Kan u de geëvolueerde versies van Charmander, Bulbasaur en Squirtle uit uw hoofd opdreunen? Weet u wat bonkers zijn en hoeveel kleintjes één bonker waard is? Gefeliciteerd. De kans is groot dat wij in dezelfde jaren rondom een stoeptegel op het schoolplein hurkten om glazen balletjes in het gat te wippen; wij kunnen samen hebben geknikkerd. En dat geeft u het privilege om mij bij mijn voornaam aan te spreken, mij te tutoyeren – teuntoyeren, zo u wilt.

Als PC een blad van onze oosterburen was geweest had dit niet gekund. En dat komt niet doordat satire en humor even zeldzaam zijn als een Duitse weigerambtenaar. In de Bondsrepubliek houden ze van respect, gezag en orde, daarom spreken ze daar van Herr Doktor, Herr SS-Obersturmfüher en Herr Professor. Het is allemaal rigide en star en biedt geen ruimte voor maatwerk, dus ik vind mijn knikkernorm beter.

Ronit Palache heeft niet met Renate Rubinstein geknikkerd. Het is daarom verwonderlijk dat ze in de inleiding van Bange mensen stellen geen vragen Rubinstein steeds Renate noemt. (Waar ik verwonderlijk zei bedoel ik achterlijk, stop de tijd.) Dit soort pre-puberale jovialiteit moet Palache maar bewaren voor haar kleuterjuf. (Even terzijde: wat een kankerkleuterjuf moet zij hebben gehad. In een interview met Jannetje Koelewijn zegt Palache dat ze de eerste zin van Niets te verliezen en toch bang práchtig vindt. Komt de eerste zin: ‘Maandag. Kloten. Man weg. Koffers gepakt. Verdwenen. Moest nog wel even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest.’ Die rekentoets op de Pabo stelt inderdaad niet veel voor.)

Als ik een cultuurpessimist was geweest, een Burkerukker, had ik dit biggetjesgedrag verklaard door te wijzen op de wagenwijd openstaande deuren van de hedendaagse universiteit en te stellen dat Herr Professor studenten geen mores meer leert. Maar Palache heeft gelukkig nog nooit een universiteit van binnen gezien, dus daar kan het niet aan liggen. Nul studiepunten behaald aan een academie, maar ze heeft wel een promotieplek aan de Universiteit van Amsterdam gekregen. Na een ‘geleerd gesprek’ met Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws. Noemen ze de creditcard van papa tegenwoordig zo? Je zal maar één van de zeshonderd (ik herhaal: zeshonderd) sollicitanten zijn geweest aan de Faculteit der Geesteswetenschappen die smeekten om één van de vijf promotieplekken. Met in je ene hand het diploma van je dubbele onderzoeksmaster cum laude en in de andere een algemene afwijzingsbrief. En een huppelkut haalt haar talenten uit haar bh en mag de rij overslaan.

Wat er tijdens een ‘geleerd gesprek’ is besproken blijft binnenskamers, dus ik grijp naar de publieke middelen om de hersenkronkels van Palache te doorgronden. Twee inleidingen van bloemlezingen, een van Ischa Meijer en een van Rubinstein, dat is wat op haar palmares staat. En slaat het ergens op? Ik bladerde door de inleiding, zag veel jaartallen, namen en ander Wikipediamateriaal. Maar het is oneerlijk om haar hier op af te rekenen. Op pagina veertien begon ik te lezen. Serieus lezen. De eerste zin verbaasde me, een beetje. Misschien ben ik gewoon wat te naïef voor deze wereld. Wat was er aan de hand? Palache schrijft dat Rubinstein, excuses ‘Renate’, zich inschreef ‘voor de studie PSF’. PSF? Wat is dat? Gelukkig wordt de zin begeleid door een asterisk, onderaan de pagina staat: ‘De Politiek-Sociale Faculteit (PSF), later Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) en thans Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen.’ Even voor de volledigheid: de aanhalingstekens in de vorige zin komen van mijn hand, in het boek zijn ze niet te vinden. Wat dat betekent voelt u misschien wel aankomen.

Goed. Wat valt op aan deze zin? Misschien had de auteur aan een universiteit kunnen leren dat een faculteit geen studie is. Je schrijft je in aan een faculteit of voor een studie. Beste Ronit, een contaminatie heet dat. Moeilijk woord, ik begrijp het, maar onthoud het, want het kan je later nog van pas komen. (Ik weet dat ik je niet mag tutoyeren, maar soms ben ik een stoute jongen.) Op het woord ‘thans’ kom ik zo terug. Want een zin kan nog zo veel opsmuk bevatten om een beetje goed voor de dag te komen, hij is vergelijkbaar met het gezicht van Palache: als je de aangebrachte tierelantijntjes er afschraapt blijft er weinig over. Die Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen klinkt als een faculteit waar mijn studie (politicologie) onder zou vallen. Dat deed hij ook, tot begin deze eeuw. Sindsdien is het de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Begrijp me niet verkeerd, hoe het vroeger was lijkt mij veel leuker: geen psychologen en andere neuronazi’s, dat moest een feest zijn. Hoe komt Palache dan aan het woord ‘thans’, een ouderwetse edoch opvallende formulering; een woord dat enkel bejaarden gebruiken. En dat klopt ook, want Joop Ellemers was al 67 of 68 toen hij deze frase woord voor woord als openingszin in een bijdrage in de Sociologische Gids in 1998 schreef. Slechts één willekeurige zin van de inleiding gelezen en die is jatwerk. In Mattheüs 7:7 staat ‘zoekt en gij zult vinden’. Zoek niet en u krijgt de misbaksels van Ronit.

Voor het letterlijk overnemen van andermans werk zonder bronvermelding bestaat een woord. U kent het, want u studeert of hebt gestudeerd en weet dat knip-en-plakwerk niet de academische maatstaf is. Ik ken het: ik heb bijna 500 studiepunten verzameld aan deze en gene universiteit en in iedere studiehandleiding van een vak staat dat het niet de bedoeling is om andermans stukken te kopiëren. Mijn studenten kennen het, want als zij dit in hun werkstukken doen, stuur ik ze naar de examencommissie die ze zal berispen voor fraude en mogelijk van de universiteit verwijderen. Palache heeft echter nog nooit van plagiaat gehoord, maar dat kan ik haar ook niet kwalijk nemen, ze heeft immers niet gestudeerd: zij hult zich in een doorschijnende mantel van onwetendheid, het perfecte kledingstuk om domheid publiekelijk mee te verbergen. En zo zien we dat Shylocks pond vlees gelijk over haar beide side boobs is verdeeld. Misschien moet professor Zwiep even nadenken of de prijs van dertig zilverlingen voor een promotieplek niet te laag was nu ze daarvoor een handelaar in andermans werk heeft binnengehaald. Voor een informatief gesprek kan ze Jan Six bellen.

TD

Peinzend keek Joris Destree naar de massieve Kerstbiefstuk op zijn bord. Rare jaren waren het geweest. Het begon met die dokter die zei dat het uitgezaaid was, zijn kanker, maar dat er gelukkig heel goede chemotherapie was voor zijn tumor. Hij was even perplex geweest, maar had haar toen toegebeten: “Chemo komt er bij mij niet in. Dat is ontwikkeld met dierproeven en daar ben ik principieel op tegen.” Ze had nogal laconiek gereageerd, en hem het adres van een goede gebedsgenezer gegeven, de enige in haar branche die het zonder dierproeven kon stellen.

In de maanden daarna ging het toch knellen. Uitgezaaide kanker is geen pretje en met zo’n veganistisch dieet val je dan ook snel af. Uiteindelijk was hij toch maar teruggegaan naar het ziekenhuis met dat enorme proefdiergebouw er naast. De dokter was heel aardig geweest en wonder boven wonder reageerde de kanker nog heel goed op de chemo. Wel had ie zijn veganistische dieet op moeten geven. “Dat combineert niet met chemo”, had ze gezegd.

Drie jaar was het goed gegaan. Hij was een geluksvogel hadden ze gezegd in het kankerinstituut. Een volledige remissie en weinig bijwerkingen, maar ja die remissies duren niet eeuwig, dus nu de kanker terugkwam moest er iets nieuws worden bedacht. Ze gingen een stukje van zijn tumor in een muis implanteren en dan kijken of de experimentele middelen die ze nog op de plank hadden iets tegen die tumor deden. Ja, die muis was wel genetisch gemanipuleerd (gemodificeerd, zei de dokter zuinigjes), want het immuunsysteem van die muis was grotendeels uitgeschakeld; anders wordt uw kanker afgestoten.

Daar had Joris het wel even moeilijk mee gehad. Konden ze niet een stuk van de tumor in de reageerbuis testen? Daar las je toch aldoor over in de kranten, alternatieven voor dierproeven? De dokter had het weggewuifd: “Dat werkt nog voor geen meter; meer politieke hype dan realiteit”. “Maar”, had Joris aangedrongen, “is dat niet zielig voor die muis?” De dokter had hem toen uitgelegd dat die muizen een luizenleven hadden in het kankerinstituut, heel wat beter dan in de vrije natuur, waar de muizen niet oud worden en eindigen als het snoepje van de week voor passerende uilen, buizerds en vossen. In het kankerinstituut werd van iedere muis een muizenwelzijnsdagboek bijgehouden en de overheid zag er nauwlettend op toe dat dit zorgvuldig gebeurde. Dat we in Nederland zo achterlopen bij de bestrijding van Covid-19, onvoldoende test en trace, geen tijdige vaccinatie, komt juist omdat het muizenwelzijn voorrang heeft bij onze regering

De dokter had hem ook nog gevraagd of ie zelf wel een muizenwelzijnsdagboek bijhield van de muizen in zijn keukenkastje. Dat was een pijnlijk onderwerp. Hij had het wel geprobeerd, maar het waren er zo veel. Een tijd lang had ie gepoogd om ze te vangen en naar het bos te brengen, maar die krengen beten en er kwamen er steeds meer. Toen Anja ook nog wegliep omdat ze het niet meer verdroeg, de stank, de muizen die in de keuken tegen je benen opklommen, toen had hij toch maar vergif gekocht.

Achteraf gezien, had hij wel veel geluk gehad. Opnieuw hadden ze in het kankerinstituut een middel weten te vinden waar zijn kanker weer door slonk. Nu zijn huis geen dierenstal meer was, had ie ook een nieuwe vriendin. Joris nam een flinke hap van zijn biefstuk en besloot, nog voor het eind van 2020, een fors bedrag aan het kankerinstituut te schenken.

Piet Borst
(redacteur 1954-1957)

De NPO heeft weer eens een nieuwe talkshow. In dit format ontvangt de presentator zijn gasten niet in een studio, maar gaat hij naar hen toe, en moeten zij maar zien waar ze de door hem meegesleepte ovale tafel kwijt kunnen. Nog niet zo lang geleden werd van het publiek verwacht dat het naar het Westergasterrein zou komen. Zelf ben ik ook ooit naar zo’n talkshow gegaan. Niet vrijwillig natuurlijk, want ik ben niet gek. Ik liep stage bij een stichting die Herman Pleij in de arm had genomen om een boekje te schrijven over de geschiedenis van geluk. Meer kan ik er ook niet van maken. Die maandag was ik begonnen met werken op de persafdeling, en woensdagavond zou Pleij aanschuiven bij de talkshow. Ik mocht direct mee. Het zou leerzaam voor me zijn.

Die avond verscheen ik op tijd voor de deur van het mediacafé. Niet veel later arriveerde ook de persvoorlichter van de stichting. De bewaker, die niets aan niemand vroeg maar wel driftig om zich heen keek, liet ons direct door. Terwijl we binnen onze jas ophingen, legde de persvoorlichter het belang van zo’n talkshow voor een campagne uit. Het had iets te maken met een miljoenenpubliek. En nee, het was niet makkelijk om de redactie te overtuigen van een bepaalde gast. ‘DWDD regelen is gewoon lastig,’ aldus de persvoorlichter. Hij bekeek mij nog eens. ‘Jij gaat DWDD niet regelen. Of ja, heel misschien, als je echt goed bent.’ Ik begreep dat mijn stage mislukt zou zijn als ik DWDD aan het eind niet minstens één keer zou hebben ‘geregeld’. Niet dat we die avond naar DWDD gingen, maar dat zou ik ook zeker nog wel eens meemaken, zo beloofde hij. Eerst wilde ik dit maar eens overleven.

We liepen naar de balie waarachter het meisje zat dat ons toegang ging verlenen tot de ‘backstage’. Pleij zou later arriveren, dus het moest ons zonder bekende kop lukken om binnen te komen. Helaas: onze namen stonden niet op de lijst. Pas na een hoop telefoontjes kwam het meisje achter haar desk vandaan om een deur voor ons te openen. Die leidde naar een brandtrap, die op zijn beurt weer leidde naar een zolder. De muren waren beplakt met fotobehang van Amsterdam, en er stond een grote leren loungeset. Hier konden we, ver weg van het publiek beneden, wachten tot Pleij was gearriveerd, had gegeten en klaar was in de schmink. 

De uitzending was een succes. Te gast waren behalve Pleij Kees van der Staaij, een vrouw die een sekssite runde en enkele andere gasten die ik ben vergeten. De eigenaresse van de sekssite reageerde op alle ophef die was ontstaan naar aanleiding van reclamespotjes waarin jonge vrouwen (veelal studentes) zich aanboden als high class escort. Kees van der Staaij vroeg zich af of dat wenselijk was, of je vrouwen voor deze keuze moest stellen, en of vrouwen überhaupt eigenlijk wel in staat waren tot het nemen van beslissingen. De rest van de tafel (allemaal mannen, dat weet ik nog wel) knikte bezorgd. Eigenlijk was alleen Pleij vóór de site, maar hij zat er dan ook om te praten over geluk. Achteraf nam hij de seksbijbel aan die de eigenaresse eigenlijk aan Kees van der Staaij had aangeboden, maar die het cadeau had geweigerd. 

Na afloop volgden meer privileges. Terug in het mediacafé namen we plaats aan de statafel waar volgens de persvoorlichter de presentator – laten we hem Kauw noemen – ook altijd na afloop met zijn gasten borrelde. Deze tafel verschilde in twee opzichten van de rest van het café: in tegenstelling tot het napratende publiek stonden wij, zodat we letterlijk hoger waren dan de rest. Daarnaast werd deze tafel ongevraagd voorzien van bittergarnituur en kaasstengels. Al snel na de uitzending hadden alle gasten zich inderdaad rond de vlammetjes verzameld – alleen Van der Staaij rolde direct in zijn dienstauto. Kauw zelf liet nog op zich wachten. Omdat iedereen aan tafel de eigenaresse van de sekssite negeerde, knoopte ik een gesprek met haar aan. Misschien waren deze mannen bang om direct voor hoerenloper aangezien te worden, en ik kon hoogstens de indruk wekken op zoek te zijn naar iets dat beter betaalde dan mijn stage. 

Terwijl de persvoorlichter vragend mijn kant op keek verscheen Kauw, die zichzelf nog even had omgekleed, aan de statafel. Ik schrijf omgekleed, maar daarmee bedoel ik dat hij één extra knoopje van zijn overhemd had losgemaakt. Hij wurmde zich tussen mij en de eigenaresse. ‘Vonden jullie het leuk?’ vroeg hij, terwijl hij voorover boog om een kaasstengel te grijpen. Zelf had hij het in ieder geval leuk gevonden, want hij ging aan deze tafel nog even door. Opeens leek hij een stuk minder kritisch over de site, en wilde hij het volgende van de eigenaresse weten: ‘Als ik vanavond nog anale seks met een brunette zou willen, zou je dat dan kunnen regelen?’ Het bleef even stil. De eigenaresse legde hem uit dat het zo dus absoluut niet in zijn werk ging, zoals ze ook al in de uitzending had uitgelegd dat ze geen bordeel was, maar wat hij blijkbaar de eerste keer niet had verstaan. En toch was het knap hoe hij, in al zijn horkerigheid en banaliteit, twee blonde vrouwen het gevoel kon geven dat zij geen enkel gevaar liepen in zijn aanwezigheid. 

Nu heeft Kauw dus een nieuw programma. Een talkshow waarin hij ‘bijzondere gesprekken op locatie’ voert. Ik heb er nog niks van gezien, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de gesprekken inderdaad bijzonder zijn. Leerzaam, misschien zelfs.

TS

Wat een raar jaar, hè?’ ‘Nou, inderdaad!’ is de dialoog die 2020 kenmerkt en hopelijk zo spoedig mogelijk verdwijnt. Enerzijds omdat het daadwerkelijk een raar – eigenlijk is dat een understatement – jaar is geweest, anderzijds omdat het een cliché waar je u tegen zegt begint te worden. Maar inderdaad, het was toch echt een raar jaar, niet alleen door het verschrikkelijke coronavirus, maar voor mij was het politiek… Hoe zal ik het zeggen… Ook wel een bumpy ride. Het was me het jaartje wel.

Bij het proosten op het nieuwe jaar zegt mijn man altijd: ‘Op een rustig jaar!’ Dat dit voor 2020 niet is gelukt en in 2019 voor mij óók al niet lukte; daar heeft iedereen van kunnen meegenieten. Ik heb hem dan ook verboden dat nog een keer te doen. Hoe moeilijk het is om een rechte rug te houden in de politiek blijkt wel uit mijn laatste twee jaren aan het Binnenhof. Keer op keer proberen “ze” de zonder last gekozen parlementariërs onder de duim te houden en als je maar een moment van eigengereidheid of kritiek toont, dan ben je de sjaak in de Haagse bubbel. Dan is het slikken of stikken in partijdiscipline. Met de staart tussen de benen afdruipen via de achterdeur of met rechte rug de volksvertegenwoordigende taak oppakken. Andere smaken zijn er niet. Ja, dan maar alleen. En onafhankelijk. Prima. Politiek is niet voor bange mensen.

Maar 2020 is voor ons allemaal een “uniek” jaar geworden. Iedereen heeft een ander verhaal, maar het was zelden een success story. En wij moesten in de politiek beslissingen nemen waar we nog nooit over hadden nagedacht. Niet wetende wat de consequenties zijn van de maatregelen die wij nemen. Als we dit doen, wat betekent dat voor kwetsbare mensen, de studenten of voor de rechtsstaat. Waar Rutte zei dat hij beslissingen moest nemen met maar 50% van de informatie, moesten wij het doen met net zoveel informatie als ieder ander. Want echt wijzer werden we niet van Rutte & co. En de pers wist sowieso alles eerder. Lekken is namelijk de middle name van dit kabinet. En als je serieus probeert te achterhalen waar het de hele tijd misgaat, krijg je een wazig antwoord en een zwart gelakt stapeltje papier. Het “varen op zicht” werd daarmee óók het understatement van het jaar. We varen nog altijd in de dikke mist.

Vechten tegen de bierkaai in tijden van crisis. Dat heeft ieder Kamerlid gevormd en ieder Kamerlid heeft dat weer anders ingevuld. Ik heb dat proberen in te vullen door de rechtsstaat op één te zetten. Bizarre coronaboetes, mislukte huwelijksfeesten en ongrondwettelijke spoedwetten, ik heb mijn best gedaan een onafhankelijk geluid te laten horen. Door Grapperhaus het vuur aan het de schenen te leggen toen hij zichzelf en de coronamaatregelen volstrekt belachelijk maakte. Door het kabinet voor het blok te zetten om, na het klappen voor onze zorghelden, met een motie te komen voor een zorgbonus. Kosten: 2,2 miljard.Voelde me een echte Robin Hood. Zorgde daarmee voor een gat in de najaarsbegroting van 800 miljoen. En voor een flinke kater bij het kabinet. Daar ben ik best trots op, die kater. Dat mag je best weten.

Mijn missie is het om een luis in de pels te zijn, om mijn eigen koers als verkozen politica te varen en vernieuwende ideeën de politiek in te krijgen. In de Kamer probeer ik het échte sociale geluid te verkondigen zonder mezelf schuldig te maken aan hokjesdenken of symboolpolitiek. Wars van het identiteitsdenken en doorgeslagen feminisme waar mannen geen rol in zouden hebben. Etniciteit registreren in het hoger onderwijs, gevechtsboten naar vrouwen noemen en wegkijken voor de problematiek die speelt in bepaalde minderheidsgroepen: stop it! Ik kan geen één linkse partij noemen die primair staat voor kansengelijkheid, een toegankelijk onderwijs en groene politiek zonder een ongezonde dosis wegkijken of identiteitspolitiek. De identiteitsstrijd op rechts is overigens ook niet te harden. Het is tijd dat we religieuze minderheden als volwaardige burgers zien en dus kritiek leveren waar nodig om ook in die lagen van de samenleving emancipatie te creëren. Het gaat om verheffen, om conservatieve stromingen tegen te gaan, zodat vrouwen en seksuele minderheden ook in minderheidsgroepen als gelijken worden gezien. Daar hoort een goede dosis kritiek bij en drukken waar het pijn doet, op zijn tijd. Deze culturele verheffing kan niet hand in hand gaan zonder sociaal-economische verheffing: de politiek moet ervoor zorgen dat het onderwijs voor iedereen beschikbaar is, het leenstelsel weer plaatsmaakt voor de basisbeurs, de huren omlaag gaan en het minimumloon omhoog.

Daar heb ik geen Henk en Henk bij nodig, en ook geen partij die niet op wil komen voor ‘mensenproblemen.’ Dat doe ik dan toch echt het liefste helemaal zelf, of met gelijkgestemden. Als een splinter in de politiek. Als een feniks die verrijst uit de as. Hoe het ook loopt, ik ben nog lang niet klaar met mijn politieke strijd.

Femke Merel van Kooten-Arissen

We zitten heel erg midden in de tweede golf van de CPNB-campagne #ikleesthuis en #kooplokaalookonline. Kortom, nog steeds maken uitgevers en lezers zich drukker om het overeind houden van die leuke plaatselijke boekhandel dan om het lot van schrijvers. Op social media werd een filmpje gepost waarop een boekhandelaar was te zien die zich als Sinterklaas had verkleed. Even zette hij zijn mijter af. Hij zei: ‘Schrik niet, ik ben het, uw lokale boekhandelaar.’ Naast hem was een enorme stapel boeken te zien. Geen enkele titel ervan had hij gelezen, maar hij raadde ze ons allemaal aan. Hij hield een boek in de lucht. ‘Kijk, Sonja Barend, dat is toch pure nostalgie. Heerlijk!’ Vervolgens werkte hij zich door de berg heen, flapteksten besprekend en wilde veronderstellingen uitend over wat er in al die interessante boeken zou kunnen staan. ‘Dat wil je toch allemaal lezen, mensen!’ Doe het dan, wil je hem toeschreeuwen, lees eens een boek! Misschien dat je dan ook niet naast zo’n stapel bagger zou gaan staan.

Het blijft een wonderlijk fenomeen: de lokale boekhandelaar als deskundige. Ze adviseren je boeken te lezen die ze zelden of nooit zelf hebben opengeslagen. Ze twitteren dat een bepaald boek een must-read is. Enkele maanden later posten ze een foto van datzelfde boek met de opmerking erbij dat ze het gaan lezen, tijdens de vakantie. Hoe konden ze het dan eerder aanraden? Wat zíjn dit voor mensen? Het komt er trouwens dan meestal ook niet van, op vakantie, druk als ze het hebben met het opmaken van hun armzalige centjes in dure lokale restaurants. Het zijn lokale boekverkopers, maar het blijven ondernemers. Lezen, dat is meer iets voor die idioten die in hun winkel komen en die je ondersteunen. Die lezen trouwens over het algemeen alleen maar onzin, want ze laten zich verrukt adviseren door hun lokale boekhandelaren – het is een vicieuze cirkel.

Laat ik het eens over mezelf hebben. Ik heb allemaal gedachten over literatuur, ik heb een eigen smaak, ik hou werkelijk van lezen, en binnen de kortste keren heb ik de aandrang nooit meer een boek te willen aanraken na een gesprekje met een boekhandelaar. Ik probeer hem of haar te ontlopen, ik probeer mijn oren te sluiten als ik bij de kassa af sta te rekenen, maar ze komen er toch altijd doorheen met hun boekentips, hun ‘deskundigheid’, hun grappige opmerkingen over titels, hun woordspelingen en hun eindeloze gelul. Uiteindelijk sta ik buiten met niet alleen het boek van míjn keuze, maar ook met het boek van hún keuze, dat ik heb gekocht omdat er werkelijk niet aan te ontkomen viel – ze zijn behoorlijk agressief, die lokale boekverkopers – en dat ik op straat meteen in een vuilcontainer kan smijten.

Corona heeft ons veel goeds gebracht, zoals dat we onze bezoeken aan de boekhandel kunnen beperken. We bestellen onze boeken lekker vanuit huis. Ik ben van goede wil (soms denk ik dat ik gek ben), dus ik besloot dat #kooplokaalookonline te doen. De ellende die vervolgens ontstond bleek nauwelijks te overzien. Het bestelde boek kwam laat. Er zat een briefje in van mijn lokale boekhandelaar. ‘Hallo! Wat fijn dat je dit boek hebt gekocht! We hebben nog meer prachtige boeken!’ Volgde een opsomming van boeken geschreven door bekende Nederlanders die kanker hebben gekregen, die uit de kast zijn gekomen of die in de overgang zitten – of die van alles tegelijk last hadden (of die bevriend waren met Anne Frank). Ik zette door. Ik deed nog een bestelling. Deze keer kocht ik Het meesterwerk van Émile Zola. Weer zat er een briefje van mijn lokale boekhandelaar bij: ‘Goede keuze, Arie. Een meesterwerk. Haha!’ En daar hield het niet mee op. In het boek bleek een foldertje te zitten van Schwob. ‘De mooiste boeken die u nog nooit heeft gelezen,’ las ik. Ik dacht dat het over mijn lokale boekhandelaar ging, die heeft de mooiste boeken ook nooit gelezen (hij heeft ze nog niet eens in huis, of in zijn winkel, om precies te zijn).

Wie of wat is Schwob? We hebben allemaal gehoord van Marcel Schwob (1867-1905), een Franse symbolistische schrijver. En nu komt het: zijn naam wordt misbruikt door een subsidieverstrekkende organisatie die – hou je vast, er volgt nu verschrikkelijk proza, want zo schrijven ze bij de subsidieverstrekkende organisatie Schwob – een ‘wereldkaart’ heeft laten ontstaan ‘die de landweggetjes en zijpaden van de vorige eeuw zichtbaar maakt’. Die landweggetjes en zijpaden zijn boeken – ik zeg het er maar even bij.

De meeste uitgevers hebben moeite met het uitgeven van literaire klassiekers, want die verkopen niet zo goed, ook omdat boekhandelaren ze liever niet in hun winkel aanbieden. Dat neemt maar ruimte in beslag waar ook een boek van Sonja Barend zou kunnen liggen. Zit er subsidie op een boek, dan verandert de zaak een beetje. Schwob zet in op ‘de pareltjes uit de wereldliteratuur in uitstekende vertalingen’. Pareltjes, het staat er; ‘uitstekende vertalingen’, ze schrijven het gewoon. En: ‘Door het hele land organiseren boekhandels leesclubs en lezingen met auteurs, vertalers en critici.’ Hier zien we hoe een corrupt netwerk wordt gecreëerd. Maar daarover de volgende keer meer.

Even terug naar hoe dit begon. Ik koop een roman geschreven door Émile Zola, toch niet echt een obscure schrijver. Ik wil dat boek hebben, alleen dat boek. Vervolgens krijg ik er allerlei gezwets bij, een flauwe grap, en reclame voor een organisatie die de markt voor het uitgeven van klassiekers volledig is gaan domineren, zodat de wérkelijk vergeten klassiekers geen kans meer krijgen en vergeten zullen blijven. Want zo werkt het in de praktijk: Schwob zorgt voor een enorme verschraling van het aanbod en vormt een aanslag op de leescultuur.

(wordt vervolgd)

AS

Archief