet van brochures. ‘Het draait bij uitgeverijen steeds meer om aanbiedingsfolders in plaats van om het boek’, aldus Toine Donk ten tijde van de oprichting in 2015. ‘Dat moet anders.’ Het idee dat die aanbiedingsfolders op hun beurt volledig om het boek draaien ging er bij Toine blijkbaar niet in. Das Mag kwam met een radicaal alternatief: geen aanbiedingsfolder. Het tweekoppig bestuur had besloten de titels los aan de boekhandel aan te bieden en en passant maar weer uit te halen naar de concurrenten: ‘Al die uitgeverijen blijven maar vasthouden aan drie keer per jaar een dikke aanbiedingsfolders voor alle boekhandels.’ Waarom zulke overzichten niet handig zouden zijn voor de boekhandel werd niet duidelijk, maar uit eigen onderzoek hadden Toine en Daniël geconcludeerd dat boekhandels al die reclameboeken spuugzat waren. Dat het Das Mag een hoop geld scheelde om niet drie keer per jaar zo’n folder in elkaar te moeten draaien was mooi meegenomen.

Inmiddels is het mei 2019 en heb ik de zomerbrochure van Das Mag voor mij. Hoewel boekhandelaren het hippe aanbiedingsbeleid van de uitgeverij inderdaad als lekker rustig hebben ervaren, kwamen de literaire cowboys van de Staalstraat er snel achter dat hun kantoor op deze manier als opslaghuis zou blijven fungeren. Daarom presenteerde de uitgeverij afgelopen jaar ‘met trots’ hun eerste aanbieding. Twitter werd woest, de Volkskrant publiceerde een artikel met de kop ‘Wat is er nog rebels aan uitgeverij Das Mag?’ (antwoord: niks). Jamal Ouariachi is ondertussen gestopt met tweeten en Das Mag heeft een jaar lang vrolijk de ene na de andere aanbieding de wereld in geslingerd.

Het leek erop dat Das Mag haar puberale wereldbeeld ontgroeid was, tot het PR-apparaat begin deze maand op de sociale media toch nog blijk gaf van een ernstig verstoorde hormoonhuishouding. ‘Onze zomeraanbieding, die hebben we nu klaar. Daarin kun je dus precies zien welke boeken er van ons in de zomer verschijnen.’ Lekker gewerkt jongens. Handig ook, zo’n folder! ‘Maar zo’n folder is stiekem best saai en maakt de afstand tussen de schrijver en de toekomstige lezer alleen maar groter.’ Daar gaan we weer. Zonder die folder komt het werk van de schrijver niet eens bij de lezer terecht, tenzij je alleen maar schrijvers als Thomas Rueb in je fonds hebt, die met tien pallets de straat op gaan om hun boek gratis aan het publiek uit te delen in ruil voor stemmen waarmee ze de NRC Boekenwedstrijd kunnen winnen. Maar wie daarnaast een gek met het ludieke pseudoniem Auteur 404 en een boek over anti-fame toelaat kan niet anders dan ook ouderwetse methoden inzetten.

Enter de aanbiedingsfolder. Waarom Das Mag zichzelf de grond in boort door te zeggen dat zo’n brochure saai is is mij een raadsel: aan die 16 pagina’s valt meestal meer lol te beleven dan alle vuistdikke debuutromans die Toine en Daniël tot nu toe de wereld in hebben geholpen. Neem alleen al de kop ‘Waarom wij dit boek uitgeven’ die veronderstelt dat de aartsluie synopsissen van soms twee zinnen lang de boekhandelaar niet over de streep gaan trekken. Onder dit kopje geeft Das Mag zichzelf 7×5 cm aan ruimte om eerlijk te vertellen hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Pagina 4: ‘Peter kan meer dan 280 tekens schrijven […] Door zijn online bekendheid zien wij Peter als rising star.’ Pagina 6: ‘Haar artikel riep heftige emoties op en ging viral. Voor ons een signaal dat dit onderwerp ontzettend leeft.’ Pagina 8: ‘Nooit eerder publiceerde Fen Verstappen ergens een woord proza. Toch geven we met blind vertrouwen haar debuut uit.’ Blijkbaar moet je ofwel een literaire twitterheld à la Toine, ofwel een onbekende nitwit als Daniël zijn om een plaats in de stal van Das Mag te veroveren.

Het is niet verrassend dat de promotieafdeling de aandacht van de aanbiedingen nog altijd probeert af te leiden, en nog minder verrassend met welk middel dat gebeurt: zoals de moderniteit vereist is er weer een podcast in het leven geroepen, ditmaal voor de boeken van de zomeraanbieding. Vier auteurs en een redacteur leggen in een interview zonder beeld uit waarom wij hun handel moeten aanschaffen.

‘Er staat een woordenlijst achterin met alle moeilijke woorden die in het boek worden gebruikt.’ ‘Nu mag ik dus een boek schrijven en dat vind ik wel leuk.’ ‘We lazen het en moesten er gelijk van huilen en ook een beetje van lachen.’ Das Mag, doe mij toch maar die najaarsbrochure.

TS

Er valt iets voor te zeggen dat schrijvers zijn gaan schrijven omdat ze niet zo goed kunnen praten. In de praktijk valt dat wel mee – veel schrijvers kunnen heus wel een mop of een anekdote vertellen – en dat is misschien de reden dat veel lezers denken dat schrijvers die goed kunnen praten de beste schrijvers zijn. Vervolgens menen ze dat de lezers die naar die pratende schrijvers luisteren de beste lezers zijn en prompt gaan ze naar optredens van schrijvers in bijvoorbeeld boekhandels, bibliotheken en kleine of grotere theaterzalen. Wie of wat wordt het slachtoffer van deze hele onzinnige constructie? Het boek. Dat is in feite niet meer nodig, maar de naar de pratende schrijvers luisterende lezers kopen het vaak nog wel – met een handtekening en zelfs een persoonlijke opdracht van de schrijver erin, even een persoonlijk contactmoment – en het blijft een leuk hebbedingetje, zo’n boek.

Op deze manier raakt wel steeds verder uit zicht wat literatuur is of zou kunnen zijn. Wanneer een schrijver praat, zegt hij meestal dingen waar zijn publiek het mee eens is. Die mensen zitten er immers bij, en je bent schrijver, je wilt niet met ze op de vuist. Bovendien heb je iets te verkopen. De praktijk heeft uitgewezen dat de schrijver die tijdens zo’n optreden de meeste stoplappen te berde brengt, het succesvolst is. Kan de schrijver goed acteren, dan zit hij of zij helemaal geramd. Dit heeft de weg geopend voor types als Adriaan van Dis en Annejet van der Zijl en Ilja Leonard Pfeijffer. Met treffend gebrachte meningen over kolonialisme, ontsnappen in de wereld van een boek omdat het echte leven te hard voor ze is en de nadelen van massatoerisme weten ze enorm te scoren. Ook hebben ze een act: het zijn nette types die ook wel iets leuk geks hebben.

Met dat gekke kun je trouwens rustig een beetje overdrijven: een traan in de ooghoek van de oudere man, of zelfs een complete huilbui met hysterisch snikken (J.M.A. of Maarten Biesheuvel, ik vergeet altijd van welke auteursnaam hij nu weer gebruikmaakt, Kees van Kooten) – ze gooien het er gewoon in (of uit). Ik denk dat ik zojuist met Kees van Kooten wel de irritantste pratende ‘schrijver’ heb genoemd. Daar krijg je gratis een heel pakket maniertjes, stemmetjes, mal voorlezen, voordragen uit je hoofd en slechte smaak bij. Ik heb trouwens ook nooit van Van Kooten en De Bie gehouden, maar dit onder ons: wat was dat toch altijd kleinburgerlijke shit. (Later heb ik Wim de Bie een beetje leren kennen; dat is een erg aardige man, dat wil ik even gezegd hebben.)

Ik merk dat ik het alleen maar over oude mensen heb, en dat is nog iets wat opvalt: de pratende schrijver is vaak oud, dan wordt hij leuk gevonden. Er wordt de oudere schrijver wijsheid toegedicht. Dit heeft te maken met al die clichés die eruit komen. Die herkent iedereen, of zoiets had men zelf ook al wel bedacht, en wat je zélf bedenkt, moet wel intelligent zijn, nietwaar? Het is niet de bedoeling dat de pratende schrijver iets zegt waar je van opkijkt. Ze bewandelen allen hetzelfde uitgesleten pad.

Voor de duidelijkheid: alle namen die tot nu toe in dit stuk zijn gevallen zijn namen van slechte schrijvers. Of nog duidelijker: er zit geen enkele goede schrijver tussen. Nee, ook niet een beetje goed. Over smaak valt wel degelijk te twisten, natuurlijk, maar het zijn stuk voor stuk schrijvers die dingen opschrijven die iedereen allang weet, die niets vernieuwends doen met de vorm, die niet als een intieme vriend iets in je oor fluisteren, die geen spannend verhaal vertellen, die niet de literatuur een stap vooruit helpen – samengevat: hebben we het over schrijven, écht schrijven, dan kunnen deze lui er allemaal geen klote van, het zijn oplichters. (Pff… dat is eruit.) Hun schrijven voegt niets toe aan wat ze overal al tegen het ‘publiek’ zitten te kleppen – het enige voordeel van als je ze leest, is dat je die bloedirritante koppen niet ziet. Behalve natuurlijk als je het boek omdraait. Ze staan trouwens tegenwoordig vaak ook al op de voorkant afgebeeld, dat is bijvoorbeeld het geval bij de meest oubollige reeks die op het moment wordt uitgegeven: Gedundrukt door Van Oorschot, met al die nostalgische nepauteurs, maar daarover een andere keer meer. Goed, het is nóg een reden om het maar helemaal nooit meer te doen, die onzin lezen, omdat je dan die koppen op de voor- of achterkant ook krijgt.

De kletsmajoorschrijvers zijn ook anders zodra er geen publiek bij is. Soms bezoek ik zo’n avondje waar ze optreden. Een tijdje terug was ik toeschouwer in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Onder de titel De Indië Monologen was daar een theateravond. Ik heb zelf een Indisch verleden (ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag) en mijn goede vriend Gustaaf Peek trad op. Hij vertelde dat hij zich ’s middags tijdens de repetitie liet ontvallen dat ik zou komen kijken. Adriaan van Dis, die eveneens een monoloog zou afsteken (ik heb hem gezien: stemmetjes, suffe anekdotes, old school racisme – we werden weer op het hele pakket getrakteerd), stak daarop de stok die hij bij zich had (hij is oud, hè) recht voor zich uit alsof het een mitrailleur was, maakte geluiden alsof hij het wapen afschoot en zei: ‘Kijk, dát doen we met Arie Storm!’ Het schuim dat rond zijn lippen was verschenen, liet er geen twijfel over bestaan: hier was een man in actie gekomen die zich tot zijn laatste snik tegen het vrije woord zal verzetten.

AS

Archief