Wat symboliseerde de afbrandende Notre-Dame volgens u?
A. De ondergang van het Europees christendom.
B. Toch vooral dat ene Lucebertcitaat. Hoe ging ie ook alweer?
C. De belabberde brandveiligheid van middeleeuwse houtconstructies.
D. Iets met de gele hesjes.

Onze duiding van uw antwoord:
A. U bent een kernachtig beelddenker, aangetrokken door duidelijke metaforen. Jammer dat u daarbij in dit geval dan toch uitkomt bij dat voorspelbare gezanek over secularisering.

B. U bent een gevoelsmens en een poëet, maar kunt u alstublieft niet bij iedere brand in een varkensflat H.M. van Randwijk van stal halen?

C. U ziet uzelf als rationeel en praktisch ingesteld. Uw vrienden denken daar anders over en vinden u vooral een voorspelbare zak met een bijzonder arm geestesleven.

D. U bent politiek betrokken. De actualiteit kent geen geheimen voor u. Probeert u ook een keer een mening te vormen die niet al twee weken geleden op een opiniepagina stond?

 

Ik bevond me in de wittebroodsweken van mijn redacteurschap. Kort ervoor had ik mijn intree mogen voorlezen en nu was ik, in het kielzog van mijn meerderen Dries Muus (DM) en Jurg van Ginkel (JvG), op weg naar Nieuw Amsterdam, onze uitgever, waar mijn oom de directeur was – maar dat had ik tegen niemand verteld. Ik wist niet zeker of het in mijn voordeel zou werken.

De mensen achter Nieuw Amsterdam hadden recentelijk huis gehouden in boekenland, verdeeldheid gezaaid door in de tijd van de baas een geheime onafhankelijkheidsstrijd te voeren, om uiteindelijk met een lading afvallige schrijvers het fonds van Nieuw Amsterdam te vormen, en dat allemaal mogelijk gemaakt door de frivool ogende, maar communistisch georiënteerde, Derk Sauer. Op de een of andere manier had PC het genoegen om door deze durfkapitalist uitgegeven te worden en waren we, zo leek het mij tenminste in die dagen, een welkome gast op de vernissages op de uitgeverij.

Terwijl we onze fietsen op slot zetten in een schaduwrijke straat in het Museumkwartier nam ik een tintelende fysieke vreugde waar. Het voorjaar van 2008 was aangebroken, de tijden dat ik als meeloper op zondagen werd gesommeerd het redactielokaal aan de Vendelstraat te stofzuigen waren voorbij, ik fietste naar een boekpresentatie met dezelfde nonchalance als ik mijn colleges Nederlandse Letterkunde bijwoonde, het leven moest nu toch wel begonnen zijn.

Bij de ingang stond Jaime Donata (JD) ons op te wachten, aan hem had ik een en ander te danken. Ik had de redactie het jaar daarvoor laten doorschemeren geïnteresseerd in ze te zijn, door mee te doen aan de zomerprijsvraag. Zoals met alles in mijn leven, eindigde ik na de winnaar en werd ik niet uitgenodigd voor een gesprek. Snel bleek ik wel door JD, afzwaaiend redacteur, te zijn uitverkoren af en toe bij hem langs te komen tijdens het avondeten op een brandgevaarlijke bovenwoning aan de Mauritskade, of een straat in het verlengde van die gure Mauritskade, daar wil ik van af zijn.

JD liet me daar door wat oude jaargangen van PC bladeren en gaf me dan subtiel college over mensen van wie ik nog nooit gehoord had, maar die er klaarblijkelijk toe deden in het leven van een serieuze PC-redacteur. Ik kan deze figuren niet reproduceren, want ik ben ze door de zenuwen vergeten. Ook vertelde hij op een van die avonden dat hij een diner aan het voorbereiden was voor oud-redacteuren, hij zou de favoriete gangen van Adolf Hitler voorzetten. Ik weet nog dat ik me afvroeg hoe hij wist wat Hitler graag at, ik had me nooit voor de privé-persoon Hitler geïnteresseerd, maar ik begreep dat dat vanaf nu noodzakelijk was.

De rest van de tijd op de zolder van JD was ik met name star struck. Ooit leek de redactie van PC me zo onbereikbaar, en opeens zat ik bij een van hen aan het avondmaal. Dat avondmaal was overigens meestal een stuk in de magnetron verhitte Franse kaas, een familieverpakking camembert of iets in die trant, op een bedje van doorgekookte groenten. Per persoon. Terwijl JD en ik dan ieder onze eigen camembert aten, droomde ik van een leven bij PC. Een jaar later was het zover, en stond ik met hem, JvG en DM in de deuropening van Nieuw Amsterdam, waar, nu ik er langer over nadenk geen boekpresentatie zou zijn, maar een feestje voor de auteurs van de uitgeverij. Voor ons, in feite.

Op een van de gangen van het monumentale pand stond Henk Spaan (HS). “Niet meteen kijken, maar Thomas Verbogt staat daar”, sprak hij me samenzweerderig toe. Ik wachtte tot wat HS daarna zou zeggen, maar er volgde niets. JD en DM hadden zich inmiddels naar de voor de gelegenheid geconstrueerde bar in de hoek van een ander vertrek begeven, dus zij konden de zin van HS ook niet verder voor me verduidelijken of nuanceren. JvG was ik inmiddels verloren aan de aanwezigheid van een andere vrouw, af en toe ving ik iets op met ‘dode baby’s’ en ‘oma’s. JvG was naast PC-redacteur ook regionaal journalist en stand up comedian. Voor dat laatstgenoemde ambt was het handig zijn grappen op onbekenden uit te proberen.

Ik stond er alleen voor op het feestje voor auteurs, zoveel was duidelijk. Er is in elf jaar veel veranderd, maar er alleen voor staan op feestjes is nog altijd even funest voor mijn zelfvertrouwen als toen.

Maar toen, toen kwam er een jongen op mij afgelopen. Hij had een reebruine oogopslag en glanzend haar. Hij zag er keurig uit, iets te keurig misschien, hij miste duidelijk iets eigentijds, maar hij stonk in ieder geval niet uit zijn mond, zoals de meeste mensen op auteursfeestjes. Hij vroeg wie ik was. Ik herinnerde me net op tijd dat ik niet niemand, maar redacteur van Propria Cures was en vertelde hem dat voorzichtig. PC is voor een ongeïnformeerde buitenstaander snel als rechts en conservatief op te vatten, daar maakte je ook destijds niet met iedereen vrienden mee.

Hij vertelde dat hij net bij zijn studenten vandaan kwam, dat hij aan het promoveren was. Dat hij rechten had gestudeerd en de week erop naar Parijs zou gaan, maar dat hij die middag speciaal naar de uitgeverij was gekomen om daar zijn vrienden van PC te ontmoeten. Hij was de huisvriend van PC, zei hij. Hij heette Thierry.

Een paar seconden vroeg ik mij af of ik deze huisvriend misschien moest inruilen voor mijn eigen vriend, een soapacteur met regie-ambities, maar ik was trouw die dagen.

“Ik ben de huisvriend van PC tegengekomen”, zei ik tegen DM of JD, toen ik een van hen weer tegen het lijf liep. “Hij is onze huisvriend niet”, snauwde een van hen toen terug. Ik moest nog veel leren, ik was er duidelijk nog lang niet.

Ik besloot maar te gaan, en liet op de weg naar de voordeur mijn oog langs de boekenkasten door het pand gaan. Ik hield stil bij een boek over Hitler. De führer stond op de kaft gevaarlijk afgebeeld, ik zou tijdens het lezen waarschijnlijk weer niets over de persoon, maar enkel over de politicus Hitler te weten komen. Als ik het al zou lezen.

Ik stak het boek toch maar in mijn binnenzak en zo kwam het dat ik die lentedag van 2008 een boek stal van onze uitgever, en zo van mijn oom, en ook een beetje van Derk Sauer, alleen maar om indruk te kunnen maken op mijn mederedacteuren. Ik wilde bewijzen dat ik bravoure had, en dat ik ook iets met Hitler had.

Bij mijn fiets kwam ik de huisvriend van PC weer tegen. Ik had bijna de sleutel in het slot gestoken toen hij mijn arm pakte. “Ik rijd richting Oost”, zei hij. “Rijd je met me mee?” “Ik woon in de Jordaan” zei ik. “Ik woon ook in de Jordaan”, zei hij. “Ik fiets mee.” Zijn wispelturigheid werkte blijkbaar aanstekelijk, want ik weet niet hoe ik anders kan verklaren dat ik toen zei: “Maar ik ben met de tram.”

Ik sprong in de eerste tram die naderde, lijn 2 die geen Jordaan zou aandoen. In mijn binnenzak voelde ik het onhandige formaat Hitler-boek tegen mijn ribben prikken. Alles was maar net goed gegaan, bedacht ik me met een naïeve glans in mijn ogen. Alles was maar net goed gegaan.

OK

Niets is mooier voor een filosoof dan het ongelijk van een voorganger bewijzen. Wat dat betreft is nieuwe Denker des Vaderlands Daan Roovers voortvarend van start gegaan. Al in haar eerste week haalde ze Plato onderuit. Die vond dat, in de ideale politieke inrichting, filosofen het voor het zeggen zouden hebben. Als Roovers iets heeft weten aan te tonen is het wel dat we daar beter niet aan kunnen beginnen.

Dat ze zulk filosofisch succes zou behalen moet ook voor Roovers zelf een verrassing zijn geweest. Aanvankelijk studeerde ze geen filosofie, maar medicijnen. ‘Ook zo’n typische meisjeskeuze,’ zegt ze daarover. ‘Als ik een jongen was geweest, was ik iets exacts gaan studeren.’ In hetzelfde interview waarin ze die uitspraak doet spreekt ze al snel ook over andere gevolgen van haar studiekeuze: ‘Van die medicijnenstudie heb ik achteraf trouwens geen spijt. De meeste filosofen zijn niet zo bèta. Als ik een exacte kwestie voor me krijg, denk ik: dat kan ik wel snappen.’ Blijkbaar wijkt de Rooversiaanse logica op dit punt behoorlijk af van de klassieke, en kan een enkele negatie zonder al te veel omhaal geëlimineerd worden om tot een ware propositie te komen. Jezelf tegenspreken, zou de leek het noemen.

Ondanks, of misschien juist dankzij haar nog niet volledig uitgewerkte paraconsistente logica, is Roovers nu dus Denker des Vaderlands. Een functie die, in haar eigen woorden, twee kanten kent. ‘Het algemene idee is dat ik filosofie een podium biedt, zodat het een groter publiek bereikt. Daarnaast word ik gebeld door media om mijn mening te geven over verschillende kwesties.’ Publieksfilosoof was Roovers al, onder andere als hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Met het eerste deel van haar nieuwe ambt zou ze dus uit de voeten moeten kunnen. Nu is het percentage zinvol denken bij publieksfilosofie in de regel even hoog als het alcoholpromillage van een pak sinaasappelsap, maar goed, ervaring bestaat ook zonder inhoud.

Door naar de tweede taak van een Denker des Vaderlands. Daar is Roovers duidelijk over. Ze gaat hem, heeft ze in een geniale ingeving bedacht, simpelweg níet uitvoeren. ‘Wat binnen een debat mijn eigen mening is, vind ik minder relevant,’ zegt ze daarover. ‘Waarom zou mijn mening interessanter zijn dan de jouwe?’ Daan Roovers heeft, mogen we concluderen, direct na haar aantreden haar taakomschrijving zo aangepast dat die plotseling precies datgene behelst dat ze eigenlijk sowieso al deed.

Het is ergens niet vreemd dat Roovers haar eigen mening liever niet op een voetstuk plaatst: een overtuigende of samenhangende opinie weet ze immers niet te produceren. Neem de argumentatie die ze aanvoert bij de beslissing om haar eigen werk te halveren. ‘Ik heb natuurlijk veel gelezen. Ik ken ook veel mensen in de filosofie. Maar alleen maar wijzen naar grote filosofen vind ik toch een beetje top-down.’

Die opmerking is in de eerste plaats komisch, wanneer u weet dat Roovers twee zinnen eerder zonder goede reden Hannah Arendt heeft aangehaald. Wat echter vooral duidelijk wordt is Roovers’ complete onvermogen om, na al dat lezen en mensen kennen, aan denken ook een keer conclusies te verbinden. Dat kennis tot het vormen van een onderbouwde mening kan leiden, of dat het, God beware, zelfs zinnig zou kunnen zijn die mening vervolgens te uiten, dat gaat er bij Roovers niet in. Ze lijkt daarentegen vooral te denken dat een studie filosofie mensen opleidt om stilletjes en met zo min mogelijk eigen inbreng de inspraakavonden in hun plaatselijke buurtcentrum voor te zitten.

Roovers’ grootste probleem is dan ook niet dat ze zichzelf om de haverklap tegenspreekt. Het is dat ze een in kwade trouw weggedoken schijtlijster is. Roovers is de vervelende student die als essay over de zin van het leven een leeg blaadje inlevert, en er dan blasé naast staat, verkondigend dat het leven welbeschouwd toch ook geen zin heeft. Daan Roovers is de partner die je een leeg pakje geeft voor je verjaardag, met de mededeling dat het toch haar liefde is die het grootste cadeau zou moeten zijn. Laffe gemakzucht die door moet gaan voor intelligentie of nuance. Leegte, vermomd als betekenis.

Zelfs in die lafheid weet deze PR-dame van de Nederlandse filosofie overigens nog een laatste contradictie aan te boren, en tegelijkertijd ook maar meteen de volslagen zinloosheid van publieksfilosofie duidelijk te maken. Er was de afgelopen honderd jaar één kort moment waarop enigszins serieuze wijsbegeerte een groot publiek wist te bereiken. Laat dat nu precies de periode zijn geweest waarin filosofen in hun engagement iets verder gingen dan het werktuiglijk reageren op telefoontjes van journalisten. De rouwstoet van Jean-Paul Sartre – over wie veel gezegd kan worden, maar niet dat hij zijn eigen meningen niet interessant vond – werd in 1980 door 50.000 mensen begeleid. Het zal mij benieuwen wanneer Daan Roovers en haar lege vel papier een stadion uitverkopen.

BN

 

Er is veel dat mij tegenstaat aan de Stichting CPNB – om precies te zijn: alles. Maar het voornaamste is wel dat ze mensen die van lezen houden op allerlei manieren proberen ervan af te brengen. Ik heb er hard voor moeten vechten om te mogen lezen, om zo vaak te mogen lezen als ik wil, om ook het boek te lezen dat ik wil, en ik kan wel zeggen dat lezen mijn grootste hartstocht is. Die voor mij levensreddende bezigheid wil ik me niet laten afpakken door een stel analfabetische patjepeeërs. Voor de duidelijkheid: ik heb het dus over de mensen die bij de CPNB werken.

Er zijn dagen dat ik niet aan de CPNB denk; die dagen zijn er niet tijdens de Boekenweek. Een dag een boekhandel niet bezocht, is een dag niet geleefd zoals we allemaal weten, maar het is nu eenmaal niet te doen, bij een boekhandel naar binnen gaan tijdens de Boekenweek. Alles is stuitend aan die week. Het geschenk, het goedkoop te verkrijgen ‘essay’, het vieren van het boek, het bal, de aandacht voor het boek op tv tijdens die verschrikkelijke week, de opportunisten die ook hun graantje mee willen pikken, het thema, de hysterische boekhandelaren, de lelijke versieringen in de winkel – vergeet ik nog iets? Ja, Job Jan Altena, ‘senior pr-adviseur en persvoorlichter @cpnb’, zoals hij in zijn biografietje op Twitter zichzelf omschrijft.

Het is inderdaad een iets, deze Job Jan Altena, want ik kan me niet voorstellen dat er een mens schuilgaat achter dit account. Dat er een machine aan het werk is, kun je alleen al afleiden aan het feit dat in elke tweet die ‘Job Jan Altena’ de wereld instuurt minstens één taalfout zit. Hier moet sprake zijn van een niet zo lekker functionerend computerprogramma. Bovendien wordt elke tweet machinaal afgesloten door het nogal stompzinnige #eenboekkanzoveeldoen. Het voordeel van zo’n aan elkaar geschreven hashtag is natuurlijk wel weer dat ‘Job Jan Altena’ niet hoeft te beslissen of het nu ‘zoveel’ of ‘zo veel’ is – al had ik het programma ook nog wel in staat gezien om ken te schrijven in plaats van kan.

Om ‘Job Jan Altena’ een enigszins menselijk gezicht te geven twittert het – tussen allerlei debiele opmerkingen over literatuur door (zo twitterde het programma op 17 maart nogal onsmakelijk ‘Wolkers leeft ;)’ – soms ook iets persoonlijks. Op 9 maart schreef de machine: ‘Engels, Spaans, Duits… Maar onmogelijk om je als klant in het Nederlands verstaanbaar te maken. Zo gaat winkelen in Amsterdam er al een tijdje aan toe, maar ik word daar steeds onvriendelijke en recalcitranter van. Ben ik de enige?! #eenboekkanzoveeldoen’ Let op, het gaat hier lang goed, maar dan wordt er toch nog gestruikeld over het moeilijke woord ‘onvriendelijker’. Dit is trouwens wel een onderwerp dat ‘Job Jan Altena’ uit het hart gegrepen is: het is inderdaad heel moeilijk voor dit programma om zich in het Nederlands verstaanbaar te maken.

Wat ik naast al het andere tegen de CPNB heb, is dat ze alles zo kinderachtig weten te maken. Het is een infantiele instelling. Dat blijkt al uit het thema dat ze elk jaar weten te verzinnen. Maar dit jaar is dat wel erg problematisch. De moeder wordt centraal gesteld. Weliswaar door allerlei mannen, maar goed, ze benadrukken de menselijke kant. Nu heb ik zelf een verschrikkelijke moeder, maar laat ik het persoonlijke erbuiten houden. In literaire fictie gaat het nooit om moeders of om mensen in het algemeen. In een roman is sprake van, en nu komt een lastig woord, personages. Personages bestaan niet echt. Dat is een soort basisregel. Een personage uit een roman kom je nooit in het echt tegen. Het zijn geen mensen. Leg dat nu maar eens uit aan de Stichting CPNB. Dat is niet te doen.

Op de website die de CPNB speciaal voor de Boekenweek heeft gemaakt wordt het thema uitgelegd: ‘Iedereen heeft een moeder, hartverwarmend en zorgzaam, streng of afwezig.’ En ik staar naar dat laatste woord. Afwezig. En opeens alles valt op zijn plek. Plotseling voel ik de pijn van ‘Job Jan Altena’, het leed van dit ‘iets’, van dit computerprogramma. Je kunt dat gerust een perspectiefwisseling noemen, een verrassende doorbraak in mijn denken.

‘Job Jan Altena’ heeft geen moeder, nooit gehad ook, hooguit is ‘Job Jan Altena’ aangesloten op een moedercomputer, maar dat is nog steeds niet zo’n warmbloedig wezen van vlees en bloed, een vrouw, met haar nukken en grillen, een schepsel zoals al die schrijvers die nu op tv en in kranten verschijnen er een hebben of hebben gehad. Iemand die het gezin bij elkaar hield. Die dapper was. Zogenaamd onderdanig, maar ondertussen. Dat hele kotsidee kortom van een moeder, waardoor wij – afgezien van het feit dat ze ook niet kunnen schrijven – nooit meer een boek van Tommy Wieringa, Murat Isik, Arnon Grunberg en noem al die moederschrijvers maar op, serieus kunnen nemen. Maar dat hele gevoel van het hebben van een moeder mist ‘Job Jan Altena’.

Ik zit hier inmiddels met tranen in mijn ogen. Ik check nog eens de timeline van ‘Job Jan Altena’. Een uur geleden plaatste ‘Job Jan Altena’ dit: ‘Mn hart slaat over!’ Ach. ‘Job Jan Altena’ meent een teken van leven bij zichzelf te hebben bespeurd. Een echt teken van leven! Hij denkt dat hij een hart heeft! Wie helpt hem uit de droom? Er bestaat geen Job Jan Altena. ‘Job Jan Altena’ bestaat alleen tussen aanhalingstekens. Denk deze Boekenweek aan hem (het). Schenk hem/het desnoods je moeder (die van mij mag ‘Job Jan Altena’ sowieso hebben). Snik. #eenboekkanzoveeldoen Ik snap de hashtag. Het is pure wanhoop.

AS

Wat is de naarste beroepsgroep: die van de boekverkopers, die van de schrijvers of die van de vertalers? ‘Vertalers worden vaak vergeten, maar nog meer vergeten worden hun emoties,’ lees ik in het tijdschrift over vertalen, Filter. Het Nederlands klinkt al meteen alsof die zin vertaald is uit Alice’s Adventures in Wonderland & Through the Looking-Glass and What Alice Found There, maar zo klinken vertalers altijd wanneer ze voor de verandering zélf hun zegje doen. Ik ken geen vertaler die eens een keer normaal kan doen; nul (0) dus. Nu ja, goed, eentje dan, ze woont bij mij om de hoek en in de omgang valt ze reuze mee. Zoals je ook weleens een boekverkoper met gevoel voor humor tegen het lijf loopt. (Waar?) Of een schrijver die zich niet aanstelt. (Dank u.)

Samengevat: vertalers zijn altijd helemaal gek, en vaak ook nog eens op een leuke manier, wat het allemaal nog veel erger maakt. Ze zijn niet te harden. Ze zijn verward, hebben een zure trek om de mond en lijken telkens als je ze in het wild ziet steevast in huilen te kunnen uitbarsten. Vaak doen ze dat ook. Ze worden ook altijd onderbetaald. En dat zeggen ze de hele tijd. Het zijn kortom geen mensen die je er op een feestje bij wilt hebben.

Het is onvermijdelijk, deze hele ellende mondt uit in een prijs: de Europese Literatuurprijs. De longlist (twintig romans) is er net van bekendgemaakt. En daar gaan we weer. Dit lees je op de website: ‘De titels zijn geselecteerd door een twaalftal onafhankelijk opererende boekhandels als de beste, hedendaagse Europese romans die vorig jaar in het Nederlands zijn verschenen.’ Rare komma. Twaalftal. Onafhankelijk. Opererende. Boekhandels. Daar is een gek op een toetsenbord losgelaten. Meteen erop volgt de lijst, inderdaad: de te verwachten bagger. Zoals een van de boekhandelaren zelf wist te melden op Twitter: ‘Tromroffel… het is weer een prachtige lijst geworden! Morgen vindt u deze 20 Europese titels weer mooi bij elkaar op een tafel in de boekhandel!’

Dat is dus voor de zoveelste keer boeken op tafel leggen, mooi bij elkaar, kaartjes erbij, daar iets opschrijven (‘meeslepend’, ‘ontroerend’, ‘pijnlijk en ook heel mooi’) – ja, een boekhandelaar heeft het tegenwoordig niet zo eenvoudig. Gelukkig is de redding nabij: ‘In een Europa dat soms verdeeld lijkt, laten deze twintig romans zien hoe wij verbonden worden door een gedeelde geschiedenis, en het verlangen naar schoonheid en liefde.’ De Europese Kitschprijs, dat zou een betere naam zijn.

Je moet met je vertaalde roman dus eerst langs dat ‘twaalftal’ (wat betékent dat; zijn het er nu twaalf of elf of dertien of ongeveer twaalf als die mensen van Boekhandel Blokker uit Heemstede tijdens de vergadering ook even willen opletten?), goed, je moet dus langs die mafkezen, sorry, langs die onafhankelijk opererende boekhandels komen en dan maakt een deskundige jury onder leiding van – even de adem inhouden – Anna Enquist het af.

‘Vijf van deze schrijvers mocht ik interviewen voor @parool. De meeste andere boeken heb ik gelezen. Hels moeilijk kiezen dit!’ Dat twitterde (o, daar gaat mijn baan) mijn huidige chef boeken bij Het Parool. Ook al iemand die het moeilijk heeft. Het ís helemaal niet moeilijk, en zeker niet héls moeilijk kiezen. Er zit om precies te zijn één goed boek bij, dat van Marías (en die heeft ook wel betere geschreven). Zoals tot nu toe elk jaar is gebeurd, zal de jury koersvast afstevenen op de slechtste roman die erbij zit. Dat líjkt misschien alsnog een lastige keuze, maar dat klusje kunnen we Enquist wel toevertrouwen.

Het is altijd weer een goed idee om boekhandelaren een prijs te laten organiseren, dan weet je tenminste zeker dat de wansmaak regeert. En dat er nog iets aan vastzit. Deze prijs is ook bedoeld om de vertalers in het zonnetje te zetten, want zoals ze bij het tijdschrift Filter al constateerden: die dreigen vaak, met hun emoties en al, te worden vergeten.

Mijn god, wat worden die vertalers vaak vergeten! Je kunt de straat niet op of je struikelt over ze. Wat heb je allemaal niet? De Martinus Nijhoffprijs, de Europese Kitschprijs dus, de Vertaalengel en Vertaalduivel – o, nee, die laatste twee delen de vertalers zélf uit (heb ik al gezegd dat ze gek zijn?). ‘De vertaalduivel heeft een speels en prikkelend karakter en is bedoeld als uitnodiging om iets te doen of na te laten in het belang van het vertaalvak en/of de vertaler,’ leggen ze uit. Speels. Prikkelend. En/of. Levend of dood. Koffie of thee. Gekookt of gebraden.

Het is nog niet genoeg. ‘Wilt u meer horen over de romans op de longlist? Nieuwe Europese auteurs ontdekken? En de schaduwkunstenaars achter deze romans ontmoeten? Kom dan naar de Vertalersgeluktournee.’ Ik zat me lang af te vragen wie die schaduwkunstenaars in vredesnaam waren. En toen begreep ik het: dat zijn die vertalers! Die gaan naar boekhandels om daar voor eeuwig en altijd het eventuele plezier dat je al aan zo’n boek zou kunnen beleven (toegegeven, die kans is klein) definitief de nek om te draaien. Een schrijver in een, ik zeg maar wat, cultuurhatend (dank je, Tessa!) programma als DWDD over zijn roman horen praten is al erg, maar een vertaler allerlei dingen horen uitleggen over zijn vertaling is nóg erger. Bij het horen of lezen van het woord ‘vertalersgeluk’ hoeft een belangstellende lezer al niet meer.

In Nederland wordt over het algemeen zeer slecht vertaald. Dat wordt heel precies gevangen door dat truttige woord ‘vertalersgeluk’. Soms hebben ze een woord uit het Roemeens of het Bulgaars of het Engels goed, maar je kunt dat geen verdienste noemen. Het is pure mazzel.

AS

Archief