Geboortegolf of niet, dat de ooievaar binnenkort een ingebakerd pakket Coronaromans af komt leveren staat vast. Propria Cures vroeg alvast een aantal bekenden hoe de aankomende stormvloed van virusliteratuur hun leven en werk beïnvloedt.

Mai Spijkers

En dan denken ze in de zorg dat ze het zwaar hebben! Wij hebben hier een hele extra afdeling op moeten zetten; gepensioneerde redacteurs terug moeten roepen, een hele zooi studentes tot publiciteitsmedewerkers moeten ridderen… Nee, breek me de bek niet open. Ik weet niet of de Nederlandse uitgeef-infrastructuur wel klaar is voor een publicatiegolf van zulke afmetingen. Want dat het allemaal gepubliceerd moet worden, dat staat natuurlijk vast. We gaan hier niet aan triage beginnen.

Peter Buwalda

Ik geloof er niks van, die aankomende ziektevertelsels. Mooie voornemens kunnen ze allemaal wel hebben; zolang de scholen dichtblijven schiet je geen sodemieter op, doordat er de godganse dag een roedel krijskleuters om je bureau cirkelt. Ik heb zelf Jet ook al moeten ze vragen of ze d’r muil wat vaker kan houden en niet door Ludwich Von heen wil tetteren, maar er wordt hier in ieder geval relatief inhaalwerk verricht. Houd die kinderinrichtingen nog maar lekker lang gesloten!

Eveline Aendekerk

Schrijven? Ho, ho, laten we even rustig aan doen. De enige manier om een goede schrijver te worden is eerst heel veel te lezen! Deze situatie biedt een prachtige kans om niet op kantoor je cup-a-soupmomentje te pakken, maar thuis de hele dag de vermicellisoep der letteren op te lurken! Ik ben de laatste tijd weer prachtige boeken aan het lezen. Annejet van der Zijl, bijvoorbeeld. Wat een verhaal! Voor iedereen die nu in isolement zit is het een mooie boodschap, dat liefde altijd overwint. Telefoonseks met een slechte verbinding of verliefd worden op een slavin, uiteindelijk moeten we allemaal met barrières om leren gaan. Welke docent kan dat nou beter uitleggen dan de literatuur?

Daan Heerma van Voss

Ergens aan het eind van de eerste week schoot het me te binnen: ik ben niet de enige die thuiszit. Plots kon ik me voorstellen dat we allemaal, gescheiden maar toch samen, in deze precaire gevangenis zitten. We’re all fucking in this together, allemaal achter onze eigen zelfopgerichte tralies. Ik moest meteen aan al die prachtige, breekbare getuigenissen en kronieken denken die ik las toen ik geschiedenis studeerde. Otto Frank, eat your heart out, want dat kan ik beter. Ik ga het verzamelen, alles wat deze generatie nu doormaakt moet voor het nageslacht behouden blijven.

Onderstaande tekst is een transcriptie van het eerste filmpje dat onze gastredacteur JvK op zijn YouTube-kanaal plaatste en vervolgens verspreidde via sociale media, speciaal om iedereen in Nederland literair een hart onder de riem te steken.

‘Dag lieve mensen op het internet. U begrijpt dat ik in deze crisistijd niet achter kan blijven. De komende weken ben ik acht uur per dag live op Facebook, doe ik op Instagram wekelijks verslag van mijn wandelingen rond mijn eettafel en twitter ik viermaal per dag een nieuwe leestip de wereld in. Ik weet niet of iemand dat al opgemerkt heeft de afgelopen dagen, maar ik denk echt dat we van literatuur heel veel kunnen leren in deze moeilijke tijd.

De afgelopen dagen herlas ik De pest van Camus en werd erg getroffen door de parallellen tussen de in de roman beschreven epidemie en corona nu. Natuurlijk, er liggen geen dode ratten op straat, we zien geen pestbuilen of verettering van lymfklieren, maar toch, als je het boek leest lijkt het wel of Camus onze tijd gekend heeft, en dat terwijl hij toch al best lang dood is! Zo herken je het genie. Echt een aanrader dit boek.

Al even verbluffend actueel is De stad der blinden van de Portugese schrijver en Nobelprijswinnaar José Saramago. In dat boek blijkt blindheid besmettelijk te zijn. Alle slachtoffers worden geïsoleerd in een ziekenhuis, maar de situatie loopt al snel volkomen uit de hand… Een roman uit 1995, maar opnieuw zijn er zoveel parallellen met onze tijd. Alleen dat hamsteren, dat speelt bij Saramago om begrijpelijke redenen niet zo’n grote rol.

Maar mijn wereldbeeld kantelde toch het meest na lezing van Het mini-mierennest, geschreven door de Vlaamse auteur Willy Vandersteen. Daarin worden twee kinderen samen met hun tante en twee ooms ontvoerd door een man die elders op deze wereld een utopische samenleving wil stichten. U voelt het al aan uw water: die utopische samenleving komt er helaas niet. Na een barre tocht op een soort ark komen de ontvoerde mensen terecht op een onbewoond eiland waar ze de strijd aan moeten gaan met vleesetende bloemen. En ja, in hun gezamenlijke strijd blijken mensen in staat tot het tonen van echte solidariteit en komt die utopische samenleving toch een klein stukje dichterbij… Het was vooral die overeenkomst die me ertoe aanzette dit album van harte bij u aan te bevelen.

Nou, tot zover deze video. Ik hoop dat u er wat aan had. Blijf gezond, zou ik zeggen, en tot de volgende keer. Rest me u nog te zeggen dat ik over een uurtje alweer een filmpje upload op kafkavlogt.org, waar ik u dagelijks bijpraat over wat deze crisis betekent voor mijn herdershond Kafka, en vlak daarna ben ik er alweer op TikTok, waar ik meerdere keren per dag hermetische gedichten voorlees over thema’s als dood, ziekte en de troost van literatuur. Tot snel!’

JvK

Dat de Nederlandse middenklasse op geen enkele manier in staat is tot authentieke zelfexpressie was al langer bekend. Als u het leven in een willekeurig ander land of een andere bevolkingsgroep als een boek of film wil zien, dan is de Nederlandse middenklasse de daarvan door Joop van den Ende kapotgeproduceerde musicalbewerking. Met het vervelende knieën-hoog-handen-in-de-heupenloopje dat de musicalacteur kenmerkt banjert de Nederlandse kleinburger als een overacterende figurant rond door de wereldgeschiedenis.

Als één ding dat de afgelopen tijd weer duidelijk heeft gemaakt is het wel de kleinkunstversie van Aan de Amsterdamse grachten die vrijwel direct na het afkondigen van de eerste coronamaatregelen klonk aan de Egelantiersgracht. In Italië, waar de doodskisten, voor ze eenzaam een gat in worden getakeld, in overvolle mortuaria en kerken liggen opgetast als stapels door een luie bezorger weggesodemieterde reclameblaadjes, waren mensen na verloop van tijd vanaf hun balkons en uit hun ramen hangend samen gaan zingen. Zoiets moesten wij in Amsterdam, besloot een stel enthousiastelingen, ook maar eens doen. Dat honderd kilometer verderop de eerste dode Brabander nog warmer was dan zijn laatste half opgegeten worstenbroodje maakte niet uit; die schuiframen gingen omhoog.

De buurt waar dit zou plaatsvinden stond bij voorbaat al vast. Waar anders in de stad zou zo’n schmierend rollenspel van quasi-spontane volksverbroedering plaatsvinden dan in de Jordaan; volkswijk zonder volk. Vanaf de straat – die immers nog gewoon begaanbaar was  – werd de hele situatie professioneel opgenomen zodat de in harmonie zingende loepzuivere stemmen van vrouwen die in hun leven nog nooit een sjekkie hadden gerookt des te helderder te horen waren.

Goed, dat gezang was op culturele gronden dus verschrikkelijk; ik zou de redactiemarxist van PC niet zijn als ik niet ook even een en ander had nagerekend. De huidige verkoopprijs van een huis op de Egelantiersgracht ligt al snel tussen de anderhalf en twee miljoen euro. Als de overheid tien van die zanglijsters onteigent en het vrijgekomen vastgoed aan, laten we zeggen, Prins Bernhard verkoopt, dan kan van de winst een jaar lang aan een stuk of zeshonderd extra verpleegkundigen een marktconform salaris worden uitgekeerd. (Wanneer u ervan overtuigd bent dat marktconform onderbetaald betekent schrapt u wat mij betreft uit voorgaande zin dat woord en uit mijn voorstel honderd van die ziekenbroeders. Hoeveel het er exact ook zijn, we schieten er gegarandeerd een stuk meer mee op dan met muziektoneel.) De resulterende dakloze operettezangers mogen ondertussen, zo lang ze netjes een vergunning aanvragen en anderhalve meter uit elkaar blijven staan, best op straat door blijven zingen.

BN

Mijn tante is met een Poolse man getrouwd en het was hij, oom Adam, die mij mijn eerste glas wodka gaf. Ik was zeven jaar oud en verlangde naar deze vrucht van de verboden boom. Grote mensen dronken wodka en ik voelde me een heuse meneer – kinderlijke zelfoverschatting gaat vaak voorbij, behalve als je Özcan heet – dus ik drong aan, jengelde, zeurde op de verjaardag van Adam totdat hij een glaasje met de afdruk van de heilige Sebastiaan erop voor mij neerzette. ‘Een cadeau van een grote man aan een andere grote man’, zei hij met een grijns op zijn gezicht.

Hoe dit afliep hoef ik verder niet uit te leggen. Ik kan dat wel proberen, maar dan verval ik waarschijnlijk in clichés over kinderen en alcohol.* Deze gebeurtenis (en vele andere activiteiten waarbij ik werd ondergedompeld in de Poolse cultuur) hebben mij drie wijze lessen geleerd. Ten eerste: Polen houden van cadeaus (geven en krijgen), ten tweede: ik houd van Polen, en, tot slot: Polen en ik houden van drank.

Op mijn dertiende had ik een zomerbaantje in een kas waar perkplanten werden gepoot. De enige reden dat ik dit werk deed was omdat mijn moeder me ertoe verplichtte zodat zij in de vakantie niet de hele tijd een hyperactieve puber in huis had. Om vier uur ging mijn wekker, om vijf uur stond ik aan de lopende band petunia’s en begonia’s te stekken en om deze geestdodende activiteit dragelijker te maken gingen de waterflesjes van mijn Poolse collega’s van hand tot hand, zodat iedereen grinnikend en lichtelijk verdoofd om half tien ’s ochtends koffiepauze had. Als mijn moeder had geweten dat zij de basis zouden leggen voor mijn alcoholmisbruik, mijn vroegtijdig ingetreden geheugenverlies en mijn buitenechtelijke, niet-erkende dochter had ze waarschijnlijk toch voor ritalin of een postnatale abortus gekozen.  

Polen delen alles. Hun drank, en ook hun land, ze delen alles met iedereen: Duitsers, Russen, Oostenrijkers, iedereen mag een stuk Polen hebben. Behalve Joden, homo’s en andere minderheden, maar laat ik de Nederlandse gewoonte om altijd iets irritants, iets zuurs te moeten zeggen achterwege houden. De toezichthouder in de kas had die gewoonte wel; Maarten heette hij, een gierige klootzak die niet snitchte bij de baas, maar wel als zwijggeld iedere week een fles van Jan – mijn collega die mij het meest onder zijn hoeden nam – eiste.  

Enkele weken geleden hield Jan een feestje en ik was uitgenodigd. Op de fiets naar het afgelegen adres in Aalsmeer dat hij aan mij had doorgegeven verheugde ik me al op de zelfgestookte wodka. Hoewel ik weet dat zelfgemaakte drank gevaarlijk kan zijn, knijp ik bij Jan en zijn vrienden graag een oogje toe. Ik kwam aan op het adres dat hij had doorgegeven en ik keek verbaasd rond. Er stonden oude caravans die ooit wit waren, maar nu werden gedomineerd door groene en zwarte schimmelvlekken. Tussen de caravans stond een overwoekerd huis, een sloopkeet waaruit stroboscooplicht en teknobeats kwamen.

‘Welkom, welkom, goed dat je er bent.’ Ik was de drempel nog niet over of de eerste fles wodka en een cilinder Tyskie werden in mijn handen gedrukt. ‘Oude gewoontes slijten niet’, dacht ik en nam een teug uit de fles. De woonkamer annex keuken stond vol met mannen van midden dertig die dansten alsof ze een vliegtuig waren: armen gespreid en klaar om naar de vertrekbaan te taxiën. 

‘Met hoeveel woon je hier?’ schreeuwde ik in Jans oor. ‘Eenentwintig. We hebben geluk dat een collega terug naar Polen moest voor de begrafenis van zijn oma. Daardoor is er nu een stapelbed half bezet.’ Een rondleiding door het huis maakte mij duidelijk dat niet iedere Pool een loodgieter of klusjesman is. Tweeëntwintig slaapplekken in een kamer waar een gebrek aan isolatiemateriaal ervoor zorgde dat airconditioning niet nodig was. Waar ooit een trapleuning zat waren nu alleen nog gaten in de muur waar insecten uit krioelden. Het was een pand dat geen ander doel kon hebben dan deze Poolse bollenpartizanen huisvesten. 

Na enkele glazen wodka veranderde ik van een muurbloem in een superpool, ik sloeg mijn vleugels uit en nam bezit van de dansvloer. Onbekende mannen sloeg mij op mijn schouders en omhelsden me, het was ware verbroedering zoals alleen alcohol dat kan doen. ‘Fuck Otto’, schreeuwde de kale man naast me. ‘Fuck Otto’, riepen anderen terug. De muziek van Mr. Polska beukte uit de speakers, maar deze mannen kwamen er bovenuit met hun oerkreet. 

‘Wie de fuck is Otto’, vroeg ik aan Jan toen we buiten meer spiritus gingen halen. ‘De huisbaas, de werkgever, het uitzendbureau. Otto is alles; God, en nog veel meer.’ Jan nam een grote slok. ‘En het ergste is dat hij goede vriendjes is met die Klaas Dijkhoff van jullie. Hij geeft die lul kaartjes voor PSV en wij maar tussen de ratten leven.’

‘Maar dat is godverdomme corruptie!’ Het Poolse spraakwater deed wat hij altijd bij me doet. ‘Nee, bij ons in Polen had dat corruptie geheten. In Afrika ook; of in Brussel, daarom heet die stad ook klein-Congo. Hier, in Nederland’ en Jan pakte me vast, als een vader die zijn zoon een les wilde meegeven, ‘noemen we dat investeren.’ Ik knikte en kotste over hem heen. De Poolse cultuur was me toch teveel geworden. 

TD

* Murat Isik, Wees onzichtbaar, (Amsterdam, 2017), 5.

Als ik twintig minuten te laat Lunch- en Grillroom Chhiwat Bladi in Amsterdam Nieuw-West binnenloop, zit Arjan Peters er al. ‘Leuk hier hè? Ik vind dit altijd een heerlijke vrijplaats. Ik kwam hier vroeger regelmatig met mijn schaduwgezin,’ vertelt hij opgewekt. ‘Toen was dat allemaal nog een beetje geheim. Nu ben ik de schaamte voorbij en mag die kleine donkere ook op de foto op Facebook.’ Ik was hier graag langer op doorgegaan, maar Peters verandert van onderwerp. ‘Leuk hoor, dat je me vroeg om te gaan lunchen, meestal ben ik degene die dat vraagt. Zullen we wat bocadillos delen?’

Op mijn verbaasde blik – bocadillos, kortweg boca’s, zijn immers Spaanse tapas die zijn oorsprong vinden in de Romeinse oudheid en toen nog bocadilus heette – reageert Peters licht geagiteerd: ‘Ja kijk, je mag van mij ook een tajine bestellen, maar dat is dus een beetje appropriation hè. We kunnen voor het idee natuurlijk wel een bocadillos met kefta bestellen. Ik zag in jullie rubriek dat Harold Hamersma vorige week een rekening van rond de honderd bij elkaar heeft gebikt. Er stond zelfs een gegratineerde koningskrab op de bon. Dat zou je bij de Volkskrant niet moeten proberen. 010 betaalt, neem ik aan?’

Het valt me op dat Peters af en toe wat schichtig om zich heen kijkt. Hij legt desgevraagd uit dat hij zich de laatste tijd ‘opgejaagd wild’ voelt. ‘Ze hebben het op me gemunt,’ fluistert hij me toe. Op de vraag wie ‘ze’ zijn schudt hij kort met zijn hoofd. ‘Dat doet er niet toe, iedereen heeft zo zijn vijanden, zeker een invloedrijk criticus als ik.’  

Aanleiding voor dit lunchgesprek is zijn pas verschenen boekje Balgeil, Peters’ verzamelde korfbalcolums die hij voor de Westerpost schreef, de online buurtkrant waarvoor Peters sinds vorig jaar als vrijwilliger actief is. Het blad draait nog steeds op Dreamweaver, vertelt hij vrolijk, maar het gaat om de inhoud. ‘Net als bij schrijvers.’ Hij heeft veel plezier in zijn nieuwe bezigheden. ‘Toen Lat is hoog over, mijn voetbalcolumns over het WK 2018 verscheen, heb ik ontdekt dat schrijven over sport veel uitdagender voor me is dan schrijven over literatuur. Laat ik het zo zeggen: ook als journalist moet je jezelf telkens opnieuw uitvinden.’ Peters zwijgt even, kijkt me peilend aan en legt dan een hand op mijn hand. Hij blijft er tot het einde van het gesprek, een klein uitstapje daargelaten, liggen.

‘Luister, ik heb zo’n beetje alle grote literaire talenten in Nederland van de afgelopen dertig jaar ontdekt. Ik durf rustig te stellen dat er zonder mij in Nederland geen enkel groot vrouwelijk talent ontdekt zou zijn, maar je moet ook weten wanneer het tijd is om op te houden. Ik heb daar gelukkig een feilloos gevoel voor. Bovendien Willemijn, tijdgeest is het nieuwe zwart, wie zich nu nog alleen op jonge heteroseksuele witte – ken je de term cis? – schrijfsters richt loopt danig achter de feiten aan. Kijk, we weten allemaal dat ik de eerste was die echt aandacht besteedde aan Marieke én Lucas Rijneveld. Een tijd dat ik daarin gestoken heb! Je kunt namelijk niet, zoals veel van mijn concullega’s wel doen, zonder uitgebreide research een goed stuk schrijven over iets belangrijks als non-binair zijn. Ken je dat begrip, non-binair? Had je dat in Rome ook al? Was iemand als Caligula bijvoorbeeld non-binair? Of zeg, een Claudius? Nee, Claudius waarschijnlijk niet, anders had hij vast wel gezegd ‘They, Claudius’, hahaha, maar daar gaat het nu even niet om, waar het om gaat is dat ik de eerste literatuurcriticus was die serieus onderzoek deed naar het fenomeen non-binairiteit in de literatuur. Mijn diepgravende research werd echter wat verkeerd begrepen. Ik ben net als Bibeb hè, ik moet uren en uren met iemand doorbrengen om echt tot de kern van diens schrijverschap door te dringen. Neem nou voornoemde Marieke Lucas Rijneveld; hun – je moet hun zeggen hè – vind ik gewoon écht interessant. Ik had dat eerder ook bij Nowelle Barnhoorn, Marjolijn van Heemstra, Hagar Peeters, Karin Amatmoekrim, Daphne Huisden, Nina Polak, Niña Weijers, Hannah van Wieringen, Bregje Hofstede, Tjitske Jansen, Désanne van Brederode, Maria Barnas, Daan Borrel, Lize Spit, Sanneke van Hassel, Alma Mathijsen, Esther Gerritsen, Franca Treur, Renske de Greef, Ellen Deckwitz, Lieke Marsman, Marga Minco, Laura van der Haar, Marente de Moor, Anna Drijver, Daphne Huisden, Hanna Bervoets, Iduna Paalman, Sarah Meuleman, Shira Keller, Iris Koppe, Vrouwkje Tuinman, Emma Curvers, Roos van Rijswijk, Griet Op de Beeck, Rosita Steenbeek, Daphne Huisden, Renée én Eva Kelder, Hella Haasse, Solomonica de Winter, Olga Kortz en Yasmina Allas. Ik had het eigenlijk alleen niet bij Maartje Wortel. Die was boos hoor, toen ik haar niet mee uit lunchen vroeg. Uit pure nijd heeft ze geprobeerd alle nog ovulerende schrijfsters lesbisch te maken. Gelukkig heb ik daar een stokje voor weten te steken. Soms moet je je als man opofferen voor Het Hogere. Want de Nederlandse literatuur heeft er natuurlijk niks aan als al die schrijfsters de hele dag met elkaar liggen te vingeren, kom op, er moet geschreven worden, dames! De literatuur is in gevaar! Ontlezing dreigt! De alfastudies verdwijnen! Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar zonder mij waren een Marjolijn van Heemstra of een Bregje Hofstede misschien ook wel lesbisch geworden. Ik heb ze met diplomatieke Facebookberichten en prikkelende sms’jes nog maar net aan de goede kant van de lijn weten te houden. En natuurlijk geef je ze dan ook af en toe even een balletje extra hè? Met drie ballen kom je er niet, zeg ik altijd maar. Toen Désan en ik nog bij elkaar waren moffelde ik er ook altijd een balletje bij. Niet dat dat geholpen heeft trouwens, maar goed, liefde maakt zelfs mij af en toe wel eens blind.’  

Peters pakt een spray uit zijn jaszak en spuit drie keer in zijn mond. ‘Sorry dat ik je even loslaat. Dit zijn orders van de tandarts. Ik wil natuurlijk niet dat jij straks opschrijft dat ik naar oude man ruik. Of smaak.’ Hij bergt de spray weer op en pakt voor de zoveelste keer zijn mobiel. Al zuchtend kijkt hij neer op het scherm. ‘Goed, kan dit even off the record? Wilma (de Rek-WvD) zit dus mapjes van me aan te leggen, dossiers heten dat geloof ik, al vind ik dat zelf een gewichtig woord voor de drie halve knipsels van Joost Zwagerman en de tweeregelige mails van een paar jonge schrijfsters die ze verzameld heeft. Ze doet verdorie net alsof ik de Nederlandse Jean-Claude Arnault ben! Dan had ik toch echt met iemand anders moeten trouwen dan met Schorpioen van Brederode, ha ha! Veel te jaloers. Luister, ik ben echt dolblij met mijn nieuwe korfbalcorrespondentschap, maar ik heb ook weer even een succesje nodig, Willemijn, ik moet laten zien dat ik het nog steeds in me heb, dat ik nog steeds een neus heb voor literaire vrouwen. En met Marieke Lucas Rijneveld, Daphne Huisden en Radna Fabias heb ik het non-binaire, gekleurde segment wel weer afgegraasd, dus ik dacht zelf aan ouderwets blond. Ik hou eigenlijk meer van exotisch, maar die zijn dus op. Of ze wonen in Colombia of Mexico. Of Honduras, maar daar is het oorlog. De Zuid-Amerikaanse literatuur, die vind ik toch zo prachtig. Valeria Luíselli. Liliana Colanzi. Mónica Odeja. Claudia Donoso. Asha Karami. Nisrine Mbarki. Fatena Al-Ghorra. Han Kang. Maar goed, waar waren we gebleven? O ja, bij jou. Het is nu dus tijd voor iets leuks van eigen bodem, liefst met een gezellige Unox-uitstraling, anders valt het ook weer zo op. Een soort Ina Boudier-Bakker. Heb je ooit een foto van haar gezien? Ik vind het wel treffend. Wij gaan jou groot maken Willemijn, wij gaan jou tot de Hera van de Hollandse Olympus verheffen! Ik weet dat ik in de Volkskrant heb geschreven dat je nogal eens in het romannetjesregister vervalt en nog niet genoeg dúrft en natuurlijk ben je geen Hilary Mantel, maar zo’n BNG Bank Literatuurprijsje krijg ik jouw kant wel opgeduwd hoor. Weijers krijgt dan wel een keer de Ida Gerhardtprijs of zo. Of een balletje erbij als ze ooit nog een nieuw boek afkrijgt. Wat denk je ervan? Zullen we hier onder het genot van een echt dinertje verder over praten? Heb je een 06? Dat is toch wel wat handiger dan die chatfunctie van Twitter. Slaap lekker alvast, straks.’

Willemijn van Dijk

Archief