Er valt iets voor te zeggen dat schrijvers zijn gaan schrijven omdat ze niet zo goed kunnen praten. In de praktijk valt dat wel mee – veel schrijvers kunnen heus wel een mop of een anekdote vertellen – en dat is misschien de reden dat veel lezers denken dat schrijvers die goed kunnen praten de beste schrijvers zijn. Vervolgens menen ze dat de lezers die naar die pratende schrijvers luisteren de beste lezers zijn en prompt gaan ze naar optredens van schrijvers in bijvoorbeeld boekhandels, bibliotheken en kleine of grotere theaterzalen. Wie of wat wordt het slachtoffer van deze hele onzinnige constructie? Het boek. Dat is in feite niet meer nodig, maar de naar de pratende schrijvers luisterende lezers kopen het vaak nog wel – met een handtekening en zelfs een persoonlijke opdracht van de schrijver erin, even een persoonlijk contactmoment – en het blijft een leuk hebbedingetje, zo’n boek.

Op deze manier raakt wel steeds verder uit zicht wat literatuur is of zou kunnen zijn. Wanneer een schrijver praat, zegt hij meestal dingen waar zijn publiek het mee eens is. Die mensen zitten er immers bij, en je bent schrijver, je wilt niet met ze op de vuist. Bovendien heb je iets te verkopen. De praktijk heeft uitgewezen dat de schrijver die tijdens zo’n optreden de meeste stoplappen te berde brengt, het succesvolst is. Kan de schrijver goed acteren, dan zit hij of zij helemaal geramd. Dit heeft de weg geopend voor types als Adriaan van Dis en Annejet van der Zijl en Ilja Leonard Pfeijffer. Met treffend gebrachte meningen over kolonialisme, ontsnappen in de wereld van een boek omdat het echte leven te hard voor ze is en de nadelen van massatoerisme weten ze enorm te scoren. Ook hebben ze een act: het zijn nette types die ook wel iets leuk geks hebben.

Met dat gekke kun je trouwens rustig een beetje overdrijven: een traan in de ooghoek van de oudere man, of zelfs een complete huilbui met hysterisch snikken (J.M.A. of Maarten Biesheuvel, ik vergeet altijd van welke auteursnaam hij nu weer gebruikmaakt, Kees van Kooten) – ze gooien het er gewoon in (of uit). Ik denk dat ik zojuist met Kees van Kooten wel de irritantste pratende ‘schrijver’ heb genoemd. Daar krijg je gratis een heel pakket maniertjes, stemmetjes, mal voorlezen, voordragen uit je hoofd en slechte smaak bij. Ik heb trouwens ook nooit van Van Kooten en De Bie gehouden, maar dit onder ons: wat was dat toch altijd kleinburgerlijke shit. (Later heb ik Wim de Bie een beetje leren kennen; dat is een erg aardige man, dat wil ik even gezegd hebben.)

Ik merk dat ik het alleen maar over oude mensen heb, en dat is nog iets wat opvalt: de pratende schrijver is vaak oud, dan wordt hij leuk gevonden. Er wordt de oudere schrijver wijsheid toegedicht. Dit heeft te maken met al die clichés die eruit komen. Die herkent iedereen, of zoiets had men zelf ook al wel bedacht, en wat je zélf bedenkt, moet wel intelligent zijn, nietwaar? Het is niet de bedoeling dat de pratende schrijver iets zegt waar je van opkijkt. Ze bewandelen allen hetzelfde uitgesleten pad.

Voor de duidelijkheid: alle namen die tot nu toe in dit stuk zijn gevallen zijn namen van slechte schrijvers. Of nog duidelijker: er zit geen enkele goede schrijver tussen. Nee, ook niet een beetje goed. Over smaak valt wel degelijk te twisten, natuurlijk, maar het zijn stuk voor stuk schrijvers die dingen opschrijven die iedereen allang weet, die niets vernieuwends doen met de vorm, die niet als een intieme vriend iets in je oor fluisteren, die geen spannend verhaal vertellen, die niet de literatuur een stap vooruit helpen – samengevat: hebben we het over schrijven, écht schrijven, dan kunnen deze lui er allemaal geen klote van, het zijn oplichters. (Pff… dat is eruit.) Hun schrijven voegt niets toe aan wat ze overal al tegen het ‘publiek’ zitten te kleppen – het enige voordeel van als je ze leest, is dat je die bloedirritante koppen niet ziet. Behalve natuurlijk als je het boek omdraait. Ze staan trouwens tegenwoordig vaak ook al op de voorkant afgebeeld, dat is bijvoorbeeld het geval bij de meest oubollige reeks die op het moment wordt uitgegeven: Gedundrukt door Van Oorschot, met al die nostalgische nepauteurs, maar daarover een andere keer meer. Goed, het is nóg een reden om het maar helemaal nooit meer te doen, die onzin lezen, omdat je dan die koppen op de voor- of achterkant ook krijgt.

De kletsmajoorschrijvers zijn ook anders zodra er geen publiek bij is. Soms bezoek ik zo’n avondje waar ze optreden. Een tijdje terug was ik toeschouwer in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Onder de titel De Indië Monologen was daar een theateravond. Ik heb zelf een Indisch verleden (ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag) en mijn goede vriend Gustaaf Peek trad op. Hij vertelde dat hij zich ’s middags tijdens de repetitie liet ontvallen dat ik zou komen kijken. Adriaan van Dis, die eveneens een monoloog zou afsteken (ik heb hem gezien: stemmetjes, suffe anekdotes, old school racisme – we werden weer op het hele pakket getrakteerd), stak daarop de stok die hij bij zich had (hij is oud, hè) recht voor zich uit alsof het een mitrailleur was, maakte geluiden alsof hij het wapen afschoot en zei: ‘Kijk, dát doen we met Arie Storm!’ Het schuim dat rond zijn lippen was verschenen, liet er geen twijfel over bestaan: hier was een man in actie gekomen die zich tot zijn laatste snik tegen het vrije woord zal verzetten.

AS

Geen kunstvorm die de mensheid heeft bedacht wordt niet ook in België beoefend. Belgen schreven grote romans en zongen het levenslied. Al lang voordat het postmodernisme aansloeg in de architectuur had de belabberde ruimtelijke ordening in Belgische steden resultaten geboekt waar Rem Koolhaas alleen jaloers op kan zijn. Ook aforismen worden niet slechts geschreven door Britse dandy’s of Franse filosofen. Zo was het de Vlaamse Karel Jonckheere die het genre omschreef als de ‘kortste bewering die aan het langste eind wil trekken.’ Als er één Belg is die dat tegenwoordig laat zien, is het Rik Torfs.

Tot enkele jaren geleden was Torfs, hoogleraar kerkelijk recht, rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Na verkiezingen onder personeel en studenten werd hij in 2013, door een meerderheid te behalen bij die tweede groep, verkozen. Ik begrijp niet dat daar door minder democratisch aan de macht gekomen universiteitsbestuurders nauwelijks gebruik van is gemaakt. Niet alleen omdat Torfs eruitziet als een morsige priester. Het beste argument tegen democratisering van het hoger onderwijs is vijf minuten aforismen van Rik Torfs te lezen.

Torfs’ leven is één lange poging zoveel mogelijk citeerbare uitspraken te doen. Zo nu en dan schrijft hij ook langere teksten, maar het liefst overstelpt hij het internet met puntige spreuken. Waarschijnlijk houdt hij niet op totdat hij voor elke denkbare halfbakken scriptie een motto heeft geleverd; voor iedere mogelijke rouwkaart of bruiloftsuitnodiging prêt-à-citer content heeft gecreëerd.

Al Torfs’ aforismen catalogiseren is een vrijwel onmogelijke taak. Toch zou ik ze, grofweg, in drie categorieën in willen delen. Allereerst zijn er de simpele soundbites. Dat zijn slagzinnen als ‘Radijsjes en bloemkolen in dezelfde dipsaus. Komt dat ooit goed?’ Binnen deze groep is er de subcategorie van banaliteiten die zich onderscheiden door hun onvervalste Vlaamsheid. Daarbinnen vallen bijvoorbeeld het wegdromen in de pauze tijdens een concert van de fanfare – ‘prachtig moment waarop schijnbaar niets gebeurt’ – of formulaire sportjournalistiek: ‘De winnaar van de Ronde van Vlaanderen is elk jaar weer het prachtige landschap.’

Naast deze spielerei zijn er Torfs’ meer prangend en politiek bedoelde wijsheden. Die krijgen het eveneens vaak voor elkaar een gemeenplaats uit te spreken, en zijn daarnaast meestal ook nog eens aantoonbaar onwaar. De volgende, bijvoorbeeld: ‘Wat waarheid is, heeft geen geweld nodig. Wie een aanslag pleegt, bewijst zijn eigen ongelijk.’

Oscar Wilde, die al even citaatgeil was als Rik Torfs, schreef ooit iets vergelijkbaars: ‘Iets is niet per se waar omdat iemand is gestorven om het te realiseren.’ Ook een open deur, maar in ieder geval wel juist. Torfs, die graag de indruk probeert te wekken over diepe bronnen van onvermoede nuance te beschikken, wil hier stiekem toch stelliger zijn dan Wilde. Zo wordt hij meteen door een ellenlange geschiedenis van gerechtvaardigd geweld tegengesproken.

Een goed aforisme werkt hetzelfde als een goede beschuldiging van seksueel wangedrag: het hoeft niet onweerlegbaar te zijn, maar moet wel zo overkomen. Rik Torfs doet het tegenovergestelde. Wanneer Torfs claimt dat wie een aanslag pleegt zijn eigen ongelijk bewijst, doet dat mij het zelfmoordterrorisme van Jan van Speijk – die overigens ook heel spitsvondig kon zijn – alleen maar meer waarderen. Als zijn landgenoten enigszins op Torfs lijken zou ik ook liever de lucht in gaan dan een infame Brabander worden.

Niet alleen van geweld heeft Torfs een afkeer. Iedere vorm van emotionele betrokkenheid gaat hem in feite te ver: ‘Hoe kun je in een discussie gelijk hebben en toch boos worden? Is het dan zo erg om gelijk te hebben?’ Wie mijn beledigingen aan Torfs’ adres als woede wil interpreteren ziet dat hij ook hier weer onzin uitkraamt. Overigens zou ook Torfs daar, als hij zijn eigen beknopte bullen volgt, geen problemen mee moeten hebben: ‘Cynisme is zoals een pakje sigaretten. Wie eraan verslaafd is, moet je het gunnen.’

Die opmerking leidt me naar de derde categorie; de meest filosofische. Een onoplettende lezer zou in de uitspraken die tot deze soort behoren per ongeluk iets gevats of diepzinnigs kunnen menen te herkennen. In deze laatste groep benadert Torfs de vorm van het sterke citaat namelijk het dichtst. Het is helaas de inhoud die achterblijft. Veel pakkende aforismen klinken paradoxaal. Veel achterlijke prietpraat ook. De grens tussen vaagheden en intelligente observaties is alleen helemaal niet zo ondefinieerbaar als sommige onbenullen denken. Tussen de twee ligt een uitgestrekt niemandsland, en Rik Torfs weet het nooit over te steken. Ter illustratie de volgende uitspraak: ‘Het is nooit te laat. Anders konden we dat niet meer zeggen.’

Eigenlijk zou ik niet eens voorbeelden op willen noemen van de oneindige scenario’s die dit statement absurd maken. Terwijl u het las moet u er zelf al drie of vier bedacht hebben. Om toch snel een rijtje af te werken: het is al ongeveer vijfhonderd jaar lang behoorlijk te laat om de Reformatie te voorkomen, al zo’n honderdvijf jaar om de moord op Franz Ferdinand te verijdelen, en al zes jaar om het imago van de Leuvense universiteit te redden. Of ik dat kan zeggen of niet is daarbij van weinig belang.

Het enige nut van deze uitspraak lijkt dan ook de mogelijkheid tot flauwe grappen die hij Torfs’ studenten biedt na het verstrijken van een deadline. Daar houd ik het voor nu bij. Ik sluit graag af, want zo hoort dat, door een groot denker te citeren: ‘Schrijven is verslaving. Zelfs als je niets te melden hebt, ga je eindeloos verder op het ritme van dansende letters.’ Niks tegen in te brengen, Rik.

BN

Wat symboliseerde de afbrandende Notre-Dame volgens u?
A. De ondergang van het Europees christendom.
B. Toch vooral dat ene Lucebertcitaat. Hoe ging ie ook alweer?
C. De belabberde brandveiligheid van middeleeuwse houtconstructies.
D. Iets met de gele hesjes.

Onze duiding van uw antwoord:
A. U bent een kernachtig beelddenker, aangetrokken door duidelijke metaforen. Jammer dat u daarbij in dit geval dan toch uitkomt bij dat voorspelbare gezanek over secularisering.

B. U bent een gevoelsmens en een poëet, maar kunt u alstublieft niet bij iedere brand in een varkensflat H.M. van Randwijk van stal halen?

C. U ziet uzelf als rationeel en praktisch ingesteld. Uw vrienden denken daar anders over en vinden u vooral een voorspelbare zak met een bijzonder arm geestesleven.

D. U bent politiek betrokken. De actualiteit kent geen geheimen voor u. Probeert u ook een keer een mening te vormen die niet al twee weken geleden op een opiniepagina stond?

 

Ik bevond me in de wittebroodsweken van mijn redacteurschap. Kort ervoor had ik mijn intree mogen voorlezen en nu was ik, in het kielzog van mijn meerderen Dries Muus (DM) en Jurg van Ginkel (JvG), op weg naar Nieuw Amsterdam, onze uitgever, waar mijn oom de directeur was – maar dat had ik tegen niemand verteld. Ik wist niet zeker of het in mijn voordeel zou werken.

De mensen achter Nieuw Amsterdam hadden recentelijk huis gehouden in boekenland, verdeeldheid gezaaid door in de tijd van de baas een geheime onafhankelijkheidsstrijd te voeren, om uiteindelijk met een lading afvallige schrijvers het fonds van Nieuw Amsterdam te vormen, en dat allemaal mogelijk gemaakt door de frivool ogende, maar communistisch georiënteerde, Derk Sauer. Op de een of andere manier had PC het genoegen om door deze durfkapitalist uitgegeven te worden en waren we, zo leek het mij tenminste in die dagen, een welkome gast op de vernissages op de uitgeverij.

Terwijl we onze fietsen op slot zetten in een schaduwrijke straat in het Museumkwartier nam ik een tintelende fysieke vreugde waar. Het voorjaar van 2008 was aangebroken, de tijden dat ik als meeloper op zondagen werd gesommeerd het redactielokaal aan de Vendelstraat te stofzuigen waren voorbij, ik fietste naar een boekpresentatie met dezelfde nonchalance als ik mijn colleges Nederlandse Letterkunde bijwoonde, het leven moest nu toch wel begonnen zijn.

Bij de ingang stond Jaime Donata (JD) ons op te wachten, aan hem had ik een en ander te danken. Ik had de redactie het jaar daarvoor laten doorschemeren geïnteresseerd in ze te zijn, door mee te doen aan de zomerprijsvraag. Zoals met alles in mijn leven, eindigde ik na de winnaar en werd ik niet uitgenodigd voor een gesprek. Snel bleek ik wel door JD, afzwaaiend redacteur, te zijn uitverkoren af en toe bij hem langs te komen tijdens het avondeten op een brandgevaarlijke bovenwoning aan de Mauritskade, of een straat in het verlengde van die gure Mauritskade, daar wil ik van af zijn.

JD liet me daar door wat oude jaargangen van PC bladeren en gaf me dan subtiel college over mensen van wie ik nog nooit gehoord had, maar die er klaarblijkelijk toe deden in het leven van een serieuze PC-redacteur. Ik kan deze figuren niet reproduceren, want ik ben ze door de zenuwen vergeten. Ook vertelde hij op een van die avonden dat hij een diner aan het voorbereiden was voor oud-redacteuren, hij zou de favoriete gangen van Adolf Hitler voorzetten. Ik weet nog dat ik me afvroeg hoe hij wist wat Hitler graag at, ik had me nooit voor de privé-persoon Hitler geïnteresseerd, maar ik begreep dat dat vanaf nu noodzakelijk was.

De rest van de tijd op de zolder van JD was ik met name star struck. Ooit leek de redactie van PC me zo onbereikbaar, en opeens zat ik bij een van hen aan het avondmaal. Dat avondmaal was overigens meestal een stuk in de magnetron verhitte Franse kaas, een familieverpakking camembert of iets in die trant, op een bedje van doorgekookte groenten. Per persoon. Terwijl JD en ik dan ieder onze eigen camembert aten, droomde ik van een leven bij PC. Een jaar later was het zover, en stond ik met hem, JvG en DM in de deuropening van Nieuw Amsterdam, waar, nu ik er langer over nadenk geen boekpresentatie zou zijn, maar een feestje voor de auteurs van de uitgeverij. Voor ons, in feite.

Op een van de gangen van het monumentale pand stond Henk Spaan (HS). “Niet meteen kijken, maar Thomas Verbogt staat daar”, sprak hij me samenzweerderig toe. Ik wachtte tot wat HS daarna zou zeggen, maar er volgde niets. JD en DM hadden zich inmiddels naar de voor de gelegenheid geconstrueerde bar in de hoek van een ander vertrek begeven, dus zij konden de zin van HS ook niet verder voor me verduidelijken of nuanceren. JvG was ik inmiddels verloren aan de aanwezigheid van een andere vrouw, af en toe ving ik iets op met ‘dode baby’s’ en ‘oma’s. JvG was naast PC-redacteur ook regionaal journalist en stand up comedian. Voor dat laatstgenoemde ambt was het handig zijn grappen op onbekenden uit te proberen.

Ik stond er alleen voor op het feestje voor auteurs, zoveel was duidelijk. Er is in elf jaar veel veranderd, maar er alleen voor staan op feestjes is nog altijd even funest voor mijn zelfvertrouwen als toen.

Maar toen, toen kwam er een jongen op mij afgelopen. Hij had een reebruine oogopslag en glanzend haar. Hij zag er keurig uit, iets te keurig misschien, hij miste duidelijk iets eigentijds, maar hij stonk in ieder geval niet uit zijn mond, zoals de meeste mensen op auteursfeestjes. Hij vroeg wie ik was. Ik herinnerde me net op tijd dat ik niet niemand, maar redacteur van Propria Cures was en vertelde hem dat voorzichtig. PC is voor een ongeïnformeerde buitenstaander snel als rechts en conservatief op te vatten, daar maakte je ook destijds niet met iedereen vrienden mee.

Hij vertelde dat hij net bij zijn studenten vandaan kwam, dat hij aan het promoveren was. Dat hij rechten had gestudeerd en de week erop naar Parijs zou gaan, maar dat hij die middag speciaal naar de uitgeverij was gekomen om daar zijn vrienden van PC te ontmoeten. Hij was de huisvriend van PC, zei hij. Hij heette Thierry.

Een paar seconden vroeg ik mij af of ik deze huisvriend misschien moest inruilen voor mijn eigen vriend, een soapacteur met regie-ambities, maar ik was trouw die dagen.

“Ik ben de huisvriend van PC tegengekomen”, zei ik tegen DM of JD, toen ik een van hen weer tegen het lijf liep. “Hij is onze huisvriend niet”, snauwde een van hen toen terug. Ik moest nog veel leren, ik was er duidelijk nog lang niet.

Ik besloot maar te gaan, en liet op de weg naar de voordeur mijn oog langs de boekenkasten door het pand gaan. Ik hield stil bij een boek over Hitler. De führer stond op de kaft gevaarlijk afgebeeld, ik zou tijdens het lezen waarschijnlijk weer niets over de persoon, maar enkel over de politicus Hitler te weten komen. Als ik het al zou lezen.

Ik stak het boek toch maar in mijn binnenzak en zo kwam het dat ik die lentedag van 2008 een boek stal van onze uitgever, en zo van mijn oom, en ook een beetje van Derk Sauer, alleen maar om indruk te kunnen maken op mijn mederedacteuren. Ik wilde bewijzen dat ik bravoure had, en dat ik ook iets met Hitler had.

Bij mijn fiets kwam ik de huisvriend van PC weer tegen. Ik had bijna de sleutel in het slot gestoken toen hij mijn arm pakte. “Ik rijd richting Oost”, zei hij. “Rijd je met me mee?” “Ik woon in de Jordaan” zei ik. “Ik woon ook in de Jordaan”, zei hij. “Ik fiets mee.” Zijn wispelturigheid werkte blijkbaar aanstekelijk, want ik weet niet hoe ik anders kan verklaren dat ik toen zei: “Maar ik ben met de tram.”

Ik sprong in de eerste tram die naderde, lijn 2 die geen Jordaan zou aandoen. In mijn binnenzak voelde ik het onhandige formaat Hitler-boek tegen mijn ribben prikken. Alles was maar net goed gegaan, bedacht ik me met een naïeve glans in mijn ogen. Alles was maar net goed gegaan.

OK

Niets is mooier voor een filosoof dan het ongelijk van een voorganger bewijzen. Wat dat betreft is nieuwe Denker des Vaderlands Daan Roovers voortvarend van start gegaan. Al in haar eerste week haalde ze Plato onderuit. Die vond dat, in de ideale politieke inrichting, filosofen het voor het zeggen zouden hebben. Als Roovers iets heeft weten aan te tonen is het wel dat we daar beter niet aan kunnen beginnen.

Dat ze zulk filosofisch succes zou behalen moet ook voor Roovers zelf een verrassing zijn geweest. Aanvankelijk studeerde ze geen filosofie, maar medicijnen. ‘Ook zo’n typische meisjeskeuze,’ zegt ze daarover. ‘Als ik een jongen was geweest, was ik iets exacts gaan studeren.’ In hetzelfde interview waarin ze die uitspraak doet spreekt ze al snel ook over andere gevolgen van haar studiekeuze: ‘Van die medicijnenstudie heb ik achteraf trouwens geen spijt. De meeste filosofen zijn niet zo bèta. Als ik een exacte kwestie voor me krijg, denk ik: dat kan ik wel snappen.’ Blijkbaar wijkt de Rooversiaanse logica op dit punt behoorlijk af van de klassieke, en kan een enkele negatie zonder al te veel omhaal geëlimineerd worden om tot een ware propositie te komen. Jezelf tegenspreken, zou de leek het noemen.

Ondanks, of misschien juist dankzij haar nog niet volledig uitgewerkte paraconsistente logica, is Roovers nu dus Denker des Vaderlands. Een functie die, in haar eigen woorden, twee kanten kent. ‘Het algemene idee is dat ik filosofie een podium biedt, zodat het een groter publiek bereikt. Daarnaast word ik gebeld door media om mijn mening te geven over verschillende kwesties.’ Publieksfilosoof was Roovers al, onder andere als hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Met het eerste deel van haar nieuwe ambt zou ze dus uit de voeten moeten kunnen. Nu is het percentage zinvol denken bij publieksfilosofie in de regel even hoog als het alcoholpromillage van een pak sinaasappelsap, maar goed, ervaring bestaat ook zonder inhoud.

Door naar de tweede taak van een Denker des Vaderlands. Daar is Roovers duidelijk over. Ze gaat hem, heeft ze in een geniale ingeving bedacht, simpelweg níet uitvoeren. ‘Wat binnen een debat mijn eigen mening is, vind ik minder relevant,’ zegt ze daarover. ‘Waarom zou mijn mening interessanter zijn dan de jouwe?’ Daan Roovers heeft, mogen we concluderen, direct na haar aantreden haar taakomschrijving zo aangepast dat die plotseling precies datgene behelst dat ze eigenlijk sowieso al deed.

Het is ergens niet vreemd dat Roovers haar eigen mening liever niet op een voetstuk plaatst: een overtuigende of samenhangende opinie weet ze immers niet te produceren. Neem de argumentatie die ze aanvoert bij de beslissing om haar eigen werk te halveren. ‘Ik heb natuurlijk veel gelezen. Ik ken ook veel mensen in de filosofie. Maar alleen maar wijzen naar grote filosofen vind ik toch een beetje top-down.’

Die opmerking is in de eerste plaats komisch, wanneer u weet dat Roovers twee zinnen eerder zonder goede reden Hannah Arendt heeft aangehaald. Wat echter vooral duidelijk wordt is Roovers’ complete onvermogen om, na al dat lezen en mensen kennen, aan denken ook een keer conclusies te verbinden. Dat kennis tot het vormen van een onderbouwde mening kan leiden, of dat het, God beware, zelfs zinnig zou kunnen zijn die mening vervolgens te uiten, dat gaat er bij Roovers niet in. Ze lijkt daarentegen vooral te denken dat een studie filosofie mensen opleidt om stilletjes en met zo min mogelijk eigen inbreng de inspraakavonden in hun plaatselijke buurtcentrum voor te zitten.

Roovers’ grootste probleem is dan ook niet dat ze zichzelf om de haverklap tegenspreekt. Het is dat ze een in kwade trouw weggedoken schijtlijster is. Roovers is de vervelende student die als essay over de zin van het leven een leeg blaadje inlevert, en er dan blasé naast staat, verkondigend dat het leven welbeschouwd toch ook geen zin heeft. Daan Roovers is de partner die je een leeg pakje geeft voor je verjaardag, met de mededeling dat het toch haar liefde is die het grootste cadeau zou moeten zijn. Laffe gemakzucht die door moet gaan voor intelligentie of nuance. Leegte, vermomd als betekenis.

Zelfs in die lafheid weet deze PR-dame van de Nederlandse filosofie overigens nog een laatste contradictie aan te boren, en tegelijkertijd ook maar meteen de volslagen zinloosheid van publieksfilosofie duidelijk te maken. Er was de afgelopen honderd jaar één kort moment waarop enigszins serieuze wijsbegeerte een groot publiek wist te bereiken. Laat dat nu precies de periode zijn geweest waarin filosofen in hun engagement iets verder gingen dan het werktuiglijk reageren op telefoontjes van journalisten. De rouwstoet van Jean-Paul Sartre – over wie veel gezegd kan worden, maar niet dat hij zijn eigen meningen niet interessant vond – werd in 1980 door 50.000 mensen begeleid. Het zal mij benieuwen wanneer Daan Roovers en haar lege vel papier een stadion uitverkopen.

BN

 

Archief