Monthly Archives: oktober 2014

Met het verschijnen van Story-verslaggever Guido den Aantrekker’s De Kinderhater bij de voormalige topuitgeverij Nijgh en Van Ditmar is een nieuw gedrocht ter wereld gekomen van het geslacht ‘bestsellende bekentenissenlectuur’, een genre dat gebaseerd is op de volgende misvatting: literatuur is geen methode om ideeën te verspreiden, nee, het is een tiet om aan te zuigen, een probaat middel om liefde, validatie en aandacht te verkrijgen. Vraag niet wat jij kan doen voor de literatuur, vraag wat de literatuur kan doen voor jou.

Het verhaal van De Kinderhater gaat als volgt. Net als Kluun, Yuki en vele andere bekentenissenlectuurprotagonisten vóór hem, is Guido (die in het boek de assonerende naam ‘Tycho’ draagt, hetgeen suggereert dat de twee bijna dezelfde zijn maar net niet helemaal, zodat de lezer gissen mag naar wat echt gebeurd is en wat niet, een enerverende bezigheid voor een bepaald type klapmongool) een rokkenjager van heb-ik-jou-daar. De ene na de andere aantrekkelijke B- en CN’er (namen en rugnummers blijven onvermeld; zo’n etterbak is het nou ook weer niet) belandt
bij de vlotgebekte paparazzo tussen de lakens, alwaar hij hen aan zijn kromzwaard (snikkel, zwengel, tollie, tampeloeres, pik, pisser, potlood, rampetamp) rijgt. Geld en coke zijn als vanouds ook weer van de partij. Kinderen wil de Tych-meister niet; ze zouden zijn tampeloeres maar obstrueren. Als hij uiteindelijk dan tóch een vrouw volspuit die hij lief, zorgzaam en spontaan genoeg acht om met kind te schoppen, krijgt het kreng eerst vijf miskramen (nokken na het derde drilpuddingpoppetje, zou ik zeggen), om bij bevruchting nummer zes (nogmaals: quit while you’re ahead) de doodgeboren Olivier (het kadaver een naam geven zal wel helpen bij de rouwverwerking ofzo) uit te poepen. Na al die vruchteloze pogingen heeft Guido er onderhand een beetje de balen (alsmede: tabak) van, en om ons allen op de hoogte te stellen van zijn mineurstemming baart hij De Kinderhater, eveneens Dead on Arrival. De geld en faam die het uitmelken van het leed van zijn vrouw hem verschaffen zullen ongetwijfeld de nodige stof opleveren voor het contractueel overeengekomen maar beduidend minder succesvolle vervolg.

Het is mij een raadsel wat de lezer zou moeten opsteken van dit alles. Het ironische (in de Alanis Morissette betekenis van het woord) contrast tussen ‘kinderen zijn cockblockers’ en ‘vijf keer spontane abortus, eenmaal intra-uteriene vruchtdood’ ontgaat mij uiteraard niet; maar dat ‘het kan verkeren’, zoveel wisten u en ik al. Turend naar bovenstaande synopsis zie ik weinig anders dan een verzameling nauwelijks gerelateerde doch zeer uitmelkenswaardige gebeurtenissen, gelardeerd met een zooi uitermate smakeloze, grotendeels op clichés, barbarismen en woordgrappen leunende gevatheden.

De bekentenissenlectuur, die nog steeds scoort als een tiet, is voor de volle 100% gebaseerd op zelfrechtvaardiging, geplant in de vruchtbare grond die zelfoverschatting heet. Zij heeft maar één doel: als het boek uit is, moet de lezer achterblijven met het gevoel dat de schrijver weliswaar fouten heeft gemaakt, maar desalniettemin een stand up guy is, een jolly good fellow. Werkelijk álles zou de Kluun-epigoon er voor over hebben om de wijzers van de klok terug te draaien (cue de hit van R. Kelly). Helaas: hij is slechts een gewone sterveling. Rest hem weinig anders dan een publieke biecht, in boekvorm. God (de katholieke) is dood, en de Übermensch (de Nietzsche-versie, niet de nazi-versie) die aan zijn eigen geweten genoeg heeft, is nog niet opgestaan; aldus heeft het oordeel van De Ander ultieme geldigheid. Tussen de regels door moet daarom duidelijk worden dat de protagonist/schrijver niet alleen bakken vol wroeging heeft, maar zelf óók heeft geleden onder het juk van allerlei mensen, zaken, ziekten en omstandigheden. Je zou nog bijna gaan denken dat-ie een normaal mens is, die lijdt, fouten maakt, en spijt heeft zoals de rest van ons; ware het niet dat dít mens nu juist een heuse roman heeft geschreven, en als zodanig dan toch als een bijzonder speciaal exemplaar dient te worden beschouwd. En oh ja: dat-ie dat boek geschreven heeft, is, uiteraard, ‘moedig’.

Persoonlijk koester ik, zoveel zal inmiddels duidelijk zijn, een aan haat grenzende afkeer voor deze beklagenswaardige epigonen, dit soort om goedkeuring bedelende, verstandelijk uitgedaagde ijdeltuiten die op hun achtenveertigste via hun literaire debuut in de vierde fase van Maslow’s piramide arriveren en er blijkbaar geen been in zien hun eigen falen nog eens driedubbel te onderstrepen door het leed dat doodgeboren baby’s en suïcidale vrouwen heet te vermarkten middels zo-goed-als onleesbare, semi-chemische pulp, onder het mom van een abject soort openbare, pseudo-katholieke biecht die ook nog eens pretendeert troost te bieden aan ‘mensen die zich erin herkennen’. De honderdste rondneukende, kettingsnuivende stumperd die een slapper-dan-slap aftreksel schrijft van wat om te beginnen al een moreel kwestieus en in stilistisch opzicht bedroevend slecht boek was? Nee, dank u: flikker op uit mijn literatuur, en neem je soortgenoten mee.

Mijn sympathie ligt nu juist bij schrijvers die het aandurven onsympathiek te zijn. Schrijvers die, zum Beispiel, moedig genoeg zijn om miskramen en zuigelingensterfte te bespotten dat het een aard heeft. Niet omdat, zoals de aanklacht ongetwijfeld zal luiden, zij lekker makkelijk willen scoren over de open rug van kleine Olivier. Nee: omdat zij een échte bijdrage aan de literatuur willen leveren, en op de koop toe nemen dat zij als dank voor racist, ijskonijn, zuurpruim of etterbak worden uitgemaakt. Een Houellebecq. Een Grunberg. Een Hermans. Een WvdL. Geniale ironiefetishisten, gezegend met een inktzwart gevoel voor humor en een messiascomplex. En dus concipieer je dit soort artikels, op het gevaar af dat de lezer denkt: wat een psychopaat. Met gestrekt been erin. Durf je wel, tegen een embryo?

Toen Sartre’s linkeroog op zijn sterfbed gevraagd werd ‘waarom te leven’, weerklonk zijn stem als een echo uit een teergrot: ‘Om te roken.’ Wie het laatst rookt, rookt het best; het is de waarheid van oude mannen met broze stemmen uit vergane eeuwen. Astma bestond niet, wel werd tabak tegen aanstelleritis voorgeschreven. Slechts kleurloos fotomateriaal stamt uit die tijd. Drie keer raden waarom.

Rook zuigt kleur op, maar kleur is ook maar lelijk spul en wie dat niet gelooft, is nog nooit in een telecomwinkel geweest en heeft nog nooit een politiek affiche gezien. Rook daarentegen is het mooiste dat er is. Elke special-effectsexpert zal u vertellen dat je miljoenen tegen een filmset aan kunt gooien, het gaat er pas echt écht uitzien als je er wat rook doorheen jaagt.

Wanda de Kanter en Pauline Dekker, twee longartsen, zijn het hier niet mee eens. Onder de titel ‘Doorgaan tot de laatste roker’ stond laatst in de Volkskrant een mooie bespreking van hun kruistocht in doktersjas. Die doktersjas is overal: op foto’s, op lezingen, bij de bakker, enz., zodat u denkt wat zij al wisten: dokter ben je 24 uur per dag, de bemoeienis houdt niet op buiten de muren van de polikliniek. In deze jas zit alles.

Elk verwijt dat ik wil maken tegen hun schijnheilige missiewerk, tegen de medische wereld in het algemeen, zit erin verstopt. Kleren maken de man, zeg ik maar, tijd dus voor een ontleding ervan (of ontkleding, wat u het liefst hebt).

Iedereen die regelmatig in een ziekenhuis of huisartsenpraktijk komt, weet met een theater van doen te hebben. Een ‘knappe’ dokter is iemand die de schijn van transparantie, hygiëne, eruditie, gestroomlijnde behandeling, et cetera weet op te houden. In werkelijkheid weet hij ook niet waar dit buisje en dat buisje voor is, net als de niet-knappe dokter trouwens, die dan ook alleen daarin met hem verschilt, dat hij de buisjes laat vallen, gesouffleerd moet worden of een snottebel heeft. In de tijd dat De Kerk aan gewicht verliest, vervangt Het Ziekenhuis haar functie als het Theater van Leven en Dood, waarin de meute die zich geen houding weet met haar eindigheid, getroost wordt met de gedachte dat we de dood onder controle hebben. De dokter is een priester, met een grotere voorraadkast aan sacramenten. De kerk is dan ook een beter theater: zij is te begrijpen.

De witte jas is waarheid, reinheid en een rits aan andere Mariaverwijzingen. De jas zegt: ‘Kijk eens, op mij zou je elk miezerig vlekje kunnen zien, maar je ziet niks, omdat geen van mijn patiënten ooit heeft gebloed in mijn bijzijn.’ Hermans zei al: ‘het zijn woekeraars en goeroes.’

Er is geen verschil tussen de huisarts en de voodoodokter. Allebei weten ze: als ik dit toedien, werkt het misschien. De voodoodokter is zelfs beter af: die weet tenminste waarom het helpt (beheksingen, alter ego’s, rotzooi in de spirituele wereld, enz). Je moet de waarheid niet hebben, je moet hem worden. Daarom hebben De Kanter en Dekker overal hun witte pij aan en mappen bij, waarin cijfers staan die ze uit het hoofd op kunnen zeggen. Zo zullen ze ook bij elk interview, voorlichting, theatersketch (‘vrouwenhumor’ wordt slechts door de algemeenheid van onderwerp overstegen),lezing en aandachtsstunt, toch altijd voorop stellen dat ze zelf gerookt hebben, enz. enz. Als de medische wetenschap uit waarheid bestond, was dit soort trivialiteit overbodig. Ergo: de medische wetenschap bestaat niet uit waarheid.

Maargoed, wat melden de woekeraarsters? ‘De tabakslobby is misdadig en ze mogen met naam en toenaam op websites genoemd worden.’ De tabakslobby is hoogstens onethisch, maar niet misdadiger dan privacyschending. Goed om te weten in ieder geval dat Henk Bres ook aan hun kant staat, BN’ers kunnen wonderen doen voor de pr. ‘Alle artsen in Nederland moeten zich met roken bemoeien.’ Ik ben Jezus en de weg naar de hemel gaat alleen door mij. Alsof ingegroeide teennagels met roken te maken hebben. Hoewel, tegenwoordig moet je op het perron binnen de lijntjes roken. De anti-rookmagiërs weten: kanker gaat te voet. ‘Tabak is een massavernietigingswapen’. U twijfelde nog aan de juistheid van een inval in Syrië? Niet langer! Zolang ze waterpijp roken staat zelfs Bush aan uw kant.

De tabaksindustrie doet immorele dingen, maar dat doen ze pas sinds er antirookwetenschap bedreven wordt. Het zijn bedrijven, die hun wegvallende klantenkring koste wat kost willen behouden. De geschiedenis is daarom iets ongemakkelijks voor De Kanter & Co.

Men rookt al duizenden jaren en men hoest al duizenden jaren bloed. Hiertussen de correlatie zien, is geen wetenschap, maar boerenverstand. Desalniettemin zijn mensen het pas ‘vies’ (een moreel woord) gaan vinden, toen een witte priester het zei. De wetenschap is zijn eigen statuut en weinig meer. Het is te hopen dat net zoals het Christendom, ook de medische wetenschap zichzelf in de voet schiet. Een mooi begin is misschien de ontdekking van placebowerking. Het waren niet de medicijnen, u bent zelf de medicijnen. Sterker nog: als de God van de Medicijnmannen ooit Dag des Oordeels houdt, zal Hij allicht verklaren dat er al die tijd maar twee aandoeningen waren: koorts en hypochondrie. O, en longkanker: de God van de Medicijnmannen haat rokers.

Als u zich in de toekomst genoodzaakt ziet uw rookgewoonten te verantwoorden, omdat de professoren het van iets
realistisch (het ‘veréchteren’ van de wereld) tot iets idealistisch maakten, blaas in dat geval wat rook langs uw gezicht en spreek het Internationale Rokerscredo uit: ik rook, omdat het absurd is.

Soms kan ik plotseling enorm boos worden op mijn ouders omdat ze mij een doodgewone jeugd bezorgd hebben. Ik ben vroeger niet mishandeld, mijn vader dronk nooit teveel en we gingen gewoon elke zomer met vakantie naar van die gezellige ANWB-campings in Frankrijk of Italië. Ze zijn dit jaar zelfs vijfentwintig jaar getrouwd en hebben deze mijlpaal bereikt zonder buitenechtelijke affaires of kinderen uit voorgaande huwelijken. Op de homoseksuele geaardheid van mijn broertje na is er dus weinig uit mijn jeugd dat zich leent om te verwerken tot een roman, om daarmee vervolgens een gevierd auteur te worden.

Wat dat betreft heeft Dimitri Verhulst het een stuk gemakkelijker. Hij werd in zijn jeugd achtereenvolgens door zijn vader en zijn moeder verwaarloosd en eindigde in een instelling, een afvalcontainer voor ongewenste kinderen. De episode bij zijn oma met zijn drankzuchtige en opvliegende vader heeft hij van zich af kunnen schrijven in de bestseller De Helaasheid der Dingen en de periode bij zijn moeder die haar nieuwe vriend boven hem verkoos kennen we uit De laatste liefde van mijn moeder.

In zijn nieuwste boek Kaddisj voor een kut lezen we over het laatste hoofdstuk uit zijn jeugd, waarin hij in een instelling woonde voor uit huis geplaatste kinderen. Kaddisj voor een kut bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over een ex-instellingskind die de begrafenis bezoekt van een meisje uit de instelling waar hij gezeten heeft en dat zelfmoord heeft gepleegd door uit een raam te springen op de bovenste verdieping van het tehuis. De jongen, die ‘de neus’ genoemd wordt, wordt door Verhulst aangesproken in derde persoon en krijgt afwisselend jeugdherinneringen en observaties van de begrafenis door zijn strot geduwd, alsof hij zelf niet in staat is om het woord te voeren. In het tweede deel vertellen een man en een vrouw ( zelf voormalig bewoners van een jeugdinrichting) hoe ze hun kinderen hebben omgebracht zodat ze niet naar een instelling hoefden. Een derde stem zorgt daarbij als een soort van voice-over voor de nodige achtergrondinformatie.

Als we Verhulst mogen geloven is het eerste deel van Kaddisj voor een kut voor 95 procent een waarheidsgetrouwe beschrijving van zijn eigen tijd in een instelling voor ongewenste kinderen en zo te horen heb ik een hoop gemist. Zoals Sarah, die zich elke avond over een flessenhals liet glijden, de ‘koningin van de masturbatie’. Of de zaterdagen in het tehuis, wanneer erop los gewipt werd; ‘Met twee in een bed. Met die. Met meer.’ Maar niet alleen op seksueel gebied had Verhulst het een stuk beter voor elkaar dan ik. Zo zou ik van mijn moeder vroeger nooit met een touw uit een raam van de bovenste verdieping van mijn ouderlijk huis naar beneden hebben mogen klimmen, om een meter of zestien lager veilig op de grond aan te komen. Sterker nog, het huis van mijn ouders is niet eens zestien meter hoog. Evenmin was de hal van mijn ouders groot genoeg om een pingpongtafel te herbergen, zodat ik er altijd gelijk uit lag bij de potjes rondom-de-tafel op de ANWB-campings uit mijn kindertijd.

Verhulst zelf zag zijn verblijf in een kindertehuis een stuk minder positief in. Met een gitzwart gevoel voor humor beschrijft hij hoe de neus vroeger in het weekend naar het winkelcentrum in de buurt ging om te kijken hoe gelukkige gezinnen eruit zagen. Even later noteert hij dat het meisje dat zelfmoord heeft gepleegd werd in een zwarte Daimler naar de kerk gereden ‘vast de mooiste waarin Ginna ooit moet zijn vervoerd.’ Zijn woede lijkt zich echter niet op de instelling te richten, maar is gericht op ouders die niet de moeite nemen om zelf hun kinderen op te voeden. Dit komt naar voren in tweede deel van het boek, waarin een man en een vrouw hun intrek nemen in een hotel ergens in België, om daar eerst hun baby van een paar maanden oud om te leggen en vervolgens hun zoontje van zeven van het leven te beroven. De baby stikt in de billen van zijn moeder, die gelukkig nog wel zo beschaafd was om geen winden te laten in het gezicht van haar kind. Hun zoontje wordt omgebracht met een schaar, die zich als een mortiergranaat in zijn tere kinderlichaam boort.

Hoewel Kaddisj voor een kut je bij vlagen naar de keel grijpt en je woedend maakt over het gemak waarmee kinderen afgedankt worden, blijft het toch weer typisch Verhulst. Druk als altijd met alles behalve schrijven, zoals verhuizen naar Zweden voor wat hij dacht dat liefde was, terugverhuizen naar Vlaanderen voor dategene waarvan hij zeker weet dat het liefde is en een beetje bier drinken met zijn vrienden, is hij er weer niet in geslaagd om een boek te schrijven dat meer telt dan 150 pagina’s. Aan de zwaarmoedige thematiek van het boek kan het niet liggen, aan zijn eigen laksheid des te meer. Het mag een godswonder heten dat hij de twee losse delen, beide toch algauw goed voor ongeveer 70 pagina’s niet in twee losse boeken heeft uitgegeven, zodat hij nog meer tijd overhoudt voor randzaken.

Dimitri Verhulst – Kaddisj voor een kut (Atlas Contact €17,99)

Een groot deel van de gesprekken die wij dagelijks voeren, bestaat uit vragen. Met vragen drukken wij onze interesse uit in de medemens, komen wij nieuwe dingen te weten en wordt de conversatie op gang gehouden. Probeert u maar eens een gesprek te voeren zonder vragen! Dat is lastiger dan u denkt.

Als quizmaker voor radio en tv wordt mij bijna dagelijks om vragen gevraagd. Toen de zittende redactie (TM en DD) mij opbelde, voelde ik het verzoek dan ook al aankomen. Een quiz, gemaakt om elkaar te leren kennen, en vooral die grootste der vragen te beantwoorden: kan een mens een ander kennen, als hij zichzelf niet kent? In tien hoogstpersoonlijk en door mij ontwikkelde vragen zal de redactie hierop een antwoord proberen te vinden. Ze beantwoorden de vragen niet alleen zelf, maar doen ook een slag naar wat hun collega zal antwoorden. Kent de een de ander beter dan zichzelf? Wie weet!
-JG

Welk boek beweert u gelezen te hebben, terwijl het tegendeel waar is?

TM: Dat kan maar een boek zijn, Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant. Ik pretendeer graag dat ik een intelligente en ontwikkelde jongeman ben, maar in werkelijkheid krijg ik nog elke maand de Bobo op de mat.

DD: Als boekwetenschapper vertel ik graag aan eenieder die het maar wil horen dat ik thuis een uitgave van Reinaert de Vos heb uit 1568. Maar als u het echt wilt weten, ben ik zwaar astmatisch en krijg ik het Spaans benauwd van alles wat voor 1985 gedrukt is.

Wanneer droeg u voor het laatst een witte broek?

TM: Dat moet geweest zijn toen ik een kleine rol mocht spelen in De Toscaanse bruiloft, de nieuwste Romcom van Johan Nijenhuis. Ik speelde de toyboy van de bruid, die tussen het ja-woord en de receptie nog even een vluggertje met haar maakte achter de garderoberekken.

DD: Ik draag nooit witte broeken, punt uit. Ik ben toch godverdomme niet voor niets stadsdichter van Venlo geworden toen ik zestien was?

Welke bijnaam heeft uw roede? Welke bijnaam zou u willen dat hij heeft?

TM: Mijn jongeheer mag ik graag ‘Rick Magicstick’ noemen. Dat is trouwens ook mijn DJ-naam. Want als PC-redacteur krijg je een honorarium waar de honden nog geen brood van lusten. Daarnaast ben ik ook nog ontwerper, kok, talent en zelfstandig ondernemer in de creatieve sector. Misschien zou Rick Mega-magicstick nog wel leuk zijn, maar eigenlijk ben ik wel tevreden zo.

DD: mijn Sjwans noem ik graag IJzeren Thijs, naar een nummer van Rowwen Heze, mijn lievelingsband. IJzeren Thijs is een man die niet van Rowwen Heze houdt maar van Hardrock muziek, net als mijn Schattepum.

Stel, u staat op een tweesplitsing (technisch gezien een driesplitsing, omdat u immers ook ergens vandaan moet komen). Het is u niet bekend welke weg u moet nemen om weer thuis te komen. DD en TM staan op wacht bij de splitsing. Een van hen vertelt altijd de waarheid, de ander laat slechts leugens over zijn lippen komen. Wat moet u vragen om de weg naar uw huis te vinden?

TM: Waarom zou je nog naar huis willen als je mij en DD tegenkomt? Je kunt beter vragen of we nog zin hebben in een biertje, als DD dan nee zegt weet je in ieder geval wie de leugenaar is.

DD: Je zou dan het best kunnen vragen naar de plaats die de ware werkelijkheid inneemt in de werken van Lucebert en hoe dit samenhangt met de weg die naar huis leidt. Die proleet van een TM weet waarschijnlijk niet wat het goede antwoord is, dus hij zal je in ieder geval de waarheid niet vertellen. Afhankelijk van mijn antwoord zou je dan, mits je niet net zo weinig kaas hebt gegeten van de Poëzie als TM ,de weg naar huis moeten kunnen vinden.

Levende natuur. Hoe heten de vliezige plaatsen tussen de schedelbeenderen bij pasgeboren kinderen?

TM: Fontanel! Ik had ooit nog een broertje, maar toen ik wilde kijken of er een wortel in zou passen, heeft hij het helaas niet overleefd. Soms krijg ik wel eens het gevoel dat mijn ouders me dit nog steeds kwalijk nemen.

DD: Fontanel. Er gaat niets boven een warme fontanel, een beetje glijmiddel en mijn stijve IJzeren Thijs zeg ik altijd maar.

Als u onverhoopt niet meer kon presteren (een auto-ongeluk, gebrek aan zin, gemorste thee), wie zou van u dan uw vriendin mogen bestijgen?

TM: Dat zou natuurlijk DD zijn. Omgekeerd verwacht ik ook dat ik zijn vriendin zou mogen bestijgen in het geval dat hij, god verhoede het, niet meer zou kunnen presteren.

DD: Dat zou natuurlijk TM zijn. Omgekeerd verwacht ik ook ik zijn vriendin zou mogen bestijgen in het geval dat hij, god verhoede het, niet meer zou kunnen presteren.

Wat is volgens u het beste stuk dat JG geschreven heeft? En waarom.

TM: Dat moet het korte maar krachtige stuk dat hij ooit over het drinken van koffie geschreven heeft zijn. Waarom? Ik drink nu eenmaal graag koffie.

DD: Ik zal heel eerlijk zijn, ik ben meer een schrijver dan een lezer. Ik lees eigenlijk nooit stukken van anderen, laat staan dat ik hele boeken zou gaan lezen. Maar ik heb wel eens iets van JG aangelezen over kunst en Joost Zwagerman. Volgens mij vond ik dat wel aardig.

Wat vindt u het vervelendst aan Armando?

TM: Het vervelendste aan Armando vind ik dat hij zijn oorlogsverleden zo uitbuit. Ik bedoel, het is ondertussen bijna zeventig jaar geleden. Of nee, ik vind zijn naam het vervelendste. Waarom zou je in godsnaam je geboortenaam ontkennen? Zeker als het alternatief ‘Armando’ is. Maar het allervervelendste moet wel zijn dat hij nog leeft.

DD: Wie?

Zet in de juiste volgorde: Hanna Bervoets, Renske de Greef, Ruud Lubbers.

TM: De juiste volgorde moet van groot naar klein zijn: Renske de Greef, Hanna Bervoets, Ruud Lubbers.

DD: Renske de Greef, Hanna Bervoets, Ruud Lubbers. Waar ik Renske zei bedoelde ik Hanna en waar ik Hanna zei bedoelde ik Renske, stop de tijd. Ik zet twee jokers in.

Vindt u het ook een beetje te ver gaan om een hele prullenbak in uw badkamer te zetten, alleen maar voor die zilverpapieren pieletjes op tubes tandpasta?

TM: Ik zeg altijd maar: Beter een hele prullenbak in je badkamer, dan een halve badkamer in je prullenbak.

DD: Nee.

Archief