WF

Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.

De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal. 

De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan. 

Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt. 

Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.

WF

Ik stond een gênant potje tennis te verliezen toen ik een appje kreeg van TD. Schrijver Femke Brockhus had een heel memoir in De Groene Amsterdammer gewijd aan de verwerking van één bijzin die ik een halfjaar geleden en een halve fles Mooi Kaap Droë Rooi diep had opgeschreven. Mijn eerste reactie: lachen en doorsturen naar iedereen die ik ken. Toch begon er daarna ook snel iets te knagen. ‘Een ontregelende of zelfs traumatische ervaring voelt vaak zo unheimisch (“niet thuis”) aan, omdat er nog geen woorden voor handen zijn.’ − stond dit er echt? Had ik dit veroorzaakt? En dan bedoel ik niet de incorrecte spelling van ‘voorhanden’, want die zou ik nooit veroorzaken, maar de ‘traumatische ervaring’. Het contrast tussen het gelach van mijn vrienden en ‘het glimmende lijfje’ van Brockhus’ zoontje, verschoof iets in mij zonder dat ik er woorden voor had. En toen had ik er toch woorden voor: ik had berouw.

Kijk, als PC-redacteur maak je soms slachtoffers. Daar moet je mee leven. Je kan iets nog zo duidelijk als een grap formuleren, maar het kan altijd dat iemand het serieus opvat. Toen ik ooit in een van mijn eerste stukken schreef dat Wytske Versteeg het gezicht heeft van Timon en het lichaam van Pumbaa, vroeg ik aan mijn moeder of ze me nu gemeen vond. Het deed me denken aan het moment dat ik tien jaar was en uit schuldgevoel wakker lag omdat ik op het schoolplein af en toe dingen als ‘kut’ en ‘lul’ zei; ik ging uiteindelijk naar beneden en biechtte huilend aan mijn moeder op dat ik me op school vreselijk misdroeg. Mijn familie en vrienden zien me als een lieve jongen, maar in PC hang ik de beul uit. Daarin zit het contrast. 

De WF van een halfjaar geleden had waarschijnlijk zijn schouders opgehaald, als hij hoorde dat iemand voor elk woord van mij tweehonderd woorden nodig had om duiding te geven aan de vernietigende emotionele neerslag van een grap. Ik had het, eerlijk gezegd, misschien zelfs grappig gevonden. Maar terwijl ik op de tennisbaan Brockhus’ verslag van haar psychische ontregeling stond te lezen, merkte ik dat er deze keer ook een ander gevoel in mijn lichaam sloop. Ja, als PC-redacteur ga je over lijken, maar ik wist ook niet dat het zulke schrijnende maatschappelijke en tekstuele gevolgen zou hebben. Dat een voor mij onbetekenend grapje zo’n heftige uitwerking kon hebben, vond ik, als iemand die elke twee weken een stuk vol beledigingen en bedreigingen publiceert, moeilijk in taal te vatten. 

Voordat we verder gaan zal ik de grap waar het allemaal om draait met teneergeslagen hoofd voor u herhalen. Ik citeer hem hier in volledigheid om duidelijk te zijn, niet omdat ik er zo trots op ben: ‘Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver’. 

Nee, ik kon er niet meer omheen: ik had een grap gemaakt die iemand heel erg had beschadigd. Nota bene een moeder, van een glimmend zoontje. Dat kon ik niet meer, zoals ik altijd had gedaan, afdoen als een onschuldig geintje. Haar gevoelens bagatelliseren zou me hetzelfde maken als alle daders uit de geschiedenis. Bovendien was dit essay genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs, dus er moest wel een kern van waarheid in zitten. Ik schrok. ‘Wauw,’ dacht ik, terwijl ik de bal weer in het net sloeg, ‘wat ik heb gedaan is inderdaad net femicide.’ Was ik een slechterik? Stond ‘W’ voor Chris, en ‘F’ voor Jude?

Overduidelijk niet: W staat voor Willem en F voor Fintelman. Voor deze schuld moest ik dan ook boeten in de eigen persoon: dit afdoen als een algemeen mannenprobleem, zou precies dat algemene mannenprobleem in stand houden. Ik moest verantwoordelijkheid nemen, aan mezelf werken, geen slachtoffers meer maken. Die waren er al genoeg. Ik nam ‘zorgvuldig spreken’, naast ‘schoenen uittrekken’, per direct op in mijn persoonlijke Tien Geboden. En ik nam me voor me te verdiepen in de theorie. Van wie anders moest ik het leren dan de grootmeesters? Ik bestelde op boekwinkeltjes.nl meteen I love Dick, She comes first en alle boeken van Femke Brockhus, om mee te beginnen. Ik luisterde alleen nog maar podcasts met Marja Pruis erin, of die door haar waren aangeraden. Ik begon via Goodreads-messages een vraaggesprek met Maggie Nelson.

Van haar kreeg ik het idee om met alle vrouwen in mijn leven gesprekken te voeren over de manieren waarop ik ze gekwetst heb. Ik vroeg aan mijn ex, die het net tussen ons had afgebroken, of het wel echt elke keer consensueel was geweest, zelfs toen die ene keer toen ik dat ene deed, wist ze nog? Mijn zusje kon ik helaas niet vragen wat ik beter had kunnen doen: zij had het contact met mij een halfjaar geleden al verbroken toen ze hoorde dat iemand me aanklaagde om een satirische doodsbedreiging. Bij mijn moeder, die al mijn stukken leest, en die het mij toentertijd nauwelijks had kunnen vergeven dat ik weleens ‘kut’ en ‘lul’ zei tegen andere kinderen op het schoolplein, moest ik opnieuw om gratie bedelen. 

Femke Brockhus is, daar ben ik nu achter, slechts de laatste aansluiter in een lange rij mensen die ik pijn heb gedaan. En waarom? Als ik een halfjaar geleden had geweten wat mijn woorden met haar zouden doen, had ik wel twee keer nagedacht. Drie keer, zelfs. Als ik had geweten hoe moeilijk het voor haar was om haar gevoel hierover in duidelijke woorden uit te drukken, had ik mijn grap zeker heroverwogen. Als ik had geweten dat ze aan een werknemer van de politie moest uitleggen dat plagiaat in een roman gewoon mag, had ik haar daar niet van beschuldigd. Als ik had geweten dat mijn geintje voor haar een trauma zou zijn, dat het zou voelen als een ‘agressief opgelegde stilte’, dan had ik haar gezegd dat ze best mocht praten; misschien had ik haar zelfs aangeraden er een essay over te schrijven voor De Groene Amsterdammer. 

De laatste stap van mijn plan om verantwoordelijkheid te nemen voor mijn daden, was om een lang, reflectief, kwetsbaar essay te schrijven over mijn eigen gedrag. À la Femke Brockhus, zeg maar. Ik durf wel te zeggen dat dat is gelukt. Recensent Becca Rothfeld schrijft dat je geen memoir zou moeten schrijven als je niet bereid bent jezelf als dwaas en zielig op te voeren: als je jezelf louter de meest chique vormen van teloorgang toebedeelt, vlei je jezelf alleen maar. Als PC-redacteur doe je jezelf soms stoerder voor dan je bent. Je probeert toch een beetje de literaire versie van een nozem op een speedboot met buitenboordmotor uit te hangen. De poortwachters van onze cultuur tegen de schenen te trappen, het patriarchale script te volgen. Maar je moet de menselijke kant niet uit het oog verliezen. Het glimmende zoontje. Vanaf nu zal ik zorgvuldig spreken. Ik ben dankbaar voor de vrouwen in mijn leven. Dankbaar dat mijn moeder al mijn stukjes leest, hoe grof en vijandig ze ook zijn. Hoe vaak ik ook ‘kut’ en ‘lul’ zeg. Dankbaar dat zij het contrast begrijpt. 

WF

Als je veel informatie tot je neemt, ga je daar patronen in herkennen. Dat is iets menselijks. Het blijft dan natuurlijk nog maar de vraag of die patronen echt bestaan, of alleen maar projecties zijn van je eigen geest. Ik ben, voor zover dat nog niet duidelijk was, geen wetenschapper, maar van sommige patronen die mensen denken te zien kunnen we duidelijk zeggen dat ze louter denkbeeldig zijn. Sterrenbeelden, tarotkaarten, dat idee dat fluiten op een boot stormen aantrekt, dat je buikpijn krijgt als je met een mes door je drankje roert. Noem me een cynicus, maar daar geloof ik niet in. 

De patronen die ik herken in Nederlandse literatuur, daarentegen, zijn heel andere koek. Die kan ik staven met keiharde feiten. Ik heb hier al een keer eerder vastgesteld dat er slechts drie soorten (recente) Nederlandse romans zijn: romans over hele rare seks op een hele normale, seksloze plek; sleutelromans van deuren die niemand wil opendoen; en aanstellerige autofictie van heel diep uit de mongolenput. Daar blijf ik achter staan, met één addendum. Recentelijk heb ik een nieuw patroon ontwaard. Dat gaat als volgt.

Ik schrijf dit vanuit een isoleercel. Dat komt zo: een paar jaar geleden had ik een familietrauma. Mijn vader was heel streng en mijn moeder was heel lullig. Ik sloeg daardoor met een roestige hamer een al even roestige spijker in mijn eigen arm. Ik kreeg de vereiste zorg; geestelijk bedoel ik, maar ik kreeg eerst natuurlijk ook de behandeling voor die spijker in mijn arm. Nou goed, na die zorg leek het even goed met me te gaan. Toen leerde ik zo in de periode in je leven dat je een beetje ongelukkig en onzeker bent, iemand of iets kennen dat mij helemaal in zijn greep kreeg. Ik begon me te verzetten tegen mijn ouders, die mij immers zo streng en lullig hadden behandeld. Uiteindelijk ging dat helemaal fout. In naam van datgene waar ik zo in de ban van was, verneukte ik iets zo grondig dat het landelijk nieuws werd. Ik werd daarom in de isoleercel gestopt, maar ben op de een of andere manier nog wel zo goed bij geest dat ik er nu heel genuanceerd op kan reflecteren, en er een roman over kan volschrijven.

Rouwdouwers, Vonkie, Beesten die je niet mag schieten, Zomersplinters, De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Ludwig: allemaal gaan ze ongeveer zo. De verteller ontrafelt vanuit een soort alternatievige veilige haven een persoonlijke psychologische geschiedenis, van achter naar voren, met flashbacks die flarden van een moeilijke jeugd openbaren. In Ludwig vertelt ze vanuit het gekkenhuis hoe ze deelnam aan een cult, omdat ze een onzekere twintiger was; in Rouwdouwers is ze aan het houthakken met een man die geen Nederlands of Engels kan terwijl ze vertelt over haar kutvader die toch ook weer niet helemaal kut is; in Vonkie is ze op een wandeltocht in Schotland aan het zeiken over haar demente vader die toch ook weer niet altijd dement was. 

Waarom boeit dit me allemaal zo weinig? Daar heb ik veel over nagedacht. Dat al deze boeken in essentie ongeveer hetzelfde zijn, helpt niet, natuurlijk. Dat ze in de literatuurgeschiedenis al vaak genoeg veel beter zijn uitgevoerd, ook niet. Dat flashbacks een gemakkelijke en afstompende manier zijn om spanning op te bouwen − een soort automatische cliffhangers, die alleen voor mensen die weinig boeken lezen minder flauw lijken − doet het genre ook geen goed. Schrijvers van deze boeken begaan dan ook nog vaak de fout aan het begin te waarschuwen dat wat hier verteld gaat worden heftig is. Toch een beetje alsof je, wanneer je een zwembad inloopt, bandjes omgeduwd krijgt. We kunnen wel zelf van de duikplank, hoor. 

Uiteindelijk is het grootste probleem dat deze boeken, ik schaar ze bij dezen onder de noemer ‘playbackproza’, vaak nog slecht geschreven zijn, ook. Omdat Ludwig het exemplaar van deze soort is dat ik als laatste heb gelezen, en het voor een debuut best succesvol was, gebruik ik dat als voorbeeld. Auteur Jana Antonissen kende ik niet, maar op basis van haar biografie op de achterflap lijkt ze me een soort Vlaamse Doortje Smithuijsen. Daarvoor geldt hetzelfde als voor iemand met een vierkante snor die Drittes Reich uitschreeuwt met een zachte ‘g’: toch wat minder eng, maar het blijft Adolf Hitler. 

Geen vliegende start, maar ik ben een rechtschapen jongen: ik ging er zonder vooroordelen in. Helaas bleek mijn Hitler-vergelijking weer eens verre van voorbarig: Ludwig is ook niet heel veel beter geschreven dan Mein Kampf. Probeer de volgende zin maar eens, nou ja, te lezen: ‘Die eerste nacht was de bedwelmende cocktail van anticipatie, vrees en ontzag zo tastbaar dat ze schitterend als het weerkaatste lusterlicht van alle spiegels was gesprongen, ons in haar weldadige gloed ondergedompeld had.’ In het beste geval mist hier een komma, in het slechtste geval een heel zinsdeel. Net zo heeft Antonissen in het beste geval dyslexie, en in het slechtste geval een virale hersenvliesontsteking. 

Opnieuw, ik ben geen wetenschapper, maar het lijkt toch te neigen naar dat laatste. Ludwig is dus een roman over een cult, en Antonissen schuwt daarbij geen enkel cliché. Zo ook niet het cliché van de onweerstaanbare groepsdruk: ‘Eindelijk droeg ik bij. Eindelijk werd ik opgeslokt door iets groters, iets waarvan ik niet eens had durven dromen, iets waarvan ik had aangenomen dat het niet meer bestond: een maalstroom, een beweging, een geschiedenis schrijvende groepering.’ Ten eerste: Jana Antonissen lijkt me echt zo iemand die, als ze heeft besloten een roman te gaan schrijven, begint met het maken van een woordweb waarin ze samengestelde woorden als ‘maalstroom’ en ‘lusterlicht’ opneemt. Als ze dan, na meerdere lange sessies geconcentreerd nadenken, genoeg van die gecompliceerde woorden heeft verzameld om een A4’tje te vullen, kan ze eindelijk beginnen die met betekenisloze zinnen aan elkaar te knopen. Ten laatste: kijk, ik kan best geloven dat een cult verraderlijk kan zijn, hè. Dat je, ook als weldenkend mens, door groepsdruk en massahysterie tot dingen in staat kan zijn waarvan je dat nooit verwacht had. Maar maak dat dan tenminste enigszins invoelbaar door niet de allerdomste naïeve blonde kluchtkut ooit als hoofdpersonage op te voeren. Nu geloof ik het gewoon niet. Noem me maar een cynicus. 

Dit was maar één voorbeeld, maar playbackproza is echt een wijdgespreide zwarte schimmel in de vodderige badkamer die de Nederlandse boekenwereld is. Ik ben toevallig net begonnen in de nieuwe roman van Emy Koopman, De vrouw in de kelder, en ja hoor: het gaat over een vrouw die in een kelder woont, en via flashbacks de relatie met haar vader, die net zo goed de kut-maar-ook-weer-niet-helemaal-kutvader uit Rouwdouwers had kunnen zijn, probeert te duiden. Emy Koopman kan dan wel een stuk beter schrijven dan bijvoorbeeld Jana Anatonissen, maar toch: vanaf de eerste flashback boeit dit verhaal mij minder dan het scheppingsverhaal een geaborteerde foetus. Bedenk je eigen verhaal, bedenk je eigen structuur, bedenk je eigen spanningsboog, of stop met schrijven. Lijkt me niet te veel gevraagd. Toch?

WF

Ludwig, Jana Antonissen. De Bezige Bij, €23,99

Rouwdouwers, Falun Ellie Koos. Atlas Contact, €22,99

Vonkie, Froukje Arns. Ambo|Anthos, €23,99

Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus. De Bezige Bij, €22,99

Zomersplinters, Mick van Biezen. Lebowski, €22,99

De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Julie Cafmeyer. Pluim, €22,99

De vrouw in de kelder, Emy Koopman. Arbeiderspers, €23,99

Als ik een Substack had die vernoemd was naar mijn eigen naam, zou ik een polemiek beginnen tegen Dave Schut. Waarschijnlijk zou ik dan eerst een ironisch verwoorde spoiler invoegen, om zo veel mogelijk lezers aan te moedigen tot het einde door te lezen. Bijvoorbeeld: in de laatste alinea wordt het pas echt leuk! Daarna zou ik beginnen met een uitleg van wie Dave Schut is, want dat weten alleen mensen die een Substack hebben die vernoemd is naar hun eigen naam. In het kort: Dave Schut is een aspirant-NRC-columnist die nu (nog eventjes) werkt als freelance tekstschrijver voor Andrélon, maar elke dag zijn hele ziel en zaligheid steekt in Bluesky-berichten en Substack-artikelen die aan God en Patricia Veldhuis moeten bewijzen dat hij voor iets hogers bestemd is.

Op Substack is zijn vaste rubriek een maandelijkse post waarin hij ‘het beste’ dat hij die maand ‘gelezen, bekeken en beluisterd’ op een rij zet. Lijstjes zijn nu eenmaal vaak het weapon of choice van autisten; daar kan Dave ook niks aan doen. En dat hij in deze maandelijkse lijstjes lang niet altijd een boek noemt, is een beetje gênant, maar nog geen crime. Schut wordt pas echt kut als hij nog zo’n lijstje maakt, maar dan van ‘26 manieren om niet te hoeven beseffen wat de Palestijnen wordt aangedaan’. Kan het lintwormachtiger dan genocide gebruiken om jezelf te verheffen terwijl je niks uitvoert en dat dan weer ironiseren zodat het toch niet erg lijkt?

Ja: opscheppen over dat die lijst van 26 smoesjes heeft geleid tot een artikel in NRC. En dat dan weer tot een artikel in een Iraans tijdschrift. En daar dan weer aanstellerig over doen. ‘Nu kreeg ik het warm. Het was op een doordeweekse avond, ik lag al in bed. Ik sloeg de dekens van mij af en probeerde niet te denken dat ik die nacht zou worden gekidnapt door Israëlische of Amerikaanse veiligheidsdiensten.’ Wil Schut ons doen geloven dat hij echt bang was dat de Mossad een Operatie Bayonet 2 op hem los zou laten omdat hij een stukje in NRC had geschreven over wittemensensmoesjes? Of wil hij gewoon opscheppen, om zijn imago te verbeteren?

Om die vraag te beantwoorden moeten we dieper graven. Tot de kern. Gelukkig heb ik helemaal geen Substack, maar ben ik PC-redacteur. Iemands kern vatten is mijn specialiteit. De essentie van Dave Schut is dat hij heel veel bezig is met zichzelf als anders presenteren dan die essentie. Er bestaat dan ook een groot verschil tussen hoe hij zichzelf presenteert en hoe hij daadwerkelijk is. Ik zal eens wat voorbeelden noemen. Hoe Schut zichzelf presenteert: randstedeling. Hoe hij werkelijk is: woonachtig in een Vinex-wijk in Alkmaar. Presentatie: geëngageerd. Werkelijkheid: abonnee van (limitatief:) Quest, Nieuwsblad Alkmaar, AutoWeek. Presentatie: smaakvol. Werkelijkheid: heeft zijn huis (in Vinex-wijk in Alkmaar) ingericht in pasteltinten en bewust dode planten; volgt @folkert_slump (voor ‘advies voor mannenkleding’) op Instagram; heet ‘Dave’.

Voor iemand met een beetje mensenkennis is het overduidelijk dat de werkelijkheid van Schuts bestaan behoorlijk belachelijk is. Maar, ho, Dave Schut zou Dave Schut niet zijn als hij niet een manier had bedacht om ook die mensen voor zich te winnen: zichzelf belachelijk maken. Hij gebruikt bijvoorbeeld slice of life-tweets over ha-ha-herkenbare rijtjeshuisellende om te laten zien dat hij zichzelf ook heus niet serieus neemt: ‘Met slechts een minuut te gaan tot de videomeeting moest ik mijn handmatige zit-stabureau nog naar beneden krijgen. Bij het voorstelrondje was ik buiten adem.’ Iedereen die wel eens een okkernootje heeft gekregen weet dat deze strategie niet werkt: door jezelf belachelijk te maken maak je jezelf alleen maar, nu ja, belachelijker. Voor iemand die eruitziet alsof hij snuffelend langs de kapstokken ging om alle jassen met een wietgeur aan te geven bij de conciërge, is het best gek dat Schut dat nog altijd niet begrijpt.

‘Ik stel trapfietsers die ik inhaal op mijn elektrische fiets altijd even gerust met de mededeling dat ik een paar jaar eerder doodga door een gebrek aan beweging.’ Ja, Dave Schut probeert ook wel eens iets grappigs te schrijven. Daarmee raak ik aan een gevoelig punt. Met die gelijkenis tussen hem en mij moet ik opeens hoeden voor wat Freud het ‘narcisme van het kleine verschil’ noemde: des te meer mensen op elkaar lijken, des te sneller ze kritiek op elkaar hebben. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de twee volkjes in Swifts Gulliver’s Travels die jarenlang oorlogvoeren over de manier waarop je een ei hoort te breken. Ik heb het zelf wel eens gehad over de langlopende vete tussen de inwoners van Hazerswoude-Dorp en Hazerswoude-Rijndijk.

Laat het duidelijk zijn dat dat niet is wat er hier aan de hand is. Dat Dave Schut af en toe Aron Groot retweet, betekent niet dat wij op elkaar lijken. Een grap van Dave Schuts kaliber is bijvoorbeeld: ‘Mona Keijzer is gewoon Bart Nijman met lang haar.’ Slaat nergens op. Het is een goed format, daar niet van. Zo goed dat het bijna moeilijk is om het niet grappiger te maken. Een vrouw is een man met een vagina. Een vrouw is Charlotte Remarque zonder downsyndroom. Dave Schut is een man met een vagina. Dave Schut lijkt op Ellie Lust als ze in de mavo/havo-brugklas wél de havo had gehaald. Dat is het verschil.

WF

Gedurende je PC-redacteurschap word je steeds beter in het identificeren van charlatans in allerlei verschijningsvormen. Zo had ik in Sinan Çankaya toen hij bij Buitenhof zat al een pathologisch narcist herkend voordat hij zo ijdel begon te lullen dat hij tafelgenoot nota bene Maurits de Bruijn op een orthodox-gereformeerde Hegeliaan uit Schouwen-Duiveland liet lijken. Nu is narcisme an sich nog niet zo erg; zonder narcisme heb je namelijk geen kunst. Aan mij de taak om te bezien of Çankaya zijn bestaan aldus kan rechtvaardigen.

Het eerste dat je leert over Sinan Çankaya is dat hij houdt van alliteratie. Als dat nog niet duidelijk was door de titel van zijn nieuwe essay, Galmende geschiedenissen, of, als je racistisch bent, door zijn naam, dan wel door de zin ‘Ik snakte ernaar om mijn keuken, of eigenlijk mijn grot, te verlaten, die steeds donkerder, duisterder en droefgeestiger aanvoelde. Ik snakte naar het licht daarbuiten.’ Wat prettig is aan dit citaat is dat het niet alleen Çankaya’s voorliefde voor alliteratie illustreert, maar ook meteen zijn voorliefde voor clichématige beeldspraak (keuken = Plato’s grot), tautologieën (donkerder én duisterder) en melodrama (hij vertelt hier over zijn writer’s block).

Het is duidelijk dat Çankaya in ieder geval graag kunst wil maken. Maar ja, met taalgebruik dat perfect het midden houdt tussen dat van de liedjes van Marco Borsato en dat van de kinderen die Marco Borsato graag bepotelt, maakt Çankaya niet meteen een bijster talentvolle indruk. We moeten ons daarbij wel realiseren dat mensen die ergens zijn opgegroeid waar geen Nederlands wordt gesproken, vaak nooit helemaal op moedertaalniveau kunnen komen. Dat geldt blijkbaar zelfs voor een gepromoveerd cultureel antropoloog als Çankaya. Als geboren en getogen Nijmegenaar zal hij waarschijnlijk altijd een kleine achterstand hebben.

Een paar misplaatste moeilijke woorden moeten we hem dus vergeven. Toch eindigt ook mijn vergevingsgezindheid ergens. Op pagina 42, om precies te zijn, waar Çankaya het volgende beweert: ‘Sommige ontmoetingen bepalen levens, daar ben ik heilig van overtuigd.’ Ja, lijkt me overduidelijk. Bananen zijn krom, daar ben ik heilig van overtuigd. Wat dacht je van de ontmoeting van je vader en moeder, Sinan? Zou die ontmoeting levens hebben bepaald? Een cultureel antropoloog die stelt dat de Wannseeconferentie misschien wel invloed heeft gehad op de levens van 6 miljoen joden; je moet het maar durven.

Die Tweede Wereldoorlog-vergelijking zuig ik niet zomaar uit mijn duim. Çankaya heeft het er zelf de hele tijd over. Hij schrijft bijvoorbeeld over zijn bezoek aan Auschwitz, waarbij we meteen weer merken dat hij als het op een taal aankomt geen uitblinker is. Over een Nederlandse man die met hem de rondleiding doet, zegt hij: ‘Hij had een zuidelijk accent, verder niets ten nadele van zuiderlingen.’ Gek, en niet alleen omdat Çankaya zelf uit het zuiden van Nederland komt, want waarom zou zeggen dat iemand een zuidelijk accent heeft iets negatiefs impliceren over zuiderlingen? Een cynicus zou kunnen zeggen dat die aanname juist erg discriminatoir is; als ik mijn hekel aan Sinan Çankaya zou willen uitdrukken, bijvoorbeeld, zou ik zeggen dat hij een narcist is, maar niets ten nadele van narcisten, verder. En u moet nu niet de fout maken te denken dat dit een grapje was van onze Sinan. Ik heb in mijn leven weinig meer totaal van humor gespeende stukken tekst gelezen dan dit essay; vermoedelijk vonden Çankaya’s groepsgenoten hem zelfs op de rondleiding langs de blikken Zyklon B nog de allergrootste domper van de dag.

We moeten overigens niet denken dat Çankaya alleen maar een bezoek brengt aan Auschwitz om daar zoals altijd de opgeblazen voorhuid uit te hangen. Het is ook van zeer groot belang voor de kracht van zijn betoog, aangezien het bewijst dat hij tegelijkertijd sympathie kan hebben voor het Joodse lot en kritiek op de staat Israël. Mogelijk komt u dat bekend voor, als precies hetgeen dat iedereen met ook maar een beetje verstand al zegt sinds 7 oktober. Toch doet Çankaya maar al te graag alsof hij een boodschap verkondigt die zo verboden is dat zijn uitgeverij zijn verhaal nauwelijks wilde uitgeven. Zo staat er in de flaptekst van Galmende geschiedenissen: ‘Wanneer hij over de genocide op de Palestijnen schrijft, wordt het stil. Mag hij dit verhaal vertellen?’ Nou, blijkbaar wel, dus.

Zoals typisch is voor narcisten denkt Çankaya vaak dat de hele wereld tegen hem is. Dat dat denkbeeld aan meerdere kanten niet klopt, bewijst hij zelf nog maar eens met de laatste woorden van zijn boek: ‘Ik val helemaal niet. Het is als een stilstaande trein, je denkt te bewegen, maar het is de trein naast je. De wereld valt.’

Het is duidelijk dat Cankaya hier mikte op weer zo’n geliefd cliché van hem, maar helaas: alleen iets dat klopt kan een cliché zijn − en als je de logica van deze metafoor volgt, zou de wereld relatief tot Çankaya helemaal niet vallen, maar hem juist ontstijgen. En dat is natuurlijk ondenkbaar. Voor hem, althans.

WF

Galmende geschiedenissen, Sinan Çankaya.
De Bezige Bij, € 22,99

Archief