Mensen die boeken lezen – romans, verhalenbundels, poëzie – komen vaak nogal vervelend over. Over het algemeen valt er geen zinnig gesprek met hen te voeren. Ze beginnen al spoedig te zwetsen over de boeken die ze hebben gelezen, vertellen het ‘verhaal’ (meestal helemaal verkeerd) na; al is het nóg erger wanneer ze zeggen dat je dit of dat boek moet lezen om de taal. Ze zeggen dan krankzinnige dingen als: ‘Het is de taal, de aandacht voor het woord, waardoor je deze roman verslindt.’ Mag iemand die dat zegt eigenlijk nog wel iets opmerken over de taal (‘de aandacht voor het woord’) van wat dan ook? Dit voorbeeld verzin ik niet, maar komt uit een recensie die een van de boekverkopers van Athenaeum Boekhandel schreef, de recensie staat op de site van de winkel. Daarna volgen – en dat is ook standaard – voorbeelden van die taal uit de juist hierom zo gewaardeerde roman. Het ene citaat is nog verschrikkelijker dan het andere. ‘Jij en ik herhaalden dezelfde woorden bijna dagelijks, als gebeden of bezweringen (ik hou van je, je bent zo mooi), zodat de taal die we hadden asymmetrisch sleet: net een standbeeld dat begint te glimmen waar het vaak wordt aangeraakt (het hoofd, de handen, de punt van de voet), terwijl het elders bedekt raakt met een donker patina.’

Dus iemand heeft een boek gelezen en begint daarover te vertellen – erover te ouwehoeren kun je beter zeggen – hij of zij raadt het je aan. Jíj moet dat boek lezen. Die persoon komt nauwelijks uit zijn woorden en ziet er doorgaans heel dom uit. Van het lezen van boeken krijg je blijkbaar een imbeciele uitdrukking op je gezicht. Hij of zij vertelt ook nog eens het verhaal verkeerd na en levert er citaten bij met rare woorden en chaotische metaforen, en die vertelt jóú dan dat je dat kutboek moet lezen. Waarom? Waarom zeggen ze dat tegen mij?

Ik was een keer op een receptie. Er ging een man tegenover me staan. Hij zei: ‘Jij bent recensent, hè?’ (Dat was ik toen nog, al noemde ik mezelf niet graag zo.) ‘Weet je wát je eens moet lezen? Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn. Ja, daar heb ik echt van genoten. Wat is lezen heerlijk!’ Ik had dat boek allang gelezen. Er is niks aan. Het is een slecht boek. Het is een boek dat raar in elkaar zit. Het is een ijdel boek. Ik heb me kapot verveeld. Kun je dat op zo’n moment zeggen tegen die man? Ik kwam in een boekhandel – nee, niet Athenaeum, een andere – en ik probeerde rustig naar de boeken te kijken. Probeer dat eens, rustig naar boeken kijken in een boekhandel! Maar goed. Opeens stond er een vrouw voor mijn neus. De boekverkoopster. Ze hield een boek omhoog. ‘Heb je dit al gelezen? Dit moet je eens proberen. Dat is zó mooi!’ Het was een boek van Auke Hulst. Ik had het al gelezen. Ik had het zelfs al in de krant besproken. Eén ster.

(Even tussendoor. Dat ‘mooi’ of ‘zó mooi’, dat is ook heel erg. Frans Kellendonk: ‘Toegepast op kunst is mooi een kwalijk woord. Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch. De beoordelaar die mooi zegt – “héél mooi” of “mooi”, met zuinige nadruk – laat blijken dat het kunstwerk hem van harte koud laat.’ Die laatste stap van Kellendonk klopt natuurlijk niet helemaal. Want de meeste mensen die het woord ‘mooi’ in de mond nemen menen het oprecht; ze worden ‘geraakt’ door de schoonheid van het boek. Wat het allemaal nog erger maakt. Het zijn dezelfde mensen die een boek ‘verslinden’ om de taal ervan, ‘de aandacht voor het woord’, ‘de punt van de voet’ van een standbeeld die gladder wordt als je die punt vaak aanraakt.)

Al met al heb ik moeite met het concept dat andere mensen boeken lezen. Dat ze dat doen, en de resultaten daarvan, vind ik weinig bemoedigend. Ze lezen die boeken, ze raden je die aan, en dat terwijl ze er heel dom uitzien. Kortom, ze zijn niet bijzonder opgeknapt van het lezen van een boek. Ze zijn door het proces van het lezen ervan heen gegaan, maar ze zijn er niet beter uit tevoorschijn gekomen. Misschien zagen ze er vóór het lezen van het boek ook al dom uit, maar ze hebben geen stappen vooruit gezet. Ze lezen misschien wel tientallen boeken per jaar, en dan staan ze nog met Auke Hulst voor je neus te zwaaien. Ze zéggen nooit iets zinnigs. En laat je zien dat Auke Hulst (of Stefan Hertmans of wie dan ook) niet kan schrijven – je slaat het boek open, je gaat het samen lezen, je wijst ze op belabberde passages – dan ontkennen ze alles gewoon. Ze blijven koppig zeggen dat het wél mooi is.

Kees van Kooten op tv. Hij ‘draagt’ zijn eigen werk ‘voor’. Er is een boekje verschenen. Ik heb het hier. Kees van Kooten, Sterk verdund. Ik blader erin. Het is verschrikkelijk. Melig. Stom. Lollig. Aanstellerig. Oubollig. Oppervlakkig. Slecht geschreven. Niet leuk. Het zal niet lang meer duren of iemand raadt het me aan. Of geeft het me cadeau. (Dan heb ik er twee.) Zegt daarbij iets over de taal. De aandacht voor het woord. Ja, zo wordt er niet meer geschreven, tegenwoordig. Nou, misschien door Stefan Hertmans. Of door Auke Hulst. Kees van Kooten. Hou nou toch op. In wat voor land leef ik precies?

AS

Doe mee aan de Kerstprijsvraag en win een bak mirre.

Een ingewikkelde meid

Op 4 maart 1986 maakte Richard Manuel zijn laatste restje cocaïne op, dronk hij het bodempje uit de fles Grand Marnier die hij nog had staan, en hing zichzelf op in een hotelbadkamer. Richard Manuel is mijn favoriete zanger. Toch moet hij volgens Babette Labeij, auteur van ZING!, in zijn muzikale leven iets fout hebben gedaan, net als Kurt Cobain, Phil Ochs, Herman Brood en Ian Curtis. Van zingen moet je namelijk, bevrijd raken, verlossing vinden en gelukkig worden. Muziek, dat is een pleister om je verdriet en problemen om te zetten in ‘kracht en positief denken.’

Zelf was Babette Labeij ooit ook zangeres. Zoals vele kunstenaars die hun kunst aan de straatstenen niet kwijtraken, of schrijvers bij wie de pallets onverkochte debuutromans als Duitse Marken in het trappenhuis opgestapeld liggen, bedacht ook Labeij op een bepaald moment dat ze datgene waar ze geen succes in vond beter kon gaan onderwijzen. Als zangcoach werkte ze vervolgens bij IdolsX-Factor, Popstars en The Voice of Holland, en riep zo dus al minstens zes of zeven generaties aan Whitney Houston-epigonen over ons af. In haar vrije tijd probeert Babette Labeij daarnaast externe links naar haar eigen website te verstoppen in het aan haar gewijde Wikipedia-artikel. Op 16 oktober verscheen bij Nijgh & Van Ditmar haar boek ZING! – de meest verderfelijke ideologische uiteenzetting van een muzikant sinds Richard Wagners Het Joodse in de muziek.

‘Muziek’ aldus Labeij, ‘is de beste psychiater die ik ooit heb gehad.’ Behoorlijk onverantwoordelijk als u het mij vraagt, zo mensen maar af te raden om professionele hulp te zoeken. Opmerkingen als deze zijn niet bijzonder respectvol richting de geestelijke gezondheidszorg, terwijl die mensen zich ook maar te pletter werken om types als Labeij, die naar buiten één en al vrolijkheid en optimisme uitstralen, en dus van binnen wel psychische wrakken moeten zijn, er op te wijzen dat ze niet voor hun problemen kunnen vluchten door af en toe een ariaatje te blèren tijdens het koken.

Het is echter niet alleen de psychiatrie die in de piepzak komt te zitten. Terwijl therapie zijn betekenis verliest wordt de rest van het leven keihard getherapiseerd, en ook muziek wordt gereduceerd tot een van alle overige betekenis of waarde ontdane placebo en belandt als afvinkvakje in de utilistische calculus. Alles moet ons immers maar gelukkig maken, ons lichaam en onze geest gezond houden; elke activiteit moet een shot endorfine produceren. Bij Nijgh & Van Ditmar konden ze wel wat met die verkoop garanderende zelfhulpboodschap. In de najaarsbrochure werd op de pagina over ZING! meteen Erik Scherder – de enige boskabouter die bijverdient als neurowetenschapper, in plaats van gewoon rustig z’n eikeltjestabak te roken – er ook maar aan de grijze ringbaard bijgesleept, om aan het geheel zelfs een wetenschappelijk tintje te geven.

Hoewel het woord ‘passie’ – dat ook Labeij graag twee of drie keer per alinea gebruikt – ondertussen alleen in de martelporno van Mel Gibson nog enigszins z’n oorspronkelijke lading dekt, is het tegenovergestelde van dit blije gezemel natuurlijk overdreven romantisch. Een echte artiest hoeft niet per definitie een suïcidale verslaafde te zijn. Koeien geven melk, maar niet alle melk komt uit een koe: depressieve mislukkelingen hebben geweldige muziek gemaakt, maar niet elke goede melodie wordt bedacht door iemand die op het randje van de afgrond staat. Genoeg prutsers hebben zich bovendien vastgebeten in een vicieuze cirkel van ongeluk zonder ooit iets van waarde te produceren, en veel mensen kunnen vast plezier ontlenen aan zingen. Peuters kunnen ook kraaiend van enthousiasme losgaan op een rammelaar; honden op een tennisbal. Waarom zou de gemiddelde Nederlander niet van allerhande bezigheidstherapietjes op kunnen knappen? Ik wil niet beweren dat je niet gelukkig mag worden van zingen. Wel had ik van Nijgh tenminste een kwaliteitsgoeroe verwacht, in plaats van een dusdanig lege conceptie van kunst, muziek of literatuur.

Een definitie van muziek waar de cultusvolger iets mee kan is in ZING! niet te vinden. Naast een reclamefolder voor Labeijs zangacademie is het boek vooral een verzameling persoonlijke anekdotes over muziek. Wat heeft Babette daarin dan te melden? Ze houdt van ABBA. Christine McVie’s Songbird is een van haar ‘favoriete songs ever.’ De Beatles? ‘In mijn ogen de grondleggers van de hedendaagse popmuziek.’ ZING! bevat geen register met alle genoemde artiesten en nummers, maar wie dat wel wil hebben kan een maandje wachten en de Top 2000 erbij pakken. Wie geen zin heeft om een boek te lezen vol oppervlakkig gedweep dat waarschijnlijk voor ‘aanstekelijk’ door moet gaan, en waarvan zelfs de auteur in een zeldzaam moment van zelfreflectie opmerkt dat het misschien inderdaad ‘zum Kotzen‘ klinkt – doe daar dan wat aan, muts – kan ZING! beter laten liggen. Of er gewoon meteen een einde aan maken.

BN

Dit fenomeen is voorlopig nog niet uitgewoekerd.

Er zijn geen ergere mensen dan zij die ‘ergens een gevoel bij hebben’, op één categorie schlemielen na: zij met een ‘voorgevoel’. Het gebruiksvriendelijke van het woord ‘voorgevoel’ is dat het zonder problemen kan worden ingezet op het moment dat er van een voorgevoel allang geen sprake meer is. Sla google er maar op na: in veruit de meeste gevallen zagen voetballers, prijswinnaars en terminale patiënten hun voorgevoel ‘bewaarheid worden’, bleek het ‘te kloppen’ en was het dus toch ‘terecht’. Logisch, want iedereen wiens voorgevoel niet blijkt te kloppen houdt wijselijk zijn kop.

 

Zo ook Lidewij Edelkoort. Lidewij (‘Li’ voor vrienden en andere hielenlikkers) heeft van voorgevoel haar beroep gemaakt. Hoewel zij in het grote dubbelinterview met haar man Anthon Beeke door de koppige interviewer meermaals ‘trendwatcher’ wordt genoemd, is Lidewij niet te beroerd haar te corrigeren. ‘Ik ben trouwens trendforecaster – een trendwatcher is ­iemand die een heleboel bruine schoenen ziet op straat en stelt: bruin is in. Ik ben dan al veel langer met bruin bezig.’ Inderdaad. En met geel, en groen, en lila. In Lidewijs geval vuurt de kosmos zoveel yottabytes aan informatie op haar ingebouwde schotelantenne af dat haar verspreidingskanalen in de vorm van haar website en mond wel 24 uur per dag aan moeten staan. Op iedereen die het maar horen wil laat ze haar talloze ingevingen los, en maakt daarbij handig gebruik van zowel het trial-and-error-principe als misleidingstechnieken uit de astrologie. Niet alleen doet Lidewij graag voorspellingen die zo algemeen zijn dat het raar zou zijn als ze niet zouden uitkomen, ook geeft ze haar profetieën een tijdsbestek van enkele lichtjaren om iets van de waarheid te naderen.

 

Volgens Lidewij leven we in een ‘zware’ tijd, en wordt het alleen maar gekker. ‘Het zijn spannende jaren, ik maak me zorgen,’ aldus het orakel. Gelukkig was vroeger alles zo lekker normaal, en was iedereen het daarover eens. Nee, dan onze eeuw: ‘Ik vrees voor een burgeroorlog in de ­Verenigde Staten, extreemrechts tegen alternatief, avant-garde, zwart, groen, geel rood.’ Over een aantal jaar zul je het iedereen horen zeggen: ‘Die Lidewij, die wist dat er wat zou gaan gebeuren in Amerika, met dat zwart, groen, geel rood!’ Maar het hardst van iedereen zullen we het Lidewij zelf horen roepen, mits de vraagbaak dan niet al tijden dood is.

 

Vooralsnog horen we Lidewij uitsluitend over voorspellingen uit een ver verleden die ze nooit op papier heeft gezet. Dat weerhoudt haar er niet van de juistheid van al die voorgevoelens door de strot van het publiek te rammen, al heeft nu behalve zijzelf helemaal niemand daar meer iets aan. Herinnert u zich 9/11 nog? Lidewij ook, en zelfs al veel langer dan u. ‘In de lente van 2001 voelde ik me verschrikkelijk. Toen ik de eerste toren zag instorten, was ik helemaal opgelucht: dit was het dus.’ Waar Lidewij anders nogal vaag is over de herkomst van haar prognoses, is ze hier heel duidelijk. Naar eigen zeggen stond ze geestelijk direct in verbinding met Bin Laden, en ja, dat vindt ze zelf ook wel vreemd. Het is zelfs bijna zo vreemd als iemand die eerst opluchting voelt bij het aanschouwen van de grootste terroristische aanslag in de wereldgeschiedenis.

 

Toch bestaan er dingen waar zelfs Lidewij zich lekker druk om kan maken. De teloorgang van onze planeet, bijvoorbeeld. ‘Ik wil geen doemscenario schetsen, maar het is duidelijk dat het nu echt misgaat.’ Maar waar klimatologen met jarenlang serieus onderzoek het laten afweten, gaat Lidewij door. Het heelal en Bin Laden berichten haar al sinds begin jaren 90 dat de economie kleinschaliger, milieuvriendelijker en lokaler zal worden. Lidewij is er nog steeds van overtuigd dat dat ooit, mark her words, ja óóit zal gebeuren! Het is immers onze enige redding, aldus de vrouw die ‘vaker dan een piloot’ in een vliegtuig zit. Wanneer die omslag naar een duurzame economie dan precies plaats gaat vinden, zou ze misschien eens kunnen navragen bij haar klanten, waaronder Coca-Cola, Siemens en L’Oréal.

 

Lidewij beweert dat er van al haar voorspellingen geen enkele niet is uitgekomen. ‘Anders zou ik ze niet opvangen.’ Beter is het om te stellen dat er weleens wat straling zijn doel mist, vooral in de persoonlijke sfeer. Zo was Lidewij in ’82 wegens gebrek aan zin bijna niet naar een designcongres gegaan, terwijl ze daar toch mooi haar man ontmoette. Diezelfde man antwoordde in het Volkskrant-interview op de vraag of hij het jaar 2050 zouden gaan halen overtuigd: ‘Haha, ik niet!’ Daar dacht Lidewij heel anders over. ‘Jij wordt wel oud, ook.’ Drie weken na het interview was Anthon dood. Als het nog kon zou hij zeggen dat hij al zo’n voorgevoel had.

TS

Vergeet hedge funds, private equity en collateralized debt obligations. Nu de economie een beetje herstelt van de crisis is het tijd voor nieuwe, nog gevaarlijkere financiële producten: aandelen in schrijverscoöperaties. Speelt u op safe en houdt u het bij de beleggingen in de wapenindustrie? Of ziet u deze high risk investment wel zitten? Als u onlangs een contract heeft getekend bij uitgeverij Pluim is de keus niet aan u. Uw directrice, lijfwacht en personal banker Mizzi van der Pluijm deelt uit: vorige week zadelde ze haar auteurs op met een aandelenpakket in haar vooralsnog verlieslijdende uitgeverij. Leuk voor Van der Pluijm, die zo beschikt over een extra verzekering van haar literaire kapitaal, maar wat betekent deze portefeuille voor de schrijvers zelf? PC is de Lehman Brothers nog niet vergeten, en stuurde financiële waakhond MSM erop af om Mizzi’s effectenkraampje eens grondig te besnuffelen. 

Voor een indruk van zelfbestuur heeft Van der Pluijm twee schrijvers aan het hoofd van de vennootschap gezet: Lieke Marsman en Dimitri Verhulst. Samen waken zij over de belangen van de 38 Pluim-auteurs die gezamenlijk zijn getrakteerd op 4,99 procent van de aandelen. Financiële analisten schatten dat 1 Pluim-uitgever de overige 95,01 procent beheert. ‘Uitgeverij Pluim wil er geen twijfel over laten bestaan om wie het allemaal draait,’ stond er in een persbericht. Zelfs los van de naam van de uitgeverij laten deze percentages inderdaad weinig aan de verbeelding over. Door precies onder de 5 procent te blijven wordt bovendien voorkomen dat de schrijvers een aanmerkelijk belang in de onderneming verwerven. Wat is hun belang dan wel? Dimitri Verhulst heeft gewoon ‘behoefte om deel te nemen, in plaats van alleen maar te ondergaan’. In de praktijk houdt dat in dat er op aandeelhoudersvergaderingen naar hartenlust gespeculeerd kan worden over de mogelijke besteding van een hypothetische winstuitkering. Het is een auteur van fictie op het lijf geschreven. 

Een bekend adagium op Wall Street luidt: “When your taxi driver is telling you to buy stock, it’s time to sell”. Nu zou de waakhond niet graag bij Dimitri Verhulst of Lieke Marsman in de Uber stappen, maar hun enthousiasme over de Pluim-aandelen is evengoed een reden voor argwaan. Verhulst heeft nooit een stap op de beursvloer gezet, of je moet de Vlaamse Boekenbeurs meerekenen. Marsman werkt voor GroenLinks, waar ze heel wat uit te leggen heeft wanneer bekend wordt dat ze in haar vrije tijd een beleggersclubje runt. Het doet denken aan de bedrijfsvoering van Bernie Madoff, die decennia lang zijn piramidespel wist te verhullen door argeloze familieleden op bestuursposities te installeren. Zij hadden geen idee waar ze hun handen aan brandden, maar toen de crisis losbrak kregen ze het het zwaarst te verduren. Zodra Mizzi’s literatuurbel knapt staat de stromannen in haar coöperatiebestuur eenzelfde lot te wachten.

De Pluim-aandeelhouders mogen dan groentjes op de beurs zijn, één beleggingsprincipe passen ze feilloos toe: kansen spreiden. Een blik op het fonds van de uitgeverij leert dat de coöperatie berust op een buitengewoon heterogene verzameling assets. Aan de ene kant van de portefeuille bevinden zich hybride effecten met een hoge volatiliteit zoals Hanna Bervoets, Ellen Deckwitz en Jente Posthuma. Aan de andere kant zien we een offensievere reserve binaire opties met fluctuerende dekkingsgraad, waaronder P. F. Thomése, Nico Dijkshoorn en L. H. Wiener. Zo’n divers allocatiemodel werkt sterk risicodempend. De waakhond zal dit zeker in overweging nemen. Een ander argument ten gunste van de compagnie is de originaliteit ervan. Het schept hoop op een uitgeverij die nu eens geen schrijfcursus gaat organiseren, maar een masterclass day traden of een clinic hefboomproducten. 

De schrijverscoöperatie van Pluim is een mooi verhaal, en in dit opzicht een vooruitgang op de andere producten die de uitgeverij tot dusver heeft voortgebracht. Helaas laat zowel de organisatiestructuur van de aandeelhoudersvereniging als de verhandelbaarheid van de effecten te wensen over. Daarnaast wordt de hoeveelheid dividend de komende jaren ongeveer even hoog geschat als bij Fortis. Jammer genoeg is de dividendbelasting toch niet afgeschaft, want anders had de situatie er iets beter uitgezien. Wie dacht dat Unilever als enige van deze maatregel geprofiteerd zou hebben, rekende buiten Lieke Marsman. 

Alles in overweging nemend moet de waakhond concluderen dat het hier om een zeer risicovol financieel product gaat. Mocht u worden benaderd door iemand die u een proefpakket in de maag probeert te splitsen, met de belofte dat deze aandelen uw zelfredzaamheid zullen vergroten, verbreek dan onmiddellijk de verbinding. Leest u dit te laat en hebt u de aandelen al geaccepteerd? Dan kan de waakhond alleen maar voor u hopen dat de eerstvolgende krach nog even op zich laat wachten – en dat de ramen op de hogere verdiepingen van aandelenbank Pluim op slot zitten. 

MSM

In het vorige nummer van PC schreef MSM over de bezetting van het P.C. Hoofthuis. Het stuk in kwestie kan op z’n minst een zure recensie genoemd worden – met de kanttekening dat recensenten meestal de locatie die ze bespreken wél hebben bezocht. Kon ik dat, als vijfde colonne in de PC-redactie, over mijn kant laten gaan? Of, om meteen Lenin maar te citeren: ‘Wat te doen?’

Een eerste optie was het publiceren van een uitgebreid geannoteerde versie. Zelfs voor nazipamfletten wordt dat tegenwoordig echter niet noodzakelijk geacht, en hoewel MSM dan wel claimt dat niets zo angstaanjagend is als ‘een groep mensen met gedeelde opvattingen, die hun eensgezindheid uitdragen door middel van kledingvoorschriften’ – niet erg vriendelijk als je keppeltjes of sjtreimels daar ook onder schaart – ging dat misschien wat ver. Bij het uitblijven van een wetenschappelijke editie van PC-Onthoofthuis hier dan toch een respons.

In zijn eerste inhoudelijke punt beticht MSM de bezetters van hypocrisie. Ze eisten dekolonisatie en meer diversiteit aan de UvA, maar bestonden zelf uit een groep van ‘hoofdzakelijk witte, heteroseksuele, Nederlandse jongemannen.’ Bij iedere andere auteur had ik me om te beginnen afgevraagd hoe hij zo overtuigd was van de heteroseksualiteit van een groep gemaskerden. MSM, wiens gaydar zo goed werkt dat hij al een crush op Maxim Februari had toen die nog Marjolein heette, geloof ik hierin volledig.

Hoewel de eis heus wat hypocriet was – welke protestbeweging is dat niet; zodra hypocrisie verboden wordt kunnen we sociale vooruitgang wel vergeten – vielen de bezetters in het niet bij de schijnheiligheid van hun universiteit. Zelf hadden ze hun excuusminderheden in ieder geval discreet en egalitair verborgen achter bivakmutsen en Arafatsjaals – in tegenstelling tot de UvA, die zodra een medewerker ergens een krullende zwarte haar vindt een team van fotografen stuurt, op zoek naar het boegbeeld van een nieuwe mediacampagne. Als het om foto’s voor websites of billboards gaat neemt de afdeling communicatie nog net niet een stel witte studenten onder handen met een blik schoenpoets, en scheelt het niet veel of er worden her en der een paar gezonde benen bewerkt met een loden buis, om zo de quota toch ten minste op een paar mooie plaatjes te halen.

De eis aan het universiteitsbestuur om een staking te faciliteren is volgens MSM onzinnig, omdat stakingsrecht al bestaat. Het zal wel. Met rechten kun je de gracht dempen. Staken wordt een stuk minder gezellig zodra je er achter komt dat werkgevers niet verplicht zijn lonen door te betalen. Wat werd geëist was dan ook het actief faciliteren van actie, zodat stakingsrecht voor universitair personeel niet hetzelfde blijft als seksuele vrijheid voor eenogige bochelaars: een mooi theoretisch ideaal dat in de praktijk flink in de kosten loopt. Het is, kortom, dat er geen vakbond bestaat voor PC-redacteuren, anders wist ik wie er voor de voorzitterspositie niet op mijn stem hoefde te rekenen.

Als volgend punt van kritiek verwijt MSM de bezetters wetenschappelijke onnauwkeurigheid: ‘Aan het manifest van de Autonome Universiteit te zien is Academisch Schrijven al wegbezuinigd.’

Academisch Schrijven is niet wegbezuinigd: Academisch Schrijven is voor kneuzen. Het laatste dat je moet willen is een manifest met meer bronverwijzingen dan leuzen, en bij PC zou dat duidelijk moeten zijn. Om m’n eigen citations op te krikken haal ik er graag de cursus PC-redacteur van de huidige jaargang bij: ‘Als beginnend student heeft u geluk: u bent nog niet verpest door de verplichte cursus academisch schrijven. Van voetnoten, literatuurlijsten en verantwoordingen willen wij niet horen. Wind u ergens over op, ram uw pen in iemands slagader, en schrijf een stuk waar wij om kunnen lachen.’ Verander hier de laatste woorden zodat niet lachen, maar het omverwerpen van het kapitalisme, patriarchaat of stichtingsbestuur van Propria Cures centraal staat, en u heeft wat mij betreft een prima handboek manifesten schrijven.

Met veel opmerkingen van MSM was ik het, om positief af te sluiten, overigens volledig eens. Iedere keer dat hij het eens leek te zijn met de bezetters, bijvoorbeeld. Ook op andere manieren kwam zijn tekst zeker van pas. Voorlopig lijkt Geert ten Dam de Mohammed bin Salman van de UvA te blijven. Zoals de Saudische kroonprins zich presenteert als liberale hervormer, maar ondertussen familietradities als het opsluiten van dissidenten en het in stukken zagen van kritische journalisten achter de schermen gewoon in stand houdt, zo zal ook Geert ondanks haar permanent bezorgde blik interne problemen nooit serieus aanpakken zolang ze als goedmakertje af en toe een kruiwagen puppy’s in de UB kan dumpen. Gelukkig heeft MSM de studentenbeweging aan de nieuwe naam voor een toekomstige splintergroep geholpen. Wanneer het is afgelopen met de softe provokaatsies en de Rote Karree Fraktion Ten Dam daadwerkelijk ontvoert zal hij ongetwijfeld dankbaar worden genoemd in het manifest.

BN

Archief