Ernst-Jan Pfauth
Foto: Frank Ruiter

Hoewel Ernst-Jan eigenlijk geen tijd had om te reflecteren op zijn Amerikaanse werkweek, vond Propria Cures hem toch bereid een dagboek bij te houden over de spannende lanceringscampagne van The Correspondent in Amerika.

‘Ik heb het voornamelijk in de taxi geschreven, onderweg van de ene meetup naar de andere. Een soort meditatie tussen het sparren door!’

Maandag

Good morning New York! Elke ochtend knijp ik mezelf nog even in mijn arm. Vanuit ons appartement in Williamsburg heb ik een geweldig zicht op de skyline. Dat was onze enige harde eis toen we op zoek waren, je wil toch voelen dat je niet in Apeldoorn zit. Iedere dag begint zo met een geweldige energie. Vandaag brengt Carlien de kleine man naar de crèche zodat ik genoeg tijd heb voor een interview met een journalist van de Praktijkvader-podcast. Zo leuk om op deze manier met het vaderschap bezig te kunnen zijn! Ik ga hem uitleggen hoe je de traditionele rolverdeling binnen het gezin het beste kunt doorbreken. Dankbaar! Daarna snel door naar een co-creatiesessie met Momkai. Niet vergeten te vragen of zij het nummer van Arnold Schwarzenegger hebben!

Dinsdag

Gekkenhuis. Net met Rob (Wijnberg, red.) geluncht. Hij is opeens helemaal onzeker over zijn portrettekening in de Tuin op onze site. Ik maar zeggen dat hij echt niet op Voldemort lijkt, maar op een jonge Ralph Fiennes. Kon hij niet waarderen. We krijgen vaak terug dat we bij de Correspondent geen gevoel voor humor hebben. Dat ligt dus niet aan mij. Ik bedenk altijd leuke woordspelingen: zoals “Unbreaking news”. Die heb ik vorig jaar tijdens de heiweek verzonnen. We wisten meteen dat dit op onze Amerikaanse campagnebus moest. Morgen gaan we eindelijk kilometers maken met dat biogas-ding. We gaan bewust campagne voeren op plekken die het ‘normale nieuws’ niet halen. Nieuws vertelt je weliswaar wat er vandaag gebeurt, maar zelden wat er elke dag gebeurt. En dus gaan we naar een failliete steenkoolmijn in Pennsylvania. Dankbaar voor deze kans!

Woensdag

Moedige pogingen gedaan om de omwonenden van de steelkoolmijn een founding membership van The Correspondent aan te smeren. ‘There’s two things I love in this world’, zei één van die rednecks. ‘It’s my gun, and baby Jesus.’ Toch ben ik er juist van overtuigd dat we deze mensen een flinke zetpil tegen de waan van de dag moeten toedienen. Ik zie geen deplorables, ik zie slachtoffers van de Main Stream Media. The heartland is een kerkhof, maar wij gaan er weer een vruchtbare akker van maken. Als die grafbus nu tenminste weer eens een keer gaat rijden. We staan op dit moment langs de kant van de weg tussen de maisvelden. In de wijde omtrek geen dorp te bekennen en al helemaal geen biogaspomp. Rob is al een uur aan het vloeken en bellen. Net trapte hij heel hard tegen het wiel aan. Daarna riep hij ‘kut!’ en hinkte hij de berm in.

Donderdag

Terug in The Big Apple, praise the lord! Voortaan doe ik de lange afstanden alleen nog met een SUV, zei ik net voor de grap tegen Rob. Die werd vervolgens weer kwaad. Het zijn ook de zenuwen, hoor. Rob zit de hele dag alleen maar op zijn iPhone naar De Balk te kijken. Dat krijg je ervan als je aan crowdfunding doet. We hebben nog zeventien dagen om de 2,2 miljoen aan te tikken en zijn nog niet eens op de helft. Had meer van de dochter van Johnny Cash als influencer verwacht. Wat kun je doen? Ik maak zelf steeds een paar tientjes over, maar daar win je de oorlog niet mee. Net voor de derde keer de voicemail van Arnold Schwarzenegger ingebruld. Ben toch maar mooi one handshake away!

Vrijdag

Het mooie van de States is dat je hier ongegeneerd hardop kunt dromen. Waar men in Nederland vraagt ‘hoe ga je dat in godsnaam doen?!’ vraagt men hier ‘gaaf, hoe kan ik je daarbij helpen?!’ De mediastudenten van de New York University waren in het begin trouwens wel superkritisch toen ik een gastcollege over ons plan gaf. ‘Who the hell is Rutger Bregman?’ vroeg een van hen. Op zulke momenten merk je pas hoeveel je in Nederland voor elkaar hebt gekregen. Kun je je voorstellen dat je in Amsterdam zo’n vraag krijgt!? Ik merk dat ik heel dankbaar ben voor alles wat we daar hebben opgebouwd.

Zaterdag

Net bij de New York Times op de koffie geweest! Ook al zit je aan de top van je vak, je bent toch altijd weer jaloers. Ik legde het verschil uit tussen wat wij gaan doen, en wat The Atlantic bijvoorbeeld probeert. Geloof dat de boodschap nog niet helemaal landde. In de taxi kreeg ik een telefoontje van Rob. Hij was weer helemaal aan het hyperventileren omdat Sarah Kendzior nu met een rechtszaak dreigt. Kendzior is een Amerikaanse journalist die eerder een paar kritische stukken over Trump voor ons schreef. Bij de launch van onze Amerikaanse site zijn haar artikelen per ongeluk allemaal verwijderd, waarop die hysterica ons op Twitter publiekelijk probeerde te lynchen. ‘Het was toch een ongelukje?’ zei ik net tegen Rob. Het bleef lang stil. ‘Ja ja’, zei hij wat gehaast. Vraag me af of die sluwe Wijnberg aan de knoppen heeft gezeten.

Zondag

Zondag, papadag. Vandaag duurde papadag wegens omstandigheden een half uur. Heel snel een pot Olvarit aan de junior gevoerd, daarna door naar onze hub. Merk dat ik sinds ik het Dankboek heb gemaakt meer stil sta bij kleine momenten van geluk, hoe kort ook. Ik begin mijn dag nu ook niet meer door al mijn mentions op Twitter te lezen, maar met een korte meditatie. Daarna kan ik gewoon weer lekker knallen. Had het vanochtend wel even moeilijk toen ik weg ging van huis. ‘Eet je vanavond met ons?’ vroeg Carlien. Helaas moet ik dineren met twee CEO’s. Op dit soort momenten zoom ik altijd even uit. ‘We zitten op het moment in een hele drukke fase’ zeg ik dan. ‘Over tien jaar verkopen Rob en ik het merk, dus dan hebben we meer tijd voor onze relatie. En voor nieuwe projecten. Ik heb al een paar leuke ideetjes, vertel je ze morgen wel!’ Dankbaar!

Ernst-Jan Pfauth

 

Rob Wijnberg wilde ooit komiek worden. Op zijn 36e slaagt hij hier toch nog in: zijn uitlegfabriek De Correspondent steekt de oceaan over om The Huffington Post, The Daily Beast, The New Yorker, The Atlantic, Fox, CNN en Al Jazeera America te demonstreren hoe de Nederlanders dat doen, dingen aan domme mensen uitleggen. Als uitgemergelde Ierse aardappelboeren staan Wijnbergs bloggers klaar om aan een nieuw leven te beginnen in The Land Of Opportunity, hopend dat het zaad van Pfauth in The States wel een fatsoenlijk pensioen oplevert.

Toch valt de hele verhuizing in het niet bij de oversteek die De Correspondent maakt in dit themanummer van Propria Cures: die naar het domein van de literaire satire. Zien de Correspondenten ook hier een groeimarkt, of juist een inheemse stam die uitgeroeid moet worden met explainers en longreads? In deze uitgave zetten we alles overzichtelijk op een rijtje voor onze lezers.

 

Propria Cures is gebaseerd op tien principes. Deze principes verwoorden waar we voor staan en waar we naar streven, op journalistiek en maatschappelijk vlak.

 

1. We zijn jouw medicijn tegen de waan van de dag

De meeste bladen plaatsen stukken over onderwerpen die min of meer actueel zijn. Propria Cures niet. Wij schrijven over onderwerpen die boven de tijd verheven zijn, zoals het oeuvre van Christiaan Weijts of de stem van Maartje Wortel – zaken die over honderd jaar nog net zo gevaarlijk zullen zijn als nu. Als we eens een onderwerp aansnijden dat actueel is, dan is het dat sowieso niet meer wanneer het blad twee weken later in de UvA-bakken belandt.

 

2. We zijn (bijna) volledig advertentievrij

Het heeft ons wat tijd gekost, maar al minstens sinds de jaren ‘90 ontwikkelen wij ons gestaag tot een advertentievrij platform. Onze inkomsten zijn daardoor niet afhankelijk van reclame. We worden volledig gefinancierd door (de testamenten van) vermogende oud-redacteuren. Voor zover we wel advertenties plaatsen worden we daar niet voor betaald. (Lees je mee, Ambo Anthos?)

 

3. We verspreiden stereotypen, vooroordelen en angstzaaierij

Een veelvoorkomende manier om mediaaandacht te trekken, is door een groep mensen te beledigen. Dat is precies wat wij doen. Daar zijn we heel transparant over. We zien het als onderdeel van onze missie om het nieuws te duiden. Zo vermelden we niet alleen dat Tommy Wieringa een gierige, zelfingenomen kitschkapitein is, maar beweren we ook dat hij in die zin fungeert als prototype voor een volledige generatie Nederlandse auteurs. Dan hoeven onze lezers hen niet meer allemaal afzonderlijk te beoordelen.

 

4. We vertellen je niet alleen het probleem, maar ook wat we eraan kunnen doen

Sommige mensen noemen dat ‘oproepen tot geweld’. Wij noemen dat oplossingsgericht denken. Neem bijvoorbeeld Prins Bernhard junior. Als zijn kop eraf gaat, wordt het weer een stuk gezelliger op de Amsterdamse huizenmarkt.

 

5. We kijken neer op jullie, onze achterlijke lezers

Van de meeste onderwerpen waarover wij verslag doen, weten wij als redactie meer dan al onze lezers samen. Wij vinden iets en vertellen dat aan jullie, en jullie zorgen maar dat je het ermee eens bent. Als we een gesprek willen voeren gaan we wel in het café zitten, geen tijdschrift maken. Wij steken raaskallende monologen af, en uw enige functie als lezer is om ervoor te zorgen dat we dit kunnen doen in de openbare ruimte, en niet in de Mentrum.

 

6. We doen niet alsof we ‘neutraal’ zijn, maar zijn transparant over ons wereldbeeld

Bij Propria Cures vinden we dat journalisten niet moeten doen alsof ze ‘neutraal’ of ‘onbevooroordeeld’ zijn. Ook vinden we niet dat we onze mening continu overal moeten ventileren. Zolang iedereen het met ons eens is zijn wij allang tevreden. Dit betekent niet dat wij onpartijdig zijn: in een bargevecht, oorlog of genocide zullen we altijd de kant kiezen waar het meest te lachen valt. Toch zijn we steeds bij de tijd, want als onze meningen veranderen, dan veranderen de feiten mee.

 

7. We beschermen je privacy door zo min mogelijk gegevens over je te verzamelen

Sterker nog, dat zouden we niet eens kunnen al zouden we het willen. Het enige wat onze administrator van u wil weten is of u daadwerkelijk betaalt voor uw PC-abonnement. Als u ook daadwerkelijk nummers wilt ontvangen kunt u er ook voor kiezen uw adresgegevens met ons te delen – al beloven wij dan nog niks.

 

8. We willen zo exclusief mogelijk zijn

Polemiek is gebaat bij monomane figuren die bereid zijn al hun energie te investeren in de bestrijding van futiliteiten. Dit is het enige criterium waarop wij selecteren, dus gaan wij niet op zoek naar mensen met uiteenlopende achtergronden en perspectieven. Als je voor ons wil schrijven kom je maar naar ons toe, met een krat bier.

 

9. We stellen de journalistiek altijd boven financieel gewin

Dat moet ook wel wanneer advertentiebureau Van Vliet je acquisitie voor haar rekening neemt. Bureau Van Vliet is gehuisvest in een asbestkrot in Zandvoort aan Zee en wordt gerund door drie mensen die de hele dag niets anders doen dan onder hun systeemplafond zitten. Het bureau benadert de potentiële adverteerders van Propria Cures middels een vitrine vol overleden bromvliegen. Temidden van dit massagraf liggen twee vergeelde nummers van PC te wachten tot iemand ze uit hun lijden verlost.

 

10. We geloven in transparantie en voortdurende zelfverbetering

Daarom gaan alle berichten die u naar redactie@propriacures.nl mailt direct door naar onze Correspondentie-rubriek. Wij voorzien de ellende die u ons opstuurt van commentaar waar wel om te lachen valt – alles voor uw zelfontplooiing.

 

de redactie

Grijp ik er een gemiddelde krant bij, zeg NRC Weekend, dan constateer ik dat het daarin vaak over allerlei kwesties gaat die met het belang van lezen te maken hebben. In de genoemde krant werd op 10 november 2018 in de kop boven de column van Harald Merckelbach, hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit van Maastricht, de volgende vraag gesteld: ‘Waarom zou je überhaupt boeken lezen?’ Die vraag wordt in het stuk zelf herhaald, en daarachter staat: ‘Grofweg is 70% van wat je leest binnen een dag al niet meer uit het geheugen oproepbaar.’ Want je ‘stuit al snel op al die problemen – vervaging, verval, interferentie – waarover geheugenpsychologen praten zodra ze het over het moeras van de vergetelheid hebben’.

Je leest een boek, maar wat je hebt gelezen ben je ook weer snel voor het grootste deel kwijt. Dat moeras van de vergetelheid is trouwens een sterk beeld – ik zie dat heel erg voor me – ik heb even het gevoel dat ik in een fantasyroman ben beland.

Toch doe je het allemaal niet voor niets, lezen. Merckelbach somt de voordelen overzichtelijk op. Lezen verbetert je taalvaardigheid. Lezen, en dan vooral van literaire fictie (romans, verhalenbundels) ‘bevordert het vermogen om je op het standpunt van anderen te stellen’. Merckelbach lijkt hier ook even van te schrikken, want hij laat er meteen op volgen: ‘Dat is althans wat Amerikaanse, maar ook Nederlandse wetenschappers vonden’. (Ik heb nog een tijd over dat ‘maar ook Nederlandse wetenschappers’ zitten nadenken. Maakt dat de zaak sterker of juist zwakker?) Lezen stelt je in staat om gepaste afstand te houden van de waan van de dag. Lees je Tolstoj, dan raak je minder snel van slag als er ergens ‘in het geding’ staat; je weet gewoon wat de schrijver met die drie woorden bedoelt; je valt niet van je stoel (of uit bed, zie verderop) van verbazing. De slotzin van Merckelbachs column is prachtig. Hier komt die, het woordje ‘ze’ verwijst naar studenten die Tolstoj hebben gelezen: ‘Misschien nog belangrijker, ze weten wat het betekent als iemand de oren spitst als een oud garnizoenspaard dat de signaaltrompet ten aanval hoort blazen, ofschoon ze zoiets nooit met eigen ogen zagen.’ Ik vind alles hier fraai aan. Ik stel me er direct concreet de praktische bruikbaarheid en situatie bij voor waarin dat gebeurt.

Merckelbach legt allerlei linken tussen lezen en de maatschappelijke bruikbaarheid ervan. Dat doen leesbevorderaars altijd. Dat is nog eens iets anders dan wat Mikita Brottman schrijft in The Solitary Vice. Zij vergelijkt lezen met masturberen. Ze stelt dat je beide activiteiten meestal alleen doet, privé, vaak ’s avonds in bed (ik zei het!), voordat je in slaap valt. Je kunt het het beste doen als je niet met iets anders bezig bent, want het eist je volledige aandacht op. Je moet het niet overhaast doen, en je hebt er fantasie en een zeker voorstellingsvermogen voor nodig – die twee dingen zijn niet per se precies hetzelfde. Beide activiteiten (lezen en masturberen, en dan niet tegelijkertijd geloof ik) kunnen zó opwindend zijn dat mensen er verslaafd aan raken en, zoals dat met verslavingen het geval is, je er ook weer moeilijk van kunt afkicken. Begin je er eenmaal aan, dan is het iets wat je, voordat je er erg in hebt, je hele leven doet. Vaak krijg je er voor het eerst op school over te horen. Beide activiteiten worden aangemoedigd door eenzaamheid, in het bijzonder als je vroeg naar bed wordt gestuurd. Tegenwoordig wordt er wel anders tegen masturbatie aangekeken dan vroeger. Masturbatie wordt niet meer als levensbedreigend beschouwd. Het is een manier om je eigen lichaam en verlangens te leren kennen; spanningen kun je weg masturberen. Je kunt in een heel andere wereld belanden; de ‘echte’ wereld kun je een tijdje vergeten.

Masturberen en lezen (en in het verlengde daarvan ook schrijven) kunnen als gesloten systemen worden opgevat. Is het erg dat het gesloten systemen zijn? Is het erg dat masturberen, lezen en schrijven vormen van escapisme zijn en dat je je van de werkelijkheid vandaan een traject droomt ergens anders naartoe? Is er een weg terug? Is er een weg terug naar het leven zelf?

Merckelbach noemt onderzoek – nu ja, hij verwijst er zo’n beetje vaag naar – dat zou aantonen dat lezers beter in staat zijn andermans emoties te herkennen dan niet-lezers. Het heeft zelfs onmiddellijk effect als je voordat je met iemand gaat praten eerst een roman leest in plaats van iets anders: ‘Degenen die even daarvoor literaire fictie hadden gelezen deden dat [het herkennen van andermans emoties] beter dan degenen die zich over non-fictie hadden gebogen.’

Ik weet het niet. Is het woord ‘autisme’ al gevallen? In een inleiding bij een boek met vertaalde teksten van Roland Barthes lees ik dat schrijven vanuit het autisme van de eigen verbeelding het produceren van iets is wat anderen doet lezen, denken en terugschrijven: ‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact treden met een gemeenschap van anderen.’ Dat is te vergelijken met modern masturberen: door te schrijven vanuit een autistische grondhouding leer je jezelf beter kennen en daar krijg je positieve reacties op van anderen. Zo klauter je omhoog uit het moeras van de vergetelheid en maak je vrienden. Je schrijft of leest boeken niet om daar zomaar van te genieten, maar om je kennissenkring te vergroten. Voor je het weet meld je je aan bij een leesclub. Fijn! Dat wil zeggen, ik aarzel nog even.

AS

Mensen die boeken lezen – romans, verhalenbundels, poëzie – komen vaak nogal vervelend over. Over het algemeen valt er geen zinnig gesprek met hen te voeren. Ze beginnen al spoedig te zwetsen over de boeken die ze hebben gelezen, vertellen het ‘verhaal’ (meestal helemaal verkeerd) na; al is het nóg erger wanneer ze zeggen dat je dit of dat boek moet lezen om de taal. Ze zeggen dan krankzinnige dingen als: ‘Het is de taal, de aandacht voor het woord, waardoor je deze roman verslindt.’ Mag iemand die dat zegt eigenlijk nog wel iets opmerken over de taal (‘de aandacht voor het woord’) van wat dan ook? Dit voorbeeld verzin ik niet, maar komt uit een recensie die een van de boekverkopers van Athenaeum Boekhandel schreef, de recensie staat op de site van de winkel. Daarna volgen – en dat is ook standaard – voorbeelden van die taal uit de juist hierom zo gewaardeerde roman. Het ene citaat is nog verschrikkelijker dan het andere. ‘Jij en ik herhaalden dezelfde woorden bijna dagelijks, als gebeden of bezweringen (ik hou van je, je bent zo mooi), zodat de taal die we hadden asymmetrisch sleet: net een standbeeld dat begint te glimmen waar het vaak wordt aangeraakt (het hoofd, de handen, de punt van de voet), terwijl het elders bedekt raakt met een donker patina.’

Dus iemand heeft een boek gelezen en begint daarover te vertellen – erover te ouwehoeren kun je beter zeggen – hij of zij raadt het je aan. Jíj moet dat boek lezen. Die persoon komt nauwelijks uit zijn woorden en ziet er doorgaans heel dom uit. Van het lezen van boeken krijg je blijkbaar een imbeciele uitdrukking op je gezicht. Hij of zij vertelt ook nog eens het verhaal verkeerd na en levert er citaten bij met rare woorden en chaotische metaforen, en die vertelt jóú dan dat je dat kutboek moet lezen. Waarom? Waarom zeggen ze dat tegen mij?

Ik was een keer op een receptie. Er ging een man tegenover me staan. Hij zei: ‘Jij bent recensent, hè?’ (Dat was ik toen nog, al noemde ik mezelf niet graag zo.) ‘Weet je wát je eens moet lezen? Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn. Ja, daar heb ik echt van genoten. Wat is lezen heerlijk!’ Ik had dat boek allang gelezen. Er is niks aan. Het is een slecht boek. Het is een boek dat raar in elkaar zit. Het is een ijdel boek. Ik heb me kapot verveeld. Kun je dat op zo’n moment zeggen tegen die man? Ik kwam in een boekhandel – nee, niet Athenaeum, een andere – en ik probeerde rustig naar de boeken te kijken. Probeer dat eens, rustig naar boeken kijken in een boekhandel! Maar goed. Opeens stond er een vrouw voor mijn neus. De boekverkoopster. Ze hield een boek omhoog. ‘Heb je dit al gelezen? Dit moet je eens proberen. Dat is zó mooi!’ Het was een boek van Auke Hulst. Ik had het al gelezen. Ik had het zelfs al in de krant besproken. Eén ster.

(Even tussendoor. Dat ‘mooi’ of ‘zó mooi’, dat is ook heel erg. Frans Kellendonk: ‘Toegepast op kunst is mooi een kwalijk woord. Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch. De beoordelaar die mooi zegt – “héél mooi” of “mooi”, met zuinige nadruk – laat blijken dat het kunstwerk hem van harte koud laat.’ Die laatste stap van Kellendonk klopt natuurlijk niet helemaal. Want de meeste mensen die het woord ‘mooi’ in de mond nemen menen het oprecht; ze worden ‘geraakt’ door de schoonheid van het boek. Wat het allemaal nog erger maakt. Het zijn dezelfde mensen die een boek ‘verslinden’ om de taal ervan, ‘de aandacht voor het woord’, ‘de punt van de voet’ van een standbeeld die gladder wordt als je die punt vaak aanraakt.)

Al met al heb ik moeite met het concept dat andere mensen boeken lezen. Dat ze dat doen, en de resultaten daarvan, vind ik weinig bemoedigend. Ze lezen die boeken, ze raden je die aan, en dat terwijl ze er heel dom uitzien. Kortom, ze zijn niet bijzonder opgeknapt van het lezen van een boek. Ze zijn door het proces van het lezen ervan heen gegaan, maar ze zijn er niet beter uit tevoorschijn gekomen. Misschien zagen ze er vóór het lezen van het boek ook al dom uit, maar ze hebben geen stappen vooruit gezet. Ze lezen misschien wel tientallen boeken per jaar, en dan staan ze nog met Auke Hulst voor je neus te zwaaien. Ze zéggen nooit iets zinnigs. En laat je zien dat Auke Hulst (of Stefan Hertmans of wie dan ook) niet kan schrijven – je slaat het boek open, je gaat het samen lezen, je wijst ze op belabberde passages – dan ontkennen ze alles gewoon. Ze blijven koppig zeggen dat het wél mooi is.

Kees van Kooten op tv. Hij ‘draagt’ zijn eigen werk ‘voor’. Er is een boekje verschenen. Ik heb het hier. Kees van Kooten, Sterk verdund. Ik blader erin. Het is verschrikkelijk. Melig. Stom. Lollig. Aanstellerig. Oubollig. Oppervlakkig. Slecht geschreven. Niet leuk. Het zal niet lang meer duren of iemand raadt het me aan. Of geeft het me cadeau. (Dan heb ik er twee.) Zegt daarbij iets over de taal. De aandacht voor het woord. Ja, zo wordt er niet meer geschreven, tegenwoordig. Nou, misschien door Stefan Hertmans. Of door Auke Hulst. Kees van Kooten. Hou nou toch op. In wat voor land leef ik precies?

AS

Doe mee aan de Kerstprijsvraag en win een bak mirre.

Een ingewikkelde meid

Op 4 maart 1986 maakte Richard Manuel zijn laatste restje cocaïne op, dronk hij het bodempje uit de fles Grand Marnier die hij nog had staan, en hing zichzelf op in een hotelbadkamer. Richard Manuel is mijn favoriete zanger. Toch moet hij volgens Babette Labeij, auteur van ZING!, in zijn muzikale leven iets fout hebben gedaan, net als Kurt Cobain, Phil Ochs, Herman Brood en Ian Curtis. Van zingen moet je namelijk, bevrijd raken, verlossing vinden en gelukkig worden. Muziek, dat is een pleister om je verdriet en problemen om te zetten in ‘kracht en positief denken.’

Zelf was Babette Labeij ooit ook zangeres. Zoals vele kunstenaars die hun kunst aan de straatstenen niet kwijtraken, of schrijvers bij wie de pallets onverkochte debuutromans als Duitse Marken in het trappenhuis opgestapeld liggen, bedacht ook Labeij op een bepaald moment dat ze datgene waar ze geen succes in vond beter kon gaan onderwijzen. Als zangcoach werkte ze vervolgens bij IdolsX-Factor, Popstars en The Voice of Holland, en riep zo dus al minstens zes of zeven generaties aan Whitney Houston-epigonen over ons af. In haar vrije tijd probeert Babette Labeij daarnaast externe links naar haar eigen website te verstoppen in het aan haar gewijde Wikipedia-artikel. Op 16 oktober verscheen bij Nijgh & Van Ditmar haar boek ZING! – de meest verderfelijke ideologische uiteenzetting van een muzikant sinds Richard Wagners Het Joodse in de muziek.

‘Muziek’ aldus Labeij, ‘is de beste psychiater die ik ooit heb gehad.’ Behoorlijk onverantwoordelijk als u het mij vraagt, zo mensen maar af te raden om professionele hulp te zoeken. Opmerkingen als deze zijn niet bijzonder respectvol richting de geestelijke gezondheidszorg, terwijl die mensen zich ook maar te pletter werken om types als Labeij, die naar buiten één en al vrolijkheid en optimisme uitstralen, en dus van binnen wel psychische wrakken moeten zijn, er op te wijzen dat ze niet voor hun problemen kunnen vluchten door af en toe een ariaatje te blèren tijdens het koken.

Het is echter niet alleen de psychiatrie die in de piepzak komt te zitten. Terwijl therapie zijn betekenis verliest wordt de rest van het leven keihard getherapiseerd, en ook muziek wordt gereduceerd tot een van alle overige betekenis of waarde ontdane placebo en belandt als afvinkvakje in de utilistische calculus. Alles moet ons immers maar gelukkig maken, ons lichaam en onze geest gezond houden; elke activiteit moet een shot endorfine produceren. Bij Nijgh & Van Ditmar konden ze wel wat met die verkoop garanderende zelfhulpboodschap. In de najaarsbrochure werd op de pagina over ZING! meteen Erik Scherder – de enige boskabouter die bijverdient als neurowetenschapper, in plaats van gewoon rustig z’n eikeltjestabak te roken – er ook maar aan de grijze ringbaard bijgesleept, om aan het geheel zelfs een wetenschappelijk tintje te geven.

Hoewel het woord ‘passie’ – dat ook Labeij graag twee of drie keer per alinea gebruikt – ondertussen alleen in de martelporno van Mel Gibson nog enigszins z’n oorspronkelijke lading dekt, is het tegenovergestelde van dit blije gezemel natuurlijk overdreven romantisch. Een echte artiest hoeft niet per definitie een suïcidale verslaafde te zijn. Koeien geven melk, maar niet alle melk komt uit een koe: depressieve mislukkelingen hebben geweldige muziek gemaakt, maar niet elke goede melodie wordt bedacht door iemand die op het randje van de afgrond staat. Genoeg prutsers hebben zich bovendien vastgebeten in een vicieuze cirkel van ongeluk zonder ooit iets van waarde te produceren, en veel mensen kunnen vast plezier ontlenen aan zingen. Peuters kunnen ook kraaiend van enthousiasme losgaan op een rammelaar; honden op een tennisbal. Waarom zou de gemiddelde Nederlander niet van allerhande bezigheidstherapietjes op kunnen knappen? Ik wil niet beweren dat je niet gelukkig mag worden van zingen. Wel had ik van Nijgh tenminste een kwaliteitsgoeroe verwacht, in plaats van een dusdanig lege conceptie van kunst, muziek of literatuur.

Een definitie van muziek waar de cultusvolger iets mee kan is in ZING! niet te vinden. Naast een reclamefolder voor Labeijs zangacademie is het boek vooral een verzameling persoonlijke anekdotes over muziek. Wat heeft Babette daarin dan te melden? Ze houdt van ABBA. Christine McVie’s Songbird is een van haar ‘favoriete songs ever.’ De Beatles? ‘In mijn ogen de grondleggers van de hedendaagse popmuziek.’ ZING! bevat geen register met alle genoemde artiesten en nummers, maar wie dat wel wil hebben kan een maandje wachten en de Top 2000 erbij pakken. Wie geen zin heeft om een boek te lezen vol oppervlakkig gedweep dat waarschijnlijk voor ‘aanstekelijk’ door moet gaan, en waarvan zelfs de auteur in een zeldzaam moment van zelfreflectie opmerkt dat het misschien inderdaad ‘zum Kotzen‘ klinkt – doe daar dan wat aan, muts – kan ZING! beter laten liggen. Of er gewoon meteen een einde aan maken.

BN

Archief