Monthly Archives: december 2014

fnvFNV,

Het was een onaanzienlijk ding, die flesopener. Hij was van metaal, omhuld met hard wit plastic waarop in gifgroene letters ‘FNV Bouw- en Houtbond’ geschreven stond. Maar toen ik mijn vader meedeelde dat hij na het zoveel-duizendste geopende biertje met dank aan de over drie decennia verzamelde roest in tweeën was gespleten, leek er ook bij hem iets te breken. Een even tastbare als bruikbare herinnering aan zijn vader en zijn eigen sociale stijging verdween die avond in de vuilnisbak, om de volgende dag te worden vervangen door een karakterloos exemplaar van de Blokker.

Hoe we aan die flesopener gekomen zijn weet ik niet exact, maar het zal vermoedelijk iets te maken hebben met het feit dat mijn opa meer dan veertig jaar (tot aan zijn dood) lid is geweest van de FNV. In de jaren ’50 hielp hij als afdelingssecretaris andere arbeiders op de NDSM-werf met het invullen van hun belastingaangifte. Vrijwilligerswerk. ‘Solidariteit’ had nog betekenis.

Lang verhaal kort: de familie vdL kent een lange en gelaagde geschiedenis van vakbondslidmaatschap. Dus toen ik in de laatste maand van 2012 telefonisch werd benaderd met de vraag of ik gratis lid wilde worden van FNV Bondgenoten, twijfelde ik geen moment. Uiteraard besefte ik ter dege dat de vakbonden niet meer van deze tijd zijn; ze vertegenwoordigen nog maar een fractie van de werknemers en hebben zo doende nauwelijks een mandaat in de Cao-onderhandelingen. In het artikel De vakbeweging, waartoe is zij op aarde en welke rol moet zij spelen in de 21e eeuw?, dat in 2012 verscheen in De Volkskrant, omschrijft auteur Barry Smit de bonden als ‘een sociale ANWB’. Ik citeer: ‘Leden worden als consumenten benaderd, er wordt niet mét hen maar vóór hen gewerkt. Veel diensten die de bond aanbiedt, kan men evengoed elders betrekken. De vakbeweging lijkt geheel vergeten wat de waarden zijn waarop haar bestaansrecht is gebaseerd’. De juistheid van deze kwalificatie zal ik in het vervolg van dit artikel treffend illustreren.

Ziet u, ik kon toen nog niet vermoeden dat uw bond ‘gratis’ definieert als ‘na een half jaar gaan wij zonder enige vorm van kennisgeving het schone bedrag van 16,90 per maand afschrijven’. In het telefoongesprek was mij gevraagd om mijn rekeningnummer, maar ik werd gerustgesteld: dat was puur voor administratieve doeleinden. Vermoedelijk ben ik voorgelogen ten behoeve van de targets van de door u ingeschakelde telemarketeers. Maar uiteraard had ik er alle vertrouwen in dat de FNV dit misverstand snel uit de wereld zou helpen.

De klantenservice was graag bereid mij uit te leggen hoe dat nu allemaal precies in zijn werk ging bij de FNV. Studenten en uitkeringstrekkers (ik viel in deze categorie) mochten lid zijn tegen gereduceerd tarief. Voor slechts 6,75 de maand kon ik, in de dalperiode van mijn productiviteit, genieten van haar diensten. De teveel betaalde contributie met terugwerkende kracht terugontvangen was uiteraard niet mogelijk. En een gratis lidmaatschap, wel, dat bestond helemaal niet.

Volgens mij heeft u mij niet goed begrepen, zei ik. De mevrouw zei dat ze mij heel goed begrepen had. Ze vond het werkelijk vervelend dat ik verkeerd geïnformeerd was. Maar nu was het zaak de contributie z.s.m. over te maken. Want door mijn storneringen was er inmiddels sprake van een betalingsachterstand van iets meer dan honderd euro, en op overdracht aan het incassobureau zat ik vast niet te wachten?

Er volgde een eindeloze correspondentie. Althans, ik meen dat twee e-mails, een brief en acht telefoontjes, gegeven de omstandigheden, toch wel als ‘eindeloos’ te kwalificeren valt. De reacties waren verschillend, de uitkomst steeds dezelfde. Nu eens begreep uw medewerker best dat ‘Oeps, het was toch niet gratis’ zelfs in onze vrijemarkteconomie geen acceptabele manier van zakendoen is. Ik mocht dan op haar sympathie rekenen en het zou allemaal worden doorgegeven aan de contributieafdeling. Een garantie kreeg ik uiteraard niet; zij ging daar niet over, ze was immers maar een simpele klantenservicemedewerkster. Dan weer moest ik genoegen nemen met een uitleg over FNV ’s contributietarieven. Ondertussen bleven de betalingsherinneringen binnenstromen.

Het ergste van alles: omdat ik precies een week te laat was met het opzeggen van mijn lidmaatschap, kon zij pas over veertien maanden (14×16,90=236,60) worden beëindigd. Zoals u wellicht weet heeft de Europese Unie een einde gemaakt aan de bekende praktijk van ‘niet op tijd opgezegd, dan zit u er nog een jaar aan vast’. Helaas geldt deze nieuwe regeling wel voor de Donald Duck en de sportschool, maar niet voor uw vakbond. Want dat is een vereniging. Ene Jaap Roelants schrijft op de site geldenrecht.nl : “Op 1 november dit jaar was ik 50 jaar lid van vakvereniging FNV Bondgenoten. Ik heb daarmee naar mijn gevoel mijn bijdrage wel geleverd en wil het stokje doorgeven aan de nieuwe generatie”. En toch is hij verplicht nóg een jaar lid te blijven. Na vijftig jaar! Hoe valt dit nu te rijmen met het begrip solidariteit?

Niet, is het antwoord. De heer Roelants bedient zich van een terminologie die de bond inmiddels vreemd is. De vakbond heeft niets meer met solidariteit. Het is een club die zijn eigen overbodigheid probeert te bestrijden met de inzet van malafide callcenters. Dit zijn praktijken die je nog niet zou verwachten bij de boekenclub. Maar die leveren dan ook een product waar daadwerkelijk mensen op zitten te wachten.

Een aantal audio-opnames van de gevoerde gesprekken zijn van mijn telefoon overgebracht naar een Soundcloud-account en hier

te beluisteren. In afwachting van een reactie van uw PR-afdeling verblijf ik, laagachtend alsmede twee dikke middelvingers,

WvdL

Asha ten Broeke noemt zichzelf een freelance journalist, een wetenschapsjournalist en feminist. Freelance journalist betekent dat ze de feministische zaak niet hoog genoeg heeft zitten om een fulltimebaan te nemen. Wetenschapsjournalist betekent dat ze stukjes over wetenschap schrijft. Dat doet ze niet, ze schrijft stukjes over gender en over dik-zijn. Feminist betekent niks.

Er zijn te weinig vrouwen op de werkvloer en als ze er al zijn, dan werken ze parttime, want ze willen ook nog kinderen en een cursus Spaans volgen en uitgaan en dus komen ze nooit hogerop etc. Ten Broeke vindt dit schande; er moeten meer vrouwen aan de top en zij moeten dus meer fulltime werken. Totdat het zover is echter, zit Asha liever thuis op haar autonome achterwerk haar journalisme de wereld in te twitteren. Die testosteronarena, die men werkvloer noemt, en waar toch altijd maar weer een zo’n persoon met weliswaar hetzelfde kapsel, maar toch ook met een minieme hoeveelheid – zeg: een balzak – meer talent dan jij boven je blijkt te staan, die mijdt zij liever. Zij voert de strijd liever guerrilla, c.q.: in de huiskamer. Waartegen? Tegen het huisvrouwfeminisme bijvoorbeeld. Het geld verdient ze liever schnabbelend, wanneer ze haar meest genakwaakte kwaaksels aaneen rijgt en opstuurt als column of voorleest aan diezelfde nakwakers. Zij weet: partijen met maar één speerpunt krijgen groter publiek dan partijen met een heel programma. Freelance… ik zal je eens een lans geven!

Wetenschapsjournalist… u vroeg zich natuurlijk al af, waarom ze zichzelf niet gewoon freelance-wetenschaps-journalist noemt. Alsof iedereen die meer dan een persoon weegt, twee keer hetzelfde beroep doet, zichzelf twee keer dezelfde titels mag geven, twee keer op de loonlijst staat. Nee, als dat zo was, had ze met haar gewicht alsnog een fulltimer geweest. Nee, Asha houdt, zoals elke vrouw, gewoon heel erg van knutselen en dan vooral knippen. Dat is helaas nogal kwalijk als je wetenschapsjournalistiek bedrijft. Kijk: de wetenschap lijdt aan specialisering. Wetenschappers moeten onbevooroordeeld proberen de waarheid te benaderen, maar het probleem is dat De Waarheid (even aangenomen dat ie bestaat) een geheel is, en wetenschappers aan hun delen zijn gebonden. Ze staren zich dood. Gelukkig zijn er dan wetenschapsjournalisten, dien het om het even is in wat voor vakgebied er ontdekkingen zijn gedaan, die de claims ten overstaan van de wereld aan wat methoden toetsen en bekritiseren waar nodig is. Incipit Asha ten Broeke. Op haar website staan haar specialiteiten vermeld, dat zijn categorieën waarin ze elk van haar columns en essays indeelt (hashtags dus eigenlijk). Daar gaat ie: ‘seks’, ‘vrouw (en man)’, ‘seksisme en feminisme’, ‘homoseksualiteit’, ‘overgewicht’. Zie hier uomo universalis Mevrouw Professor Doctoranda Doctoranda Ten Broeke. Vijf specialismen en dan is ze nog zuinig. Ze had man en vrouw kunnen scheiden in twee lemma’s en seksisme en feminisme laat ze ook bescheiden onder één noemer vallen, alsof zij twee kanten van dezelfde medaille waren. Yin – yang, vrouw – man, seksisme – feminisme. Het zijn de polen van het universum.

Toch is het schijnbescheidenheid: ‘homoseksualiteit’ valt natuur lijk gewoon onder ‘seks’ en ‘vrouw-manrelaties’ onder ‘seksisme en feminisme’. Dan hebben we dus drie specialismen over: ‘seks’, ‘seksisme en feminisme’ en ‘overgewicht’. De eerste twee vallen natuurlijk gewoon onder gender en de laatste eigenlijk ook, want bij elke pot Ben & Jerry’s (ik gok Chunky Monkey) die ze naar binnen lepelt, nemen haar meningen over schoonheidsidealen in gewicht toe. Asha Ten Broeke is als de crimineel die zijn vonnis naar binnen propt: ze eet tot ze gelijk heeft. En dus blijft er één specialisme over, zoals er altijd ook maar een dag-, week- of maandschotel kan zijn, omdat dat nu al eenmaal jaren zo is, in stille acceptatie. Natuurlijk zal Asha deze traditie als een ideologische constructie ontmaskeren, maar soit.

Dan feminisme. Een leeg begrip. De Beauvoir en Beyonce, broeken en rokjes, breien en vergaderen. Allemaal feminisme. Feminisme is als de kut van Asha ten Broeke: met een beetje proppen moet alles erin kunnen. Iemand die zich feminist noemt zonder toelichting, sticht nodeloos verwarring, een beetje als een vrouw die je schouder aanraakt, maar dan later opeens geen seks zegt te willen.

Ten Broeke is deze vrouw ten voeten uit. Een definitie van feminisme geeft zij niet, zij gebruikt er het liefst zeven tegelijk, waarschijnlijk om zoveel mogelijk vluchtroutes open te houden, maar uiteindelijk lopen die vluchtroutes dood. Haar feminisme is tegenstrijdiger dan scharende lesbo’s. Een casus is voldoende. Ze propageert een wetenschappelijk feminisme, maar stelt vervolgens de wetenschap totaal in dienst ervan. Als onderzoek claimt dat elke vrouw in staat is tot een mitrailleur-orgasme, neemt ze dat klakkeloos over. Frigiditeit is immers maar een gedateerd begrip. Als een vrouw niet klaar kan komen, dan is dat omdat zij te bang is om niet klaar te kunnen komen, omdat een man wil dat een vrouw kan klaarkomen. Zie hier tegenstrijdigheid 2: zij bevestigt dit ideaalbeeld niet alleen, ze stelt het ook als maat, als realistisch beeld zelf. Iets anders. In Het idee m/v vertelt ze ons dat het sekse-onderscheid…nou ja, een idee is. Nature heeft namelijk niet genoeg onderbouwing, dus dan moet het wel nurture zijn. Contradictie 3: nature/nurture is een idee. Een abstractie, bedoeld als houvast in reflectie over onze psyche. Ons werkelijke gedrag gaat eraan voorbij: opvoeding wordt natuur de natuur is ook maar toeval.

Maar de schadelijkste boomerang is toch wel haar schizofrene feminisme zelf, dat uiteindelijk, gelijk haar kapsel, de poten onder het geloof in een rationele vrouw vandaan zaagt. Wij hebbende de vrouw tot de openbaarheid toegelaten, maar na honderd jaar heeft zij haar eerste standpunt nog niet weten te formuleren: wie zij is.

Hoeveel mensen er het afgelopen jaar in Amsterdam onder de tram kwamen is helaas niet exact bekend, maar witte heroïne eiste in heel 2014 precies drie dodelijke slachtoffers. En dat waren ook nog eens Britten. Toch vond de GGD het nodig ons allen te waarschuwen voor de dreiging van ‘dangerous cocaine’, een exquise genotsmiddel dat de vervelende eigenschap heeft dat het gemakkelijk kan worden aangezien voor huis-tuin-en-keuken-cocaïne. Met alle dodelijke gevolgen van dien.

Het kan u niet ontgaan zijn: enkele van de belangrijkste pleinen in onze hoofdstad worden deze dagen ontsierd door grote matrixborden, bevestigd aan metalen palen die zijn geplaatst op felgele aanhangwagentjes. In de matrixborden knipperen lampjes die de volgende boodschap overbrengen: ‘Extremely dangerous cocaine is being sold to tourists in this area’. Toen ik op het Koningsplein voor het eerst zo’n bord zag was ik van de dode Britten nog niet op de hoogte; mijn eerste gedachte was dan ook dat ik met een kunstwerk van doen had. Dit moest een grap zijn, een creatief commentaar op de reputatie van Amsterdam als drugsmekka. Enkele toeristen staarden er met een zelfde verbazing –en afgrijzen- naar. Je komt naar Amsterdam voor de bloemenmarkt en het Begijnhof, maar wordt geconfronteerd met het feit dat anderen liever hun neustussenschot perforeren, via een spuuglelijk geval dat pontificaal tussen de zeventiende eeuwse architectuur is geplaatst.

Stel: je heet Alex Smith en bent woonachtig in Portsmouth, Groot-Brittannië. Je bent op vakantie in Amsterdam, een stad die je niet kent in een land waar je nog niet eerder was. Op een straathoek koop je van een volslagen onbekende een zakje met wit poeder. In het beste geval is dat een illegaal, zeer verslavend genotsmiddel dat ons land is binnengesmokkeld via de maag van een Zuid-Amerikaan, die het vervolgens onder het toeziend oog van zijn criminele uitbuiters heeft uitgescheten op speciaal voor dit doel aangeschaft vochtafstotend plastic. In het slechtste geval is het… ja, wat eigenlijk? Je kocht het van een volslagen onbekende in een stad die je niet kent. Het kan werkelijk alles zijn. Alles dat wit is en te vermalen valt is in wezen geschikt om aan jou, de Britste drugstoerist Alex Smith, als cocaïne te slijten. En toch kies je er voor dat zakje mee te nemen naar je hotelkamer en de inhoud zonder nadere inspectie in je neus te proppen. Nu vraag ik u: is het werkelijk nodig dat de gemeente ons er op wijst dat daar bepaalde risico’s aan verbonden zijn? Of kan Alex dat wellicht zelf bedenken, bijvoorbeeld omdat hij een volwassen man is met een min of meer volwaardig functionerend brein?

Ondanks het opschonen van de Wallen lijkt de gemeente Amsterdam te volharden in haar streven om de stad te marketen als een soort X-rated Euro Disney. Wat voorbeelden: tot voor kort liet de tram bij het naderen van het Leidseplein nog horen: ‘Leidse Square. Entertainment area’. In de wintermaanden wordt de Dam ontsierd door kneuterige houten hutjes waar producten worden verkocht die niets met Amsterdam, Nederland of goede smaak te maken hebben. En over bierfietsen hoef ik niets te schrijven, want we weten allemaal wat dat zijn en denken er (hopelijk) allemaal hetzelfde over, een beetje zoals met het geklets van Thierry Baudet. De matrixborden zijn een ergerlijke mix van gênante betutteling enerzijds en het faciliteren van onwenselijk gedrag anderzijds.

Mijn favoriete citaat van de grote Arnon Grunberg luidt als volgt: ‘ieder mens heeft recht op zijn eigen dwalingen’. Onze moderne maatschappij biedt schier oneindige mogelijkheden voor zelfbedrog en -destructie. Op iedere straathoek kun je hamburgers kopen waar chemicaliën in zitten die ook bij de productie van yogamatten worden gebruikt. Je kunt jezelf voor schut laten zetten in een programma van Reinout Oerlemans, of je hersenen verpesten door er naar te kijken. Je kunt gokken, drinken, blowen, onveilige seks hebben met Tindermatches, naar de kerk gaan, twerken voor je webcam, aan freefighten doen, Brazilian fartporn downloaden, onder de zonnebank gaan, of de meest vreselijke persoonlijke beledigingen opschrijven en af laten drukken in tijdschriften als Propria Cures of Nieuwe Revu. En dat mag allemaal omdat we –gelukkig- vrij zijn om onze eigen keuzes mag maken, onafhankelijk van het oordeel dat vrienden, familie, buren, de kerk, of de staat daar over hebben. Een vrijheid die echter komt met een prijs: voor de gevolgen draaien wij zelf op. We weten dat sigaretten onze longen verpesten, dat Tindermatches HIV overbrengen, en dat kwetsende dingen over Quinsy Gario schrijven tot geagiteerde tweets van de hokjesman kan leiden. En toch doen we het, omdat we zelf in staat zijn tot een kosten/batenanalyse: ‘Tegen de tijd dat ik longkanker krijg ben ik al uit het raam gesprongen’, ‘Met HIV valt tegenwoordig prima te leven’, en ‘Ik heb schijt aan de hokjesman’ zijn voorbeelden van overwegingen die in deze situaties doorslaggevend kunnen zijn.

Tot op zekere hoogte mag de staat mensen tegen zichzelf in bescherming nemen. Let op: geld lenen kost geld. Geniet, maar drink met mate. En snuif geen coke. Want als je dat wel doet, krijg je van de diender een prent, word je vermanend toegesproken, en zou het zomaar kunnen dat de functie van inkomensconsulent bij het UWV aan je neus voorbijgaat, omdat je er niet in slaagt het benodigde V.O.G. te verkrijgen. Waarschuwen voor ‘gevaarlijke coke’ via spuuglelijke borden is niet nodig: dat coke aanschaffen illegaal is, zou waarschuwing genoeg moeten zijn.

Archief