Ik moet een jaar of vijf geweest zijn toen het gebeurde. Ik had voor mijn verjaardag twee Bionicles gekregen, die ik keurig volgens de instructies van de firma Lego in elkaar had gezet. Toch beviel me iets niet aan het eindresultaat: de armen van speelgoedrobot A paste beter aan het lichaam van speelgoedrobot B en vice versa, dus wisselde ik de ledematen om. Het moet een tante, oma, vader of moeder geweest zijn (de details zijn me ontschoten, ik was vijf, zoals gezegd), die het voor de eerste keer in mijn leven tegen me zei: ‘Goh, jongen, wat ben je toch creatief!’ Omdat een volwassene een jarige kleuter doorgaans niet op eufemistische wijze voor flikker probeert uit te schelden, kon ik er vanuit gaan dat ‘creatief’ als compliment bedoeld was.

Ik liet het me aanleunen. Sterker nog, het werd een complex. ‘Creatief’ als compliment is als een metaforische tiet waar je — als naïef jongetje — graag aan wil zuigen (vrouwen delen het doorgaans uit). Je gaat er gekke dingen van doen: je wil het ontlokken aan de moeder van het vriendje waar je logeert, dus strooi je vruchtenhagel over je sneetje volkoren met pindakaas. Je draagt hoofddeksels die je niet staan. Je besteedt uit vrije wil uren aan de powerpoint van je spreekbeurt om de pinwheel-overgangsanimaties goed te timen. Voor je het weet ben je een slaaf van je imago als creatieveling, totdat je tot een belangrijk inzicht komt: creativiteit is geen deugd. Het kan leiden tot het maken van goede dingen, dan heb je er wat aan, maar op zichzelf bezien is creativiteit als een pauw die niet neukt, een vliegdekschip waar stapels ongevouwen papier op staan in plaats van F-35’s, of een Kaäba waar niemand omheen loopt (om voor uw begrip maar eens wat creatieve metaforen op te gooien). 

Bij mij kwam het belangrijke besef over de holheid van het begrip ‘creatief’ precies op tijd. Toen ik de gedachte om me aan te melden voor de kunstacademie eens gevaarlijk ver vooraan in mijn bewustzijn signaleerde, wist ik dat ik op moest passen. Toen werd ik veertien en was mijn fase van creativiteitsfetishisme voorbij. Sommige tragische figuren krijgen dit inzicht nooit, en worden vervolgens Ralph Nollet. Ralph Nollet is een Vlaming van 23 die in gazet De Tijd vier keer mocht komen vertellen over zijn kunstenaarsbestaan. Voor uw beeld: Ralph ziet eruit als Patrick Bateman die twee weken in een kraakperswagen heeft doorgebracht, zich voedend met de broodkorstjes die hij met zijn wasbeerklauwtjes uit de snavels van de met hem concurrerende meeuwen wist te meppen. Dit is dan weer géén creatieve metafoor, want Ralph pulkt sigarettenpeuken uit tegelvoegen, plakt die op vlinderdassen, en verkoopt die aan luxe Kortrijkse herenmodezaken. Of zoals dat op zijn website heet: ‘Nollet verkent het ontmoetingspunt tussen vakmanschap, duurzaamheid en het hedendaagse stedelijke leven’.

Dat Ralph totaal versmolten is met zijn misplaatste noodzaak om creatief te zijn, blijkt niet alleen uit zijn opzettelijk te breed geknoopte windsor, zijn vette verkrachtershaar en zijn ‘kunst’. Hij heeft ook enorm creatieve meningen: ‘Ik ben nog nooit naar een concert geweest en ik ga dat ook niet doen. Er is niet echt een reden voor, maar mag ik zeggen dat ik het vreemd vind dat de artiest daar letterlijk boven de rest staat?’ Als het hele Wiener Philharmoniker in een waterput kankert en Ralph loopt er toevallig langs, blijft hij misschien even staan om te luisteren. Dan is er namelijk sprake van een schikking van objecten in de ruimte waar hij zich wél senang bij voelt. Dat is voor beeldend kunstenaars nu eenmaal belangrijk. Wat Ralph ook belangrijk vindt, is een robuust arbeidsethos. Die overtuiging heeft hij opgedaan tijdens zijn jeugd in het Verre Oosten: ‘Over China bestaat veel negativiteit, maar ze kunnen daar hard en gestructureerd werken, omdat ze het zo gewoon zijn.’ Vindingrijk idee, Ralph. Lijkt me inderdaad logisch: wanneer je botten de eerste keer verpulverd worden onder de rupsbanden van een tank ben je daar nog niet aan gewend, maar als zoiets je voor een derde keer overkomt, wordt het solderen van iPhone-moederborden second nature en sta je fluitend in de fabriek. 

In de interviews in De Tijd valt te lezen dat Ralphs vindingrijkheid niet alleen een constante in zijn jeugd en tegenwoordige bestaan is: hij trekt hem helemaal door tot zijn einde. ‘Ik weet niet of ik een begrafenis wil. Ik wil als laatste kunstwerk liever voor de varkens gegooid worden. Het ultieme hergebruik van materiaal word ik zelf.’ Geeuw. Ik bedoel: betrapt! Een lijk dat opgegeten wordt door varkens? De maffia doet al minstens een eeuw niets langer met haar slachtoffers, laaielichter! Als je echt creatief wil zijn, Ralph, en dat wil je, maak je een snede langs je navel en laat je een stel gulzige zwijnen terwijl je nog leeft je organen uit je buikholte slobberen. Die performance maakt je in één keer een groot kunstenaar en dan neem ik al mijn woorden terug. 

IS

Archief