27 oktober

Werk aan de vertaling van de nieuwe roman van John Banville, probeer een essay te schrijven voor De Groene Amsterdammer, daarnaast ben ik bezig met een roman – min of meer een vervolg op mijn vorige. Maar vooral is dit mijn laatste week als redacteur van Propria Cures. Ik denk aan de woorden van Erik van Muiswinkel toen hij me introduceerde op een avondje waar de redactie van Propria Cures optrad. De meeste mensen, legde hij uit, zijn eerst een paar jaar redacteur van Propria Cures en worden daarna literatuurcriticus bij Het Parool, AS bewandelde de omgekeerde weg: eerst recenseerde hij achttien jaar lang boeken voor Het Parool en toen werd hij redacteur van Propria Cures. Het is een goede samenvatting van mijn bestaan, iets waar nu dus een eind aan komt, aan dat bestaan op die manier. Want Propria Cures is een manier van leven. Elke twee weken ben ik gedurende zo’n drie jaar op maandagochtend, en later op dinsdagochtend, en de laatste tijd op woensdagochtend, met een kop koffie achter mijn computer gaan zitten om een stuk voor Propria Cures te tikken. Mijn literaire carrière, die ik al behoorlijk naar de knoppen had geholpen door in Het Parool me uit te leven in de door mij geschreven recensies, bracht ik wederom klap na klap toe. Juist op het moment dat er een boek van mij uitkwam beledigde ik boekhandelaren. En kwam er een nieuw boekenprogramma op tv, dan kraakte ik dat geestdriftig af. Had ik handige contacten met netwerkende ‘schrijvers’ kunnen opbouwen (Tommy Wieringa, Ilja Leonard Pfeijffer, Pieter Waterdrinker), dan begon ik in plaats daarvan die schrijvers uit te schelden. Kortom, ik heb genoten, maar ik kon en mocht me nergens meer vertonen. Behalve bij mijn lieve en jonge vrienden van Propria Cures, die ik overigens evenzogoed meesleurde in mijn vrije val naar beneden. Ook zij raakten er dankzij mijn deskundig opgediste verhalen tijdens redactiebijeenkomsten van overtuigd dat de literaire wereld uit niets anders bestaat dan slecht schrijvende ratten en commercieel gederailleerde boekverkopers en uitgevers die zich alleen nog bezighouden met de agenda van literaire prijzen en daar hun uitgeefbeleid op afstemmen. Droomden mijn lieve en jonge vrienden van een literaire carrière voordat ik op hun levenspad kwam? Het doet er niet toe. Ze hebben inmiddels alle hoop opgegeven. Ze hebben zich net als ik vastgebeten in een haat jegens alles wat met ‘literatuur’ te maken heeft. Ze hebben zelfs van mij geleerd dat ze die aanhalingstekens om het woord literatuur moeten zetten, zoals je voor Tommy Wieringa steevast ‘schrijver’ tussen aanhalingstekens zet. Het nemen van afscheid is bij mij een proces. Meestal doe ik het dan ook niet. Met als gevolg dat ik doorgaans voordat ik netjes gedag kan zeggen eruit ben getrapt. Ik pikte de signalen niet op van mijn mederedacteuren, of ik negeerde ze, opmerkingen over mijn leeftijd hoorde ik niet (wat misschien ook iets over mijn leeftijd zegt). Ik bleef zitten waar ik zat, en ik zat daar goed. Dacht ik.

28 oktober

Gisteravond naar een promotie geweest in Leiden. De promovendus was niet meer de jongste, een man van bijna zeventig. Hij trakteerde na afloop van de plechtigheid een groot gezelschap op een etentje. De twee mensen aan wie hij het meest te danken had gaf hij elk een boek cadeau: aan de een John Steinbecks Ten oosten van Eden en aan de ander Het achtste leven van Nino Haratischwili. Romans die voor hem naar eigen zeggen veel hadden betekend. Maar dat is toch kitsch, merkte iemand zacht op. Hij bedoelde waarschijnlijk Haratischwili – Steinbeck valt misschien nog wel mee. Maar verder bleek iedereen aan de tafel waar ik zat erg te spreken te zijn over deze keuze. Ik ben er niet voor dat mensen zo openlijk voor hun ‘literaire’ voorkeuren uitkomen; het is lastig om ze daarna nog serieus te nemen. Het valt me altijd op hoe dom mensen zijn als ze boeken lezen. Het lijkt erop dat voor veel mensen geldt dat als ze al genietend bladzijde na bladzijde omslaan – lezen is goed voor je! – hun hersencapaciteit evenredig afneemt. Vandaag wakker geworden met een lijstje in mijn hoofd van zaken en mensen die ik nog in Propria Cures wil bespreken. De teloorgang van Rob van Essen, zijn banden met Schwob en de mate waarin dat zijn manier van recenseren beïnvloedt, sowieso zijn slijmen met mensen die iets voor hem kunnen betekenen, de negatieve invloed die Schwob heeft op het vertaalklimaat in Nederland (ik was In Propria Cures al begonnen met de aanval op Schwob, maar het aangekondigde derde deel heb ik nooit geschreven), de eigenaardige comeback van Arjan Peters, de mensen die hem verdedigen, de krankzinnige sympathie die er bestaat voor ‘leuke’ kleine uitgeverijen en misschien nog maar eens een stuk over hoe de lokale boekhandel zich weinig solidair met schrijvers heeft opgesteld in coronatijd. Maar ik besefte dat het niet meer hoefde.

29 oktober

Frans Kellendonk schrijft in zijn dagboek (op 30 juni 1983) over de laatste Revisor-vergadering die hij als afscheidnemend redacteur bijwoonde. Al zijn mederedacteuren krijgen nog even een trap na, waarna hij concludeert: ‘Niemand staat ergens voor, iedereen zit daar een mythe in stand te houden en een pluim op zijn eigen hoed te steken. De Revisor! De dode zielen.’ Hoe anders zijn de herinneringen die ik heb aan mijn mederedacteuren bij Propria Cures. Stuk voor stuk talentvolle en sympathieke jonge mensen. Het is de gewoonte bij Propria Cures om redacteuren aan te duiden met initialen. Dat doet geen recht aan wat ik van Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun en Aron vind (in PC-traditie laat ik hier onze meelopers weg, maar van hen verwacht ik ook veel). Ik raak ontroerd als ik aan ze denk. Elk van hen kan op haar of zijn eigen wijze geweldig schrijven, en in de periode dat ik (gast)redacteur was, werkte ik dankzij hen mee aan het beste literaire blad van Nederland. Ik las het blad met enorm veel plezier. Maar daarnaast – ja, ik ga nu gewoon maar even door – heb ik mijn mederedacteuren leren kennen als erg aardige jonge mensen. Er zijn weinig redacteuren van Propria Cures uitgegroeid tot echt grote romanschrijvers, maar van mijn mederedacteuren heb ik hoge verwachtingen. Melle is erg grappig, Mathijs superintelligent, Billie is een talentvol dichter, de stukken van Tessa had ik graag zelf willen schrijven zo goed vind ik ze, Teun heeft veel gevoel voor het onderuithalen van reputaties en doet dat steeds beter, steeds meer als een echte fictieschrijver die zich toch ook aan de feiten houdt, en Aron heeft het gemeenste pennetje, terwijl ik hem in werkelijkheid heb leren kennen als een schat. Zou een van hen ooit een roman schrijven (of een dichtbundel, en dan denk ik vooral aan Billie)?

31 oktober

Verloren met dammen gisteren. Het was mijn eerste competitienederlaag van dit seizoen – misschien de avond ervoor toch iets te lang in de kroeg gezeten. Mijn vrienden van Propria Cures waren er niet eens, dus wat ik daar deed? Ik liep even rond tijdens mijn partij en een andere dammer die ik al heel lang ken zei dat ik steeds meer op mijn vader (die in 2015 is overleden) begon te lijken. Dat een zoon die ouder wordt steeds meer op zijn vader gaat lijken is natuurlijk een cliché als een dichtregel van Arjan Peters, maar waarschijnlijk heeft die opmerking er wel voor gezorgd dat ik niet veel later mijn partij verloor. Gelukkig speelde Ajax ’s avonds gelijk tegen Heracles. Straks naar Feyenoord kijken (uit tegen Sparta). Ook ben ik weer aan het lezen als jurylid voor de BNG Bank Literatuurprijs. Ben verdiept in een roman die is uitgegeven door Das Mag Uitgevers. Nou, verdiept is niet helemaal het goede woord. Waarom geven ze bij Das Mag vaak zulke saaie en slecht geredigeerde en oppervlakkige boeken uit? Hebben ze ooit iets van werkelijk literaire waarde het licht laten zien? En dat zinnetje dat ze achter in hun boeken laten opnemen – ‘Das Mag Uitgevers is in 2015 opgericht omdat we vonden dat er in de boekenwereld een hoop beter, mooier en eerlijker kon’ –, gaan ze daar nog concreet iets mee doen? Tot nu toe bleken het alleen maar holle praatjes te zijn. Das Mag is een goed voorbeeld van een pr-machine die zich voordoet als literaire uitgeverij. Het werkt, want veel mensen blijken er ontvankelijk voor te zijn. Ik heb het al vaker geconstateerd: wanneer woorden als ‘literatuur’ of ‘cultuur’ of ‘kleinschalig’ of ‘lokaal’ vallen, dan houden de meeste mensen op met nadenken en vervolgens grijpen oplichters en opportunisten hun kans.

1 november

Feyenoord heeft gewonnen van Sparta, dus we liggen nog steeds op koers om kampioen te worden. Nog iets over die leuke en sympathieke kleine uitgeverijen. Die vormen toch wel het bewijs dat je van lezen niet intelligenter wordt, wat leesbevorderaars daar ook over mogen beweren. Lezers laten zich alles wijsmaken. Er is een man die bij of voor een boekhandel werkt die beweert dat ik boekverkopers met NSB’ers heb vergeleken. Op Twitter kreeg hij voor deze opmerking talloze likes en steunbetuigingen. Die zijn van lezers, neem ik aan. Mensen die in een boekhandel komen en daar boeken kopen. Gelukkig zijn er ook nog lezers van Propria Cures. Ik vind het een eer dat ik een tijd voor hen heb mogen schrijven. Maar bovenal kijk ik met vreugde terug naar de tijd die ik heb beleefd met Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun, Aron en de meelopers. Terwijl ik steeds meer op mijn vader ga lijken, zijn zij mensen die hij tot hun grote geluk nooit heeft gekend. Bijzondere mensen. Talentvolle mensen. Mensen die de literatuur gaan redden en die prachtige romans, dichtbundels, essays en columns gaan schrijven. Of gewoon een gelukkig leven gaan leiden.

AS

Gijs Groenteman was bij zijn geboorte al een teleurstelling. Zijn vader had gehoopt op een abortus en zijn moeder op een maagverkleining, maar allebei kregen ze Gijs Groenteman. Daarna werd het alleen maar erger: op het Barlaeus bleef hij drie keer zitten en toen hij eindelijk klaar was besloot hij bij de VARA te gaan werken. Daar had zijn moeder (Hanneke Groenteman; ik haal de elephant maar even uit de room) furore gemaakt dus hij zou er ook wel even een grote ster worden. Maar zijn hoofd paste nét niet tussen de dijen van Paul de Leeuw en toen was hij plotseling veertig en al heel lang presentator van het VARA-nachtprogramma op Radio 6. Met de moed der midlifecrisis klopte hij aan bij het Parool (daar had mama toch ook nog even gewerkt?) en kreeg zowaar een column. Die was hij na een paar weken alweer kwijt omdat hij de hele tijd het woord ‘alras’ gebruikte. En toen bleek Aaf Brandt Corstius (zijn vrouw) ook nog eens níét onvruchtbaar. Nog een kleine dertig jaar, dacht Gijs Groenteman, en dan is het allemaal voorbij. Als het een beetje meezit krijg ik een necrologie van anderhalve alinea op nu.nl/achterklap.

Maar toen, als bij toverslag, kreeg Gijs Groenteman een geniale ingeving; hij besloot te gaan interviewen. Geniaal, want ‘interviewer’ wordt in Nederland nog net niet met een hoofdletter geschreven. De interviewer verstaat de kunst van het luisteren. Écht luisteren. Maar als het moet kan hij ook prikkelen. Uitdagen, verleiden haast. Soms diplomatiek, soms onorthodox. En hij is altijd hongerig. Interviewen is een kunst, een ambacht. Er zijn zelfs meesterinterviewers.

En dat terwijl interviewen ontzettend makkelijk is. Als je bij een IQ-test de zestig aan kunt tikken ben je er eigenlijk al. Er zijn in Nederland maar twee mensen (mannen) die dat niet halen: Harry Mens en Ivo Niehe. Die zijn inderdaad te dom om te interviewen. Voor alle andere interviewers geldt dat het interview zo goed is als de geïnterviewde. Een interview met Gerard Reve is altijd goed, een interview met Memphis Depay is altijd slecht. De interviewer heeft daar niets mee te maken. Die hoeft alleen maar een tiental feiten uit zijn hoofd te leren (of op te schrijven) en af en toe een stilte te laten vallen. Pieter van der Wielen, Frénk van der Linden en Coen Verbraak zijn alleen maar meesterinterviewers omdat ze heel vaak interviewen. 

Dus vroeg Gijs aan Aaf of hij een keer mee mocht naar de redactie van de Volkskrant en eenmaal binnen verschanste hij zich met een voicerecorder in de archiefkast. En ja hoor – na een aflevering of tien begint Met Groenteman in de kast zijn vruchten al af te werpen: Gijs krijgt een eigen avond in de Balie. Maar nog belangrijker is wat er in de aankondiging staat: ‘[we] duiken samen met meesterinterviewer Gijs Groenteman diep in het intense kunstenaarschap van S10.’ Het is hem gelukt. Gijs Groenteman is een meesterinterviewer. Eindelijk duikt hij diep. In een intens kunstenaarschap bovendien. 

En hij mag nu net als Coen Verbraak en Frenk van der Linden (ik heb een paar alinea’s terug al een accent aigu op de ‘e’ in de naam ‘Frenk’ gezet en dat lijkt mij meer dan genoeg) interviews geven over interviewen. In de Volkskrant: ‘Als interviewer beweeg ik mee met mijn gast. Waarmee ik niet wil beweren dat ik totaal niet kwaadaardig ben. Ik ben me goed bewust van het feit dat een interview entertainment moet zijn.’ Dat klinkt allemaal erg interessant, of nou ja, eigenlijk klinkt het vooral alsof Gijs denkt dat het erg interessant klinkt, maar duidelijk is anders. Misschien is het beter te begrijpen als u een van zijn interviews heeft gehoord.

Doet u gerust een poging. Verder dan een half interview kwam ik in elk geval niet. Gijs Groenteman heeft namelijk de stem van een koorknaap die net iets te laat is gecastreerd. Hij interviewt Adriaan van Dis, een schrijver die zelf ook meesterinterviewer is. Van Dis: ‘Ik kan niet wachten tot ik lid kan worden van een zoekmachine waar ik voor betaal.’ Groenteman: ‘Nou ja, Wikipedia is natuurlijk een website zonder cookies of weet ik veel wat.’ Adriaan: ‘Ja, maar er staan wel hartstikke veel fouten op.’ Gijs (geaffecteerd): ‘Ja, zeker.’ Dit moet het meebewegen zijn waar hij het in de Volkskrant over had. ‘Je hebt een beroemd ruzieachtig interview met W. F. Hermans gemaakt op de televisie, dat hierover [Zuid-Afrika] ging. Hij was daar wat langmoediger [sic] in?’ Adriaan van Dis legt uit dat hij Hermans gewoon een naïeve kankermongool vindt. Gijs beweegt weer mee: ‘Eigenlijk hadden jullie allebei je persoonlijke motieven?’ Waarom heet dit gesprek nog een interview? Omdat het over interviewen gaat? Omdat ze de hele tijd elkaars naam zeggen? Één ding is zeker: de necrologie van Gijs Groenteman zal, net als die van Adriaan van Dis, op nu.nl/cultuur verschijnen. 

AG

U zult wel denken: is september niet te vroeg om te zeiken over kerstliedjes? Moeten niet eerst de truffelpepernoten de winkel uit, de boom worden opgetuigd en uw aanstaande ex, na een twistgesprek over het gebruik van de bordeauxrode servetten of de geërfde zilverkleurige met goudafgezette randen tijdens het diner, afgetuigd? Het zal allemaal wel: mijn blad, mijn ergernissen. Mijn gal komt omhoog door de klassieker ‘De herders lagen bij nachte’, een leugenachtig propagandalied dat enkel overtroffen wordt door René Frogers ‘Een eigen huis’, en dan specifiek door één frase: ‘daar hoorden ze d’engelen zingen’. Engelen zingt niet, hij schreeuwt, raaskalt, blaft door een megafoon heen, terwijl hij deze niet nodig heeft, want met zijn volume is hij in staat om de voorspelde aardbeving onder Istanbul in gang te zetten. Wat zegt u? Heeft dat kerstnummer niets met Ewald Engelen te maken? Verrek, wat scherp! Maar laten we het nu toch maar even over hem hebben.

U kunt deze man kennen van zijn columns in De Groene Amsterdammer waarin hij tweewekelijks een tirade houdt over de hoogopgeleide elite die dit land naar de knoppen helpt. Dat het anonieme twitteraccount @Peter1456891 dezelfde mening eropna houdt en daarmee in een beweging de stelling van prof. dr. E. R (die R staat voor Rombaut. Rombaut! Blijkbaar is gekte genetisch overdraagbaar!) Engelen ondergraaft, deert hem niet. Er is ook een kans dat u hem kent omdat u een seminarium in financiële geografie, zijn zelfgecreëerde vakgebied, bij hem volgt, hoewel hierbij moet worden opgemerkt dat de kans groter is dat u in de Bilderdijkstraat wordt aangereden door een noordelijke witte neushoorn dan dat u daadwerkelijk onderwijs van Engelen krijgt. Onderwijs geven is voor aio’s, de kneusjescolonne waarvan iedereen drie dagen gratis arbeid moet verrichten omdat overuren uitbetalen een gewoonte was die met Den Uyl mee het graf in ging, de verdrukte arbeiders waarover hij iedere keer dezelfde opgefokte column uitbraakt, en daar staat deze hoogleraar ver boven.

Wat doet Rombaut dan voor die ruim € 8000, – per maand? Twitteren dat Ernst Kuipers een enkeltje concentratiekamp moet krijgen. Foto’s uploaden van het uitzicht over de Nederrijn van zijn villa in Heveadorp. En af en toe een boekje schrijven. Zo kwam dit voorjaar Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer uit, een schotschrift waarin Engelen laat zien dat een weerlegging van zijn stelling door een zelf aangedragen tegenvoorbeeld niet betekent dat zijn hypothese onwaar is, maar dat hij juist harder moet schreeuwen en zijn toevlucht moet nemen tot hyperbolen en metaforen om zo een letterkots op te boeren waarvan zijn lezers hun gezicht afwenden. Voorbeeld. Alles in Nederland – en dan bedoelt Engelen ook echt alles, hij fulmineert over ‘een door drank, drugs en seks doordrenkte “belevenisindustrie”, bestaand uit exotische vakanties, festivals en extreme sportevenementen’ – is de schuld van hoogopgeleiden. En wij altijd maar grollen over de dozijnen media en cultuur-meisjes die de universiteit ieder jaar de werkloosheid intrapt; blijken ze in werkelijkheid de wereld te besturen! Hoogopgeleiden zijn volgens Engelen dus een samenklittende groep die mbo’ers negeert. Prima stelling, al is het niet de mijne, want ik scheld de minifascisten in reflecterend uniform die een kruispunt proberen te overheersen consequent uit, dus het verwijt dat ik de diplomalozen niet zie staan, glijdt geheel van mij af.

Het wordt lachwekkend als Engelen verderop in zijn boek tekeer gaat tegen het curriculum van de universiteit. Studenten moeten worden opgeleid tot ‘waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, die steeds op zoek zijn naar de achterkant van het gelijk, die zich niet met een kluitje het riet in laten sturen’. De studenten die dát kunnen, dat zijn wel goede lui. Dus alle hoogopgeleiden zijn fout, maar de goedopgeleide hoogopgeleiden zijn goed, zegt prof. dr. Engelen. Het is een menukaart met Schrödingers kat op een toastje als amuse, een liegende Kretenzer als hoofdgerecht en als toetje een tirade uit Wappiestan over het falende ICT-beleid van de rijksoverheid die tegelijkertijd dankzij een vaccinatieprogramma een chip bij ieder burger inbrengt om zo bloed en DNA af te tappen. 

Staat er dan geen goede zin in het hele boek? ‘Wie zich overschreeuwt verraadt zijn eigen onzekerheid, zo luidt de ijzeren wet van de psychologische overcompensatie.’ Inderdaad, Ewald, inderdaad.

Eigenlijk wilde ik hier zijn boekje laten rusten, verder gaan met de rest van zijn onzin, maar ik kan het niet. Ik ben een diabetisch kind in een snoepwinkel en prop me vol. Wat denkt u van deze? ‘In al zijn geschriften wijst Max Weber op de keerzijde van voortschrijdende technische rationaliteit. Hoe meer waarden, affecten, emoties en het mysterie van God en Schepping uit ons dagelijks leven verdwijnen, hoe meer wij ons gevangen weten in een stalen kooi van bureaucratische afhankelijkheden. […] Het staal van de bureaucratische kooi is koud vergeleken met de warmte van de naastenzorg die kerk en gemeenschap vóór de intrede van het individualisme en het secularisme van de Verlichting bood.’ Bij dit tromgeroffel zie ik mistige Thüringens bossen opdoemen, waartussen Engelen in de ochtend met behulp van twee paarden zijn akker bewerkt en daarna trouw met zijn fokvrouw, die is gedecoreerd met het Ehrenkreuz der Deutschen Mutter, en hun acht kinderen – Günter, Parsifal, Friedrich, Gunnhildr, Freya, Heinrich, Baldr en Reinhard – naar de dagelijkse rundfunktoespraak van de Führer luistert. Vergeleken met dit geblaat is Andreas Kinneging de bedrijfspoedel van RuPaul.

De pamflettenprofessor heeft de laatste jaren niet stilgezeten. In 2016 verscheen De mythe van de gemaakte vrouw: nieuw licht op het feminisme, zijn interpretatie van Simone de Beauvoirs De tweede sekse. Ik zou nu een lollige of snedige opmerking kunnen maken over wat feminisme te maken heeft met financiële geografie, of een absurdistische vergelijking maken tussen muterende zeepaardjes en geobstipeerde darmen, maar ik ben nederig, ken mijn grenzen: het valt allemaal in het niets bij Engelens koeterwaalse redeneringen van hierboven. Vorig jaar verscheen er nog een heus wetenschappelijk paper van hem, wat hem daarvoor voor het laatst in 2017 was gelukt. ‘What comes after the pandemic? A ten-point platform for foundational renewal’, gepubliceerd op een obscure, zelfbeheerde wordpress-website, geen enkel peer-reviewed tijdschrift had de behoefte om deze zesduizend woorden af te drukken. Mocht u zich zorgen maken om de werkdruk van de hoogleraar, dan stel ik u graag gerust: met drieëndertig man schreven ze dit artikel. Dat komt neer op een kleine honderdtachtig woorden de neus, dus als ik deze nutteloze zin even in deze alinea fiets, bevat ze er meer dan Engelen, als we ervan uitgaan dat hij überhaupt iets heeft gedaan, heeft bijgedragen aan zijn enige publicatie uit 2020.

Twee pamfletjes, een paar honderd woorden in een niet-gepubliceerd paper en een enkele boekrecensie hier en daar. Dat is de oogst van vijf jaar je eigen leerstoel managen. Het is niet erg dat Engelen nog luier is dan een zesdejaars rechtenstudent die voorafgaand aan zijn studie al verzekerd is van een plek in de maatschap van zijn vader. Ook niet dat hij op boekentour ging met Marianne Thieme en dat hij voor haar zijn vrouw en kinderen in de steek liet. Engelen schreeuwt en eist zuiverheid, is manisch en manicheïstisch. Hij laat geen ruimte voor de menselijke smet, de eeuwige hypocrisie, het geploeter over de akker van onwetendheid. Maar wie zuiverheid wil moet boven de schoorsteen van Treblinka hangen, het ruikt naar verschroeid mensenvlees. 

‘Alleen in naam is de Nederlandse universiteit een meritocratie; in de praktijk is ze een reservaat van verwende academici’, schreef een hoogleraar eens. ‘Nog altijd worden medewerkers getolereerd die zich met minimale inspanning van hun academische verplichtingen kwijten. Nog steeds staan Nederlandse universiteiten het toe dat medewerkers maandenlang niet op het werk verschijnen’, bulderde hij. ‘Loop voor de grap eens een faculteit binnen. Wat ziet u? Lege gangen, lege kamers, doofstomme computers. De Nederlandse academicus werkt immers thuis; de (schamele) investeringen van werkgever in gebouw, organisatie en infrastructuur ten spijt. Het zijn de vele indicaties van misbruikte collectieve generositeit (goudgerande arbeidscontracten, “spookprofessoren”, snoepreisjes) die de directe aanleiding zijn geweest om academici te dwingen meer rekenschap af te leggen over de besteding van wat uiteindelijk publieke middelen zijn.’ Allemaal misstanden aan de Nederlandse academie! Wat moeten we doen met deze luilakken? ‘Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!’ Was getekend: Ewald Rombaut Engelen. 

Dus Ewald, beste makker, wees consequent. Wees een vent en hang je toga aan de wilgen. En jezelf erbij. 

TD

Van J.D. Salinger was bekend dat hij uitsluitend schrijvers las die lang en breed dood waren. Dat is misschien een beetje een overdreven aanpak. Bovendien kan die snel tot een karikatuur verworden. Kitschauteur Pieter Waterdrinker deelde ook een keer mee dat hij alleen nog doden las. Want die schrijvers van nu konden er allemaal niks van en de jeugd moest hem, Pieter Waterdrinker, niet, en niemand moest hem, en nu hij er toch over begon: ze pestten hem allemaal, en hij was toch eerder een auteur in de lijn van Dostojevski en Nabokov en Tolstoi, en Nederland was een tyfusland, en… Kortom, welkom in het gekkenhuis, waar de patiënten immers ook altijd schijnen te denken dat ze Jezus of Napoleon zijn en waar ze wéten dat echt iedereen tegen ze is.

Van Salinger naar Waterdrinker, dat is best wel een grote stap, of liever gezegd duik naar beneden. Van Pieter Waterdrinker naar Abdelkader Benali is echter maar een klein huppeltje, al is de ene netwerker uiteraard niet de andere netwerker (ik had hier eerst antisemiet staan, maar Benali is natuurlijk geen antisemiet, alleen als hij dronken is). Benali vindt, schreef hij in een column in Trouw, dat je alleen nog levende schrijvers moet lezen: ‘We moeten voorbij de canon van de babyboomers.’ Benali bedoelde eigenlijk de witte babyboomers, want een oude knar als Alfred Birney kon weer wel: de studie Nederlands moet, merkte Benali op, zien af te komen van ‘het ongewenste label’ dat het ‘een spierwitte studie’ is. Let op: Benali schrijft niet wit maar spierwit; hij heeft het niet over zomaar een label, maar over een ongewenst label. Dit taalgebruik is bepaald niet subtiel of suggestief. Het heeft niets met literatuur te maken, laat dat duidelijk zijn. Maar goed, laat die Benali maar lekker doortikken, zullen ze bij Trouw hebben gedacht, want, en, nou, ja – je weet eigenlijk niet wat ze op zo’n krantenredactie precies denken. Ik denk dat ze bevangen zijn door algehele krankzinnigheid.

Hoe dan ook, de column van Benali was tegen het zere been van allerlei neerlandici. Ze sputterden in elk geval een beetje tegen. Daarna wisten ze niet hoe snel ze Benali moesten aanwerven om lezingen op diezelfde universiteit die hij zojuist nog had beledigd te verzorgen of hoe spoedig ze hem moesten uitnodigen voor boeiende discussies over dit door hem aangezwengelde bijzonder interessante onderwerp.

Ik heb ook Nederlands gestudeerd en o god, wat schaam ik me voor mijn collega’s. Terwijl ik dit tik zijn ze op Twitter zelfs een actie begonnen onder de hashtag WIJZIJNNEERLANDICI. Ze leggen uit waarom ze Nederlands zijn gaan studeren en hoe belangrijk die ervaring voor hen is geweest en hoe fijn het voor anderen zou zijn om ook Nederlands te studeren.

Jeroen Dera, die inmiddels literatuuronderwijs onderzoekt en poëzierecensent is (lees ik op zijn tijdlijn), deelt mee dat er veel goede redenen zijn om je op universitair niveau in onze letteren en taal te verdiepen. En dan komt het: ‘Ik studeerde Nederlands, omdat spelen met taal mij op de middelbare school in het hart raakte.’ Ik denk dat sinds het pedonummer er geen viezere zin in Propria Cures heeft gestaan dan die ik zojuist van Jeroen Dera heb geciteerd. Spelen met taal. In het hart raken. De universiteit als kleuterspeelplaats waar je elk moment clichémannetje Jeroen Dera tegen het lijf kunt lopen. Moeder ga voor uw kind staan, Jeroen Dera komt eraan.

Lees ik schrijvers van nu, romans en gedichten van jonge mensen, gewoon, buiten de universiteit om, op mijn eigen houtje? Zeker. Ik lees zelfs ook boeken van mensen die doceren aan de universiteit. Een mooi boek is, ik noem maar wat, Verrek, het is geen kunstenaar van Edwin Praat. Het gaat over het schrijverschap van Gerard Reve. Reve is al een tijdje dood, maar volgens mij leeft Edwin Praat nog wel.

Dat is een van de aardige kanten van lezen: je kunt (over) dode en levende schrijvers lezen, over vroeger en nu, en zelfs over de toekomst, en om helemaal precies te zijn lees je als je literatuur leest eigenlijk helemaal nooit óver iets, nee, je leest iets wat er eerder niet was, je leest namelijk literatuur. Ik formuleer dit even zo scherp omdat dit vaak wordt vergeten, er wordt zelfs doorgaans niet aan gedacht. Er is hier al met al sprake van een iets ingewikkelder kwestie. Je ziet het de mensen die pleiten voor een universitaire studie Nederlandse taal- en letterkunde doen en ook Benali is van deze aanpak: ze devalueren literair taalgebruik en maken er een eenvoudig voertuig van voor het overbrengen van bepaalde menselijke waarheden en waarden. Literatuur en de bestudering ervan wordt een aanvulling op moraalfilosofie. En een moraal, dat is precies waar literatuur niet om gaat.

Zolang literaire fictie, of creatief schrijven, of scheppend proza, in dit licht wordt beschouwd, blijft het altijd een studie die zich ondergeschikt maakt aan andere studies, en zullen de Benali’s van deze wereld munitie in handen hebben om de studie Nederlands af te schieten. Arme schrijvers, dood of levend, die aan de hand van dergelijke moralistische of modieuze termen onder het vergrootglas worden gelegd. Neerlandici die de discussie met Benali aangaan, zetten de bijl aan de wortel van hun eigen vak. In plaats van dat ze trots zijn op hun eigenzinnigheid laten ze zich door Benali meeslepen de modder in – het slijk der onwetendheid. Ze moeten tegen Benali zeggen dat hij op moet tiefen.

AS

Hoi, dit artikel gaat jou ongeveer een half uur per dag opleveren. Jazeker, het is een zelfhulp-stuk. Voor jou, maar ook voor mij, want jij gaat vanaf nu sneller werken en daardoor hoef ik straks minder lang te wachten als ik een dokter of een advocaat nodig heb, of als ik ooit – God verhoede – achter jou in de rij sta bij een lopend buffet.

De crux, ik zeg het maar meteen, is dat je moet opschieten. Gewoon: altijd. Met alles. Als je nu alvast een beetje opschiet met lezen, heb je het in vier minuten uit – dat is best een investering, maar die verdient zich dus ruimschoots terug en op je sterfbed zul je zeggen: “Dag allemaal, ik heb veel fouten gemaakt in mijn leven, maar sinds die paar minuten Propria Cures lezen in 2021 heb ik in elk geval geen kostbare tijd meer verkloot.”

Veel zelfhulp-gelul gaat tegenwoordig over tot rust komen, effe de smartphone wegdoen, stilte opzoeken, jezelf terugvinden of juist verliezen door meditatie of andere vormen van niks doen – och jongens dat heerlijke Hollandse woord “niksen” doet het zo goed in Amerika, wat enig! – maar het tegendeel is waar: van opschieten word je veel en veel gelukkiger dan van niksen, al was het maar omdat je met opschieten af en toe iets gedáán krijgt.

En ik heb het dus niet over haast maken omdat je anders te laat komt of omdat het leven zo kort is – wat trouwens ook prima redenen zijn om op te schieten – ik heb het over opschieten omdat de wereld er gewoon veel mooier op wordt als je niet zo treuzelt. Sommige mensen snappen dat al, bewust of onbewust, maar in het algemeen heeft opschieten nog steeds een heel dubieuze naam. Als je bijvoorbeeld een groepje waggelende zombies inhaalt op een smalle stoep, vragen ze verwijtend: “heb je háást of zo?” – alsof haast een soort ziekte is, of een schande.

Dan kun je denken: nou en, maar het zegt álles over de status van opschieten in 2021. Het wordt geassocieerd met streberigheid, met voordringen zelfs. Ambtenaren die een beetje opschieten en het werk in de helft van de tijd doen, worden door hun collega’s beschouwd als een gevaar: wat doet die gek, straks moeten wij ook gaan opschieten! Traagheid is de norm. Je ziet het ook bij lopende buffetten: iedereen staat ongeduldig te wachten, maar zodra mensen zelf eindelijk aan de beurt zijn, komt er een soort natuurlijke rust over ze, en schieten ze onmiddellijk terug in hun trage basishouding: gezellig keuvelend alle aardappelkroketjes inspecteren en dan uiteindelijk toch voor de patat gaan.

Vroeger was dat anders. De Piramides van Gizeh zijn in een paar decennia uit de grond gestampt, het Paleis op de Dam is in ongeveer vier dagen gebouwd. Lekker vlot, zo ging dat toen. Nu is dat ondenkbaar: als tegenwoordig de lichtknopjes worden vervangen, gaat het hele Paleis vier maanden dicht en moeten de trams op de Dam tot diep in het volgende jaar omrijden.

Soms lees je dat deze generatie een goede oorlog nodig heeft. In oorlogstijd merk je weer hoeveel je kunt en durft, is de gedachte, en blijkt dat je dingen die normaal jaren kosten, best in een paar weken kunt regelen. Maar corona heeft bewezen dat zelfs dát niet meer werkt voor Nederland. Het was een crisis zonder weerga, duizenden doden, alles dicht, maar zelfs de meest basale maatregelen zoals mondkapjes uitdelen of een quarantaineplicht invoeren, bleken niet mogelijk zonder máánden geklooi en getreuzel. Van het toeslagen-schandaal tot de kabinetsformatie of de evacuatie van Kabul, bij álles merk je dat “tut-tut, rustig aan” de algemeen geldende mentaliteit is – en dat bijna iedereen het accepteert!

Het heeft, naast cultuur, ook met competentie te maken. Niet iedereen kán opschieten. Je moet er een beetje slim voor zijn, scherp, uitgeslapen – als domme mensen gaan opschieten, gebeuren er ongelukken. Maar ik heb het niet tegen domme mensen, ik heb het tegen jou. Jij bent slim genoeg om alles wat je doet zeker 30% sneller af te hebben dan nu. Echt waar. En tuurlijk, dan gaat er wel eens iets mis. Ik heb zelf bijvoorbeeld na de vorige alinea even snel de afwasmachine ingeruimd en daarbij in mijn haast een vol glas koude thee in de prullenbak gekieperd. Maar ook dát heb ik snel weer opgelost en uiteindelijk ben ik alsnog sneller klaar dan iemand die niet opschiet.

Je zult trouwens al snel merken dat je er beter in wordt. Je kunt het ook bewust trainen, maar je moet het dus vooral niet gaan zien als een trucje, als een soort extra “skill” die je in nood kunt toepassen. Integendeel: het gaat erom dat opschieten je primaire instelling moeten zijn, bij alles wat je doet. Een onbewuste basishouding, net als op het verkeer letten en blijven ademen. Gewoon bij alles denken: hoe kan dit zo snel mogelijk? – en dat dan doen. Het grote probleem van trage mensen is dat ze opschieten zien als noodgreep, als iets wat je pas doet als je te laat bent begonnen. Maar het is precies andersom: wie rustig aan kan doen, heeft blijkbaar te veel tijd genomen en heeft dus een inschattingsfout gemaakt.

En ik bedoel dus niet dat je de hele dag moet lopen draven, ik heb het vooral over beter plannen: als je in een nieuwe stad woont, blijf je de eerste jaren bij elk fietstochtje checken wat de kortste route is, rekening houdend met snel asfalt (mijd de grachten!) en slome stoplichten. In de supermarkt perfectioneer je je route en gebruik je de zelfscan-kassa of de zelfscanner – de gewone kassa is uitsluitend voor bejaarden zonder pinpas en wanhopige columnisten die nog een lollig maar o zo veelzeggend gesprek moeten opvangen tussen een Syrische vluchteling en de Jordanese kassamevrouw voor hun stukje van morgen.

Als je op kamers gaat en je moet klussen: nooit nooit nooit naar de Praxis. Los van het feit dat het een kutwinkel is waar niemand iets weet en waar de schroeven – als ze toevallig op voorraad zijn – drie euro voor een doosje van acht zijn, kost het ALTIJD meer tijd dan je denkt. En bij klussen is tijd nu eenmaal de belangrijkste factor. Als je iets nodig hebt, bestel je het online en ga je intussen verder met een andere klus. Op die manier kun je soms acht klusjes tegelijk half af hebben, maar dat is beter dan urenlang tussen de rottende lijken in de rij bij de bouwmarkt staan en daardoor twee weken doen over het ophangen van een boekenplank.

Dat geldt trouwens ook buiten de Praxis: geld is alleen maar interessant omdat je er tijd mee kunt kopen. Een taxi nemen is dus niet decadent, het laat juist zien dat je het leven – en dus de tijd – serieus neemt. Een verstandig mens deelt zijn tijd zo in dat hij zo veel mogelijk geld verdient, en geeft zijn geld zo uit dat hij zo veel mogelijk tijd bespaart. Ik bedoel dus ook zeker niet dat je dagen van 14 uur moet gaan maken: het gaat er juist om dat je tijd overhoudt door op te schieten.

Opschieten is heerlijk, alsof je een nieuwe versnelling op je fiets ontdekt die andere mensen niet hebben. Maar het is ook nodig om de verzorgingsstaat te redden, want onze productiviteit zal flink omhoog moeten. Opschieten moet weer een deugd worden, en tijdverspilling een zonde. Te laat komen zou ook veel zwaarder moeten worden bestraft, want je steelt in feite andermans tijd. Iemand laten wachten is diefstal, of eigenlijk vandalisme, en op zijn minst een grove belediging. Ik heb liever dat je stipt op tijd bent en mij de tering wenst dan dat je een kwartier te laat komt aankakken met een glimlach en een complimentje over mijn kapsel.

En misschien denk je nu nog steeds: o oké, interessante insteek, ik hou het in mijn achterhoofd maar ik wacht even op een podcast van de Guardian of een longread op de Correspondent, en dan haak ik wel aan als het Volkskrant Magazine erover schrijft, met foto’s van Jonathan die een lollige stopwatch in zijn hand heeft of zo, maar dat gaat niet gebeuren want ik heb geen tijd voor die onzin en jij ook niet. Dus gewoon nu beginnen met opschieten. Of laat mij erlangs, dat mag ook.

Jonathan van het Reve

Archief