Martijn Neggers is een rasechte Brabander. Geboren in het ziekenhuis van Eindhoven, de dorpsmavo in Valkenswaard doorlopen, afgestudeerd als tweedegraads docent Nederlands aan de Fontys Hogeschool in Tilburg en inmiddels werkzaam op het Beatrix College in Tilburg. Daar is niets op tegen – ik heb nota bene zelf een jaar in Tilburg gewerkt, voordat ik in Amsterdam ging studeren; toen ik mijn Brabantse collega’s vertelde dat ik klassieke talen overwoog zeiden zij dat ik ook in Latijns-Amerika kon gaan wonen – maar je moet het ook niet mooier maken dan het is.

Dat doet Martijn Neggers wel. Door bijvoorbeeld in een interview met HP/De Tijd te beweren dat Tilburg de beste plek is om te wonen. ‘De stad van het absurdisme. Er zijn nogal wat absurdistische kunstenaars die hier wonen. Er zijn ook absurdistische kunstenaars die hier zouden moeten wonen.’ En door romans te schrijven die zich in Brabant afspelen. In De mensen die achterbleven (2016, Nijgh & Van Ditmar) trekt hoofdpersoon Martijn Neggers van Valkenswaard naar Tilburg. ‘Vol goede moed gaat hij op zoek naar zijn dromen en een Grootsch Leven.’ Onzinnige zinsneden als ‘op zoek naar zijn dromen’ en misplaatst reviaans hoofdlettergebruik ten spijt – over die ‘sch’ zeg ik maar even niets – mocht Neggers na dit debuut een tweede boek schrijven.

Die tweede roman heet Spoetnik (2018, nog steeds Nijgh & Van Ditmar). Deze keer verhuist de hoofdpersoon namelijk van het grote Amsterdam naar de Spoetnikstraat in Helmond-Noord. Helmond als decor voor je roman gebruiken, zeg maar het Almere van Brabant, is bijzonder goedkoop. Daar ‘-Noord’ aan toevoegen is zo mogelijk nóg goedkoper. Om niet te zeggen gratuit. De achterflap, wederom door Neggers zelf geproduceerd, verraadt, voor zover dat nog niet duidelijk was, zijn minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Randstad: ‘Een tragikomisch verhaal dat zich afspeelt in een tijd waarin de Gewone Man’ – daar heb je die hoofdletters weer – ‘niet bang is een keel op te zetten en zich verzet tegen het juk van de grote steden en de hoge heertjes.’

Maar als ook Spoetnik alleen in de Tilburgkatern van het Brabants Dagblad besproken wordt, besluit Neggers zichzelf opnieuw uit te vinden. Om de aandacht van zijn baan als docent af te leiden trekt hij een spijkerjasje aan, rolt de mouwen van dat spijkerjasje op en laat zijn ontblote onderarm tatoeëren. Hij maakt een twitteraccount en tweet dat hij een Amsterdams café gaat bezoeken: ‘Goed. Ik ga dus naar de Pels vandaag. Als de ongelofelijk clichématige lame-ass die ik ben. Kom vooral ook, want ik ken maar acht Amsterdammers, en die zullen er wel weer niet zijn.’ Neggers wil dolgraag naar de grote stad, maar hij is ook bang. Bang om een cliché te zijn. En bang om alleen te zitten. 

Ook in zijn romans wil Neggers het grootser aanpakken. Geen Brabant meer, maar Frankrijk. En dan ook meteen het Frankrijk van de vijftiende eeuw. Leve de Koning (2021, hij heeft goede vrienden bij Nijgh & Van Ditmar) is een ‘niet-heroïsche ridderroman over de Slag bij Agincourt’. Niet-heroïsch, dat betekent dat die vijftiende-eeuwse infanteristen de hele tijd ‘kut’ zeggen. De associatie met New Kids begint zich alweer op te dringen. En ja hoor – wie blijkt de belangrijkste legeraanvoerder van de Slag bij Agincourt? Anton, de Hertog van Brabant. Neggers was na twee fluitjes in de Pels terug in Brabant, Leve de koning na twintig pagina’s. Zelfs de aanbeveling op het omslag is van Theo Maassen.

Ik hoef u niet uit te leggen waarom Martijn Neggers geen succesauteur is. Wie ik dat wel moet uitleggen is Martijn Neggers. In genoemd interview met HP/De Tijd: ‘Ik denk weleens: hoe zou het zijn om waanzinnig veel lezers te hebben? Leve de koning raakt inhoudelijk gezien op zekere punten aan Game of Thrones.’ Op genoemd twitteraccount: ‘Ik schrijf 3,5 jaar aan een roman; totale stilte, rollende hooibalen in de wind. #fuckmylife.’ Waarom die totale stilte? Sommige mensen maken lelijke dingen mooier dan ze zijn (‘Ik hou van de Tilburgse lelijkheid, maar ook hoe het hier steeds mooier wordt en hoe we dat calimerogevoel steeds meer kwijtraken.’), de meeste mensen houden beleefd hun mond.

AG

Afgelopen week was de Week van de Klassieken. Net als de Boekenweek bestaat de Week van de Klassieken uit een feestelijke opening, een fatalistisch artikel in de Volkskrant (‘Zijn de Griekse en Latijnse literatuur uit de gratie aan het raken?’), en een themaboekje. Het enige verschil is dat je voor het klassiekenweekgeschenk vijf euro moet betalen. 

De eer om dat klassiekenweekgeschenk te mogen schrijven viel dit jaar ten deel aan Christiaan Weijts, schrijver, NRC-columnist, en van huis uit neerlandicus. Waarom een neerlandicus? Omdat het boekenweekgeschenk al door een classicus wordt geschreven? Weijts legt bij De Taalstaat van Frits Spits uit waarom hij tóch een geschikt klassiekenweekauteur is: ‘In boeken die ik schrijf zit niet zozeer Homerus maar Ovidius bijvoorbeeld altijd wel op de achtergrond.’ Dat is als zeggen dat je bij het koken niet zozeer een staafmixer gebruikt, maar een pan bijvoorbeeld altijd wel. Op de achtergrond. 

De achterflap van Weijts’ Zeven mijlen langs de limes is al even pretentieus: ‘Een slimme en sprankelende monoloog, en tegelijk memoir en miniatuur-odyssee.’ Een miniatuur-odyssee, dat is een wandeling. Christiaan Weijts neemt ons mee langs de limes, het allersaaiste dat de klassieke oudheid te bieden heeft. De limes is (hoewel ‘limes’ als een meervoud klinkt, is dat het niet; net zoals het woord ‘media’, maar dan andersom) de grens van het Romeinse Rijk. Dat wil zeggen: een paar in de uiterwaarden van de Rijn gestampte houten palen. Het interessantste aan de limes is dat ’ie in Nederland is.

Maar voor Weijts blijkt de limes vooral een excuus om het over zijn eigen jeugd te hebben. Voordeel: Zeven mijlen langs de limes gaat niet over de limes. Nadeel: Zeven mijlen langs de limes gaat over de jeugd van Christiaan Weijts. Aanvankelijk houdt Weijts nog vol dat zijn wandeling wél met de limes te maken heeft: ‘Zeven mijlen. Ongetwijfeld wordt het ook mijl op zeven, vol omwegen en kronkelingen die zich verzetten tegen de rechtlijnigheid van de militaire mars, de rechtlijnigheid van damwanden die de loop van de rivier rechten.’ Maar al snel ‘verdwalen [we] nog wat verder, zijn [we] de limesroute al even kwijt, maar bewegen [we] ons wel in de juiste richting. Oegstgeest. Daar had ik pianoles.’ 

Door de jeugd van Weijts loopt één belangrijke grens. Die tussen het gymnasium en het vmbo. Tussen mensen die piano spelen en mensen die Sky Radio luisteren. Tussen Romeinen en barbaren, zou je haast zeggen. Weijts zegt dat in elk geval de hele tijd. ‘Wat die barbaren wél hadden: lekkere wijven. Daar ontbrak het op het gym ten enenmale aan. Daar had je vooral vioolmeisjes, advocatendochters, nerdy girls met dikke brillenglazen. Er leek een wetmatigheid te bestaan die wilde dat intelligentie en schoonheid omgekeerd evenredig waren verdeeld.’ 

Inderdaad, léék te bestaan. Het fenomeen Christiaan Weijts logenstraft die wetmatigheid. Hij bewijst dat domme mensen ook gewoon lelijk kunnen zijn. En geil. ‘Ook dat is een grens: de scheiding tussen lichaam en geest. Wij stonden aan de overkant, op de klif van het domein van de geest, reikhalzend uitziend naar de overkant waar strakke meiden rondliepen in badpakjes van O’Neill. Die deden het graag en vaak, kregen we te horen. […] Waar het om “dierlijke cellen” ging, sprak ik die uit als “sierlijke dellen”. Sindsdien was het een staande uitdrukking. Sierlijke dellen. Ik was er zelf ook wel content mee. Mede omdat het vrij redelijk uitdrukte wat ik zocht, waarnaar ik smachtte. Niet alleen dat rauwe, dat hoerige, nee, er moest een esthetische component aan zitten, iets elegants, iets schilderachtigs. Het moesten ornamenten zijn, diertjes die zich gracieus voortbewogen, sierlijk over stranden en door parken, en die ook een zekere geestelijke bekwaamheid bezaten. […] Cécile. Die naam alleen al. […] Ze was al een stapje verder op weg naar het lichaam van een volwassen vrouw. […] Rokjes droeg ze, en elegante panty’s of misschien wel kousen, met jarretels, Jezus Christus, wie zal het zeggen.’ Ik zal het zeggen: ze droeg géén kousen met jarretels. Ze was twaalf, Christiaan. 

AG

Christiaan Weijts, Zeven mijlen langs de limes, Athenaeum – Polak & Van Gennep. €5,–

Er zijn meer reuzenpanda’s in Nederland dan CDA’ers in de Stopera. Waar de bewoners van Ouwehands Dierenpark Xing Ya en Wu Wen er zelfs in zijn geslaagd zich te reproduceren (wie Fan Xing wil bewonderen moet snel wezen, hij gaat later dit jaar naar China; er is in dit land immers alleen ruimte voor échte vluchtelingen), is Diederik Boomsma de laatste bekokstovende christenhond van Amsterdam. Als u hem in de politieke jachtarena wil spotten, moet u ook snel zijn: na woensdag is hij vertrokken.

Boomsma is strenger in de leer dan Xing en Wu, want in tegenstelling tot deze falende beesten weet hij al vijfhonderdachtentwintig maanden – and still counting! – zijn seksuele onthouding vol te houden. Of dat aan zijn diepe overtuiging ligt dat het zaad zondig is (Romeinen 3:10-11), of aan de camouflageoutfit, bestaand uit zwarte schoenpoets rondom zijn ogen en veertig kilo babi pangang onder zijn giletje, laat ik hier in het midden; zoek zijn foto maar op. Maar wees eerlijk tegen uzelf: als u langer dan dertig seconden twijfelt tussen onderkinplooien en lippen, verdwijnt ook bij u de lust.

Er is in Nederland ook een groep die vele gelijkenissen heeft met deze troeteldieren en dat zijn homoseksuelen. Homo’s zijn de panda’s van de politiek: in de natuur halen ze met hun klauwen vals uit, ze hebben een knuffelachtig imago bij het grotere publiek dankzij hun malle trekjes, en ze planten zich niet voort. Zelfs bij de christendemocraten zijn ze sinds enkele jaren in de ban van de troetelnichten. Ze moeten wel normaal doen en niet met een tangaslip en roze boa op een boot staan, maar buiten deze niet-principiële bezwaren – het blijft een politieke partij – probeert het CDA haar doodsstrijd nog nét iets te verlengen door een onverwachts electoraat aan te boren.

In het verkiezingsprogramma voor de gemeenteraadsverkiezingen schrijft de partij het volgende: ‘Wij staan voor een stad waar iedereen zichtbaar zichzelf mag zijn. We dragen met trots uit dat wij een Regenbooggemeente zijn en zetten ons in voor een veilige en inclusieve omgeving voor LHBTQI+-personen, op straat, in het onderwijs, bij sportverenigingen en op de werkvloer. We tolereren geweld en discriminatie tegen LHBTQI+-personen niet.’ Van zoveel billenlikkerij bij de homo’s in de stad wordt zelfs wijlen Pim Fortuyn misselijk. Waar is de tijd gebleven dat het CDA aids een beroepsziekte vond? Dat de enige geschikte darkroom uit zes planken bestaat?

Gelukkig toont Boomsma dat hij het grootste talent van een christendemocraat bezit: twee tongen. Eén om te paaien, één om uit te delen. Naast lijsttrekker is Boomsma ook penningmeester van de Europese mini-denktank Center for European Renewal. Diederik let niet alleen op de centjes, maar heeft de organisatie ook in huis gehaald – letterlijk: zijn huisadres is het statutaire inschrijfadres. Wat is het voor ’n club? Een groep mannen die hun jeugdtrauma’s over liefdesafwijzingen en teleurstellingen van zich af lult en de schuld voor zijn falen bij vrouwen/ migranten/links/bomen/Foucault legt. Kortom: ze zijn conservatief. Dat blijkt ook uit de voorzitter, Andras Lanczi, bedrijfspoedel van Victor Orbán, huisintellectueel van Fidesz, de antihomopartij wier Europarlementslid József Szájer in december 2020 te midden van een bukake werd betrapt.

Hoe denkt dit clubje over modieuze LHBTQIAHGVNSHVDSD+-issues? ‘The family is the foundation of society. Families grow from the union of man and woman in marriage, who support each other and welcome the hopeful task of raising their children to become mature adults, able in their turn to embrace the vocation of parenthood. The family as a social institution must always be upheld.’ Omdat verongelijkte refobendes weten dat ze niemand meer angst inboezemen met verwijzingen naar een boek van een sedimentair volk van tweeduizend jaar geleden, laten ze dat tegenwoordig achterwege. Ze beroepen zich op een natuurlijke orde, wijzen erop dat de enige missie missionair is, stellen dat acht kinderen een mooi minimaal streefgetal is, en meer altijd beter.

Wat hierboven staat over het kerngezin – ‘Families grow from the union of man and woman in marriage’ – is, op zijn zachtst gezegd, in tegenspraak met het CDA-verkiezingsprogramma. Amsterdam moet een Regenbooggemeente zijn die geen homohuwelijken sluit? De partij staat op voor inclusie van homo’s, maar ze mogen niet trouwen? Dergelijke tegenstrijdigheden zijn voor de gewone lezer opzienbarend, maar u moet daarbij niet vergeten dat de partij jarenlang devoot wegliep met een boek waarin een dertiger met een midlifecrisis kon toveren.

(Laat ik duidelijk zijn: natuurlijk moet het homohuwelijk verdwijnen. Het heterohuwelijk ook. Als de u rest van uw leven met uw labradoedel wilt spenderen kan dat natuurlijk, er hoeft geen ambtenaar aan te pas te komen. Alleen een gek laat zijn liefde beoordelen door de staat, het koudste monster van allemaal.)

Diederik Boomsma staat op een tweesprong. Als hij naar links gaat, verliest hij zijn geliefde mannenbroeders in zwart en krijtstreep. Naar rechts, die in roze en leer. Gelukkig hoeft hij niet te kiezen. De electorale neutronen die boven de stad zweven ontloopt hij niet.

Maandag

Je wordt wakker. Je bedoelt ik word wakker. Ik bedoel ik word wakker. Sorry – ik zit nog helemaal in die tweede persoon. Ik denk niet dat het eerder is gedaan: een roman, van kaft tot kaft in het jij-perspectief. ‘Een ingrijpende kunstgreep,’ noemde Thomas [de Veen, red.] mijn artistieke keuze. Daar heb ik verder niets aan toe te voegen. Of toch: men onderschat nogal eens hoe moeilijk het is om elk werkwoord in de tweede persoon te moeten schrijven. Even opgezocht: ‘je wordt wakker’ is met een t, maar ‘word je wakker?’ zonder. Geen touw aan vast te knopen. Maar goed, waar was ik? Ontbijt. Van mijn cardioloog (ik heb een aangeboren hartafwijking) mag ik niet te veel koolhydraten. Dus houd ik het bij een bakje yoghurt met blauwe bessen. Visoliepilletje ernaast voor de Omega 3. Even een foto van gemaakt en doorgestuurd naar een paar vriendinnen. Vinden ze prachtig.

*

Dinsdag

Godverdomme. Eerste kutrecensie binnen. Drie sterren in de Volkskrant. Serieus, drie fucking sterren. ‘Zelfhulpproza.’ Dat zegt die recensent over mijn geesteskindje. Ik geef mezelf bloot en dit is wat ik ervoor terugkrijg. Ik heb hem even opgezocht op internet en – geluk bij een ongeluk – het is een oude witte man. Meteen een twitterdraadje gedaan, met garenklos-emoji enzo. Aangestipt dat er een generatie is die gewoon niet met kwetsbaarheid kan omgaan. Toevallig is dat ook de generatie die vindt dat vrouwen achter het aanrecht horen en people of color in de kolonie. Twintig likes. Heb ik de schade toch nog een beetje weten te beperken. 

*

*

Woensdag

Naar de reünie van B.E.E.T.S geweest, mijn dispuut. Op vorige reünies (reünieën?) was ik toch altijd een beetje de gevierde jongen – de enige van ons die het écht gemaakt had in de literatuur. En dat met een boek over het corps. Maar vanavond kon ik moeilijk aansluiting vinden. Tegen het einde nam Gijs (van mijn jaarclub) mij apart en maakte hij me duidelijk dat ik in een volgend boek niet moest gaan proberen onze braspartijen te framen als mishandeling. Dan zou hij ‘de mensen wel even laten zien wie de echte Philip Huff is’. Geen idee wat hij daarmee bedoelde hoor, maar heb hem voor de zekerheid een maandje in mijn appartement in Manhattan aangeboden.  

*

Donderdag 

Vanavond met een vriendin naar Schiller om mijn tweede druk te vieren. Ik ben gestopt met drinken vanwege mijn aangeboren hartafwijking, maar dat vinden ze juist mooi. Past bij mijn kwetsbare vibe. En als het écht gezellig wordt doe ik heus wel een rondje met haar mee. Note to self: niet vergeten uit te leggen naar wie Café Schiller eigenlijk vernoemd is. Ik vind dat je vrouwen best serieus mag nemen wat dat soort dingen betreft.  

*

Vrijdag

Net terug van Op1. Van tevoren was ik een beetje zenuwachtig, maar gelukkig kwam de presentatrice ook uit ’t Gooi. Had ik haar niet op dat hockeyfeestje, eind jaren 90…?  Hoe dan ook, ik voelde me meteen op m’n gemak. Iedereen aan tafel deed alsof ik, de schrijver Philip Huff, volledig samenviel met de protagonist uit mijn boek. Ik begrijp ook dat een waargebeurd verhaal beter verkoopt, dus ik ben er maar een beetje in meegegaan. Hoop toch dat mijn ouders niet gekeken hebben, want ik wil t.z.t. mijn deel van de erfenis wel gewoon hebben. Zeker na wat ze mij hebben aangedaan.

*

*

Zaterdag 

De Groene heeft een redactiestagiaire op me afgestuurd. Jammer, had van Joost [de Vries, red.] wel verwacht dat hij zelf even langs zou komen. Dit meisje vousvoyeerde me, op zich ook wel eens leuk, heb het in ieder geval even zo gelaten. ‘Het is niet mijn taak als schrijver om andermans perspectieven te koloniseren,’ zei ik tegen haar. En later: ‘Wat ik wel nog even duidelijk wil hebben: dit is een roman. Een literaire constructie.’ Weet niet of ze het helemaal begreep, maar wilde het per se zeggen, want ja, die erfenis. Anyway, na een tijdje was ik het helemaal zat. ‘Mark Twain of Ernest Hemingway? Yeats of Keats? Tolstoj of Dostojevski?’ Echt hoor, als ik een witte cisgender man wil lezen blader ik wel door m’n eigen werk. 

*

Zondag

Mai aan de lijn. De kale koopman bood aan me naar de Emiraten te vliegen: na wat googlen wist hij dat je daar de beste hartchirurgen ter wereld hebt. Misschien zou hij zelf ook nog wel even meegaan, konden we er een uitje van maken. Ik heb hem vriendelijk bedankt. In New York heb ik genoeg skyscrapers gezien en bovendien laat ik me niet behandelen als de dokter in theorie geen vrouw zou kunnen zijn. ‘Zelf weten,’ bromde Mai. Van gesprekken met dit soort autoritaire mannen krijg ik dus druk op mijn borst. Niet zo leuk. Even kijken welke vriendin me mag geruststellen. 

*

Philip Huff

Na achttien jaar playstationnen in Roosendaal zette Daniël Verlaan (1989, Roosendaal dus) de meest logische vervolgstap: hij werd ethisch hacker. Een verstandige keuze, want de ethische hacker is populair. In een talkshow is hij gemakkelijk te herkennen als de tafelgast die níét langs de visagie is geweest; de ethische hacker moet er zo ongezond als mogelijk uitzien, want dan begrijpt de televisiekijker dat hij, de ethische hacker, veel van computers weet. Daarom draagt Daniël Verlaan ook een zwarte hoodie met een handige buidel aan de voorkant. En heeft hij een lui oog waardoor hij vroeger met zo’n pleister op zijn goede oog moest lopen (met daar dan weer een bril overheen). 

Wat maakt de ethische hacker ethisch? Dat hij géén strafbare feiten pleegt, terwijl hij dat wel zou kunnen. En daar is Nederland hem dankbaar voor. Op ‘Nationale Check Je Wachtwoorden Dag’ mocht Daniël Verlaan ons zelfs vaderlijk toespreken: ‘Veel mensen maken voor de hand liggende fouten. Dat is niks om je voor te schamen.’ Welke voor de hand liggende fouten dat zijn zegt hij niet, maar hij heeft wel een drietal tips voor ons. Één: neem een langer wachtwoord. Twee: neem verschillende wachtwoorden. Drie: neem een wachtzin in plaats van een wachtwoord. 

Wat er gebeurt als je zijn drie tips (tip één en tip drie betekenen precies hetzelfde, maar goed) niet opvolgt? Dan wordt de ethische hacker boos. Op 12 januari 2017 verscheen de volgende tweet op het twitteraccount van SGP-coryfee Kees van der Staaij: ‘Dit account is lek en dus gevoelig voor hackers. Is getekend @danielverlaan en @siebesietsma.’ Daniël Verlaan neemt Kees van der Staaij kwalijk dat hij gehackt is door Daniël Verlaan. Niet logisch, en bovendien niet ethisch. Iemand die het huis van zijn buurvrouw binnengaat omdat zij bij het uitladen van haar boodschappen de voordeur op een kier heeft laten staan is ook geen ethische insluiper, maar, gewoon, een insluiper. 

Misschien zag Daniël dat zelf ook wel in, want na deze actie begon hij ineens overal te benadrukken dat hij toch vooral journalist is. In Trouw: ‘Haha, ik zou niet zeggen dat ik een hacker ben. Zij doen het fulltime en ik verdien m’n brood als journalist.’ Bij Broadcast Magazine: ‘Ik ben zeker niet goed in hacken, nee. Ik ben op de eerste plaats gewoon journalist.’ Handige bijkomstigheid: als journalist mag je net iets meer dan als ethische hacker. Undercover gaan in de wereld van de wraakporno bijvoorbeeld. En, als je dan toch bezig bent, undercover gaan in de wereld van de kinderporno. 

En als journalist win je daar dan ook meteen een prijs mee. In Daniël Verlaans geval De Tegel voor journalistiek talent. Het juryrapport: ‘Met een reeks opvallende verhalen maakte de winnaar het afgelopen jaar meerdere malen nieuws. Een veelzijdig talent, die op jonge leeftijd al is uitgegroeid tot een volwaardig deskundige in menige talkshow.’ Opvallende verhalen? Ik open ook elke avond een incognitovenster. Waarom ben ik geen veelzijdig talent? Omdat ik normale porno kijk? 

Volgende carrièremove: een boek bij Das Mag. In de inleiding van Ik weet je wachtwoord (zevende druk inmiddels) toont Daniël Verlaan zich van zijn edelmoedigste kant. ‘Elke maand word ik of iemand uit mijn omgeving digitaal aangevallen of bedreigd. Soms denk ik: is dit het allemaal wel waard? Maar ik kan zo slecht tegen onrecht dat ik deze verhalen wil blijven maken.’ Edelmoedig, maar ook onzin. Daniël Verlaan kan heel goed tegen onrecht. Over een datalek bij Ashley Madison (een Second Love-achtige website) schrijft hij: ‘Iedereen kon het downloaden, het stond zelfs op de bekende torrentwebsite Pirate Bay. Ik downloadde de data om te kijken of ook Nederlanders de website gebruikten.’ Om te kijken of bekenden van hem de website gebruikten, bedoelt hij. Dat is geen onderzoeksjournalistiek, maar voyeurisme. 

Het schokkendst is nog wel dat Daniël Verlaan zichzelf best lekker blijkt te vinden. In het eerste hoofdstuk na de inleiding voert hij zijn alter ego Rickey op: ‘Hoewel hij een nerd is die graag met computers speelt, voldoet hij niet aan het stereotiepe beeld van de nerd: hij heeft vrienden, drinkt biertjes en gaat wel eens stappen. En afgezien van zijn voorkeur voor hoodies, ziet hij er helemaal niet als een nerd uit.’ Even verderop verraadt hij zelfs zijn eigen wachtwoord: ‘Stel: het wachtwoord van het anonieme account knappeman1989@gmail.com met de gebruikersnaam knappeman1989 is ‘PSV_debeste89’.’ Ze hadden hem toch wat harder moeten pesten, toen met die pleister.

AG 

Archief