Julien Althuisius klinkt u misschien in de oren als een verzonnen naam – maar dat zijn alle namen, sukkel. U kunt beter zeggen dat Julien Althuisius klinkt als een naam die verzonnen is door Harry Mulisch, voor een romanpersonage dat op een bedlegerige septemberochtend aan zijn anus krabt om er dan achter te komen dat zich daarin een opgerolde schatkaart voor een scheepswrak ergens in de Bermudadriehoek bevindt. En voor de jonge lezers die niet weten wie Harry Mulisch was: denk aan een soort Joost de Vries met minder kapsones.

En, voor de lezers die niet weten wie Julien Althuisius is: dat is een columnist bij de Volkskrant. Nooit een goed teken, natuurlijk, en alsof één Sylvia Witteman nog niet genoeg is schrijft Althuisius ook columns ‘over het dagelijks leven’, steevast met minstens één van de drie elementen uit de volgende triviale trifecta: gênante situaties in de tram die nooit gebeurd zijn; sociaal voyeurisme in de rij van de supermarkt; en anekdotes met de kinderen aan de ontbijttafel, die altijd besloten moeten worden met het mierzoete besef dat we toch wel van ze houden, hoe mislukt ze ook zijn. Lijkt me overigens logisch: het zijn je kinderen. Ik mag hopen dat je nog van ze houdt als ze meer met de kat knuffelen dan met jou – dat maakt je nog geen goede vader. 

Het echte probleem met dit soort columns is natuurlijk niet eens bovengenoemd feelgood-cliché. Het is zelfs niet zinnen als ‘Deze dikke laag gelijkmatig uitgesmeerd ongemak vindt plaats met wederzijds en stilzwijgend begrip’ en ‘Het was niet de emotie in haar gezicht die me raakte, maar het gebrek daaraan’. Het echte probleem is dat de kinderen van Julien Althuisius mij geen kanker kunnen schelen. Ze mogen wat mij betreft vandaag te pletter storten als dat betekent dat ik die compleet van enig wenkbrauwhaar verstoken rotkop nooit meer hoef te zien bij de column van de dag. Meneer lijkt wel het eerste testsubject voor een experimentele, zeer plaatselijke chemokuur voor oogkanker. 

Een ander bloed onder mijn afgekloven nagels vandaan halend ticje van Althuisius, dat hij overigens deelt met belletjelellende lellebellen als Marja Pruis en Niña Weijers, is dat hij, als hij in zijn columns schrijft over bekende mensen, altijd onnodig vaag doet over wie het nu betreft. ‘Waarschijnlijk wilde ik stoer doen, of grappig, of in ieder geval iets om maar enigszins in het gevlei te komen bij deze schrijver, die een van de meest gewaardeerde is in Nederland, die al literaire prijzen won toen ik nog ingestopt werd door mijn moeder; die ik bewonder, al is het alleen maar omdat ze zo ongegeneerd zichzelf is.’ Zeg, voor wie doet Althuisius dit nou eigenlijk? In elk geval niet voor de 99% van de Nederlandse bevolking die helemaal niet wil weten wier hielen Althuisius nu weer heeft liggen likken. En de rest raakt alleen maar gefrustreerd, omdat ze dacht dat ze kinderachtige rebussen voorgoed op de basisschool had achtergelaten. 

Maar, goed dan, ere wie ere toekomt: zelfs Julien Althuisius breekt zo nu en dan met de vaste vorm van columns van de dag. Zo geeft hij af en toe ook zonder anekdotische aanleiding zijn mening over moderne maatschappelijke fenomenen. En dan kan hij nog wel eens fel uit de hoek komen. Zo moeten er tribunalen komen, onder andere ‘voor mensen die het woord “eyecatcher” gebruiken. Voor mensen die het woord “boevenpad” gebruiken, voor mensen die about last night zeggen; of gamechanger.’ Tribunalen voor mensen met lelijk taalgebruik; dat klinkt als kantoorhumor. En dat klopt, want Althuisius blijkt de grap te hebben overgenomen van een collega. Dat het allemaal dus toch weer voortkomt uit een gaapverwekkende anekdote, kunnen we hem nog wel vergeven. Wat we hem daarentegen niet kunnen vergeven is de gruwelijke denkfout dat het op enigerlei wijze interessant of intelligent is om een hekel te hebben aan dit soort taalverschijnselen. Meer mensen, en dan met name mensen die in kantoren werken, lijken te denken dat liefde voor taal inhoudt dat je een lekker warm gevoel in je buik krijgt als je een alliteratie leest. Gewoon een keer een fatsoenlijk boek lezen, ho maar.

Snoeverij is het dus, maar ook hypocrisie. Dat Althuisius’ ludieke taalvoorkeuren op niets anders zijn gebaseerd dan de dikke eelthuid van zijn voorhoofd, bewijst een van zijn andere stukken. Daarin noemt hij de inbreker van zijn auto ‘Een onverlaat. Een snoodaard. Een spitsboef’. Als dit geen woorden van de categorie ‘boevenpad’ zijn, is het zelfbewustzijn van Julien Althuisius niet van de categorie meelworm. 

En dat dat laatste wel degelijk zo is, demonstreert Althuisius ten slotte graag nog eens zelf, in een nog recentere column. ‘Mijn trainers benaderen zaktraining als een voorbereiding op een echt gevecht’, schrijft hij, oprecht verbaasd. Maar Julien, wat is een training anders dan een voorbereiding op een echte situatie? Misschien is dat anders voor Julien Althuisius, en heeft hij, na het halen van zijn zwemdiploma, nooit meer een voet in een zwembad gezet. Het zou ook meteen zijn columns verklaren: sinds hij in groep drie leerde schrijven, heeft hij nooit meer een normale zin op papier gezet. 

WF

Dichters zijn luie, vervelende, bijstandsslurpende uitvreters die pas ver na het middaguur zich van hun bed naar hun bank slepen, alwaar ze verblijven totdat ze verwacht worden bij een optreden om hakkelend, zwaar ademend, fluitend, slurpend, gewoon in het algemeen onaangenaam om aan te horen, hijgend, kakelend, hortend én stotend, al met al onbekwaam, stotterend hun eigen poëzie, de versregels waarvan een toehoorder zou verwachten dat ze juist die wél zouden kennen, voor te dragen voor een publiek van acht mensen – familieleden, vrienden en ongelukkige technici van de toevallige locatie niet meegerekend – en dan af te druipen naar hun bed waar ze verder lethargeren tot de volgende spreekopdracht of binnenkomende toeslag-, subsidie- of bijstand-cheque. Ik zou niet weten hoe dat is. Maar Frank Keizer ongetwijfeld wel.

In de stukken van PC moet helaas – niet alleen voor de lezer, maar zeker voor de schrijver – het onderwerp nogmaals geïntroduceerd worden. Noem het de noblesse oblige van een vooraanstaand blad als het onze. Ja, in deze vergelijking bent u, de lezer, de ongeletterde, ongeleerde, onbehouwen wildeling met zeker een andere huidskleur dan de schrijver dezes. Maar daar kijk ik in mijn voortschrijdend inzicht vooralsnog overheen. Er zit ergens een nobele wilde in u verscholen en ik zal die eruit rammen door middel van een niet aflatende stroom van onbegrijpelijke metaforen, syncopische synoniemen en almaar agressievere alliteraties. De nobele wilde zal ik, getooid in pith helmet en kaki minirok, uit de lianen slaan en aan de haren meesleuren om neer te gooien voor het afgodsbeeld van de dag: Frank Keizer. De man met meer gezichtshaar dan kin. De man wiens neus de hazenlip bíjna overschaduwt. De man wiens beeltenis ik tot de laatste splinter wil verbranden in een heidens ritueel.

De gemiddelde Nederlander is al te porren voor een gemeenschappelijke verbranding als het meer dan één pallet betreft, dus het zal niet moeilijk zijn om u over te halen om er een dichter bij te werpen. Niet alleen omwille van de bovengenoemde karakterisering – dichters zijn echt lui, ik ken er genoeg om dit met zekerheid te zeggen – maar ook omdat deze dichter in kwestie nog eens een heel specifieke mening heeft over ‘het volk’ en met name ‘de arbeidersklasse’. Jawel, we hebben hier niet alleen te maken met een dichter, maar met een socialistische dichter bovendien. Die zijn breder en wijder gezaaid dan u, afhankelijk van hoeveel u De Telegraaf leest, zou verwachten, maar het is zeker in de Nederlandse kringen en Nederlandse-intellegentsia-kringen moeilijk om de aanwezigheid van de paar écht socialistische dichters te negeren. Ze zijn namelijk, zoals socialisten betaamt, nogal luidgebekt. Niet per se zoetgevooisd of retorisch begaafd, maar horen zult u ze. Frank Keizer heeft dat bijvoorbeeld bewerkstelligd door, naast bundels te publiceren, één van de drijvende krachten achter de oprichting van de Nederlandse tak van Jacobin te zijn. Als u dat niet kent, heb ik echt geen andere keuze dan u ook op de vuurstapel te gooien. Ga eerst maar eens wat lezen.

Prima natuurlijk, dat er een echt heus origineel socialistisch tijdschrift bestaat in Nederland dat zeker, waarlijk, totaal, honderd procent vertrouwen, níét binnen twee edities uiteenvalt in een myriade van nauwelijks onderscheidbare, sektarische stromingen, uitgegeven in de gebruikelijke zines van dezelfde anarchistische drukkerijen die al zeventig jaar op deze dynamiek teren. Dat zou normaliter niet echt mijn aandacht trekken, maar er zijn tenminste twee dichters – Hannah van Binsbergen is zelfs de hoofdredacteur – nauw betrokken bij het vormgeven, redigeren, distribueren en vullen van het tijdschrift. Dichters die een niet-literair georiënteerd tijdschrift maken in plaats van het ongelezen op de salontafel te laten verstoffen, dat is interessant. Wellicht wordt zelfs het stereotype uit de eerste alinea ontkracht door middel van hun tomeloze inspanningen!

Om de spanning uit de lucht te halen als een bliksemafleider op een Sovjethuizenblok: nee. Het ene stereotype wordt hoogstens vervangen door het andere stereotype. Naast de aftakking in de evolutie van dichters ‘lui’ bestaat er ook ‘academisch’. Deze twee kunnen overlappen, maar het is vooralsnog aannemelijk dat Frank Keizer met name in de categorie ‘academisch’ valt. Daarmee weerleg ik eigenlijk mijn inleiding, maar dat maakt niet uit. De sunk-cost-fallacy verzekert mij dat u rond de zevenhonderd woorden niet anders kunt dan doorlezen en dat punt heeft u zojuist overbrugd. Vindt u dit meta-gehalte van tekst al vervelend? Dan heeft u nog niet de poëzie van Frank Keizer gelezen. Uit de bundel Lief slecht ding (2019) komt onder andere: ‘je hebt nog altijd dezelfde trui aan uit de jaren zestig./afgedragen slobbert hij om je heen, zoals het heden om je/gediplomeerde lichaam is verwijd tot elke verwachting is/vernauwd tot een miezerige streep. je hebt de normalisering/gepast en het paste. je hebt zinnen om je heen geslagen/als dekentjes voor een onderkoelde en ze verwarmen je.’ De verteller van het gedicht spreekt hier een activist uit de jaren zestig aan op verkwanselde idealen en die activist stelt zichzelf tevreden met talige uitingen – zoals ook een dichter dat wellicht zou doen.

Ach, één voorbeeld van tekstuele hypocrisie, wat stelt dat nu helemaal voor? Niet veel, maar het is natuurlijk een patroon, anders voer ik het niet op. De échte aanleiding om te schrijven over Frank Keizer is namelijk zijn meest recente bijdrage aan het tijdschrift Berlin Review. Een stuk van grofweg drieduizend woorden, waar in de eerste duizend misschien nog zinnige doch overduidelijke dingen worden gezegd (‘het Nederlandse literaire veld richt zich te veel op Anglo-Amerikaanse voorbeelden’, een argument dat ikzelf als achttienjarige na één boek van Hemingway al had bedacht) en in de resterende tweeduizend woorden worden zoveel woordsalades worden gehusseld dat ik moeite heb de echte betekenis vast te pinnen – dat is óf heel poëtisch óf heel vervelend, en eigenlijk, waarschijnlijk, beide.

Om Frank maar eerst aan te vallen op z’n helderste punt: ja, Nederlanders kijken zeker te veel op naar die hiv-positieve hamburgerhappers, maar waarom schrijft u dan ook een stuk in het Engels? Was u een Vlaming of wat? Prakkiseer wat u preekt. En als u poëzie en/of literatuur wilt aanvallen op een te grote Amerikaanse invloed, dan is Het is warm in de hivemind (2021) toch ongeveer het diametraal tegenovergestelde voorbeeld om te nemen? Dat is één groot nat orgasme over de anglo-internet-cultuur, Sims-zwembadmoorden en astrologie-girlies et alii. Frank ziet daar geen probleem in. Zijn letterlijke analyse luidt: ‘We are reading a digitally native auto-ethnography wrapped in verse. Still, there is something ambivalent about this book and its treatment of subjectivity. Diaz’ poems both dramatize and cohere into a narrative of becoming a commodified girl. At the same time, they dissolve said subject by pushing against the materiality (in)to which it turns, only to match the disembodied flows of the internet. The result is a display of ravishing fantasy worlds that feel oddly immobile, as if seen from the outside by a new master signifier: the countercultural, young and critical poet, a figure devoid of actual subjectivity.’ Dit klinkt best ingewikkeld. Maar het is goed dat het hier een bespreking in een internationaal tijdschrift van een Nederlandse bundel betreft, dat alleen door een specifiek en esoterisch-georiënteerd publiek wordt gelezen. Dit is poëzie(-bespreking) voor de incrowd, wil ik maar zeggen.

Oh nee, wacht! Als Keizer aan het einde van die drieduizend woorden nog iets kwijtmoet over de 11-onder-35-lijst van Marja Pruis – ongezegend zij haar naam –, zegt hij: ‘In this constellation, poetry, far from being elitist and esoteric, is clearly much more responsive, much more in touch with reality than an instantly obsolete subset of novels that, though eminently marketable, remain wedded to the crumbling fantasies of the neoliberal order.’ Iemand die in hetzelfde stuk de zinnen ‘they dissolve said subject by pushing against the materiality (in)to which it turns, only to match the disembodied flows of the internet’ en ‘poetry, far from being elitist and esoteric’ probeert te verwerken, én probeert te beweren dat poëzie een meer ‘gegronde’ kunstvorm is die dichter op de werkelijkheid staat, is niet alleen contactgestoord, die is krankzinnig. Fantastische eigenschap voor een dichter, heel slechte eigenschap voor een socialist. Er zijn naar mijn weten vooralsnog heel weinig vakbonden verenigd onder de vlag van een banger vers.

En dan laat ik nog buiten beschouwing dat er, zeg maar, een paar duizend jaar aan poëtische traditie bestaat, waarin poëzie een heel elitaire, esoterische en niet-volkse aangelegenheid is geweest. Was dat goed? Natuurlijk niet (eigenlijk wel – ik deel mijn kunst het liefst met zo min mogelijk andere leeghoofdigen en die vind ik in alle klassen doch de meeste leeghoofdigen zijn door een kwestie van statistiek nu eenmaal van de onderklasse), maar wie nu het lef heeft om poëzie op een voetstuk te trekken als een voorganger in een socialistische revolutie, is niet alleen een matig dichter, maar ook heel erg huichelachtig. Misschien hadden er niet zoveel dichters in de redactie van Jacobin NL moeten zitten (bij nader inzien tel ik er tenminste vier, ze vermenigvuldigen zich ongenadig snel) om niet zó overtuigd te raken van zowel de meerwaarde als de toegankelijkheid van poëzie. Die zijn immers minimaal. Ik zou niet zonder poëzie kunnen, maar ik maak me geen illusies dat negenennegentig komma negenennegentig procentpunt van de bevolking er wel zonder kan. Met andere woorden: even dimmen, Keizer. Anders komt die guillotine ook voor u.

AP

Op het moment van schrijven ontbeert de redactie weer een brave meeloper aan wiens tandenrij ik mijn biertjes open kan klikken. Toen ik Meeloper van Sytske Frederika van Koeveringe in de boekhandel zag liggen, hoopte ik dan ook op een open sollicitatie. Totdat ik de eerste paar zinnen las. ‘Aangenaam, mijn naam is Sien, al twijfel ik of ik mijn naam daadwerkelijk ben, want wanneer ben je je naam, alleen omdat die je gegeven is of omdat je langzaam in je naam groeit? Mocht dat laatste het geval zijn, dan kun je toch nooit maar één naam blijven? Elk mens belandt in verschillende periodes en in andere fases van haar leven.’ Jeetje.

Sien, de verteller van Meeloper, denkt veel na. Dat is niet mijn mening, maar die van Sien: ‘Naast dat wat je ziet, is het goed om te weten dat ik van denken houd, dat dát is wat ik het liefst doe.’ Niet alleen is het nogal stom om een personage zelf zo haar eigenschappen te laten beschrijven − stel je voor dat Gregor Samsa de lezer vooraf waarschuwde dat hij nogal Kafkaësk zou kunnen reageren op een eventuele metamorfose −, maar daar komt bij dat iedereen dat van zichzelf denkt; iedereen vindt zichzelf een overthinker, een piekeraar, iedereen heeft een zelfgediagnosticeerde angststoornis. Als je Biesheuvel leest weet je opeens dat dat allemaal wel meevalt, maar Sien heeft geen Biesheuvel gelezen, en Sytske Frederika van Koeveringe al helemaal niet.

Een van de vele gevaren van autofictie is dat lezers de schrijver gaan verwarren met het personage. Die fout maakte ook Marja Pruis: ‘Ik denk wel eens: je kunt ook te veel nadenken. Sytske Frederika van Koeveringe bewijst het tegendeel’, schreef zij in een recensie voor De Groene Amsterdammer. Grappig dat zijzelf dan weer het tegendeel van het tegendeel bewijst door zoiets doms te denken. Nee, Marja, dat is dus Sien, die zo veel nadenkt, niet Sytske. Integendeel: alles wijst erop dat Sytske Frederika van Koeveringe, en dit is de laatste keer dat ik die debiel lange naam volledig uitschrijf, helemaal niet zo veel nadenkt.

Van Koeveringe schrijft toevallig ook voor De Groene Amsterdammer, en het is niet precies de ‘gedurfde, diepgravende onderzoeksjournalistiek’ die de redactie van de Groene Amsterdammer graag met De Groene Amsterdammer associeert: ‘Sinds kort zit ik op voetbal, ik begrijp er de ballen van – woordgrap, grappig – maar vind het geniaal! Ik ben vooral gevallen voor de beweging van de armen. Zodra de mens achter een bal aan holt, kronkelen de armen zich in de meest onverwachte hoeken. Al geniet ik ook van de snelheid van de benen, het misleidende dat er in deze sport zit, die technieken, de beslissende uitgesproken taal. Love de regels – die ik nog niet begrijp –, de witte lijnen als bij een tekening, de vlakte, dat frisgroene veld dat tegen de oneindige hemel kaatst en de boomtoppen die overgaan in de voorbij trekkende wolken.’ Dat je ‘voorbijtrekkende’ aan elkaar hoort te schrijven is nog wel het minst gênante aspect van dit stukje tekst. Zo te lezen voetbalt Van Koeveringe niet alleen mee met de F-jes, maar zit ze ook bij hen op schrijfles. 

Ik had het niet weer over De Groene Amsterdammer willen hebben, echt niet, maar er dringt zich een vraag op waar ik niet omheen kan: hoe komt zo iemand in godsnaam bij De Groene terecht? Bedenk: dit is nog maar één van de vele voorbeelden. De volgende woorden zijn ook gewoon echt gepubliceerd: ‘In “kanker” zit ook het woord “kan”. Dus “ik kan”, een klein stapje verder en ik ben bij “kunnen”. Dus ik kan zeggen: “Jaaaaa ik heb een tijdje borstkanker gehad, maar heb met een beetje geluk nog een heel leven voor me, dus dit wil ik dan ook in al haar facetten aangaan.”’ Het lijkt erop dat borstkanker nog wel het minste van Sytske’s problemen is. In dit stadium kun je mij niet meer wijsmaken dat ze niet daadwerkelijk laagbelaafd is. Twee maal ‘niet’ in de zin is misschien verwarrend, dus ik zal het nog een keer anders verwoorden: Van Koeveringe is achterlijker dan een goed gevulde Noodbus. Dus hoe komt ze dan terecht bij De Groene? 

Het kwartje viel toen ik in Meeloper las dat Sien een lesbienne is. Ik zei al dat één van de gevaren van autofictie is dat je het personage gaat verwarren met de schrijver, maar allicht is dat meer de schuld van de schrijver dan van de lezer. Want, wat bleek natuurlijk: Sytske is zelf ook een lesbienne. Nu is het algemeen bekend dat Marja Pruis een harem om zich heen verzamelt van slecht schrijvende lesbiennes; Maartje Wortel en Niña Weijers zijn de bekende voorbeelden van auteurs die het zonder een beetje hulp echt niet hadden gered. Die laatste heeft een boek geschreven dat zelfs voor de bevolking van Almere beneden niveau is, bedoel ik maar. Ik kan alleen maar gissen naar de redenen dat een getrouwde, zogeheten heteroseksuele vrouw zo’n harem verzamelt, maar duidelijk is wel dat Van Koeveringe gewoon de laatste aansluiter is bij dit rijtje mislukte bijvrouwen. 

Met al dat gedoe zou ik bijna vergeten het nog over dat boek te hebben. Laat ik het inhoudelijke deel van mijn stuk kort houden. Meeloper is een heel slecht boek; het slechtste dat ik dit jaar heb gelezen, en ik heb ook al R.F. Kuang, Heleen van Royen en Tomas Ross achter de kiezen. Er staan veel fouten in (raad de uitgeverij), ongeveer elke zin is lelijk, het enige round character is die onnozele kut van een hoofdpersonage, en het gaat allemaal totaal nergens over. Het boek is één grote leeghoofdige zucht. Het leven ook. Niet in het algemeen, maar dat van Van Koeveringe, natuurlijk.

Meeloper, Sytske Frederika van Koeveringe. Atlas Contact, €22,99

Een unicum! Het onderwerp van vandaag hoeft niet dood gewenst te worden, want dat wil hij zelf al. Het onderwerp is dus Dennis Schouten en ik kan aan zijn doodswens alleen maar toevoegen: en rap een beetje.

Hopelijk weet u niet wie Dennis Schouten is, of binnenkort geweest zal zijn – een futurum exactum in de vierde zin van een stuk, waar vindt u dat trouwens nog? Als u dat wel weet bent u ofwel jonger dan dertig ofwel ouder dan dertig en gescheiden (en die trut heeft zowel de kinderen als de hond gekregen). Mocht u buiten die categorieën vallen: Dennis Schouten is vooralsnog één van de twee hosts van Roddelpraat, een youtube-kanaal met meer volgers dan men zou verwachten als de andere host Jan Roos is. Elke week roddelen Jan en Dennis over wat er in de Privé heeft gestaan en wat Yvonne Coldeweijer van haar spionnen heeft geleerd. Nu is mijn gaydar niet eens zo heel nauwkeurig (die slaat bij een goedgevulde groente- en fruitafdeling al aan) maar zo’n achterklaptalkshow klinkt behoorlijk gay, jongens. Of als iets voor de vrouwtjes.

Maar op 14 februari (romantisch) gingen de mannen eens niet zitten roddelen. Met hun bierpullen gevuld met water en thee op tafel hadden ze het over Dennis zijn boek. Nee, dus niet zijn doodswens, de eerste minuten van de video gaan op aan het promoten van het boek. Daarna zet Dennis pas zijn serieuze gezicht op: het boek gaat namelijk over zijn suïcidale ideaties. En zijn jeugd en dergelijke, maar het is moeilijk om het ergens anders over te hebben als iemand pas achtentwintig is en eruitziet als een zestienjarige en ook praat als een zestienjarige. Jan Roos praat dan ook wel als een zestienjarige, maar die trekt zijn pafferige paddenkop af en toe in een gekke houding die op te vatten valt als een symptoom van het vroegtijdig verlaten van de geest uit het lichaam. Of een voortijdig stadium van korsakov. Niet de meest geschikte gesprekspartner voor het uit de doeken doen van je verlangen naar een strip slaappillen en een plastic zak. Al helemaal niet als die gesprekspartner je tijdens het gesprek over het boek en de zelfmoord ook nog eens geen moment in de ogen durft te kijken, maar liever in het luchtledige ademt met zijn bolle amfibieënbek.

Gelukkig heeft Dennis de video ook de dag van tevoren aangekondigd op zijn Instagram met een samenvatting van wat er in zijn boek staat. Vergeet u dus niet dat hij een boek te verkopen heeft? Hij valt met de deur in huis en schrijft: ‘Al jaren worstel ik met het leven. Op papier heb ik een ontzettend goed leven, maar in de praktijk voel ik mij zelden gelukkig.’ Op die tweede zin valt behoorlijk af te dingen als je leven ook dingen behelst als een wekelijkse podcast maken met Jan Roos naast je. Maar Dennis heeft al jaren van alles geprobeerd om te kunnen dealen met zijn negatieve gevoelens en gedachten: ‘Medicatie, psychologen en een verhuizing terug naar Enschede. Het heeft allemaal niet geholpen.’ Allicht dat het allemaal niet heeft geholpen, je bent terugverhuisd naar Enschede. Dan maakt het niet eens uit waar je vandaan kwam. Als ik zou moeten verhuizen naar Enschede zou ik de vuurwerkramp van 2000 een kinderpartijtje doen lijken.

En ik ben ook niet zo overtuigd van het ‘ik heb alles geprobeerd’. Dennis heeft de afgelopen jaren niet echt geprobeerd een andere carrière op te bouwen dan verslaggeven voor PowNed en het houden van een veredeld theekransje met je minst favoriete oom. Ga eens studeren, man. Zoek een andere baan. Ga desnoods een halfjaar op retraite op een of ander subtropisch eiland. Maar kom niet aanzetten met ‘ik heb alles geprobeerd’ als je ook elke week achter dezelfde tafel als Jan Roos schuift. Een junk met een naald in z’n arm kan zeggen dat hij alles heeft geprobeerd, maar dat gelooft ook niemand.

Om te onderstrepen dat deze mediastunt niet meer dan een mediastunt is en niet een oprechte roep om hulp, nog even de aandacht naar Dennis’ boek. Hij eindigt de eerdergenoemde instagrampost zo: ‘Deze conclusie en alles wat hiervoor in mijn leven is gebeurd heb ik door Andries Jelle de Jong laten opschrijven in een biografie. Deze is nu te koop en op 2 April is de boekpresentatie en een live RoddelPraat-show in Almere. Link in mijn profiel voor de uitzending van vandaag, de liveshow en het boek.’ Hij eindigt de instagrampost niet met een opmerking over suïcidaliteit of depressie of de problemen die aan een van beiden ten grondslag liggen. Hij eindigt met een paar agendapunten. Deze man heeft het veel te druk om zomaar uit het leven te stappen. Deze man heeft het specifiek te druk met het verkopen van zijn verhaal om zomaar uit het leven te stappen. Hoe verkoop je immers nog boeken als je geen verhaal meer kunt vertellen?

Maar het allermeest stoor ik mij aan zijn gedachten over zijn omgeving: ‘Wel voel ik mij verantwoordelijk om anderen niet zomaar alleen achter te laten. Ik ga nog enkele jaren mee om alles en iedereen dat me lief is goed achter te laten. Daarna neem ik de regie over mijn eigen leven.’ Ik kende zo iemand ook in mijn eerste verslavingskliniek. Die had zoveel gesnoven dat hij elke dag wakker werd en alles in het groen zag. Trok na een paar minuten weg, maar was wel vervelend. Hij had het ook voortdurend over zijn voornemen om de gasslang in de schuur een eeuwige pijpbeurt te geven, maar niet voordat hij zijn ouders financieel goed had achtergelaten. Probleem was dat daar ook nog een gigantische schuld door cocaïnegebruik tussen stond, maar soit. Details. Dood zou die gaan. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord sindsdien, maar ik ga er vanuit dat zijn ouders de financiën gestolen konden worden zolang hun kind maar bleef leven. Waarmee ik maar probeer te zeggen: je kunt je omgeving niet netjes op je zelfdoding voorbereiden en alles ‘goed achterlaten’. Dat kan gewoon niet. Trek dan gewoon in één keer die trekker over. Gaat je boek ook goed van verkopen.

AP

Geestesziekte en schrijversschap gaan hand in hand, maar dat maakt geen van de twee aanbevelenswaardig. Kijk maar naar Yael van der Wouden. Zij is nominaal een schrijver en nominaal gek, maar in de praktijk vooral irritant. En Joods, maar goed, een roos is een roos is een roos. 

Om te beginnen met het schrijverschap: dat heeft zich nog niet echt bewezen. Haar debuut, De Bewaring, is vooralsnog niet uitgegeven. Waarom weet ik dan wel al hoe haar debuut heet? Omdat haar uitgever er een debiele marketingcampagne omheen heeft opgezet. In januari 2023 – u leest dat goed, de campagne is al een jaar geleden afgetrapt en het boek is nog steeds niet verschenen – bracht Yaels uitgever het nieuws naar buiten dat ‘de auteursrechten aan wel acht internationale uitgevers verkocht zijn’. En de negende? Dat is uitgeverij Chaos, een imprint van Das Mag. En welk groot licht van uitgeverij Chaos had de vooruitziende blik dat dit boek zo gewild zou worden? Ongetwijfeld de oprichter van uitgeverij Chaos: Yael van der Wouden.

Het is van de zotte dat een boek al aan negen verschillende uitgevers is verkocht nog vóór er een exemplaar in de brontaal (Engels, by the way) van de drukker is verschenen, maar dat het concern Chaos/Das Mag, uit naam van Yael van der Wouden, Yael van der Wouden de hemel inprijst nog voor er een letter te lezen valt, is krankzinnig. Want dit betreft, nogmaals, een debutant. Dit is niet de wederopstanding van Thomas Mann, Joan Didion of bell hooks. Niet eens een verloren gewaand manuscript. Nee, dit is een debuutroman over twee in karakter tegengestelde vrouwen in een huis in naoorlogs Overijssel. Vanaf hier is de bingokaart verder in te vullen: een haat-liefde-romance, oorlogstrauma – al dan niet intergenerationeel – en wat wraakmotieven. Uitstekend, ware het niet ononderscheidbaar van de rest van de Das Mag-stal. Dit boek wordt gepresenteerd als het nieuwste volbloed renpaard, maar het heeft meer weg van de therapiegeit op de renbaan.

Das Mag heeft het ook niet zo makkelijk. Ze bestaan inmiddels bijna een decennium, maar na Lize Spit hebben ze nooit meer echt een klapper kunnen publiceren, zelfs niet als het was geschreven door Lize Spit. Waarschijnlijk beginnen die opgebouwde reserves van Het smelt aanmerkelijk leeg te voelen en de filmrechten zullen vast ook niet de gehoopte kapitaalinjectie zijn geweest. Het is dan een grote gok om zo vol in te zetten op één debutant, maar wie niet waagt wie niet wint, hè? En wat kan zo’n debutant nu echt fout doen? Heeft nog nauwelijks macht of aanzien, dus kan zich niet in rare misbruikzaken mengen of overgeven aan overschrijdend gedrag.

Daar hadden ze toch even buiten het schrijftalent van Yael van der Wouden gerekend. Want die publiceert ook nog wel eens persoonlijke essays op ILFU, de website van het gelijknamige festival. Of nu ja, één essay. Getiteld ‘Door antidepressiva verdween de ruis in mijn hoofd, en mijn creativiteit’. Dat is geen titel, dat is een zin – sowieso een ergerlijk gebruik onder schrijvers. En ongeveer alles wat er fout kan gaan in een essay, gaat fout in dit essay. 

Het begint met de structuur: het stuk opent en sluit met een scène in de therapiekamer. Ringcomposities zijn niet bijster origineel, maar gesprekken bij de therapeut zijn inherent oninteressant om te lezen. Gevalletje ‘je had er bij moeten zijn’. Al had ik heel graag bij die laatste scène willen zijn: Yael overhandigt daar haar (nog steeds niet gepubliceerde boek, dus het fictieve element kan niet uitgesloten blijven) roman aan haar therapeut zodat ‘zij haar beter leert kennen’. Dit zou hilarisch zijn als het niet zo treurig achterlijk was. Het is precies het tegenovergestelde van wat zowel een boek als therapie hoort te doen. Een boek, zeker een roman, is níét wie de schrijver is en als je dat wel denkt, heb je geen roman maar een dagboek geschreven. En zelfs een dagboek is niet de essentie van iemand. In zijn persoonlijke geschriften was Ted Kaczinsky een intelligent en gevoelig man, maar voor veel anderen is hij toch vooral de Unabomber. En in therapie probeert een therapeut je door gesprekken te leren kennen. Gesprekken die je dus voert terwijl je in dezelfde ruimte zit als de therapeut. Als de therapeut je had kunnen leren kennen door je eigen samenvatting, was therapie overbodig gemaakt door een paar kattebelletjes. 

Maar het grootste manco van Yaels essay is de centrale stelling: door het slikken van een antidepressivum zou Yael haar creativiteit zijn verloren in de waas van de SSRI. Ik weet uit eigen ervaring dat de gewenning aan een nieuw soort medicatie, ook SSRI’s op de hoogste dosering, geen kattenpis is. Alleen is dat niet wat Yael heeft doorgemaakt. Want, zoals ze zelf vermeldt in het essay, ze heeft welgeteld twee weken de medicatie geslikt, waarvan vijf dagen op een te hoge dosering. Twee. Weken. Dan is het lichaam net halverwege het gewenningsproces. Twee weken antidepressiva slikken is hetzelfde als een condoom half afstropen en dan besluiten dat het niet zo lekker voelt. Allicht voelt het niet goed, want je doet het niet goed. Voor Yael was dit een onoverkomelijk probleem, want hoe zou ze nu creatief kunnen zijn? Yael, ik heb slecht nieuws: het gebrek aan creativiteit is duidelijk niet de schuld van de medicatie. De enige creativiteit die je tot nu toe hebt tentoongespreid, is in de marketing van je ongepubliceerde roman en in dat opzicht pas je naadloos bij het reclamebureau dat Das Mag al negen jaar is. Misschien moet je het nog maar eens met je therapeut hebben over een carrièreswitch.

AP

Archief