Niets is zo angstaanjagend als een groep mensen met gedeelde opvattingen, die hun eensgezindheid uitdragen door middel van kledingvoorschriften – of het nou om stropdassen, armbanden of vilten vierkantjes gaat. Wat hun opvattingen ook zijn, je weet: dit gaat vroeg of laat ordinair worden. De Rote Karree Fraktion die vorige week het PC Hoofthuis annexeerde is dit stadium definitief gepasseerd. Wie op zoiets belachelijks als de afschaffing van de dividendbelasting reageert met de nog veel idiotere plundering van een letterenfaculteit staat nog verder van de werkelijkheid af dan Rutte III. Of de rebellen hebben een neoliberale saboteur in hun midden die zich nu in de handen wrijft, of ze hebben in één opzicht gelijk: studenten in het huidige universitaire stelsel leren totaal niet meer helder nadenken. 

Na de ontruiming stelden de gearresteerde bezetters zich onder de hoede van Willem Jebbink, een advocaat gespecialiseerd in de verdediging van veganisten, onder wie ook Volkert van der Graaf. Zijn nieuwe cliënten passen in zijn dieet, ondanks het feit dat ook de melkchocoladerepen van Tony’s Chocolonely uit de kantine van het PC Hoofthuis verdwenen waren. Wat traangas noch ME-paarden in het verleden was gelukt, daarin slaagde Jebbink moeiteloos: de grootste brulboeien ervan overtuigen even hun klep te houden. De meeste arrestanten zijn op 12 november gedagvaard, en om niet geïdentificeerd te worden heeft hij ze aangeraden om zich tot die datum van ieder commentaar te onthouden. Dat geeft iedereen aan de UvA die zich nog wel interesseert voor onderzoek een ruime maand de tijd om zich in alle rust te wijden aan een buitengewoon complex vraagstuk: wat willen deze mensen?

De bezetters opereerden onder de naam ‘Autonome Universiteit Post-Colonial House’. Het bronnenonderzoek naar de beweging berust op twee pijlers. Ten eerste is er een overdaad aan video- en audiomateriaal, in te delen in drie categorieën: (i) herhaling van de gescandeerde leuzen die we nog kennen van de Maagdenhuisbezetting, wat aantoont dat hervormingen niet alleen voor de UvA een grote uitdaging zijn, (ii) mensen die verklaren dat ze het pand niet vrijwillig gaan verlaten, (iii) mensen die er schande van spreken dat ze het pand niet vrijwillig hebben kunnen verlaten. Ten tweede zijn er uiterst schaarse geschreven bronnen. Twee stuks om precies te zijn: een Foucault-persiflage van vier pagina’s genaamd ‘Manifest’ en een anarcho-communistisch partijprogramma met de titel ‘Eisen’. 

Voor een verkennende profielschets van de Autonome Universiteit kunnen we het best de eisen erbij pakken. Deze zijn buitengewoon hebberig voor een extreemlinks verlanglijstje: ik tel zo’n twintig onvoorwaardelijke punten die vrijwel allemaal neerkomen op meer geld. Uitgangspunt is dat de UvA een duistere dictatuur vormt, een ‘plek van kennisvernietiging’ voor ‘een steeds selecter gezelschap van bevooroordeelden’ die de kwaliteit van onderwijs ‘op dit moment’ niet kan waarborgen. Op het moment van de bezetting klopte dat laatste in ieder geval: een complete faculteit lag op z’n gat. De eerste inhoudelijke eis betreft vervolgens de dekolonisatie van de universiteit, omdat er te weinig diversiteit is in de UvA-gebouwen. Ook met deze claim sloegen de bezetters de spijker op z’n kop. Zo bevonden zich tijdens de bezetting hoofdzakelijk witte, heteroseksuele, Nederlandse jongemannen op de UvA-locatie PC Hoofthuis. Omdat de meeste krakers gesluierd rondliepen was het op AT5 misschien niet te zien, maar vergeleken met de Autonome Universiteit is het Forum voor Democratie nog een bolwerk van diversiteit. 

Kabinet Rutte III krijgt een eigen to-do list, met puntjes variërend van het terugdraaien van de afschaffing van de dividendbelasting tot structurele investering in het hoger onderwijs. Deze wensen zijn redelijk – megalomaan weliswaar, maar tenminste niet schijnheilig. Dat de UvA wel een kapitaalinjectie kan gebruiken staat als een paal boven water na de verwoesting die de peaceful protesters in het PC Hoofthuis hebben aangericht. (Kameraden, waarom moesten al die beveiligingscamera’s zo nodig stuk? Daar kan je toch gewoon zo’n doek om binden als je ook voor je kop hebt hangen?) Voor een beweging die meer geld, en dus afhankelijkheid, van de overheid verlangt kun je je afvragen waaraan die het recht ontleent zichzelf de ‘Autonome’ Universiteit te noemen. Zoals de activisten zelf al opmerken: aan de universiteit worden ze ‘niet langer opgeleid tot zelfstandige kritische denkers’. Blijkbaar is de zelfkritiek als eerste overboord gegaan. 

De overige eisen wisselen sterk van karakter. Zo verlangen de activisten stakingsrecht. Wie weet laat de premier deze wens in vervulling gaan, bijvoorbeeld door erop te wijzen dat dit recht allang bestaat. What’s next jongens, een bezetting van de Ridderzaal om algemeen kiesrecht af te dwingen? Andere eisen worden gekenmerkt door oplopende gradaties van surrealisme, met als hoogtepunt de ‘heraanstelling van docent Rudolf Valkhoff en volledige excuses voor de schandelijke manier waarop hij is ontslagen’. Ik waag me niet aan een oordeel over Valkhoff, maar bewonder het gezag van iemand die als onderdeel van een persoonlijke wraakactie 31 mensen zo gek krijgt zich te laten arresteren. 

Aan het manifest van de Autonome Universiteit te zien is Academisch Schrijven al wegbezuinigd. Vier pagina’s compacte blokken post-structuralistische propaganda moeten de lezer er in de eerste plaats van overtuigen dat getallen stom zijn. Kwantiteit, productiviteit, efficiëntie: allemaal neoliberale demonen. De heksensabbat wordt voorgezeten door het ‘rendementsfetisjisme’. Rendement is de verhouding tussen resultaat en benodigdheden, bijv. een essay over strategisch denken na twaalf uur in de UB. Of, dichter bij de belevingswereld van de Autonome Universiteit: twintig chocoladerepen na een minuut in een UvA-kantine. De bezetters streven zelf naar maximaal rendement door met minimale middelen (zes A4’tjes uitgemolken retoriek en wat koevoeten) een maximaal effect te behalen (tientallen bezetters afgevoerd op live tv). Hun haat voor het begrip wordt gemotiveerd door een verzet tegen kwantificering, maar dan alleen van (geesteswetenschappelijke) arbeid, want van de inkomende cash wordt iedere cent geteld. Ik vind dat neohypocriet. 

Het is mijn grote angst dat, wanneer er ooit oorlog uitbreekt, het verzet wordt georganiseerd vanuit cellen zoals deze Autonome Universiteit. Organisaties die het voor elkaar krijgen om belangrijke actiepunten te overspoelen met zoveel inconsistentie, eenkennigheid en paranoia dat je iedere tegenstander ermee in de kaart speelt. Groepen die de mond vol hebben van inclusiviteit en open debat, maar je in de praktijk al afschrijven als je geen rood vierkantje opspeldt. In hun manifest beklagen de activisten zich over de weerstand tegen personen met ‘politiek onwelgevallige meningen’. Ik ben benieuwd naar hun reactie op de mijne. Jammer dat het nog zo lang duurt tot 12 november. 

MSM

Elke student moet zich profileren als originele denker, liever vandaag dan morgen en liever gisteren dan vandaag. En aangezien iedereen straks hetzelfde cv heeft met bijpassende meningen, staat alleen de optie open om tegen de stroom in te zwemmen. Dat wil zeggen, exclusief voor studenten die in Amsterdam studeren. Want Amsterdam, dat is de stad van Van Heutsz. Noem zijn naam in gezelschap van intellectuelen en het debat ontspoort. Dit is het profileringsmomentje bij uitstek. Als Amsterdamse student kunt u niets ergers doen, dan zich te profileren als goede koloniaal.

Eerst even wat context. In deze stad is de politiek-correcte opvatting over het koloniale verleden als volgt: alles eraan is fout, iedereen was een misdadiger (beter gezegd: oorlogsmisdadiger) en er moeten excuses en terugbetalingen komen. Zeker door degenen die blank, ik bedoel wit, zijn. Die zijn extra schuldig. Vanzelf. Buiten de hoofdstad, vooral in de noordelijke buitengewesten, denken ze in de regel genuanceerder, maar een Amsterdamse student komt daar uiteraard niet en dus blijft het Amsterdamse morele kompas hem/haar/ anders de weg naar de waarheid wijzen.

Ik weet dit omdat ik de biografe van Van Heutsz ben, en ik reis door stad en land om over hem en het koloniale verleden te spreken. Dat het aanslaat, merk ik aan de groeiende hoeveelheid haatmails. De afzenders daarvan zullen mijn aandachtigste lezers zijn wanneer de biografie verschijnt. In 2020, dank voor de belangstelling.

Wat te zeggen?

Wat te zeggen Er is bijzonder vaak een moment waarin een debat kan ontstaan. Een herdenking hier of daar, een opmerking over Zwarte Piet is een gemakkelijk bruggetje (denk: racisme nu, racisme toen) en anders staat er wel een bruikbare aanleiding in de krant. Uw taak is de discussie te laten ontsporen, om de eigen zichtbaarheid te vergroten. U bent een Russische tank, de ander is een Italiaanse brug.

Zo’n debat begint redelijk. Even laten ontwikkelen, dat de ander denkt wat een fijn gesprek is dit. Dan: aanvang ontsporing.

Eerste tip. U zegt vol overtuiging: “Maar we hebben in Indië tenminste wèl spoorwegen aangelegd.” Een goede koloniaal begint altijd over spoorwegen. Niets zeggen over het snellere transport van legertroepen, hoor. Benadruk het voordeel dat de bevolking ervan had, economisch en dergelijke. Noem familiebezoek voor een emo-momentje. Wijs ook op de architectonische schoonheid van de koloniale spoorwegstations, daar verschijnen boeken over: “Dat zegt toch wel iets?” Dooddoeners hebben hun nut.

Tweede tip. De ja-maar-methode. Die is geschikt wanneer het debat over de dekolonisatie-oorlogen gaat. Dat heb je tegenwoordig snel, want het historisch geheugen van de gemiddelde Nederlander is klein, daar past niet zoveel kennis in. Iedere zin die u zegt begint met: Ja, maar. Ja, maar de Bersiap, ja, maar de doden aan Nederlandse zijde, ja, maar de Buitenkampers, ja, maar weet je wel dat het aantal doden nog veel hoger is dan tot dusver wordt aangenomen? Nooit het samen eens worden dat oorlog per definitie een lelijk ding is.

De derde tip komt zo dadelijk.

Heutszerdam

Even een tussenstukje met leuke weetjes. Amsterdam is Heutszerdam. Nadat Van Heutsz uit Indië terugkeerde, besloot hij om nou eens niet in Den Haag te gaan wonen zoals de meeste GG’s deden, maar in Amsterdam. Jarenlang woonde hij er heerlijk en ontving hij er zijn vrienden en zakenrelaties. Hij hielp mee het Tropeninstituut op te richten. Hij kreeg er in 1924 een glorieuze staatsbegrafenis, dus op kosten van Nederland, en tout Amsterdam liep uit, wat dacht u. Op de NieuweOoster is, voor wie wil, zijn graf te bezoeken, het is een enorm mausoleum, kunt u niet missen. Na wat andere monumenten voor de man werd in 1935 helemaal speciaal voor Van Heutsz het toen grootste monument van Nederland onthuld, aan het Olympiaplein. Tegenwoordig is de buurt er zenuwachtig over, al heeft het monument een andere naam gekregen. Ja, je kunt nooit weten, een handgranaat heb je zo. Een paar jaar geleden was er opeens een manifestatie, dat is onrustig.

Onderzoek

Nu komt de derde tip. Daarmee maakt u geen vrienden, dat zeg ik er volledigheidshalve bij. Uw gesprekspartner zal inmiddels heel warm gedraaid zijn en beginnen over uitbuiting en slavernij, en misbruik en misdaad. Hier heeft u het nieuwste taboe en dat is, dat er geen enkel positief woordje meer gezegd mag worden over de koloniale tijd. U heeft de spoorwegen al genoemd. Kan niet nog een keer. Dus wat doet u? Op rustige toon zegt u te verlangen naar een groot onderzoek dat de gehele koloniale periode moet omvatten, daarna leunt u voorover en u zegt met nadruk: “Dus óók de positieve aspecten.”

Kaboem!

Vilan van de Loo

Tijdens het schrijven luister ik graag naar het album One-Trick Pony van Paul Simon (dat heb ik gemeen met Michel Houellebecq). Ik ben Feyenoordsupporter. ’s Nachts droom ik van een man die in een kelder achter mij staat met zijn broek afgestroopt tot op zijn enkels. Er zijn kortom wel een paar dingetjes misgegaan in mijn jeugd. Ik ben geboren en opgegroeid in de Rembrandtstraat in de Schilderswijk in Den Haag. Mijn vader was een op medische gronden afgekeurde groenteboer die met behoud van uitkering een illegaal denksportcafé (dammen en klaverjassen) uitbaatte in de voormalige groentewinkel. Kon ik niet slapen, dan kreeg ik van mijn moeder een literfles cola mee zodat ik die in bed fijn leeg kon drinken. Nadat mijn vader was gestorven, meldde zich op de dag van de begrafenis al óp de begraafplaats een man bij me die zei dat hij vierduizend euro van mijn vader kreeg. Nu ontving hij die graag van mij, deelde hij me mee. Hoe gingen we dit zo snel mogelijk oplossen?

Er kwamen die dag nog enkele schuldeisers naar me toe. Ik herkende ze aan de tatoeages, de schakelarmbanden en de bakkebaarden. Mijn vader bleek geen begrafenisverzekering te hebben afgesloten; die kosten kwamen erbij. Mijn erfenis bestond al met al uit een negatief bedrag van enkele tienduizenden euro’s. We hebben het hier vanzelfsprekend over zwart geld – het was niet de bedoeling dat we er met z’n allen op de een of andere manier legaal uit zouden komen. Of dat ik zou betwijfelen dat mijn vader die bedragen inderdaad schuldig was aan deze lui. Er meldden zich ook mannen die het voor mijn vader en mij opnamen en die wel iets konden regelen voor me. Ze zeiden dat we ook andere wegen konden bewandelen dan gewoon maar te betalen. Die vroegen veel minder geld aan mij. Ze waren goedkoper. Moet ik nog iets vertellen over mijn jeugd?

Inmiddels is de begrafenis van mijn vader een paar jaren geleden en ik vertel over de dag dat ik een wc in een keurig restaurant in Amsterdam-Oost verliet. Ik dacht eraan hoe vervelend ik mannen als Jan Terlouw, Adriaan van Dis en uitgever Joost Nijsen vond. En nog steeds vind, moet ik zeggen. Dat heb ik aan mijn jeugd te danken: ik kan niet tegen achterbaks gedrag. Authenticiteit wordt op prijs gesteld. De genoemde ‘heren’ zijn drie mannen die het enorm achter hun ellebogen hebben. Ze zeggen dit, maar ze doen dat. En iedereen trapt erin. Ik stond een keer met Joost Nijsen te praten met een jonge vrouw. Ze was een van de organisatoren van een literaire bijeenkomst waar zowel Joost Nijsen als ik een praatje moest houden. We hadden het met de vrouw over hoelang we iets moesten zeggen en wie er na wie sprak; dat soort zaken. De vrouw liep na ons gesprek weg, tevreden dat ze alles had geregeld. Joost wendde zich tot mij en zei: ‘Kleine tietjes, maar geile tietjes.’ Dat niveau. Zelfs de mannen uit mijn jeugd zeiden dat soort dingen niet, waren niet zo schijnheilig. Die knepen de kat wel, maar niet in het donker. Die schoten die dieren voor iedereen zichtbaar dood als ze daar zin in hadden. Het is mijn woord tegen Joost, maar er zullen wel meer mensen zijn die dergelijke ervaringen met hem hebben.

Maar het geval Joost staat niet op zichzelf. De hele Nederlandse literatuur is vergeven van deze verderfelijke mentaliteit. Jan Terlouw die Griet Op de Beeck tijdens een etentje schalks op schoot trekt. Griet die aan het kirren slaat. Jan Terlouw die parkeerwachters schoffeert. Met die dure auto van hem. Ik was die parkeerwachter. Of dat dacht hij. Toen bleek dat ik net als hij te gast was in de radiostudio die boven de parkeergarage zat, begon hij met me te slijmen. Adriaan van Dis die mensen te lijf gaat omdat ze die boeken van hem niet goed vinden. Adriaan van Dis die een literaire prijs wint. En nóg een literaire prijs. En nog één. Waarom? Zijn de echte schrijvers op? Of mogen die niet meedoen? Mag je tegenwoordig alleen meedoen als je bekend bent van de tv?

Ik was gevraagd om in een literaire jury plaats te nemen, vandaar dat ik me in dat restaurant bevond. En misschien dat ik daarom aan Terlouw, Van Dis en Nijsen dacht. Ik vroeg me af wat deze mensen met literatuur te maken hadden. Je kwam ze tegen op het Boekenbal, er werd hun gezag toegekend, ze werden opgevoerd als mensen die veel deden voor de leesbevordering van ándere mensen. Ze brachten arme debielen aan het lezen, mensen uit achterstandswijken, mensen zoals ik vroeger. Ze werkten samen met de CPNB. Dat was een stichting die ook mensen aan het lezen bracht. Niet met moeilijke boeken, maar met toegankelijke boeken. Maar die toegankelijke boeken waren evenzogoed voortreffelijk, hield de CPNB ons voor. Murat Isik en Jan Siebelink, dat waren ook schrijvers, zo deelde de CPNB mee in persberichten. Echt wel! Iedereen begreep hun boeken. Die gingen over opgroeien in de Bijlmer of in een christelijk gezin. Waarom was ik ooit gaan lezen? En nu ik las, waarom moest ik dan opeens Murat Isik gaan lezen? Dat was een mislukte Charles Dickens. Dickens las ik al op mijn twaalfde. Ik kon beter Dickens blijven lezen. Waarom moest iemand die troep van Isik lezen? Of wie had je allemaal nog meer? Tommy Wieringa. Pieter Waterdrinker.

Ik liep naar mijn mede-juryleden toe. Die hadden het over Arnon Grunberg. Of beter gezegd, ik hoorde ze de hele tijd ‘Arnon’ zeggen. ‘Arnon’ dit en ‘Arnon’ dat. Stuk voor stuk kenden ze Arnon persoonlijk. Arnon stuurde mailtjes naar hen; Arnon hield van hen. Arnon deed niet eens mee aan deze prijs! Het was een prijs die zou worden toegekend aan de beste amateurverhalenschrijver van Amsterdam-Oost. Maar ik had de indruk dat mijn mede-juryleden het oneerlijk vonden dat de prijs niet naar Arnon kon gaan. De Nederlandse literatuur en alles wat ermee te maken heeft, is een compleet gekkenhuis. Ik ben blij dat ik er in Propria Cures verslag van heb mogen doen.

AS

Onder de titel Mijn strijd verscheen onlangs de nieuwe vertaling van Mein Kampf (genomineerd voor de Nazi-Literatuurprijs 1926) in het Nederlands. Lange tijd was dit spraakmakende debuut van Adolf Hitler in ons land verboden, maar sinds 2016 zijn de rechten vrijgegeven. Uitgever Mai Spijkers over het belang van zijn nieuwe aanwinst en over hoe hij de concurrentie aftroefde in het confisqueren daarvan.

Mai Spijkers (Goirle, 10 april 1955) werd geboren als Mai Snickelgroeier, maar hij liet zijn achternaam – om begrijpelijke redenen – reeds op jonge leeftijd veranderen. In 1989 startte hij in een krap bemeten kelder in Amsterdam zijn eigen uitgeverij en sindsdien verovert hij in talrijke landen de boekenmarkt.

We worden hartelijk ontvangen in zijn ‘Promethuis’, zoals Spijkers’ vorstelijke vakantienestje op een bergtop in het zuiden van Duitsland heet. Het is een plek waar hij naar eigen zeggen “lebensraum vindt” en waar geregeld goede vrienden en vakbroeders over de vloer komen. De succesvolle uitgever laat zich tijdens ons bezoek vergezellen door een vrouwelijke publiciteitsmedewerker en aan zijn voeten ligt een vrolijk kwispelende herdershond, die voortdurend nederig aan zijn schoenen likt.

Wanneer vernam U voor het eerst dat de rechten werden vrijgegeven?

‘Ik was in Engeland en luisterde naar een bericht op de Nederlandse radio. Op zo’n moment leert de geschiedenis dat je onmiddellijk in actie moet komen. Dat je de concurrentie als het ware met een Blitzkrieg moet overrompelen. Ik vloog nog diezelfde dag naar Duitsland, waar we op een mooie vergaderlocatie aan een meer in slechts twee uur onderhandelen met alle betrokkenen tot een finale oplossing kwamen.’

Mai Spijkers neemt ons mee naar het balkon van zijn villa. Onder het genot van een apfelstrudel met slagroom smullen we van het uitzicht. ‘Mano, afgelopen nu!’ beveelt hij de hond die zich direct weer likkend op zijn schoenen stort als we gaan zitten. ‘Geen snugger beest,’ fluistert Spijkers ons toe, ‘maar we hebben hem jaren geleden bij zijn familie weggeplukt, toen we er een nodig hadden, en nu zitten we ermee.’

Terug naar uw boek. Het omslag is sober en bruin als een oud hemd. Vindt u dit geen gemiste kans?

‘Kijk, ik had natuurlijk dolgraag een portret van de auteur op de achterflap gezet, maar dat bleek helaas verboden. Ook een swastika, commercieel gezien toch een symbool met een bewezen aantrekkingskracht, is nog altijd onwettig. Ik denk dat we in ons kikkerlandje nog niet klaar zijn voor het Gesundes Volksempfinden.’

Er zit natuurlijk wel een reden achter, waarom dat verboden is.

‘Dat zal best an sich, maar als men de rechten op het boek vrijgeeft, dan zeg ik: maak het dan meteen in zijn geheel salonfähig. Op deze manier loop je een uitgever namelijk behoorlijk voor de voeten. Stel je toch eens voor dat ik Vijftig Tinten1 zou uitgeven maar de anaalballetjes niet mochten worden verkocht. Een onwerkbare situatie voor onze merchandise-afdeling.’ Zijn publiciteitsdame schiet hem bij:  ‘Briljante ideeën als een Hitlermok of een SSleutelhangertje konden inderdaad na de eerste brainstorm gelijk in de prullenbak.’

Spijkers lijkt zich plots iets te binnen te schieten: ‘O, kun jij trouwens nog even achter die auto aangaan?’ Al bellende verlaat zijn medewerker het balkon.

‘Je ziet, het werk gaat zelfs in het Promethuis gewoon door,’ zegt Spijkers. Om daarna ambitieus te vervolgen: ‘Toen ik las dat die Buwalda voor zijn boekpromotie met een reclameauto het land intrekt, dacht ik: misschien kunnen wij de komende maanden met een Mercedes 770K Grosser Offener Tourenwagen2 door Nederland gaan. Beter goed gejat dan slecht bedacht, denk ik dan.’

Daar heeft u gelijk in, en dat brengt ons gelijk weer bij uw vertaling. Mijn strijd ligt nu enkele weken opgestapeld tussen de bestsellers in de boekwinkels. Wat vindt u van de kritiek dat het een slecht idee is om de uitgave zo makkelijk beschikbaar te stellen?

‘Ik vind het als uitgever en boekenliefhebber belangrijk dat in een tijd waarin het rechtsextremisme overal in Europa opbloeit, er een handboek voor de doelgroep in de winkels ligt. De bekende kwestie van vraag en aanbod. Voor mezelf is het daarnaast een grote aha-erlebnis, want zo ging het destijds ook bij Vijftig Tinten3. Er was een enorme behoefte aan een boek dat ons uit de seksuele dip haalde, en zoiets is natuurlijk ook op het sluimerende fascisme van toepassing. En om dat laatste in het perspectief van onze tijd te zien, hebben we wat verklarende inleidingen aan het boek toegevoegd4.’

Maar volgens critici bladeren nieuwsgierige en onervaren lezers deze inleidingen snel door. Men wil meteen naar de sensatie, naar de woorden van Hitler, zoals men ook bij het kijken naar een seksfilm het kennismakingsgesprek met de loodgieter overslaat. Het ontbreken van voetnoten als zorgvuldige duiding zien velen als een historische vergissing.

‘Daar gaan we weer. Zoals ik in een televisie-interview al stelde5 kunnen lezers die het boek serieus willen begrijpen de Duitse vertaling6 met al die minuscule rotlettertjes raadplegen. Voor de liefhebber staan er 3700 in. Je moet er maar zin in hebben, denk ik dan. Voor mij leiden voetnoten alleen maar af van de gedachte van het centrale verhaal. Ik streef naar bladzuiverheid.’

Heeft u nog andere namen overwogen dan Mijn strijd?

(lachend) ‘Mein Bankrekening kon binnen de uitgeverij op aardig wat stemmen rekenen. Die zouden we dan op het omslag communiceren zodat de lezer meteen wist waar de opbrengst naartoe zou gaan.’

Het boek kost vijftig euro7– vanwaar die hoge prijs?

‘Ja, we waren eerst van plan om het bedrag tussen de veertig – vijfenveertig euro te houden, dat vond de publiciteitsafdeling ook wel geestig, maar die extra euro’s bleek ik toch nodig te hebben om mijn nieuwste project vorm te gaan geven…’

En dat is?

‘Ik kan en wil daar helaas nog niet al te veel over zeggen, maar ik heb altijd al een droom gehad om een groot vakantieparadijs aan de Noordzee te bouwen.’

Heeft U tot slot zelf eigenlijk iets met Hitler of die periode uit onze geschiedenis?

Misschien alleen dat ik op 10 april8 ben geboren. We hebben nog gekeken of we daar iets mee konden in de promotie, maar het was natuurlijk pas echt kassa geweest als ik tien dagen later9 ter wereld was gekomen… (lachend)… Dan hadden we het Mai Kampf genoemd!

Eva de Bruin en Gaston Kamerling


Grijs

2 De auto van Hitler, ook wel bekend als de Führerbumper

3 Grijs

4 Historicus Willem Melching heeft de hoofdstukken van inleidingen voorzien

5 Bij Nieuwsuur, Uitzending 4-9-2018

6 Wetenschappelijke vertaling verschenen in 2016

7 Het boek kost 49,99 om precies te zijn

8 De dag dat de Oostenrijkers met een overgrote meerderheid goedkeuring gaven aan de Anschluss.

9 Op 20 april werd auteur Adolf Hitler geboren, verantwoordelijk voor de moord op 6 miljoen joden. De vertaling van Spijkers staat momenteel op plek 3 in de Bestsellerlijst.

En opeens vroeg ik me af waarom ik eigenlijk was gaan lezen, alles eraan stond me plotseling tegen. Het had in mijn geval ook niet gehoeven, ik groeide op in een gezin waar het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder zeer laag stond aangeschreven. Het werd aangemoedigd om níét te lezen. Het enige boek dat weleens werd opengeslagen was de bijbel, een van de slechtst geschreven boeken die ik ken.

Ik was de enige in mijn omgeving die op een kwade dag écht aan het lezen sloeg. Waarom? Voor mij was lezen niet een manier om mijn leven te verrijken, of om me beter te kunnen inleven in anderen, of om dingen te weten te komen, of om een beter taalgevoel te ontwikkelen, daar had ik nog allemaal niet van gehoord, die onzin zouden ze me later proberen wijs te maken, nee, aan mijn lezen lag geen enkele positieve beweegreden ten grondslag: het was een vorm van escapisme, een ordinair vluchten uit het leven dat me dreigde te overspoelen. De oliedomme zomergast Pieter Waterdrinker schijnt in dat oliedomme programma Zomergasten te hebben gezegd dat tussen de kaften van een boek het volledige bestaan zit, rare beeldspraak, maar dat is wat er precies níét zit. Tussen de kaften van een boek wordt áls er al iets gebeurt het volledige bestaan doodgedrukt (of een mug). Dat was precies wat me zo in boeken aansprak. De volledige zinloosheid ervan. Het negatieve. De duisternis. Welcome to the dark side.

Na het lezen van een paar boeken was ik volkomen vervreemd van de mensen – mijn vader, mijn moeder, mijn zussen, mijn ooms en tantes – die me omringden. Ik begreep hen niet meer en zij begrepen mij niet meer. Zíj stonden volop in het leven; ik bewoog me er zo’n beetje naast. Zij déden de hele dag gewoon wat ze moesten doen, ik dacht de hele tijd bij alles wat ik deed na. En niet bepaald op een opbouwende manier. Het lezen van romans zorgt ervoor dat je een volkomen paranoïde wereldbeeld ontwikkelt. In literaire fictie staat iedereen elkaar de hele dag naar het leven, zijn complotten de norm, graaft elk personage eindeloos in zijn of haar verleden totdat niets meer daarover vaststaat behalve dat men in zijn of haar jeugd misbruikt blijkt te zijn én in literaire fictie heeft letterlijk elk personage een geestelijke afwijking, een complex, een klap van de molen en dientengevolge een visie op de wereld die niets met de werkelijkheid te maken heeft.

Over literaire fictie wordt gezegd dat ze je ogen opent, maar ze sluit die juist. Literatuur is slecht voor je. Een boek is geen vitaminepil, zoals leesbevorderingsfanaten je proberen wijs te maken, een pil die goed voor je zou zijn, iets gezonds, iets waar je een beter mens van wordt. Dat is lezen dus niet. Het is gif dat in hoog tempo je zenuwstelsel aantast, wegvreet en vernietigt. Je bevindt je binnen de kortste keren nadat je bent gaan lezen in de diepste ellende. Vanaf het moment dat je begint met het lezen van literaire fictie, sta je er alleen voor. Ja, je hebt je ‘papieren vriendjes’, de personages, maar aan die lui heb je niets, ze bestaan niet, bovendien zijn ze allemaal gek.

Het lijkt er misschien op dat je zodra je een roman of verhalenbundel openslaat toetreedt tot een heerlijke gemeenschap van lezers, en in zekere zin is dat ook zo, er bestáát een gemeenschap van lezers, maar al snel ontdek je dat die gemeenschap niet zo heerlijk is, maar uitsluitend uit idioten bestaat. Het schijnt moeilijk te zijn voor lezers om niet een soort religieus gedrag te vertonen. Zíj lezen en ze willen ook dat anderen lezen. Ze hebben een missie, ze verrichten zendingswerk. En als je al een lezer bént, dan willen ze dat je hetzelfde leest als zij lezen. Ze raden je boeken aan, ze dringen je boeken op, ze proberen je boeken in je handen te proppen. Het zijn altijd slechte boeken, zeker als het een boekhandelaar is die je adviseert. Luister nooit naar je plaatselijke boekhandelaar, lees die domme kaartjes met aanbevelingen niet die ze op boeken leggen, negeer hun top tienen, kom liever helemaal niet in een boekhandel zolang daar nog levend personeel rondloopt. Nog nooit heeft iemand me een boekentip gegeven waar ik wat aan had. Ze staan voor je neus en zeggen dat je De acht bergen van Paolo Cognetti moet lezen of De heilige Rita van Tommy Wieringa. Openingszin: ‘Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.’ Het ene boek is nog verschrikkelijker dan het andere. Het lezen van een roman is als naast Paul Krüzen staan die een bijl boven zijn hoofd heft. Tweede zin: ‘De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar.’ En dat alleen maar door het heffen van de bijl! Literatuur in Nederland, dat zijn Pieter Waterdrinker en Tommy Wieringa. Wil je over de grens lezen, dan krijg je Italiaanse kitsch aangesmeerd.

Geld verdienen, aantrekkelijk, gezond en populair zijn, een gelukkig en liefdevol gezinsleven hebben – ik heb het allemaal opgegeven voor lezen. In Nederland is er zelfs een stichting die lezen propageert: de CPNB. In een van haar uitingen schrijft deze stichting dat lezen ‘immers’ (let op dat immers) leidt ‘tot meer begrip voor de ander en daarmee tot een hechtere samenleving’. Hoe onwaar is dat! In The Solitary Vice (een boek tegen lezen) merkt Mikita Brottman op: ‘Hitler was a great reader, after all, and so was the Unabomber.’ Mijn advies: denk goed na alvorens je lid wordt van een leesclubje. Je begeeft je al snel tussen onfrisse types. De lezer draagt door zijn asociale gedrag per definitie een ongewenst steentje bij aan de ondergang van de wereld. Lezen haalt de innerlijke Hitler in je naar boven. Volgende keer schrijf ik iets over mijn favoriete boeken.

AS

Liever schrijven dan lezen? Doe mee aan de KOLOMKOMPETITIE.

Archief