Mensen met een mening over Philip Huff zijn te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant heb je mensen die deze bedelende beunhaas willen opsluiten voor verstoring van de openbare orde en aan de andere kant staat een groep analfabeten. Aangezien u dit leest heet ik u van harte welkom in de eerste groep. Huff is de aanvoerder van de meute scharrelaars en sjacheraars in de Nederlandse letteren die zichzelf schrijver noemen. Het is tijd voor een afrekening.

Dat Huff zo lang door kon gaan met zijn afperspraktijken komt doordat hij Italiaanse technieken hanteert: wie kritiek heeft wordt publiekelijk met leugens aan de digitale schandpaal genageld. Mijn geliefde mederedacteur AS kan hier over meepraten. (Ik ga hier alvast bekennen dat ik geen contract heb bij Querido, dat ik niet getrouwd ben met de vrouw van AS, dat ik niet het buitenechtelijke kind ben van AS, dat ik niet geadopteerd ben door AS, dat ik niet zijn schoonzoon ben en dat dit laatste wel anders was als het aan mij had gelegen; ik vind AS gewoon een beregeile vent, vooral als hij rode vlekken in zijn nek krijgt als ik overenthousiast vraag naar zijn favoriete passage in Reves De taal der liefde.) 

Huff is een rancuneuze lul die het niet trok dat hij tweemaal één ster kreeg in recensies in Het Parool en daarom een stuk schreef in Hollands Maandblad waarin de hij integriteit van recensenten in twijfel ging trekken. Nou is onlangs gebleken dat bij een recensent daar redenen voor waren, maar in plaats van dat Huff zijn morele geblaat dáártegen richtte, wist hij niet hoe snel hij de zaak moest afleiden door weer zijn eigen kruistocht tegen AS te voeren. Dat hijzelf geen enkele moeite heeft om wekelijks zijn tong tussen de billetjes van Joost de Vries te halen kan men afdoen als hypocriet, maar dat is wel erg makkelijk. Zo schreef Huff in Hollands Maandblad in een online addendum dat ‘De Vries hem nog nooit heeft gerecenseerd’. Dat deze knullen het wel erg gezellig hebben met hun negenenzestigfellatio lezen we regelmatig terug in De Groene. Joost zorgt ervoor dat Huff nog ergens zijn stukken kwijt kan en is daarbij niet de beroerdste om, tussen het fysiek bevredigen door, een van Huffs boeken te prijzen als een boek dat ‘zo mooi romantisch en tegelijk melancholisch het studentenbestaan’ beschrijft. 

Gelukkig heb ik nog nooit een boek van Huff gelezen. Ik heb weleens Niemand in de stad uit de kast gepakt op een huisfeestje, het opengeslagen, de pagina’s gescand, snel het boek teruggezet en bedacht dat ik die verspilde secondes van mijn leven nooit meer terugkrijg. ‘En nu heb ik haar kutvocht geproefd. De bacteriën zijn binnen.’ Dit waren de elf imbecielste woorden die u in dit stuk zal aantreffen. Het kostte me vijf glazen stolichnaya om mijn hersencellen met een precisiebombardement te doden. 

Maar de moloch Huff is moeilijk tot stilstand te brengen. Gelukkig is er al enkele jaren geen boek meer van hem verschenen (waarover zo dadelijk meer). De laatste jaren heeft hij zijn bakens verzet naar het televisiescherm. In ieder praatprogramma komt hij opdraven als “jonge schrijver” om clichématige verhalen af te steken over een generatie en een beroepsgroep waar hij niet toe behoort. Voor het onvolprezen VPRO Mondo deed hij een oproep om gezellig samen De pest van Camus te lezen: ‘Als schrijven het communiceren van gedachten en gevoelens is, en je doet dat met een boek, dan doe je dat natuurlijk ook met de individuele zinnen in dat boek.’ Waarom iemand deze ontsnapte zwakzinnige voor een camera zet is mij geheel onduidelijk, maar ik vind het vooral getuigen van weinig empathie bij een redactie dat ze deze man niet tegen zichzelf in bescherming nemen. In Dreamschool stelt Huff dat hij ‘het gevoel heeft dat de camera’s invloed hebben op hoe we ons gedragen’. Ik dacht dat zijn gedrag veroorzaakt werd door een noma-infectie in zijn kasplantenkop, maar voor dit moment gun ik hem het voordeel van de twijfel. 

De reden dat Huff zo vaak voor een camera wordt getrokken is het feit dat hij zichzelf presenteert als schrijver. Een van de karakteristieken van schrijver zijn is dat de persoon boeken schrijft. Een op het oog sluitende logica, maar we hebben eerder gezien dat voor talkshowtroubadoers, zoals Joost Zwagerman, deze universele wet niet lijkt te gelden. En het is toeval dat ik een van PC’s gevallen knuffelklootzakken noem, want Huff heeft wel wat weg van de Zwaag. Een liefde voor het Letterenfonds, bijvoorbeeld.

In 2016 kondigde Huff een transfer aan van De Bezige Bij naar Das Mag. ‘Daniël & Toine hebben me al eerder gevraagd om een boek met hen te maken. Dat lijkt me heel leuk’, kondigde hij op Twitter aan. We zijn inmiddels een kleine vier jaar verder en nog steeds is er geen boek. Ik pluis iedere prospectus uit om te lezen waarover Huff zal schrijven. Zal het gaan over een man van middelbare leeftijd die schrijver is, afwisselend in Amsterdam en New York woont, geconfronteerd wordt met zijn middelmatigheid en zich verliest in drank en pillen? Maar tot nu toe heerste stilte in de Staalstraat. Ik toog naar de Gaeper en liep daar een van de jonge pr-stagiaires van Das Mag tegen het lijf. Na twee breezers vertrouwde ze me boven een glas canei toe dat er van Huff ‘helaas momenteel niets gepland staat’. 

Die helaas laat ik helemaal aan mijn kleine blonde vriendin, er verschijnen genoeg andere slechte boeken om kapot te recenseren. Het gaat mij om die 15.000 euro subsidie die Huff in 2016 van het Letterenfonds heeft gekregen voor een boek dat niet gaat verschijnen. Begrijp mij niet verkeerd, ik ben voorstander van cultuursubsidies en wil niet het hele land een grote Brabantse varkensschuur wordt. Al krijgen wij geen cent voor het maken van dit blad en lopen wij als redacteuren eerst langs de Pels om te zien of er een gulle bekende zit voordat we op het terras durven plaats te nemen, we zijn niet rancuneus. Ik gun Philip Huff vrij veel, een grote spiegel waarvoor hij zich kan aftrekken en op een zonnige dag gonorroe toe.

Huff kan dus plaatsnemen op de graaistrafbank, er is een plek vrij tussen Klaas Dijkhoff en Theo Hiddema. Borgsom? 15.000 harde knaken, graag over te maken naar NL50INGB0002903882. Beschouwen wij het als zwijggeld en kunnen we ons weer gaan bezatten in de kroeg. We praten dan helemaal nergens meer over. 

TD

Op Père Lachaise, het Zorgvliet van Parijs, tussen de resten van Jim Morrisson en Edith Piaf, bevindt zich het grafmonument van Oscar Wilde. Zich bevinden is een rotformulering, maar het beeld van een man met Antiek-Egyptische trekjes staat noch ligt, hij hangt: beentjes tegen elkaar geklemd, borst naar voren, met de armen strak langs het lichaam als een omgekiepte olympische rodelaar. Toen ik er om de hoek woonde, een jaar of tien geleden, was het witte stenen beeld een van de hoogtepunten van mijn wekelijkse wandelingen over de begraafplaats. Niet vanwege het beeld zelf, wel vanwege de honderden lipafdrukken die pelgrims en passantes in de loop der tijd op het witte beeld hadden gedrukt. Geen pafferige Amerikaanse tieners. Parisiennes, zo stelde ik me voor, weggeglipt uit een gedicht van Baudelaire, altijd perfect gekleed en gemake-upt en dus in bezit van rode lippenstift.

Misschien nog intrigerender was het geslachtsdeel van de Egyptenaar met Ierse wortels, overwoekerd door lippenstiftzoenen en duidelijk kleiner dan toen het in 1912 werd opgericht, maar onmiskenbaar aanwezig – visualiseer de rodelaars, maar dan echt naakt en in duikvlucht. In 1912 waren de Parijzenaars zenuwachtig geworden van de ballen die onder het beeld hingen: nog voor de onthulling was er door een vandaal een gipsen omhulsel omheen gemaakt. Er kwam politiesurveillance, Wilde’s executeur liet er een vlindervormige bronzen plaquette voor maken, voor het geslacht van de Egyptenaar dus. Jacob Epstein, de maker van het beeld, was woedend toen hij de censuur ontdekte en weigerde naar de onthulling te komen, het vlindertje mocht weer weg. In 1961 werden de testikels gejat, volgens een Broodje-Aap-verhaal zou de begraafplaatsopzichter de ballen als presse-papier hebben gebruikt. Inmiddels is het monument, de volledige sculptuur, sinds 2011 beschermd door een glazen wand, het vet van de lippenstift was de steen bijna fataal geworden.

Het zal de corona-isolatie zijn geweest, ik dwaalde tijdens deze mijmeringen over die ballen en zoenen op een Parijse begraafplaats af naar de vraag of Femke Halsema ook zo’n beeld zou krijgen, mocht ze ooit nog overlijden, mocht ze dat überhaupt kunnen, ik ken weinig mensen die zo’n tijdloos voorkomen hebben als zij. En of ze dan ook zo bedekt zou worden met zo veel liefde. Ik googelde op ‘standbeeld vrouw’ en kreeg, afgezien wat Maria-beelden en een paar Romeinse godinnen uit het tuincentrum geen treffers, wat geruststellend was – ze zijn godzijdank niet alléén vermarmerd omdat ze borsten hadden, ze wáren iets. Wat waren ze dan? Een paar keer koningin Wilhelmina. Als jonge juffer bij het Rokin, te paard, wel in amazonezit want stel je voor dat ze met haar benen wijd zou kunnen, daar mogen we niet aan denken. 

Tussendoor gingen twee foto’s naast elkaar viral, foto’s waarop je de stagiaires van Obama en de stagiaires van Trump zag. Die van Obama waren natuurlijk van alle kleuren van de regenboog, bij Trump kon ik één zwarte jongen ontdekken, het zou  pas raar zijn geweest als het andersom was. Wat mij opviel was de standaardhouding waarin de fotograaf de jongens en meisjes had gedresseerd: vrouwen, ook met broek, met benen onder de stoel gekruist, mannen allemaal breedgeschouderd aan het manspreaden. Op beide foto’s. Stelletje bange puriteinen. 

Terug bij de Nederlandse glamourbeelden is bij Wilhelmina vooral het aardappelzakmodel populair. Er is een handje vol Anne Frankjes, eeuwig minderjarig. Er blijkt in Haarlem een Hannie Schaftbeeld te staan in het Kenaupark, echt waar. Wacht: genoemd naar Kenau Simonsdochter Hasselaar, mijn kinderheldin. Thea Beckman was wel zo verstandig om de voornaam in het boek aan te passen naar Hasse want in de loop der eeuwen had de kenau post mortem een imagoschade opgelopen waar Michael Jackson wel pap van had gelust. Er zijn dus belabberd weinig standbeelden van volwassen vrouwen met een voor- en achternaam, en áls ze er al zijn, hadden ze een functie die ze niet kregen door hard te werken, een functie die ze niet afgepakt kon worden. 

Emilie Gordenker was nog geen maand directeur van het Van Goghmuseum of ze werd bij Buitenhof doelgericht afgerekend op een discussie over een pasteltekening van Degas van een vrouwelijk naakt – er moet een flinke reorganisatie zijn geweest bij dat programma, want Jan van Zanen, de van Utrecht naar Den Haag overstappende burgemeester, kreeg laatst een poeslieve behandeling. Het Van Gogh heeft die tekening aangekocht, toont ’em in de permanente collectie, maar de redactie wist de vragen zo te draaien dat je één quote kon uitleggen alsof het instituut – niet bepaald het oudheidkundig museum van Wijk bij Duurstede – het meesterwerk dat ze net voor zes miljoen euro hadden gekocht, meteen in de prullenbak overwoog te kieperen omdat er twee stagiaires hadden getwijfeld of het nog wel kon, qua #metoo en zo. Gast. 

Het Museumplein is gevaarlijk terrein voor menstruerende mensen. Die omschrijving irritant vinden is extra gevaarlijk als je zelf ook menstrueert of dat ooit hebt gedaan, vraag maar aan J.K Rowling. Beatrix Ruf was er ook zo eentje, ze werd in 2014 directeur van het Stedelijk, had, precies zoals was gevraagd, een breed internationaal netwerk maar was ook niet te beroerd om Nederlands te leren. Een lastercampagne van twee haantjes bij een avondblad zorgde ervoor dat ze in 2017 op, zo bleek later onterechte verdenking van het verzwijgen van neveninkomsten haar functie per direct neer moest leggen.  De raad van toezicht heeft een voorzitter met haast, vanwege mogelijke posities in Rutte III, iemand die mailt met het avondblad. Iemand die Ruf, volgens hetzelfde avondblad, weinig opties geeft. Iemand wiens loopbaan in de politiek niet met een ‘vlekje’ moet beginnen, aldus de ingehuurde communicatieadviseur. Negen dagen later wordt Ferdinand Grapperhaus beëdigd als minister. 

JdW

Vrijwel alle kranten die op de kwestie ingaan schrijven dat er al langer geruchten gingen, maar bij ons thuis was sprake van wel meer dan geruchten: soms maakte de mobiele telefoon van mijn vrouw om drie uur ’s nachts, bijvoorbeeld net op het moment dat wij de liefde lagen te bedrijven, een geluid. Ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven, ik heb zelf geen mobiele telefoon. Ik hecht eraan dit expliciet te vermelden, volgens mij pleit dit me op voorhand van van alles en nog wat vrij. Maar goed: er klonk dus een geluid midden in de nacht, en even later liet mijn vrouw me lezen wat er op het schermpje stond: ‘Schatje, komende zaterdag wordt je boek in de krant besproken. Vijf sterren. Maakt dat je blij? Liefs.’

Dat is, hoe zal ik het zeggen, best wel een raar berichtje. Misschien moet ik dit hier langzaam laten indalen bij iedereen voordat we verder met zijn allen onze gedachten laten gaan over de stand van zaken van de literaire kritiek in Nederland in het algemeen en de stand van zaken van het bedrijven van literaire kritiek door de persoon die dit berichtje verstuurde in het bijzonder, en kan ik dat doen door een alinea te vullen met iets wat ons allen gelukkig stemt. Daar gaan we.

Wat ik aan literatuur belangrijk vind is sfeer: een fraai decor, personages, of zeg maar gerust mensen, die bewegen in en door een bepaalde atmosfeer en stofdeeltjes (ja, ik probeer ook maar van alles om de stemming goed te houden). Personages, of zeg maar gerust mensen, die kortom léven en die genieten van de lucht die ze op hun huid voelen of van de adem van een ander die ze in hun gezicht voelen blazen. Een raam dat frisse lucht binnenlaat. Een gordijn dat wordt opengeschoven. Het maanlicht dat naar binnen valt. De gedempte kleurschakeringen die hierdoor op het bed en op de muren ontstaan. De aangename warmte.

Gaat het met iedereen weer een beetje? Dan kan ik misschien een stapje verder zetten. Een in het duister oplichtend schermpje van een telefoon kan er op een bepaalde manier wel bij horen, vind ik, dat past fraai in het beschreven tafereel: een lichtje in de verder donkere nacht, op het maanlicht dat de kamer binnenstroomt na, een lichtje van een telefoonschermpje dat bijdraagt aan de schoonheid van het ogenblik. Ja, ik weet ook wel dat dit lichtje spoedig dooft, maar zo is het leven, en dat is eveneens fijn: aan alles komt een eind. Dat zorgt ervoor dat je meer geniet van wat je hebt, al is het dan maar gedurende een korte tijdsspanne.

En als ik het dan toch heb over dat alles wel of niet snel voorbijgaat: mijn vrouw en ik kennen de literaire criticus al behoorlijk lang. Voor de duidelijkheid en om een dreigend misverstand voor te zijn: mijn vrouw schrijft geen boeken, nog niet althans. Ik hoop dat ze ooit haar memoires zal schrijven (tenminste, dat zeg ik nú zonder kennis te hebben van wat daarin zou komen te staan). Wat ze wél doet: ze redigeert boeken en de boeken die ze redigeert worden soms besproken door de criticus die we dus al vrij lange tijd kennen. Misschien is het dus helemaal niet gek dat hij haar een dergelijk berichtje stuurt. Of stuurde, moet ik inmiddels zeggen, want hij is op non-actief gezet, dat is niemand binnen de literaire wereld, en misschien zelfs wel een beetje daarbuiten, ontgaan.

Ik stel voor dat we hier weer even met zijn allen kalm ademhalen: het is namelijk natuurlijk wél gek, maar wat ik hier vertel gaat nog veel gekker worden, dus als ik dit al meteen gek noem, dan weet ik niet welke woorden ik straks moet gebruiken om de diepte van de waanzin aan te geven waarin we hoe dan ook zullen belanden met deze criticus en in deze literaire wereld.

Hij is op non-actief gezet, schreef ik, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook echt weg is. Doeschka Meijsing schreef in 1998 al over deze criticus (in De Groene Amsterdammer) dat hij niet weg zou gaan, dat hij nooit weg zou gaan; hij kijkt als iemand tegen hem zegt ‘zou jij niet eens weggaan’ gewoon de lucht in. Ze vergelijkt hem met de kikkerlakei die Alice de weg verspert: ‘Al de tijd dat hij aan het woord was, keek hij de lucht in, en dit achtte Alice stellig ongemanierd.’ (Ik ben een biografie over Lewis Carroll aan het lezen, vandaar deze belangstelling.)

Goed. Een andere keer, een andere nacht, een donderdagnacht denk ik, dezelfde vrouw en dezelfde man (ik). Haar mobieltje maakt een geluid en licht op op het nachtkastje dat aan de rand van ons bed staat, aan haar kant. Er komt een berichtje binnen van de criticus. Mijn vrouw laat het me na het door ons bedrijven van de liefde lezen. Er staat: ‘Schatje, komende zaterdag kraak ik het boek van [en daar staat mijn naam]. Maar wij blijven toch wel vrienden, hè? Kusje.’

Ik ben schrijver, ik sta boven kritiek, ik ben een stoïcijn. ‘Iets om naar uit te kijken,’ zeg ik. Ik tuur naar ons raam, naar het gordijn dat een beetje is opengeschoven, we wonen zo hoog en zo ver van ze vandaan dat de buren waarschijnlijk niet echt bij ons naar binnen kunnen kijken. Het maanlicht schijnt onze kamer in.

De zaterdag erop stond inderdaad de recensie in de krant, twee sterren meen ik me te herinneren. De roman in kwestie was mijn overal elders lovend besproken roman Maans stilte (zelfs van Pieter Waterdrinker kreeg ik een berichtje dat hij het een mooi boek vond; echt waar, ik lieg hier niets). Het is een roman waarin een MeToo-kwestie een rol speelt. Dat laatste berichtje van de criticus dat ik hier citeerde en dat mijn vrouw dus midden in de nacht kreeg was ik vergeten. Of ik had het verdrongen. Maar onlangs schoot het me weer te binnen. Om precies te zijn: het schoot me zojuist te binnen, terwijl ik dit stuk zit te schrijven. Zo zie je maar weer dat schrijven goed voor je is: allerlei zaken die je was vergeten keren terug in je geheugen.

AS

Iedereen heeft levensvragen. Zo stelt een vriend van me, als hij te veel bruine rum heeft gedronken, altijd de vraag wie de op een na beste voetballer aller tijden is: Messi of Ronaldo? Een ander vraagt wie beter zijn: de Stones of de Beatles? Antwoord: Led Zeppelin natuurlijk. Ik las ooit in een fanblad dat Robert Plant in zijn wilde jaren de tentakels van een octopus in de kut van een groupie liet glijden en dat zij, dankzij de zuignapjes van het weekdier, een groter stembereik kreeg dan de frontman van de band. Ik daarentegen vraag me af of mensen dom zijn, of slecht. Is het onkunde of doortraptheid? Deze vraag, waarvan de antwoorden een dialectische relatie hebben, is eindelijk opgelost, er is een synthese ontstaan, ik kan vredig sterven. Ik stel u voor: Agneta Fischer, hoogleraar sociale psychologie en decaan van de Faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen.

Leidinggeven aan de grootste faculteit van continentaal Europa is best een zware baan – medewerkers die willen besluiten over hun eigen tijdsindeling, studenten die een tentenkamp op de campus organiseren – dus de voorganger van Fischer, Hans Brug, besloot bijna twee jaar geleden een rustig heenkomen te zoeken in de bossen van Bilthoven. Directeur worden van een saai en rustig instituut als het RIVM leek hem wel wat, wat kon hem nou overkomen? Dankzij het helderziende talent van Brug zit die faculteit (gehuisvest in het lelijkste gebouw van Amsterdam, en dan reken ik die quasikitschmeuk in de Houthavens mee) dus opgescheept met een manager die binnen de psychologie (het kleuterklasje van de menswetenschap) ook nog gespecialiseerd is in sociale psychologie (de incontinentiehoek in de kleuterklas, naast de deur van het lokaal). Good old Freud aan de cocaïne kon op een namiddag makkelijker een oorzakelijk verband aantonen tussen agorafobie en een bezemkast dan tien van die laaielichters tussen vlees en moord in hun hele carrière bij elkaar.

Fischer besloot om in een interne mail haar mening te geven over het online surveillancesysteem dat de faculteit gebruikt om toezicht te houden bij thuistentamens. Nou is het natuurlijk zo dat iedere zichzelf respecterende studie sowieso geen tentamens afneemt: voor blokken verwijs ik naar het hierboven beschreven basisschoolhok. En uiteraard is het makkelijk om grappen te maken over het feit dat de voormalige collega van Diederik Stapel zich druk maakt om de bestrijding van fraude, en daarom doe ik dat niet. Fischer heeft menig maal met hem samengewerkt, vaardigheden van hem geleerd en de universiteit mag blij zijn dat ze zo’n inventieve en creatieve benadering van complexe problemen zoals niet-significante resultaten heeft. Nee, het gaat mij om de infantiele boodschap waaruit blijkt dat het glazen plafond soms zo slecht nog niet is.

‘Nu ben ik nooit zo onder de indruk van de strijd voor voldoende privacy door mensen die hun hele leven op Instagram, Facebook, Twitter of Whatsapp zetten, dan wel een g-mail account hebben, of Google docs of Google maps gebruiken,’ schrijft ze. Het is nog niet heel lang geleden dat de universiteit haar eigen studentenmailsysteem heeft uitbesteed aan een bekend internetbedrijf uit Sillicon Valley waarvan de naam bestaat uit zes letters en begint met een G. ‘Het gaat dus blijkbaar toch meer om het gevoel. Jouw kamer – meest intieme plek op de wereld – wordt gefilmd en vreemden kunnen zien wat voor B-kwaliteit boeken, ranzige posters en opmerkelijke snuisterijen je hebt. Dat kan je allemaal afdekken met een groot laken natuurlijk, maar misschien moet je laten zien dat je je moeder daar niet onder hebt verstopt.’ Na het lezen van zo’n tekst vraag ik me af hoe Fischer hoogleraar is geworden. Waarschijnlijk heeft ze haar leerstoel gekregen, gratis bij aankoop van een Billy en een Benno in de Ikea, maar is ze verdwaald geraakt in de handleiding van het knutselpakket. Ik fantaseer over het plaatsen van een camera in de meest intieme ruimtes van mevrouw Fischer (haar slaap- en woonkamer die zijn ingericht volgens de nieuwste Zweedse catalogus, haar hoofd) om uiteindelijk teleurgesteld te beseffen dat er niets te zien zal zijn; slechts leegte, leegte die ademt.

Ik zie Fischer tachtig jaar terug voor me, in dezelfde buurt als waar nu ook haar kantoor is. Ze is diender van de gemeenteadministratie en aan haar loket staat een man, een onbetrouwbaar sujet, die boos is over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer. ‘Ja, meneer Cohen, u kunt wel klagen dat er een J achter uw naam staat in het register, maar ik ben niet onder de indruk van mensen van uw soort die klagen over hun privacy. Wie zie ik iedere vrijdagavond samenklitten rond de sjoel? Precies. En die dikke slierten langs uw hoofd, daarmee loopt u toch ook over straat? Ja, vertrouwen is inderdaad goed meneer Cohen, maar controle is toch beter.’

TD

Als u aan de UvA studeert heb ik nieuws voor u: u mag gaan stemmen in de studentenraadsverkiezingen. Misschien wist u dat al. Dat zou betekenen dat u (i) Folia online nog steeds leest (heeft u echt niks beters te doen?) of (ii) zelf verkiesbaar bent. In beide gevallen: mijn medeleven.

Zou u een blik werpen op de kieslijsten (nogmaals: heeft u echt niks beters te doen?) dan zou u zien dat de namen van studentenpartijen allemaal klinken als een consultancybureau of als een grap. Als u na uw geworpen blik nog steeds geïnteresseerd bent in studentenpolitiek (conclusie: u heeft echt niks beters te doen) wil ik u hier best in twee zinnen uitleggen waar u op kan stemmen. Komen ze.

De consultancybureaus bestaan, naast enkele conservatiever ingestelde JOVD’ers met varkensoogjes en paardentandvlees, uit een schakering van verschillende tinten leeg pseudoprogressivisme; de grappen worden gemaakt door gedesillusioneerde mensen die ooit verbonden waren aan de consultancybureaus. In de loop van het jaar na uw stem zullen de consultancybureaus langzaam meer op de grappen gaan lijken, terwijl de grappen zich min of meer laten meeslepen in de mores van de consultancybureaus, of ermee ophouden.

Nu dat duidelijk is wil ik, ondanks de hel en verdoemenis die op mijn laatste politieke handlezing in PC volgden, ook nog wel een kleine voorspelling doen. Aangezien de opkomst dit jaar ongelooflijk laag wordt zullen de consultancybureaus een overwinning behalen op de grappen. Gelukkig hoeft u zich daar verder geen zorgen over te maken. Studentenraden kunnen zich kapotvergaderen, ze kunnen het ene na het andere kantje aan niet-bindend advies voltikken, ze kunnen, net als iedere andere burgerman (m/v), zich over van alles en nog wat uitlaten, mensen die hun iets misdoen voor de rechter slepen, petities opzetten en, als ze echt niets beters te doen hebben, stukjes naar Folia opsturen. Wat het allemaal met politiek, zoals die in de rest van het land wordt gedefinieerd, te maken zou moeten hebben; geen idee, want iets te vertellen heeft de studentenraad niet.

BN

Archief