WF
De meeste mensen staan in het leven met een ernst die lachwekkend naïef is. Ze nemen zichzelf heel serieus, en koesteren een diepe minachting voor zaken die zij als onserieus beschouwen. U en ik, humoristen, weten wel beter. Als wij de slappe lach hebben, voelen wij ons juist op ons sterkst. Wij lezen moppenboekjes nog echt, in plaats van er alleen gemakzuchtig doorheen te bladeren. Op een scheetkussen slapen wij het allerlekkerst; onze OV-chipkaart werkt ook in de rebus. Het circus is wat ons betreft een even belangrijke culturele institutie als de bibliotheek, en de clown is de enige artiest die het verdient serieus te worden genomen.
Ik heb sinds kort Instagram, en toen ik daar stuitte op het account van Myron Hamming, oud-stadsdichter van Groningen, dacht ik even dat ik in hem een broeder had gevonden. Een zielsverwant, een mede-satiricus, een maatje in het kwaad. Iemand die al dat gedoe ook niet zo serieus neemt, en die, om de invalide poortwachters van de hoge cultuur te laten struikelen, maar al te graag zijn beste beentje naar voren zet. Geweldig, het concept van een ‘dyslectische dichter’. Ronduit fantastisch, vond ik het, hoe Myron tegen heilige huisjes aan trapte door kluchtige gedichten op zijn Instagram te plaatsen. Neem als voorbeeld dit kleine meesterwerkje: ‘er veranderde zoveel toen / ik fouten maken niet langer / verwarde met falen’. Toen ik dit las dacht ik: dit is satire. Zo maak je slechte dichters belachelijk. Hier kan ik nog wel wat van opsteken – of dan in ieder geval de meeloper. Ik besloot meteen een optreden van deze Groningse Vondel te boeken.
Kunt u zich voorstellen hoe verbaasd ik was, toen ik eenmaal in de zaal naar hem zat te kijken. Diezelfde ochtend had ik nog gedacht: Myron Hamming, wat een grappige keuze! Een hilarische combinatie van een token black guy-naam als ‘Myron’ om racisme belachelijk te maken en van ‘Hamming’ als tongue in cheek-verwijzing naar zijn eigen hamsterachtig dikke wangen. Zelfspot staat bij mij hoog in het vaandel, dus weet dat ik er met de beste verwachtingen inging. Maar toen ik eenmaal zat en naar Myron keek, en werkelijk niemand lachte toen hij op plechtige toon het gedicht ‘soms wil ik me verstoppen / voor de wereld en gezien / worden tegelijkertijd’ voordroeg, realiseerde ik me dat ik dit keer de naïeveling was geweest. Myrons naam was schrikwekkend echt, en zijn gedichten ook.
Terwijl het afschuwelijke besef bij me indaalde dat Myron ook een van die mensen was die zichzelf serieus nemen, werd ik tegelijkertijd op groteske wijze gewaar van de vorm van zijn penis, duidelijk afgetekend in de stof van zijn broek. Mijn paniek nam toe, maar Myron begon ongestoord aan het volgende gedicht: ‘maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel / maar misschien lukt het wel’. Lukte wat wel? Hier blijven zitten zonder opeens uit mijn stoel op te staan en met mijn hoofd vooruit tegen een muur aan te rennen? Hoe kan het dat niemand in de zaal lachte? Had iemand hier ooit gelachen?
De rest van de voorstelling herinner ik me als een waas; ik was waarschijnlijk te verbijsterd om nog externe prikkels te registreren. Nu ik weer veilig thuis ben en alle gebeurtenissen met een afstandje kan bekijken, kan ik opnieuw de humor inzien van Myrons gedichten. ‘vaak bleken het achteraf alleen / je eigen gedachtes te zijn / die je tegenhielden’. Zal wel wezen, maar Myron mag zich echt wel wat vaker laten tegenhouden door zijn gedachtes. ‘Het is niet erg om bang / te zijn, zonder angst / verliest moed haar / betekenis’. En woordgeslacht, blijkbaar, want ‘moed’ is een mannelijk zelfstandig naamwoord. Achteraf gezien was het ook geen grap dat Myron zichzelf als ‘dyslectische dichter’ omschreef.
Myrons gedichten zijn van zichzelf al zo grappig dat ik er niet eens meer een leuke grap bij hoef te bedenken. Misschien zou een makkelijker mens daar dankbaar voor zijn, maar het feit dat Myron Hamming ooit tot stadsdichter van Groningen is uitgeroepen, baart mij vooral zorgen. Wat is daar aan de hand? De burgemeester van Groningen – overigens ‘een maat’ van Myron – moest laatst aftreden omdat hij door een vrachtwagenchauffeur betrapt was op masturberen in zijn auto. Q.E.D. het is een idiote stad die een idioot volkje huisvest, maar zelfs dan is het moeilijk te geloven dat er in heel Groningen niemand rondloopt die een beter gedicht kan schrijven dan ‘verwacht niet er te kunnen zijn voor wie / je liefhebt zolang je voor jezelf / geen ruimte vindt’. Tot die persoon zich opwerpt, rest ons niets anders dan lachen.
WF
Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.
De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal.
De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan.
Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt.
Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.
WF
Ik stond een gênant potje tennis te verliezen toen ik een appje kreeg van TD. Schrijver Femke Brockhus had een heel memoir in De Groene Amsterdammer gewijd aan de verwerking van één bijzin die ik een halfjaar geleden en een halve fles Mooi Kaap Droë Rooi diep had opgeschreven. Mijn eerste reactie: lachen en doorsturen naar iedereen die ik ken. Toch begon er daarna ook snel iets te knagen. ‘Een ontregelende of zelfs traumatische ervaring voelt vaak zo unheimisch (“niet thuis”) aan, omdat er nog geen woorden voor handen zijn.’ − stond dit er echt? Had ik dit veroorzaakt? En dan bedoel ik niet de incorrecte spelling van ‘voorhanden’, want die zou ik nooit veroorzaken, maar de ‘traumatische ervaring’. Het contrast tussen het gelach van mijn vrienden en ‘het glimmende lijfje’ van Brockhus’ zoontje, verschoof iets in mij zonder dat ik er woorden voor had. En toen had ik er toch woorden voor: ik had berouw.
Kijk, als PC-redacteur maak je soms slachtoffers. Daar moet je mee leven. Je kan iets nog zo duidelijk als een grap formuleren, maar het kan altijd dat iemand het serieus opvat. Toen ik ooit in een van mijn eerste stukken schreef dat Wytske Versteeg het gezicht heeft van Timon en het lichaam van Pumbaa, vroeg ik aan mijn moeder of ze me nu gemeen vond. Het deed me denken aan het moment dat ik tien jaar was en uit schuldgevoel wakker lag omdat ik op het schoolplein af en toe dingen als ‘kut’ en ‘lul’ zei; ik ging uiteindelijk naar beneden en biechtte huilend aan mijn moeder op dat ik me op school vreselijk misdroeg. Mijn familie en vrienden zien me als een lieve jongen, maar in PC hang ik de beul uit. Daarin zit het contrast.
De WF van een halfjaar geleden had waarschijnlijk zijn schouders opgehaald, als hij hoorde dat iemand voor elk woord van mij tweehonderd woorden nodig had om duiding te geven aan de vernietigende emotionele neerslag van een grap. Ik had het, eerlijk gezegd, misschien zelfs grappig gevonden. Maar terwijl ik op de tennisbaan Brockhus’ verslag van haar psychische ontregeling stond te lezen, merkte ik dat er deze keer ook een ander gevoel in mijn lichaam sloop. Ja, als PC-redacteur ga je over lijken, maar ik wist ook niet dat het zulke schrijnende maatschappelijke en tekstuele gevolgen zou hebben. Dat een voor mij onbetekenend grapje zo’n heftige uitwerking kon hebben, vond ik, als iemand die elke twee weken een stuk vol beledigingen en bedreigingen publiceert, moeilijk in taal te vatten.
Voordat we verder gaan zal ik de grap waar het allemaal om draait met teneergeslagen hoofd voor u herhalen. Ik citeer hem hier in volledigheid om duidelijk te zijn, niet omdat ik er zo trots op ben: ‘Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver’.
Nee, ik kon er niet meer omheen: ik had een grap gemaakt die iemand heel erg had beschadigd. Nota bene een moeder, van een glimmend zoontje. Dat kon ik niet meer, zoals ik altijd had gedaan, afdoen als een onschuldig geintje. Haar gevoelens bagatelliseren zou me hetzelfde maken als alle daders uit de geschiedenis. Bovendien was dit essay genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs, dus er moest wel een kern van waarheid in zitten. Ik schrok. ‘Wauw,’ dacht ik, terwijl ik de bal weer in het net sloeg, ‘wat ik heb gedaan is inderdaad net femicide.’ Was ik een slechterik? Stond ‘W’ voor Chris, en ‘F’ voor Jude?
Overduidelijk niet: W staat voor Willem en F voor Fintelman. Voor deze schuld moest ik dan ook boeten in de eigen persoon: dit afdoen als een algemeen mannenprobleem, zou precies dat algemene mannenprobleem in stand houden. Ik moest verantwoordelijkheid nemen, aan mezelf werken, geen slachtoffers meer maken. Die waren er al genoeg. Ik nam ‘zorgvuldig spreken’, naast ‘schoenen uittrekken’, per direct op in mijn persoonlijke Tien Geboden. En ik nam me voor me te verdiepen in de theorie. Van wie anders moest ik het leren dan de grootmeesters? Ik bestelde op boekwinkeltjes.nl meteen I love Dick, She comes first en alle boeken van Femke Brockhus, om mee te beginnen. Ik luisterde alleen nog maar podcasts met Marja Pruis erin, of die door haar waren aangeraden. Ik begon via Goodreads-messages een vraaggesprek met Maggie Nelson.
Van haar kreeg ik het idee om met alle vrouwen in mijn leven gesprekken te voeren over de manieren waarop ik ze gekwetst heb. Ik vroeg aan mijn ex, die het net tussen ons had afgebroken, of het wel echt elke keer consensueel was geweest, zelfs toen die ene keer toen ik dat ene deed, wist ze nog? Mijn zusje kon ik helaas niet vragen wat ik beter had kunnen doen: zij had het contact met mij een halfjaar geleden al verbroken toen ze hoorde dat iemand me aanklaagde om een satirische doodsbedreiging. Bij mijn moeder, die al mijn stukken leest, en die het mij toentertijd nauwelijks had kunnen vergeven dat ik weleens ‘kut’ en ‘lul’ zei tegen andere kinderen op het schoolplein, moest ik opnieuw om gratie bedelen.
Femke Brockhus is, daar ben ik nu achter, slechts de laatste aansluiter in een lange rij mensen die ik pijn heb gedaan. En waarom? Als ik een halfjaar geleden had geweten wat mijn woorden met haar zouden doen, had ik wel twee keer nagedacht. Drie keer, zelfs. Als ik had geweten hoe moeilijk het voor haar was om haar gevoel hierover in duidelijke woorden uit te drukken, had ik mijn grap zeker heroverwogen. Als ik had geweten dat ze aan een werknemer van de politie moest uitleggen dat plagiaat in een roman gewoon mag, had ik haar daar niet van beschuldigd. Als ik had geweten dat mijn geintje voor haar een trauma zou zijn, dat het zou voelen als een ‘agressief opgelegde stilte’, dan had ik haar gezegd dat ze best mocht praten; misschien had ik haar zelfs aangeraden er een essay over te schrijven voor De Groene Amsterdammer.
De laatste stap van mijn plan om verantwoordelijkheid te nemen voor mijn daden, was om een lang, reflectief, kwetsbaar essay te schrijven over mijn eigen gedrag. À la Femke Brockhus, zeg maar. Ik durf wel te zeggen dat dat is gelukt. Recensent Becca Rothfeld schrijft dat je geen memoir zou moeten schrijven als je niet bereid bent jezelf als dwaas en zielig op te voeren: als je jezelf louter de meest chique vormen van teloorgang toebedeelt, vlei je jezelf alleen maar. Als PC-redacteur doe je jezelf soms stoerder voor dan je bent. Je probeert toch een beetje de literaire versie van een nozem op een speedboot met buitenboordmotor uit te hangen. De poortwachters van onze cultuur tegen de schenen te trappen, het patriarchale script te volgen. Maar je moet de menselijke kant niet uit het oog verliezen. Het glimmende zoontje. Vanaf nu zal ik zorgvuldig spreken. Ik ben dankbaar voor de vrouwen in mijn leven. Dankbaar dat mijn moeder al mijn stukjes leest, hoe grof en vijandig ze ook zijn. Hoe vaak ik ook ‘kut’ en ‘lul’ zeg. Dankbaar dat zij het contrast begrijpt.
WF
Als je veel informatie tot je neemt, ga je daar patronen in herkennen. Dat is iets menselijks. Het blijft dan natuurlijk nog maar de vraag of die patronen echt bestaan, of alleen maar projecties zijn van je eigen geest. Ik ben, voor zover dat nog niet duidelijk was, geen wetenschapper, maar van sommige patronen die mensen denken te zien kunnen we duidelijk zeggen dat ze louter denkbeeldig zijn. Sterrenbeelden, tarotkaarten, dat idee dat fluiten op een boot stormen aantrekt, dat je buikpijn krijgt als je met een mes door je drankje roert. Noem me een cynicus, maar daar geloof ik niet in.
De patronen die ik herken in Nederlandse literatuur, daarentegen, zijn heel andere koek. Die kan ik staven met keiharde feiten. Ik heb hier al een keer eerder vastgesteld dat er slechts drie soorten (recente) Nederlandse romans zijn: romans over hele rare seks op een hele normale, seksloze plek; sleutelromans van deuren die niemand wil opendoen; en aanstellerige autofictie van heel diep uit de mongolenput. Daar blijf ik achter staan, met één addendum. Recentelijk heb ik een nieuw patroon ontwaard. Dat gaat als volgt.
Ik schrijf dit vanuit een isoleercel. Dat komt zo: een paar jaar geleden had ik een familietrauma. Mijn vader was heel streng en mijn moeder was heel lullig. Ik sloeg daardoor met een roestige hamer een al even roestige spijker in mijn eigen arm. Ik kreeg de vereiste zorg; geestelijk bedoel ik, maar ik kreeg eerst natuurlijk ook de behandeling voor die spijker in mijn arm. Nou goed, na die zorg leek het even goed met me te gaan. Toen leerde ik zo in de periode in je leven dat je een beetje ongelukkig en onzeker bent, iemand of iets kennen dat mij helemaal in zijn greep kreeg. Ik begon me te verzetten tegen mijn ouders, die mij immers zo streng en lullig hadden behandeld. Uiteindelijk ging dat helemaal fout. In naam van datgene waar ik zo in de ban van was, verneukte ik iets zo grondig dat het landelijk nieuws werd. Ik werd daarom in de isoleercel gestopt, maar ben op de een of andere manier nog wel zo goed bij geest dat ik er nu heel genuanceerd op kan reflecteren, en er een roman over kan volschrijven.
Rouwdouwers, Vonkie, Beesten die je niet mag schieten, Zomersplinters, De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Ludwig: allemaal gaan ze ongeveer zo. De verteller ontrafelt vanuit een soort alternatievige veilige haven een persoonlijke psychologische geschiedenis, van achter naar voren, met flashbacks die flarden van een moeilijke jeugd openbaren. In Ludwig vertelt ze vanuit het gekkenhuis hoe ze deelnam aan een cult, omdat ze een onzekere twintiger was; in Rouwdouwers is ze aan het houthakken met een man die geen Nederlands of Engels kan terwijl ze vertelt over haar kutvader die toch ook weer niet helemaal kut is; in Vonkie is ze op een wandeltocht in Schotland aan het zeiken over haar demente vader die toch ook weer niet altijd dement was.
Waarom boeit dit me allemaal zo weinig? Daar heb ik veel over nagedacht. Dat al deze boeken in essentie ongeveer hetzelfde zijn, helpt niet, natuurlijk. Dat ze in de literatuurgeschiedenis al vaak genoeg veel beter zijn uitgevoerd, ook niet. Dat flashbacks een gemakkelijke en afstompende manier zijn om spanning op te bouwen − een soort automatische cliffhangers, die alleen voor mensen die weinig boeken lezen minder flauw lijken − doet het genre ook geen goed. Schrijvers van deze boeken begaan dan ook nog vaak de fout aan het begin te waarschuwen dat wat hier verteld gaat worden heftig is. Toch een beetje alsof je, wanneer je een zwembad inloopt, bandjes omgeduwd krijgt. We kunnen wel zelf van de duikplank, hoor.
Uiteindelijk is het grootste probleem dat deze boeken, ik schaar ze bij dezen onder de noemer ‘playbackproza’, vaak nog slecht geschreven zijn, ook. Omdat Ludwig het exemplaar van deze soort is dat ik als laatste heb gelezen, en het voor een debuut best succesvol was, gebruik ik dat als voorbeeld. Auteur Jana Antonissen kende ik niet, maar op basis van haar biografie op de achterflap lijkt ze me een soort Vlaamse Doortje Smithuijsen. Daarvoor geldt hetzelfde als voor iemand met een vierkante snor die Drittes Reich uitschreeuwt met een zachte ‘g’: toch wat minder eng, maar het blijft Adolf Hitler.
Geen vliegende start, maar ik ben een rechtschapen jongen: ik ging er zonder vooroordelen in. Helaas bleek mijn Hitler-vergelijking weer eens verre van voorbarig: Ludwig is ook niet heel veel beter geschreven dan Mein Kampf. Probeer de volgende zin maar eens, nou ja, te lezen: ‘Die eerste nacht was de bedwelmende cocktail van anticipatie, vrees en ontzag zo tastbaar dat ze schitterend als het weerkaatste lusterlicht van alle spiegels was gesprongen, ons in haar weldadige gloed ondergedompeld had.’ In het beste geval mist hier een komma, in het slechtste geval een heel zinsdeel. Net zo heeft Antonissen in het beste geval dyslexie, en in het slechtste geval een virale hersenvliesontsteking.
Opnieuw, ik ben geen wetenschapper, maar het lijkt toch te neigen naar dat laatste. Ludwig is dus een roman over een cult, en Antonissen schuwt daarbij geen enkel cliché. Zo ook niet het cliché van de onweerstaanbare groepsdruk: ‘Eindelijk droeg ik bij. Eindelijk werd ik opgeslokt door iets groters, iets waarvan ik niet eens had durven dromen, iets waarvan ik had aangenomen dat het niet meer bestond: een maalstroom, een beweging, een geschiedenis schrijvende groepering.’ Ten eerste: Jana Antonissen lijkt me echt zo iemand die, als ze heeft besloten een roman te gaan schrijven, begint met het maken van een woordweb waarin ze samengestelde woorden als ‘maalstroom’ en ‘lusterlicht’ opneemt. Als ze dan, na meerdere lange sessies geconcentreerd nadenken, genoeg van die gecompliceerde woorden heeft verzameld om een A4’tje te vullen, kan ze eindelijk beginnen die met betekenisloze zinnen aan elkaar te knopen. Ten laatste: kijk, ik kan best geloven dat een cult verraderlijk kan zijn, hè. Dat je, ook als weldenkend mens, door groepsdruk en massahysterie tot dingen in staat kan zijn waarvan je dat nooit verwacht had. Maar maak dat dan tenminste enigszins invoelbaar door niet de allerdomste naïeve blonde kluchtkut ooit als hoofdpersonage op te voeren. Nu geloof ik het gewoon niet. Noem me maar een cynicus.
Dit was maar één voorbeeld, maar playbackproza is echt een wijdgespreide zwarte schimmel in de vodderige badkamer die de Nederlandse boekenwereld is. Ik ben toevallig net begonnen in de nieuwe roman van Emy Koopman, De vrouw in de kelder, en ja hoor: het gaat over een vrouw die in een kelder woont, en via flashbacks de relatie met haar vader, die net zo goed de kut-maar-ook-weer-niet-helemaal-kutvader uit Rouwdouwers had kunnen zijn, probeert te duiden. Emy Koopman kan dan wel een stuk beter schrijven dan bijvoorbeeld Jana Anatonissen, maar toch: vanaf de eerste flashback boeit dit verhaal mij minder dan het scheppingsverhaal een geaborteerde foetus. Bedenk je eigen verhaal, bedenk je eigen structuur, bedenk je eigen spanningsboog, of stop met schrijven. Lijkt me niet te veel gevraagd. Toch?
WF
Ludwig, Jana Antonissen. De Bezige Bij, €23,99
Rouwdouwers, Falun Ellie Koos. Atlas Contact, €22,99
Vonkie, Froukje Arns. Ambo|Anthos, €23,99
Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus. De Bezige Bij, €22,99
Zomersplinters, Mick van Biezen. Lebowski, €22,99
De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Julie Cafmeyer. Pluim, €22,99
De vrouw in de kelder, Emy Koopman. Arbeiderspers, €23,99
Als ik een Substack had die vernoemd was naar mijn eigen naam, zou ik een polemiek beginnen tegen Dave Schut. Waarschijnlijk zou ik dan eerst een ironisch verwoorde spoiler invoegen, om zo veel mogelijk lezers aan te moedigen tot het einde door te lezen. Bijvoorbeeld: in de laatste alinea wordt het pas echt leuk! Daarna zou ik beginnen met een uitleg van wie Dave Schut is, want dat weten alleen mensen die een Substack hebben die vernoemd is naar hun eigen naam. In het kort: Dave Schut is een aspirant-NRC-columnist die nu (nog eventjes) werkt als freelance tekstschrijver voor Andrélon, maar elke dag zijn hele ziel en zaligheid steekt in Bluesky-berichten en Substack-artikelen die aan God en Patricia Veldhuis moeten bewijzen dat hij voor iets hogers bestemd is.
Op Substack is zijn vaste rubriek een maandelijkse post waarin hij ‘het beste’ dat hij die maand ‘gelezen, bekeken en beluisterd’ op een rij zet. Lijstjes zijn nu eenmaal vaak het weapon of choice van autisten; daar kan Dave ook niks aan doen. En dat hij in deze maandelijkse lijstjes lang niet altijd een boek noemt, is een beetje gênant, maar nog geen crime. Schut wordt pas echt kut als hij nog zo’n lijstje maakt, maar dan van ‘26 manieren om niet te hoeven beseffen wat de Palestijnen wordt aangedaan’. Kan het lintwormachtiger dan genocide gebruiken om jezelf te verheffen terwijl je niks uitvoert en dat dan weer ironiseren zodat het toch niet erg lijkt?
Ja: opscheppen over dat die lijst van 26 smoesjes heeft geleid tot een artikel in NRC. En dat dan weer tot een artikel in een Iraans tijdschrift. En daar dan weer aanstellerig over doen. ‘Nu kreeg ik het warm. Het was op een doordeweekse avond, ik lag al in bed. Ik sloeg de dekens van mij af en probeerde niet te denken dat ik die nacht zou worden gekidnapt door Israëlische of Amerikaanse veiligheidsdiensten.’ Wil Schut ons doen geloven dat hij echt bang was dat de Mossad een Operatie Bayonet 2 op hem los zou laten omdat hij een stukje in NRC had geschreven over wittemensensmoesjes? Of wil hij gewoon opscheppen, om zijn imago te verbeteren?
Om die vraag te beantwoorden moeten we dieper graven. Tot de kern. Gelukkig heb ik helemaal geen Substack, maar ben ik PC-redacteur. Iemands kern vatten is mijn specialiteit. De essentie van Dave Schut is dat hij heel veel bezig is met zichzelf als anders presenteren dan die essentie. Er bestaat dan ook een groot verschil tussen hoe hij zichzelf presenteert en hoe hij daadwerkelijk is. Ik zal eens wat voorbeelden noemen. Hoe Schut zichzelf presenteert: randstedeling. Hoe hij werkelijk is: woonachtig in een Vinex-wijk in Alkmaar. Presentatie: geëngageerd. Werkelijkheid: abonnee van (limitatief:) Quest, Nieuwsblad Alkmaar, AutoWeek. Presentatie: smaakvol. Werkelijkheid: heeft zijn huis (in Vinex-wijk in Alkmaar) ingericht in pasteltinten en bewust dode planten; volgt @folkert_slump (voor ‘advies voor mannenkleding’) op Instagram; heet ‘Dave’.
Voor iemand met een beetje mensenkennis is het overduidelijk dat de werkelijkheid van Schuts bestaan behoorlijk belachelijk is. Maar, ho, Dave Schut zou Dave Schut niet zijn als hij niet een manier had bedacht om ook die mensen voor zich te winnen: zichzelf belachelijk maken. Hij gebruikt bijvoorbeeld slice of life-tweets over ha-ha-herkenbare rijtjeshuisellende om te laten zien dat hij zichzelf ook heus niet serieus neemt: ‘Met slechts een minuut te gaan tot de videomeeting moest ik mijn handmatige zit-stabureau nog naar beneden krijgen. Bij het voorstelrondje was ik buiten adem.’ Iedereen die wel eens een okkernootje heeft gekregen weet dat deze strategie niet werkt: door jezelf belachelijk te maken maak je jezelf alleen maar, nu ja, belachelijker. Voor iemand die eruitziet alsof hij snuffelend langs de kapstokken ging om alle jassen met een wietgeur aan te geven bij de conciërge, is het best gek dat Schut dat nog altijd niet begrijpt.
‘Ik stel trapfietsers die ik inhaal op mijn elektrische fiets altijd even gerust met de mededeling dat ik een paar jaar eerder doodga door een gebrek aan beweging.’ Ja, Dave Schut probeert ook wel eens iets grappigs te schrijven. Daarmee raak ik aan een gevoelig punt. Met die gelijkenis tussen hem en mij moet ik opeens hoeden voor wat Freud het ‘narcisme van het kleine verschil’ noemde: des te meer mensen op elkaar lijken, des te sneller ze kritiek op elkaar hebben. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de twee volkjes in Swifts Gulliver’s Travels die jarenlang oorlogvoeren over de manier waarop je een ei hoort te breken. Ik heb het zelf wel eens gehad over de langlopende vete tussen de inwoners van Hazerswoude-Dorp en Hazerswoude-Rijndijk.
Laat het duidelijk zijn dat dat niet is wat er hier aan de hand is. Dat Dave Schut af en toe Aron Groot retweet, betekent niet dat wij op elkaar lijken. Een grap van Dave Schuts kaliber is bijvoorbeeld: ‘Mona Keijzer is gewoon Bart Nijman met lang haar.’ Slaat nergens op. Het is een goed format, daar niet van. Zo goed dat het bijna moeilijk is om het niet grappiger te maken. Een vrouw is een man met een vagina. Een vrouw is Charlotte Remarque zonder downsyndroom. Dave Schut is een man met een vagina. Dave Schut lijkt op Ellie Lust als ze in de mavo/havo-brugklas wél de havo had gehaald. Dat is het verschil.
WF
Gedurende je PC-redacteurschap word je steeds beter in het identificeren van charlatans in allerlei verschijningsvormen. Zo had ik in Sinan Çankaya toen hij bij Buitenhof zat al een pathologisch narcist herkend voordat hij zo ijdel begon te lullen dat hij tafelgenoot nota bene Maurits de Bruijn op een orthodox-gereformeerde Hegeliaan uit Schouwen-Duiveland liet lijken. Nu is narcisme an sich nog niet zo erg; zonder narcisme heb je namelijk geen kunst. Aan mij de taak om te bezien of Çankaya zijn bestaan aldus kan rechtvaardigen.
Het eerste dat je leert over Sinan Çankaya is dat hij houdt van alliteratie. Als dat nog niet duidelijk was door de titel van zijn nieuwe essay, Galmende geschiedenissen, of, als je racistisch bent, door zijn naam, dan wel door de zin ‘Ik snakte ernaar om mijn keuken, of eigenlijk mijn grot, te verlaten, die steeds donkerder, duisterder en droefgeestiger aanvoelde. Ik snakte naar het licht daarbuiten.’ Wat prettig is aan dit citaat is dat het niet alleen Çankaya’s voorliefde voor alliteratie illustreert, maar ook meteen zijn voorliefde voor clichématige beeldspraak (keuken = Plato’s grot), tautologieën (donkerder én duisterder) en melodrama (hij vertelt hier over zijn writer’s block).
Het is duidelijk dat Çankaya in ieder geval graag kunst wil maken. Maar ja, met taalgebruik dat perfect het midden houdt tussen dat van de liedjes van Marco Borsato en dat van de kinderen die Marco Borsato graag bepotelt, maakt Çankaya niet meteen een bijster talentvolle indruk. We moeten ons daarbij wel realiseren dat mensen die ergens zijn opgegroeid waar geen Nederlands wordt gesproken, vaak nooit helemaal op moedertaalniveau kunnen komen. Dat geldt blijkbaar zelfs voor een gepromoveerd cultureel antropoloog als Çankaya. Als geboren en getogen Nijmegenaar zal hij waarschijnlijk altijd een kleine achterstand hebben.
Een paar misplaatste moeilijke woorden moeten we hem dus vergeven. Toch eindigt ook mijn vergevingsgezindheid ergens. Op pagina 42, om precies te zijn, waar Çankaya het volgende beweert: ‘Sommige ontmoetingen bepalen levens, daar ben ik heilig van overtuigd.’ Ja, lijkt me overduidelijk. Bananen zijn krom, daar ben ik heilig van overtuigd. Wat dacht je van de ontmoeting van je vader en moeder, Sinan? Zou die ontmoeting levens hebben bepaald? Een cultureel antropoloog die stelt dat de Wannseeconferentie misschien wel invloed heeft gehad op de levens van 6 miljoen joden; je moet het maar durven.
Die Tweede Wereldoorlog-vergelijking zuig ik niet zomaar uit mijn duim. Çankaya heeft het er zelf de hele tijd over. Hij schrijft bijvoorbeeld over zijn bezoek aan Auschwitz, waarbij we meteen weer merken dat hij als het op een taal aankomt geen uitblinker is. Over een Nederlandse man die met hem de rondleiding doet, zegt hij: ‘Hij had een zuidelijk accent, verder niets ten nadele van zuiderlingen.’ Gek, en niet alleen omdat Çankaya zelf uit het zuiden van Nederland komt, want waarom zou zeggen dat iemand een zuidelijk accent heeft iets negatiefs impliceren over zuiderlingen? Een cynicus zou kunnen zeggen dat die aanname juist erg discriminatoir is; als ik mijn hekel aan Sinan Çankaya zou willen uitdrukken, bijvoorbeeld, zou ik zeggen dat hij een narcist is, maar niets ten nadele van narcisten, verder. En u moet nu niet de fout maken te denken dat dit een grapje was van onze Sinan. Ik heb in mijn leven weinig meer totaal van humor gespeende stukken tekst gelezen dan dit essay; vermoedelijk vonden Çankaya’s groepsgenoten hem zelfs op de rondleiding langs de blikken Zyklon B nog de allergrootste domper van de dag.
We moeten overigens niet denken dat Çankaya alleen maar een bezoek brengt aan Auschwitz om daar zoals altijd de opgeblazen voorhuid uit te hangen. Het is ook van zeer groot belang voor de kracht van zijn betoog, aangezien het bewijst dat hij tegelijkertijd sympathie kan hebben voor het Joodse lot en kritiek op de staat Israël. Mogelijk komt u dat bekend voor, als precies hetgeen dat iedereen met ook maar een beetje verstand al zegt sinds 7 oktober. Toch doet Çankaya maar al te graag alsof hij een boodschap verkondigt die zo verboden is dat zijn uitgeverij zijn verhaal nauwelijks wilde uitgeven. Zo staat er in de flaptekst van Galmende geschiedenissen: ‘Wanneer hij over de genocide op de Palestijnen schrijft, wordt het stil. Mag hij dit verhaal vertellen?’ Nou, blijkbaar wel, dus.
Zoals typisch is voor narcisten denkt Çankaya vaak dat de hele wereld tegen hem is. Dat dat denkbeeld aan meerdere kanten niet klopt, bewijst hij zelf nog maar eens met de laatste woorden van zijn boek: ‘Ik val helemaal niet. Het is als een stilstaande trein, je denkt te bewegen, maar het is de trein naast je. De wereld valt.’
Het is duidelijk dat Cankaya hier mikte op weer zo’n geliefd cliché van hem, maar helaas: alleen iets dat klopt kan een cliché zijn − en als je de logica van deze metafoor volgt, zou de wereld relatief tot Çankaya helemaal niet vallen, maar hem juist ontstijgen. En dat is natuurlijk ondenkbaar. Voor hem, althans.
WF
Galmende geschiedenissen, Sinan Çankaya.
De Bezige Bij, € 22,99
Aanvankelijk wilde ik geen vuile woorden schoon maken aan Oroppa, omdat ik het best een hoopvol boek vond. Met hoopvol bedoel ik: in ieder geval ambitieus. En dan ook nog eens redelijk uitgevoerd. Dat eerste zie je weinig in Nederlandse literatuur; dat tweede echt vrijwel nooit. Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver. Dier We moeten het even over Kevin hebben klinkt misschien als een column van Sander Schimmelpenninck, maar is het ontologisch tegenovergestelde: een behoorlijk goed boek.
Met dat boek was de niche ‘nasleep van een school shooting maar vanuit het perspectief van de moeder van de schutter’ mijns inziens wel afdoende ingevuld. Maar goed, Brockhus moest zo nodig haar eigen debiele steentje bijdragen aan de amerikanisatie van onze cultuur. Als ik vroeger afkeek bij een toets, zorgde ik in ieder geval dat ik de zinnen nauwkeurig overnam; Brockhus, daarentegen, heeft het hele verhaal ook nog eens veel slechter opgeschreven dan Shriver. Om te zorgen dat de docent geen onraad rook maakte je natuurlijk expres een paar fouten, maar in die tactiek lijkt Brockhus te zijn doorgeslagen. Net als Martin Rombouts in zijn Boek 1 gebruikt ze de fragmentarische vorm zonder dat die enig doel dient. Mongool 1 en mongool 2 denken dat, als ze maar genoeg witregels invoeren tussen hun betekenisloze prulproza, de lezer die betekenis wel invult. Niet helemaal wat Yra van Dijk bedoelde met ‘leegte die ademt’, al is dat laatste wel de beste beschrijving van Femke Brockhus of Martin Rombouts die ik kan bedenken zonder aan vergelijkingen met kleine zoogdieren te beginnen.
Nu ben ik toch weer afgedreven naar (inhoudelijke) kritiek. Ik wilde juist beginnen over hoop. Waar paashaas Van Reybrouck en chocolade-ei met pralinévulling Wieringa het hebben over hoop in een wereld die ten onder gaat aan oorlog, klimaatverandering en transgenders, heb ik het over hoop in een wereld die ten onder gaat aan middelmatige literatuur. Oroppa gaf mij hoop, zeker. El Khannoussi deed mij een beetje denken aan Bolaño, als Bolaño dyslexie had gehad. Dat is, welteverstaan, nog steeds heel veel lof voor een debutant, zeker eentje die politicologie studeert. Haar verhalen zijn leuk, haar vertelstructuur is erg goed. Daarom, Bolaño. Maar dat maakt Oroppa nog geen goed boek. Een goed boek moet goed zijn geschreven, en daar gaat het fout. Wel dacht ik: het kan nog wel eens wat worden, met die Safae. Ik besloot rustig af te wachten tot haar volgende boek klaar was, en haar dan nog een kans geven.
Toen kon ik nog niet weten wat El Khannoussi en Oroppa allemaal zouden losmaken. Longlist voor de Libris. Shortlist voor de Libris. Winnaar van de Boon. Door de Volkskrant verkozen tot hét aanstormend literatuurtalent van 2025. Door Marja Pruis opgenomen in haar leipe lesbo-clubje. Top 10 op de bestsellerlijst. Ik voel me de dorpsgek die zijn lantaarn aansteekt in de heldere ochtenduren. Waar zijn we in dode godsnaam mee bezig? We moeten niet vergeten dat Oroppa, naast ‘een middelvinger naar conservatieve rechtse figuren’, ook een middelvinger is naar beschaafd, allang niet meer algemeen Nederlands. Zo blijkt, althans, want iedereen in Nederland die verstand hoort te hebben van literatuur lijkt te denken dat Oroppa goed geschreven is. Zo ben ik dan toch gedwongen om in te grijpen.
‘Als een teruggevonden verstekeling in de roerloze stilte, bevond hij zich in een uitzonderlijk stukje verleden dat geen zeer deed, dat verleidelijk was en voor hem het teken dat ook hij (zelfs hij) een jongen was geweest.’ Dit is een willekeurige zin van een willekeurige pagina uit Oroppa. Als in, gekozen naargelang de keur van mijn wil. Thomas de Veen van NRC vindt dit taalgebruik ‘heerlijk zwierig’. Dat dat werkelijk niets betekent uit de mond van iemand die zelfs aan de snats nog danst als een Ikea-hoekbank, wordt zo nog maar eens bevestigd; ik heb nog nooit een minder zwierige komma gezien dan die eerste uit dit citaat.
In die andere kwaliteitskrant durfde lopende schaal bedorven ansjovissalade Ariejan Korteweg dit nagenoeg analfabete gezwatel ‘tovertaal’ te noemen. Inderdaad laat El Khannoussi grammaticaregels met één tik van haar vingers verdwijnen. Ook literaire overblijfmoeder Marja Pruis borrelt over van enthousiasme: ‘De stijl waarin de roman is geschreven is een verhaal op zich, misschien wel hét verhaal.’ Misschien, maar dan wel het verhaal uit een Maan Roos Vis-boekje. Best interessant dat Pruis precies verkeerd ziet wat er goed en niet goed is aan Oroppa. Ze denkt dat de stijl het sterke punt is van het boek. Als Marja Pruis bondscoach was, zou ze Lieke Marsman op doel zetten.
Het begint erop te lijken dat niemand binnen de literaire kritiek ooit voorbij de Maan Roos Vis-boekjes is gekomen. De massahysterie rond Oroppa is voor mij, in tegenstelling tot andere soorten massahysterie, onbegrijpelijk. Ja, het boek was verfrissend, want het is beter en anders dan het meeste dat uitkomt. Maar laten we alsjeblieft stoppen met doen alsof ze de nieuwe Toni Morrison is. Ik debuteer over een jaar, dan praten we wel verder.
WF
Oroppa, Safae El Khannoussi.
Pluim, €27,99
Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus.
De Bezige Bij, €22,99
Boek 1, Martin Rombouts.
Das Mag, €24,99
We moeten het even over Kevin hebben, Lionel Shriver.
Contact, €29,50
Met Mees in de bus, Anneke Scholtens.
Maan Roos Vis, €19,95
De Boekenweek van 2025 is alweer voorbij. Als iemand die ook boeken koopt en leest buiten die termijn doet dat me verder helemaal niets. De aanstellers die tijdens de Boekenweek vastberaden naar de Bruna lopen verdienen geen medeleven, die mensen hoeven van zichzelf maar een keer per jaar een boek aan te schaffen om zich tot volgend jaar te wentelen in hun beschaafdheid. De vraag voor wie de Boekenweek dan eigenlijk wel van belang is, leg ik hier graag naast me neer. Het gaat hier om mijn belang. In mijn ervaring hebben onderdelen van de Boekenweek vaak de eigenschap hoopvol te beginnen en deprimerend te eindigen. Het Boekenbal is bijvoorbeeld grotendeels plezant, maar door de kater achteraf maak je de rest van de Boekenweek geen serotonine meer aan. Op dezelfde wijze is de aankondiging van de Boekenweekgeschenkschrijver spannend, maar is het eindresultaat, althans sinds 2012, genoeg om voor de rest van het jaar afgevlakt geluk te ervaren.
Ook dit jaar begon het allemaal zo goed. Het leek mij bijvoorbeeld gewoon een slim idee om het Boekenweekgeschenk te laten schrijven door de winnaar van een wedstrijd: dan ging − en sta me één zure opmerking toe − al dat gedoe in ieder geval eens over het boek zelf. En het gezeur van iemand als Jamal Ouariachi − en sta hem eens één niet-zure opmerking toe, alstublieft − dat dat uitbuiting zou zijn van schrijvers, omdat die dan gratis werk zouden moeten leveren, is natuurlijk ontiegelijke onzin: alleen voor gevestigde auteurs en PC-redacteuren is de onzekerheid of je boek überhaupt wordt uitgegeven geen vast aspect van schrijven. In principe is een proces als dit juist heel eerlijk, omdat minder bekende schrijvers evenveel kans hebben om te winnen als bekende. De meest onbekende schrijvers die hieraan mee mochten doen waren dan weer wel auteurs die al twee titels hadden gepubliceerd, maar goed, het is in ieder geval beter dan niets.
Voor de lezer is het misschien verrassend om te horen dat ik over het algemeen positief in de dingen sta. Ik ben een rasoptimist, overigens in beide zinnen van het woord, en dus had ik dit jaar hoge verwachtingen van het Boekenweekgeschenk. Nu is hoop de voorouder van teleurstelling; ik zou graag af en toe wat minder naïef zijn. In dit geval had ik er bijvoorbeeld geen rekening mee gehouden dat de jury die zou moeten kiezen tussen al die inzendingen voor het Boekenweekgeschenk bestond uit Tom Lanoye, een complete idioot die goed kan schrijven, en een stel complete idioten. Ik had moeten weten dat een chick sexer nu eenmaal niet in een kippenhok wordt geboren.
Als u die laatste grap heeft begrepen klinkt het misschien alsof ik heel negatief ga zijn over De krater, maar eigenlijk is het de gedoodverfde winnaar van een wedstrijd voor het Boekenweekgeschenk. Het is namelijk de meest Nederlandse roman ooit. In een land met honderden Landal-vakantieparken is gourmetten ook de nationale keuken. Dat we hier te maken hebben met het literaire equivalent van met een metalen spateltje proberen je blokje afvalvlees om te draaien, merken we al in de eerste zin van het boek: ‘Het eerste wat Johnny vroeg was hoe dat Duitse stinkgat heette.’ Met een ingebedde zin beginnen vind ikzelf meer iets voor de zaterdagochtend dan voor een roman met literaire pretenties, maar ik ben dan ook geen Gerwin van der Werf. Hij ziet er misschien niet zo slim uit, maar Gerwin is gewiekst genoeg om te weten dat hij de wedstrijd met deze zin eigenlijk al had gewonnen. Dé manier om alle Nederlanders te verenigen is immers om het anti-Duitse sentiment aan te wakkeren. Alsof wij na Duitsland niet de grootste nazi’s van Europa waren staan we lekker te verbroederen op de dansvloer van een Malteese nachtclub, ‘alle Duitsers zijn homo’- blerend. Dat is ook precies wat De krater is: het highlight reel van je examenreis, de kunst aan de muur van het jeugdhostel waar je lepeltje-lepeltje ligt met de bedwantsen, het net niet zoenen van iemand die ook Nederlands is alleen omdat ze ook Nederlands is. Wat ik wil zeggen is: het is compleet voorstelbaar, maar tegelijkertijd alsnog ontzettend teleurstellend. Het is, met andere woorden, Nederlandse literatuur.
WF
De krater, Gerwin van der Werf.
Stichting CPNB, gratis en toch te duur
Tobi Lakmaker heeft een column in Volkskrant Magazine. Die is meestal iets beter dan die van Thomas van Luyn in hetzelfde blaadje, maar verder valt er niet zo veel over te zeggen. Althans, normaal gesproken: de meest recente Lakmaker was zo explosief dat zelfs weblog Tzum erover rapporteerde. Gewoonlijk plaatst het weblog alleen literaire analyses van het oeuvre van Roxy Dekker, de meest opwindende interviews met Marjoleine de Vos en de filmpjes van Jan Wolkers’ favoriete okkernootdoelwit Maarten ’t Hart waarin die boeken aanprijst om zijn bonuspensioen bij Boekhandel De Kler op te strijken, maar nu was er ook ruimte voor echte pennenstrijd.
Lakmaker uit in desbetreffende column zijn teleurstelling over de nasleep van het Ronit Palache-schandaal bij Prometheus van een paar jaar geleden. Tobi is tegen onrecht, en dus is hij boos op alle schrijvers bij Prometheus die niet zijn weggegaan nadat bleek dat Mai Spijkers (en Palache zelf ook) af en toe iemand uitschold die dat waarschijnlijk gewoon verdiende. ‘Na het verschijnen van het hierboven genoemde onderzoek stond de deur immers wagenwijd open om stelling te nemen en te vertrekken, maar de schrijvers van Prometheus hebben bij voorkeur schijt aan de manier waarop hun eigen redacteuren en diens collega’s worden behandeld.’ Een sterke boodschap, al verliest die iets van kracht omdat Tobi zelf ook schijt lijkt te hebben aan de manier waarop zijn redacteuren worden behandeld: het is hier namelijk gewoon ‘dier collega’s’.
Naast makkelijk schrijven heeft Lakmaker ook makkelijk praten. Het fonds van Prometheus zit vol jonge schrijvers die allang blij zijn dat iemand hun boek wil uitgeven. Niet iedereen heeft immers een directeur van een andere grote uitgeverij als broer. Ja, hoe zat dat ook alweer? Lakmakers halfbroer is Daniël van der Meer, medeoprichter van Das Mag. Hij nam het prototype van Lakmakers latere debuut, De geschiedenis van mijn seksualiteit, op in een verhalenbundel voor schrijvers die nog niet gepubliceerd waren. Van der Meer is ook de beste vriend van Daan Heerma van Voss, met wie Lakmaker een relatie had toen hij nog een 18 jaar oude vrouw was en Heerma van Voss nog een 30 jaar oude man. Niet gek, dus, dat Lakmakers boek een groot succes werd; daar kon geen gebrek aan talent verandering in brengen.
De romanschrijver in Lakmaker komt in de column ook naar boven, wanneer hij de cancelcultuur op literaire wijze vergelijkt met ‘een soort schuldeiser die zijn werk niet goed doet: we krijgen zo nu en dan iets terugbetaald, maar eigenlijk veel te weinig’. Lakmaker, spruit van het Sint Ignatius, heeft duidelijk nooit hoeven ervaren wat schuldeisers doen, want in deze analogie vergelijkt hij zichzelf met de staat. Het is veelzeggend dat hij, in een stuk waarin hij onrecht probeert aan te kaarten, zichzelf aan de kant van de machthebber schaart. Daarmee verraadt hij zijn werkelijke, bevoorrechte positie: als talentloze laaielichter die door familie en vrienden tot succesauteur is gebombardeerd. Lekker makkelijk, om dan anderen de les te lezen dat ze zich niet moeten laten misbruiken om dezelfde kansen te krijgen die hijzelf automatisch kreeg. Dat is een beetje hetzelfde als tegen een Chinees kindje in de iPhone-fabriek zeggen dat hij zijn tijd beter kan besteden aan buitenspelen.
Voor de duidelijkheid: het is niet alsof ik vind dat Mai Spijkers geen kritiek verdient, of verdedigd moet worden. Leuk hoor, die borrels, mooi man, maar uiteindelijk is hij gewoon een ordinair oliemannetje. En hij kan wel doen alsof Connie zijn palmolie was, maar de echte olie had zelfs nog minder literair cachet dan Palmen: Spijkers is eigenlijk gewoon rijk geworden met Fifty shades of grey, een soort All fours voor nog dommere vrouwen. Ethisch staat dat gelijk aan rijk worden met orgaanhandel.
Punt is dat Lakmaker wel de laatste persoon is die het recht heeft om die kritiek, wel of niet verdiend, te leveren. En waar Spijkers tenminste nog af en toe iets voelt, is Lakmaker een identiteitsloze arrivist, die zich, eenmaal gearriveerd, met een kaartje voor de eerste klas gefinancierd door het familiefonds, ook nog moreel verheven waant. Lakmaker is iemand die zijn eigen Wikipedia aanmaakt. Ik heb het even gecheckt, en met dat Wikipedia-account heeft hij ook helemaal niets anders gedaan; Lakmakers enige bijdrage aan de wereld is de lege huls van zijn eigen roem.
Op die Wikipedia wordt tevens vermeld dat Tobi’s overgrootouders ook al arrivisten waren, maar dan in Auschwitz, in 1943. Zo is er altijd wel wat.
WF
Nederland is een klein land. Van formaat, en van geest. De Nederlandse literatuur is bijpassend bekrompen, en dat is ze, eerlijk gezegd, altijd geweest. Lezen in Nederland voelt alsof je een zeehond bent die heel langzaam wordt doodgeknuppeld. Je huid blijft intact en dik, maar uiteindelijk, als je maar genoeg klappen krijgt, breekt je schedel open en schieten de botscherven in je brein. Nog voor je goed en wel hersendood bent stoppen ze haken in je mond, wangen en oogkassen en sleuren je mee. Je vacht wordt afgestroopt en verkocht aan de CPNB, die er hardcovers van laat maken voor het nieuwe boek van Philip Huff. Je belandt op een op lettertype gesorteerde boekenplank van een meisje dat elke avond een stukje van haar telefoon opeet.
Waar gaat het mis? Wie zijn ‘ze’? Wie zijn de knuppelaars, en wie zijn de knuppels? Sowieso bestaan er knuppels in verschillende maten. Om te beginnen zijn er de kleine, zelfs minuscule knuppels, die in hun eentje nauwelijks schade kunnen berokkenen. Bob Kappen, bijvoorbeeld, kauwt het binnenwerk van uw boek graag voor u voor, heeft er aannemelijk zelfs geen problemen mee het natte, makkelijk in te slikken papje keurig in uw open mond over te spugen. Compleet ongevaarlijk, meer nog omdat hij als de enige heteroseksuele homo van Amsterdam weinig kans heeft om een soa over te dragen. Maar veel kleine knuppels bij elkaar kunnen toch een boel schade berokkenen. Gebundeld, in elkaar verweven, hebben zij opeens gewicht en slagkracht, en als dat ontroerend klinkt begrijpt u mij verkeerd: de bewoners van het incesteiland op het Spui, deze kontenkruipers met de ellebogen vooruit, hebben het kanaal al overgestoken. Wie voorkomt dat ze verder landinwaarts trekken?
Dat er kleine knuppels zijn impliceert dat er ook grotere knuppels bestaan. Waardeloze uitgeverijen, bijvoorbeeld, zoals Atlas Contact, dat, zo mocht de redactie vernemen op de zomerborrel aldaar, op zeker faillissement afstevent maar toch weigert te veranderen. Blijkbaar levert de magische kinderkitsch van Haruki Murakami en van ’s koninkrijks nerderigste tovenaar Rob van Essen niet genoeg inkomsten op om het restant van ongeïnspireerde en slecht geredigeerde smurrie waaruit het fonds verder bestaat te dekken. Net zo funest voor de Nederlandse lezer is dat Das Mag, dat bijzonder onderwijs-klasje op de draaimolen van het Letterenfonds, in tegenstelling tot Atlas Contact op de een of andere manier winst blijft maken, op boeken die er niet alleen uitzien alsof ze van zand zijn gemaakt, maar ook als droog zand afbrokkelen in je hand als je iets te hard knijpt omdat Ellen Deckwitz een gedicht heeft geschreven dat alle gedichten erna barbarisch maakt.
Maar de grootste knuppels, ten slotte, zijn natuurlijk de schrijvers. Of de knuppelaars, eerder, want uiteindelijk begint een slecht boek nog altijd bij de idioot die achter een computer gaat zitten. Boeken in Nederland zijn in te delen in grofweg drie thematische categorieën. De eerste is een echte Hollandse klassieker, en bestaat uit de boeken van onder anderen Lucas Rijneveld, Lize Spit, Jan Wolkers, Gerbrand Bakker, Tommy Wieringa en Peter Middendorp. Simpel gezegd wordt er in deze boeken altijd op de meest seksloze plek denkbaar, meestal een streng-gereformeerde veeboerderij, opeens wél seks gehad − maar dan heel raar en vies. Uit die tegenstelling tussen toneel en inhoud bestaat dan ook de volledige spanningsboog. Alsof je een schaaltje Campina Boerenland Vla met kots en sperma moet eten, zoek de funnies.
Als ik de tweede categorie boeken ooit had willen lezen, had ik ook gewoon bij de Bruna een spelletjesboekje kunnen aanschaffen. Deze groep bestaat namelijk uit kinderachtige puzzeltjes. De sleutelromans voor het slot van een deur die niemand open wil doen, zoals die van Connie Palmen, Geerten Meijsing en Thomas Heerma van Voss, maar ook het pretentieuze gebeuzel van bijvoorbeeld Mulisch en Ilja Leonard Pfeijffer. Wat is er mis met gewoon een leuk verhaal?
De derde categorie, autofictie, is een recenter verschijnsel. Althans, in haar huidige, geestdodende gedaante, want De avonden is natuurlijk ook gewoon autofictie. In vergelijking daarmee is de trauma dump van de zoveelste Moluks-Scheveningse homoseksuele en -fobe trut die geslagen en misbruikt werd door beide biseksuele ouders conceptueel al wat minder sterk, maar daar komt bij dat de mensen die zich tegenwoordig aan dit genre wagen een stuk minder goed kunnen schrijven dan Gerard Reve. Ik noem een Murat Isik, Rodaan al Galidi, Lale Gül, Tobi Lakmaker, Rachida Lamrabet, en ik zou zo nog wel even door kunnen gaan. De enige mogelijke verklaring voor deze kennelijk onuitputtelijke voorraad zwakzinnigen, en ik ben hier echt van overtuigd, is dat er ergens in Nederland een hele diepe put is, waar, zodra er weer zo nodig een nieuw boek moet worden uitgegeven bij Das Mag of Ambo|Anthos, een gebocheld mannetje aan een grote bel klingelt. Bij het horen van dat geluid stroomt een golf van mongolen vanuit een gangenstelsel op de bodem de put in, en begint verwoed over elkaar heen omhoog te klimmen. De mongool die als eerste boven komt wordt door het mannetje meegenomen, en is uitverkoren om het nieuwe boek te schrijven. De rest wordt weer terug in de mongolenput geduwd door een grote metalen deksel.
Als u een Nederlands boek kent dat niet valt in te delen in bovenstaande categorieën, is het mogelijk dat dat een goed boek is. Veel waarschijnlijker, wel, is dat het zo’n slecht boek is dat het helemaal niet telt als literatuur. Soms krijg ik van iemand de vraag van welk genre boeken ik hou. Dan weet ik meteen dat ik met een ongelofelijke debiel te maken heb. De lol van boeken zit niet in het genre. Als ik zeg dat ik gewoon literatuur lees, krijg ik ‘ja, maar welk genre literatuur dan’. Terwijl iedereen die af en toe een goed boek leest weet dat alleen slechte boeken een genre hebben, zoals fantasy, of thrillers.
Ik had het hierboven al over de wens om gewoon een leuk verhaal te lezen. De grote misère van literatuur in Nederland is dat geen enkele van de uitgelichte categorieën in die toch wel bescheiden wens kan voorzien. Onze martelgang is niet alleen uitzichtloos, maar kent ook weinig variatie. We krijgen de keuze tussen nagels trekken, vingerkootjes hakken en waterboarden. Ik ben klaar om mijn martelaars de waarheid te vertellen.
WF
Als je neus, zoals Pinokkio, zou groeien wanneer je liegt, dan zou Eva Eikhout, schrijver van Dit is geen boek van een meisje zonder armen & benen, de enige persoon op aarde zijn wier neus langer is dan haar armen en benen. Ze is namelijk wél gewoon een meisje zonder armen en benen. Overal, enfin bij wijze van spreken, wordt bedrog gestraft, zeker valsheid in geschrifte; ook − bij uitstek − in PC. Sinds het begin maken wij daarin geen uitzondering voor zichtbaar gehandicapten; vorig nummer publiceerden we nog een stuk over Jan Kuitenbrouwer.
Je gaat je afvragen waar Eikhout nog meer over liegt, als dit de titel van haar boek is. Is ze wel echt een presentatrice, bijvoorbeeld? Tenzij er nog een andere blonde vrouw zonder ledematen en, veel vervelender, mét een Brabants accent rondhobbelt op het Youtube-kanaal van NPO 3, lijkt dat wel te kloppen. En komt ze dan wel echt uit Groesbeek, een dorpje ten zuidoosten van Nijmegen? Ook dat moet bijna wel, want niemand die liegt over zijn geboorteplaats zou dan kiezen voor Groesbeek. Misschien alleen als hij binnen probeert te komen bij een etnisch profilerende katholieke bordspelletjesvereniging.
Het is een grote geruststelling dat die laatste redenering geldt voor Eikhouts gehele boek: alles dat ze daarin vertelt is zo ontzettend saai dat het gewoon niet verzonnen kán zijn. Eikhout schreef het over haar eigen leven, maar lijkt daarbij te zijn vergeten dat niet elke banale kutanekdote interessant wordt alleen omdat haar lichamelijke afstomping toevallig haar geestelijke evenaart.
Zo is er het hoofdstuk ‘De ijskrabber’, waarin Eikhout vertelt over de keer dat een man voor haar de ramen van haar auto ijsvrij maakte. Dat doet hij met een ‘stoïcijns gezicht’, en als Eikhout haar raam open wil rollen om hem te bedanken, ‘hapert dat door de kou een beetje.’ Dat eerste is een cliché en dat tweede onzin: inderdaad stelt alleen haar uitzonderlijke domheid Eikhout af en toe in staat om origineel te zijn. ‘Bedankt!’, kan ze nog maar net naar hem roepen, waarna zij ook wegrijdt, ‘nog een beetje beduusd.’ Het is allemaal oppervlakkiger dan een landkaart. ‘Op het werk vertel ik hoe mijn faith in humanity een paar levels is gestegen.’ Waarom ‘faith in humanity’ wel gecursiveerd is en ‘levels’ niet, weet alleen Eikhouts bureauredacteur, die, zo lijkt het, meer met cijfers heeft dan met letters.
Het mag sympathiek heten dat Eikhout zich, blijkens de titel van haar boek, lijkt te hebben willen hoeden voor de autofictieval: denken dat je een interessant boek kan schrijven alleen omdat je tot een specifieke combinatie van minderheden behoort. Het is jammer dat haar totale gebrek aan talent bewijst dat alleen al het feit dat ze naast vrouw ook nog gehandicapt is genoeg was voor de harpijen van Lebowski om haar een boekcontract aan te bieden. In een interview met Het Parool vertelt Eikhout hoe dat is verlopen: ‘Ik was gevraagd om een boek te schrijven, en bij de eerste meeting zei ik: ik ga geen boek schrijven over een meisje zonder armen en benen, hoor. Toen zei de redacteur: “Dat is de titel!”’ Het is misschien maar goed dat iemand die zo snel haar morele principes overboord gooit fysiek niet in staat is om een gashendel over te halen.
De redacteuren van Lebowski mogen dus een stel aasgieren zijn; Eikhout zelf is ook zeker niet onschuldig. Uiteindelijk is zij degene die zich uitspreekt tegen validisme − maar dan wel alleen als het haar uitkomt. Ze heeft er bijvoorbeeld geen problemen mee om handicaps te gebruiken als scheldwoord, zolang die maar mentaal zijn: ‘Ik weet dat je hier in Amsterdam overal maar 30 kilometer per uur mag rijden. Een slakkengang vind ik het, ik erger me dood aan mensen die 30 rijden. Dan denk ik: doe niet zo debiel, joh.’ Ja, en dan denk ik: loop even door, lillikutter.
Het is niet echt een verrassing dat Eva Eikhout niet over de basale intelligentie beschikt die haar in staat zou stellen haar eigen redenering een keer door te trekken. Ik bedoel, ze is presentatrice voor het Youtubekanaal van de NPO, waar ze programma’s maakt voor kinderen die niet slim genoeg zijn voor TikTok en niet cool genoeg voor Instagram. Maar ja, die kinderen hebben tenminste ledematen. Die kunnen zich later in ieder geval nog nuttig maken door een fiets in elkaar te lassen. Aan Eva Eikhout, daarentegen, hebben we helemaal niets.
WF
Dit is geen boek van een meisje zonder armen & benen, Eva Eikhout. Lebowski, €22,99
Julien Althuisius klinkt u misschien in de oren als een verzonnen naam – maar dat zijn alle namen, sukkel. U kunt beter zeggen dat Julien Althuisius klinkt als een naam die verzonnen is door Harry Mulisch, voor een romanpersonage dat op een bedlegerige septemberochtend aan zijn anus krabt om er dan achter te komen dat zich daarin een opgerolde schatkaart voor een scheepswrak ergens in de Bermudadriehoek bevindt. En voor de jonge lezers die niet weten wie Harry Mulisch was: denk aan een soort Joost de Vries met minder kapsones.
En, voor de lezers die niet weten wie Julien Althuisius is: dat is een columnist bij de Volkskrant. Nooit een goed teken, natuurlijk, en alsof één Sylvia Witteman nog niet genoeg is schrijft Althuisius ook columns ‘over het dagelijks leven’, steevast met minstens één van de drie elementen uit de volgende triviale trifecta: gênante situaties in de tram die nooit gebeurd zijn; sociaal voyeurisme in de rij van de supermarkt; en anekdotes met de kinderen aan de ontbijttafel, die altijd besloten moeten worden met het mierzoete besef dat we toch wel van ze houden, hoe mislukt ze ook zijn. Lijkt me overigens logisch: het zijn je kinderen. Ik mag hopen dat je nog van ze houdt als ze meer met de kat knuffelen dan met jou – dat maakt je nog geen goede vader.
Het echte probleem met dit soort columns is natuurlijk niet eens bovengenoemd feelgood-cliché. Het is zelfs niet zinnen als ‘Deze dikke laag gelijkmatig uitgesmeerd ongemak vindt plaats met wederzijds en stilzwijgend begrip’ en ‘Het was niet de emotie in haar gezicht die me raakte, maar het gebrek daaraan’. Het echte probleem is dat de kinderen van Julien Althuisius mij geen kanker kunnen schelen. Ze mogen wat mij betreft vandaag te pletter storten als dat betekent dat ik die compleet van enig wenkbrauwhaar verstoken rotkop nooit meer hoef te zien bij de column van de dag. Meneer lijkt wel het eerste testsubject voor een experimentele, zeer plaatselijke chemokuur voor oogkanker.
Een ander bloed onder mijn afgekloven nagels vandaan halend ticje van Althuisius, dat hij overigens deelt met belletjelellende lellebellen als Marja Pruis en Niña Weijers, is dat hij, als hij in zijn columns schrijft over bekende mensen, altijd onnodig vaag doet over wie het nu betreft. ‘Waarschijnlijk wilde ik stoer doen, of grappig, of in ieder geval iets om maar enigszins in het gevlei te komen bij deze schrijver, die een van de meest gewaardeerde is in Nederland, die al literaire prijzen won toen ik nog ingestopt werd door mijn moeder; die ik bewonder, al is het alleen maar omdat ze zo ongegeneerd zichzelf is.’ Zeg, voor wie doet Althuisius dit nou eigenlijk? In elk geval niet voor de 99% van de Nederlandse bevolking die helemaal niet wil weten wier hielen Althuisius nu weer heeft liggen likken. En de rest raakt alleen maar gefrustreerd, omdat ze dacht dat ze kinderachtige rebussen voorgoed op de basisschool had achtergelaten.
Maar, goed dan, ere wie ere toekomt: zelfs Julien Althuisius breekt zo nu en dan met de vaste vorm van columns van de dag. Zo geeft hij af en toe ook zonder anekdotische aanleiding zijn mening over moderne maatschappelijke fenomenen. En dan kan hij nog wel eens fel uit de hoek komen. Zo moeten er tribunalen komen, onder andere ‘voor mensen die het woord “eyecatcher” gebruiken. Voor mensen die het woord “boevenpad” gebruiken, voor mensen die about last night zeggen; of gamechanger.’ Tribunalen voor mensen met lelijk taalgebruik; dat klinkt als kantoorhumor. En dat klopt, want Althuisius blijkt de grap te hebben overgenomen van een collega. Dat het allemaal dus toch weer voortkomt uit een gaapverwekkende anekdote, kunnen we hem nog wel vergeven. Wat we hem daarentegen niet kunnen vergeven is de gruwelijke denkfout dat het op enigerlei wijze interessant of intelligent is om een hekel te hebben aan dit soort taalverschijnselen. Meer mensen, en dan met name mensen die in kantoren werken, lijken te denken dat liefde voor taal inhoudt dat je een lekker warm gevoel in je buik krijgt als je een alliteratie leest. Gewoon een keer een fatsoenlijk boek lezen, ho maar.
Snoeverij is het dus, maar ook hypocrisie. Dat Althuisius’ ludieke taalvoorkeuren op niets anders zijn gebaseerd dan de dikke eelthuid van zijn voorhoofd, bewijst een van zijn andere stukken. Daarin noemt hij de inbreker van zijn auto ‘Een onverlaat. Een snoodaard. Een spitsboef’. Als dit geen woorden van de categorie ‘boevenpad’ zijn, is het zelfbewustzijn van Julien Althuisius niet van de categorie meelworm.
En dat dat laatste wel degelijk zo is, demonstreert Althuisius ten slotte graag nog eens zelf, in een nog recentere column. ‘Mijn trainers benaderen zaktraining als een voorbereiding op een echt gevecht’, schrijft hij, oprecht verbaasd. Maar Julien, wat is een training anders dan een voorbereiding op een echte situatie? Misschien is dat anders voor Julien Althuisius, en heeft hij, na het halen van zijn zwemdiploma, nooit meer een voet in een zwembad gezet. Het zou ook meteen zijn columns verklaren: sinds hij in groep drie leerde schrijven, heeft hij nooit meer een normale zin op papier gezet.
WF
Op het moment van schrijven ontbeert de redactie weer een brave meeloper aan wiens tandenrij ik mijn biertjes open kan klikken. Toen ik Meeloper van Sytske Frederika van Koeveringe in de boekhandel zag liggen, hoopte ik dan ook op een open sollicitatie. Totdat ik de eerste paar zinnen las. ‘Aangenaam, mijn naam is Sien, al twijfel ik of ik mijn naam daadwerkelijk ben, want wanneer ben je je naam, alleen omdat die je gegeven is of omdat je langzaam in je naam groeit? Mocht dat laatste het geval zijn, dan kun je toch nooit maar één naam blijven? Elk mens belandt in verschillende periodes en in andere fases van haar leven.’ Jeetje.
Sien, de verteller van Meeloper, denkt veel na. Dat is niet mijn mening, maar die van Sien: ‘Naast dat wat je ziet, is het goed om te weten dat ik van denken houd, dat dát is wat ik het liefst doe.’ Niet alleen is het nogal stom om een personage zelf zo haar eigenschappen te laten beschrijven − stel je voor dat Gregor Samsa de lezer vooraf waarschuwde dat hij nogal Kafkaësk zou kunnen reageren op een eventuele metamorfose −, maar daar komt bij dat iedereen dat van zichzelf denkt; iedereen vindt zichzelf een overthinker, een piekeraar, iedereen heeft een zelfgediagnosticeerde angststoornis. Als je Biesheuvel leest weet je opeens dat dat allemaal wel meevalt, maar Sien heeft geen Biesheuvel gelezen, en Sytske Frederika van Koeveringe al helemaal niet.
Een van de vele gevaren van autofictie is dat lezers de schrijver gaan verwarren met het personage. Die fout maakte ook Marja Pruis: ‘Ik denk wel eens: je kunt ook te veel nadenken. Sytske Frederika van Koeveringe bewijst het tegendeel’, schreef zij in een recensie voor De Groene Amsterdammer. Grappig dat zijzelf dan weer het tegendeel van het tegendeel bewijst door zoiets doms te denken. Nee, Marja, dat is dus Sien, die zo veel nadenkt, niet Sytske. Integendeel: alles wijst erop dat Sytske Frederika van Koeveringe, en dit is de laatste keer dat ik die debiel lange naam volledig uitschrijf, helemaal niet zo veel nadenkt.
Van Koeveringe schrijft toevallig ook voor De Groene Amsterdammer, en het is niet precies de ‘gedurfde, diepgravende onderzoeksjournalistiek’ die de redactie van de Groene Amsterdammer graag met De Groene Amsterdammer associeert: ‘Sinds kort zit ik op voetbal, ik begrijp er de ballen van – woordgrap, grappig – maar vind het geniaal! Ik ben vooral gevallen voor de beweging van de armen. Zodra de mens achter een bal aan holt, kronkelen de armen zich in de meest onverwachte hoeken. Al geniet ik ook van de snelheid van de benen, het misleidende dat er in deze sport zit, die technieken, de beslissende uitgesproken taal. Love de regels – die ik nog niet begrijp –, de witte lijnen als bij een tekening, de vlakte, dat frisgroene veld dat tegen de oneindige hemel kaatst en de boomtoppen die overgaan in de voorbij trekkende wolken.’ Dat je ‘voorbijtrekkende’ aan elkaar hoort te schrijven is nog wel het minst gênante aspect van dit stukje tekst. Zo te lezen voetbalt Van Koeveringe niet alleen mee met de F-jes, maar zit ze ook bij hen op schrijfles.
Ik had het niet weer over De Groene Amsterdammer willen hebben, echt niet, maar er dringt zich een vraag op waar ik niet omheen kan: hoe komt zo iemand in godsnaam bij De Groene terecht? Bedenk: dit is nog maar één van de vele voorbeelden. De volgende woorden zijn ook gewoon echt gepubliceerd: ‘In “kanker” zit ook het woord “kan”. Dus “ik kan”, een klein stapje verder en ik ben bij “kunnen”. Dus ik kan zeggen: “Jaaaaa ik heb een tijdje borstkanker gehad, maar heb met een beetje geluk nog een heel leven voor me, dus dit wil ik dan ook in al haar facetten aangaan.”’ Het lijkt erop dat borstkanker nog wel het minste van Sytske’s problemen is. In dit stadium kun je mij niet meer wijsmaken dat ze niet daadwerkelijk laagbelaafd is. Twee maal ‘niet’ in de zin is misschien verwarrend, dus ik zal het nog een keer anders verwoorden: Van Koeveringe is achterlijker dan een goed gevulde Noodbus. Dus hoe komt ze dan terecht bij De Groene?
Het kwartje viel toen ik in Meeloper las dat Sien een lesbienne is. Ik zei al dat één van de gevaren van autofictie is dat je het personage gaat verwarren met de schrijver, maar allicht is dat meer de schuld van de schrijver dan van de lezer. Want, wat bleek natuurlijk: Sytske is zelf ook een lesbienne. Nu is het algemeen bekend dat Marja Pruis een harem om zich heen verzamelt van slecht schrijvende lesbiennes; Maartje Wortel en Niña Weijers zijn de bekende voorbeelden van auteurs die het zonder een beetje hulp echt niet hadden gered. Die laatste heeft een boek geschreven dat zelfs voor de bevolking van Almere beneden niveau is, bedoel ik maar. Ik kan alleen maar gissen naar de redenen dat een getrouwde, zogeheten heteroseksuele vrouw zo’n harem verzamelt, maar duidelijk is wel dat Van Koeveringe gewoon de laatste aansluiter is bij dit rijtje mislukte bijvrouwen.
Met al dat gedoe zou ik bijna vergeten het nog over dat boek te hebben. Laat ik het inhoudelijke deel van mijn stuk kort houden. Meeloper is een heel slecht boek; het slechtste dat ik dit jaar heb gelezen, en ik heb ook al R.F. Kuang, Heleen van Royen en Tomas Ross achter de kiezen. Er staan veel fouten in (raad de uitgeverij), ongeveer elke zin is lelijk, het enige round character is die onnozele kut van een hoofdpersonage, en het gaat allemaal totaal nergens over. Het boek is één grote leeghoofdige zucht. Het leven ook. Niet in het algemeen, maar dat van Van Koeveringe, natuurlijk.
Meeloper, Sytske Frederika van Koeveringe. Atlas Contact, €22,99
Ik ga het nog één keer zeggen: ADHD is niet grappig. Een ADHD-diagnose van de dokter is geen diploma-uitreiking van een hoog aangeschreven cabaretopleiding, maar een weinig subtiele hint dat je je dagelijks voorgeschreven dosis ritalin moet slikken en voor de rest gewoon je bek moet houden. En dan heb ik het over echte ADHD; de stakkers die door hun frigide chinookmoeders hele strips tegelijk aan onverantwoorde psychostimulantia zijn gevoerd zodat ze al kauwgomkauwend een net toereikende CITO-score konden halen om naar de havo door te stromen, en de studenten Rechten die de werklast van hun BarCie niet konden combineren met die van hun stage bij Folia en daarom maar door de knieën gingen bij de aangewezen dispuutsdealer voor een beetje met MDMA vermengde dexamfetamine, die zijn ook niet grappig, maar op een andere manier: die zijn gewoon zielig.
Goed, neppe ADHD’ers zijn niet grappig, maar echte ADHD’ers al helemaal niet. Veel mensen maken de fout te denken dat drukke mensen leuk zijn, puur en alleen omdat ze druk zijn − terwijl drukke mensen ook gewoon stom kunnen zijn. De kans daarop is bij benadering zelfs even groot als bij niet-drukke mensen. Maar als drukke mensen stom zijn, heb je daar extra veel last van. Daar zit het probleem.
In het luidste en vervelendste rijtje mensen van Nederland − en dan ben ik niet vergeten te denken aan de rij voor de muntjes op dag één van Down the Rabbit Hole, de rij voor het consultatiebureau in Amsterdam Zuid-Oost, of de rij voor het doorlopende evenement ‘auto slopen met hamers’ in Kinderdorp Bennekom − sluit na André van Duin, Jochem Myjer en Thomas van Luyn nu ook Andries Tunru aan. Net als zijn voorgangers is de enige competentie van deze stuiterbal met lachkuiltjes het feit dat hij gewoon echt niet even kan dimmen.
Tunru heeft zichzelf de afgelopen jaren op een aantal manieren bij het Nederlandse cabaretpubliek − een daverende lachband van obesitas en haarlak − onder de aandacht gebracht. Zijn meest beroemde stunt is dat hij en zijn broer Lingo ‘hackten’ door met een algoritme een lijst van optimale startwoorden te genereren en die uit hun hoofd te leren. Vreemd, want dat is helemaal niet leuk. Dat is gewoon valsspelen. Als je met ChatGPT 3 aankomt bij 2 voor 12 krijg je van Astrid Joosten gewoon een klap in je gezicht; en zo hoort het godverdomme ook, maar blijkbaar gelden er andere regels voor mensen die er zelf uitzien als een AI-gegenereerde afbeelding van de archetypische schlemiel.
Tunru maakte bij Lingo vervolgens nog een grap, die voor dat sufgebakken gehaktballen-programma precies gewaagd genoeg bleek om een grote hit te worden: bij een zesletterwoord dat moest beginnen met een ‘k’ zei Tunru ‘mijn ex’, en spelde toen het woord k-u-t-w-ij-f. De oudste mop uit het trommeltje deed het nog goed bij het publiek van SBS 6, en bijvoorbeeld ook op Dumpert, waar het rapalje van racists en rapists dat zich godzijdank de hele dag bezighoudt met Dumpert-filmpjes en andere rare porno kijken hem tot ‘Lingo-overlord’ kroonde, alsof hij het eerste snotjoch ooit is dat tijdens het kijken van Lingo bedacht heeft dat je met vijf, zes of zeven willekeurige letters ook scheldwoorden kan vormen.
Bij De Slimste Mens maakte Tunru vervolgens furore door als eerste deelnemer sinds dertien seizoenen alle zeven afleveringen waar hij aan deelnam te winnen. Dat dat helemaal niks zegt over zijn intelligentie blijkt uit het feit dat hij uiteindelijk alsnog verloor van Rob ‘Snollebollekes’ Kemps. Goed, die man is misschien slimmer dan hij eruitziet, maar hij ziet er dan ook uit als een schaap dat op de één of andere manier het volledige proces van verwerking tot shoarmavlees levend is doorgekomen, en je midden in je dronken eetbui laat schrikken door opeens uit je Turkse pizza tevoorschijn te kruipen.
Ook werd Turnu bestempeld als ‘Lange Frans-disser’, toen hij diens nummer ‘Het land van’ parodieerde. Dat nummer is 16 jaar oud, en dus alleen al daarom een beetje flauw om te parodiëren, maar het is ook nog eens van Lange Frans. Even voor de duidelijkheid: je kan Lange Frans helemaal niet dissen. Het is niet Chief Keef. Lange Frans is een fucking idioot; al zijn nummers zijn al parodieën. Een kleuter ga je ook niet lopen dissen, dat is niet cool, dat is zelfs best wel raar. Let op allemaal: in Andries Tunru’s nieuwe stunt dist hij een kleuter door deze met niet meer dan een lollystokje (dus zonder lolly!) naar zijn huis te lokken en hem daar te verkrachten. Wajow! Gedist! De kinderlok-overlord!
Doe normaal man.
De op het schilferende schild gehesen held van de Nederlandse humorinfantrie ontvangt ondanks alles aan de lopende band onderscheidingen. De Linda noemt hem een ‘ras-perfectionist’; NRC een ‘ras-entertainer’. Het Parool noemt hem ‘de circusartiest onder de cabaretiers’. Normale mensen noemen dat gewoon een clown, en dat is ook precies wat Andries Tunru is: een clown. Als hij je al aan het lachen maakt, lach je niet door hem, maar om hem. Dat maakt hem geen cabaretier, maar een hansworst. Een ras-hansworst, wat mij betreft.
WF