Ander leed kan ook heus erg zijn, ik geef het toe, maar het verdwijnen van morsige mannen die antiquariaten drijven scoort hoog in mijn persoonlijke leedtoptien. Niet dat ik het contact mis met de morsige mannen (morsige vrouwen zijn zeldzaam in tweedehands boekwinkels). Welnee, het waren vrijwel zonder uitzondering chagrijnen, sommigen waren zelfs ronduit onbeschoft. Bovendien waren het mensen met wie je buiten hun winkel nog geen tien minuten zou willen spreken, ook al zou ik altijd nog wel opheldering willen over die ene handelaar met de onafscheidelijke sigaar die naar verluidt naast boeken ook wapens verkocht. Hij was niet van het meest communicatieve soort, wat niet alleen de boekverkoop, maar ook de wapenhandel toch behoorlijk in de weg moet hebben gezeten. Of is kunnen zwijgen een deugd in kringen van wapenliefhebbers?

Nee, een vriend van de antiquariaathouder ben ik niet, als je het me toestaat er even op los te generaliseren. Ik solliciteerde ooit bij antiquariaat K. Of ik van boeken hield. Ik beaamde. Fout. Ze hadden eerder iemand in dienst gehad die van boeken hield en dat was slecht bevallen. Die nam boeken mee naar huis, om ze, o gruwel, te lezen, en als ze bevielen keerden ze nooit meer terug naar de winkel. Nee, ze hadden liever iemand die wat neutraler stond tegenover de handelswaar. Ik solliciteerde ook ooit bij antiquariaat S., gedreven door broer en zus. Daar mochten boeken nauwelijks worden aangeraakt. Lezen, ja, dat zou je met een boek kunnen doen, maar aan dat soort nieuwlichterij deden ze toch echt niet mee. Mevrouw S. las het hele oeuvre van Couperus van onder naar boven, omdat de inhoud anders af zou leiden van het speuren naar drukfouten in vroege edities. Ze was niet zomaar een boekhandelaar, nee, ze verrichtte wetenschappelijke arbeid. Mijn voorliefde voor lezen van boven naar beneden leek haar verdacht.

Hoe antipathiek de morsige boekverkopers gemiddeld ook waren, van hun winkels hield ik met een aan het lachwekkende grenzende passie. Voor mij was Amsterdam een netwerk antiquariaten. Bij elke af te leggen route inventariseerde ik eerst hoeveel tweedehands boekwinkels ik onderweg aan zou kunnen doen.

Voorgaande alinea is in de verleden tijd gesteld, en dat heeft een reden. Veel van mijn routes zijn de afgelopen jaren winkelvrij geworden. De voormalige ankerpunten zijn er langzaam uit verdwenen. De wapenhandelaar is in rook opgegaan, de Vlaamse mevrouw bevindt zich ergens op het internet, de onbeschofte man uit de Spuistraat is waarschijnlijk al jaren dood en S. leest vermoedelijk oude jaargangen van de Libelle en de Margriet van onder naar boven in een verzorgingshuis. Alleen K. bestaat nog steeds. Ze zijn er nog steeds onvriendelijk, maar het is intussen een onvriendelijkheid die ik koester. Ik hoop dat K. mag voortbestaan als reservaat.

Dat het antiquariaat uitsterft ligt aan ons. De groep waartoe ik behoor sterft uit. Omdat ik een van de laatste nog levende vertegenwoordigers ben levert me dat soms voordelen op. Boeken die vroeger budgettair buiten mijn bereik vielen, blijken nu ineens spotgoedkoop. Een overwinning waar je maar heel even blij van wordt.

Een paar jaar geleden passeerde ik een antiquariaat op een gracht. Er staan altijd drie dozen in de vensterbank. Onverkoopbare boeken die je voor twee euro per stuk mee kunt nemen. Wil je er drie kopen, dan betaal je vijf euro. Meestal bestaat het assortiment uit vergeelde wetenschappelijke verhandelingen over huidziektes of de invloed van watertemperatuur op het paringsgedrag van baarsachtigen. Een Zwart Beertje met onsmakelijke vlekken van onduidelijke herkomst wil je er ook nog weleens in aantreffen. Alleen dit keer bleek het assortiment ververst, gereinigd als een aquarium. Er waren andere vissen in uitgezet. Een stuk of twintig boeken van Vestdijk waren toegevoegd. Een paar eerste drukken lagen er tussen. Aan de doorgehaalde potloodprijzen was nog te zien dat ze ooit vijftig, zestig gulden op moesten brengen. 

Binnen vroeg ik aan een man in bruine spencer en van een vouw voorziene broek (ondanks de ouwelijke kleding toch niet ouder dan veertig) of er een vergissing in het spel was. ‘Nee hoor. Ik ben alle ouwe troep eruit aan het gooien,’ antwoordde hij. Toen hij mijn verbaasde reactie registreerde schakelde hij over op een andere toon. ‘Kijk, auteurs als Vestdijk constiperen de boel nogal hier in de kast.’ Hij wees naar de sectie Nederlandse literatuur achter zijn rug. ‘Sommige van die boeken staan al jaren op een koper te wachten. Na een paar jaar prijs je wat af, je prijst nog eens wat af, maar als dat niet helpt dan moet het maar zo. Kijk, ik zal je wat laten zien.’ Hij opende een dik boek waarin de hele collectie stond opgesomd. ‘Even kijken, Bevrijdingsfeest, eerste druk. Is de kast ingegaan op 8 april 1982. Open boek, ook een eerste druk. Staat er sinds 1978. Het verboden bachanaal, eveneens een eerste druk, met originele stofomslag. 1986… Nou, en zo kunnen we nog wel even doorgaan. En het geldt niet alleen voor Vestdijk hoor. Ik raak het allemaal niet meer kwijt. Couperus staat hier ook al jaren te niksen, om maar een voorbeeld te noemen.’ Wat wel verkoopt: recent verschenen boeken van bekende auteurs. ‘Een paar maanden kan de vraag naar een titel aanhouden, en dan ineens dooft die ook weer. De omloopsnelheid wordt steeds groter en als de hype eenmaal is gaan liggen raak ik ze aan de straatstenen niet meer kwijt. De bestseller van gisteren heeft morgen al geen leven meer.’ 

Een paar maanden eerder was ik in een ander antiquariaat. De eerste keer dat ik er kwam was ik zeventien. Dat is nu vierendertig jaar geleden. De zaak ging sluiten. Alle boeken gingen weg voor de halve prijs. ‘Het heeft geen zin meer. Ik verkoop niks. Ik zit hier de hele dag met een kat op schoot en een pak shag voor m’n neus naar buiten te turen. Ja, d’r komen vaak genoeg toeristen binnen die willen weten waar het Anne Frank Huis is. Heel af en toe stapt een vaste klant binnen, maar die groep dunt door natuurlijk verloop nogal uit de laatste tijd.’

Het kostte hem zichtbaar moeite om me het verzameld werk van Walter Benjamin te verkopen voor twintig euro. ‘Die verkocht ik nog niet zo lang geleden voor 150, die Suhrkampjes. Nou ja, je hebt geluk.’

Onlangs was ik in een antiquariaat in Hilversum, waar iemand net een stapeltje boeken probeerde te verkopen. Zoals wel meer mensen in zijn beroepsgroep kende ook deze man twee standen: verkoper en inkoper. Is hij de verkoper, dan is hij de voorkomendheid zelve. Vraagt beleefd of je er ook een tasje bij wilt. Steekt gul een boekenlegger met het adres van zijn winkel erop tussen de pagina’s. Glimlacht bij het overhandigen van het tasje. Wenst je veel plezier met de aankoop. Is hij de inkoper, dan is alle voorkomendheid onmiddellijk verdwenen. De inkoper is nors, kortaf, soms op het onbeschofte af en keurt alles waar de verkopende partij mee aan komt dragen hooghartig af. ‘Maar meneer, dat raak ik aan de straatstenen niet kwijt. Brengt u het naar een kringloopwinkel.’ Ook dit keer had de winkelier geen interesse. ‘En deze wilt u ook niet?’ Ik draaide me nieuwsgierig om. Drie boeken van Hermans. Nooit meer slapen, Au Pair en een ontstellend lelijke herdruk van De donkere kamer van Damocles. ‘Nee meneer, Hermans verkoopt voor geen meter. Als het eerste drukken zouden zijn misschien en Hermans d’r wat in had geschreven… Ik heb hier achter wel dertig exemplaren van Nooit meer slapen liggen.’ 

Toen de man teleurgesteld was verdwenen kocht ik voor straf drie boeken van Hermans. Of ik een tasje wilde. Ik kreeg een boekenlegger. Hij wenste me veel plezier met mijn aankoop… Het voelde alsof ik een daad van verzet had gepleegd, maar de heroïek liep er eenmaal buiten meteen alweer uit.

JvK

In een tijd waarin dankzij het coronavirus geen enkel festival doorgaat omdat we ons niet meer dicht op elkaar gepakt met zijn allen in één ruimte mogen bevinden – en dat wíllen we ook niet, want we willen niet ziek worden of anderen ziek maken, al wil ik voor mijn bejaarde schoonmoeder graag een uitzondering maken, maar die overleeft helaas altijd alles (ze is het type dat glas vermorzelt met haar tanden en ratten wurgt met haar handen, om met mijn lievelingsschrijver P.G. Wodehouse te spreken, of hoe was het ook alweer, de hele dag zit ik maar met boeken om me heen, heerlijk) –, wordt nu doorgepakt en adviseren subsidieraadgeefcommissies dat veel van die podia überhaupt overbodig zijn. Ik vind dat ze daar gelijk in hebben, zeker als die optredens de suggestie wekken dat ze iets verheffends bieden of met literatuur te maken hebben. Of iets verheffends bieden omdát ze met literatuur te maken hebben.

De wijze van argumenteren van die adviescommissies is misschien niet altijd even elegant. Ze hebben het vaak over verbinding en het tegengaan van uitsluiting. Ze hebben het kortom over van alles en nog wat, behalve over kunst. En bij de hier en daar geconstateerde belangenverstrengeling van commissieleden (mensen die in de culturele sector hun brood verdienen zijn doorgaans, zeker als ze zich aan de organisatiekant ervan bevinden, waar trouwens ook het meeste geld valt te verdienen, halve criminelen) kun je ook enkele treffende kanttekeningen plaatsen. Maar, wees eerlijk, en dat is waar het immers om gaat, hebt u ooit een literair festival bezocht dat, zeg maar, ook maar een béétje leuk of interessant was? Nee, je begeeft je er per definitie tussen krankzinnigen, hypocrieten, megalomanen en narcisten. Daar bestaat het publiek uit en de mensen die optreden zijn van hetzelfde laken een pak.

Literatuur hoort in stilte te worden genoten, thuis, en bijvoorbeeld niet aan de rand van het zwembad of liggend op het strand, en er moet zéker niet naar worden gelúísterd, onder geen enkel beding, zelfs al zou God Zélf de Bijbel inclusief alle apocriefe evangeliën komen voordragen. (Voordragen, het woord alleen al zorgt ervoor dat het me zwart voor ogen wordt.) Stel: je zit rustig thuis, en de telefoon gaat, en toch al zuchtend sta je op om die aan te nemen, en aan de andere kant klinkt een stem en die begint, ja, wat is het, een gedicht voor te lezen – dan wil je immers subiet dood? Er is zó veel rumoer rondom literatuur dat de literatuur zelf eronder dreigt te bezwijken, wat zeg ik, al bezweken is! Literaire festivals hebben nooit wérkelijk iets met literatuur te maken, evenmin als dat het geval is met literaire evenementen in, ik zeg maar wat, boekwinkels. Ook boekwinkels lijken trouwens verzamelplaatsen te zijn voor halvegaren, of waren, moet ik tot mijn opluchting zeggen, want er mogen er inmiddels nog maar twee tegelijk naar binnen. Ik zou zeggen: ook hier zou kunnen worden doorgepakt: wat is er precies tegen dat we onze boeken uitsluitend nog via de post bestellen?

Maar terug naar mijn hoofdonderwerp: literaire festivals zijn zelden alleen literaire festivals, want de organisatoren begrijpen zelf ook dat het dan een wel erg duffe boel zou worden. Het zijn, zoals bijvoorbeeld het Crossing Border Festival in Den Haag dat is, of was moet ik inmiddels gelukkig schrijven, want dankzij de wijsheid van de subsidieadviescommissie zal dit festival van de agenda worden geschrapt, gecombineerde festivals waar ook lekker veel popmuziek geprogrammeerd staat. Bands op een podium, daar valt iets voor te zeggen, dat is logisch, dat snap je. De langspeelplaat is indertijd uitgevonden omdat het nu eenmaal niet mogelijk is de hele band van je voorkeur voortdurend in je huiskamer te laten optreden. Hoe anders is dat met de literatuur! Een boek is niet ontwikkeld als alternatief voor de optredende schrijver. Het is andersom: de optredende schrijver is een alternatief voor het boek dat je in alle rust, en met de daarbij passende concentratie, en tegen een schappelijk bedrag aangeschaft (dat boek bedoel ik, dat is dus veel goedkoper dan zo’n takkeduur of, zoals ze in Den Haag zeggen, kankerduur kaartje van een festival), thuis tot je kunt nemen. Je moet er niet aan denken dat, ik noem maar iemand, Pieter Waterdrinker zijn nieuwe boek bij je op de bank zittend komt voorlezen.

Dat is over het algemeen het probleem van die gecombineerde festivals: niemand die werkelijk van lezen houdt zit erop te wachten dat de auteur van wie hij of zij het boek zou willen lezen dat boek ook komt vóórlezen. Dus de mensen die zogenaamd voor de literatuur naar die festivals gaan, houden in werkelijkheid in het geheel niet van literatuur. Ze houden van mensen die voorlezen. Nu is dat al een apart slag mensen. Mensen die ervan houden te worden voorgelezen, hoe oud zijn die precies? We hebben het kortom over kleuters of over fysiek volwassen mensen die geestelijk nooit uit hun kleutertijd zijn gekomen. En zelfs de kleuter die graag wordt voorgelezen kunnen we niet beschouwen als het prettigste type kleuter. Kleine kinderen die met plezier worden voorgelezen zijn over het algemeen nogal achterbaks.

Goed. Je stapt dus de zaal in waar de literatuur plaatsvindt, wordt voorgelezen, of hoe zeg je dat? De verstandige mensen staan allemaal in de zaal waar de band optreedt. Je bevindt je al met al tussen achterbakse, geestelijk onvolgroeide boomers en je luistert naar een of andere aansteller die niet tevreden is dat je zijn boek thuis leest, maar die je ook er nog eens uit wil voorlezen. Is dit cultuur? Is dit verheffend? Is dit literatuur? Nee, dit is de hel. De hel is een literair festival. Goed dat ze worden afgeschaft.

AS

Er zijn van die mensen die pleiten voor meer straatrumoer: dat zijn idioten die nog nooit wakker zijn geworden van het geluid van een slijptol die stoepstenen doormidden klieft afgewisseld met de aankondiging van de nieuwste hit op 100% NL. Ik stikte liever in de geur van mijn eigen bierzweet dan naar dit lawaai te luisteren en deed mijn raam dicht. Nog erger dan de herrie van de werkende klasse (ja, zij wél) is het popiejopie geschreeuw in de literatuur. Het hele huis gebarricadeerd, stalen platen achter de ramen gelast, oude spiraalbodems tegen de voor- en achterdeur geschroefd, versterkt met bouwstempels die waren achtergelaten op een bouwplaats, én nog stond daar het platte vermaak in mijn woonkamer. Hoe? Dankzij een fikse schouderduw van het machtige judolijf van Peter Buwalda die mijn kleine wereld wilde onderdompelen in de stinkende geur van zaad en de straat. Maar dit stuk gaat niet over hem. Of toch wel? Ik snap het zelf ook niet meer.

Martijn Simons schreef het boek De Hollandse droom. Tenminste, zijn naam staat op de kaft, maar misschien is dat een stijlfiguur van een onbetrouwbare verteller. Ergens heb ik het vermoeden dat het personage Simons – of moet ik schrijven “Simons” – een ingehuurde acteur is met als doel om het werk van Buwalda beter te laten lijken. Want in De Hollandse droom is op zijn minst (en in tegenstelling tot schrijver/acteur/personage Simons heb ik wel gevoel voor understatement) de hand van de schrijver van Bonita Avenue te herkennen, maar dan wel als een persiflage van het echte werk. Alcoholarm bier, VVD-racisme om stemmen te winnen bij de Forumjugend: allemaal slappe aftreksels met als onbedoeld effect dat het verlangen naar het origineel toeneemt. In deze moeilijke tijden zijn uitgeverijen tot alles bereid om maar boeken te verkopen.

Hoofdpersonen in De Hollandse droom? De familie Keller: pater familias Rudolf, vrouw Marloes en onhandelbaar kroost Bram en Evi. Rudolf Keller is magistraat, heeft een schitterende carrière bij de rechtbank in Amsterdam en is lid van de PvdA. (Het boek speelt zich af in 2009, toen had die partij nog leden.) Hij wordt gevraagd voor een ministerspost. Siem Sigerius, een van de hoofdpersonen in Bonita Avenue, heeft ook een cv waar je u tegen zegt en wordt – hé, die zag ik niet aankomen – ook gevraagd om minister te worden. Beide mannen blaken van het zelfvertrouwen, hebben een fantastisch lichaam en plegen seksuele escapades met de vriendinnen van hun dochters. De Hollandse droom draait om het uiteenvallen van de familie Keller, een degeneratie die vooral wordt bewerkstelligd door ongelukkige samenlopen van omstandigheden en leugens. De familieleden hebben zo hun geheimpjes voor elkaar – buiten de deur neuken, een ghb-verslaving, opa zat bij de SS – en proberen dit web van postmoderne waarheden in stand te houden. Dat klinkt wel erg als Bonita Avenue; ‘want wat weten we van elkaar?’ is de hoofdzin van het boek van Buwalda.

Oké, ik hoor u zeggen dat dat toeval kan zijn – bestaat zoiets als toeval eigenlijk wel? – maar dat wordt lastiger vol te houden als – toevallig – toeval ook een steeds terugkerend motief is, net als in Bonita Avenue. ‘Een muntje opgooien om je leven naar de verdoemenis te helpen’: Simons. Siem Sigerius in Bonita Avenue: hoogleraar wiskunde en constant bezig met het tarten van het noodlot. 

Het laaghangend fruit laat ik maar even voor wat het is (de ghb-trips van Evi Keller zijn een parodie op de psychoses van Aaron Bever bij Buwalda, de criminele zonen en de gemanipuleerde rechtszaken in beide boeken lijken misschien toch een beetje op elkaar, de ongelukkige zelfmoord – oeps, spoiler alert – van Keller is een echo van die van Siem Sigerius), want ook op vlak van woordenschat is Simons wel erg bedreven in leentjebuur. Waar Buwalda de Tzumprijs kreeg voor de zin ‘hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, “dreven” in plaats van “straten”, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen,’ heb ik het vermoeden dat Simons’ beschrijving van Kanaleneiland als ‘zelfmoordwijk’ niet in aanmerking gaat komen voor de originaliteitsprijs.

Is er dan helemaal niets authentieks aan dat boek van Simons (of wie er dan ook achter die naam schuil gaat)? Waar Buwalda inspiratie zocht in Bataille om seks in zijn boeken via de achterdeur naar binnen te brengen, wendde Simons zich tot science fiction. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers in dit genre, dus er is weinig concurrentie, maar toch is de kwaliteit waarmee Simons zich tot koning te midden van zijn collega’s weet te kronen verbluffend. Rudolf Keller ontmoet zijn toekomstige partner in het voorjaar van 1975 (p. 56). Het is liefde op het eerste gezicht, etc. etc., en na enkele maanden (mei 1975) blijkt dat Marloes zwanger is (p.75). Condoom gescheurd, ongelukje, kan de beste overkomen (aan double Dutch deed men in de jaren 70 niet). Dat het échte liefde is blijkt uit het feit dat het stel besluit samen te blijven en onmiddellijk het burgerlijke pad op te slaan. Bijvoorbeeld door rijlessen te nemen, zo lezen we op pagina 35. In het jaar 1980, om precies te zijn. Ingenieus! Door zo met tijd te spelen en de hoofdpersonen door de jaren te laten reizen plaatst Simons een kritische noot bij het idee van lineaire tijd dat het denken van carrièrejagers domineert. 

En dat hier geen sprake is van een pijnlijke misser, zien we verderop in het boek. Evi belt in een waantoestand haar vader. ‘… dat ze hem uitgerekend op zaterdagavond om kwart over vier ’s nachts probeert te bereiken’ (p. 203). Rudolf vermoedt dat zijn dochter op het Utrechtse Zandpad is en neemt de auto ernaartoe: ‘Hoewel het een doordeweekse avond is, moet hij achterin de rij aanschuiven nadat hij […] linksaf de kade aan het Zandpad op draaide’ (p. 209). Mensen met een drugsverslaving weten inderdaad vaak niet welke dag van de week het is; hier laat Simons een ongekend sterk staaltje show, don’t tell zien.

Sommige mensen zullen beweren dat Simons met deze literaire ingrepen zich vertilt. Ik zie er wel toekomst in: laat die great Dutch novels over dinosauriërsbescherming ten tijde van het kabinet Thieme-V maar komen!

TD

Martijn Simons, De Hollandse droom. Lebowski, € 21,99.

Ieder individu verdient liefde, geluk en respect. Het is belangrijk dat we compassie hebben met elkaar en elkaar helpen in tijden van nood – we zijn immers allemaal mensen. Dit heb ik natuurlijk niet zo snel zelf verzonnen, maar door intensieve studie geleerd van de dalai lama. Naast verlichte tulku is de dalai lama (pseudoniem) ook bestsellerauteur, en zijn laatste werk biedt weer enkele verbluffende inzichten. Het heet Wees hier, is de opvolger van Wees boos – ja, het is wel een kleine dwingeland, die Tenzin Gyatso, zoals hij echt heet – en kan de lezer veel leren over hoe je ‘in het hier en nu’ kunt zijn, zonder je eigen kop kaal te hoeven scheren.

Maar wat betekent ‘hier’ eigenlijk? Waar moeten we precies wezen volgens de dalai lama, waar vinden we ‘vreugde, rust en volheid van het bestaan’, kortom, waar is dat feestje? ‘Hier’ zou, als de opperboeddhist op onze persoonlijke fysieke locatie had gedoeld, in mijn geval een muf studentenhok betekenen, en in zijn geval een frivole tempel in Himachal Pradesh, India. Onwaarschijnlijk is het in ieder geval dat ‘hier’ op Tibet slaat, het oorspronkelijke thuishonk van de dalai lama dat hij met hulp van de CIA ontvluchtte toen Mao in de jaren vijftig zijn troepen erop afstuurde en dat sindsdien door de Chinezen wordt geterroriseerd. In een stuk voor Time schreef de dalai lama vorige maand: ‘This crisis shows us that we are not separate from one another — even when we are living apart.’ Hij had het hier over de corona-uitbraak, maar dit is precies waar hij zijn onderdrukte Tibetaanse broeders en zusters over de grens al zo’n zestig jaar mee op de been probeert te houden. ‘Photographs of our world from space clearly show that there are no real boundaries on our blue planet.’ Of Zijne Heiligheid nu aan de ene of de andere kant van de Himalaya voor hen bidt, ze zijn hoe dan ook verbonden.

Zonder te veel van de inhoud te willen verklappen kan ik alvast zeggen dat er geen geografische coördinaten voor ‘hier’ bestaan. Met ‘hier’ bedoelt de dalai lama ‘in het moment’. Want als we in het moment leven, legt hij uit, kunnen we pas echt compassie uitoefenen. ‘Als we hier zijn, zijn we niet bezig met ons verleden en niet langer bezorgd om de toekomst.’ Heerlijk, niet? Maar in de praktijk vaak lastiger dan gedacht, zelfs voor onze meestermonnik. Afgelopen zomer beweerde hij, duidelijk helemaal in het hier en nu, in een interview met de BBC dat de EU vluchtelingen moest toelaten en onderwijs moest bieden. Nog geen vijf seconden later voegde hij daar, opeens helemaal uit het hier, aan toe dat er op de lange termijn slechts een klein aantal kan blijven en dat Europa voor Europeanen is. Sommigen zullen beweren dat dit een wel erg hypocriete uitspraak is voor een bejaarde die zelf driekwart van zijn leven in ballingschap heeft doorgebracht, anderen zullen het daarmee eens zijn. Toch bewijst deze opmerking vooral dat in het moment zijn een levenskunst is, en niet iets wat je leert door eenmaal per week met je mindfulnessklasje op een yogamat te liggen dweilen. Al ben je Gautama Boeddha zelve, iedereen kan er wel eens een xenofoob devies uit boeren. Dat moet je vergeven. Ook dat is compassie. 

Laten we niet vergeten dat het voor de dalai lama misschien nog wel moeilijker is om in het moment te leven dan voor ons. Iedereen zanikt voortdurend aan zijn kop: of er nog hoop is voor de wereld, wat hij vindt van de politieke spanningen tussen China en de VS, hoeveel jaren hij nog denkt te hebben, en hoe je ook alweer in de lotushouding gaat zitten. Nog zo’n rotvraag: wie wordt zijn opvolger? Zes jaar geleden was de tulku daar nog heel duidelijk over: niemand. Na vijf eeuwen was het wel een keer mooi geweest. Hij zou het laatste wierookstokje uitblazen en de deur dicht doen. Inmiddels lijkt hij daar toch anders over te denken, zo staat hij zelfs open voor een vrouwelijke opvolger, en als we toch op die toer gaan, dan ook maar meteen een lekker wijf. ‘If female Dalai Lama comes, then she should be more attractive, or she would be not much use.’ De vrouwelijke interviewer tegenover hem, geschokt: ‘But it’s about who you are inside, not on the outside, right?’ DL: ‘Yes, I think both.’ Laat die Bollywoodactrices maar aanrukken! 

Als interviewers hem geen achterlijke vragen stellen doen zijn vrienden dat wel. Bij het minste of geringste trekken ze hem aan zijn donkerrode uniform: of hij niet even de wereldproblematiek kan oplossen met zijn magische krachten. ‘I always tell them that the Dalai Lama has no magical powers.’ En maar niet luisteren, hè. De spirituele leider is hetzelfde als wij: we zijn allemaal mensen – ik zei het net al even – en hij heeft geen andere vermogens dan de rest van ons. De enige kracht die wij hebben en die mensen onderscheidt van dieren, en een gereïncarneerde lama van een gewone lama, is dat we niet de hele tijd in het moment leven, maar vooruit denken, gebeurtenissen bewust herinneren en onze gedachten laten afdwalen als we ons de pleuris vervelen. Zelfs deze kracht is de dalai lama bereid op te geven! Ik ben slechts benieuwd of dat hem ook lukte tijdens het schrijven van dit boek. 

TS

Zijne Heiligheid de dalai lama, Wees hier. Spectrum, € 15,99.

(Onderstaande tekst is de transcriptie van een van de boekenvlogs van gastredacteur JvK.)

Hallo lieve mensen op het internet, daar ben ik weer. Het viel me echt op dat er zo weinig goede leestips beschikbaar zijn op internet, en dat terwijl jullie er nu alle tijd voor hebben, voor het lezen van al die mooie boeken die je leven kunnen verrijken, zeker nu de kinderen weer lekker naar school gaan volgende maand. Dus ik dacht: ik stap in het gat, ik ga leestips geven! Nee, niet weer Camus en Saramago hoor, dat weten we nou wel. Gewoon fijne boeken die ons iets kunnen leren over onszelf en de wereld. Dat is toch de reden dat we lezen, of niet soms? Nou, komen ze.

Allan Bloom: The Closing of the American Mind

Een klassieker uit 1987. Het boek is een lange aanklacht tegen de academische cultuur in de Verenigde Staten van eind jaren tachtig. Moreel relativisme richtte de universiteit te gronde en een hele generatie zou opgroeien zonder de vaardigheid kritisch te denken, zonder over werkelijke kennis te beschikken en zonder de waarheid te dienen. Nou, je ziet het, kreeg Bloom gelijk of niet?

Mark Heirman: De zwarte dood. Hoe de pest Europa veranderde

Lees hoe tussen 1347 en 1352 dertig miljoen Europeanen bezweken aan de pest en hoe de wereld maar net niet ten onder ging aan deze alles verslindende ziekte.

Oswald Spengler: De ondergang van het Avondland

De titel doet het al vermoeden, het gaat bergafwaarts met onze beschaving. Volgens Spengler komen en gaan beschavingen als seizoenen. U begrijpt het al, wij zitten in de winter van onze huidige beschaving en gaan weldra ten onder. Je vraagt je soms af hoe die mensen aan die voorkennis kwamen. Ik bedoel, Spengler overleed in 1936. Hoe kon hij onze tijd zo nauwgezet aanvoelen?

Steve Brusatte: De opkomst en ondergang van de dinosaurus

Stemt nederig, dit verhaal over hoe zulke machtige dieren zomaar konden verdwijnen. We wanen ons nu nog sterk, maar een meteoriet of alles verwoestende pandemie kan ons zomaar van de aarde wegvagen.

Steven Stroeykens: Het einde van de wereld. Een geschiedenis

Soms een beetje te relativerende toon voor een boek over zo’n ernstig onderwerp, maar toch zeker de moeite waard. Doet de verwoesting van het klimaat ons de das om? Komen de ruiters van de apocalyps dan toch nog opdraven? Moorden we elkaar uit? Schakelt door de de mens zelf geschapen kunstmatige intelligentie ons voorgoed uit? Of zal een door het universum voortrazende vuurbal alle planeten en sterren verzwelgen? Het staat allemaal in dit boek.

Alan Weisman: The World Without Us

Weisman laat in dit boek alvast zien hoe de wereld eruit zal zien als de mens is verdwenen. Een uitputtend gedachte-experiment, maar tijdens het lezen vraag je je toch steeds af: heeft Weisman de toekomst gekend?

Claus Leggewie en Harald Welzer: Das Ende der Welt, wie wir sie kannten

Ja, dat klinkt echt niet goed, maar Claus en Harald zien toch ook nog wel een paar kleine lichtpuntjes hoor. Heerlijk boek voor wie wil weten op hoeveel verschillende manieren de toekomst er anders uit zal zien dan de wereld die wij kennen.

Arie Storm: Het horrortheater van de Nederlandse literatuur

En tot besluit een boek dat iedereen die meent dat de Nederlandse literatuur in topconditie verkeert koude rilingen over de rug zal bezorgen. Maar ja, na het lezen van de eerdere boeken op het lijstje kan dat er ook nog wel bij.

Nou, veel plezier deze week en tot de volgende keer. Dan heb ik filosofische boekentips voor jullie. Hoe het lezen van Kant, Schopenhauer en Nietzsche je alle levenslust als bij toverslag kan ontnemen. Ik verheug me er alvast op. Blijf gezond en tot volgende week!

JvK

Archief