AG

Deze week geen pakkende openingszin of leuke inhaker – ik kom meteen terzake. Toen afgelopen week bekendgemaakt werd dat Raoul de Jong het boekenweekessay gaat schrijven, reageerde hij als volgt: ‘Ik moest huilen toen ik hoorde dat ik het volgende boekenweekessay mag schrijven, met snottebellen en geluid. Het is niet elke dag dat iemand zoals ik, een half Groningse, half Surinaamse, dansende schrijver, zo’n enorme eer ten deel valt. Sterker nog: ik ben de eerste boekenweekauteur met Surinaamse roots.’ 

Dat klinkt zo al belachelijk, maar u heeft nog geluk dat Propria Cures geen podcast is. Raoul de Jong praat namelijk alsof hij het Barlaeus heeft ingeslikt. Hij spreekt het woord ‘Surinaams’ uit niet alsof het over zijn afkomst gaat, maar over zijn favoriete filter op Thuisbezorgd. Als het klopt dat zijn voorouders uit Suriname komen, dan zullen ze vooral aan de geselende kant van de zweep hebben gestaan. Om het maar even aforistisch te zeggen: Raoul de Jong is de eerste zwarte man die aan blackface doet.

Of zoals zijn website het verwoordt: ‘Raoul de Jong (Rotterdam, 1984) reisde op zijn negentiende vier maanden door West-Afrika, overleefde vier maanden New York met vijftig dollar op zak en wandelde van Rotterdam naar Marseille uit naam van zijn hond Puck.’ Zelfs het mínst geprivilegieerde element in deze opsomming blijkt na doorvragen van een Parool-interviewer een geval van high-end house-sitting. ‘Op mijn 21ste vertrok ik met niet meer dan vijftig dollar naar New York. Ik mailde iedereen in Nederland: kennen jullie iemand die me hier kan helpen? Ik werd gekoppeld aan twee literair agenten, een koppel dat een logeerkamer overhad. Als tegenprestatie verzorgde ik overdag hun Yorkshireterriër.’ 

Vier maanden Manhattan om af en toe een hond uit te laten is voor normale mensen als u en ik bepaald geen straf – en al helemaal niet voor Raoul de Jong. Raoul was namelijk het joch dat vroeger op het schoolplein van elke tijdsspanne het equivalent ‘in hondenjaren’ moest berekenen. En waar ik vroeger zei bedoelde ik nu. Toen zijn eigen hond overleed wilde hij haar eigenlijk op Zorgvlied begraven. Het werd toch de achtertuin. ‘Mijn moeder kwam voor de afscheidsdienst terug uit Frankrijk. Ik deed mijn mooiste pak aan en hield een toespraak. Daarin beloofde ik Puck in mijn eentje te blijven doen wat we altijd samen deden. We reisden veel bijvoorbeeld. […] Zo zijn we in Parijs, Napels, Milaan en Rome geweest.’ Geloof me, ik wil niets liever dan dit citaat beëindigen, maar omwille van de samenhang moeten we toch nog even door: ‘Niet lang na Pucks dood hoorde ik in een droom een zinnetje: “Jij moet deze zomer naar Marseille gaan lopen.” Een week later heb ik de deur in Rotterdam achter me dicht getrokken en ben vertrokken, met Puck in gedachten.’

In plaats van zijn hechtingsstoornis aan een Oud-Zuid-therapeut voor te leggen ging Raoul duizend kilometer lopen. En alsof dat niet genoeg was, schreef hij er ook nog eens een boek over: De grootsheid van het al. Ondertitel: Een hedendaagse odyssee, want een wandeltocht ter nagedachtenis van je huisdier is vergelijkbaar met tien jaar lang op zee dwalen, een cycloop verblinden en bij thuiskomst allemaal troonpretendenten vermoorden, waarmee ik niet wil zeggen dat dat tweede beter is, maar wel een stuk minder gênant. Over gênant gesproken: De grootsheid van het al begint met een vijftal ‘STATUTEN VAN DE GEHEIME ORDE VAN PUCK’. Wie er dan nog in slaagt verder te lezen komt erachter dat Raoul de Jong ook voor deze reis op het familiekapitaal teert. ‘Ik checkte mijn saldo en ontdekte dat mijn opa zomaar, zonder reden, geld had gestort.’ Daarmee waren alle hotelovernachtingen op de route bekostigd, maar nog niet zijn regenjas en routekaart. ‘Ik belde de ANWB en The Northface en vroeg of zij me wilden sponsoren. Dat wilden ze.’ 

In het werk van Raoul de Jong zijn twee grote thema’s te ontwaren: infantiliteit en Suriname. En reizen op andermans kosten natuurlijk, al is dat wellicht eerder een motief. Hoe het ook zij, in zijn doorbraakroman Jaguarman, genomineerd voor Libris Literatuur Prijs en de European Union Prize for Literature, komt het allemaal samen. Ditmaal begint de ellende zelfs al in het colofon: ‘Dit boek werd mede mogelijk gemaakt door de Geheime Orde van Puck.’ In Jaguarman vertrekt Raoul de Jong naar Suriname om op zoek te gaan naar ‘een medicijnman die zichzelf kon transformeren in een jaguar’. Ergens weet Raoul zelf ook wel dat hij voor dit soort sprookjes te oud is, maar dat rechtvaardigt hij door, ja, door wat eigenlijk? ‘Ik weet niet of mensen in jaguars kunnen veranderen, maar ik weet wel dat de mensen die daar in geloofden ervoor zorgden dat het regenwoud, dat wij als mensen letterlijk nodig hebben voor ons voortbestaan, er vandaag de dag nog is, juist doordat ze in dit soort verhalen geloofden.’ Stap anders nog eens op het vliegtuig naar Paramaribo, Raoul. 

Het boekenweekessay is voor Raoul de Jong ook een kans om Jaguarman nog eens aan de man te brengen. Aan de witte man, vooral. ‘De voorafgaande twee jaar had ik steeds gezocht naar manieren om mensen ervan te overtuigen dat mijn boek Jaguarman niet alleen bedoeld is voor Surinamers, maar voor iederéén, ongeacht huidskleur. […] Ik was er best moe van om steeds te moeten uitleggen dat zo’n onderwerp interessant is voor álle mensen. […] Dankzij het boekenweekessay is het net alsof ik een zwaard in mijn hand heb gekregen en een kroon op mijn hoofd.’ En waar gaat het boekenweekessay van Raoul de Jong over? ‘Het is een avonturenverhaal. In een droom kreeg ik te horen dat ik moest gaan zeilen. Die droom heb ik serieus genomen: ik ben naar de Caraïben gevlogen en op een schip gestapt.’ Misschien kunnen de stemmen in zijn dromen hem voor de verandering eens vertellen wat een essay is. En, als ze dan toch bezig zijn, waarom niet iedereen zijn boeken leest. Ongeacht huidskleur.

AG

Men zegt weleens dat kinderen het meest kritische publiek zijn. Eigenlijk zijn het vooral kinderboekenschrijvers die dat zeggen. Guus Kuijer bijvoorbeeld, toen hij genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs: ‘Kinderboeken schrijven is moeilijk, dus toen ik 65 werd dacht ik: nu ga ik voor grote mensen schrijven.’ En een jaar eerder, op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Voor mijn gemak sta ik mezelf toe voor u te schrijven.’ En een aantal jaren later, wederom op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Ik gun mezelf het gemak voor u te schrijven.’ Is hier sprake van vergevorderde dementie of van een uitzonderlijk goed geheugen? 

Wat Guus Kuijer in elk geval verzwijgt, is dat hij al eens ‘voor grote mensen’ heeft geschreven. Begin jaren zeventig publiceerde hij twee verhalenbundels en een roman. Pas daarna is Guus Kuijer kinderboeken gaan schrijven. Kennelijk waren de recensies hem nog niet kritisch genoeg, ook niet toen bijna-naamgenoot Guus Luijters in Het Parool schreef dat zijn debuut, dat van Guus Kuijer dus, ‘bijzonder weinig hoop voor de toekomst geeft. Het is een boek om zo weer te vergeten en dat lukt moeiteloos.’ Zijn tweede boek had volgens Ad Zuiderent in Trouw ‘te weinig om het lijf’ en zijn derde grotemensenboek werd niet meer gerecenseerd. Kinderboekenschrijvers zijn eigenlijk altijd mislukte schrijvers. 

Zijn comeback als grotemensenschrijver, veertig jaar later, pakte Guus Kuijer handiger aan. Hij nam het bestverkochte boek aller tijden en zette er ‘voor ongelovigen’ achter. Athenaeum – Polak & Van Gennep wilde het wel uitgeven, in zes delen à € 22,99 per stuk zelfs, en daarna natuurlijk een mooie editie met alle delen ineen. ‘Een originele, literaire onderneming die zijn weerga niet kent,’ schreef Joost de Vries in De Groene Amsterdammer. Volgens mij kent de literaire onderneming van Guus Kuijer wel degelijk een weerga: de Bijbel voor gelovigen. Je zult maar naar je leeglopende kerk op weg zijn, langs een boekhandel komen die op zondag geopend is, en daar De Bijbel voor ongelovigen als absolute bestseller in de vitrine zien liggen. 

En dat is precies waar het Guus Kuijer om te doen is. Als kind heeft hij God bij herhaling om nieuw speelgoed gevraagd, maar zijn gebeden werden nooit verhoord. ‘Ik had het gevoel dat niemand luisterde. Huilen moest ik daarvan.’ Nu neemt Guus Kuijer wraak. ‘Ik zie de Bijbel als een waardevol erfstuk, de basis van onze cultuur. Ik begrijp dat mensen vroeger geloofden in hogere machten, de wetenschap was immers nog niet vergevorderd,’ bijt hij een journalist van het Nederlands Dagblad (‘Christelijk betrokken’) toe. Guus Kuijer weet het zeker: de Hof van Eden was een goed onderhouden tuin op het zuiden, de Zondvloed een klimaatramp, de Tien plagen tien klimaatrampen, Mozes een omhooggevallen badmeester en God bestaat niet.

Gaat Guus Kuijer ook het Nieuwe Testament navertellen, hoort Guus Kuijer u denken. ‘Sommige mensen denken dat ik ook nog het Nieuwe Testament ga navertellen. Ik denk van niet, want ik heb nogal een afkeer van een God die zijn zoon laat doodmartelen aan een kruis en die dat ziet als een daad van liefde voor de mensheid,’ schrijft hij in de Volkskrant. Maar God bestond toch niet? Waarom is die God van het Nieuwe Testament dan ineens zo’n probleem? Guus Kuijers Genesis, waarin God dus door Adam wordt bedacht, biedt uitsluitsel. Daar staat namelijk: ‘Het begon met een woord. Het was een woord dat zomaar in mijn hoofd opkwam en nergens bij hoorde. En dat woord was: God.’ In de eerste zinnen van zijn hervertelling plagieert Guus Kuijer al een andere hervertelling: die van de evangelist Johannes, uit het gedeelte van de Bijbel dat hij niet gaat navertellen. 

Dit alles valt in het niet bij de tweets van Guus Kuijer. 11 juli 2022: ‘Ik heb mijn leven lang mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 10 april 2021: ‘Als je kinderboeken hebt geschreven word je gelukkig niet gezien als “een belangrijke schrijver’’. Daar ben ik wel blij om.’ 24 maart 2021: ‘Ik heb mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 11 oktober 2020: ‘En God sprak: “Ik ga niet naar de kerk. Ik kijk wel uit. Zelfs niet in Staphorst. Ik lees De Bijbel voor ongelovigen van Guus Kuijer, want dat boek is een avontuur.”’ 

Hier is geen sprake van vergevorderde dementie en ook niet van een uitzonderlijk goed geheugen, maar van een vergevorderd en uitzonderlijk minderwaardigheidscomplex.

AG

Martijn Neggers is een rasechte Brabander. Geboren in het ziekenhuis van Eindhoven, de dorpsmavo in Valkenswaard doorlopen, afgestudeerd als tweedegraads docent Nederlands aan de Fontys Hogeschool in Tilburg en inmiddels werkzaam op het Beatrix College in Tilburg. Daar is niets op tegen – ik heb nota bene zelf een jaar in Tilburg gewerkt, voordat ik in Amsterdam ging studeren; toen ik mijn Brabantse collega’s vertelde dat ik klassieke talen overwoog zeiden zij dat ik ook in Latijns-Amerika kon gaan wonen – maar je moet het ook niet mooier maken dan het is.

Dat doet Martijn Neggers wel. Door bijvoorbeeld in een interview met HP/De Tijd te beweren dat Tilburg de beste plek is om te wonen. ‘De stad van het absurdisme. Er zijn nogal wat absurdistische kunstenaars die hier wonen. Er zijn ook absurdistische kunstenaars die hier zouden moeten wonen.’ En door romans te schrijven die zich in Brabant afspelen. In De mensen die achterbleven (2016, Nijgh & Van Ditmar) trekt hoofdpersoon Martijn Neggers van Valkenswaard naar Tilburg. ‘Vol goede moed gaat hij op zoek naar zijn dromen en een Grootsch Leven.’ Onzinnige zinsneden als ‘op zoek naar zijn dromen’ en misplaatst reviaans hoofdlettergebruik ten spijt – over die ‘sch’ zeg ik maar even niets – mocht Neggers na dit debuut een tweede boek schrijven.

Die tweede roman heet Spoetnik (2018, nog steeds Nijgh & Van Ditmar). Deze keer verhuist de hoofdpersoon namelijk van het grote Amsterdam naar de Spoetnikstraat in Helmond-Noord. Helmond als decor voor je roman gebruiken, zeg maar het Almere van Brabant, is bijzonder goedkoop. Daar ‘-Noord’ aan toevoegen is zo mogelijk nóg goedkoper. Om niet te zeggen gratuit. De achterflap, wederom door Neggers zelf geproduceerd, verraadt, voor zover dat nog niet duidelijk was, zijn minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Randstad: ‘Een tragikomisch verhaal dat zich afspeelt in een tijd waarin de Gewone Man’ – daar heb je die hoofdletters weer – ‘niet bang is een keel op te zetten en zich verzet tegen het juk van de grote steden en de hoge heertjes.’

Maar als ook Spoetnik alleen in de Tilburgkatern van het Brabants Dagblad besproken wordt, besluit Neggers zichzelf opnieuw uit te vinden. Om de aandacht van zijn baan als docent af te leiden trekt hij een spijkerjasje aan, rolt de mouwen van dat spijkerjasje op en laat zijn ontblote onderarm tatoeëren. Hij maakt een twitteraccount en tweet dat hij een Amsterdams café gaat bezoeken: ‘Goed. Ik ga dus naar de Pels vandaag. Als de ongelofelijk clichématige lame-ass die ik ben. Kom vooral ook, want ik ken maar acht Amsterdammers, en die zullen er wel weer niet zijn.’ Neggers wil dolgraag naar de grote stad, maar hij is ook bang. Bang om een cliché te zijn. En bang om alleen te zitten. 

Ook in zijn romans wil Neggers het grootser aanpakken. Geen Brabant meer, maar Frankrijk. En dan ook meteen het Frankrijk van de vijftiende eeuw. Leve de Koning (2021, hij heeft goede vrienden bij Nijgh & Van Ditmar) is een ‘niet-heroïsche ridderroman over de Slag bij Agincourt’. Niet-heroïsch, dat betekent dat die vijftiende-eeuwse infanteristen de hele tijd ‘kut’ zeggen. De associatie met New Kids begint zich alweer op te dringen. En ja hoor – wie blijkt de belangrijkste legeraanvoerder van de Slag bij Agincourt? Anton, de Hertog van Brabant. Neggers was na twee fluitjes in de Pels terug in Brabant, Leve de koning na twintig pagina’s. Zelfs de aanbeveling op het omslag is van Theo Maassen.

Ik hoef u niet uit te leggen waarom Martijn Neggers geen succesauteur is. Wie ik dat wel moet uitleggen is Martijn Neggers. In genoemd interview met HP/De Tijd: ‘Ik denk weleens: hoe zou het zijn om waanzinnig veel lezers te hebben? Leve de koning raakt inhoudelijk gezien op zekere punten aan Game of Thrones.’ Op genoemd twitteraccount: ‘Ik schrijf 3,5 jaar aan een roman; totale stilte, rollende hooibalen in de wind. #fuckmylife.’ Waarom die totale stilte? Sommige mensen maken lelijke dingen mooier dan ze zijn (‘Ik hou van de Tilburgse lelijkheid, maar ook hoe het hier steeds mooier wordt en hoe we dat calimerogevoel steeds meer kwijtraken.’), de meeste mensen houden beleefd hun mond.

AG

Afgelopen week was de Week van de Klassieken. Net als de Boekenweek bestaat de Week van de Klassieken uit een feestelijke opening, een fatalistisch artikel in de Volkskrant (‘Zijn de Griekse en Latijnse literatuur uit de gratie aan het raken?’), en een themaboekje. Het enige verschil is dat je voor het klassiekenweekgeschenk vijf euro moet betalen. 

De eer om dat klassiekenweekgeschenk te mogen schrijven viel dit jaar ten deel aan Christiaan Weijts, schrijver, NRC-columnist, en van huis uit neerlandicus. Waarom een neerlandicus? Omdat het boekenweekgeschenk al door een classicus wordt geschreven? Weijts legt bij De Taalstaat van Frits Spits uit waarom hij tóch een geschikt klassiekenweekauteur is: ‘In boeken die ik schrijf zit niet zozeer Homerus maar Ovidius bijvoorbeeld altijd wel op de achtergrond.’ Dat is als zeggen dat je bij het koken niet zozeer een staafmixer gebruikt, maar een pan bijvoorbeeld altijd wel. Op de achtergrond. 

De achterflap van Weijts’ Zeven mijlen langs de limes is al even pretentieus: ‘Een slimme en sprankelende monoloog, en tegelijk memoir en miniatuur-odyssee.’ Een miniatuur-odyssee, dat is een wandeling. Christiaan Weijts neemt ons mee langs de limes, het allersaaiste dat de klassieke oudheid te bieden heeft. De limes is (hoewel ‘limes’ als een meervoud klinkt, is dat het niet; net zoals het woord ‘media’, maar dan andersom) de grens van het Romeinse Rijk. Dat wil zeggen: een paar in de uiterwaarden van de Rijn gestampte houten palen. Het interessantste aan de limes is dat ’ie in Nederland is.

Maar voor Weijts blijkt de limes vooral een excuus om het over zijn eigen jeugd te hebben. Voordeel: Zeven mijlen langs de limes gaat niet over de limes. Nadeel: Zeven mijlen langs de limes gaat over de jeugd van Christiaan Weijts. Aanvankelijk houdt Weijts nog vol dat zijn wandeling wél met de limes te maken heeft: ‘Zeven mijlen. Ongetwijfeld wordt het ook mijl op zeven, vol omwegen en kronkelingen die zich verzetten tegen de rechtlijnigheid van de militaire mars, de rechtlijnigheid van damwanden die de loop van de rivier rechten.’ Maar al snel ‘verdwalen [we] nog wat verder, zijn [we] de limesroute al even kwijt, maar bewegen [we] ons wel in de juiste richting. Oegstgeest. Daar had ik pianoles.’ 

Door de jeugd van Weijts loopt één belangrijke grens. Die tussen het gymnasium en het vmbo. Tussen mensen die piano spelen en mensen die Sky Radio luisteren. Tussen Romeinen en barbaren, zou je haast zeggen. Weijts zegt dat in elk geval de hele tijd. ‘Wat die barbaren wél hadden: lekkere wijven. Daar ontbrak het op het gym ten enenmale aan. Daar had je vooral vioolmeisjes, advocatendochters, nerdy girls met dikke brillenglazen. Er leek een wetmatigheid te bestaan die wilde dat intelligentie en schoonheid omgekeerd evenredig waren verdeeld.’ 

Inderdaad, léék te bestaan. Het fenomeen Christiaan Weijts logenstraft die wetmatigheid. Hij bewijst dat domme mensen ook gewoon lelijk kunnen zijn. En geil. ‘Ook dat is een grens: de scheiding tussen lichaam en geest. Wij stonden aan de overkant, op de klif van het domein van de geest, reikhalzend uitziend naar de overkant waar strakke meiden rondliepen in badpakjes van O’Neill. Die deden het graag en vaak, kregen we te horen. […] Waar het om “dierlijke cellen” ging, sprak ik die uit als “sierlijke dellen”. Sindsdien was het een staande uitdrukking. Sierlijke dellen. Ik was er zelf ook wel content mee. Mede omdat het vrij redelijk uitdrukte wat ik zocht, waarnaar ik smachtte. Niet alleen dat rauwe, dat hoerige, nee, er moest een esthetische component aan zitten, iets elegants, iets schilderachtigs. Het moesten ornamenten zijn, diertjes die zich gracieus voortbewogen, sierlijk over stranden en door parken, en die ook een zekere geestelijke bekwaamheid bezaten. […] Cécile. Die naam alleen al. […] Ze was al een stapje verder op weg naar het lichaam van een volwassen vrouw. […] Rokjes droeg ze, en elegante panty’s of misschien wel kousen, met jarretels, Jezus Christus, wie zal het zeggen.’ Ik zal het zeggen: ze droeg géén kousen met jarretels. Ze was twaalf, Christiaan. 

AG

Christiaan Weijts, Zeven mijlen langs de limes, Athenaeum – Polak & Van Gennep. €5,–

Na achttien jaar playstationnen in Roosendaal zette Daniël Verlaan (1989, Roosendaal dus) de meest logische vervolgstap: hij werd ethisch hacker. Een verstandige keuze, want de ethische hacker is populair. In een talkshow is hij gemakkelijk te herkennen als de tafelgast die níét langs de visagie is geweest; de ethische hacker moet er zo ongezond als mogelijk uitzien, want dan begrijpt de televisiekijker dat hij, de ethische hacker, veel van computers weet. Daarom draagt Daniël Verlaan ook een zwarte hoodie met een handige buidel aan de voorkant. En heeft hij een lui oog waardoor hij vroeger met zo’n pleister op zijn goede oog moest lopen (met daar dan weer een bril overheen). 

Wat maakt de ethische hacker ethisch? Dat hij géén strafbare feiten pleegt, terwijl hij dat wel zou kunnen. En daar is Nederland hem dankbaar voor. Op ‘Nationale Check Je Wachtwoorden Dag’ mocht Daniël Verlaan ons zelfs vaderlijk toespreken: ‘Veel mensen maken voor de hand liggende fouten. Dat is niks om je voor te schamen.’ Welke voor de hand liggende fouten dat zijn zegt hij niet, maar hij heeft wel een drietal tips voor ons. Één: neem een langer wachtwoord. Twee: neem verschillende wachtwoorden. Drie: neem een wachtzin in plaats van een wachtwoord. 

Wat er gebeurt als je zijn drie tips (tip één en tip drie betekenen precies hetzelfde, maar goed) niet opvolgt? Dan wordt de ethische hacker boos. Op 12 januari 2017 verscheen de volgende tweet op het twitteraccount van SGP-coryfee Kees van der Staaij: ‘Dit account is lek en dus gevoelig voor hackers. Is getekend @danielverlaan en @siebesietsma.’ Daniël Verlaan neemt Kees van der Staaij kwalijk dat hij gehackt is door Daniël Verlaan. Niet logisch, en bovendien niet ethisch. Iemand die het huis van zijn buurvrouw binnengaat omdat zij bij het uitladen van haar boodschappen de voordeur op een kier heeft laten staan is ook geen ethische insluiper, maar, gewoon, een insluiper. 

Misschien zag Daniël dat zelf ook wel in, want na deze actie begon hij ineens overal te benadrukken dat hij toch vooral journalist is. In Trouw: ‘Haha, ik zou niet zeggen dat ik een hacker ben. Zij doen het fulltime en ik verdien m’n brood als journalist.’ Bij Broadcast Magazine: ‘Ik ben zeker niet goed in hacken, nee. Ik ben op de eerste plaats gewoon journalist.’ Handige bijkomstigheid: als journalist mag je net iets meer dan als ethische hacker. Undercover gaan in de wereld van de wraakporno bijvoorbeeld. En, als je dan toch bezig bent, undercover gaan in de wereld van de kinderporno. 

En als journalist win je daar dan ook meteen een prijs mee. In Daniël Verlaans geval De Tegel voor journalistiek talent. Het juryrapport: ‘Met een reeks opvallende verhalen maakte de winnaar het afgelopen jaar meerdere malen nieuws. Een veelzijdig talent, die op jonge leeftijd al is uitgegroeid tot een volwaardig deskundige in menige talkshow.’ Opvallende verhalen? Ik open ook elke avond een incognitovenster. Waarom ben ik geen veelzijdig talent? Omdat ik normale porno kijk? 

Volgende carrièremove: een boek bij Das Mag. In de inleiding van Ik weet je wachtwoord (zevende druk inmiddels) toont Daniël Verlaan zich van zijn edelmoedigste kant. ‘Elke maand word ik of iemand uit mijn omgeving digitaal aangevallen of bedreigd. Soms denk ik: is dit het allemaal wel waard? Maar ik kan zo slecht tegen onrecht dat ik deze verhalen wil blijven maken.’ Edelmoedig, maar ook onzin. Daniël Verlaan kan heel goed tegen onrecht. Over een datalek bij Ashley Madison (een Second Love-achtige website) schrijft hij: ‘Iedereen kon het downloaden, het stond zelfs op de bekende torrentwebsite Pirate Bay. Ik downloadde de data om te kijken of ook Nederlanders de website gebruikten.’ Om te kijken of bekenden van hem de website gebruikten, bedoelt hij. Dat is geen onderzoeksjournalistiek, maar voyeurisme. 

Het schokkendst is nog wel dat Daniël Verlaan zichzelf best lekker blijkt te vinden. In het eerste hoofdstuk na de inleiding voert hij zijn alter ego Rickey op: ‘Hoewel hij een nerd is die graag met computers speelt, voldoet hij niet aan het stereotiepe beeld van de nerd: hij heeft vrienden, drinkt biertjes en gaat wel eens stappen. En afgezien van zijn voorkeur voor hoodies, ziet hij er helemaal niet als een nerd uit.’ Even verderop verraadt hij zelfs zijn eigen wachtwoord: ‘Stel: het wachtwoord van het anonieme account knappeman1989@gmail.com met de gebruikersnaam knappeman1989 is ‘PSV_debeste89’.’ Ze hadden hem toch wat harder moeten pesten, toen met die pleister.

AG 

Archief