Volgens zijn uitgeverij Ambo|Anthos is Leo Blokhuis een ‘geboren verteller’. Weinig verrassend: als het om verhalende capaciteiten gaat geloven publiciteitsmedewerkers niet in nurture. U kunt natuurlijk bevragen of ‘vertellen’ überhaupt is wat een roman behoort te doen. Dat terzijde: Leo Blokhuis is helemaal geen verteller. Leo Blokhuis is een uitlegger. Om daar achter te komen hoeft u slechts het eerste hoofdstuk van Blokhuis’ debuutroman Blauwe zomer te lezen – of deze korte recensie, en die tweede optie raad ik u aan.

Een favoriet van de ‘geboren verteller’ is het ‘sprekende detail’, en ook Blokhuis steekt observaties in zijn verhaal die daarvoor door moeten gaan. Blauwe zomer begint met een autorit door Soerabaja, en iedereen die over Indonesië schrijft weet waar hij dan de sprekende details vandaan moet halen: uit zijn neus. Leo’s hoofdpersonage ruikt de ‘zoete geur van de bloeiende melati’ die zich mengt met de lucht van ‘een vleug kruidig eten afkomstig van het karretje aan de stoeprand’. Niet veel later walmen in zijn gedachten ‘orchideeën die aan de rand van de veranda hingen’ en ‘de papajabomen in de tuin’. De taxi ruikt, iets minder oriëntalistisch, ‘naar luchtverfrisser en een beetje sigarettenrook.’ O, die heerlijke Indische geuren.

Ook een vertellersliefhebber die zich aan dat hysterische tropengesnuffel niet stoort loopt al snel tegen andere gruwelen aan die duidelijk maken dat Blokhuis hoogstens achter een lessenaar hoort, maar in ieder geval niet in een fonds Nederlandstalige fictie. Neem de volgende twee zinnen: ‘De brede Coen Boulevard heet nu Jalan Dr. Soetomo, ziet hij. Hij was een van de architecten van de Indonesische nationalistische beweging.’ Zulk spreekbeurtenproza hoort zelfs in een lesmethode voor het middelbaar onderwijs niet langs een redacteur te komen.

Het kan altijd erger, want even later krijgt de lezer een koppel bijzinnen te verwerken dat informatie overdraagt met de subtiliteit van een paspoort: ‘In een donkere ruit ziet hij de weerspiegeling van zichzelf, Chris Buisman, vijfenzestig jaar oud.’ Als dit het werk is van een ‘geboren verteller’ kan het bevolkingsregister ook meteen tot simultaneïstisch meesterwerk worden benoemd. Mocht het determinisme dat de publiciteitsafdelingen van Nederlandse uitgevers in zijn greep houdt door de wetenschap worden bevestigd en bestaat er daadwerkelijk een vertel-gen, dan heeft Leo Blokhuis het niet geërfd.

BN

Leo Blokhuis, Blauwe zomer. Ambo|Anthos, €21,99

Tilburg-Noord, 13 september 2019

Dag Joost,

Ik heb lang geaarzeld of ik je zou schrijven. Mijn ergernis was groot, maar mijn trots was nog een maatje groter. Nu mijn brief is ingebed in een publieke en fluweelharde context kan ik beide emoties honoreren.

Een paar maanden geleden heb je gebruik (lees: misbruik) gemaakt van je kersvers verworven positie als adjunct-hoofdredacteur, en daar heb ik een en ander over te zeggen. Waarover zo meteen meer. Eerst enkele observaties.

De afgelopen jaren heb ik je beklimming van de hiërarchische ladder geamuseerd gevolgd – je gemanicuurde handen daadkrachtig aan de stijlen geklonken, je lakleren schoenen ongeduldig op de sporten gedrukt, je met een aan de hoogtijdagen van het interbellum refererende scheiding versierde hoofd steevast omhooggericht. Je deed me enigszins denken aan Francesco Petrarca, die de Mont Ventoux moest en zou beklimmen, om de omgeving als een god te kunnen overschouwen. ‘De wandelaar boven de nevelen.’

Over de eerste sporten van de ladder, de corporale inwijdingsrituelen bij De Groene, heb ik het nodige vernomen; de archaïsche gebruiken die nogal conflicteren met de #metoo-verontwaardiging die regelmatig de kolommen van jullie blad vult – ziehier de bivalente mens in nuce. ‘De medewerkers van De Groene fungeren als communicerende vaten,’ beweerde je nog niet zo lang geleden in een interview. Ook jullie lichaamsvloeistoffen zijn met elkaar verbonden. Niets aan te doen.

Hoe dan ook, je bent bijna bij de top, nog een paar sporten. Pas je wel op dat je ambitieuze zucht naar zelfverwerkelijking niet leidt tot in arrogantie gedrenkte zelfoverschatting? Hoeveel van je schrijvende generatiegenoten heb je wel niet proberen te degraderen tot labeurende amateurs? En hoeveel van je schrijvende redactiegenoten, de communicerende vaten, heb je wel niet proberen te lauweren?

Tot zover de observaties, nu de feiten.

Samen met een collega, een vrouw die haar sporen in de literatuur ruimschoots heeft verdiend, ontwikkelde ik een ‘literair-humanistisch concept’. Dat klinkt wellicht braaf en suf, maar dat is het allerminst. Maar dat weet je natuurlijk allang, je hebt ons plan immers gelezen, dus daar hoef ik niet over uit te weiden.

Omdat we alle schrijvers die we erbij betrekken fatsoenlijk willen betalen, gingen we op zoek naar geld. Het Nederlands Letterenfonds toonde interesse, maar stelde als voorwaarde dat we een partner zochten met een groot (digitaal) bereik – het vertrouwen in de boekwinkel slinkt. Mijn collega kent je bazin persoonlijk, dus een oriënterend gesprek volgde snel. Xandra was enthousiast over onze plannen en wilde graag samenwerken.

Een paar dagen later belde mijn collega me op; ze klonk verontrust, ontstemd ook. De Groene kon niet met ons, nee: met mij in zee gaan; jij had in de redactievergadering een veto uitgesproken. (De troonswisseling is nabij.) Wat had ik in hemelsnaam gedaan dat De Groene mij in de ban deed? Van het bangputti dat ik te horen kreeg kon ik geen chocola maken. Mijn collega vroeg door en… hahaha… gevolgd door tsjonge jonge…

In 2015 voerde je een publieke polemiek met P.F. Thomése over ironie. Volgens jou was ironie een overleefde stijlvorm voor oudere generaties, voor Thomése is het ‘een gecompliceerd wapen waarmee je raak kunt schieten door heel precies net naast het doel te mikken’. Om de discussie in een royalere etage te zetten, schreef ik samen met Joris van Casteren een ironisch essay over ironie: Mag De Kracht Met Mij Zijn. We spraken af dat we er allebei een kwartier aan zouden besteden, om het speelse karakter te behouden – ons plan was gesmeed in het met (oprecht) plezier en (onoprechte) verontwaardiging opgepookte gloeivuur van onze geestdriftige liefde voor de door jou zo verfoeide stijlfiguur.

Als auteursnaam kozen we voor: Joost de Vries. Vervolgens stuurden we het essay voor publicatie naar ThePostOnline, de rechtse tegenhanger van De Groene. Bert Brussen accepteerde het in grote dankbaarheid – we legden hiermee het heimelijk verlangen naar verbroedering tussen rechts en links bloot, een mooie bijvangst.

Ik citeer enkele passages uit het essay (het staat nog altijd online), waarin we jouw Star Wars-passie naar een hoger plan tillen:

‘C-3PO, R2D2, ik zou ze kunnen duiden als Warriors Against Irony, als Symbolen Van De Rede Die Nooit Versaagt. Honderd procent betrouwbaar, roestvrijstaal – beschavingen komen, beschavingen gaan, maar C-3PO en R2D2 blijven altijd bestaan. Ik vind dat een troostrijke gedachte.’

‘Toen ik schrijver werd heb ik me voorgenomen om als een soort van protocoldroid het luchtruim van de literatuur te bewaken en te beveiligen, desnoods met piew piew, een spervuur van woorden welteverstaan, geweld is altijd verkeerd. Mag De Kracht Met Mij Zijn.’

Pas na drie dagen werden we ontmaskerd, een teken dat veel rechtse lezers je de nodige ironie toedichten. De TPO reageerde overigens sportief. Jij zweeg, jij bleef zwijgen, maar je binnenwereld implodeerde bijna. Je was blijkbaar zo diep gekwetst dat je drie jaar na dato een mede door mij bedacht prachtproject uit De Groene hebt geweerd – piew piew. Op een indirecte manier nog wel, in de hoop dat het buiten mijn gezichtsveld zou blijven.

Het is veelzeggend dat je de brandspiegel niet direct op mij hebt gericht; je verblindt liever anderen, zodat ze mij niet meer kunnen zien. Laf. Zielig. Broodroof.

Tot zover deze therapeutische exercitie, Hauptmann Von Vries. Je wordt bedankt.

Zet eens een clownsneus op, je wordt er een prettiger mens van.

Met lauwwarme groet en een fikse kneep in je kolossale bips,

A

Ik heb me voorgenomen niet meer over vrouwen te schrijven. In het vorige nummer beoordeelde BN ene Stefanie Koorneef met ‘een krappe zes en een half’, deze week vond ik een stuk op de redactie-mail met als onderwerp ‘700 woorden marxistisch racisme en seksisme van BN’. Dat ik hier als vrouw iets tegenover moet stellen is me duidelijk, zeker als ik wil dat Marja Pruis me blijft groeten in de wandelgangen van De Groene. Maakt u zich dus geen zorgen: dit stuk gaat niet over vrouwen. Het gaat over meisjes. De Kunstmeisjes om precies te zijn, want zo heet dit collectief van dertigers.

‘Kunstmeisjes met manuscript.’ 1885, olieverf op doek, 81 x 96 cm.

Wat zijn kunstmeisjes? Geen acrobates, leden van knutselclub CreaBea of weduwen van Anton Heyboer. Kunstmeisjes zijn vrouwen die kijken naar kunst en erover bloggen. Of er een boek over schrijven, want zoals Hitler, Mao en Monica Geuze lieten zien moet het kwaad zich vroeg of laat tussen twee kaften nestelen. ‘Kunstmeisje is een lichtelijk denigrerende naam’, zo geven de drie blog-oprichters Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra toe. ‘Er heerst een bepaald stereotiep beeld van jonge vrouwen als gallerinas in de kunstwereld. Wij willen de ironische naam ‘kunstmeisjes’ reclaimen en er een andere betekenis aan geven.’ Als het patriarchaat je beledigt kun je je verzetten, of dankbaar zijn dat je zelf geen originele naam meer hoeft te verzinnen.

 

De term ‘kunstmeisje’ zou inderdaad ironisch zijn als Kooiman, Maciesza en Schuiten-Kniepstra lieten zien dat je als ‘meisje’ kunstgeschiedenis kunt studeren, als conservator bij het Stedelijk kunt werken of als curator bij het Rembrandthuis. Kortom, dat je met je beperkte stemvolume toch boven Jasper Krabbé uit moet proberen te schreeuwen. Maar wat er nog ironisch is aan de naam kunstmeisjes als je Rembrandt onophoudelijk je ‘BFF’ noemt of een zin noteert als ‘We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: je bent aan het daten en je bent smoorverliefd’, dat wordt niet duidelijk. Wil dit trio zich per se van ironie bedienen, dan kunnen ze beter kiezen voor de titel Les Connoisseurs des Beaux Arts. Met hun thematiek zal het marmeren beeld van ‘oppervlakkig hertje dat vooral goed is in champagne drinken tijdens openingen’ hoe dan ook niet omver worden geworpen. (Het is mij trouwens volledig onduidelijk waarom je zo’n gevaarlijke uitspraak zou doen – gratis drank is toch wat de kunsten nog een beetje de moeite waard maakt.)

Hoewel De Kunstmeisjes het hoog tijd vinden dat ze eens serieus genomen worden, zijn ze de eerste om toe te geven dat hun boek eigenlijk niet serieus is. Op grond waarvan we ze dan wel ernstig moeten nemen blijft vaag. Wat hun betreft is De Kunstmeisjes – Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken niet bedoeld voor kenners, maar mogen die het, zo lezen we in het voorwoord, wel kopen, ‘al is het maar als artistiek-literair verantwoorde deurstop’. Meisjes toch! Moet dat nou? Nog even en ze schrijven dat kunstkenners zich met dat boek wel even op hun lichamen mogen afreageren. In hetzelfde voorwoord lezen we waarom De Kunstmeisjes ondanks hun missie vrouwen als volwaardige mensen op de kaart te zetten toch af en toe dit soort taal uitslaan: ze maken graag gebruik van ‘een vleugje humor’. Humor! Dat hebben meisjes helemaal niet! Daar durfde het volledig vrouwelijke redacteurenbestand van Meulenhoff zeker niet over te beginnen.

Als De Kunstmeisjes niet is geschreven voor kenners, is het niet zo moeilijk te bedenken wie er dan de klos zijn: wij leken. In een interview in Het Parool zegt een van de schrijfsters dat het doel was om ‘toegankelijk over kunst te schrijven’. Algemene tip: waar het woord ‘toegankelijk’ staat, kunt u eigenlijk altijd ‘achterlijk’ lezen. Neem de eerste zin van het tweede hoofdstuk: ‘Een geslaagde selfie maken is alsof je midden in de nacht dronken een bestelling bij de lokale snackbar doet: alles erop en eraan, met extra saus.’ Bent u er al klaar mee? U bent niet de enige. Deze kwelling gaat nog pagina’s door, om uit te komen op de volgende conclusie: niet Kim Kardashian is de ‘Queen of Selfies’, maar Rembrandt. Als Rembrandt dat had geweten had hij al zijn zelfportretten in de gracht gegooid. Ander voorbeeld: om aan te geven dat de kunstenaar Daan van Golden schoonheid in huiselijke details zocht, wordt de volgende introductie over de lezer uitgestort: ‘Het is een kunst op zich: de kleine dingen in het leven waarderen. Wanneer je bijvoorbeeld een regenboog ziet. Of waar Willy Alberti al over zong: de glimlach van een kind.’

Waarom moet het toch allemaal zo dom? De Venus van Botticelli kruipt van schaamte terug in haar schelp, de Mona Lisa slaat na vijfhonderd jaar haar ogen neer. Als je lezers echt zo nodig wil enthousiasmeren, vertel dan gewoon iets interessants in plaats van steeds een knieval te maken omdat je denkt dat de mensen dat leuk vinden. De Kunstmeisjes hebben heus zinnige dingen te melden: ze adviseren je om wat langer naar een kunstwerk te kijken, om überhaupt eens naar een museum te gaan, en om niet meteen alle bijbehorende bordjes te lezen. Mijn advies: lees ook hun boek niet.

TS

De Kunstmeisjes, De Kunstmeisjes, Meulenhoff, € 22,99

 

 

U zou kunnen denken dat mensen die succes behalen op het internet naar boeken kijken als klimaatactivisten naar bruinkool. Dat is niet zo. Britse wetten worden, omdat dat ze een zekere autoriteit verleent, nog steeds op perkament geschreven, en internetbekendheden brengen allemaal vroeg of laat een boek uit. Dat geeft tastbaarheid aan de roem, en bovendien kan er door verschillende partijen geld aan worden verdiend. Het laatste product van dit gegeven werd onlangs uitgebracht door Het Spectrum, waar de mensen achter RUMAG een papieren geesteskindje mochten baren. Dat kindje, de RUMAG.BIJBEL, had beter na de twintigwekenecho geaborteerd kunnen worden. Liefst met moeder erbij.

Het onderscheidende aspect van RUMAG bestaat uit de vorm van de korte teksten die het platform op sociale media plaatst. In plaats van normale spatiëring te hanteren wordt in die slagkreten tussen elke twee woorden een punt gezet. Of het nu over seks of drank gaat, of een bericht betreft ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een vliegramp, alles wordt bij RUMAG in die staccato vorm gegoten.

Afgelopen februari werd, in datzelfde achterlijke format, een elders in het Engels al gemaakte grap over tienerzwangerschappen herhaald. Op zichzelf geen nieuwswaardige gebeurtenis, want grappendiefstal en in harkerige anglicismen verwoorde vertalingen zijn de twee zuilen waar de RUMAG-architraaf op rust. Toch wist de grap vanwege vermeend seksisme reuring te veroorzaken, en bij RUMAG greep men met beide handen – het stelen van grappen wordt vooralsnog niet volgens de Sharia bestraft – de geboden kans aan. In een statement werd trots geschreven over ‘een duidelijke rode draad’ in RUMAG-content van ‘het iemand willen aaien met een kettingzaag’ en ‘het willen vergiftigen van je ex zijn hond.’ ‘En dat’, vond men bij RUMAG, ‘is precies waarom jullie ons volgen. Jullie schijnheilige motherfuckers. Moraalridders. Schapen.’ De reactie had in ieder geval het gewenste effect bij Bert Brussen, die RUMAG subiet prees als ‘een bazenmerk dat wél een ruggengraat en ballen heeft’.

Het RUMAG-universum is nu dus uitgebreid met een boek, maar achter de spatieloze teksten schuilen al langer pogingen tot het opbouwen van een media-imperium. Een ‘lifestylemerk’ noemen ze zichzelf bij RUMAG. Zo’n buzzword zou u misschien niet verwachten van het ‘bazenmerk’, maar het omschrijft de kliek beter dan haar feministische criticasters. Wie zonder voorkennis op rumag.nl belandt zou vermoeden dat de site het hobbywerkje is van een elfjarige autist die zo’n fan is van Vice dat hij de site in zijn vrije tijd heeft proberen na te bouwen.

Ongeveer de helft van de ‘stukken’ op rumag.nl wordt geschreven door redactrice Stefanie Koorneef. Zo fabriceerde Stefanie bijvoorbeeld het ‘lijstje met dingen die gewoon fucking irritant zijn aan influencers’; op dit moment het eerste artikel dat bezoekers van de site zien. Ze droeg dat werkje op aan ‘iedereen die de influencer ook zat is’, en zal dus zelf ook ergens wel doorhebben hoe uitgekauwd de oefening was. Goed, zo’n zouteloos discours schrijft ook zichzelf niet, en als toch iemand het moet doen, ja, waarom dan niet Stefanie Koorneef? Stefanie kan er echter beter wel voor zorgen dat, mocht ze nog eens schrijven over ‘nare wannabes die allemaal dezelfde foto’s hebben’, het duidelijk is dat haar eigen auteursportret niet meer bij het stuk hoort. Ik zou normaal gesproken nooit een vrouw slechts op haar uiterlijk beoordelen, maar in het geval van Stefanie Koorneef zou een verdere analyse van haar proza het er allemaal alleen maar erger op maken, dus Stefanie, bij dezen: een krappe zes en een half.

Samen met stagiaire Shannon Schippers – die moeilijk op haar uiterlijk te beoordelen is; de kans lijkt mij klein dat ze er in het echt ook uitziet als de foutmelding bij een onbestaande URL – schrijft Stefanie rumag.nl vol met platgetreden observaties over winkelen, katten, relaties beëindigen en rode wijn drinken met je blonde besties. Bij RUMAG weet men dat schreeuwen aandacht oplevert, maar ook dat de grootste afzetmarkt van Nederland uiteindelijk gewoon bestaat uit timide burgertutjes.

Diezelfde doelgroep is ook de kurk waar de Nederlandse boekverkoop op drijft, en dus schoof de RUMAG.BIJBEL onlangs tussen Roxane van Iperen en Yuval Noah Harari aan als hoogst genoteerde binnenkomer in de bestseller top 60. Mijn recensie-exemplaar leek een minder succesvol lot beschoren. Het Chinese restaurant waar ik boven woon verdacht ik er al langer van met mijn post te sodemieteren, en ik had u dus willen waarschuwen dat u daar binnenkort een citaat uit de RUMAG.BIJBEL in uw gelukskoekje zou vinden. Dat zal niet gebeuren, want dit eerste exemplaar kwam later op een adres waar PC twee verhuizingen geleden bivakkeerde boven water. Al voor dat gebeurde bleek Het Spectrum beter in het faciliteren van veeleisende recensenten dan in het contracteren van auteurs met scheppend vermogen, en werd een tweede exemplaar mijn kant op gestuurd, dat wel zonder problemen aankwam. Ondertussen is door een volgend misverstand ook een derde boek onderweg naar mijn huis, en tegen de tijd dat u deze tekst leest hebben mijn huisgenoten dus allemaal een RUMAG.BIJBEL in hun nachtkastje liggen. Laat ik daarom beginnen door iets positiefs te zeggen over die aardige mensen van uitgeverij Het Spectrum. Op de omslag van de RUMAG.BIJBEL belooft een ondertitel dat het boek antwoord geeft ‘OP.AL.JE.KUTVRAGEN’. Fijn dat iemand tijdens het redigeren doorhad dat ‘kutvragen’ aan elkaar wordt geschreven. Online is dat de mensen van RUMAG nog nooit gelukt.

 Wie de RUMAG.BIJBEL openslaat merkt dat het boek aansluit bij alles dat u inmiddels over de auteurs weet. De lezer wordt opgedragen een vraag te verzinnen, het boek vervolgens op een willekeurige pagina te openen, en daar een korte tekst te lezen die als antwoord moet worden geïnterpreteerd. Dat idee is gejat. Er zullen ongetwijfeld meer mensen zijn die iets soortgelijks bedacht of uitgevoerd hebben, maar de bekendste is waarschijnlijk Carol Bolt, die een hele serie van dergelijke boeken op haar naam heeft staan. Waar de cryptische antwoorden van Bolt hier en daar als komisch kunnen worden gezien, is de RUMAG.BIJBEL dat niet. Enkele antwoorden proberen, zoals u ondertussen wel verwacht had, aanstootgevend te zijn: ‘GOOI.EEN.STEEN.DOOR.DE.AUTORUIT.VAN.JE.EX.’ Het grootste deel bestaat echter uit advies dat u ook had gekregen als u in 2010 een vraag had gesteld op het forum van Girlscene: ‘LET.EEN.BEETJE.OP.JEZELF.’ ‘SAMEN.YOGA.DOEN.’ ‘STOP.JEZELF.MET.ANDEREN.TE.VERGELIJKEN.’ U begrijpt waarom het jatten van andermans grappen of interactieve publicatievormen voor de mensen van RUMAG noodzakelijk is: de gedachten die uit hun eigen beperkte geest ontspruiten kunnen onmogelijk choqueren of inspireren.

In de kritiek op influencers die ik eerder in dit stuk aanhaalde werd die groep vergeleken met processierupsen. Overeenkomsten: ‘Het is een plaag en ze geven je jeuk.’ Een volksdeel vergelijken met een ongedierteplaag; dat is volgens sommigen een wat beladen stilistische keuze. Het is natuurlijk vooral lui, want die metafoor kan bij het bespreken van elk populair cultuurverschijnsel gebruikt worden. Laat ik zelf specifieker zijn. RUMAG is een kroket die een half uur te lang in de friteuse heeft gelegen: van buiten duister en hard, van binnen, op de half verdampte resten van wat weeïge meuk na, leeg.

BN

 DE RUMAG.BIJBEL. Uitgeverij Het Spectrum, €12,99

Officieel zijn schrijvers individualisten. Ze doen hun werk in eenzaamheid. Ze trekken zich van niets of niemand iets aan. Ze houden niet van massa’s, publiek, medestanders, gelovigen, lezers, vrienden, familieleden, collega’s, juryleden, boekhandelaren, televisiemedewerkers, mensen die ze nog van vroeger van school kennen, buren, Facebookvrienden, volgers op Twitter… Schrijvers willen geen aandacht, ze willen niet op een voetstuk worden gehesen, ze willen geen volgelingen, ze hebben een afkeer van complimenten, ze gaan nooit taarten brengen naar boekhandelaren omdat die zich zo goed inzetten voor de verkoop van hun boek, ze schrijven geen bedankbriefjes aan recensenten, ze nemen het niet op voor andere schrijvers en willen ook niet dat andere schrijvers het voor hen opnemen, ze willen geen maffiabaas zijn. Schrijvers zijn schrijvers. Punt.

Waar ze wel rekening mee houden – en dit is op een bepaalde manier vreemd want schrijvers zijn doorgaans handelaren in fictie – is de waarheid. Die hebben ze dan ook in pacht. Schrijvers wéten hoe het zit. Er gaat geen dag voorbij of de volgende zin uit Orwells Nineteen Eighty-Four (in het Nederlands 1984 getiteld; ja, we zijn echt wel een achterlijk land), of een zin die erop lijkt, schiet door het hoofd van de schrijver: ‘Was hij dan de enige die in het bezit van een geheugen was?’ Eerlijk doet een schrijver zijn werk, niets ontziend, gespeend van ijdelheid. Een schrijver staat weleens voor de spiegel, maar dat doet hij niet om te constateren hoe knap hij vandaag weer is, nee, hij kijkt in de spiegel omdat hij ook de waarheid over zichzelf onder ogen moet zien. Conclusie: het valt allemaal weer niet mee.

Op Twitter kreeg ik in juni een persoonlijk bericht van Peter Middendorp. Ik ken Peter al vrij lang. Hij zit – zát, moet ik inmiddels zeggen, zie verderop – bij dezelfde uitgever als die van mijn boeken, Prometheus, en we hebben zelfs samen (heel kort) in de redactie van een literair tijdschrift gezeten. In zijn berichtje feliciteerde hij me met mijn ‘geweldige nieuwe boek’. Hij had er weer erg van genoten. ‘Je klapt er flink op.’ Vervolgens vroeg Peter waarom ik Tommy zo te grazen neem als hij voorleest bij Menno. Peter benadrukte dat hij geen verhaal kwam halen, maar dat hij gewoon nieuwsgierig was. Dat kan, iedereen is soms nieuwsgierig.

Het gaat om een stuk van mij dat eerder in Propria Cures heeft gestaan en dat ik vervolgens heb opgenomen in Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Ik ga het dan ook niet hier herhalen, maar het gaat hierom: ik beschrijf in dat boek precies en waarheidsgetrouw wat er tijdens de begrafenis van Menno Wigman gebeurde. Tommy heeft de dubieuze hoofdrol in dat stuk, en Tommy is niet die handpop uit Sesamstraat maar de, en laat ik nu maar eens niet moeilijk doen, ‘schrijver’ Tommy Wieringa (sorry, daar kwamen toch aanhalingstekens om het woord schrijver). Zijn boeken worden doorgaans uitgegeven door De Bezige Bij. Over deze Tommy heeft Peter het dus. (Het blijft een rare naam voor een volwassen man, Tommy.)

Het is zomer, het is mooi weer, wij hebben een balkon en ’s ochtends kun je er heerlijk in de zon zitten. Ik ben in Londen geweest, in Hampstead, ik heb daar over de Heath gelopen en ik heb geposeerd voor een foto waarop ik voor een huis sta aan de voet van Parliament Hill. In dat huis heeft George Orwell een tijdje gewoond. Het is de gewoonte om te zeggen dat Nineteen Eighty-Four misschien wel een belangrijke roman is, maar geen goede roman – dat laatste moet ik echt tegenspreken, het is wel degelijk een goede roman. Boven de deur van het huis hing een camera. Het is allemaal heel toepasselijk. Ik mompelde voor me uit: ‘Ben ik dan de enige die in het bezit van een geheugen is?’

Ik legde in een berichtje dat ik terugstuurde aan Peter uit waarom ik over Tommy had geschreven. Dat was een tikkeltje overdreven, vond ik, want de rol van Tommy is in Het horrortheater volkomen duidelijk, daar zit geen woord Chinees bij. Peter rondde ons chatgesprekje op Twitter af met de opmerking dat het nooit leuk is om te lezen dat een vriend wordt aangevallen, daar bedoelde hij dus weer Tommy mee: ‘Maar je boek vond ik weer heel mooi. Je zegt ook een boel rake dingen.’ All’s Well That Ends Well, meende ik, blijkbaar zat ik met mijn hoofd al in Londen.

Op de dag dat bekend werd dat Peter Middendorp van Prometheus naar De Bezige Bij overstapte, het was een fraaie zonnige dag later in diezelfde junimaand, verscheen in de Volkskrant een column van Peters hand over mijn boek, het boek waar hij me dus twee weken eerder over had laten weten dat er ‘een boel rake dingen’ in worden gezegd en dat het ‘weer heel mooi’ is. Maar nu schreef hij: ‘Het wordt bozer, botter, lomper en gemener – ik zou hem willen toefluisteren: “Mond dicht, Arie, je ziel staat open”.’ Hij eindigt de column met een Russisch mopje over een arme, hongerende boer, die op een dag bezoek krijgt van een goede fee. Hij mag één wens doen. ‘De boer denkt even na en wenst dan dat de enige geit van de buurman doodgaat.’

Iets later was ik in Londen. Ik stond bij het huis waar Orwell had gewoond. En ik dacht aan Peter. Ik hoop voor hem dat hij gelukkig is in de armen van Grote Broer Tommy Wieringa.

AS

Archief