Gastbijdrage

Maandag

Dagboek! Mij is gevraagd een artikel over de situatie in Iran te schrijven. Is Iran nog mijn land? Om op die vraag antwoord te kunnen geven, ging ik eerst een wandeling maken. Eigenlijk wou ik weten wat een vaderland voor me betekende. Ik zocht een verhoging met een mooie olijfboom om op te gaan staan, om te kijken wat er van mijn vaderland overgebleven was, maar al het reliëf in het landschap was helaas al afgeschaft door de IDF. Dan keek ik maar gewoon vanaf de grond. Dit is wat ik zag: 

Mijn vader zittend op een Perzisch tapijt lezend in het heilige moederboek. Mijn grootvader leunend op zijn wandelstok. Wat hij aan het doen was, kon ik niet helemaal zien, vanwege de rook die opsteeg uit de oogkassen van de dertig seconden geleden door een AGM-114R9X “Ninja”-raket doorkliefde plaatselijke imam. De bergen, nee iets anders, een graf in de bergen, het graf van mijn vermoorde broer. Een gevangenis, de griezelige gevangenis, waarin mijn zus als meisje werd opgesloten en waaruit ze als een gebroken vrouw werd vrijgelaten. De gezichten van een paar oude vrienden. (Vertel het niet verder. Ik ben hun naam vergeten. Het duurt heel lang voor ik me hun namen herinner. Ontzettend is het. Is het niet?) Zag ik nog andere dingen? Nee, ik zag niets meer, door alle rook. Ik wandelde verder om een beetje na te denken.

Dinsdag

Dagboek! Vandaag liep ik naar de ruïnes van de meisjesschool in Minab. Tussen het puin zag ik een olijfboom ontkiemen. In de geschiedenis van de rijke oude cultuur van mijn voorouders staat de olijfboom voor kracht en vernieuwing. Maar toen ik dichterbij kwam, bleek dat de olijfboom in het puin een salade uit de lunchbox van een leerling was. Vast lekker, uit de keuken van mijn rijke oude cultuur. Maar nog dichterbij gekomen zag ik dat het eigenlijk de herseninhoud van een van de meisjes was. Zonde. Ik knielde en bad voor mijn achtenzestig nichten, opdat hun herseninhoud in hun schedels mag blijven. En dat zij door kunnen leren om later ook vluchteling te worden. 

Woensdag

Dagboek! Vanochtend vliegt er weer een B2 door de rijke oude cultuur van mijn voorouders. In die rijke oude cultuur zou een raketinslag waarschijnlijk geïnterpreteerd worden als Allah die stenen gooit naar heidenen, en wie zegt dat Donald Trump iets anders is dan een boze God? Of is God boos en is Trump zijn straf voor ons rijke, oude volk? We kunnen het nooit weten.  

Ik ging naar de stad, bewoog me door de smalle stegen geplaveid met oude stenen, die verhalen vertelden van eeuwenoude ambachten en handel. Op de kleurrijke bazaar, een van de oudste en meest levendige in de Perzische regio, hoorde ik plotseling een knal, vanuit een kooi. Ik schrok mij een fezje, dagboek! Maar het was een papegaai, die een B2 nadeed. Daarna begon de papegaai te huilen om zijn in duizend en één stukken ontplofte vader. Maar dat was dus ook imitatie. Ik kocht de papegaai. Ik sprak tegen de papegaai: ‘Ben ik nog Iraans? Welke taal is mijn thuis? Is het Nederlands? Of de taal van mijn rijke, oude cultuur van mijn voorouders?’ De papegaai fluisterde: ‘Mag ik terug naar huis?’

Donderdag

Ben ik een Iraanse schrijver? Nee, niet meer. Ben ik een Nederlandse schrijver? Nee, dat hoeft ook niet. Wat ben ik dan? Of wat ben ik aan het worden? En hoe lang duurt dit proces van de verwisseling? Vragen, allemachtig, ik heb zo veel vragen. Ook dingen als: Waarom is de lucht blauw? Hoe komen baby’s in de buik? Waarom hebben volwassenen geen tijd? Soms helpt het om die vragen uit te schreeuwen over de puinhopen hier, om met mijn stem een weg door de rook te banen. Gedicht is de beste puinraper. Rijmend mijmeren, bezinnend zingen in zinnen, lyrisch tieren als een tierelier. Een rare kale man schreef dat het Berbers is om na Auschwitz nog gedichten te schrijven. Géén gedichten schrijven, dat zou pas Berbers zijn. En ik blijf altijd een Pers. 

Vrijdag

Vannacht bleven er maar stukjes uit mijn herinnering naar boven drijven, als afgereten ledematen in de straat van Hormuz. In dromen en nachtmerries raakte ik verstrikt in beelden van mijn achtenzestig lieve nichten, beelden die ik liever niet met je deel, dagboek, ik hoop dat je dat begrijpt. Hoewel het in de geschiedenis van mijn rijke oude cultuur dus niet altijd een taboe is geweest het bed met je nicht te delen. Allah schrijft dat het mag, maar alleen als de nood aan de man is. En denk je niet dat de nood nu aan de man is, dagboek? Overpeinzingen! Je snapt wel dat ik vanochtend koos voor mijn ring met de grote rode edelsteen, die al eeuwen van generatie op generatie wordt doorgegeven in mijn uit de oude cultuur van mijn voorouders afkomstige familie. Maar toch zal ik het je uitleggen, dagboek. Rood is de kleur van vergiffenis. Oh jeetje, raket!

Kader Abdolah

Het is niet gemakkelijk om een vredesduif te zijn. Wanneer ik dezer dagen met mijn olijftak over de Randstad zweef, de tijd van het jaar dat de vrede welig zou moeten tieren, ben ik voornamelijk geneigd om tegen een pas schoongemaakt raam aan te vliegen. Overal zijn onruststokers. Overal zijn oproerkraaiers. Dit land is nog nooit zo verdeeld geweest. Soms word ik daar gewelddadig van. Soms wil ik alle opiniërende columnisten van NRC de nek omdraaien. Daarom zit ik nu ook in therapie. Ik heb een recept voor 500 gram oxazepam per week en de Heer weet dat ik ieder tablet nodig heb: God, wat mis ik de verzuiling.

Ergens zou het barmhartig zijn. Die nekken omdraaien, bedoel ik. Het gezicht van een opiniërende columnist is een gekweld gezicht; het is het gezicht van Rosanne Hertzberger; diep ongelukkig, vervuld van schaamte maar alsnog arrogant. Het is een uitdrukking die je alleen maar krijgt als je de hele dag in totale afzondering tegendraadse meningen zit te formuleren. Zo gaat dat tegenwoordig. Iedere debiel met een mening krijgt een opiniërende column in de katernen van NRC en iedere debiel met een bijbehorend plan – in het geval van Rosanne Hertzberger – komt op een kieslijst terecht, vaak van een partij die direct na de verkiezingen weer in elkaar stort. En het land? Waar blijft het land bij deze ontwikkeling? Onbestuurbaar. Alleen Mai Spijkers spint garen bij deze bedroevende gang van zaken, want alle nieuwe lijsttrekkers mogen hun biografieën bij Prometheus uitbrengen. Dat zijn er heel wat inmiddels.

Het grootste vergrijp van Mai Spijkers is overigens niet dat hij opruiende boeken uitbrengt. Of dat hij zijn redacteuren in hokken stopt en slaat met stokken. Nee, het is dat hij zoveel geld heeft en alsnog die afzichtelijke pakken draagt. Vooral degenen met de bretels. Die bretels zijn de echte bedreiging voor de vrede, denk ik soms. Dan zie ik Mai Spijkers zijn kantoor uitlopen, gekleed als een soort aan lagerwal geraakte oliebaron, en dan realiseer ik me: misschien was dat verheffingsideaal toch niet zo’n goed idee. Misschien had Mai Spijkers gewoon een rietsnijder in Zuid-Brabant moeten blijven, net zoals zijn voorouders.

Ik ben een groot voorstander van de verzuiling. Wat is een zuil? Goed dat u het vraagt. Het is een bouwkundig fenomeen. Zuilen zijn groot en breed en houden de hele tempel overeind. Het geheim van goed bestuur zit in de zuil. Dat zeg ik al jaren. Het Parthenon in Athene – de bakermat van de democratie – heeft er wel zesenveertig. Toevallig? Ik dacht het niet. Nu hebben mensen vaak iets aan te merken op de Atheense democratie; dat ze Socrates ter dood hebben veroordeeld, bijvoorbeeld. Maar om eerlijk te zijn had ik Socrates ook ter dood veroordeeld. Had die pederast maar niet zoveel irritante meningen moeten hebben. Als je erover nadenkt was Socrates ook maar de Rosanne Hertzberger van zijn tijd. Een vijand van de vrede.

Op regenachtige dagen lees ik graag de boeken van Arend Lijphart – Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek om precies te zijn – en dan denk ik terug aan de dagen van weleer. De tijd voordat iedereen zo nodig een individu moest zijn. Iedere zuil had zijn eigen vakbond, zijn eigen voetbalclub en met andersdenkenden werd simpelweg niet gecommuniceerd. Er heerste vrede tussen de gesegregeerde gemeenschappen. Alle mogelijke spanningen werden opgelost door compromissen van de elite: ons beroemde poldermodel. Zelfs in verkiezingstijd was er vrede, want er waren alleen maar grote volkspartijen. Iedere formatie ging van een leien dakje. Ik hoefde nauwelijks wat te doen. Ik zat de hele dag aan mijn cloaca te trekken.

Maar nu? Soms bid ik tot God voor de geestelijke gezondheid Rob Jetten. Alstublieft God, zeg ik zacht. Eeuwige, de Enige, de Almachtige, vestig uw blik op onze toekomstige premier. Heb medelijden. Zie hoe hij zit te werken in zijn schamele partnerwoning in Den Haag. Zie hoe hij zijn paperassen ordent in het schijnsel van een flakkerende kaars. Soms komt zijn Argentijnse hunk even naast hem staan. Hij fluistert zachte liefdeswoordjes in zijn oor, perverse fantasieën over bezwete kniebeschermers van het hockeyveld, maar Rob wuift hem geïrriteerd weg. ‘Niet nu, Nico,’ zegt Rob. ‘Ik moet PvdA-GL en de VVD in een kabinet zien te proppen.’ Daarna vervloekt hij de Nederlandse kiezer. Waar hebben ze hem mee opgezadeld?

Genoeg is genoeg. Dit land heeft maar drie partijen nodig: een racistische proletenpartij, een wereldvreemde kosmopolieten-partij en een groep zielloze liberalen die met iedereen in bed stapt. Dat is wat God voor ogen had toen hij dit pannenkoekenrestaurant van een natiestaat uit de klei deed oprijzen. Stel u zich voor. Mensen zouden weer door hun tijdlijn kunnen scrollen, zonder te worden belaagd met pastelkleurige infografieken over femicide of AI-gegenereerde protestnummers over AZC’s. Meningsverschillen zouden onnodig zijn, omdat niemand meer overtuigd kon worden. Iedereen geborgen in zijn eigen zuil. Geen kiezer zou ‘zwevend’ zijn, maar vastgeketend: met beide benen op de grond. We zouden elkaar weer in de ogen kijken. We zouden weer naar buiten gaan, om wandelingen te maken in het Vondelpark. We zouden luisteren naar het vrolijke gekwetter van de halsbandparkieten. De sneeuw zou zachtjes naar beneden vallen en achter ieder raam, bij ieder kerstdiner, zou de vrede heersen. Roekoe!

Thijs Hoekstra

Ik ben twee keer met Günter Grass naar bed geweest. De eerste keer was ik 19, de tweede keer 33.

In 1966 was Grass een paar weken in Amsterdam om bij te komen van de opwinding van de premiere van zijn toneelstuk Die Plebejer proben den Aufstand. Hij logeerde in een hotel, maar was overdag vaak bij ons thuis, ook voor het avondeten. Mijn vader was met hem bevriend geraakt door de bijeenkomsten van de Gruppe 47 in Duitsland. Ik woonde nog bij mijn ouders en studeerde Italiaanse taal- en letterkunde. Mijn verliefdheid voor een Italiaan die mij ertoe aangezet had Italiaans te gaan studeren was over. Ik had het uitgemaakt, maar zat vol twijfels. Ik dacht dat ik niet van een man kon houden, ik kon niet klaar komen en ik kon niet zonder mijn ouders leven.

Dat Grass zich voor me interesseerde verbaasde me en ik voelde me gevleid. Maar het maakte me ook een beetje bang. Hij was 38 en in mijn ogen al bijna een oude man. Ik had nog nooit een vriend gehad met een snor, een man die uit zijn mond naar tabak rook en een pils tegelijk met een borrel opdronk. Ik genoot er wel van dat mensen naar ons keken als we gearmd over straat liepen. Het voelde spannend alsof ik iets deed wat niet mocht.

Ik herinner me dat ik iedere keer als Günter probeerde me te kussen als excuus ‘niet hier’ aanvoerde. Niet op een rondvaartboot, niet in een dancing en ook niet op straat.

‘Waar dan wel?’ vroeg Günter lachend.

Ten slotte kreeg ik toch het gevoel dat ik ‘ns keertje toe moest geven en bovendien hoopte ik dat seks met een man met ervaring me van mijn twijfels zou kunnen genezen. Hij was tenslotte getrouwd en had kinderen.

Ik vraag me af wat mijn ouders die het zagen gebeuren ervan vonden. En ook of Günter het gewoon vond om de dochter van zijn vriend te verleiden. Misschien dacht hij dat in Nederland ‘alles’ kon.

Mijn moeder hielp me met krullers in mijn haar zetten voor ik op een avond met Grass zou gaan dineren bij Hotel de l’Europe. Bijna ging ons etentje niet door, want Grass probeerde me meteen op bed te duwen toen ik hem in zijn hotelkamer kwam ophalen.

‘Daarvoor heb ik geen krullers in mijn haar gezet’ schoot het door me heen. En ik bracht in dat we zouden gaan eten.

Dat deden we ook, maar de stemming was onder nul gezakt. Ik voelde me ongemakkelijk en Günter mopperde omdat hij gebakken aardappels kreeg bij zijn forel.

Er zat niets anders op dan te gaan vrijen in het hotel. Dat werd geen succes. Na afloop moest ik huilen.

Toen ik Grass terug zag in Berlijn in 1979 vond ik hem veel leuker om te zien dan toen ik 19 was. Hij straalde iets vitaals uit en was bruin vanwege een in Alaska doorgebrachte lentevakantie. Hij had fijne handen en felle bruine ogen. Ik was inmiddels Drs. Italiaanse taal- en ketterkunde en had geen zorgen meer over mijn relaties met mannen. Ik was naar Berlijn gekomen om Grass te interviewen voor een nieuw op te richten Duits tijdschrift. De verfilming van Die Blechtrommel ging in première.

Eigenlijk ging het meteen mis toen hij me uitlachte vanwege mijn uiterlijk. Ik droeg een glimmende rode plastic broek, een rood leren jasje en knotsige ringen met namaak diamanten, gouden oogschaduw en felrode lippenstift.

‘Je ziet eruit alsof je van een andere planeet komt’ zei hij en dat was niet als kompliment bedoeld, want hij probeerde me aan te praten dat ik me uit onzekerheid zo kleedde en opmaakte.

Tijdens het interview kreeg ik geen vat op hem en hij gaf me het gevoel alsof ik domme vragen stelde wanneer ik bijvoorbeeld wilde weten of hij wel eens leugens vertelde.

Daar gaf hij trouwens wel een leuk antwoord op.

‘Ik heb als kind altijd heel veel gelogen en ik lieg ook tegenwoordig nog, meestal omdat de waarheid me verveelt.’

Toen we met het interview waren opgehouden werd het plotseling veel gezelliger. Ik nodigde hem uit te gaan eten en gearmd liepen we naar een Italiaans restaurant in de buurt. Praten over ieder onderwerp en ‘domme’ vragen stellen was mogelijk.

Na het eten zei Grass dat hij zich afvroeg of hij met me slapen wilde of niet.

‘Mij lijkt het wel leuk om te kijken of het anders is dan vroeger.’

‘Dat zou te weinig reden zijn om het te doen’ zegt hij.

Toch liggen we niet veel later in bed. Een succes werd het wat mij betreft weer niet, maar ik hoefde er gelukkig niet meer om te huilen. Met een taxi ging ik terug naar mijn hotel. We hadden alletwee niet de behoefte meer tijd met elkaar door te brengen.

Alissa Morriën
schrijver

Dit is een programma in de zendtijd voor publieke onthoofdingen. Figuurlijk natuurlijk, moet ik als Maghrebijnse Nederlander met meer dan één paspoort erbij vermelden. Want Dilan Yeşilgöz lijkt me zo’n type dat geen gelegenheid onbenut laat om haar juridische netwerk in stelling te brengen om Noord-Afrikanen aan te klagen en, als het even kan, te deporteren. Daar heeft ze Geert Wilders trouwens helemaal niet bij nodig. Wilders is te onbetrouwbaar om Marokkanen écht het land uit te zetten. Waarom zou een ondernemer zijn eigen verdienmodel ondermijnen?

Voor Dilan Yeşilgöz daarentegen is vreemdelingenhaat geen middel maar een doel. Ze is weliswaar zelf ooit als gelukszoeker- vermomd-als-asielzoeker via nareis-op-nareis naar Nederland gekomen, maar niets menselijks is de vreemdeling vreemd. Bij binnenkomst gauw de ladder omhoog. Er is slechts ruimte voor één Dilan. Dát is de reden waarom alle Dilannetjes met moeilijke achternamen niet mogen komen of blijven. Meer cedilles en umlauts passen niet meer in dit land, aldus Dilan Yeşilgöz. Het zou haar overigens vergeven zijn (ook allochtonen hebben het recht harteloos te zijn als ieder ander in dit kille land) als ze niet zo’n saaie en neppe Gestapo-larper was. Je kunt alles zeggen over Marine Le Pen of Giorgia Meloni – bijvoorbeeld dat het onversneden fascisten zijn – maar niet dat ze geen karakter hebben.

Dilan Yeşilgöz doet haar best om een karakter te veinzen dat ze niet heeft. Dat doet ze mede door een identiteit te wissen die ze ongetwijfeld ooit had. Ze doet me denken aan een sketch van Dave Chappelle, waarin een blindgeboren zwarte man ervan overtuigd was wit te zijn en lid werd van de Ku Klux Klan. Niets aan Yeşilgöz is authentiek. Ze moet, los van die prachtige naam, toch wel íets hebben overgehouden aan haar Turks-Koerdische afkomst? Een kinderliedje misschien? Scheldwoorden (ik incasseer ze met alle liefde)? Iets gastronomisch? Ze laat in ieder geval niets van dat alles blijken. Iedereen mocht wél weten dat ze van donuts en die domme hond van haar houdt – nog vóór haar geweldige vent wiens achternaam ik maar niet zal noemen, want dat is tegenwoordig ook al antisemitisme. (Farid Azarkan, ik geloof je).

Nota bene Wilders heeft ooit aangegeven liefhebber te zijn van baklava. Yeşilgöz liet op Instagram een foto zien van een bacon cocktail. Wat? Een bacon cocktail. Smerig. Was het een grap? Of is het onderdeel van een soort verlate ontgroening bij de corpsballen van de VVD? Knipper met je ogen als je hulp nodig hebt, Dilan. Of nee, stik erin. Iedereen krijgt de pushback die zij verdient.

Dilan Yeşilgöz is de pick me girl en pick me-migrant in één. Zie hoe ze naast de mannen van VI Vandaag alle misogyne grappen en grollen incasseert, terwijl ze van elke Marokkaanse jongen die op de hoek van de straat een sis-geluid maakt het liefst de schedel wil openbreken.

‘In dít land. Ónze normen en waarden. Ónze vrijheid.’ Ze doet zo haar best. Dilan Yeşilgöz moest eens weten hoe er achter haar rug bij de VVD over haar gesproken wordt. Maar ze kan het hebben. Ze is namelijk een politieke pitbull. Althans, zo ziet ze zichzelf graag. Anderen zien een onbetrouwbaar sujet. Een dubbelhartige politica. Een intellectueel lichtgewicht. Dat is ze allemaal óók. Yeşilgöz gelooft niettemin dat ze premier kan worden. De eerste vrouwelijke premier. De eerste minister-president met een migratieachtergrond (die zijn het ergst). Klinkt mooi, hè. Maar we weten allemaal dat Geert Wilders haar alsnog zal aftroeven. You can’t bullshit a bullshitter.

Misschien is dat helemaal geen slecht vooruitzicht. Een beter milieu begint in het parlement. Geert, verlos ons: deporteer Dilan naar het godvergeten gat waar ze vandaan komt. Op een gammel bootje. Met haar kaolo daggoe. Ik trakteer. Baklava.

Lotfi El Hamidi

Maandag

Het College van Bestuur begint de werkweek altijd met een plenair overleg, zo ook vandaag. Op de een of andere manier weet Peter-Paul het steevast voor elkaar te krijgen om al om 09.15 ’s ochtends een ontzettende koffiebek te hebben. Alsof hij zijn tandpasta elke dag zelf maalt van de bonen uit zijn Senseo Sarista. En als ik dan wil zorgen dat het nog een beetje te harden is en een raampje van de vergaderruimte openzet, begint Jan meteen aanstellerig te bibberen, en te miepen dat hij het koud heeft. Misschien moet-ie dan eens een keer wat meer gaan eten. Ik noem Jan altijd de Lintsworm, omdat hij eruitziet alsof-ie tegelijk een lintworm heeft en er een is. In mijn dagboek dan, natuurlijk. Dat is van mij. Nou, ik liet dat raam gewoon open, en leunde vast zover mogelijk achterover terwijl ik Peter-Paul vroeg hoe het ervoor staat met de boekverbrandingen. Het zijn mannetjes met een handleiding, zeker, maar ja. Je hebt het nu eenmaal met elkaar te doen, hè, in zo’n bestuursjaar. 

Dinsdag

Vandaag nam ik een kijkje op het Binnengasthuisterrein, om te zien hoe het vordert met de bouw van de nieuwe universiteitsbibliotheek. En stiekem ook of er nog een leuke bouwvakker rondloopt, natuurlijk. Ik heb, dat mag je best weten, een beetje een zwak voor uniformen. Mijn lief, Lennart, noemt dat mijn mbo’er-fetisj, maar dat is gewoon jaloezie. Hij loopt er zelf altijd bij als een brugklasser die net door zijn oudere broer uit de kapstok is getild, dus ik moet ergens mijn lusten botvieren. Goed, over dat nieuwe gebouw. Dat we hier af en toe boeken verbranden betekent natuurlijk niet dat we in concept tegen boeken zijn. We zijn bij de UvA bezig om de UB van een stoffige opslagplaats van eeuwenoude kennis te veranderen in een moderne en diverse community hub. Dat er dan een paar boeken weg moeten om ruimte te maken voor een gezellige caféhoek en pestvrije ruimtes voor knutselworkshops is het lang en breed waard; op den duur zal er in de nieuwe situatie veel meer over boeken worden gepraat dan daarvoor. En dat is waar een bibliotheek uiteindelijk voor is. 

Woensdag

Een belangrijk deel van mijn werk bestaat uit het overzien van projecten die kunstmatige intelligentie inzetten om de functies van universiteiten stukje bij beetje te automatiseren. Als dat kannibalistisch klinkt, mag je mij wel Hannibal Lecter noemen (die uit de serie, dan, de boeken heb ik niet gelezen): ik geloof dat kunstmatige intelligentie uiteindelijk alle menselijke werkzaamheden kan overnemen. Op bestuursfuncties na, dan. Uiteindelijk is mijn utopia (opnieuw van de serie, niet het boek) dat iedereen in de hele samenleving en ook Afrika enzo aan het werk kan als bestuurder. Best idealistisch, hè, eigenlijk? En we kunnen daar alleen komen als we experimenteren. Mijn credo komt van een liedje van Cole Porter, uit 1933. Dat gaat zo: Experimenteer / maak dat tot je motto / dag en nacht / wees nieuwsgierig / laat je niet tegenhouden / experimenteer / dan heeft de toekomst je veel te bieden. Ik kwam er laatst achter dat dat ook het motto was van Josef Mengele, maar goed, ik vind dat je kunst niet moet verwerpen alleen omdat sommige mensen het verkeerd kunnen interpreteren. 

Donderdag

Donderdag is een rotdag voor mij. Ik zou vandaag een vrije dag moeten hebben, maar omdat ik in de schuldsanering zit heb ik tegenwoordig op donderdagen een tweede baantje om een zo hoog mogelijk inkomen te kunnen verdienen. Heel gênant, en voordat u denkt dat het mijn eigen schuld is dat ik in de Wsnp ben beland: dat heb ik dus mooi te danken aan mijn Lennart, die zo nodig door een gedegen staaltje onderzoekjournalistiek van een literair-satirisch studentenblad betrapt moest worden op de malversatie van een bescheiden €800.000. Toen dat artikel uitkwam had ik mijn aandeel al besteed aan een Hummer, een Prada-ketting en een ontzaglijke hoeveelheid Koopmans Pannenkoekenmix omdat die in de aanbieding was bij de Albert Heijn. Omdat ik echt niet kon wachten en die bonus altijd maar een week duurt had ik een lening genomen om nu alvast mijn aandeel te besteden; dat moet ik door dat eigenrichtige kutblad nu dus allemaal terugbetalen met 7,5% rente. Daarom sta ik de hele donderdag schimmel van Hema-rookworsten te schrapen terwijl ik ook nog eens aardig moet doen tegen de zweetturken die hier de hele dag met muntgeld servetten en zakken zoute drop komen afrekenen. 

Vrijdag

Logisch dus, dat Lennart er ook vanochtend niet op mocht. Zolang ik bij moet werken, heeft hij pikstraf. Alsof ik ook met hem getrouwd was als hij niet beste vriendjes was met Femke Halsema. Dan te bedenken dat ik ooit jaloers was op wat die twee samen hebben. Daar kon ik nog wel doorheen zien omdat ik wist dat het hebben van zo’n netwerk zich ooit zou uitbetalen, maar ik had nooit verwacht dat hij zich zo zou laten vernederen door zo’n marginaal studentenblaadje. Ik zag vandaag weer een stapeltje van die vodden liggen. Dat heb ik zelf maar in de prullenbak geflikkerd, maar ik moet niet vergeten om volgende week die afbladderende berg leverworst van een Sindy en de andere meiden van de menopauzebrigade er aan te herinneren hun ogen open te houden. Vermoeiend of niet, censuur is een belangrijk onderdeel van hun functieomschrijving, en of ze dit keer nou een ingegroeide wimper hebben of een ontstoken ooglid of überhaupt niet kunnen lezen – alles dat er ook maar een beetje zwart-wit uitziet moet in de shredder. Ik heb het meer met Vijftig tinten grijs. En dan heb ik het natuurlijk weer over de films. Met die boeken heb ik niks.

Edith Hooge

Wat was het al koud buiten! Karlijn kon niet wachten tot ze weer veilig achter haar laptop zat. Enkele weken geleden had ze Farm Date ontdekt, een datingsite voor agrariërs. Karlijn was geen agrariër, maar ze had geen bezwaar tegen kippen en dronk graag melk, dus het scheelde niet veel. Bovendien waren boeren bij uitstek geschikte kandidaten om mee te trouwen, omdat boeren veel geld hebben, en Karlijn juist heel weinig.

Het wilde maar niet warm worden in huis. Karlijn woonde op de derde verdieping van een flat, een lelijke, oude flat in het deel van de stad waar nog geen wijnbars waren. De balustrades in het trappenhuis hadden tierelantijntjes in het hout, waardoor het gebouw tot monumentaal pand was uitgeroepen. Het mocht niet gesloopt worden noch gerenoveerd, en daardoor was de isolatie klote. Alle kozijnen stonden scheef en zaten vol akelige kieren: het was een zoete inval voor weer en wind. Om zich te verweren droeg Karlijn pantoffels van alpacawol. Maar de wind had maling aan alpacawol. Het blies er dwars doorheen, en op koude avonden huilde Karlijn zachtjes onder haar deken.

Verhuizen was geen optie voor Karlijn omdat ze vier dagen in de week bij de HEMA werkte. De HEMA betaalde: niet goed. Op een nieuwe woning maakte ze geen schijn van kans, niet in deze economie. Het was jammer dat haar moeder haar geen geld had nagelaten. Vorig jaar was haar moeder opnieuw getrouwd met een man die PlayStations verkocht op de Beverwijkse Bazaar. Zoran, heette hij. Wanneer Zoran niet op de Beverwijkse Bazaar was, werkte hij in de haven om verscheidene waren aan te nemen, en wanneer hij niet in de haven was, zat hij thuis en verkocht hij concertkaartjes op Marktplaats.

Een maand nadat Karlijns moeder met Zoran getrouwd was, struikelde ze over een PlayStation 5 die haar geliefde op de hoek van de bovenste traptrede had gezet. Karlijns moeder was er nog niet aan gewend dat daar nu regelmatig van alles stond, en dat gebrek aan gewenning had haar het leven gekost: onderweg naar de bodem van de trap had ze haar nek gebroken. Karlijn kreeg het nieuws van Zoran per sms. In de sms stond:

je moeder is van de trap gvallen. Neck gebroken

Toen Karlijn informeerde of het naar omstandigheden goed met haar moeder ging, reageerde Zoran met een emoji van een duim naar beneden.

Omdat Zoran nu de wettelijke echtgenoot van haar moeder was, erfde hij het huis en de spaarrekening, en Karlijn niets. Alhoewel: niets dat liquide was. Zoran had Karlijn het bruidsservies geschonken van het huwelijk waaruit Karlijn was voortgekomen. Het was een complete set, van echt porselein, met gouden randen op de borden en schotels, en een brocante bloemenpatroon op de kopjes en kommen. Uit medelijden had Zoran er ook nog de PlayStation 5 die bovenaan de trap stond cadeau bij gedaan. Dat dat ding aan de dood van Karlijns moeder had bijgedragen, zei hij er voor het gemak maar niet bij.

Bij thuiskomst had Karlijn het bruidsservies meteen in haar buffetkast gezet. Sindsdien poetste ze het iedere zaterdag, en op doordeweeks dagen keek ze er verlangend naar. Wanneer haar buren stil waren, meende ze dat het servies haar aanmoedigend toezong vanachter de kastdeuren. Trouw rijk en niet crimineel, luidde hun lied.

Maar die ene avond wilde het maar niet vlotten op Farm Date. Een boer die Hans heette had haar een persoonlijk bericht gestuurd: hij vroeg of Karlijn van paarden hield. Karlijn zei dat ze paarden best tolereerde, waarop Hans haar een foto van een oogst winterpenen stuurde. Voer voor paarden, typte hij erbij. Karlijn wist niet goed wat de bedoeling was van deze toelichting, maar toen schreef Hans dat Karlijn de winterpenen mocht hebben als hij haar van achteren mocht nemen in zijn stal. Dat vond Karlijn nogal obsceen. Ze liet de winterpenen voor wat ze waren.

In Karlijns gewone inbox wachtte een mail. Ze kende de afzender niet. Het bericht luidde:

Waarde vriendin,
Mijn naam is prins Albert Surugaba. Ik mail je met een bijzonder verzoek. Onlangs is mijn vader, koning Herman Surugaba, overleden na een vreselijk ziekbed en ik ben zijn enige erfgenaam. Gisteren kwam ik tot de ontdekking dat mijn vader een bankrekening in Nederland had, met een saldo van vijftig miljoen euro. Van de bank mag ik geen toegang tot de rekening krijgen totdat ik een administratievergoeding van drieduizend euro heb betaald. Zou jij me alsjeblieft kunnen helpen? Zodra ik bij de bankrekening kan betaal ik je meteen terug, en geef ik je EEN MILJOEN EURO als bonus, bovenop mijn eeuwige dank. Ik hoop dat ik je met mijn bericht niet overval. Ik vond je emailadres via een database en je leek me een betrouwbaar persoon. Ik kijk uit naar een vruchtbare samenwerking!
Hoogachtend,
Albert Surugaba, prins van Benin

Karlijn las de mail nog een keer, en nog eens. Het stond er allemaal echt: ze was door een rijke prins benaderd en hij zocht haar hulp. Ongelooflijk! Een miljoen euro… Leefde haar moeder nog maar, die zou dit alles geweldig hebben gevonden. Wie weet keek ze vanuit de hemel wel op Karlijn neer en knikte ze aanmoedigend.

In haar hoofd begon Karlijn het geld al uit te geven. Ze zou de flat laten isoleren, een nieuwe keuken laten bouwen, of nee – dat zou allemaal niet meer nodig zijn! Ze zou prompt kunnen verhuizen naar waar ze maar wilde. Een losstaand huis op Texel… Karlijn had altijd al op een eiland willen wonen. Of in Kaatsheuvel, vlakbij de Efteling, en dan elk weekend in de Vogel Rok, puur omdat het kon. Ze schreef meteen terug.

Beste prins Surugaba,
Mag ik je Albert noemen? Albert, ik ben vereerd dat je me hebt gevraagd om je te helpen. Dat doe ik graag! Kom je ook echt naar Nederland toe? Aan je schrijven te zien spreek je de taal voortreffelijk. Ik zou je in elk geval graag ontmoeten, ook voor het afwikkelen van de transactie. Het is hier bijna kerst! Ik weet niet of jullie dat vieren in Benin, maar het is erg koud en overal zijn lichtjes. Als je nog een slaapplek zoekt, ben je welkom bij mij.
Lieve groet,
Karlijn

Dat laatste aanbod was een beetje brutaal, maar de prins vroeg haar immers om een flinke smak geld voor te schieten, en daaruit sprak ook weinig bescheidenheid. Alhoewel je je dat, wanneer je een prins was, wellicht kon permitteren. Tevreden zat Karlijn achterover in haar stoel. Het was nog steeds koud in huis, maar ze had tenminste contact gelegd met een mogelijke redder.

Terwijl ze op een reactie van Albert wachtte, keek Karlijn naar haar banksaldo. Op het scherm verscheen een getal: 80,43 euro. Dat was niet genoeg voor de administratievergoeding, bij lange na niet… Zo had de prins niets aan haar. En zelfs als ze haar salaris van de HEMA morgen kreeg, kwam ze nog steeds meer dan duizend euro tekort. Het was hulpeloos.

Karlijn ijsbeerde door haar woning. Ze zou morgenochtend wat geld uit de kassa kunnen stelen op werk, en wanneer dat makkelijk bleek, een wat groter bedrag uit de kluis. De HEMA was een miljoenenbedrijf, een paar duizend euro was niks voor hen. Maar als ze erachter kwamen, zou het zo gênant zijn… Karlijn wist niet of ze dat kon verdragen.

In haar woning was er niets van waarde. Haar laptop was hooguit een paar honderd euro waard, een televisie had ze niet eens. Dat malle ding dat ze van Zoran had gekregen stond al maanden in een hoek te verstoffen. En in het bankstel, een cognacleren exemplaar dat ooit mooi was, zat vochtschade.

Karlijns keek naar het bruidsservies. Voordat het aan haar moeder was geschonken, was het van haar grootmoeder geweest, en daarvoor stond het een lange tijd in een chique etalage. Haar grootvader had er destijds een schandalig bedrag voor betaald omdat Karlijns grootmoeder een gehaaide vrouw was, en zich niet inliet met mannen die geen centen hadden. Karlijns grootvader had dus iets te bewijzen.

Tegenwoordig was het bruidsservies zo’n tweeënhalf duizend euro waard. Dat was recent nog vastgesteld, na de dood van Karlijns moeder hadden ze het moeten laten taxeren voor de nalatenschap. Als ze het verkocht, kon ze de prins deze week nog helpen… Wie weet zou hij dan voor de kerst nog in Nederland zijn, en kon hij haar mee uit eten nemen.

Een voor een haalde Karlijn de borden, schalen, koppen en kommen uit de buffetkast. Voor elk serviesstuk huilde ze meerdere tranen, maar toen bedacht ze dat ze, met die miljoen, het bruidsservies onmiddellijk weer terug kon kopen – en dus zou ze het niet lang kwijt hoeven zijn. De kalmte wederkeerde. En de prins had inmiddels ook teruggeschreven:

Liefste Karlijn,
Ik dank de goden op mijn blote knieën dat ik geholpen zal worden door zo’n lieve, attente vrouw als jij! Ja, ik kom dolgraag naar Nederland, en ik maak dan graag van je gulle aanbod gebruik. Ik zal je behandelen als een prinses, als dank voor alles dat je voor mij mogelijk maakt, en natuurlijk krijg je dan ook de EEN MILJOEN EURO die ik in mijn eerdere schrijven noemde. We zullen een zalige kerst hebben samen. Maar eerst moeten we de administratievergoeding regelen. Wanneer kun je het geld overmaken? Ik wacht op je antwoord.
Met eerbied en bewondering,
Albert Smith

Hé, dat was gek, dacht Karlijn, ineens heette hij geen Surugaba meer. Zou het iets te maken hebben met het feit dat ze nu informeel met elkaar waren? Misschien was het wel gewoon iets van zijn cultuur dat ze niet begreep. Wat maakte het ook uit! Albert leek een vriendelijk en beleefd persoon te zijn, en hij was ook nog eens rijk. Veel beter dan dat zou ze het niet treffen.

Karlijn bleef de hele nacht op om de individuele serviesstukken in papier te verpakken. Ze deed het met de grootst mogelijke voorzichtigheid, voor zover de adrenaline dat toeliet. Af en toe droomde ze even weg in een fantasiebeeld, en dan zag ze zichzelf in een witte jurk met een sluier die tot haar tenen reikte, en die haar een mysterieuze allure gaf. Prins Albert zou bij het altaar op haar wachten en met een brede grijns haar sluier oplichten, omdat hij wist dat er een verrukkelijk leven komen ging.

In de ochtend torste Karlijn het gehele bruidsservies naar de lommerd. De taxatiepapieren van de notaris nam ze mee als bewijs van hun waarde. De lommerd keek naar het bruidsservies en constateerde dat het inderdaad waardevol was, maar wellicht nog het meest in sentimentele zin.

‘Weet je heel zeker dat je dit allemaal aan me wilt verkopen?’, vroeg hij.

‘Heel zeker’, zei Karlijn. ‘Ik heb sinds gisteravond een relatie met een prins uit Benin. Hij is erfgenaam van een gigantisch fortuin en hij wil een deel ervan aan mij geven. Ik moet alleen eerst de administratievergoeding voor hem regelen. Zo gaat dat in Nederland, snap je. Een en al bureaucratie.’

Karlijn rolde theatraal met haar ogen, als een cosmopolitaine vrouw: een vrouw van de wereld.

‘Benin… is dat geen republiek?’, zei de lommerd.

‘Wat?’

‘Benin is geen koninkrijk, dunkt me. Het heeft geen koning.’

‘Dat klopt, die is dood’, zei Karlijn. ‘Nu is er alleen nog een prins over. En die komt met de kerst dus bij mij langs. Schiet je een beetje op? Ja, ik zal hier even tekenen… en hier zeg je, vooruit… Maak je het geld meteen naar me over? Mijn bankrekeningnummer staat hier. Goedendag!’

Thuis bracht Karlijn haar nieuwe geliefde meteen op de hoogte.

Lieve Albert, mijn liefste,
Het geld is binnen. Ik heb er iets dierbaars voor moeten verkopen, maar het bleek nog meer waard te zijn dan ik al dacht: ik heb er precies drieduizend euro voor gekregen! Ik maak het graag zo snel mogelijk naar je over. Laat je me nog even je bankrekeningnummer weten? Ik kan niet wachten om je in mijn armen te sluiten, mijn schitterende prins.
Hunkerend naar jou,
je Karlijn

Dit keer liet de reactie van Albert niet lang op zich wachten. Binnen twee minuten ontving Karlijn dit bericht:

BJ66BJ044390000769
into account of Abdul Smith
thanks very much please

Arme Albert, de passie was hem teveel geworden. Hij was zo verheugd om naar Karlijn toe te komen, dat hij spontaan zijn naam was vergeten. En zijn taal!

Karlijn maakte het bedrag meteen over, zoals ze had beloofd. Ze schreef een zachtaardig mailtje naar haar prins, een kortere dit keer, om hem niet nader te overrompelen, maar desondanks duidelijk te maken dat het geld was overgemaakt. Eindelijk kon hij bij het fortuin van zijn vader. Als hij voor deze week een vlucht naar Schiphol boekte, was hij nog op tijd voor kerst in het land. Karlijn zou hem opwachten met een oliebol. Een hele zak oliebollen, zelfs, zodat de prins wist dat ze menens was.

Karlijn zette een nummer van David Sylvian op en begon dromerig te dansen. Toen het afgelopen was keek ze naar de buffetkast waar eerder nog haar geliefde servies stond. Het zou maar heel even bij de lommerd hoeven blijven. Zodra haar prins over zijn jetlag heen was, zouden ze het samen weer ophalen.

Van Albert was er nog geen nieuw bericht binnengekomen. Die man is nu natuurlijk zijn koffers aan het pakken, dacht Karlijn. Hij komt zo snel als hij kan naar me toe. Ze keek naar haar plafond, waar rode schimmels floreerden, en vouwde haar handen. Dank u, moeder, zei ze, dat u vanuit de hemel zo goed voor mij zorgt!

Nadia de Vries

Dus, de zomer is voorbij. We zijn er weer van verlost. Van al die operettefiguren die ons er wekenlang van overtuigen dat het leven gevierd moet worden (al dan niet ironisch, al herken je de echte Gen Z’er aan zijn/haar/diens radicale gebrek aan ironie. Ik bedoel: het zijn geen oude kutmillenials.) Maar iedereen die na de pubertijd nog gelooft dat het leven iets is dat moet worden gevierd, heeft teveel naar DWDD gekeken, toen dat nog een dagelijkse dosis schaamteloze SSRI-druppels was voor mensen die net te dom zijn om te beseffen dat ze geen smaak hebben, maar wel slim genoeg om te beseffen dat ze hun smaak vooral moeten laten dicteren door iemand anders. Enfin: ik dwaal af. Misschien is dat de zonnesteek, al zal ik snel, zogezegd to the point komen.

De zomer is voorbij. We hebben het overleefd. Helaas misschien, en tegelijkertijd biedt de sombere herfst, veel regen aangelengd met een flinke scheut polderfascisme, hoop. Een eerlijke weerspiegeling van het leven. Niet die constante, manische opgedrongen zorgeloosheid, niet de gevatte satire daarop, nee. Hoera! We hebben het ergste achter de rug. In principe. We zijn verlost van de sportzomer, met allerhande obscure personen die ons meestal doen denken aan Erik Hulzebosch (Voor Gen Z: een onverstaanbare en bij toeval ontstane mutatie in de vorm van een man, die na een tweede plek bij de laatste Elfstedentocht in 1997, geheel conform de nationale mentaliteit, beroemder werd dan de winnaar). We zijn verlost van gespeelde blijheid. Het maakt helemaal niemand uit op welke plek we belanden in de medaillespiegel. Niemand houdt van volleybal, nee: helemaal niemand. Zelfs volleyballers niet. Je doet het niet voor je lol. En mountainbiken al helemaal niet. Als je na je vijfde nog droomt van een ritje op een mountainbike, dan zou je in een ideale samenleving direct, dus zonder wachtlijst, moeten worden doorverwezen naar de jeugdzorg.

Het is voorbij. Allemaal. Haal adem. Ja, we zijn verlost van de schijnbaar eindeloze aanwas van Oranjefans, vrijwillige debielen (dat is dus niet validistisch, het gaat hier om kerngezonde mensen die er doelbewust voor kiezen als debiel door het leven te gaan), die euforisch staan te hossen op de muziek van Rob Kemps (iemand die niet zingt, maar playbackt, omdat zijn stem niet goed genoeg schijnt te zijn, terwijl de muziek zelf zo wanstaltig is dat je je afvraagt hoe zoiets kan. Enfin: Kemps zou in deze hoedanigheid een gedroomde pion van de CIA zijn om terreurverdachten in Guantánamo Bay al hossend en playbackend razendsnel richting bepalende bekentenissen te martelen). We zijn verlost van het dagelijkse besef dat onze muzikale mascotte zich op een groot sportevenement feitelijk niet veel anders gedraagt dan onze Koning.

We zijn er nog. In Nederland. Dat wel, maar als het een beetje meezit in elk geval in Amsterdam. Dat is tenminste nog iets, al zal Ton F. van Dijk zeggen dat je met zulke randstedelijke arrogantie je eigen glazen in gooit, waar ik dan weer tegenin zou willen brengen dat het ingooien van het glaswerk van de UVA in feite ook neerkomt op het ingooien van je eigen glazen, maar dat is een ander verhaal.

We zijn verlost van de gezelligheidsterreur, we hoeven niet meer te doen alsof we in de bloei van ons leven zijn, dat wil zeggen: jullie, ik ben bijna veertig, maar dat is ook weer een ander verhaal, al is het misschien goed om te benadrukken dat ik me er geheel bewust van ben dat met het eindigen van de zomerterreur spijtig genoeg wel weer is gesignaleerd dat Johan Fretz is begonnen met zijn satirische – we sparen hem door niet te formuleren: als satire bedoelde – TikTokfilmpjes, om ons eraan te herinneren dat je bezuinigingen op de kunsten nooit moet laten samenvallen met bezuinigingen op de GGZ, en ook dat sociaaldemocraten allemaal verraders zijn, al is het misschien een beetje gek om daarover te beginnen, aangezien Johan Fretz dit stuk zelf schrijft, en ook omdat we hoewel polemisch heel graag ongelooflijk inclusief zijn, en ondergetekende zelf ooit op een reüniefoto van PC constateerde dat er slechts een persoon van kleur tussen stond, om bij nadere bestudering te concluderen dat het geen persoon betrof maar een zwarte buste van een wit hoofd. Enfin: we dwalen af, het wordt allemaal erg Being John Malkovich nu, waaraan je meteen weer kunt merken dat we te maken hebben met een millenial. Dat meta gelul, nooit eens direct of zonder ruis. Nu we erover nadenken hebben we Johan Fretz en Philip Huff nooit tegelijkertijd samen in een ruimte gezien, al is Huff natuurlijk niet zwart, althans: niet meer, want nu de BLM-golf weer een beetje is gaan liggen, konden we onlangs lezen dat hij het persoonlijk dus echt helemaal geen probleem vond dat de literair recensent van de Volkskrant niet wist wie Anil Ramdas was, al kan het uiteraard ook toeval zijn geweest dat zo’n terloops zinnetje dat zou kunnen duiden op een subtiele verwijdering van de puristische flank van de antiracismebeweging samenvalt met de verschuiving van het politieke klimaat – in het geval van Huff dus, niet van Fretz, Fretz levert namelijk altijd – 24/7, best knap – een tsunami van oudlinkse millenial nostalgie, die ons door hem zelf (door mij zelf dus, sorry, het wordt echt raar nu, maar het is te laat om in te grijpen. Vrij letterlijk: de deadline is al gemist). telkens wordt gepresenteerd als frisse bravoure en oorspronkelijke dwarsheid, vermoedelijk omdat niemand hem durft te vertellen dat zijn held Joop den Uyl (die hij nooit heeft meegemaakt, ook dat kenmerkt de oude millenial) een ongelooflijke zure, domme lul was, die in zijn jonge jaren bovendien sympathie had voor Hitler.

In elk geval is het dus voorbij. Nagenoeg compleet. Al zijn er dus andere negatieve prikkels, al dan niet via TikTok, of in het geval u daar bewust bij vandaan blijft ook via Instagram en X (de echte patiënt post satirische filmpjes door op meerdere sociale media kanalen). Je kunt niet alles hebben.

Hoe dan ook zou ik graag tot de kern komen. Dat lijkt me verstandig, zeker nu we zo langzaamaan tegen de grenzen aanlopen van het haalbare (dit bedoel ik niet poëtisch, ik ben misschien dan wel Johan Fretz en misschien is het inderdaad tijd om eens op zoek te gaan naar iemand die me langdurig werkende Ritalin voorschrijft, ik ben geen Jonathan Safran Foer. Ik bedoel het letterlijk: we lopen aan tegen de grenzen van het haalbare. Mijn beide kinderen zijn wakker, de zomervakantie is voor jullie voorbij, maar is hier beland in de reservetijd en het is zeg maar Ajax – Spurs 2018 – 2019 wat betreft de rustgevende vibe die er vanuit gaat, en de redacteuren hebben me laten weten dat als ik nu mijn stuk niet inlever, ze me dood zullen moeten schieten, wat niet perse een prettig vooruitzicht is, maar op zichzelf natuurlijk al wel een heel stuk moediger dan mijn eigen milde, tamelijk laffe en nog altijd neoliberale, betogen voor het nationaliseren van de voormalige nutsbedrijven. En ook is het heel wat moediger dan het gedrag van enkele oud-redacteuren van PC, toen zij enige tijd terug de gipsen handdruk van mijn goede vriend en collega-auteur Mano Bouzamour uit de literaire Hall of Fame wegnamen en vernietigden (beeldhouwwerken van kleur zijn welkom, maar beeldhouwwerken ter ere van mensen van kleur minder), waarna Bouzamour op het daarop volgende Boekenbal charmant de telefoon van een oud-redacteur pikte, die daar vervolgens een heel drama van maakte, iets wat me eerlijk gezegd nogal tegenviel van Kameraad BN (geen communistische BN’er, we hebben het over De Nuchelaar, De Marx aan ’t IJ, die ik een grote toekomst toedicht, tenminste als de longkanker hem niet te pakken krijgt, maar u ziet: nu dwaal ik alweer af, in elk geval vond ik het nogal flauw om je druk te maken over het afpakken van bezit, ook nog eens een toestel dat onlosmakelijk verbonden was met de vrijgegeven telecomindustrie ten tijden van Paars, dus, nou ja: dit moet BN natuurlijk helemaal zelf weten. Het viel me alleen wel op.).

Tot slot dus. Soort van. (Ook dat is Fretz: er komt nooit een einde aan. Althans niet vrijwillig. Wat dat betreft is het geen Ramdas, al weten we zelf eerlijk gezegd niet wie dat precies is, maar dat geeft niks, in elk geval vindt Philip Huff het geen probleem, al eindigt dit stuk over enige tijd wel in een excelsheet over valse en onterechte polemiek, wat op zich te begrijpen is, als je tenminste beseft dat mensen die duidelijk geen flauw idee hebben wat polemiek is).

Tot slot dus. Alweer? Ja, zeiden we al toch? (Goddank blijft dit een gastbijdrage). Wat ik wilde zeggen is dat we dan wel verlost zijn van de manische Hollandse zomer, maar dat ons nog een ding te doen staat: we moeten afrekenen met de kleinburgerlijke gespeelde en gepassioneerde collectieve RADAR-achtige afrekening die ergens de komende weken, voor de zoveelste keer, zal plaatsvinden na misstanden bij het Amsterdamse Corps. Quote 500 nepo-zwijnen die over vrouwen spreken als asbakken of emmers (smaak en klasse kun je duidelijk niet kopen, al ben je miljardair, dit zou je de verwezenlijking van een communistisch ideaal kunnen noemen, maar dat moeten we nog even navragen bij BN, als die nog leeft?), en dan natuurlijk de vraag of Prinses Amalia, die toch maar Lid wordt, nu de eerdere ophef wat was gaan liggen, of zij als troonopvolger wel bij zo’n club moet willen zitten. En dan krijgen we al die gespeelde verontwaardiging, van al die vrijwillige debielen die in de zomer nog stonden te dansen en springen bij een optreden van de beste vriend van Matthijs van Nieuwkerk, die er steeds meer uit gaat zien als een lesbische vrouw, maar ook dat is een ander verhaal. In elk geval zou ik graag willen afspreken dat een volk dat bij meerderheid bestaat uit vrijwillige debielen en sinds kort ook uit een regering waarin vrijwillige debielen die tevens vrijwillig kwaadaardig zijn, een volk dat een koning heeft die staat te janken als een veulen dat vlak na de bevalling bij de moeder is weggerukt bij een Olympisch potje mountainbiken, een volk dat liever de erfbelasting op het nauwelijks gevulde spaarvarken in standhoudt om de Ali Express Patrick Batemannetjes en toekomstige Annemarie van Galens van Nederland, zonder uitzondering samengesteld uit de corpsleden van vandaag, vrolijk verder te laten gaan met het plunderen van alles dat het collectief dient, ja: ik zou willen afspreken dat we ons deze keer gewoon de klucht besparen om te gaan klagen over de moraal bij een studentenvereniging. Die wansmaak, dat sadisme, die vernedering, het is allemaal niet fraai, maar we moeten er in alle bescheidenheid misschien gewoon maar eens een keer onze bek over houden, zeker zolang we zelf vrolijk blijven knuffelen met tierende uitgevers en op het Boekenbal staan te schuren tegen de psychopathische leden van het acteursensemble van ITA. Misschien is dat speelveld, met zwarte bustes van witte polemisten, waar je schaamteloos randstedelijk kunt zijn, als je er maar tijdig een ironische disclaimer bij zet (millenials zijn niet meer te redden), het speelveld waar je, ik wil het toch nog maar eens benadrukken, echt mag toegeven dat je niet weet wie Anil Ramdas is, of Johan Fretz, ja, misschien is dat speelveld wel het ergste dat dit land heeft te bieden. Helaas niet alleen in de zomer. Integendeel. In de herfst begint het pas. En in de winter is er geen houden meer aan. In die zin, qua hoop en zo, kan die opwarming van de aarde niet snel genoeg beginnen (maar dat zul je die sociaaldemocratische ironische kutmillennial, met zijn niet als satirisch bedoelde new middleclass-bek natuurlijk nooit horen zeggen.).

Johan Fretz
Schrijver

Op 15 mei om 17.31 uur kreeg ik een intrigerende mail met een zeer eervol verzoek. Of ik een gastbijdrage wilde leveren aan PC. Maar natuurlijk! Iedereen die als scholier ooit een boekverslag over een titel van Mensje van Keulen heeft moeten fabriceren kent Propria Cures. De mail was ondertekend door redacteur Alexandra Philippa, in een regel daaronder stond voor de zekerheid: (zij/haar). Ik googelde Alexandra Philippa en inderdaad: die pronouns kwamen overeen met mijn bevindingen.

Voor de gemiddelde Gen Z’er zijn zulke toevoegingen inmiddels zo normaal als het verspreiden van Hamas-propaganda, iets waar ze op de universiteit waar ik op de een of andere manier ben afgestudeerd (UvA, door de locals uitgesproken als Ufaaa) tenminste nog in uitblinken. Maar voor mij is elke (he/him/his) achter de naam van een bebaarde Canadese houthakker een teken dat ik losgezongen ben geraakt van de tijd waarin ik leef.

Toen ik in de jaarwisseling van 2017-2018 mijn schoonoma van, destijds, 88 bezocht, geloofde ze niet dat het 2018 zou worden: 2008 klonk haar al surrealistisch in de oren. Het is nu 2024 en ik geloof dat ik in hetzelfde stadium ben aanbeland. Dit is niet mijn tijdperk, ik voel mij volkomen 20ste-eeuws. De kids van nu zijn knetterlijp, maar je hoort dat dan niet te zeggen, of daar quasi-ironisch mee om te gaan. Neen, daarin heb ik geen trek.

Ik ben trouwens ook meer dan eens gemisgenderd: door Frans Weisglas en een dode (terecht) Belgische NRC-sportcolumnist. Er zijn bepaalde sociale klassen waarin men geen kennis pleegt te nemen van de Arthurromans. Voor die lui kan ‘Merlijn’ ook een meisjesnaam zijn. En dan komt het dus voor dat mannelijke figuren als je ze uitnodigt voor een interview ofzo ‘kus’ naar je sturen. Dan krijg je een inkijkje in wat vrouwen zoal meemaken. In mijn krant stond trouwens dat het eten van bananen een privilege is voor mannen omdat mannen aan pijpen denken wanneer ze een vrouw een banaan zien eten; vrouwen zien er dan maar vanaf en hakken het ding in stukken voordat ze het in het geniep naar hun mond brengen. Wie bananen eten verwart met orale seks heeft van beide niets begrepen. Maar dat allemaal terzijde.

Ik (37) voel me dus oud. Zelfs in de klassieke concertzaal (ik verdien erg veel geld als redacteur klassieke muziek van de Volkskrant) ben ik inmiddels niet meer jong; er zijn nu ook mensen van 32. Maar sinds december voel ik me zo’n twee à drie avonden per week fris en fruitig. Ik val in als gitarist in mijn vaders band, The Amazing Stroopwafels (cultstatus sinds 1979; legendarisch in Rotterdam en omstreken; kwamen ze uit Amsterdam dan waren er al tien documentaires over ze gemaakt). Degene voor wie ik inval, Rien de Bruin, is 78 en tot in ieder geval de zomer uitgeschakeld. Mijn vader (Wim Kerkhof: de frontman, zanger, toetsenist, contrabassist, liedjesschrijver, de baas) is met 71 de jongste. En nu ben ik daar om de gemiddelde leeftijd omlaag te halen.

Het is enig. Het ene moment speel je voor 1200 mensen in het Circustheater in Scheveningen, de volgende dag sta je in een non-descript zaaltje aan de A12 op te treden voor de ondernemersvereniging van Pijnacker-Nootdorp. Mijn vader neemt namelijk alles aan: met meer dan 7500 optredens in 45 jaar is er geen nog actieve band in Nederland die vaker optrad. Ik heb eens uitgerekend dat mijn vader 412,5 uur van zijn leven Oude Maasweg moet hebben gespeeld, meer dan zeventien dagen non-stop.

Ik wil niet opscheppen, maar ik ben ook al gerecenseerd. Door de IJsselbode, de lokale krant van Montfoort. Ik zong, volgens het gezaghebbende medium, ‘mooie harmonieën’.

Laatst trad ik op voor de oma (90 geworden) van DJ Afrojack. De familie-Afrojack bleek er een van kenners van het ontzagwekkende Amazing Stroopwafels-oeuvre, want ze vroegen nummers aan die mijn vader al jaren niet had gespeeld en ze zongen alles mee. En wie voorzag het geheel van jeugdig elan? Ik!

Merlijn Kerkhof
schrijver, criticus

Elke avond mag mijn oma kiezen. Ze eet apart van de groep met een echt mes en een echte vork, of ze schuift met plastic bestek aan bij de anderen. Na een reeks gewelddadige incidenten met medebewoners konden de verzorgers niet anders. De kinderen van de slachtoffers hadden het in een brief namens hun ouders geëist.

Ik heb de brief gezien, hij was zonder ironie ondertekend met ‘De Slachtoffers’. Het personeel had nog voorgesteld om iedereen met plastic bestek te laten eten, maar daar wilde de Stichting voor Slachtoffers van Mevrouw Hogeling niet aan. Omdat er één bewoner was met een agressieprobleem, moest de rest zich aanpassen? Geen sprake van. 

Bij de brief zaten foto’s van de verwondingen die ze zou hebben aangericht. Forse blauwe plekken op armen, benen, bij één man zelfs net onder het oog. Maar wat zegt dat op die leeftijd? Hun huid is zo dun geworden dat je het bloed door hun aderen ziet stromen. Als ze hoesten kan hun aorta knappen. Die dingen gebeuren. 

Voor mijn oma maakt het allemaal weinig uit. Ze maakt elke dag de keuze alsof ze die voor het eerst maakt. De verzorgers zijn er handig mee, ze weten het zo te spelen dat het dilemma een extra service lijkt. Wilt u de jus erop of ernaast? Wilt u straks chocoladevla, vanillevla of door elkaar? Wilt u met de groep eten met het groene bestek of liever even lekker alleen met het zilveren bestek? Meestal eet ze met zilver. 

Vandaag kan het niet op, ze eet met zilver én met de groep. Ik fungeer als een soort blauwhelm tussen haar en de huisgenoten. We eten draadjesvlees met doperwtjes, krieltjes en appelmoes. ‘Goor’, zegt ze terwijl ze op hoog tempo het vlees naar binnen schuift. Als het vlees bijna op is, begint ze te schreeuwen: ‘Mevrouw, ik moet dit niet. Het lijkt wel stront! Gadverdamme! Neeee, ik wil dit niet! Haal het bij me weg! Heeeeelp!’ 

Het gebeurt vaker, haar kinderen schamen zich ervoor. Ik niet, ik ben altijd trots geweest op mijn lompe oma. Mijn beschermde leventje in een klein dorp had weinig ruigs, maar mijn vader, haar zoon, komt tenminste uit een echt arbeidersnest. Waar je met z’n allen uit één pan at en waar de kinderen én de vader werden geslagen door moeder. Haar gescheld, haar handel in konijnenbont – de kelder onder het huis stond vol met veel te kleine hokken – de wietplantages op zolder, de burenruzies, de veroordelingen voor winkeldiefstal: het is ook een beetje míj́n afkomst. Het geeft me karakter, terwijl ik er niet voor heb hoeven lijden.

Als je haar gejengel geen aandacht geeft, stopt ze vanzelf weer en eet ze haar bord leeg. Ik pak mijn telefoon en maak een selfie met haar. Ze lacht als een puber die op de schoolfoto moet. ‘Flikker toch op met dat ding.’ Ik maak er een instagramstory van: ‘Wij tegen de rest! #mattiesforlife #nietaltelangmeerdus’. 

Ik proef dat het bejaardenvoedsel niet veel slechter is dan de magnetronmaaltijden die ik zelf vaak eet, en zie dat een van de vrouwen aan tafel me strak aankijkt. Ze trilt. Misschien is ze boos, heeft ze het koud, zit haar luier vol of trilt ze altijd.

– ‘Ik zie het wel, jongen.’

– ‘Wat ziet u wel, mevrouw?’ 

– ‘Jij bent er eentje, ik zie het wel.’ 

– ‘Ja, ik ben er eentje’, zeg ik vrolijk.

– ‘Een rat ben je.’

– ‘Nou, nou, dat hoeft ook weer niet mevrouw.’ 

– ‘Jij bent een jood! Een jood ben je.’ 

Nog voor ik kan reageren voel ik een klodder lauwwarme drab op mijn nek landen. Mijn oma begint te lachen. ’Sorry jongen. Ach sorry, kom hier.’ Met een vies servetje smeert ze de appelmoes uit over mijn nek. Ze stopt haar halfslachtige schoonmaakklus als de nazipensionado weer begint te praten: 

– ‘Wat doe jij hier, jij hoort hier niet! Jood!’ 

– ‘Ze hadden jou moeten vergassen, kankerwijf’, snauwt mijn oma. Dat is het aardige van haar dementie, ze leeft heerlijk in het moment. Bij vlagen kan ze behoorlijk ad rem uit de hoek komen.

Ik probeer de boel te sussen. ‘Dames, dames, ik ben helemaal niet joods en er gaat hier dus ook helemaal niemand worden vergast, oké?’ 

De vrouw lijkt gerustgesteld en eet verder. 

– ‘Nou, dát was weer gezellig, of niet? Mevrouw Hogeling, wat hadden we nou afgesproken?’, zegt een vrouw van achterin de 50 die met botox lijkt te willen voorkomen hier zelf ooit te moeten wonen.

– ‘Wat krijgen we nou?’, zeg ik. ‘Zij maakt mij uit voor vuile rat en vuile jood, en dan hebben wij het gedaan?’ 

– ‘Meneer Hogeling, er wordt hier wel meer gezegd, maar er is er maar eentje die met eten loopt te smijten.’

Ik heb wel eens gehoord dat je iemand het beste kunt overtuigen door gewoon je mond te houden. Bij mij werkt het in elk geval. ‘Maar u heeft gelijk, sorry’, zeg ik. ‘Oma, we gaan niet meer met dingen gooien, goed?’ Mijn oma zet het kinderstemmetje op dat haar kinderen zo haten. Niemand weet waarom ze het doet, maar het is erg manipulatief. ‘Oké meneertje koekepeertje.’ Ze kijkt even naar het slagveld op haar bord, alweer vergeten dat ze het zelf heeft aangericht. 

– ‘Wie ben jij?’, vraagt ze, nog steeds op het kindertoontje.

– ‘Ik ben Thomas’, zeg ik. ‘De zoon van Joop!’ 

Ze kijkt me glazig aan, dan lacht ze. ‘Ach, wat gezellig. Ik heb thuis ook een Ongelovige Thomas en een Joop de Doop. Maar die zijn nog maar klein.’

Je kunt veel van haar zeggen, maar niet dat ze niet bijbelvast is. 

Thomas Hogeling

Maandag

Je wordt wakker. Je bedoelt ik word wakker. Ik bedoel ik word wakker. Sorry – ik zit nog helemaal in die tweede persoon. Ik denk niet dat het eerder is gedaan: een roman, van kaft tot kaft in het jij-perspectief. ‘Een ingrijpende kunstgreep,’ noemde Thomas [de Veen, red.] mijn artistieke keuze. Daar heb ik verder niets aan toe te voegen. Of toch: men onderschat nogal eens hoe moeilijk het is om elk werkwoord in de tweede persoon te moeten schrijven. Even opgezocht: ‘je wordt wakker’ is met een t, maar ‘word je wakker?’ zonder. Geen touw aan vast te knopen. Maar goed, waar was ik? Ontbijt. Van mijn cardioloog (ik heb een aangeboren hartafwijking) mag ik niet te veel koolhydraten. Dus houd ik het bij een bakje yoghurt met blauwe bessen. Visoliepilletje ernaast voor de Omega 3. Even een foto van gemaakt en doorgestuurd naar een paar vriendinnen. Vinden ze prachtig.

*

Dinsdag

Godverdomme. Eerste kutrecensie binnen. Drie sterren in de Volkskrant. Serieus, drie fucking sterren. ‘Zelfhulpproza.’ Dat zegt die recensent over mijn geesteskindje. Ik geef mezelf bloot en dit is wat ik ervoor terugkrijg. Ik heb hem even opgezocht op internet en – geluk bij een ongeluk – het is een oude witte man. Meteen een twitterdraadje gedaan, met garenklos-emoji enzo. Aangestipt dat er een generatie is die gewoon niet met kwetsbaarheid kan omgaan. Toevallig is dat ook de generatie die vindt dat vrouwen achter het aanrecht horen en people of color in de kolonie. Twintig likes. Heb ik de schade toch nog een beetje weten te beperken. 

*

*

Woensdag

Naar de reünie van B.E.E.T.S geweest, mijn dispuut. Op vorige reünies (reünieën?) was ik toch altijd een beetje de gevierde jongen – de enige van ons die het écht gemaakt had in de literatuur. En dat met een boek over het corps. Maar vanavond kon ik moeilijk aansluiting vinden. Tegen het einde nam Gijs (van mijn jaarclub) mij apart en maakte hij me duidelijk dat ik in een volgend boek niet moest gaan proberen onze braspartijen te framen als mishandeling. Dan zou hij ‘de mensen wel even laten zien wie de echte Philip Huff is’. Geen idee wat hij daarmee bedoelde hoor, maar heb hem voor de zekerheid een maandje in mijn appartement in Manhattan aangeboden.  

*

Donderdag 

Vanavond met een vriendin naar Schiller om mijn tweede druk te vieren. Ik ben gestopt met drinken vanwege mijn aangeboren hartafwijking, maar dat vinden ze juist mooi. Past bij mijn kwetsbare vibe. En als het écht gezellig wordt doe ik heus wel een rondje met haar mee. Note to self: niet vergeten uit te leggen naar wie Café Schiller eigenlijk vernoemd is. Ik vind dat je vrouwen best serieus mag nemen wat dat soort dingen betreft.  

*

Vrijdag

Net terug van Op1. Van tevoren was ik een beetje zenuwachtig, maar gelukkig kwam de presentatrice ook uit ’t Gooi. Had ik haar niet op dat hockeyfeestje, eind jaren 90…?  Hoe dan ook, ik voelde me meteen op m’n gemak. Iedereen aan tafel deed alsof ik, de schrijver Philip Huff, volledig samenviel met de protagonist uit mijn boek. Ik begrijp ook dat een waargebeurd verhaal beter verkoopt, dus ik ben er maar een beetje in meegegaan. Hoop toch dat mijn ouders niet gekeken hebben, want ik wil t.z.t. mijn deel van de erfenis wel gewoon hebben. Zeker na wat ze mij hebben aangedaan.

*

*

Zaterdag 

De Groene heeft een redactiestagiaire op me afgestuurd. Jammer, had van Joost [de Vries, red.] wel verwacht dat hij zelf even langs zou komen. Dit meisje vousvoyeerde me, op zich ook wel eens leuk, heb het in ieder geval even zo gelaten. ‘Het is niet mijn taak als schrijver om andermans perspectieven te koloniseren,’ zei ik tegen haar. En later: ‘Wat ik wel nog even duidelijk wil hebben: dit is een roman. Een literaire constructie.’ Weet niet of ze het helemaal begreep, maar wilde het per se zeggen, want ja, die erfenis. Anyway, na een tijdje was ik het helemaal zat. ‘Mark Twain of Ernest Hemingway? Yeats of Keats? Tolstoj of Dostojevski?’ Echt hoor, als ik een witte cisgender man wil lezen blader ik wel door m’n eigen werk. 

*

Zondag

Mai aan de lijn. De kale koopman bood aan me naar de Emiraten te vliegen: na wat googlen wist hij dat je daar de beste hartchirurgen ter wereld hebt. Misschien zou hij zelf ook nog wel even meegaan, konden we er een uitje van maken. Ik heb hem vriendelijk bedankt. In New York heb ik genoeg skyscrapers gezien en bovendien laat ik me niet behandelen als de dokter in theorie geen vrouw zou kunnen zijn. ‘Zelf weten,’ bromde Mai. Van gesprekken met dit soort autoritaire mannen krijg ik dus druk op mijn borst. Niet zo leuk. Even kijken welke vriendin me mag geruststellen. 

*

Philip Huff

Hoi, dit artikel gaat jou ongeveer een half uur per dag opleveren. Jazeker, het is een zelfhulp-stuk. Voor jou, maar ook voor mij, want jij gaat vanaf nu sneller werken en daardoor hoef ik straks minder lang te wachten als ik een dokter of een advocaat nodig heb, of als ik ooit – God verhoede – achter jou in de rij sta bij een lopend buffet.

De crux, ik zeg het maar meteen, is dat je moet opschieten. Gewoon: altijd. Met alles. Als je nu alvast een beetje opschiet met lezen, heb je het in vier minuten uit – dat is best een investering, maar die verdient zich dus ruimschoots terug en op je sterfbed zul je zeggen: “Dag allemaal, ik heb veel fouten gemaakt in mijn leven, maar sinds die paar minuten Propria Cures lezen in 2021 heb ik in elk geval geen kostbare tijd meer verkloot.”

Veel zelfhulp-gelul gaat tegenwoordig over tot rust komen, effe de smartphone wegdoen, stilte opzoeken, jezelf terugvinden of juist verliezen door meditatie of andere vormen van niks doen – och jongens dat heerlijke Hollandse woord “niksen” doet het zo goed in Amerika, wat enig! – maar het tegendeel is waar: van opschieten word je veel en veel gelukkiger dan van niksen, al was het maar omdat je met opschieten af en toe iets gedáán krijgt.

En ik heb het dus niet over haast maken omdat je anders te laat komt of omdat het leven zo kort is – wat trouwens ook prima redenen zijn om op te schieten – ik heb het over opschieten omdat de wereld er gewoon veel mooier op wordt als je niet zo treuzelt. Sommige mensen snappen dat al, bewust of onbewust, maar in het algemeen heeft opschieten nog steeds een heel dubieuze naam. Als je bijvoorbeeld een groepje waggelende zombies inhaalt op een smalle stoep, vragen ze verwijtend: “heb je háást of zo?” – alsof haast een soort ziekte is, of een schande.

Dan kun je denken: nou en, maar het zegt álles over de status van opschieten in 2021. Het wordt geassocieerd met streberigheid, met voordringen zelfs. Ambtenaren die een beetje opschieten en het werk in de helft van de tijd doen, worden door hun collega’s beschouwd als een gevaar: wat doet die gek, straks moeten wij ook gaan opschieten! Traagheid is de norm. Je ziet het ook bij lopende buffetten: iedereen staat ongeduldig te wachten, maar zodra mensen zelf eindelijk aan de beurt zijn, komt er een soort natuurlijke rust over ze, en schieten ze onmiddellijk terug in hun trage basishouding: gezellig keuvelend alle aardappelkroketjes inspecteren en dan uiteindelijk toch voor de patat gaan.

Vroeger was dat anders. De Piramides van Gizeh zijn in een paar decennia uit de grond gestampt, het Paleis op de Dam is in ongeveer vier dagen gebouwd. Lekker vlot, zo ging dat toen. Nu is dat ondenkbaar: als tegenwoordig de lichtknopjes worden vervangen, gaat het hele Paleis vier maanden dicht en moeten de trams op de Dam tot diep in het volgende jaar omrijden.

Soms lees je dat deze generatie een goede oorlog nodig heeft. In oorlogstijd merk je weer hoeveel je kunt en durft, is de gedachte, en blijkt dat je dingen die normaal jaren kosten, best in een paar weken kunt regelen. Maar corona heeft bewezen dat zelfs dát niet meer werkt voor Nederland. Het was een crisis zonder weerga, duizenden doden, alles dicht, maar zelfs de meest basale maatregelen zoals mondkapjes uitdelen of een quarantaineplicht invoeren, bleken niet mogelijk zonder máánden geklooi en getreuzel. Van het toeslagen-schandaal tot de kabinetsformatie of de evacuatie van Kabul, bij álles merk je dat “tut-tut, rustig aan” de algemeen geldende mentaliteit is – en dat bijna iedereen het accepteert!

Het heeft, naast cultuur, ook met competentie te maken. Niet iedereen kán opschieten. Je moet er een beetje slim voor zijn, scherp, uitgeslapen – als domme mensen gaan opschieten, gebeuren er ongelukken. Maar ik heb het niet tegen domme mensen, ik heb het tegen jou. Jij bent slim genoeg om alles wat je doet zeker 30% sneller af te hebben dan nu. Echt waar. En tuurlijk, dan gaat er wel eens iets mis. Ik heb zelf bijvoorbeeld na de vorige alinea even snel de afwasmachine ingeruimd en daarbij in mijn haast een vol glas koude thee in de prullenbak gekieperd. Maar ook dát heb ik snel weer opgelost en uiteindelijk ben ik alsnog sneller klaar dan iemand die niet opschiet.

Je zult trouwens al snel merken dat je er beter in wordt. Je kunt het ook bewust trainen, maar je moet het dus vooral niet gaan zien als een trucje, als een soort extra “skill” die je in nood kunt toepassen. Integendeel: het gaat erom dat opschieten je primaire instelling moeten zijn, bij alles wat je doet. Een onbewuste basishouding, net als op het verkeer letten en blijven ademen. Gewoon bij alles denken: hoe kan dit zo snel mogelijk? – en dat dan doen. Het grote probleem van trage mensen is dat ze opschieten zien als noodgreep, als iets wat je pas doet als je te laat bent begonnen. Maar het is precies andersom: wie rustig aan kan doen, heeft blijkbaar te veel tijd genomen en heeft dus een inschattingsfout gemaakt.

En ik bedoel dus niet dat je de hele dag moet lopen draven, ik heb het vooral over beter plannen: als je in een nieuwe stad woont, blijf je de eerste jaren bij elk fietstochtje checken wat de kortste route is, rekening houdend met snel asfalt (mijd de grachten!) en slome stoplichten. In de supermarkt perfectioneer je je route en gebruik je de zelfscan-kassa of de zelfscanner – de gewone kassa is uitsluitend voor bejaarden zonder pinpas en wanhopige columnisten die nog een lollig maar o zo veelzeggend gesprek moeten opvangen tussen een Syrische vluchteling en de Jordanese kassamevrouw voor hun stukje van morgen.

Als je op kamers gaat en je moet klussen: nooit nooit nooit naar de Praxis. Los van het feit dat het een kutwinkel is waar niemand iets weet en waar de schroeven – als ze toevallig op voorraad zijn – drie euro voor een doosje van acht zijn, kost het ALTIJD meer tijd dan je denkt. En bij klussen is tijd nu eenmaal de belangrijkste factor. Als je iets nodig hebt, bestel je het online en ga je intussen verder met een andere klus. Op die manier kun je soms acht klusjes tegelijk half af hebben, maar dat is beter dan urenlang tussen de rottende lijken in de rij bij de bouwmarkt staan en daardoor twee weken doen over het ophangen van een boekenplank.

Dat geldt trouwens ook buiten de Praxis: geld is alleen maar interessant omdat je er tijd mee kunt kopen. Een taxi nemen is dus niet decadent, het laat juist zien dat je het leven – en dus de tijd – serieus neemt. Een verstandig mens deelt zijn tijd zo in dat hij zo veel mogelijk geld verdient, en geeft zijn geld zo uit dat hij zo veel mogelijk tijd bespaart. Ik bedoel dus ook zeker niet dat je dagen van 14 uur moet gaan maken: het gaat er juist om dat je tijd overhoudt door op te schieten.

Opschieten is heerlijk, alsof je een nieuwe versnelling op je fiets ontdekt die andere mensen niet hebben. Maar het is ook nodig om de verzorgingsstaat te redden, want onze productiviteit zal flink omhoog moeten. Opschieten moet weer een deugd worden, en tijdverspilling een zonde. Te laat komen zou ook veel zwaarder moeten worden bestraft, want je steelt in feite andermans tijd. Iemand laten wachten is diefstal, of eigenlijk vandalisme, en op zijn minst een grove belediging. Ik heb liever dat je stipt op tijd bent en mij de tering wenst dan dat je een kwartier te laat komt aankakken met een glimlach en een complimentje over mijn kapsel.

En misschien denk je nu nog steeds: o oké, interessante insteek, ik hou het in mijn achterhoofd maar ik wacht even op een podcast van de Guardian of een longread op de Correspondent, en dan haak ik wel aan als het Volkskrant Magazine erover schrijft, met foto’s van Jonathan die een lollige stopwatch in zijn hand heeft of zo, maar dat gaat niet gebeuren want ik heb geen tijd voor die onzin en jij ook niet. Dus gewoon nu beginnen met opschieten. Of laat mij erlangs, dat mag ook.

Jonathan van het Reve

Als vijfjarig kind werd ik het hof gemaakt door de struise ver­weerde half-Bretoense tuinman van mijn grootouders. Maar eigenlijk heb ik hem verleid.

Ik was verliefd op zijn kromme knoes­tige handen en gefascineerd door zijn ef­ficiënte muzikale buxusscharen, en door de wrede logge spaden die regenwormen en pissebedden onthoofden, en door al die andere dofchromen werktuigen met frivole turkooizen handvaten waarvan ik de naam niet kende.

Ik streelde de stugge schort van de tuin­man en vroeg hem om me wegwijs te maken in zijn wereld.

De tuinman joeg me bars weg. Hij hield niet van kinderen.

Tuinieren was een hobby en een bijver­dienste, zijn echte job was politieagent of cipier. Misschien beide.

Ik hield niet van politieagenten en cipiers, maar ik aanbad tuinmannen omdat ze wroetten in de aarde en dus de geheimen van de insecten en de onderwereld kenden.

De tuinman van mijn grootouders kwam elke vrijdagmiddag in hun tuin werken. Mijn grootouders werkten toen nog en ik moest naar school, maar het was altijd naailes vrijdagmiddag en dus spijbelde ik.

Ik had geen sleutel van het huis, wat me goed uitkwam. Ik moest wel in de tuin zitten en de tuinman lastigvallen. Hij kon niet zeggen: ‘Ga naar binnen en maak een puzzel, vervelend wicht!’

De tuinman had altijd een zielige gelige gekraakte thermos bij zich en dunne roggeboterhammen met smeerkaas in alu­miniumfolie gewikkeld. En een berg wa­fels gemaakt door zijn imbeciele zus met wie hij samenwoonde. En volgens som­mige dorpelingen sliepen ze in hetzelfde bed. En dan?

Ik wist dat ik de tuinman niet kon ver­leiden met woorden, maar misschien zou het lukken met de schommel.

Als ik heel hoog schommelde kon hij mijn slipje zien, maar hij keek nooit naar mij het schommelende kind. Laat staan naar het slipje. Zijn rug was altijd trots en koppig naar de schommel gekeerd.

Niettemin droeg ik elke vrijdag mijn strak­ste schattigste slipje in de hoop dat de tuin­man er ooit een blik op zou werpen.

Na zes maanden gaf ik het op.

Ik moest brutaler zijn. Ik bedacht een plan: donderdagnacht sloop ik naar de kelder van mijn grootouders om een fles jenever en een bokaal abrikozen op siroop te verdonkeremanen, en dit rijke onweerstaan­bare feestmaal zou ik dan de volgende dag samen met de tuinman opsmikkelen.

Ik verstopte de fles en de abrikozen in de hobbybarak van Klaus de Duitse buur­man en ex-SS’er die enkel in de paas­vakantie naar zijn tweede verblijf in De Panne kwam.

Ik kon de slaap niet meer vatten, ik keek reikhalzend uit naar vrijdagmiddag.

Eerst was er de saaie voormiddag bij zuster Simone met de aardige ogen en de sympathieke snor: de bruiloft te Kana, de ongelovige Thomas, Jacob en de lad­der, de wolf en de zeven geitjes, een klei­ne halfhartige poging om de kinderen het alfabet aan te leren…

En toen ging de bel!

Ik snelde naar buiten en rende doorheen de duinen naar het grote witte huis van mijn grootouders in de Toeristenlaan.

Ik zag nog net mijn grootvader dronken wegrijden met zijn scheve Stetson naar het rechtsgebouw waar hij moordenaars en stropers en pyromanen en verkrachters zo mild mogelijke straffen zou geven.

Niet omdat hij zonde en verdorvenheid fantastisch vond en wilde aanmoedigen, maar wel omdat hij opsluiting hels, af­schuwelijk, onmenselijk, verwerpelijk, en barbaars vond. Ik ook!

Mijn grootmoeder vertrok altijd een halfuurtje vroeger met haar fiets (zij gaf Franse les in de gemeenteschool Imma­culata), omdat ze elke middag om 13u in een telefooncel op het Sloepenplein huilerig en hysterisch telefoneerde met haar minnaar, een fiere poëtische Portu­gese salamiverkoper die graag balletdan­ser en kazenmaker was geworden maar zijn familie had het hem verboden en hij was week en luisterde naar zijn driftige seksistische versmachtende bekrompen familieleden.

De tuin bevond zich aan de achterkant van het huis.

Eerst bekeek ik de tuinman als een geile stiekeme voyeur: ik gaapte ongegeneerd naar de afgezakte broek en naar de zwe­terige spleet die naar de anus leidde.

Ik wilde zo graag mijn vinger in die anus ste­ken en in slaap vallen in de zon in het gras.

De tuinman draaide zich om en betrapte me. Maar hij was niet geërgerd, eerder geamuseerd.

Hij riep me bij hem, gaf me een aai over mijn kruin en zei dat ik de kruiwagen vol onkruid mocht uitkieperen in die hoek daar.

Maar de kruiwagen was te zwaar en de tuinman kwam achter me staan en legde zijn handen op mijn handen en drukte zijn zalige harde middenstreek tegen mijn rugje, en ik dacht dat ik ging klaarkomen.

Gelukkig klonk er een sirene en de ma­gie was verbroken: we werden weer een verboden volwassene en een spijbelend kind.

Ik bood de jenever en de abrikozen aan, de tuinman was zwijgzaam dankbaar. Hij duwde eetbare bloemen in mijn mond en toen stond hij bruusk op en zei hij dat hij vroeger weg moest vandaag omdat hij bij een boerin in Vladslo een rolstoel en een traplift mocht gaan ophalen voor zijn zieke zus.

Ik huilde bittere teleurgestelde tranen en ik dronk van de jenever die me sla­perig maakte. En angstig en doodziek de volgende dag. Mijn grootvader vond het hilarisch dat ik jenever had gestolen en zo rap, zo ongeremd, zo mateloos had gedronken. Er klonk bewondering in zijn stem, hij wist natuurlijk niet dat de tuinman het grootste deel van de jenever naar binnen had gekapt.

De volgende vrijdag was het raak: zon­der schommel, zonder jenever, en zonder abrikozen ging ik op mijn doel af.

Ik zei tegen de tuinman: ‘Streel me in de struiken, ik heb het nodig. Ik wacht al zo lang.’

De tuinman leek ontroerd en hij gehoor­zaamde godzijdank.

Hij legde me teder op een zeil tussen twee coniferen. Hij trok voorzichtig mijn kleren uit en betastte mijn kleine lede­maten met zijn vuile warme vingers. Het was heerlijk! Hij bouwde het hemelter­gend traag op en ik hield het bijna niet uit, maar eindelijk bereikte hij dan toch mijn vagina.

Hij zei: ‘Precies een pasgeboren molletje.’

Hij stak twee vingers in mijn pasgeboren molletje. En later ook nog zijn tong en het gladde houten handvat van een on­kruidhark.

We beleefden twee jaren pret, nee extase.

Ik heb ook hem verwend, zijn penis in mijn mond. Lastig was het niet, integendeel.

Zelfs de penetratie was veel minder pijn­lijk dan verwacht. Het gebeurde in de win­ter, achter de hobbybarak van nazimonster Klaus. Ik bloedde op de sneeuw en de tuin­man noemde het fluisterend ‘een kerstmi­rakel’. Al was dat wellicht spotternij.

We werden nooit betrapt, nooit uitge­jouwd, nooit gestenigd.

Maar op een dag stierf zijn zus en de tuinman kon een betere job krijgen: re­chercheur in Nieuwpoort.

In mijn gedichten voer ik de tuinman regelmatig op als personage. Ik noem hem dan steevast ‘de pedofiele tuinman’, maar dat klopt niet. We waren een kop­pel, een ordinair blind dwaas vrolijk ver­liefd onschuldig koppel.

Het was mooi en het was niet pervers.

Of als er perversie in het spel was dan kwam die van mij.

Delphine Lecompte

Wat een raar jaar, hè?’ ‘Nou, inderdaad!’ is de dialoog die 2020 kenmerkt en hopelijk zo spoedig mogelijk verdwijnt. Enerzijds omdat het daadwerkelijk een raar – eigenlijk is dat een understatement – jaar is geweest, anderzijds omdat het een cliché waar je u tegen zegt begint te worden. Maar inderdaad, het was toch echt een raar jaar, niet alleen door het verschrikkelijke coronavirus, maar voor mij was het politiek… Hoe zal ik het zeggen… Ook wel een bumpy ride. Het was me het jaartje wel.

Bij het proosten op het nieuwe jaar zegt mijn man altijd: ‘Op een rustig jaar!’ Dat dit voor 2020 niet is gelukt en in 2019 voor mij óók al niet lukte; daar heeft iedereen van kunnen meegenieten. Ik heb hem dan ook verboden dat nog een keer te doen. Hoe moeilijk het is om een rechte rug te houden in de politiek blijkt wel uit mijn laatste twee jaren aan het Binnenhof. Keer op keer proberen “ze” de zonder last gekozen parlementariërs onder de duim te houden en als je maar een moment van eigengereidheid of kritiek toont, dan ben je de sjaak in de Haagse bubbel. Dan is het slikken of stikken in partijdiscipline. Met de staart tussen de benen afdruipen via de achterdeur of met rechte rug de volksvertegenwoordigende taak oppakken. Andere smaken zijn er niet. Ja, dan maar alleen. En onafhankelijk. Prima. Politiek is niet voor bange mensen.

Maar 2020 is voor ons allemaal een “uniek” jaar geworden. Iedereen heeft een ander verhaal, maar het was zelden een success story. En wij moesten in de politiek beslissingen nemen waar we nog nooit over hadden nagedacht. Niet wetende wat de consequenties zijn van de maatregelen die wij nemen. Als we dit doen, wat betekent dat voor kwetsbare mensen, de studenten of voor de rechtsstaat. Waar Rutte zei dat hij beslissingen moest nemen met maar 50% van de informatie, moesten wij het doen met net zoveel informatie als ieder ander. Want echt wijzer werden we niet van Rutte & co. En de pers wist sowieso alles eerder. Lekken is namelijk de middle name van dit kabinet. En als je serieus probeert te achterhalen waar het de hele tijd misgaat, krijg je een wazig antwoord en een zwart gelakt stapeltje papier. Het “varen op zicht” werd daarmee óók het understatement van het jaar. We varen nog altijd in de dikke mist.

Vechten tegen de bierkaai in tijden van crisis. Dat heeft ieder Kamerlid gevormd en ieder Kamerlid heeft dat weer anders ingevuld. Ik heb dat proberen in te vullen door de rechtsstaat op één te zetten. Bizarre coronaboetes, mislukte huwelijksfeesten en ongrondwettelijke spoedwetten, ik heb mijn best gedaan een onafhankelijk geluid te laten horen. Door Grapperhaus het vuur aan het de schenen te leggen toen hij zichzelf en de coronamaatregelen volstrekt belachelijk maakte. Door het kabinet voor het blok te zetten om, na het klappen voor onze zorghelden, met een motie te komen voor een zorgbonus. Kosten: 2,2 miljard.Voelde me een echte Robin Hood. Zorgde daarmee voor een gat in de najaarsbegroting van 800 miljoen. En voor een flinke kater bij het kabinet. Daar ben ik best trots op, die kater. Dat mag je best weten.

Mijn missie is het om een luis in de pels te zijn, om mijn eigen koers als verkozen politica te varen en vernieuwende ideeën de politiek in te krijgen. In de Kamer probeer ik het échte sociale geluid te verkondigen zonder mezelf schuldig te maken aan hokjesdenken of symboolpolitiek. Wars van het identiteitsdenken en doorgeslagen feminisme waar mannen geen rol in zouden hebben. Etniciteit registreren in het hoger onderwijs, gevechtsboten naar vrouwen noemen en wegkijken voor de problematiek die speelt in bepaalde minderheidsgroepen: stop it! Ik kan geen één linkse partij noemen die primair staat voor kansengelijkheid, een toegankelijk onderwijs en groene politiek zonder een ongezonde dosis wegkijken of identiteitspolitiek. De identiteitsstrijd op rechts is overigens ook niet te harden. Het is tijd dat we religieuze minderheden als volwaardige burgers zien en dus kritiek leveren waar nodig om ook in die lagen van de samenleving emancipatie te creëren. Het gaat om verheffen, om conservatieve stromingen tegen te gaan, zodat vrouwen en seksuele minderheden ook in minderheidsgroepen als gelijken worden gezien. Daar hoort een goede dosis kritiek bij en drukken waar het pijn doet, op zijn tijd. Deze culturele verheffing kan niet hand in hand gaan zonder sociaal-economische verheffing: de politiek moet ervoor zorgen dat het onderwijs voor iedereen beschikbaar is, het leenstelsel weer plaatsmaakt voor de basisbeurs, de huren omlaag gaan en het minimumloon omhoog.

Daar heb ik geen Henk en Henk bij nodig, en ook geen partij die niet op wil komen voor ‘mensenproblemen.’ Dat doe ik dan toch echt het liefste helemaal zelf, of met gelijkgestemden. Als een splinter in de politiek. Als een feniks die verrijst uit de as. Hoe het ook loopt, ik ben nog lang niet klaar met mijn politieke strijd.

Femke Merel van Kooten-Arissen

Maandag

Ik mag morgen naar Fidan en Renze. Aanleiding is het Nederlands Filmfestival. Ik ben niet zo geïnteresseerd in waar het over gaat, zolang ik Brimstone maar een paar keer kan noemen. Verder is mijn doel mijn reputatie als Joost Zwagerman 2.0 vast te houden, als ranzige filmprofessor. Edgy noem ik het zelf. Ongegeneerd uitspraken van anderen doen alsof je ze zelf ter plekke bedenkt. En natuurlijk zonder dat suffe einde dat Joost voor zichzelf had uitgedacht, een strop, zo banaal! Ik weet wel creatievere manieren om iemand naar de andere wereld te helpen, je leert het bij de masterclasses die ik samen met m’n vriendje Eddy Terstall geef, Storytelling en Maak je dromen waar. Die scène in Brimstone met die darmen? Voor zo’n huzarenstukje draai ik m’n hand niet om. 

Dinsdag 

Ik zat op tv tegenover een vrouw die iets met abortusboten doet, had ze een prijs mee gewonnen. Ik wist haar mooi voor schut te zetten met een scherpe vraag over of ze vond dat vrouwen het recht hadden om abortus te plegen, zo lang ze het kind nog in hun lijf hebben. Bij negen maanden! Ging ze niet op in, had ik haar mooi in een hoekje! Renze vond het ook een goede vraag, zei hij zelf. Dat mannen hun mond moeten houden is flauwekul. Ik ken m’n pappenheimers, in Brimstone heb ik het stukken smarter opgelost. De hoofdrolspeelster moet in de prostitutie en wordt continu verkracht en vernederd, en dan snijdt ze d’r tong af. Zogenaamd uit zelfbelang maar iedereen snapt dat dat de dialogen een stuk prettiger maakte. 

Woensdag

Ik heb er toch maar even een excuus-tweetje eruitgegooid, er waren net wat te veel Stella’s en tuthola’s op hun tenen getrapt vanwege m’n directe vragen. Ik verlies te veel discussies van haar. Die moet ik ook te vriend houden, wil ik met m’n kop op de tv blijven komen in deze rare tijden – de theatertour Klassiekers met Koolhoven, en ook De keuze van Koolhoven, Koolhovens Helden en De Kijk van Koolhoven staan even on hold. En wie vindt zo’n tweetje na een dag nog terug op mijn Twittertijdlijn? Ik kon de schuld gelukkig in de schoenen van Renze schuiven, met z’n EO-verleden. ‘Not my finest hour’ schreef ik. 

Donderdag

Ik heb vandaag lekker kunnen researchen voor m’n roman. Ik had het eerder over een film, was een foutje. Nu staat er op martinkoolhoven-spreker.nl onder Martin Boeken alleen een contactformulier en telefoonnummer, dat moet anders. Episch wordt het: Indonesië, 1945, 1946, een sexy thriller met femmes fatales en duivelse verraders. Een crime story. Officieel heet het The Emerald Butterfly, maar de werktitel is Koolhovens Koelies. Verder wil ik er nog niet te veel over kwijt. Zoals ik al eerder zei op de radio: ik ga me niet lopen haasten. Het Schnitzelparadijs kwam uit in 2005, ‘n Beetje Verliefd in 2006, Oorlogswinter in 2008 en Brimstone in 2016. Ik ben van de exponentiëlen, dus ik heb nog wel even. Als er maar veel bloed vloeit – en dan heb ik het niet over menstruatiebloed. 

Vrijdag

Ik vind het elk jaar weer heerlijk, dat NFF in Utrecht. Ik mocht over Brimstone praten, een drive-in bioscoop. Zelfs zonder rijbewijs een feestje. ‘My Work’ noem ik het op m’n site. Zes kalveren kreeg ik ervoor. Ik heb, als een van Nederlands meest succesvolle filmmakers, de eerste Amerikaans-Nederlandse western gemaakt. Inmiddels een klassieker, past in de traditie van de spaghettiwesterns. Toch hou ik de trailer nog even bovenaan m’n twitterpagina. 

Zaterdag

Ik werd wakker uit een nachtmerrie. Een pijnlijke herinnering, maar zoals ik altijd zeg, ‘Alles is regie’. Ik zakte een avondje door met een bevriende hoofdredacteur. Op het terras van de Pels zaten we lekker te praten, zoals ik dat het beste kan: in de monoloogvorm. Kwam er een vage Belg bijzitten, die m’n vriend ook bleek te kennen. Ik vroeg hem of ‘ie dat nou niet irritant vond, dat België, met al dat beleefde gedoe. In Nederland zeggen mensen tenminste meteen wat ze denken, zei ik. Nou, deze Belg dacht er anders over. Kwam met een heel verhaal over arrogantie en Hollanders. Ik luisterde niet naar ‘em, wie dacht ‘ie wel dat ‘ie was? Bleek het Dimitri Verhulst te zijn, die schrijver. Ik had ‘m niet herkend, stom. Toen ben ik binnen aan de bar even een potje gaan janken. Not my finest hour too

Zondag

Ik zie net dat Brimstone binnenkort weer op tv komt. De film blijft in home cinemas leven, dat kan je van de meeste vrouwen in de film niet zeggen. Daarom vind ik het zelf ook zo’n feministische film. Ik geloof dat al mijn films zonder inspanning voldoen aan de diversiteitsladder. Claudia Cardinale heeft me zelfs ooit een filmprijs gegeven. Daar kon ik het dan weer over hebben in De Kijk van Koolhoven. Ja, we gingen echt full circle. Is het alweer tijd voor de nieuwe selectie Zomergasten? Drie keer raden naar m’n keuzefilm.

Martin Koolhoven

De jaarlijkse Kinderboekenweek is al heel lang geen week meer, maar bijna twee weken, en begint in coronavrije tijden met een Kinderboekenbal zonder dansen. De laatste keer dat ik ernaartoe ging zag ik gelukkig kinderboeken liggen, want daarvoor, zo rond 2009, was ik ook een paar keer op dat feest aanwezig en zag ik ze nergens. De kinderen hadden wel een stevig papiertje gekregen waar we als schrijvers onze handtekening op konden zetten. Verder herinner ik me de enorme moeite die was gedaan om het bal prachtig aan te kleden, onder meer met een beeld van een naakt waarbij uit de bilspleet chocomel ontsproot. Extraverte tv-coryfeeën praatten in een theaterzaal de boel aan elkaar en zo liepen er nog meer bekenden over het podium, onder wie een actrice die de kinderen in de zaal een refrein liet meezingen met de woorden ‘Rot op, rot op’. Ik zie nog de Vlaamse auteur die in 2009 de Gouden Griffel kreeg daar in verbijstering rondlopen. De prijsuitreikingen werden toen overigens nogal snel afgehandeld, waarschijnlijk omdat er met korte spanningsbogen rekening moest worden gehouden.

Vlaanderen heeft in maart zijn eigen Jeugdboekenmaand. Tot een paar jaar geleden ging die gepaard met een eindfeest in een groot theater, voor zo’n tweeduizend kinderen en ouders. Zowel de kleintjes als de groten konden met een veelheid aan aanwezige schrijvers in gesprek, hen vragen stellen en opmerkingen afvuren over hun werk, en het geheel werd aan het eind van de middag in de grote concertzaal afgesloten met een feestelijk programma, waarbij de kinderen een refrein zongen over boeken en lezen, en niet over oprotten, een woord dat ze trouwens niet gebruiken, het zou in hun geval ‘Trap ’t af! Bol ’t af!’ zijn.

Nederland liep in de jaren zeventig en tachtig wat kinderliteratuur betreft voor op Vlaanderen, er heerste een ronduit stimulerende sfeer, journalisten volgden wat er gaande was en hadden aandacht voor originaliteit en een goede pen, ze bedachten zelfs de Woutertje Pieterseprijs voor bijzondere kinderboeken, en er kwam  een staatsprijs, de Theo Thijssenprijs, altijd goed voor de pensioenopbouw van zzp’ers, maar ook voor het besef dat dat genre niet onderschat hoeft te worden (wat meestal ook betekent dat kinderen worden onderschat, iets waar Guus Kuijer al lang geleden een boek over schreef, Het geminachte kind). Vlaanderen, lang in katholieke sferen gedompeld, begon vooral in de jaren negentig op te bloeien, ook wat de kinderliteratuur betrof. Begin deze eeuw timmerden ook veel originele illustratoren aan de weg.

De opkomst van het neoliberalisme en het marktgeloof, waarbij kwantiteit als kwaliteit werd gezien, beïnvloedde de cultuur in negatieve zin, in Nederland ook eerder dan in Vlaanderen, met als dieptepunt meneer Halbe Zijlstra, die als staatssecretaris van onder meer cultuur, overmatig bezuinigde op die ‘linkse hobby’. Er kwam een grotere hypegevoeligheid, de middelmaat regeerde en media besteedden minder aandacht aan kinderboeken, en trouwens ook aan andere uitingen zoals poëzie.

Ik heb altijd zowel voor volwassenen als voor kinderen gewerkt en een normale baan heb ik nooit gehad. Nadat ik in 1978 Cameretten won, heb ik een aantal jaren met een of twee vrouwelijke musici in het cabaretcircuit getoerd. Ik herinner me een recensie uit die tijd waarin werd opgemerkt dat er vrouwen op het podium stonden, maar dat het toch ook leuk was voor mannen. Dat soort denken is trouwens nog niet voorbij. Toen ik de AKO Literatuurprijs kreeg voor mijn roman Feest van het begin – een prijs die trouwens almaar, niet echt handig, een andere naam krijgt – maakte een bekende oudere auteur een filmpje waarin hij verkondigde dat ik ‘aardige’ kinderboeken schreef en dat maar moest blijven doen. Een jongere, veelgelezen auteur schreef dat ik die prijs van hem had afgepakt om andere redenen dan de kwaliteit van mijn roman. Daarom vond iemand van de jury het bij uitzondering nodig mij een keer te vertellen dat het wel alleen maar om de kwaliteit van mijn roman was gegaan. Tja. Ook in mijn relationele leven waren er mannen die er niet goed tegen konden dat ik erkenning kreeg. Soms was een reactie bijna komisch, zoals toen ik een mooie poëzieprijs ontving en ik dat op het station, op weg naar huis, doorbelde. De eerste reactie was niet iets als ‘Nou, joh, leuk’ of zo, maar ‘Waren die anderen zó slecht?’

Ach, dat ik mijn hele leven heb kunnen schrijven en tekenen, wat ik als kind al wilde, maakt me tot een gelukzak. En dat ik bij lezingen en optredens nu eens kinderen voor me zie, dan weer volwassenen van allerlei leeftijden, en dat ik ervan heb kunnen leven en het nog steeds kan, is ook mooi. Alleen in het begin had ik allerlei losse baantjes nodig, zoals het demonstreren van email (emaj, niet iemeel) op een vrijetijdsbeurs of het leiden van een kinderatelier in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, in een lokaal zonder kraan. Toen we het op levendige wijze over kleuren mengen hadden gehad en de kinderen hun handen die vol verf zaten in de toiletten van het museum moesten schoonwassen, gingen ze op de spiegels door met hun experimenten. Een beetje museum had gezien dat dit artistieke uitingen waren, maar ik werd onmiddellijk ontslagen.

Collega Dolf Verroen, eenennegentig inmiddels, staat dit jaar in het rijtje kandidaten voor de Gouden Griffel. Als ik dat zie, denk ik nog zeeën van tijd te hebben om door te gaan met het schrijven van romans, poëzie en kinderboeken, met tekenen en optreden. Per slot had ik de paar kwaaltjes die ik nu heb ook al op mijn dertigste en ben ik absoluut niet aan een nieuwe heup toe. 

Joke van Leeuwen

Lieve Carry. Ik ben veertien jaar oud. Ongeveer een half jaar geleden heb ik voor het eerst seks gehad met mijn vriend van eenentwintig. Hij zei tegen me dat ik niet zwanger kon worden omdat ik pas een jaar ongesteld werd, maar vorige week kwam ik erachter dat ik toch zwanger ben. Volgens mij is het al te laat voor een abortus. Toen ik het aan mijn vriend vertelde noemde hij me een vieze hoer en nu reageert hij niet meer op m’n appjes. Wat moet ik doen?

Lisa (14) uit Rotterdam

Hallo baby!

——

Geachte Carry Slee. Omdat je met alle respect in dit totaal verziekte en verpeste kankerland helemaal niks meer mag ben ik onlangs in een conflict verwikkeld geraakt met de Nederlandse (r)overheid. Het begon met een belastingakkefietje en wat gedoe met vergunningen voor mijn handeltje, maar ondertussen is de boel behoorlijk uit de klauwen gelopen en heeft dit gebeuren mij wat de (r)overheid het ‘criminele circuit’ noemt ingeduwd. Momenteel houd ik mij op een niet nader te noemen locatie verborgen voor de hoeren van justitie, maar ik voel de zoeklampen in m’n achterhoofd branden en zie in dit kankerland eigenlijk geen uitweg meer. Wat moet ik doen, Carry; waar moet ik heen?

Bas

See you in Timboektoe

——

Beste Carry. Onlangs is mijn zuster Christina vredig in haar slaap overleden. Aangezien ze altijd alleen is gebleven heb ik me ontfermd over het opruimen van haar appartement. Tijdens die schoonmaak kwam ik onder andere veel brieven tegen. Om maar met de deur in huis te vallen: uit een deel van die brieven bleek dat u in de jaren 70 en 80 een vrij heftige liefdesaffaire heeft gehad met Christina. Ik weet niet of uw familie deze geschiedenis kent, en hoe u er zich tegenwoordig tot verhoudt, maar wilde u graag op de hoogte stellen van zowel het overlijden van mijn zuster als de door mij gevonden brieven.

Louise de Koninck

Vervalst

——

Geachte mevrouw Slee. Ik benader u met een groot probleem dat mij al weken niet loslaat. Mijn man en ik zijn 35 jaar getrouwd, hebben drie prachtige kinderen (die overigens alle drie enorm van uw boeken hebben genoten) en zijn nog altijd gelukkig met elkaar. Althans, ik in ieder geval met hem, maar de laatste tijd vraag ik me steeds vaker af of dat ook nog wel andersom geldt. Hij maakt op mij een afwezige indruk, is altijd met zijn werk bezig, en blijft de laatste tijd bijna iedere avond op kantoor hangen. Soms zelfs in het weekend! ‘Bestel jij maar lekker een pokébowl voor jezelf lieverd, het gaat hier weer laat worden. X’ appt hij me dan. Ook thuis is hij altijd met die telefoon in de weer. Als ik hem erop aanspreek, dan zegt hij dat het nu eenmaal een drukke periode is voor de firm, en dat die hypotheek zichzelf ook niet af gaat lossen. Daar heeft hij dan weer een punt, maar toch maak ik me zorgen. Lieve Carry, wat denk jij van deze situatie?

Gewoon een vrouw uit Naarden

Verdacht

——

Car!!!! Ik zexg het9 maar gweqoon meeteen: hetgaawt nietr goedf. Heeheellheel slechtt gaatt t!!! Ik hewb een probreem. Met dee dranwk, je kefnt het wel. Ikk ben nuwel al in MENtrum maawr darr vestop ikc gewoooion alleas ondder mn matrrxaaas! Jaaaaa! Zooo doefrt ouwwe sjon dat. Maaar echet lekkere voel ikk me nirertt…….Hieoe maake ijk toech nog eenheledere indwurk oppp=p hetv personweel? Ikkhoduud bewoon te veel9 vqan de fless Car1!!

Sjoon

Afblijven!

——

Hello Carry. I am woman from Romania, 26 years old. I come to Holland nine years ago for work, as cleaning lady, they say. Now I am still prostitute. I do not like work. Too many customers, I sleep in dirty bed. But my pimp is worst. He will not give me money. And say I can not stop working. He always beat me. Now my eye is blue and customers not like that. And no customers he beats me more. I think that he even break my arm last night, not possible moving it. I do not know what I can do. I need help. Please.

Desperate Daniela

Pijnstillers

——

Geachte mevrouw Slee. Onlangs ontving ik een zeer droevig bericht van mijn gemeente. Achter de tuin van het huis waar mijn familie al generaties woont staat een prachtige beuk van bijna tachtig jaar oud. De beuk draagt voor mij een diepe, emotionele lading. Eén week voordat mijn grootvader door de nazi’s van zijn bed werd gelicht en afgevoerd naar Bergen-Belsen, plantte hij samen met mijn grootmoeder het zaadje voor deze boom. Het was alsof hij wist wat er te gebeuren stond en iets na wilde laten. Nog iedere dag denk ik aan hem als ik naar de boom kijk, maar nu laat de gemeente mij schriftelijk weten dat de boom plaats moet maken voor nieuwe parkeerplekken, vanwege het toenemende aantal auto’s in de wijk. Ik vrees voor het lot van onze mooie beuk.

Hanneke

Kappen!

Maandag
Het is weer de drukste week van het jaar. Al dat bidden, al dat geklaag, en niemand die zich nog zorgen maakt om de financiële gezondheid van de Moederkerk. Het paleis staat vol met palmentakken terwijl die krengen uit Kenia moeten worden geïmporteerd. Ze vragen er ieder jaar meer voor, ik stikte bijna in mijn Toscaanse truffels met chocoladegarnering toen ik de rekening zag. 39 cent per stuk! Inclusief btw, dat dan weer wel, dat verrekenen we aan het eind van het jaar weer. Ieder jaar is een jubeljaar bij de fiscus voor ons! Als ik nou tegen die vrouwen in de kwekerij zeg dat ik een week lang driemaal daags voor hen een weesgegroetje doe, zou ik dan korting krijgen?

Dinsdag
Ik ben op bezoek bij de dames van het Onze-Lieve-Vrouwen-Van-Het-Einde- Van-De-Wereld-En-De-Hel-Voor-Hen-Die-Zich-Niet-Onderwerpen-Aan-Het-Gezag-Van-Wim-Eijk-klooster in Nuenen. De nonnen zijn vereerd met mijn komst, moeder-overste Christina stelt haar cel open voor mij. Niet dat ik samen met haar het linnengoed deel, nee; ik onthoud mijzelf van al het lichamelijke genot! In het nachtkastje lag een Satisfyer Pro Penguin Lucht-
druk Vibrator, maar die zal Christina wel in beslag hebben genomen van
een meisje op de kostschool. Ik zette het apparaat aan, het trilde over mijn
lichaam, richting mijn onderbroek, en stelde me voor helse verleidingen. Heilige Theresia, wat een extase!

Woensdag
De mannen van Goldman helpen mij met het beheren van de heilige huisjes. De grondprijzen in Amsterdam gaan door het dak, dus dit is het moment om onze housing stock om te zetten in goud. Het overleg ging goed, alleen Thomas was steeds argwanend. ‘Hoeveel provisie strijken jullie zelf op, hé?’ De driedelige pakken aan de overkant van de tafel begonnen zenuwachtig aan hun neuzen te kriebelen. ‘Mijn thesaurier is niet goed op de hoogte van christelijke gastvrijheid, vergeef me.’ Hiermee redde ik deze miljoenentransactie. ‘Zonder die Joden gaat het niet!’ schreeuwde ik tegen Thomas toen ik de woekeraars uit het paleis had geleid. ‘We mogen blij zijn dat er in de VS nog wat over waren, deze lui kunnen alles in geld veranderen; ze zijn er voor geboren!’

Donderdag
Mijn jaarlijkse bezoek aan Bart viel me zwaar. Jarenlang had ik rondgevraagd bij de Dominicanen of daar een pitbull was die Zijn Woord wilde verdedigen en het werk voor Hem wilde doen, maar na de inquisitie zijn de honden van de Heer lui geworden. En toen kwam hij tot mij, het eenzame schaap dat dankzij mijn geestelijke begeleiding een stuk gereedschap in Gods handen is geworden. In zijn cel knielde ik nederig voor hem en waste zijn voeten. ‘Eminentie, Els Borst is dood, maar heb ik wel het juiste gedaan?’ Ik verwijderde met de washand de schimmel tussen zijn kleine en tweede teen. ‘Je hebt haar die op Zijn troon ging zitten Zijn woede laten voelen. Ja, de Heer is trots op je. Dankzij jou is het volbracht.’

Vrijdag
Die mis duurde ellenlang, het was echt een lijdensweg. Geen gebed en preken meer in het Latijn, geen eerbied voor mijn ambt, alles waar deze Kerk eeuwenlang voor stond is in de jaren 60 uit het raam gevlogen. Die verschrikkelijke hippies ook, met die antichrist uit Buenos Aires aan het roer. Gelukkig kon ik de mis laten opdragen door de plebaan, want het gepeupel dat ik volgens de nieuwe regels aan moet kijken is mijn blik onwaardig. Domine, non sunt digni! Ik dommelde wat, maar schrok wakker toen ik het geluid van munten in de collectemandjes hoorde. Wie zijn de gierigaards die denken dat ze hun zielenheil kunnen kopen met koper?Aflaten voor biljetten, papers for papers, zo doen wij al eeuwen zaken en gelukkig kan niemand dit fundament van de Kerk bedreigen.


Zaterdag
Oecumene? Die ketters zijn een kanker dat moet worden uitgeroeid! Eindelijk dacht ik te kunnen genieten van mijn zaterdagse rust, werd ik weer lastig gevallen met theologische hocus pocus. Ik kreeg post van de scriba van die protestantse inteeltbende; of we niet volgend jaar een gezamenlijk paasviering konden houden, om zo de kerken wat voller te krijgen. Laat ze maar aankloppen bij de As-Soennah-moskee, liever Turks dan paaps was hun motto, toch? Daarnaast ben ik de martelaren van Gorcum nog niet vergeten! Oog om oog, tand om tand, zo sprak de Heer en zo zal het zijn.

Zondag
Opgestaan bij het kraaien van de haan, het is de belangrijkste dag van het jaar, hier leeft het hele bisdom naartoe. Snel een preek geschreven voor de paasmis, maar ik kon mijn aandacht er niet goed bijhouden. Ik droeg mijn rood-witte shirt onder mijn soutane en het leek me beter om vandaag mijn pileolus niet op te zetten, het hoofddeksel ziet er namelijk behoorlijks semitisch uit. Bij het voorbereiden van de dienst zat ik toch al iets te veel in de stemming van de Galgenwaard. ‘En de hogepriesters hebben Hem veroordeeld tot het kruis, daarom: Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ galmde door de Sint-Catharinakathedraal. Veel geroezemoes in het schip, maar gelukkig weten katholieken teksten altijd in context te begrijpen, dus problemen hoef ik niet te verwachten. De Bunnikside bleef vandaag leeg, maar gelukkig ging de E-Eredivisie wel door. De Joden namen de digitale punten mee naar 020, gestolen uiteraard, dat is het enige dat dat kruiperige volk doet.

Wim Eijk

Mag je iemands schrijftalent in twijfel trekken die niet weet wie Philippe Geubels is?

Bregje Hofstede is een door de literaire kritiek bejubelde schrijfster, genomineerd voor alle mogelijke prijzen, maar van Philippe Geubels had ze nog nooit gehoord, zag ik kijkend naar De Slimste Mens.

Ik vroeg me af of andere grote schrijvers ook zo gespeend waren van kennis over populaire cultuur. Hemingway en Fitzgerald gingen om met de sportjournalist Ring Lardner. In de grote roman Tender is the Night is het personage Abe North zelfs deels gebaseerd op Lardner. De songschrijver Cole Porter behoorde tot hun Zuid-Franse vriendengroep, evenals de acteurs Mistinguett en Rudolph Valentino. De komische Dorothy Parker en Robert Benchley kwamen ook weleens langs met hun deadpan Philippe Geubels-grappen. Ik durf te beweren dat de beste Amerikaanse schrijvers uit de jaren twintig en dertig, voeg John Dos Passos er maar aan toe, absoluut op de hoogte zouden zijn geweest van het bestaan van een toenmalige Philippe Geubels.

Jammer voor Bregje Hofstede, maar als schrijver zou ze in die kringen niet hebben meegeteld.

Tenzij popculture iets typisch Amerikaans is. Iets waarop de literati in Europa zouden neerkijken.   

Dan zou Bregje Hofstede in een traditie passen van mensen die hun neus ophalen voor televisie en voor mensen als Philipe Geubels die aan dat vulgaire medium hun faam danken.

Hoe zit dat in het anti-Amerikaanse filosofenland dat Frankrijk heet?

Welnu, het laatste boek van Frédéric Begbeider heet La frivolité est une affaire sérieuse.

De site van France Inter, radio, stelde hem de vraag wat voor hem popcultuur betekende.

“Het is alle cultuur die je niet hoort op France Culture. Ik wil ermee zeggen dat cultuur niet per se is voorbehouden aan de elite.”

Hij noemt Randy Newman en Rihanna als voorbeelden en blijkt een fan te zijn van de detectiveschrijver Frédéric Dard, die honderdvijfenzeventig policiers schreef met als hoofdpersoon commissaris San-Antonio.

Het begint er slecht uit te zien voor Bregje Hofstede, die blijkens de Slimste Mens dacht dat Bloemendaal in Gelderland lag. 

Zou Begbeider een uitzondering zijn? Iemand die alleen maar wil shockeren en daarom van alles verzint wat de filosofen verachten?

Hoe zit het met Michel Houellebecq?

Dit is een citaat uit zijn nieuwe roman Sérotonine:

“Ik verafschuwde Parijs, deze weerzinwekkende stad vergiftigd door haar burgerlijke eco-moralisme (…) ik reed in een 4-wheel drive op diesel –misschien heb ik in mijn leven niet veel gepresteerd, maar ik zal op zijn minst hebben bijgedragen aan de vernietiging van de planeet.”

Dit zal je op France Culture echt niet met instemming geciteerd horen worden. De Franse hogere cultuur gaat moeite genoeg hebben met deze roman, eerste oplage 350.000 stuks, waarin Houellebecq, ver voordat de Gele Hesjes Parijs probeerden te verwoesten, haarfijn de onvrede op het Franse platteland aanvoelde waarvan de politieke elite geen idee had.

“Wat vind je van Barbie?” vroeg Philip Freriks naar de bekende weg bij de zelfverklaarde feministe Hofstede.   

Van Barbie moest Bregje helemaal niets hebben, terwijl ze zelf de rol tussen de vier mannen om haar heen met verve vervulde. Niet alleen zag ze er prachtig uit –die nek, die ogen, het lichaam- maar bovendien wist ze niks.

“Wat weet je van Simone Kleinsma?” luidde de vraag.

Het bleef doodstil in huize Barbie waar de televisie nooit aanstaat.

Helaas moet ik de eerder gestelde vraag met “ja” beantwoorden. Schrijvers die serieus genomen willen worden, zouden beter op de hoogte moeten zijn van het triviale.

Henk Spaan

Elke student moet zich profileren als originele denker, liever vandaag dan morgen en liever gisteren dan vandaag. En aangezien iedereen straks hetzelfde cv heeft met bijpassende meningen, staat alleen de optie open om tegen de stroom in te zwemmen. Dat wil zeggen, exclusief voor studenten die in Amsterdam studeren. Want Amsterdam, dat is de stad van Van Heutsz. Noem zijn naam in gezelschap van intellectuelen en het debat ontspoort. Dit is het profileringsmomentje bij uitstek. Als Amsterdamse student kunt u niets ergers doen, dan zich te profileren als goede koloniaal.

Eerst even wat context. In deze stad is de politiek-correcte opvatting over het koloniale verleden als volgt: alles eraan is fout, iedereen was een misdadiger (beter gezegd: oorlogsmisdadiger) en er moeten excuses en terugbetalingen komen. Zeker door degenen die blank, ik bedoel wit, zijn. Die zijn extra schuldig. Vanzelf. Buiten de hoofdstad, vooral in de noordelijke buitengewesten, denken ze in de regel genuanceerder, maar een Amsterdamse student komt daar uiteraard niet en dus blijft het Amsterdamse morele kompas hem/haar/ anders de weg naar de waarheid wijzen.

Ik weet dit omdat ik de biografe van Van Heutsz ben, en ik reis door stad en land om over hem en het koloniale verleden te spreken. Dat het aanslaat, merk ik aan de groeiende hoeveelheid haatmails. De afzenders daarvan zullen mijn aandachtigste lezers zijn wanneer de biografie verschijnt. In 2020, dank voor de belangstelling.

Wat te zeggen?

Wat te zeggen Er is bijzonder vaak een moment waarin een debat kan ontstaan. Een herdenking hier of daar, een opmerking over Zwarte Piet is een gemakkelijk bruggetje (denk: racisme nu, racisme toen) en anders staat er wel een bruikbare aanleiding in de krant. Uw taak is de discussie te laten ontsporen, om de eigen zichtbaarheid te vergroten. U bent een Russische tank, de ander is een Italiaanse brug.

Zo’n debat begint redelijk. Even laten ontwikkelen, dat de ander denkt wat een fijn gesprek is dit. Dan: aanvang ontsporing.

Eerste tip. U zegt vol overtuiging: “Maar we hebben in Indië tenminste wèl spoorwegen aangelegd.” Een goede koloniaal begint altijd over spoorwegen. Niets zeggen over het snellere transport van legertroepen, hoor. Benadruk het voordeel dat de bevolking ervan had, economisch en dergelijke. Noem familiebezoek voor een emo-momentje. Wijs ook op de architectonische schoonheid van de koloniale spoorwegstations, daar verschijnen boeken over: “Dat zegt toch wel iets?” Dooddoeners hebben hun nut.

Tweede tip. De ja-maar-methode. Die is geschikt wanneer het debat over de dekolonisatie-oorlogen gaat. Dat heb je tegenwoordig snel, want het historisch geheugen van de gemiddelde Nederlander is klein, daar past niet zoveel kennis in. Iedere zin die u zegt begint met: Ja, maar. Ja, maar de Bersiap, ja, maar de doden aan Nederlandse zijde, ja, maar de Buitenkampers, ja, maar weet je wel dat het aantal doden nog veel hoger is dan tot dusver wordt aangenomen? Nooit het samen eens worden dat oorlog per definitie een lelijk ding is.

De derde tip komt zo dadelijk.

Heutszerdam

Even een tussenstukje met leuke weetjes. Amsterdam is Heutszerdam. Nadat Van Heutsz uit Indië terugkeerde, besloot hij om nou eens niet in Den Haag te gaan wonen zoals de meeste GG’s deden, maar in Amsterdam. Jarenlang woonde hij er heerlijk en ontving hij er zijn vrienden en zakenrelaties. Hij hielp mee het Tropeninstituut op te richten. Hij kreeg er in 1924 een glorieuze staatsbegrafenis, dus op kosten van Nederland, en tout Amsterdam liep uit, wat dacht u. Op de NieuweOoster is, voor wie wil, zijn graf te bezoeken, het is een enorm mausoleum, kunt u niet missen. Na wat andere monumenten voor de man werd in 1935 helemaal speciaal voor Van Heutsz het toen grootste monument van Nederland onthuld, aan het Olympiaplein. Tegenwoordig is de buurt er zenuwachtig over, al heeft het monument een andere naam gekregen. Ja, je kunt nooit weten, een handgranaat heb je zo. Een paar jaar geleden was er opeens een manifestatie, dat is onrustig.

Onderzoek

Nu komt de derde tip. Daarmee maakt u geen vrienden, dat zeg ik er volledigheidshalve bij. Uw gesprekspartner zal inmiddels heel warm gedraaid zijn en beginnen over uitbuiting en slavernij, en misbruik en misdaad. Hier heeft u het nieuwste taboe en dat is, dat er geen enkel positief woordje meer gezegd mag worden over de koloniale tijd. U heeft de spoorwegen al genoemd. Kan niet nog een keer. Dus wat doet u? Op rustige toon zegt u te verlangen naar een groot onderzoek dat de gehele koloniale periode moet omvatten, daarna leunt u voorover en u zegt met nadruk: “Dus óók de positieve aspecten.”

Kaboem!

Vilan van de Loo

Onder de titel Mijn strijd verscheen onlangs de nieuwe vertaling van Mein Kampf (genomineerd voor de Nazi-Literatuurprijs 1926) in het Nederlands. Lange tijd was dit spraakmakende debuut van Adolf Hitler in ons land verboden, maar sinds 2016 zijn de rechten vrijgegeven. Uitgever Mai Spijkers over het belang van zijn nieuwe aanwinst en over hoe hij de concurrentie aftroefde in het confisqueren daarvan.

Mai Spijkers (Goirle, 10 april 1955) werd geboren als Mai Snickelgroeier, maar hij liet zijn achternaam – om begrijpelijke redenen – reeds op jonge leeftijd veranderen. In 1989 startte hij in een krap bemeten kelder in Amsterdam zijn eigen uitgeverij en sindsdien verovert hij in talrijke landen de boekenmarkt.

We worden hartelijk ontvangen in zijn ‘Promethuis’, zoals Spijkers’ vorstelijke vakantienestje op een bergtop in het zuiden van Duitsland heet. Het is een plek waar hij naar eigen zeggen “lebensraum vindt” en waar geregeld goede vrienden en vakbroeders over de vloer komen. De succesvolle uitgever laat zich tijdens ons bezoek vergezellen door een vrouwelijke publiciteitsmedewerker en aan zijn voeten ligt een vrolijk kwispelende herdershond, die voortdurend nederig aan zijn schoenen likt.

Wanneer vernam U voor het eerst dat de rechten werden vrijgegeven?

‘Ik was in Engeland en luisterde naar een bericht op de Nederlandse radio. Op zo’n moment leert de geschiedenis dat je onmiddellijk in actie moet komen. Dat je de concurrentie als het ware met een Blitzkrieg moet overrompelen. Ik vloog nog diezelfde dag naar Duitsland, waar we op een mooie vergaderlocatie aan een meer in slechts twee uur onderhandelen met alle betrokkenen tot een finale oplossing kwamen.’

Mai Spijkers neemt ons mee naar het balkon van zijn villa. Onder het genot van een apfelstrudel met slagroom smullen we van het uitzicht. ‘Mano, afgelopen nu!’ beveelt hij de hond die zich direct weer likkend op zijn schoenen stort als we gaan zitten. ‘Geen snugger beest,’ fluistert Spijkers ons toe, ‘maar we hebben hem jaren geleden bij zijn familie weggeplukt, toen we er een nodig hadden, en nu zitten we ermee.’

Terug naar uw boek. Het omslag is sober en bruin als een oud hemd. Vindt u dit geen gemiste kans?

‘Kijk, ik had natuurlijk dolgraag een portret van de auteur op de achterflap gezet, maar dat bleek helaas verboden. Ook een swastika, commercieel gezien toch een symbool met een bewezen aantrekkingskracht, is nog altijd onwettig. Ik denk dat we in ons kikkerlandje nog niet klaar zijn voor het Gesundes Volksempfinden.’

Er zit natuurlijk wel een reden achter, waarom dat verboden is.

‘Dat zal best an sich, maar als men de rechten op het boek vrijgeeft, dan zeg ik: maak het dan meteen in zijn geheel salonfähig. Op deze manier loop je een uitgever namelijk behoorlijk voor de voeten. Stel je toch eens voor dat ik Vijftig Tinten1 zou uitgeven maar de anaalballetjes niet mochten worden verkocht. Een onwerkbare situatie voor onze merchandise-afdeling.’ Zijn publiciteitsdame schiet hem bij:  ‘Briljante ideeën als een Hitlermok of een SSleutelhangertje konden inderdaad na de eerste brainstorm gelijk in de prullenbak.’

Spijkers lijkt zich plots iets te binnen te schieten: ‘O, kun jij trouwens nog even achter die auto aangaan?’ Al bellende verlaat zijn medewerker het balkon.

‘Je ziet, het werk gaat zelfs in het Promethuis gewoon door,’ zegt Spijkers. Om daarna ambitieus te vervolgen: ‘Toen ik las dat die Buwalda voor zijn boekpromotie met een reclameauto het land intrekt, dacht ik: misschien kunnen wij de komende maanden met een Mercedes 770K Grosser Offener Tourenwagen2 door Nederland gaan. Beter goed gejat dan slecht bedacht, denk ik dan.’

Daar heeft u gelijk in, en dat brengt ons gelijk weer bij uw vertaling. Mijn strijd ligt nu enkele weken opgestapeld tussen de bestsellers in de boekwinkels. Wat vindt u van de kritiek dat het een slecht idee is om de uitgave zo makkelijk beschikbaar te stellen?

‘Ik vind het als uitgever en boekenliefhebber belangrijk dat in een tijd waarin het rechtsextremisme overal in Europa opbloeit, er een handboek voor de doelgroep in de winkels ligt. De bekende kwestie van vraag en aanbod. Voor mezelf is het daarnaast een grote aha-erlebnis, want zo ging het destijds ook bij Vijftig Tinten3. Er was een enorme behoefte aan een boek dat ons uit de seksuele dip haalde, en zoiets is natuurlijk ook op het sluimerende fascisme van toepassing. En om dat laatste in het perspectief van onze tijd te zien, hebben we wat verklarende inleidingen aan het boek toegevoegd4.’

Maar volgens critici bladeren nieuwsgierige en onervaren lezers deze inleidingen snel door. Men wil meteen naar de sensatie, naar de woorden van Hitler, zoals men ook bij het kijken naar een seksfilm het kennismakingsgesprek met de loodgieter overslaat. Het ontbreken van voetnoten als zorgvuldige duiding zien velen als een historische vergissing.

‘Daar gaan we weer. Zoals ik in een televisie-interview al stelde5 kunnen lezers die het boek serieus willen begrijpen de Duitse vertaling6 met al die minuscule rotlettertjes raadplegen. Voor de liefhebber staan er 3700 in. Je moet er maar zin in hebben, denk ik dan. Voor mij leiden voetnoten alleen maar af van de gedachte van het centrale verhaal. Ik streef naar bladzuiverheid.’

Heeft u nog andere namen overwogen dan Mijn strijd?

(lachend) ‘Mein Bankrekening kon binnen de uitgeverij op aardig wat stemmen rekenen. Die zouden we dan op het omslag communiceren zodat de lezer meteen wist waar de opbrengst naartoe zou gaan.’

Het boek kost vijftig euro7– vanwaar die hoge prijs?

‘Ja, we waren eerst van plan om het bedrag tussen de veertig – vijfenveertig euro te houden, dat vond de publiciteitsafdeling ook wel geestig, maar die extra euro’s bleek ik toch nodig te hebben om mijn nieuwste project vorm te gaan geven…’

En dat is?

‘Ik kan en wil daar helaas nog niet al te veel over zeggen, maar ik heb altijd al een droom gehad om een groot vakantieparadijs aan de Noordzee te bouwen.’

Heeft U tot slot zelf eigenlijk iets met Hitler of die periode uit onze geschiedenis?

Misschien alleen dat ik op 10 april8 ben geboren. We hebben nog gekeken of we daar iets mee konden in de promotie, maar het was natuurlijk pas echt kassa geweest als ik tien dagen later9 ter wereld was gekomen… (lachend)… Dan hadden we het Mai Kampf genoemd!

Eva de Bruin en Gaston Kamerling


Grijs

2 De auto van Hitler, ook wel bekend als de Führerbumper

3 Grijs

4 Historicus Willem Melching heeft de hoofdstukken van inleidingen voorzien

5 Bij Nieuwsuur, Uitzending 4-9-2018

6 Wetenschappelijke vertaling verschenen in 2016

7 Het boek kost 49,99 om precies te zijn

8 De dag dat de Oostenrijkers met een overgrote meerderheid goedkeuring gaven aan de Anschluss.

9 Op 20 april werd auteur Adolf Hitler geboren, verantwoordelijk voor de moord op 6 miljoen joden. De vertaling van Spijkers staat momenteel op plek 3 in de Bestsellerlijst.

Archief