Over wijlen mijn schoonvader Dick, die vrijwel zijn hele leven in de Hanzestad Kampen doorbracht, en die ik daar regelmatig bezocht, is veel te vertellen. Dat ga ik hier niet doen, maar ik onthul hier een van zijn verzotheden: hij was niet vies van een moppie leverworst. Hij had daar een favoriete slager voor, nee, niet de Slagerij van Kampen, want dat is natuurlijk de slagwerkerspopgroep, maar een lokale vleeshouwer. Hij had er ook een speciale benaming voor: kulle. Ik had er nog nooit van gehoord, het zou wel plaatselijk dialect zijn, maar begreep uit de context van zijn bestellingen dat het om aantrekkelijk gekruide leverworst ging. Een delicatesse. En intuïtief vond ik het wel een passend woord voor deze lekkernij. Ik hield er ook van, maar lekkerder vind ik bij buien zure leverworst.

Als woordenfreak ging in op onderzoek uit en raadpleegde woordenboeken, encyclopedieën, kookboeken, dialectkrochten. Het woord  kulle schijnt uit het latijn te komen, waar culleus een (leren) zak is om vloeistoffen in te bewaren. Vandaar vliegt de betekenis alle kanten uit. In de middeleeuwen  wordt de teelbal ermee aangeduid, het scrotum, ook al een zakje waar vocht in kan worden opgeslagen, en al gauw ook de penis. Zo zegt men in Leeuwarden: ‘Dou lulst net so  feul as dien kulle lang is’, oftewel: je bent nogal zwijgzaam. En in de Betuwe gaat een rijmpje rond: ‘’Door die scheur daar trekt zijn hele kulleke deur.’ Maar waar is de leverworst?

Voor de adel en de hogere burgerij ontstond in de middeleeuwen een mode met een vooruitstekende zak voor het mannelijk orgaan, waarin niet alleen dat apparaat werd opgeborgen, maar ook allerhande spulletje zoals de zakdoek, geld, etenswaren: de kulzak. Die zette het mannelijk lid viriel  en geprononceerd op de pronk; in onze tijd verstoppen we het geval liefst schaamtevol achter een onzichtbare gulp. Deze opbergfunctie van zulke braguettes is overgenomen door de broekzakken. Verwant is de cul- de- sac, de bodem van een zak, en vandaar de doodlopende steeg. Een ‘flauwe kul’ was in 1500 niet om over naar huis te schrijven: er zat weinig of niets in, geen geld, geen imposant lid, geen producerende kloot. Maar waar is toch de leverworst?

Ik denk dat flauwekul uiteindelijk samenvalt met kul: leeg gezwets,nonsens, quatsch, onzin, gekkepraat, zotteklap, gebeuzel, bolderdash  nincompoop en ook in het Engels: balls (daar heb je ze weer), gekloot enzovoort. En er is ook nog een betekenisaftakking naar plagerij, pesten, jennen en voor de gek houden: kullen. Maar waar blijft verdickeme de leverworst?

Die duikt opeens in Amsterdam op. Meyer Sluyser, de chroniqueur van het vooroorlogse Amsterdamse Jodenleven spreekt voor de VARA in 1950 (‘ Hier is de VARA, 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep’). Hij verhaalt: ‘Prompt elke zondagmorgen omstreeks een uur of tien placht de koopman met een kar volgeladen met zure uitjes, leverbeuling in azijn (die Amsterdammers  “flauwe kul” noemen) en dergelijke, de steeg door te komen. Geheel in Amsterdamse stijl placht de koopman dan te brullen: “lekkere flauwe kul… hier moet je zijn voor de beste flauwe kul…”’’

Ha, hier hebben we  kul in de betekenis van leverworst. De zuurjood kon op zondag zijn waren slijten, want zijn vrije dag, de sabbath, was de zaterdag. Na WOII was het afgelopen. Hoewel de zure leverworst nog wel te krijgen is, meest in glazen  bokalen, is de naam uit het lexicon verdwenen. De ENSIE vermeldt in 1950 dat de term voor leverbeuling in azijn vero(uderd) is. Als je naar  De Leeuw gaat, de zuurwinkel op de Vrijheidslaan die de Oost-Europese traditie voortzet, en daar vraagt of ze ook flauwekul verkopen, krijg je vragende blikken. Dat woord kennen ze niet, maar ze verkopen wel grote mooie plakken zure leverworst. Geen streetfood, maar om thuis te savoureren. Hoe  het bijvoeglijk naamwoord flauw in roulatie is gekomen, is raadselachtig, omdat de zure leverworst nu juist flink gekruid is. Wie het weet mag het zeggen. Hoe dan ook, het woord is verdwenen, ook uit recente boeken en artikelen over de joodse inleggerij en tentoonstellingen over het Joodse leven, zoals momenteel in de Nieuwe Kerk. Schrijvers over de Joodse keuken die ik consulteerde weten er ook geen raad mee. Wel vond ik nog op internet een instructief artikel over de flauwe kul (voor liefhebbers: op 1 april 2025 geschreven door Ubel Zuiderveld, Ubelski.nl). Daar vermeldt de schrijver dat ook hij bij De Leeuw is langsgeweest, met hetzelfde resultaat. Dit lexicale onderdeel van de traditie is dus verzonken, als het niet weer tot leven gewekt wordt. Mijn schoonvader Dick heeft de term in elk geval aan mij overgeleverd. Hij kende het nog. Mogelijk doorgegeven via zijn grootvader, die er een slagerij op na had gehouden.

De zuurwinkel van De Leeuw staat op honderd meter van de zijstraat van de Vrijheidslaan- die toen nog Amstellaan heette- , waar ik ben opgegroeid. Thuis werd ik regelmatig door mijn moeder, broer en zus uitgemaakt voor ‘beledigde leverworst’. Ik was namelijk heel snel gepikeerd, beledigd om kleinigheden, kon weinig kritiek velen. Die lichtgeraaktheid is hoop ik allengs wat gesleten. Maar waar kwam die term nu weer vandaan? Dat was niet zo moeilijk. Mijn moeder kwam uit Duitsland en die heeft de ‘beleidigte Leberwurst’ meegenomen. Dat is een gewone Duitse uitdrukking voor snel aangebrande types, die ‘sauer’ doen als ze kritiek krijgen. Oorspronkelijk schijnt de uitdrukking te maken te hebben met de lever als zetel van de emoties. Mijn fascinatie voor de leverworst, al dan niet in het zuur, komt misschien wel uit die vroege periode. Ik ben er zelf een. Of is dat flauwekul?

D’O

Het gaat niet goed met de vrouw. In de Verenigde Staten wordt het recht op abortus ingeperkt, in Iran haalt de zedenpolitie ongesluierde vrouwen van straat, en in Nederland was femicide het kinderwoord van het jaar. Toch is er één vrouw die hier, vergeef mij de seksistisch geladen zegswijze, garen bij spint.

Nienke ’s Gravemade verwierf in het afgelopen jaar landelijke bekendheid door in actie te komen voor de veiligheid van vrouwen – niet mijn woorden, maar die van de NOS-website, waar Nienke ’s Gravemade samen met Zohran Mamdani (nieuwe burgemeester van New York) en Julia Coster (mocht bij het concert van Zara Larsson in de Ziggo Dome op het podium komen dansen) uitgeroepen werd tot aanstormend talent van 2025.

’s Gravemades landelijke doorbraak bestond uit een gedicht naar aanleiding van een moord op een zeventienjarig meisje. Op verzoek van de nabestaanden waren de media terughoudend geweest in hun berichtgeving. Zelfs De Telegraaf had zich beperkt tot de voornaam van het slachtoffer. Maar dat was buiten ’s Gravemade gerekend, die haar fanfiction nog geen dag na de moord op Instagram plaatste.

‘Het rode handtasje. Ik denk nog steeds aan het rode handtasje. Hoe het bungelde aan haar stuur, terwijl ze door de nacht reed. (…) Het tasje aan haar stuur, met portemonnee, een lipglossje en haar huissleutels. Of zaten die bij haar fietssleutels in het slot gestoken? Of tussen haar vingers geklemd? (…) Het maakt niet uit wat er in het rode handtasje zat. Het enige wat uitmaakt is dat het tasje niets kan zeggen, terwijl het tasje alles heeft gezien.’ 

Laten we dat eerst maar eens op esthetisch niveau behandelen. Een tasje dat kennelijk over een goed stel ogen beschikt (‘het tasje heeft alles gezien’) maar geen mond heeft (‘het tasje kan niets zeggen’) – wat moeten we ons daar in hemelsnaam bij voorstellen? En waarom is dat eigenlijk ‘het enige wat uitmaakt’? Is dit poëzie of is erover nagedacht?

Op ethisch niveau is dit natuurlijk minstens zo gestoord. Toch vond half Nederland het prachtig en zag Nienke ’s Gravemade zich genoodzaakt ons andermaal toe te spreken: ‘Mijn afgelopen dagen stonden in het teken van de woorden die ik afgelopen donderdag schreef.’ Haar open brief bestaat uit zeven zinnen waarin de eerste persoon enkelvoud maar liefst elf keer voorkomt (5x ‘ik’, 2x ‘mij’, 4x ‘mijn’) en waarvan de strekking is dat Nienke ’s Gravemade zich distantieert van de initiatieven die naar aanleiding van Nienke ’s Gravemades gedicht zijn opgezet. Nu de instagramvolgers en interviewverzoeken binnenstromen is het zeventienjarige meisje ineens dood en begraven. Bij wijze van spreken dan, want de uitvaart moest nog plaatsvinden.

En daar bleef het niet bij. Ik citeer het juryrapport van de Joke Smit Aanmoedigingsprijs: ‘Nienke ’s Gravemade brengt als actrice, schrijfster en online feministisch activiste met humoristische filmpjes op Instagram giftige mannelijkheid onder de aandacht.’ 

In deze filmpjes reageert ’s Gravemade op vrouwenhaters als Andrew Tate en Nick Fuentes. Het ‘humoristische’ element moeten we vermoedelijk zoeken in het dik aangezette Hollandse accent waarmee ze Engels spreekt. Ook dit is uiteraard volstrekt zinloos – geen enkele puber wordt de manosphere uit getrokken omdat een vrouw van dezelfde leeftijd als zijn moeder zijn idool belachelijk probeert te maken. Preken voor eigen parochie dekt de lading niet, want zo’n pastoor komt in elk geval zijn huis nog uit. 

Bovendien blijkt ’s Gravemade al snel door alle relevante vrouwenhaters heen te zijn. Dus begint ze te putten uit randfiguren met maximaal een paar duizend volgers. Als ’s Gravemade met haar video’s al iets bereikt, dan is het dat ze deze grifters, deze kleinhandelaars in misogynie, precies datgene geeft waarnaar ze op zoek zijn: een podium.    

Carl Jung bedacht ooit het elektracomplex als vrouwelijke tegenhanger van Sigmund Freuds oedipuscomplex. Misschien wil iemand ook eens nadenken over een vrouwelijke tegenhanger van Freuds narcissuscomplex. Ik heb wel een idee.

AG

Het is niet gemakkelijk om een vredesduif te zijn. Wanneer ik dezer dagen met mijn olijftak over de Randstad zweef, de tijd van het jaar dat de vrede welig zou moeten tieren, ben ik voornamelijk geneigd om tegen een pas schoongemaakt raam aan te vliegen. Overal zijn onruststokers. Overal zijn oproerkraaiers. Dit land is nog nooit zo verdeeld geweest. Soms word ik daar gewelddadig van. Soms wil ik alle opiniërende columnisten van NRC de nek omdraaien. Daarom zit ik nu ook in therapie. Ik heb een recept voor 500 gram oxazepam per week en de Heer weet dat ik ieder tablet nodig heb: God, wat mis ik de verzuiling.

Ergens zou het barmhartig zijn. Die nekken omdraaien, bedoel ik. Het gezicht van een opiniërende columnist is een gekweld gezicht; het is het gezicht van Rosanne Hertzberger; diep ongelukkig, vervuld van schaamte maar alsnog arrogant. Het is een uitdrukking die je alleen maar krijgt als je de hele dag in totale afzondering tegendraadse meningen zit te formuleren. Zo gaat dat tegenwoordig. Iedere debiel met een mening krijgt een opiniërende column in de katernen van NRC en iedere debiel met een bijbehorend plan – in het geval van Rosanne Hertzberger – komt op een kieslijst terecht, vaak van een partij die direct na de verkiezingen weer in elkaar stort. En het land? Waar blijft het land bij deze ontwikkeling? Onbestuurbaar. Alleen Mai Spijkers spint garen bij deze bedroevende gang van zaken, want alle nieuwe lijsttrekkers mogen hun biografieën bij Prometheus uitbrengen. Dat zijn er heel wat inmiddels.

Het grootste vergrijp van Mai Spijkers is overigens niet dat hij opruiende boeken uitbrengt. Of dat hij zijn redacteuren in hokken stopt en slaat met stokken. Nee, het is dat hij zoveel geld heeft en alsnog die afzichtelijke pakken draagt. Vooral degenen met de bretels. Die bretels zijn de echte bedreiging voor de vrede, denk ik soms. Dan zie ik Mai Spijkers zijn kantoor uitlopen, gekleed als een soort aan lagerwal geraakte oliebaron, en dan realiseer ik me: misschien was dat verheffingsideaal toch niet zo’n goed idee. Misschien had Mai Spijkers gewoon een rietsnijder in Zuid-Brabant moeten blijven, net zoals zijn voorouders.

Ik ben een groot voorstander van de verzuiling. Wat is een zuil? Goed dat u het vraagt. Het is een bouwkundig fenomeen. Zuilen zijn groot en breed en houden de hele tempel overeind. Het geheim van goed bestuur zit in de zuil. Dat zeg ik al jaren. Het Parthenon in Athene – de bakermat van de democratie – heeft er wel zesenveertig. Toevallig? Ik dacht het niet. Nu hebben mensen vaak iets aan te merken op de Atheense democratie; dat ze Socrates ter dood hebben veroordeeld, bijvoorbeeld. Maar om eerlijk te zijn had ik Socrates ook ter dood veroordeeld. Had die pederast maar niet zoveel irritante meningen moeten hebben. Als je erover nadenkt was Socrates ook maar de Rosanne Hertzberger van zijn tijd. Een vijand van de vrede.

Op regenachtige dagen lees ik graag de boeken van Arend Lijphart – Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek om precies te zijn – en dan denk ik terug aan de dagen van weleer. De tijd voordat iedereen zo nodig een individu moest zijn. Iedere zuil had zijn eigen vakbond, zijn eigen voetbalclub en met andersdenkenden werd simpelweg niet gecommuniceerd. Er heerste vrede tussen de gesegregeerde gemeenschappen. Alle mogelijke spanningen werden opgelost door compromissen van de elite: ons beroemde poldermodel. Zelfs in verkiezingstijd was er vrede, want er waren alleen maar grote volkspartijen. Iedere formatie ging van een leien dakje. Ik hoefde nauwelijks wat te doen. Ik zat de hele dag aan mijn cloaca te trekken.

Maar nu? Soms bid ik tot God voor de geestelijke gezondheid Rob Jetten. Alstublieft God, zeg ik zacht. Eeuwige, de Enige, de Almachtige, vestig uw blik op onze toekomstige premier. Heb medelijden. Zie hoe hij zit te werken in zijn schamele partnerwoning in Den Haag. Zie hoe hij zijn paperassen ordent in het schijnsel van een flakkerende kaars. Soms komt zijn Argentijnse hunk even naast hem staan. Hij fluistert zachte liefdeswoordjes in zijn oor, perverse fantasieën over bezwete kniebeschermers van het hockeyveld, maar Rob wuift hem geïrriteerd weg. ‘Niet nu, Nico,’ zegt Rob. ‘Ik moet PvdA-GL en de VVD in een kabinet zien te proppen.’ Daarna vervloekt hij de Nederlandse kiezer. Waar hebben ze hem mee opgezadeld?

Genoeg is genoeg. Dit land heeft maar drie partijen nodig: een racistische proletenpartij, een wereldvreemde kosmopolieten-partij en een groep zielloze liberalen die met iedereen in bed stapt. Dat is wat God voor ogen had toen hij dit pannenkoekenrestaurant van een natiestaat uit de klei deed oprijzen. Stel u zich voor. Mensen zouden weer door hun tijdlijn kunnen scrollen, zonder te worden belaagd met pastelkleurige infografieken over femicide of AI-gegenereerde protestnummers over AZC’s. Meningsverschillen zouden onnodig zijn, omdat niemand meer overtuigd kon worden. Iedereen geborgen in zijn eigen zuil. Geen kiezer zou ‘zwevend’ zijn, maar vastgeketend: met beide benen op de grond. We zouden elkaar weer in de ogen kijken. We zouden weer naar buiten gaan, om wandelingen te maken in het Vondelpark. We zouden luisteren naar het vrolijke gekwetter van de halsbandparkieten. De sneeuw zou zachtjes naar beneden vallen en achter ieder raam, bij ieder kerstdiner, zou de vrede heersen. Roekoe!

Thijs Hoekstra

Ik stond een gênant potje tennis te verliezen toen ik een appje kreeg van TD. Schrijver Femke Brockhus had een heel memoir in De Groene Amsterdammer gewijd aan de verwerking van één bijzin die ik een halfjaar geleden en een halve fles Mooi Kaap Droë Rooi diep had opgeschreven. Mijn eerste reactie: lachen en doorsturen naar iedereen die ik ken. Toch begon er daarna ook snel iets te knagen. ‘Een ontregelende of zelfs traumatische ervaring voelt vaak zo unheimisch (“niet thuis”) aan, omdat er nog geen woorden voor handen zijn.’ − stond dit er echt? Had ik dit veroorzaakt? En dan bedoel ik niet de incorrecte spelling van ‘voorhanden’, want die zou ik nooit veroorzaken, maar de ‘traumatische ervaring’. Het contrast tussen het gelach van mijn vrienden en ‘het glimmende lijfje’ van Brockhus’ zoontje, verschoof iets in mij zonder dat ik er woorden voor had. En toen had ik er toch woorden voor: ik had berouw.

Kijk, als PC-redacteur maak je soms slachtoffers. Daar moet je mee leven. Je kan iets nog zo duidelijk als een grap formuleren, maar het kan altijd dat iemand het serieus opvat. Toen ik ooit in een van mijn eerste stukken schreef dat Wytske Versteeg het gezicht heeft van Timon en het lichaam van Pumbaa, vroeg ik aan mijn moeder of ze me nu gemeen vond. Het deed me denken aan het moment dat ik tien jaar was en uit schuldgevoel wakker lag omdat ik op het schoolplein af en toe dingen als ‘kut’ en ‘lul’ zei; ik ging uiteindelijk naar beneden en biechtte huilend aan mijn moeder op dat ik me op school vreselijk misdroeg. Mijn familie en vrienden zien me als een lieve jongen, maar in PC hang ik de beul uit. Daarin zit het contrast. 

De WF van een halfjaar geleden had waarschijnlijk zijn schouders opgehaald, als hij hoorde dat iemand voor elk woord van mij tweehonderd woorden nodig had om duiding te geven aan de vernietigende emotionele neerslag van een grap. Ik had het, eerlijk gezegd, misschien zelfs grappig gevonden. Maar terwijl ik op de tennisbaan Brockhus’ verslag van haar psychische ontregeling stond te lezen, merkte ik dat er deze keer ook een ander gevoel in mijn lichaam sloop. Ja, als PC-redacteur ga je over lijken, maar ik wist ook niet dat het zulke schrijnende maatschappelijke en tekstuele gevolgen zou hebben. Dat een voor mij onbetekenend grapje zo’n heftige uitwerking kon hebben, vond ik, als iemand die elke twee weken een stuk vol beledigingen en bedreigingen publiceert, moeilijk in taal te vatten. 

Voordat we verder gaan zal ik de grap waar het allemaal om draait met teneergeslagen hoofd voor u herhalen. Ik citeer hem hier in volledigheid om duidelijk te zijn, niet omdat ik er zo trots op ben: ‘Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver’. 

Nee, ik kon er niet meer omheen: ik had een grap gemaakt die iemand heel erg had beschadigd. Nota bene een moeder, van een glimmend zoontje. Dat kon ik niet meer, zoals ik altijd had gedaan, afdoen als een onschuldig geintje. Haar gevoelens bagatelliseren zou me hetzelfde maken als alle daders uit de geschiedenis. Bovendien was dit essay genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs, dus er moest wel een kern van waarheid in zitten. Ik schrok. ‘Wauw,’ dacht ik, terwijl ik de bal weer in het net sloeg, ‘wat ik heb gedaan is inderdaad net femicide.’ Was ik een slechterik? Stond ‘W’ voor Chris, en ‘F’ voor Jude?

Overduidelijk niet: W staat voor Willem en F voor Fintelman. Voor deze schuld moest ik dan ook boeten in de eigen persoon: dit afdoen als een algemeen mannenprobleem, zou precies dat algemene mannenprobleem in stand houden. Ik moest verantwoordelijkheid nemen, aan mezelf werken, geen slachtoffers meer maken. Die waren er al genoeg. Ik nam ‘zorgvuldig spreken’, naast ‘schoenen uittrekken’, per direct op in mijn persoonlijke Tien Geboden. En ik nam me voor me te verdiepen in de theorie. Van wie anders moest ik het leren dan de grootmeesters? Ik bestelde op boekwinkeltjes.nl meteen I love Dick, She comes first en alle boeken van Femke Brockhus, om mee te beginnen. Ik luisterde alleen nog maar podcasts met Marja Pruis erin, of die door haar waren aangeraden. Ik begon via Goodreads-messages een vraaggesprek met Maggie Nelson.

Van haar kreeg ik het idee om met alle vrouwen in mijn leven gesprekken te voeren over de manieren waarop ik ze gekwetst heb. Ik vroeg aan mijn ex, die het net tussen ons had afgebroken, of het wel echt elke keer consensueel was geweest, zelfs toen die ene keer toen ik dat ene deed, wist ze nog? Mijn zusje kon ik helaas niet vragen wat ik beter had kunnen doen: zij had het contact met mij een halfjaar geleden al verbroken toen ze hoorde dat iemand me aanklaagde om een satirische doodsbedreiging. Bij mijn moeder, die al mijn stukken leest, en die het mij toentertijd nauwelijks had kunnen vergeven dat ik weleens ‘kut’ en ‘lul’ zei tegen andere kinderen op het schoolplein, moest ik opnieuw om gratie bedelen. 

Femke Brockhus is, daar ben ik nu achter, slechts de laatste aansluiter in een lange rij mensen die ik pijn heb gedaan. En waarom? Als ik een halfjaar geleden had geweten wat mijn woorden met haar zouden doen, had ik wel twee keer nagedacht. Drie keer, zelfs. Als ik had geweten hoe moeilijk het voor haar was om haar gevoel hierover in duidelijke woorden uit te drukken, had ik mijn grap zeker heroverwogen. Als ik had geweten dat ze aan een werknemer van de politie moest uitleggen dat plagiaat in een roman gewoon mag, had ik haar daar niet van beschuldigd. Als ik had geweten dat mijn geintje voor haar een trauma zou zijn, dat het zou voelen als een ‘agressief opgelegde stilte’, dan had ik haar gezegd dat ze best mocht praten; misschien had ik haar zelfs aangeraden er een essay over te schrijven voor De Groene Amsterdammer. 

De laatste stap van mijn plan om verantwoordelijkheid te nemen voor mijn daden, was om een lang, reflectief, kwetsbaar essay te schrijven over mijn eigen gedrag. À la Femke Brockhus, zeg maar. Ik durf wel te zeggen dat dat is gelukt. Recensent Becca Rothfeld schrijft dat je geen memoir zou moeten schrijven als je niet bereid bent jezelf als dwaas en zielig op te voeren: als je jezelf louter de meest chique vormen van teloorgang toebedeelt, vlei je jezelf alleen maar. Als PC-redacteur doe je jezelf soms stoerder voor dan je bent. Je probeert toch een beetje de literaire versie van een nozem op een speedboot met buitenboordmotor uit te hangen. De poortwachters van onze cultuur tegen de schenen te trappen, het patriarchale script te volgen. Maar je moet de menselijke kant niet uit het oog verliezen. Het glimmende zoontje. Vanaf nu zal ik zorgvuldig spreken. Ik ben dankbaar voor de vrouwen in mijn leven. Dankbaar dat mijn moeder al mijn stukjes leest, hoe grof en vijandig ze ook zijn. Hoe vaak ik ook ‘kut’ en ‘lul’ zeg. Dankbaar dat zij het contrast begrijpt. 

WF

Toen ik naar mijn werk fietste door de Zuid-Hollandse weilanden, zag ik tot mijn genot een haas over het fietspad rennen. Mijn vreugde was van korte duur, omdat ik zag hoe het arme beest in bruin-rode stroken uiteengereten werd, nadat het voor de lichtstraal uit mijn koplamp probeerde te vluchten en zodoende noodlottig de dorstrommel van een verderop aanwezige landbouwmachine inhupste. Omdat mijn huisarts, Dr. Noodles, altijd zegt dat lachen het beste medicijn is, besloot ik deze traumatische gebeurtenis te verwerken door het nieuwe boek van Abel van Gijlswijk te kopen. 

Nadat Scheltema, Athenaeum en drie Leidse boekwinkels me hadden moeten teleurstellen, slaagde ik bij de Relay op Amsterdam Centraal; een winkel waar je naast occulte geschriften ook taartvorkjes in de vorm van wietbladeren en koffiekopjes met daarop ‘Hot mama’ kunt kopen. Voor iemand die anderen beschuldigt van het hebben van een ‘Ako-ideologie’ een markante distributiestrategie.

Zelfs als je de goede winkel te pakken hebt, is het boek moeilijk te vinden. De witte kaft met witte reliëfletters geeft het de allure van een door een spook volgespoten condoom of een zichzelf afwerpende slangenhuid. Tussen titel en auteursnaam bevindt zich een glimmend plakkertje, dat de zingende pygmeeën aan de lopende band van drukkerij Wilco scheef op mijn editie hebben aangebracht. Een zilveren ring aan de hand van een albino-aap.

De darmen, bloedvaten en pezen van die aap bestaan uit drie delen met respectievelijk witte, grijze en zwarte pagina’s. Interessant genoeg is elk deel korter dan het vorige. Misschien ontgaat me hier de esoterische symboliek, maar het lijkt erop dat de monocle-en-hoge-hoed-dragende industriëlen van Das Mag, Abels nationalisering van de drukinkt een halt toe hebben willen roepen. Ik begrijp ze volledig, zij zagen hun winstmarge natuurlijk al verdampen door zinnen als ‘chaos is de enige legitieme ordening’, zelfs al zouden ze die afdrukken op hergebruikt bakpapier. Leuk geprobeerd, Abel, maar de klanten van mijn taxidermiebedrijf waren niet blij toen ik hun Golden Retriever teruggaf met zijn kloten in zijn oogkassen en de poten aan de rug genaaid. Zij hadden toch een ander idee van een legitieme ordening van Rakkers lichaamsdelen. 

Een contra-indicatie voor de stelling dat chaos nastrevenswaardig is, wordt, behalve bij een beest, ook geboden bij het opzetten van een zin. Dat krijg je Mark Fisher/Ad Visser helaas niet uitgelegd: ‘Net als mijn slapeloze nachten, loopt ook het sterven en herrijzen van mijn waarheid in een kring waar ik mijn klok op gelijk zou kunnen zetten’.

Een interessante passage, diep in het zwarte woud van deel drie, beschrijft hoe Abel zijn vader (wiskundige van beroep) tot wanhoop drijft met vragen als: ‘waarom zijn er oneindig veel getallen en maar tien cijfers?’ Van Gijlswijk senior, zijn zaad vervloekend omdat de wandelende sativastronk die eruit ontsproten is te dom is om te snappen wat een decimaal talstelsel is, maakt zich er vanaf door Gödel, Escher, Bach voor Abels neus neer te smijten. Een vorm van kindermishandeling waar een Noord-Nederlands pleegkind nog heimwee naar Rakkers kaken (inmiddels zijn sleutelbeenderen) van krijgt.

Toch heb ik geen medelijden met Abel. Toen ik zelf als puber Hofstadters schizofrene tirade kocht, besloot ik na tien bladzijden dat het tijd was om /lit/ niet meer te bezoeken en in de wondere wereld van de vagina te duiken. Abel, daarentegen, draaide nog een joint op de kaft van G.E.B. en Zeitgeist nog een keertje af op Youtube. Wie de ijspriem past, trekt hem door zijn frontale cortex en wordt daarna punkartiest en rapper. Eigen schuld dikke bult.

Zo’n jeugd leidt vervolgens tot passages als de volgende: ‘Ik verveel me vaak maar doe nooit echt niks. Ik wil alsmaar dingen maar eigenlijk heb ik niks nodig, want ik heb alles al, en uiteindelijk is niets toch ooit echt van mij. Ik zit stampvol meningen maar als puntje bij paaltje komt, blijkt vaak niets me heilig. En van alles wat ik vind, kan ik me het exact tegenovergestelde vaak ook ergens wel voorstellen.’ Een veertienjarige met een hanenkam en een klantenkaart van The Bulldog ziet hierin een fantastisch post-ironisch yin en yang: een goudeerlijke omarming van de ouroboros die het leven is. Ikzelf zie vooral een prachtige eerste alinea voor de ontslagbrief van een zekere acquirerend redacteur van Das Mag. 

Behalve over waarom IQ-testen eigenlijk schedelmetingen zijn en de ‘energetische knopen’ in de buik van Slavoj Žižek, schrijft Abel ook over zijn thuisbasis: Amsterdam-Noord: ‘Op de plek waar ooit de galgen stonden, staat nu het laboratorium van Shell, waar je gerust je eigen betekenis op mag plakken.’ Het is nog veel erger, Abel. Bovenaan de piramide dansen er geen mannen in pijen rond een alziend oog terwijl er aardolie en adrenochrome door hun aderen stroomt. Bovenop de piramide redden drie mannen en twee meelopers elke twee weken de literatuur van mongolen zoals jij. Het complot gaat altijd dieper en blijkt altijd gruwelijker dan je dacht.

IS

Chaotisch denken voor gevorderden, Abel van Gijlswijk.
Das Mag, €22,99

Archief