Wat is de naarste beroepsgroep: die van de boekverkopers, die van de schrijvers of die van de vertalers? ‘Vertalers worden vaak vergeten, maar nog meer vergeten worden hun emoties,’ lees ik in het tijdschrift over vertalen, Filter. Het Nederlands klinkt al meteen alsof die zin vertaald is uit Alice’s Adventures in Wonderland & Through the Looking-Glass and What Alice Found There, maar zo klinken vertalers altijd wanneer ze voor de verandering zélf hun zegje doen. Ik ken geen vertaler die eens een keer normaal kan doen; nul (0) dus. Nu ja, goed, eentje dan, ze woont bij mij om de hoek en in de omgang valt ze reuze mee. Zoals je ook weleens een boekverkoper met gevoel voor humor tegen het lijf loopt. (Waar?) Of een schrijver die zich niet aanstelt. (Dank u.)

Samengevat: vertalers zijn altijd helemaal gek, en vaak ook nog eens op een leuke manier, wat het allemaal nog veel erger maakt. Ze zijn niet te harden. Ze zijn verward, hebben een zure trek om de mond en lijken telkens als je ze in het wild ziet steevast in huilen te kunnen uitbarsten. Vaak doen ze dat ook. Ze worden ook altijd onderbetaald. En dat zeggen ze de hele tijd. Het zijn kortom geen mensen die je er op een feestje bij wilt hebben.

Het is onvermijdelijk, deze hele ellende mondt uit in een prijs: de Europese Literatuurprijs. De longlist (twintig romans) is er net van bekendgemaakt. En daar gaan we weer. Dit lees je op de website: ‘De titels zijn geselecteerd door een twaalftal onafhankelijk opererende boekhandels als de beste, hedendaagse Europese romans die vorig jaar in het Nederlands zijn verschenen.’ Rare komma. Twaalftal. Onafhankelijk. Opererende. Boekhandels. Daar is een gek op een toetsenbord losgelaten. Meteen erop volgt de lijst, inderdaad: de te verwachten bagger. Zoals een van de boekhandelaren zelf wist te melden op Twitter: ‘Tromroffel… het is weer een prachtige lijst geworden! Morgen vindt u deze 20 Europese titels weer mooi bij elkaar op een tafel in de boekhandel!’

Dat is dus voor de zoveelste keer boeken op tafel leggen, mooi bij elkaar, kaartjes erbij, daar iets opschrijven (‘meeslepend’, ‘ontroerend’, ‘pijnlijk en ook heel mooi’) – ja, een boekhandelaar heeft het tegenwoordig niet zo eenvoudig. Gelukkig is de redding nabij: ‘In een Europa dat soms verdeeld lijkt, laten deze twintig romans zien hoe wij verbonden worden door een gedeelde geschiedenis, en het verlangen naar schoonheid en liefde.’ De Europese Kitschprijs, dat zou een betere naam zijn.

Je moet met je vertaalde roman dus eerst langs dat ‘twaalftal’ (wat betékent dat; zijn het er nu twaalf of elf of dertien of ongeveer twaalf als die mensen van Boekhandel Blokker uit Heemstede tijdens de vergadering ook even willen opletten?), goed, je moet dus langs die mafkezen, sorry, langs die onafhankelijk opererende boekhandels komen en dan maakt een deskundige jury onder leiding van – even de adem inhouden – Anna Enquist het af.

‘Vijf van deze schrijvers mocht ik interviewen voor @parool. De meeste andere boeken heb ik gelezen. Hels moeilijk kiezen dit!’ Dat twitterde (o, daar gaat mijn baan) mijn huidige chef boeken bij Het Parool. Ook al iemand die het moeilijk heeft. Het ís helemaal niet moeilijk, en zeker niet héls moeilijk kiezen. Er zit om precies te zijn één goed boek bij, dat van Marías (en die heeft ook wel betere geschreven). Zoals tot nu toe elk jaar is gebeurd, zal de jury koersvast afstevenen op de slechtste roman die erbij zit. Dat líjkt misschien alsnog een lastige keuze, maar dat klusje kunnen we Enquist wel toevertrouwen.

Het is altijd weer een goed idee om boekhandelaren een prijs te laten organiseren, dan weet je tenminste zeker dat de wansmaak regeert. En dat er nog iets aan vastzit. Deze prijs is ook bedoeld om de vertalers in het zonnetje te zetten, want zoals ze bij het tijdschrift Filter al constateerden: die dreigen vaak, met hun emoties en al, te worden vergeten.

Mijn god, wat worden die vertalers vaak vergeten! Je kunt de straat niet op of je struikelt over ze. Wat heb je allemaal niet? De Martinus Nijhoffprijs, de Europese Kitschprijs dus, de Vertaalengel en Vertaalduivel – o, nee, die laatste twee delen de vertalers zélf uit (heb ik al gezegd dat ze gek zijn?). ‘De vertaalduivel heeft een speels en prikkelend karakter en is bedoeld als uitnodiging om iets te doen of na te laten in het belang van het vertaalvak en/of de vertaler,’ leggen ze uit. Speels. Prikkelend. En/of. Levend of dood. Koffie of thee. Gekookt of gebraden.

Het is nog niet genoeg. ‘Wilt u meer horen over de romans op de longlist? Nieuwe Europese auteurs ontdekken? En de schaduwkunstenaars achter deze romans ontmoeten? Kom dan naar de Vertalersgeluktournee.’ Ik zat me lang af te vragen wie die schaduwkunstenaars in vredesnaam waren. En toen begreep ik het: dat zijn die vertalers! Die gaan naar boekhandels om daar voor eeuwig en altijd het eventuele plezier dat je al aan zo’n boek zou kunnen beleven (toegegeven, die kans is klein) definitief de nek om te draaien. Een schrijver in een, ik zeg maar wat, cultuurhatend (dank je, Tessa!) programma als DWDD over zijn roman horen praten is al erg, maar een vertaler allerlei dingen horen uitleggen over zijn vertaling is nóg erger. Bij het horen of lezen van het woord ‘vertalersgeluk’ hoeft een belangstellende lezer al niet meer.

In Nederland wordt over het algemeen zeer slecht vertaald. Dat wordt heel precies gevangen door dat truttige woord ‘vertalersgeluk’. Soms hebben ze een woord uit het Roemeens of het Bulgaars of het Engels goed, maar je kunt dat geen verdienste noemen. Het is pure mazzel.

AS

Splinters zijn vervelende dingen. Als je ze er niet zo snel mogelijk met een pincet uitrukt gaan ze zweren. Negeren is sowieso geen optie: hoe klein ook, zo’n ding blijft zeuren. In politieke zin heeft de splinter ook betekenis. Het gaat dan om iets nietigs, een partij die er eigenlijk niet toe doet maar waarvan de aanwezigheid soms maar moeilijk te ontkennen valt. Na de eerste uitzending van het tv-programma Splinter in de politiek, waarin JOVD-captain Splinter Chabot schuimbekkend het Binnenhof uitkamt op zoek naar iedere politicus die hij te pakken kan krijgen, kunnen we stellen dat bovenstaande betekenissen nog altijd volstaan.

De media benadrukken graag dat Splinter een telg uit de Bart Chabot-dynastie is. Hoewel ieder beeld van Splinters manische kop die mededeling direct overbodig maakt, is het in feite nog veel erger. Splinter heeft het DNA-pakket van zijn moeder volledig naast zich neergelegd en is de genetische dubbelganger van Bart Chabot. Dezelfde tandjes in dezelfde scheve klep, dezelfde bril, hetzelfde onverstaanbare geratel en dezelfde onuitputtelijke motor. Naast Splinter verwekte Bart ook nog de tropische cyclonen Sebas, Storm en Maurits. Dat Yolanda Chabot van ellende twee mannen aan het medialandschap heeft afgestaan is niet verwonderlijk: de vrouw moet thuis een dagtaak hebben gehad aan het uitdelen van Ritalin-tabletten.

Van de vier zoons was Splinter de eerste die door moeders met zijn medicijndoosje op straat werd gegooid. Splinter vond onderdak bij DWDD, waar hij na twee keer als tafelheer te hebben opgetreden besloot dat de redactie hem nu maar eens aan de andere kant van de tafel moest uitnodigen. Trots verkondigt – brult – hij aldaar dat het resultaat van zijn eerste presentatieklus de dag erna op NPO3 te zien zal zijn. Dat we allemaal moeten kijken. Dat we er misschien door zullen denken: verdomd, die politiek, daar is van alles gaande. Op het moment van schreeuwen vroeg niemand in het publiek zich nog af hoe de kleine hystericus daar überhaupt terecht was gekomen – wilde complottheorieën over kruiwagens waren al sterk verouderd. Men vond het eigenlijk best logisch dat zo’n cultuurhatend programma als DWDD toenadering zocht tot de jeugdafdeling van de VVD.

Evengoed klinkt er opgelucht gelach als Splinter na de vraag of hij wil doorgroeien in het kastenstelstel van de VVD resoluut ‘nee!’ schreeuwt. Op de vraag of hij dan wel op Mark Rutte stemt komt helemaal geen antwoord. Volgens Splinter ben je als JOVD-lid absoluut niet verplicht om VVD te stemmen, of om überhaupt enige affiniteit met de partij te voelen. Een hele opluchting, maar waarom dan nog inschrijfgeld betalen? Voor een blauw-oranje nieuwsbrief waarin de tien netwerkborrels van de maand staan opgesomd?

Als je Splinters zinnen weet te ontcijferen blijkt dat hij zijn lidmaatschap steeds met één woord probeert te verantwoorden: liberalisme. Splinter is homo en een excentriekeling, want hij draagt donutsokken. Hij denkt dat hij een partij die zichzelf graag als liberaal profileert nodig heeft om dat te kunnen doen en dat iedereen bij socialere partijen met dezelfde rode ster op zijn jas rondloopt. Terwijl het toch echt VVD-kamerleden zijn die voor een stemming een sms’je van de hoogste macht krijgen met daarin de boodschap ‘straks voor’ of ‘straks tegen’. Die tegen een voorstel waren voor verplichte voorlichting over seksuele diversiteit op het mbo. Die samen kwamen opdagen met de knaller van een oneliner ‘Normaal. Doen.’

Misschien is Splinter wel de kleine lastpak die met zijn onophoudelijke gebrul de VVD goed fatsoen weet bij te brengen. De JOVD staat er bijvoorbeeld al om bekend eerlijk te hebben toegegeven dat ook zij het een wel een erg opvallend hete zomer vonden. Waarschijnlijker is het dat Splinter – nu nog door de pers als ‘een leuk joch’ omschreven – over tien jaar met uitgestreken smoel voor een camera verkondigt dat we lastige moslimjongeren maar eens moeten gaan steriliseren. Het is het pad dat onder anderen Klaas Dijkhoff en Mark Rutte eerder hebben bewandeld: eerst jarenlang de sympathieke jongen uithangen, om vervolgens eens voorzichtig aan de rechtsstaat te gaan sleutelen.

Vooralsnog is Splinter de lieve stumper die alleen nog maar de chef mag interviewen terwijl deze op een terras aan zijn bakje yoghurt zit. Hoewel Splinter wel even voorzichtig vraagt naar de dividendbelasting, komt de meest heftige kritiek in de vorm van een toevallige passant, die in het voorbijgaan naar Rutte schreeuwt: ‘helemaal klaar met jou, weet je dat!’ Rutte echter is een door Philips ontworpen robot die niet in staat is om negatieve signalen te registreren. Zelfs als Splinter hem nog even op de aantijging wijst geeft hij een error. Het deert niet, want zelf heeft Splinter het ook veel liever over de leuke dingen des levens. Daarom gaat hij schaatsen met Lodewijk Asscher, in een kort broekje door het park rennen met Rob Jetten en winkelen met Lilian Marijnissen. Hij wil politici uit hun context halen, om ze te laten zien ‘op momenten dat ze echt zichzelf zijn’. Of een cameraploeg en een extatisch kind aan je broekspijp dat proces bemoeilijken, mag de kijker beslissen. De politici kan het niet rotten: die laten zich vlak voor de Provinciale Statenverkiezingen maar al te graag interviewen door een jonge homo die zegt alle bewindslieden die hij spreekt ‘zulke aardige mensen’ te vinden.

Waar Splinter in de politiek werkelijk om draait is een individuele zoektocht. ‘Kan je wel helemaal jezelf zijn in de politiek?’ vraagt Splinter ons. Wat hij bedoelt is: kan ik wel helemaal mezelf zijn in de politiek? Splinter zou graag meer kleur in de politiek zien, liefst zijn eigen paarse gilet en gebloemde overhemden. Alleen als Den Haag zich aan zijn kledingvoorschriften aanpast overweegt hij een politieke carrière. Voorlopig blijft hij de modewetten uitleggen aan zijn opnameleider, die hem op een koude dag in januari vraagt of hij zijn overjas niet beter dicht kan doen. ‘Een dichte jas ziet er niet uit!’ is Splinters antwoord. Hopelijk ziet hij nog eens in dat het VVD-lidmaatschap niemand staat.

TS

U kent de dooddoener: ‘Er zijn geen domme vragen, alleen domme antwoorden.’ Onzin natuurlijk. Dat betekent echter allerminst dat er op domme vragen niet nog dommere antwoorden mogelijk zijn. Saskia de Coster wist het in een interview met Trouw voor elkaar te krijgen: de domste vraag over schrijverschap zo beantwoorden dat het overkomt alsof ze zelf nog minder begrijpt van waar ze mee bezig is dan haar interviewer.

De Coster schreef – ze is er vroeg bij voor de boekenweek – in de roman Nachtouders over haar rol als niet-biologische moeder in een lesbische relatie. In Trouw mag ze daar eerst wat onovertuigende observaties over maken. Ik ben geen biologische moeder, maar ik had er wel een – om de denktrant van de CPNB maar even aan te houden – en dus mag ik haar best corrigeren als ze meent dat échte moeders de poepluiers van hun kinderen niet vinden stinken. Dat vinden ze wel. Poep stinkt: er is geen navelstreng die daar verschil in kan maken.

Al snel volgt echter De Vraag. Die begint door te stellen dat Nachtouders een roman is, ‘maar…’ U weet dan waarschijnlijk al wat er komt: er moet weer worden gehengeld naar de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Die roman, die is stiekem geïnspireerd door gebeurtenissen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, en interviewer Iris Pronk zal eens even uitvogelen hoe dat in elkaar steekt. De Coster meent op deze vraag in te moeten gaan door een vreemde mening te onderbouwen met een verwijzing die ‘m meteen weer onderuithaalt.

‘Ik zou het heel flauw gevonden hebben als ik mezelf in het boek een andere naam zou hebben gegeven, Sandra of zo. Dat zou een vorm van bedrog zijn geweest, ik heb zelfonderzoek gedaan.’ Tot zoverre de mening, die van zichzelf al behoorlijk rammelt. Als je als auteur meent dat je je eigen naam aan een personage moet hangen om een zelfonderzoek te doen overtuigen heb je in de rest van je schrijven wel bijzonder weinig vertrouwen. Maar goed, dan krijgen we dus nog de ter onderbouwing van deze opvatting bedoelde verwijzing: ‘Flaubert zei het al: “Madame Bovary, c’est moi”.’

Daarmee wordt het niet per se duidelijk of Saskia de Coster kan schrijven: lezen kan ze in ieder geval niet. Anders had ze door dat Flaubert hier haar theorie niet ondersteunt, maar een flinke dosis rattenkruid toedient. Als Flaubert Madame Bovary kon zijn, waarom zou De Coster dan in godsnaam niet voorbij Saskia komen? De Coster had haar personage Sandra kunnen noemen, of Emma; voor mijn part Gustave. De poepluier zou toch hetzelfde hebben geroken.

BN

Roos steek je vinger in je doos

Het is niet makkelijk meer om jezelf tot feminist uit te roepen. Waar het claimen van de onbeschermde titel een aantal jaar geleden leidde tot vragende blikken, boekcontracten en een confrontatie met Maxim Hartman in een talkshow, bereikt de boodschap tegenwoordig nauwelijks meer de cortex van de luisteraar. Hoewel het provocatiegehalte van de mededeling inmiddels ongeveer even hoog is als het individueel erkennen van de Armeense genocide, heeft er zich direct een gewaagd alternatief aangediend: verklaren dat je je niet schaart bij de hordes moderne Dolle Mina’s. Een man hoeft dit natuurlijk helemaal niet te proberen, een vrouw zal zich op z’n minst nader moeten verklaren – tenzij die vrouw luistert naar de naam Roos Dickmann.

In de voorjaarsaanbieding van Prometheus prijkte de debuutbundel Ik ook van mij van Dickmann naast de paginavullende tekst ‘Kan een vrouw die verkracht wordt zichzelf iets kwalijk nemen?’ Dit is wat Prometheus heeft weten te brouwen van het werk van Rosie Price, dat volgens haar Engelse uitgever gaat over ‘the courage of a young woman speaking out’. Voor Dickmanns bundel deed Tim Hofman zijn best de walgelijkheid van de rechterpagina te benaderen. ‘Een intiem boekje’, aldus de muzenzoon, die via instagram vanzelfsprekend warme banden met Dickmann onderhoudt. Een korte blik op haar account doet alweer vermoeden wat jonge actrices – de letteren zijn slechts een uitstapje – zo aantrekkelijk maakt voor uitgevend Nederland: deze vrouw is haar eigen pr-machine. In talloze posts en stories waarin interpunctie als een dichterlijke ingreep is verdwenen (‘ik heb een gedichtenbundel uitgebracht die nu te koop is kusje’) spoort ze met haar onuitputtelijke bron van ironie haar trollenleger aan het broddelwerk te kopen.

Het enige wat de publiciteitsafdeling nog hoefde te doen was Dickmann met Gedichtendag op de trein naar Hilversum zetten. Op deze dag worden dichters traditioneel uit hun hollen gesleept om iets over hun werk te vertellen, om vervolgens weer een jaar lang genegeerd te worden. In de uitzending van Kunststof vraagt presentator Frénk van der Linden Dickmann wat zij haalt uit een ‘feminien aspect’ in een gedicht van de Dichter des Vaderlands, waarop Dickmann triomfantelijk verkondigt dat ze ‘géén feminist’ is. ‘Dat wil ik wel graag even benadrukken.’ Was Dickmann het wel geweest, dan had ze Van der Linden misschien gevraagd waarom zij in godsnaam specifiek over dat onderdeel iets moet zeggen, terwijl Jan Baeke en Pim te Bokkel eerst minutenlang zijn losgegaan op het geheel.

Van der Lindens motieven worden duidelijk als hij Dickmann verder aan de tand voelt. ‘Ik vraag het omdat het me verbaasde, zo niet verbijsterde, dat jij geen vrouwelijke poëten zegt te lezen.’ ‘Het is niet zo dat ik ze bewust niet lees,’ aldus Dickmann, die vervolgens heel precies uitlegt waarom ze bewust geen vrouwen leest. ‘Ik kan soms poëzie best wel snel een beetje gedweep vinden, bepaalde mooischrijverij. Dan denk ik soms: doe niet zo moeilijk! Stel je niet aan. Harden the fuck up. Poëten kunnen soms, en dan vooral vrouwen denk ik…’ Vlak voordat Lieke Marsman al haar vriendinnen heeft weten te mobiliseren grijpt Jan Baeke in, die tot zijn eigen verbazing aan een 22-jarige vrouwelijke dichter moet mansplainen dat er weldegelijk goede vrouwelijke dichters bestaan. ‘Het is waarschijnlijk ook een vooroordeel,’ klinkt het zelfbewustzijn van Dickmann. Waarschijnlijk heeft ze daarin gelijk, want als de onvermijdelijke vraag of ze weleens vrouwen leest komt is het antwoord nee. ‘Maar ik blader er soms wel een beetje doorheen.’

Laten we de bundel van Dickmann eens doorbladeren. Volgens de achterflap schrijft Dickmann ‘recht op de man af’. Toch richt ze een van haar eerste gedichten ‘aan alle jonge vrouwen die zichzelf hopen te vinden in Thailand’. Was het eerst een cliché om als jonge vrouw naar Thailand te gaan, nu is het een nog groter cliché om daarover te schrijven. Een volgend klapstuk richt ze ‘aan mezelf en alle andere poëten die zichzelf hopen te vinden in melancholische liefdesgedichten’. Dickmann laat geen twijfel bestaan over haar stokpaardje: ‘Houd toch eens op met dat / eeuwige gezever en gezaag over / de liefde; het is vertieft en dwaas / verdomde stom.’ Dickmann wil niet horen van gebroken harten en zakt liever een kwart meter af naar de anus.

Zelf denkt Dickmann dat de meeste jonge mensen zich sneller tot haar gedichten over poep en de poëzie van andere millennials voelen aangetrokken dan tot het werk Slauerhoff. Of dat voor haar pleit moet ieder voor zich beslissen, maar we hoeven niet te doen alsof de gedichten van Hofman en Dickmann serieuze doorgroeimogelijkheden bieden. Andersom geldt hetzelfde. Wie fan is van Slauerhoff, gaat waarschijnlijk niet van Dickmann houden. Gelukkig doet ze dat zelf wel.

TS

Roos Dickmann, Ik ook van mij, Prometheus, € 15,00, of gratis door te bladeren bij Athenaeum

Hoe gaan die dingen, je komt ergens en je neemt wat mee voor thuis. Als souvenir, voor de herinnering of gewoon omdat je denkt: leuk om te hebben. Een van de beste koloniale verzamelaars van ons land was generaal Van Daalen (1863-1930), Frits voor intimi. Zijn spullen liggen nu in het museum Volkenkunde in Leiden, waar ook een deel van de Lombokschat ligt. Tegenwoordig een ongemakkelijk bezit. Wat moeten we met die koloniale verzamelingen? Van wie zijn die spullen?

Eerst een stukje geschiedenis voor de smaak van het geheel. Van Daalen leidde in 1904 een militaire expeditie door de Gajo- en Alaslanden van Atjeh. Daar zat het stevigste verzet tegen het Nederlandse gezag en precies daarom was Van Daalen the right man on the job. Een harde hand, strategisch geniaal, een doorzetter zoals ze zelden komen. Lang verhaal kort, Van Daalen kwam, zag en overwon. Veel doden in de rijen van de vijand (ja, ook vrouwen en kinderen), weinig doden in de rijen van Van Daalen. Plus: Van Daalen bracht nog meer mee naar huis behalve de overwinning. Tijdens de expeditie verzamelde hij. Wat? Van alles. Sieraden, gebruiksvoorwerpen, kleding, alles van de lokale bevolking. Hij beschreef alles netjes, met verstand van zaken en met aandacht voor details.

Nu dat andere. Want hoe kom je als bewapende militair, zijnde aan de winnende hand, nou eigenlijk aan je spullen? Van Daalen vond weleens iets, schrijft hij in zijn brieven. Ook helemaal onderin een kamponghuis, waar hij toevallig keek. Of nou ja, toevallig.

Hij kocht ook het een en ander. Kun je zeggen: hoe vrij was dat handelsverkeer, als zowat een kwart van de inwoners net gedood is. Dat is geen moment om de prijzen te verhogen.

Ook vorderde hij weleens wat leuks dat een militair van een lagere rang had gevonden. Tegen de baas zeg je geen nee.

Kisten vol spullen nam Van Daalen mee terug.

Een jaar later kreeg hij een expositie in Batavia. In hetzelfde jaar kreeg hij een hoge onderscheiding voor zijn expeditie, die toen al omstreden was.  Dat controversiële is aan zijn naam blijven hangen. De verzameling is op de achtergrond gebleven, maar dat is aan het veranderen. De tijdgeest is zelfs de musea ingeslopen.

De collectie Van Daalen ligt in Leiden. Die stad is wederom in last. Morele vraagstukken komen altijd ongelegen en juist dit vraagt veel hoofdbrekens en tijd is geld in Nederland. Want wat moet er gebeuren met de collectie Van Daalen?

Je hebt de morele dimensie. Dan weet je: eerlijk duurt het langst, we geven alles terug, in Atjeh zit tenslotte ook een museum. Je hebt de pragmatische dimensie. Dan denk je: ja, tientallen jaren voor spullen zorgen levert toch een soort eigendomsrecht op en een bepaalde verantwoordelijkheid, dus inpakken en opsturen naar Atjeh, nee dat gaat gewoon niet. We moeten er eerst lang en breed over nadenken.

Even een quizvraagje tussendoor. Wat hebben de koloniale staat en de postkoloniale staat met elkaar gemeen?

Nee, niet de rijsttafel.

Het is zo voor de hand liggend, dat de gemiddelde Nederlander er nooit op komt. De bureaucratie. Toen een massief geheel van nota’s en rapporten, van brieven en doorslagen van brieven, die eindeloos lang onderweg waren tussen daar en hier, de oost en de west. Het was een allesvertragende en desgewenst vernietigende maalmolen van formulieren, parafen en veel, heel veel vergaderen met nota’s en formulieren, die de instelling van een commissie noodzakelijk maakt, wat weer leidt tot nieuwe formulieren en parafen en zo gaan heden ten dage de maanden over in jaren, en zal de collectie Van Daalen in Nederland blijven – behoudens een mini-expootje in Jakarta, als dat met de formulieren lukt, tenminste.

Zo zien we, geweren komen, geweren gaan, maar de bureaucratie blijft altijd bestaan.

VvdL

Archief