TS

Voor wie er nog aan twijfelde: ook vrouwen zijn in staat tot verkrachting. Geef ze een toetsenbord, vraag ze om over seks te schrijven en het is alsof je Ted Bundy, Jack the Ripper en Marc Overmars samen een gangbang laat organiseren. Geen pik zou je een meer uitgewoond gevoel kunnen geven dan het legio vrouwen dat momenteel op een vlotte manier over neuken probeert te schrijven.

Daarbij gebruiken ze dus gewoon woorden als ‘neuken’. Ja, heel direct misschien, maar volgens deze vrouwen is het echt tijd dat het taboe op seks – en vooral vrouwen die seks hebben! – nu eens wordt doorbroken. In de praktijk komt dit erop neer dat ik het afgelopen jaar in 28 columns uitgelegd heb gekregen hoe mijn clitoris eruitziet. Die (iedere sekscolumnist zou hier ‘zij’ schrijven en opmerken dat clitoris immers een vrouwelijk woord is) ziet eruit ‘als een soort zwaantje’, aldus sekscolumnist van de Volkskrant Joy Delima. Geen verkleinwoord had de buitensporige tuttigheid van dit genre beter kunnen typeren. 

Die tuttigheid is een veel groter probleem dan de orgasmekloof. Behalve Joy Delima hebben ook Linda Duits, Marith Iedema, Linda de Munck, Marie Lotte Hagen, Nydia van Voorthuizen, Daan Borrel, Dorien van Linge, Milou Deelen en Nina de la Parra zich op het onderwerp gestort. Joy Delima wil ‘seks niet langer als een geheim behandelen’. Linda De Munck omschrijft zichzelf als ‘feminist en taboe-doorbreker’. Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen spreken van ‘een taboe op het ownen van je seksualiteit’. Linda Duits wil een einde maken aan ‘het taboe op seks en op het praten over seks’. En volgens Milou Deelen is als vrouw praten over seks ‘nog erg taboe’. 

Hoe willen ze dat zogenaamde taboe dan doorbreken? Met columns die zo saai en voorspelbaar zijn als een vijftienjarige jongen die een meisje in het fietsenhok vingert. Met proza dat even krampachtig is als vaginisme en even ranzig als chlamydia. In dit jargon heet geil worden ‘van je stoel glibberen’. Borsten zijn ‘boobs’ of, erger, ‘boobies’. Mannelijke orgasmes heten ‘zaadpompsessies’, en een vrouwelijk orgasme is ‘een soort vulva-nies’ (‘je voelt ’m opkomen en je hoeft het enkel toe te laten’). Ik ben even royaal met de aanhalingstekens, want ik heb niks met dit alles te maken.

Bleef het maar bij een paar onsmakelijke neologismen. Maar nee, die woorden staan in complete, nog veel afschuwelijkere zinnen. Joy Delima vindt dat mensen voor ze met elkaar naar bed gaan de vraag moeten stellen: ‘In wat voor seks heb je zin vandaag?’ Immers: ‘Als ik iemand uitnodig om voor het eerst bij mij te komen eten, dan vraag ik toch ook altijd wat iemand graag eet.’ Ieder normaal mens zou gewoon z’n best doen en de ander proberen te verrassen. Ook Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen houden niet van verrassingen. In het voorwoord van hun erotische verhalenbundel Damn Horny (‘Voor je begint met masturberen, eerst nog even dit…’) geven ze alles alvast weg. ‘Verwacht dikke konten, strap-ons en packers, geile dominante vrouwen en non-binaire personen die weten wat ze willen, klungelseks, communicatie in bed, spank sessies en nog veel meer.’ Hoeveel mensen zouden al eens met iemand mee naar huis zijn gegaan omdat diegene ze ‘communicatie in bed’ en ‘non-binaire personen die weten wat ze willen’ beloofde? En hoeveel zouden daarop zitten te wachten? ‘Al die burnt-out, overworked, overachieving girls moeten klaarkomen. God heeft de clitoris geschapen FOR A REASON. Dus, schreeuw samen met mij onze mantra: MAKE WOMEN COME. HEAL THE WORLD,’ aldus Nina de la Parra in haar debuut. ‘HEAL THE WORLD’? Heal je capslockknop, gek! 

Als al deze vrouwen echt geïnteresseerd waren in taboes doorbreken hadden ze wel een biologieboek voor de onderbouw geschreven. Daar valt natuurlijk niet genoeg eer aan te behalen. Dus publiceren ze betuttelende manifesten bij Das Mag of Pluim, en columns bij De Correspondent of Volkskrant Magazine die alleen worden gelezen door hun vrienden en andere bezoekers van Milkshake. Kortom, door iedereen die alles wat zij opschrijven ook zelf wel had kunnen bedenken. 

Het zijn godbetert net mannen: allemaal precies hetzelfde. Als ik nog één keer hoor dat ik moet kunnen lachen tijdens seks, dat wij vrouwen natuurlijk best in staat zijn zelf de deur open te doen, dat poepen tijdens een date echt heel normaal is, dat ik met een spiegeltje naar mijn kut (wederom helemaal geen woord om je voor te schamen natuurlijk) moet kijken, dat het aan mij is om te bepalen of ik mijn oksels wel of niet scheer of dat seks veel méér is dan alleen penetratie, vraag ik een vrouwenbesnijdenis aan.

TS

Deze week zit koningin Elizabeth zeventig jaar op de troon. Een mooie prestatie, al zijn er tijdens haar regeerperiode wel wat parels van de ketting gevallen, zoals Nigeria, Oeganda, Rhodesië, Brits-Guiana en Swaziland. Het ziet er zelfs naar uit dat de queen binnenkort afstand zal moeten doen van het Verenigd Koninkrijk. Dat behoort tegenwoordig toe aan Tom Egbers.

Elizabeth is populair, maar Tom Egbers is populairder. Beiden hebben een Engelse moeder, maar alleen Tom – ‘Tommy’ op Instagram –  heeft drie bejubelde series gemaakt: Toms Engeland, Toms Ierland (niet eens onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, maar dat was wel anders geweest als allemansvriend Tom aan het roer had gestaan) en Toms Schotland. Inderdaad, alles is dus van Tom. En laten we eerlijk zijn, elke vierkante meter is hem gegund – Tom is immers ontzettend sympathiek. Jongensachtig ook, wat wil zeggen dat hij na z’n vijftigste nog haar heeft en niet heel dik is. In de laatste reeks zien we hem in een oldtimer door het Schotse landschap rijden. Is dat leuk voor de kijker? Het is vooral erg leuk voor Tom zelf. En als Tom geniet, genieten wij ook.

Toen de documentaireseries van Ruben Terlou (De wereld van de Chinezen) en Paulien Cornelisse (Tokidoki) werden uitgezonden, buitelde men over elkaar heen om te zeggen dat het zo knap was dat zij respectievelijk Mandarijn en Japans spreken. Dat zijn namelijk Heel Erg Moeilijke Talen. Toch heeft de kijker nog net iets meer ontzag voor Tom Egbers. Diep vanbinnen voelen we allemaal dat we, als we maar bereid zouden zijn een paar jaar van ons leven weg te gooien, dat kunstje van Terlou en Cornelisse ook zouden kunnen, maar die schitterende Received Pronunciation van Tom, nee. Daarvoor moet je een geboren Engelsman zijn. Of vooruit, een in Almelo geboren man met één Engelse ouder.

In de eerste aflevering van zijn Schotland-serie legt Tom uit wat voor hem typisch Brits is. ‘Brits is voor mij ehm… goeie muziek, goeie popmuziek… goeie sportwedstrijden… goeie vertelkunst… interessante architectuur… eh… best slecht eten en… humor! Een cocktail daarvan, dat is voor mij Brits.’ Kortom: ieder cliché dat de kijker zelf op zou noemen, min high tea. Overigens zien we de wandelende fles Andrélon Zomerblond bijna nooit in beeld, maar als we hem zien, dan heeft hij ook niks te melden.  ‘Als je uit de verte deze Keltische melodieën hoort… Ja, dan… Ik weet echt niet hoe ik dat moet zeggen maar dat is zeer… roerend. [Kort knikje.] Ontroerend.’ Einde shot.

Wie denkt dat Toms presentatievaardigheden er met de jaren misschien op achteruit zijn gegaan, zit ernaast. ‘Het begin van zijn carrière op televisie was nogal stuntelig met talloze versprekingen en vergissingen,’ meldt Wikipedia. (Op diezelfde site staat, maar dit is wat minder grappig, dat Tom in 2019 een hartinfarct heeft gehad – nog knap dat hij er daarna bleef uitzien als Ronald Koeman na een min of meer geslaagde liposuctiebehandeling). Tom belachelijk maken omdat hij niet kan presenteren is zinloos. Mensen houden van hem, juist omdat hij niet kan presenteren en het met een hoop stiltes, ge-‘ehhh’ en verkeerd voorgelezen autocues toch gewoon doet. Noem het gebrek aan zelfinzicht, noem het doorzettingsvermogen.

Misschien is Tom gewoon te Brits om een goede presentator te zijn. ‘Soms ben ik jaloers op de Nederlandse directheid,’ zei hij een paar jaar geleden in een interview met de Volkskrant. Net als de Engelsen is hij ‘uit angst voor ongemak zo onhandig’ en eet hij christmas pudding met kerst. Verder? ‘Ik heb een keurige, burgerlijke auto. Een Volvo. En ik ben tientjeslid van de VPRO en ik heb een hond.’ Very British! KRO Magazine noemde hem zelfs ‘de gentleman onder de sportjournalisten (en dat heeft vast iets met zijn Engelse moeder te maken)’. Een hele prestatie, al zijn Johan Derksen en René van der Gijp je concurrenten. En zoals een gentleman betaamt, houdt Tom niet van ruzie – de Brexit kende alleen maar verliezers, of losers, zoals Tom zou zeggen. ‘Ik vind het verdrietig wat er nu allemaal gebeurt in Engeland. Lange tijd was het zo’n voorbeeldland! Niet alleen maar Downton Abbey-dingen, maar ook de popmuziek, de sport, het toneel! Dat is echt fantastisch!’ Net als hijzelf – God save Tom Egbers.

TS

Sisyphus is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij was de stichter en koning van Korinthe. Hij was een sluwe man, maar beging de vergissing de goden uit te dagen. Hij wist telkens aan hen te ontsnappen, maar verergerde hiermee zijn uiteindelijke straf. Die luidde dat hij tot het einde der tijden in de Tartaros een rotsblok tegen een berg moest duwen. Telkens rolde het van de top weer de diepte in waardoor hij het opnieuw en opnieuw de steile helling op moest duwen. Als onze nieuwste meeloper annex classicus in wor­ding het beter weet hoort u dat vast in het volgende nummer, maar dit is hoe Wikipedia het ons vertelt.

Dagelijks verrichten een half miljoen Nederlanders sisyphusarbeid. Je leest met veel ploeteren de Volkskrant uit, en de volgende dag ligt ie gewoon weer op de mat. En de dag daarna, en die daarna, enzovoort. Soms denk je: vandaag zal het vast meevallen, het ergste moeten we nu toch wel eens hebben gehad. Ik denk te­rug aan het jaar waarin de debuutroman van Volkskrant-verslaggever en -tv-re­censent Haro Kraak verscheen. Dat boek werd in een artikel in diezelfde krant ge­promoot. ‘Synesthesie, daar gaat Kraaks eerste roman over.’ Door: Haro Kraak. En wij maar duwen. Dinsdagochtend lag het rotsblok weer onderaan de berg. ‘Emma Curvers wilde 100 Amerikaanse achtbanen bezoeken als basis voor haar roman Melktanden. Waarom?’ las ik op de voorpagina. ‘V-redacteur en schrijver Emma Curvers had een wild plan dat ze mooi kon inpassen in de voorbereiding van een nieuw boek: 100 Amerikaanse achtbanen ondergaan,’ stond er verder­op. ‘Melktanden verschijnt op 2 maart bij Uitgeverij Pluim.’ Tussen die twee laatste zinnen had Curvers in corona- en verkiezingstijd vier pagina’s volgeschre­ven over waarom achtbanen zo leuk zijn. Je moet het maar durven. Maar thrillsee­ker Curvers deinst sinds ze in de Cany­on Blaster is geweest blijkbaar nergens meer voor terug.

Bij het artikel staan foto’s die haar vrien­din onderweg heeft gemaakt, zodat die tenminste ook nog een slaatje uit deze van de pot gerukte onderneming heeft kunnen slaan. In de achttiende eeuw gin­gen jonge mannen als onderdeel van hun opvoeding op een grand tour door Eu­ropa. Geef vrouwen tegenwoordig eens een dergelijke kans en ze kiezen ervoor om in een woestijngebied waar tot op de dag van vandaag geen cultuur te vin­den is alle Six Flags-parken af te lopen. Niet dat de dames nooit eens zin hadden in iets anders. ‘Ik ben moe, ik ben cha­grijnig, ik wil aan het strand liggen,’ zo klonk het commentaar van de vriendin op een zeker moment. Jammer dan, want er zouden geen strandpassages in Curvers’ boek voorkomen. Had de vriendin maar twintig jaar geleden met Jan Wol­kers naar Texel gemoeten. Alhoewel het natuurlijk maar de vraag is of dat zo’n prettige vakantie zou zijn geweest.

Al met al is de hele gang van zaken dus­danig gestoord dat je niet meer kunt aan­wijzen waar de gekkigheid nou precies begint. Gaat ze op die idiote reis om­dat ze een boek daarover wil schrijven? Schrijft ze dat boek omdat ze die idiote reis wil maken? Gaat het boek over die idiote reis zodat ze het op deze manier ook in de Volkskrant kan aanprijzen? En welke redactiechef heeft dat toegestaan? We komen er niet meer achter. Laten we dus maar kijken of Curvers aan het eind van de rit een boek heeft kunnen afle­veren met iets meer spanning en onver­wachte wendingen dan de Rupsbaan op de kermis.

‘Lon heeft het voor elkaar. Ze heeft een vriend, een robot-stofzuiger, een hond en een huis,’ zo meldt de achterflap. Nog even langs de notaris en het leven zit er voor Lon wel zo’n beetje op. Maar zo makkelijk gaat het allemaal niet, want terwijl Lon in de weer is met haar robot-stofzuiger is haar vriend Philip dat met ene Xenia. ‘Maar dat laat Lon niet over haar kant gaan.’ Lekker Lon! Wat gaat ze eraan doen? Slaat ze Philips tanden uit z’n bek? Voert ze zijn ballen aan de hond? Niets van dat alles. Lon gaat ge­woon ook doen waar ze zelf zin in heeft. Lon gaat Amerikaanse pretparken aflo­pen. ‘Curvers heeft intieme kennis van het ware drama van de burgerlijkheid: het futiele verzet ertegen,’ aldus Arnon Grunberg. Mooie woorden, al komen ze dan van de man die zich zo hard tegen de burgerlijkheid verzet dat hij in New York blijft zitten terwijl zijn vriendin en onge­boren kind in een flat in Almere wonen.

Je zou verwachten dat het met Curvers’ intieme achtbaankennis ook wel goed zit. ‘Langzaam ratelend stijg ik op naar de Amerikaanse vlag die boven op de achtbaan wappert. Dit is de houdgreep van de achtbaan, langzamer dan nodig, bijna sadistisch: je mag je voorbereiden op wat komen gaat, maar je kunt niet meer terug,’ schrijft ze in Melktanden. En trouwens ook in de Volkskrant: ‘De achtbaan takelt ons naar boven, waar trots een Amerikaanse vlag wappert. Het takelen moet traag, dit is de houdgreep van de achtbaan, bestemd voor reflectie op je leven.’ Curvers weet alleen niet of het takelen bestemd is voor voorberei­ding of reflectie omdat ze in werkelijk­heid niet in 100 maar slechts in 64 acht­banen is geweest. Hoe dacht ze eigenlijk in godsnaam een fatsoenlijk boek af te kunnen leveren zonder gedegen vooron­derzoek? ‘Never let the truth get in the way of a good story,’ zegt ze zelf. Of van een wat minder goed verhaal, natuurlijk.

TS

Hoewel de overheid momenteel eventjes iets anders aan het hoofd schijnt te hebben, stijgt de zeespiegel ondertussen stoïcijns door. De wetenschap ziet nog maar één oplossing: nu alvast één provincie offeren aan de zee. Maar welke? Zeeland heeft al eens een dappere poging gedaan, maar vond het niet zo’n succes. Noord-Holland wordt het in ieder geval niet, want daar wonen wij al. Friesland zou een goede kandidaat zijn, ware het niet dat er van die schattige zeehonden op de Waddeneilanden aanmeren. Maar echt, heel schattig. Daarom een nieuw voorstel: Limburg. Het zou immers niet zo moeten zijn dat een provincie niet in aanmerking voor afzinken komt, puur en alleen omdat ze 200 meter boven zeeniveau en niet aan het water ligt – we zijn niet voor niks grootmeesters in naviducten geworden.

Waarom Limburg? Ik zou zeggen: waarom niet? Vlaaien zijn zuur, Limburgers onverstaanbaar. En als we ze al konden verstaan, dan zouden ze uitleggen waarom ze PVV stemmen. Door al die heuvels valt er niks te zien. Ja, nog meer heuvels, als je geluk hebt. Limburgers zijn er trots op dat hun provincie ‘net het buitenland’ is. Alsof Syrië niet in die categorie valt. Voor de Moederkerk, het carnaval en de drugsindustrie hebben we de Brabanders al. En tante Con woont al jaren op veilige afstand bij ons op de grachtengordel. Zet de pompen maar aan, zou je denken. Helaas. Limburg houdt één troef, één instrument achter de hand: André Rieu en zijn viool. 

André Rieu is de Churchill van de muziekwereld: volksheld die altijd loopt op te scheppen in het Gemenebest, en tot z’n dood onmogelijk om vanaf te komen. Vooral in Australië is André razend populair. Dat krijg je, als je bevolking nog niet zo lang geleden alleen nog maar op didgeridoos liep te blazen. Maar ook een groot aantal Nederlanders luistert dagelijks naar Andrés covernummers. Meestal is dat niet vrijwillig. Zijn dvd’s blasten doorgaans zo hard door de verzorgingstehuizen dat het personeel de verzoeken om euthanasie van de bewoners simpelweg niet meer hoort. Menig wegstervende bejaarde kreeg door Andrés toedoen de Radetzkymars als requiem. Een keer of negen achter elkaar, want André is niet van het halve werk. Of hij nu op het Vrijthof of in Melbourne staat, als zijn publiek om een toegift vraagt – en dat doet het altijd –, dan geeft hij een toegift. Die staat dan ook al vanaf het begin van de tour vast, en beslaat zo’n 60 procent van het totale programma.

Natuurlijk dient er iets tegenover al deze inspanningen te staan. Miljoenen, bijvoorbeeld. En meer, als het even kan. Wanneer André in Maastricht een cappuccino en stuk kruisbessenvlaai bestelt, lijkt het hem niet meer dan logisch dat hij zijn bestelling niet hoeft af te rekenen. Lukt niet altijd. ‘Ongelooflijk,’ noemt hij dat. ‘“Dat is dan 5 euro 50, meneer Rieu,” zeggen ze dan. Ik verbaas me er elke keer weer over.’Andrés redenering: tijdens zijn concerten lopen de horeca-uitbaters net zo goed binnen. Zo bezien zouden de stratenmakers ook maar gratis voedselbonnen uitgedeeld moeten krijgen. Zonder hen zouden die vreetschuren er überhaupt niet staan. Bovendien vertelt André ons niet hoeveel hij zelf aan de gemeente betaalt voor het gebruik van het Vrijthof. Zou hij in het dichtstbijzijnde theater gaan staan, dan zou hij door de beperkte capaciteit en zijn neoclassicistische opblaaskasteel ‘nog maar net de broodjes in de pauze kunnen betalen’. Hij mag, kortom, de heilige Lambertus van Maastricht in de Sint-Servaasbasiliek op zijn blote knietjes danken dat ze telkens opnieuw dat plein voor hem ontruimen. De meeste gekken die herrie komen maken worden direct doorverwezen naar het Malieveld.

Toch zijn Andrés provinciale privileges niet genoeg voor hem. André wil meer. André wil wat tot nu toe alleen een grote internetprovider is gelukt. Ooit zal, als het aan hem ligt, de André Rieu Dome in Maastricht verrijzen. En al ben je Jaap van fucking Zweden met het New York Philharmonic in je kielzog, de muzikale elite komt er mooi niet in. En de recensenten, die altijd lullige dingen over André en zijn orkest schrijven, al helemaal niet. Want zijn muzikanten van het Johann Strauss Orkest (de enige reden dat het orkest niet het André Rieu Orkest heet, is dat het gebruiken van een bekende naam meer prestige oplevert – als ik ergens indruk wil maken zeg ik ook altijd dat ik het Hella Haasse-fellowship bij PC volg) zijn briljant. Wereldklasse. Beter kan niet. Het zal best. Buiten kijf staat dat deze muzikanten poederroze prinsessenjurken als bedrijfskleding dragen. Kijk dan niet, luister gewoon, zou je zeggen. Maar dat is juist het punt: je moet zelf óók naar de dirigent kijken. Anders weet je niet wanneer je de polonaise in moet zetten.

Natuurlijk gaan we André zelf wel horen in zijn Dome. En niet alleen met die hoempapahupsateeholladiejee-walsen hè, want André heeft echt nog wel meer in zijn mars. Een oorlogsmars, bijvoorbeeld. Zo trakteerde André zijn publiek eerder op Alte Kameraden, het strijdlied waarop duizenden gevangen concentratiekamp Neuengamme werden ingeleid en op werden vermoord. Maar ja, die meezinger bestond al voor de oorlog, en het is toch ook niet alsof we alle Volkswagens van de weg hebben gehaald? Nou dan. Bovendien, André is volgens zijn woordvoerder en zoon helemaal niet met politiek bezig. Dat bewees hij ook toen hij tegen alle adviezen in een optreden in Tel Aviv gaf. ‘De concerten hebben maar één doel: mensen een fijne avond bezorgen met prachtige muziek, zodat ze hun dagelijkse zorgen voor even kunnen vergeten.’ Het is ook niet niks wat er daar op die Gazastrook gebeurt. Maar gooi er een goeie polka tegenaan en je zult zien dat de mensen weer helemaal opfleuren.

Spelen in het Johann Strauss Orkest verschilt niet zoveel van het werken in een mijn: het is loodzwaar, en af en toe wordt er een Pool ingevlogen om te helpen. Zo niet dit jaar. André heeft zijn kerstconcerten jammerlijk af moeten blazen. Met die afzegging is tevens een definitieve streep door de opnames van de 36e dvd-box gezet. Misschien komen we deze feestdagen tot de conclusie dat die eerste 35 ook eigenlijk wel genoeg zijn. Het is mooi geweest. We zetten André uit in het gangenstelsel van de eerste de beste mergelgrot. Met viool, voor mijn part.

TS

Maandagochtend, 9 uur. Ik ben in de huisartsenpraktijk en heb zojuist mijn handen gedesinfecteerd. De stoelen in de wachtkamer zijn bezet door bejaarden met coronazorgen. ‘Die kinderen en kleinkinderen moeten uit mijn buurt blijven. Ik heb ze niet het leven gegeven zodat ze mij de nek om konden draaien,’ schreeuwt de een de ander toe. ‘Ja, gelijk heb je hoor,’ antwoordt de ander. ‘Wat?’ De ander neemt haar mondkapje even af. ‘Ik zei: je hebt gelijk, hoor!’

‘Mevrouw Sparreboom?’ Gelukkig. ‘Ja,’ zeg ik, terwijl ik mijn tas opgelucht van de grond pak. ‘U komt voor zaad?’ Nee, vandaag niet. ‘Joost Zaat. Uw huisarts.’ Ik ben verbaasd. Zaat heb ik al in geen tijden meer gezien. Vervanger na vervanger heb ik lastiggevallen met mijn dossier, niemand wilde me vertellen waar Zaat was heen gegaan. Uiteindelijk heb ik hem zelf maar in het BIG-register opgezocht. ‘Joost Zaat is huisarts sinds 1983. Per 30 april 2020 is hij officieel met pensioen, maar hij neemt nog een beetje waar. Sinds augustus 2017 schrijft Zaat elke maandag een column in de Volkskrant.’  

‘Mevrouw Dennenboom. Ga zitten.’ ‘Spárreboom. Meneer Zaat, u bent er weer. Fijn dat u tijd hebt kunnen vinden om mij een beetje waar te nemen.’ Verwoed slaat de buitenechtelijke zoon van Harry Mulisch op zijn toetsenbord. ‘Ik heb het al gezien. U hebt geen corona.’ ‘Maar u heeft nog niet naar mij gekeken.’ ‘Dat is waar,’ geeft Zaat toe, terwijl hij kort zijn blik van het beeldscherm afwendt. ‘Nee, geen corona.’ ‘Eigenlijk had ik een heel andere vraag.’ Nu heb ik zijn aandacht. ‘Een ongewenste zwangerschap? Huishoudelijk geweld? Iets spannends voor de lezers? Vertel het me. Liefst in ongeveer 400 woorden.’ Ik twijfel even. ‘Het gaat om een depressie. Maar ik wil liever niet dat u er een column over schrijft. Dat ga ik zelf namelijk al doen.’

Zaat zucht. ‘De “ziekte” depressie bestaat niet.’ ‘Pardon?’ ‘Is een column van mij. Stond 20 januari 2019 in de krant. Ik zal de assistente een kopie voor je uit laten draaien.’ Hij lijkt me meteen uit te willen laten. ‘Als ik niet te veel van uw tijd neem zou ik de kwestie toch graag nog iets uitgebreider met u willen bespreken.’ ‘Dat kan. Ik vind dat de patiënt niet de dupe van mijn drukte moet zijn.’ ‘Mooi dat u dat zo zegt.’ ‘Ja. Heb ik ook in de Volkskrant geschreven. 28 april. Maar goed, nu dus nog een stukje voor aankomende maandag. Ik kan niet weer aankomen met een coronacolumn.’ 

Zaat houdt zijn handen in zijn ontplofte huisartsencoupe. Uiteindelijk begin ik maar te praten. ‘Op een of andere manier heb ik altijd het gevoel dat mannen nooit naar me luisteren. Ik ben redacteur bij een studentenblad. “TD, misschien is het aardig om voor de verandering een keer een stuk te schrijven waar je zelf niet in voorkomt,” adviseer ik dan. “BN, je hebt er het afgelopen uur al zes opgestoken! En meeloper, er zitten nog steeds vlekjes op mijn schoenen. Hier, kijk maar.” Dat ze daar niet naar luisteren is tot daaraan toe, maar hun gedrag schaadt ondertussen het blad. De juryleden die ik weken geleden al had uitgenodigd hebben allemaal afgezegd omdat ze bang voor ons zijn, maar niet op de goede manier. En gelijk kregen ze: het had niet veel gescheeld of we hadden ons met drie superspreaders in de kelder van een oud grachtenpand opgesloten. Ondertussen fiets ik de stad door met fruitmanden en magnesiumpillen, maar krijg ik telkens de vraag of ik volgende keer misschien een paar blikjes Chouffe kan meenemen. Ik trek het niet meer, dokter Zaat. Ik zit tot hier.’ Ik ga op mijn stoel staan om het precieze punt aan te wijzen.

‘Ik begrijp het,’ antwoordt Zaat als ik weer zit. ‘Maar ik kan er helaas niks mee. Ten eerste omdat u van hysterie echt niet dood gaat. Onregelmatige bloedstroom van de baarmoeder naar de hersenen is in principe ongevaarlijk. Ten tweede omdat ik met het beroepsgeheim zit. Zelfs als ik zou willen zou ik uw verhaal nog niet in een column kunnen verwerken. Te veel herleidbare details. Wat betreft mijn patiënten heb ik alleen nog maar over “de verstandelijk gehandicapte Geertje” kunnen schrijven. Die leest toch geen krant. En bovendien heb ik in haar leven al genoeg voor haar betekent.’ Zaat slaat met zijn vlakke hand op tafel. ‘Fuck it. Mijn volgende column heet “Mijn laatste dag als praktijkhouder. Het wordt tijd dat jong volk gaat zorgen.” Ik ga me volledig op mijn schrijverscarrière storten. Dit is geen doen zo.’ Zijn vingers rammen driftig op het toetsenbord. ‘Als u dat zo voelt. Ik kan me echter herinneren dat u een maand geleden schreef: “Ik kan mijn jongere maatjes uit de praktijk niet alle coronadiensten laten doen.”’ 

Zaat hoort me al niet meer. Ik pak mijn tas en loop naar de uitgang. Er moet nog een blad worden volgeschreven.

TS

The greatest lesson in life is to know that even fools are right sometimes,’ zei Winston Churchill ooit. Nu zei hij wel meer, maar daar had die kale toch een puntje. Gekken hebben inderdaad soms gelijk – soms, maar meestal niet. Als, laten we zeggen, Emilie Sobels mij voorhoudt dat ik 600 euro moet uitgeven om tijdens The Self-Made Summit op 8 oktober tien uur in een pakhuis door te brengen om daar te leren hoe ik snel geld kan verdienen en hoe ik nou écht efficiënt met mijn tijd moet omgaan, dan heeft zij dus géén gelijk. 

Emilie Sobels is ondernemer, werkgever, vastgoedeigenaar, schrijver, ‘girl boss’, en nog belangrijker: self made. Het ideaal van de self made man, of woman voor mijn part, is zoals bekend allang niet meer voorbehouden aan protestantse Ieren die in de negentiende eeuw een katoenfabriek in Chicago optuigden of Italiaanse emigranten die zich Wall Street in wisten te vechten. Tegenwoordig ben je het al door een keer naar de Kamer van Koophandel op de De Ruijterkade te fietsen en onder het genot van een gratis beker automaatkoffie een handtekening te zetten. Sobels ziet het als haar persoonlijke missie om vrouwen te doen geloven dat iedere stap die zij zetten op het door de maatschappij voor sommigen zorgvuldig geplaveide pad van bestaanszekerheid een pure persoonlijke overwinning is. In The self-made guide, een boek dat in eerste instantie leest als reclamefolder voor de Summit – alleen al in het voorwoord noemt ze dit vrouwenvolksfeest vijf keer –, laat ze 21 vrouwen aan het woord die dingen zeggen als ‘grijze muisjes hebben geen carrière’ en ‘er is geen enkel excuus om stil te blijven staan’. Een legitiem excuus voor deze vrouwen zou zijn om eens stil te staan bij alle kwaadaardige onzin die ze er in hun geschifte ratrace naar de top uitkramen. 

Volgens Sobels is een van haar belangrijkste kwaliteiten als ondernemer dat ze goed kan delegeren. ‘Ik heb geen moeite met taken uit handen geven.’ Dat klopt: zo liet ze haar hele boek door een ghostwriter in elkaar zetten. Zij mag dan naar eigen zeggen self made zijn, haar boek is dat zeker niet. In plaats van hier ook nog maar enigszins geheimzinnig over te doen neemt ze de naam van deze ghostwriter doodleuk op in het colofon. Ook deze vrouw heeft immers een instagramaccount met boekpresentatiejurken te vullen, en als dat haar de slechtste ghostwriter ooit maakt, dan is dat maar zo. Sobels zal het allemaal niet kunnen rotten, die heeft het hele werk waarschijnlijk nog zo goed als voor niets kunnen laten optekenen door de notulist een gratis plek in één van haar vijf all female flexwerkpanden aan te bieden – Sobels’ core business, waar ze al met volle teugen reclame voor maakte in haar vorige bestseller. Een pas voor één dag aan een bureau met daarop een vetplant in het centrum van Amsterdam of een andere Nederlandse metropool kost 55 euro. Het is niet te geef, maar, dat moet ik toegeven, dan heb je ook gegarandeerd geen mannen om je heen. 

Natuurlijk wordt zo’n flexwerkplek goedkoper naarmate je er meer dagen gaat zitten – slechts een van de tekenen dat Sobels inderdaad een geniale zakenvrouw is. Bovendien: om geld te verdienen moet je volgens Sobels eerst geld uitgeven. En niet zo’n beetje ook. ‘Het is superspannend om investeringen te doen, maar je moet echt groter denken om groter te worden. Zo worden meisjes met dromen vrouwen met visie.’ Prachtig! En een uitstekend advies, mits je als meisje al een vader had met een in Wassenaar gevestigd consultancykantoor die kan lappen als je door dat eerste pand aan de Brouwersgracht te kopen toch net iets te groot hebt gedacht. Hier rept Sobels met geen woord over, maar rijke ouders is dan ook een lastig advies om in de praktijk toe te passen. Geen advies in ieder geval waar je, pak ’m beet, zo’n 600 euro voor zou neertellen. 

Maar waar dan wel voor? Volgens de website is The Self-Made Summit ‘een investering voor elke werkende vrouw. Naast de mooie sprekers, mogelijkheden tot zelfontwikkeling en geweldige aankleding behoor je in één klap tot een community van 500 vrouwen die overstromen van ambitie.’ Een community van 500 vrouwen, daar heeft zelfs de grootste zelfmoordterrorist nog geen recht op, en met een VIP-ticket (het duurste en het enige ticket dat, anders dan de website beweert, na doorklikken nog beschikbaar blijkt) laat je deze op de front row nog eens allemaal achter je. Aldaar valt te luisteren naar alle mooie sprekers, zoals Fabienne Chapot, founder van Fabienne Chapot, en ene Lucy Woesthoff, een andere lifestyleboekenauteur die als jonge twintiger in Londen werkzaam zou zijn geweest als pr-dame van The Rolling Stones. Over deze gouden tijden circuleren twee verhalen op het wereldwijde web: in het ene solliciteerde Woesthoff via een uitzendbureau naar de functie van pr-medewerker bij een muziekpromotor en werd ze direct aangenomen, in het andere begon ze daar als receptionist en werkte ze zich op tot ze uiteindelijk met Mick en de jongens mee op tour ging. Lies, liééés you dirty Jezebel! Maar met leugens of niet, zolang je jezelf maar als self made verkoopt kun je bij de Summit gewoon het podium op.  

Wie 600 euro voor dit alles nog steeds te duur vindt kan altijd beslissen dat het niet te duur is voor haar baas. Speciaal voor alle ongeletterde girl bosses biedt Sobels een brief van twee kantjes aan waarin alleen nog de naam van hun werkgever moet worden ingevuld. ‘Als je net zo enthousiast bent als ik over dit plan, zou ik ontzettend graag een ticket boeken nog voordat The Self-Made Summit is uitverkocht of de prijzen worden verhoogd.’ Als dreigen niet werkt, heb je als vrouw natuurlijk altijd nog een andere optie. ‘Lach een keer leuk of doe dat ene jurkje aan. Je hebt als vrouw eerder de gunfactor. Ik denk dat het juist een kracht is als je daar als vrouw gebruik van maakt,’ aldus Sobels in een interview met de NOS. Je hebt een kut, gebruik ’m dan ook! Dat is wat Sobels doet – helemaal zelf.

TS

Moeten bladen en kranten stoppen met het publiceren van negatieve recensies? Sommige mensen geloven van wel. Meestal zijn dat mensen die zelf ooit een slechte recensie hebben gekregen. Bij PC hebben we in ieder geval geen last van deze mening, al bekruipt ons ook weleens het gevoel dat we hopeloos achter de feiten aanlopen. Recensies zijn uiteindelijk slechts schadebeperking: het boek is al af, heeft de zegen van de (eind)redactie en is door het CB verspreid onder de Nederlandse boekhandels. Uitgezaaid, niets meer aan te doen. De recensent kan de omstandigheden vaak alleen nog maar verzachten, al gloort er eens per jaar hoop in de vorm van een grootschalig bevolkingsonderzoek met de naam Write Now!

Willen we we weten hoe het ziektebeeld van de Nederlandse letteren er over drie jaar uitziet, doen we er goed aan de inzendingen voor schrijfwedstrijd Write Now! 2020 te analyseren. Deze titanenstrijd wordt jaarlijks uitgevochten door honderden blitse jongens en meisjes tussen de 15 en 24, aangetrokken door een fel social media-offensief van instastories, gifjes en oproepen om al je penvrienden te taggen. Hipper wordt schrijven niet. Als jonge vrouw ben je na de winst dan ook net als Maartje Wortel en Lize Spit verzekerd van een contract bij Das Mag, en het mannelijk restvlees wordt keurig onder andere uitgeverijen verdeeld. 

Hoewel de winnaar van dit jaar nog niet bekend is, zijn deze maand wel de juryrapporten van de voorronden online gepubliceerd. Alle deelnemers zijn op basis van hun postcode ingedeeld bij elf verschillende steden (wat in één rapport leidde tot de aanhef ‘Eindhovuhhhhh’, en in een ander tot ‘Venlooooo’), waarbij uit iedere stad een nummer 1, 2 en 3 naar voren is gekomen. Ook is er meestal nog een eindeloze reeks ‘eervolle vermeldingen’, waarin alle overige deelnemers worden genoemd, anders gaat er dadelijk nog iemand janken. Tot zover de spelregels, nu de prognose voor de komende literaire kalenderjaren.

De komende tijd kunnen we ons voorbereiden op totaal onbegrijpelijke proza en poëzie, vooral uit de buurt van Nijmegen. Uit het rapport voor deze regio: ‘We beginnen bij de derde plaats. De jury wist niet helemaal waar het verhaal over ging.’ Boeiend! De lezer mag in 2024 helemaal zelf bedenken waar al die letters nou eigenlijk in godsnaam over gaan. En als de nummer 3 daar niet voor gaat zorgen, hebben we altijd nog de Nijmeegse nummer 1: ‘Zonder dat we het verhaal helemaal begrepen, waren we mee aan boord.’ Het is misschien even alle hens aan dek, maar dan krijg je er ook wat voor terug, namelijk je eigen inbreng. Van dat principe werd ook in Groningen handig gebruikt gemaakt, waar op de tweede plaats een dichter eindigt die volgens de jury duidelijk ervaring heeft. ‘De zinnen zijn sterk en verzorgd, maar waar gaat het af en toe over?’ Ik heb het uiteraard nog even gecheckt, beste mensen, maar nee, Theo van Theo & Thea zat dit jaar níet in de jury. 

Tegelijkertijd zien we een trend opkomen die op het eerste gezicht misschien tegengesteld lijkt aan het hermetische gelul: die van absolute infantiliteit. In Groningen werd de onbegrijpelijke dichter verslagen door een ‘kinderlijk verhaal’, met ook nog eens ‘een kinderlijke toon’. Wel wil de jury de winnares meegeven in het vervolg wat meer te letten op herhalingen in de tekst. Te denken valt daarbij aan ‘stap, stap, stap’ en ‘schep, schep, schep’. ‘Maar het is ook allemaal wel heel lief,’ aldus het commentaar. Duidelijk! (Nu moet ik er wel bij zeggen dat deze juryleden, veelal literaire randfiguren, volgens mij zelf ook allemaal ofwel minderjarig ofwel debiel zijn. Tot twee keer toe merken ze op dat ze bij bepaalde passages ‘allemaal gebroken hartjes’ hebben getekend, bijvoorbeeld bij een alinea over een jochie dat ergens een middag op een bankje moet zitten wachten, nog nat van een regenbui, met zijn rugzak aan zijn voeten en zijn broodtrommel in zijn handen. Oké, goed, ik geef het toe, nu ik het zelf zo opschrijf kan ik ook maar nauwelijks mijn tranen in bedwang houden. Tering zielig!) In Amsterdam, toch een stad waar ook veel volwassenen met schrijfambities schijnen te wonen, ging de zilveren medaille naar ‘een talig verhaal met een kinderfilmgehalte à la Pippi Langkous. Waar ook niets mis mee is.’ Inderdaad. Als je acht bent. 

Tot zover de grote lijnen. Gelukkig blijven sommige dingen ook gewoon hetzelfde. ‘De personages worden klassiek in het begin geïntroduceerd,’ zo merkt de jury op over een winnend verhaal. Ook metaforen blijven hot: ‘In het verhaal De kameleon volgen we een onzichtbare jongen. De metafoor om gezien te worden door jezelf en door de ander vonden we goed gedaan.’ Let wel, je moet de metaforen dus goed ‘doen’. Anders hoeft het niet. Verder nog iets? Ja zeker, de letteren blijven voorlopig nog deprimerender dan Knausgård in een wegrestaurant, al heeft de jury daar zo haar bedenkingen bij. ‘De thematiek van het verhaal is niet heel origineel, er zijn nu eenmaal al heel veel boeken over depressie en eenzaamheid.’ De twintigjarige Lena mag zich de letterkampioen van Utrecht noemen, als ze voortaan maar niet meer over haar burn-out schrijft. 

Veel liever ziet de jury vrolijk proza. ‘Dat er ruimte is voor humor, vonden we verfrissend,’ zo luidde het commentaar bij weer een andere inzending. Laten we maar hopen dat Passionate Bulkboek daar ook zo over denkt, de organisatie die ‘verantwoordelijk is’ [sic] voor Write Now! en jaarlijks twee ton aan subsidie bij het Letterenfonds opstrijkt. Mij is het lachen ondertussen vergaan.

TS

Ieder individu verdient liefde, geluk en respect. Het is belangrijk dat we compassie hebben met elkaar en elkaar helpen in tijden van nood – we zijn immers allemaal mensen. Dit heb ik natuurlijk niet zo snel zelf verzonnen, maar door intensieve studie geleerd van de dalai lama. Naast verlichte tulku is de dalai lama (pseudoniem) ook bestsellerauteur, en zijn laatste werk biedt weer enkele verbluffende inzichten. Het heet Wees hier, is de opvolger van Wees boos – ja, het is wel een kleine dwingeland, die Tenzin Gyatso, zoals hij echt heet – en kan de lezer veel leren over hoe je ‘in het hier en nu’ kunt zijn, zonder je eigen kop kaal te hoeven scheren.

Maar wat betekent ‘hier’ eigenlijk? Waar moeten we precies wezen volgens de dalai lama, waar vinden we ‘vreugde, rust en volheid van het bestaan’, kortom, waar is dat feestje? ‘Hier’ zou, als de opperboeddhist op onze persoonlijke fysieke locatie had gedoeld, in mijn geval een muf studentenhok betekenen, en in zijn geval een frivole tempel in Himachal Pradesh, India. Onwaarschijnlijk is het in ieder geval dat ‘hier’ op Tibet slaat, het oorspronkelijke thuishonk van de dalai lama dat hij met hulp van de CIA ontvluchtte toen Mao in de jaren vijftig zijn troepen erop afstuurde en dat sindsdien door de Chinezen wordt geterroriseerd. In een stuk voor Time schreef de dalai lama vorige maand: ‘This crisis shows us that we are not separate from one another — even when we are living apart.’ Hij had het hier over de corona-uitbraak, maar dit is precies waar hij zijn onderdrukte Tibetaanse broeders en zusters over de grens al zo’n zestig jaar mee op de been probeert te houden. ‘Photographs of our world from space clearly show that there are no real boundaries on our blue planet.’ Of Zijne Heiligheid nu aan de ene of de andere kant van de Himalaya voor hen bidt, ze zijn hoe dan ook verbonden.

Zonder te veel van de inhoud te willen verklappen kan ik alvast zeggen dat er geen geografische coördinaten voor ‘hier’ bestaan. Met ‘hier’ bedoelt de dalai lama ‘in het moment’. Want als we in het moment leven, legt hij uit, kunnen we pas echt compassie uitoefenen. ‘Als we hier zijn, zijn we niet bezig met ons verleden en niet langer bezorgd om de toekomst.’ Heerlijk, niet? Maar in de praktijk vaak lastiger dan gedacht, zelfs voor onze meestermonnik. Afgelopen zomer beweerde hij, duidelijk helemaal in het hier en nu, in een interview met de BBC dat de EU vluchtelingen moest toelaten en onderwijs moest bieden. Nog geen vijf seconden later voegde hij daar, opeens helemaal uit het hier, aan toe dat er op de lange termijn slechts een klein aantal kan blijven en dat Europa voor Europeanen is. Sommigen zullen beweren dat dit een wel erg hypocriete uitspraak is voor een bejaarde die zelf driekwart van zijn leven in ballingschap heeft doorgebracht, anderen zullen het daarmee eens zijn. Toch bewijst deze opmerking vooral dat in het moment zijn een levenskunst is, en niet iets wat je leert door eenmaal per week met je mindfulnessklasje op een yogamat te liggen dweilen. Al ben je Gautama Boeddha zelve, iedereen kan er wel eens een xenofoob devies uit boeren. Dat moet je vergeven. Ook dat is compassie. 

Laten we niet vergeten dat het voor de dalai lama misschien nog wel moeilijker is om in het moment te leven dan voor ons. Iedereen zanikt voortdurend aan zijn kop: of er nog hoop is voor de wereld, wat hij vindt van de politieke spanningen tussen China en de VS, hoeveel jaren hij nog denkt te hebben, en hoe je ook alweer in de lotushouding gaat zitten. Nog zo’n rotvraag: wie wordt zijn opvolger? Zes jaar geleden was de tulku daar nog heel duidelijk over: niemand. Na vijf eeuwen was het wel een keer mooi geweest. Hij zou het laatste wierookstokje uitblazen en de deur dicht doen. Inmiddels lijkt hij daar toch anders over te denken, zo staat hij zelfs open voor een vrouwelijke opvolger, en als we toch op die toer gaan, dan ook maar meteen een lekker wijf. ‘If female Dalai Lama comes, then she should be more attractive, or she would be not much use.’ De vrouwelijke interviewer tegenover hem, geschokt: ‘But it’s about who you are inside, not on the outside, right?’ DL: ‘Yes, I think both.’ Laat die Bollywoodactrices maar aanrukken! 

Als interviewers hem geen achterlijke vragen stellen doen zijn vrienden dat wel. Bij het minste of geringste trekken ze hem aan zijn donkerrode uniform: of hij niet even de wereldproblematiek kan oplossen met zijn magische krachten. ‘I always tell them that the Dalai Lama has no magical powers.’ En maar niet luisteren, hè. De spirituele leider is hetzelfde als wij: we zijn allemaal mensen – ik zei het net al even – en hij heeft geen andere vermogens dan de rest van ons. De enige kracht die wij hebben en die mensen onderscheidt van dieren, en een gereïncarneerde lama van een gewone lama, is dat we niet de hele tijd in het moment leven, maar vooruit denken, gebeurtenissen bewust herinneren en onze gedachten laten afdwalen als we ons de pleuris vervelen. Zelfs deze kracht is de dalai lama bereid op te geven! Ik ben slechts benieuwd of dat hem ook lukte tijdens het schrijven van dit boek. 

TS

Zijne Heiligheid de dalai lama, Wees hier. Spectrum, € 15,99.

Voordat de 130 leden van de Jostiband hun instrumenten door de coronacrisis noodgedwongen neer moesten leggen vertelde iemand mij een (tot nu) goed bewaard geheim over hun maandelijkse concerten. Hoewel het algemeen bekend is dat je sowieso geen kaartje moet kopen als je vertolkingen wil horen die dicht bij het origineel van Jan Smit of Bach staan, schijnt het dat de instrumenten van de zwakst begaafde leden niet eens op de techniek worden aangesloten. Hoe hard ze ook op hun basgitaar of keyboard rammen, er bereikt geen noot het publiek. Dat vond ik toch zo’n prachtig idee. Iedereen heeft plezier en de schade aan de trommelvliezen blijft te overzien. Het zette me zelfs aan het denken of we deze truc niet ook op andere terreinen konden toepassen, zoals in het medialandschap. Zou iemand bijvoorbeeld alsjeblieft Tim den Besten uit kunnen zetten?

Tim den Besten waart als een schelle blokfluit door het culturele leven. Hij maakt al zes jaar documentaires en televisieprogramma’s, schreef een boek en teksten voor JENSEN!. Al die tijd voelde blijkbaar niemand zich geroepen om in te grijpen. Ook bij PC hebben we hem om onduidelijke redenen lang laten lopen. Zelfs toen hij zich profileerde als trotse uitvinder van het woord ‘quinoakut’, dronken bij Pauw verscheen en een bundel met ‘columns, grapjes en gedichten die je meenemen op een tijdreis langs Kim Kardashian, superfoods, MSN en selfies’ publiceerde, gebeurde er niets. Even ontstond er wat tumult toen Tim bij televisiequiz De Slimste Mens niet bepaald de slimste mens bleek en bij ieder fout antwoord een raar gilletje slaakte. Wat was dit voor debiel, vroeg men zich af, en kon hij niet gewoon weg? Dat terwijl Tim voor zijn doen niets opvallends deed: zijn onkunde – gespeeld of ongespeeld, dat maakt niet uit – te berde brengen om lekker gekke tv te maken. Of hij nu slechte interviews afneemt (‘Rob Jetten, houd jij van skelters?’) of als nieuwsgierige homo willekeurig met zijn vingers tussen de benen van een naakte vrouw begint rond te malen (‘Het voelt wel nat!’), het uitgangspunt is steeds dat Tim iets niet kan en het juist daarom toch gaat doen.

De vraag was dus wat Tim voor zijn volgende programma niet zou kunnen. Dat bleek lesgeven te zijn. Nu zijn er genoeg mensen die dat niet kunnen, maar Tim, wiens oogopslag meestal nog net wat minder helder is dan die van een platvis, kan er ook een domme kop bij trekken. Voor zijn programma 100 dagen voor de klas gaat Tim, u raadt het al, 100 dagen voor een vmbo-klas staan op een middelbare school in Lelystad. Er zijn makkelijkere manieren om dood te gaan. Zelf omschrijven de leerlingen dit inferno in de trailer als ‘een creatieve school’ waar nieuwe leraren wel even worden ‘getest’, en dat geeft de kijker hoop. Hoop dat ze hem met 30 geodriehoeken gijzelen en ondersteboven ophangen aan de ringen in de gymzaal tot hij belooft te emigreren naar een Afrikaans dorp waar de eerste school nog moet worden gebouwd, waarna we Tim in de finale moegestreden met een bomgordel om op het eindexamenfeest zien verschijnen. In werkelijkheid zullen de kinderen vast niet verder komen dan ‘flikker!’, en dat bewijst maar weer dat er op school te weinig aandacht wordt besteed aan de creatieve vermogens van kinderen.

Hoewel deze leerlingen die nog net geen beesten worden genoemd door een voorbijgetrokken karavaan invalkrachten ongetwijfeld allang geen honger meer hebben, wordt Tim van alle kanten voor ze gewaarschuwd: hij is een prooi. ‘Als je niet goed in je vel zit of slecht hebt geslapen, dan ruiken ze dat.’ Dat is mooi, want dat betekent dat Tim zichzelf niet eens voor lul hoeft te zetten, dat gaan zij gewoon voor hem doen. Je zou zeggen dat dit al de helft van het werk scheelt, maar Tim blijkt het toch zwaar te vinden om leraar te zijn. Dat heeft er misschien ook mee te maken dat Tim geen leraar is, maar een presentator die een ‘crash course’ van elf dagen heeft gevolgd om met minimale inspanning toch dat programma te kunnen maken. En waarom? Om mensen te laten zien dat leraar zijn een zwaar beroep is, maar ook mooi, maar ook zwaar? Daarvoor kun je ook gewoon een rondvraag op het Malieveld doen. Om de kinderen zal het Tim ook niet te doen zijn. Die weten al dat er zich na de kerstvakantie weer een nieuwe beunhaas zal melden. ‘Dit is pas dag 1… van de 100,’ verzucht Tim in aflevering 1. Kunt u nagaan hoe uitzichtloos het lijden van een echte docent is. Zaten we eerst met een lerarentekort, na Tims programma kunnen we het onderwijs maar beter helemaal afschaffen.

Maar goed, de Jostiband dus! Die hebben het slim bekeken. Waarom accepteren wij de kakofonie van middelmatige tv-persoonlijkheden nog? Het wordt tijd dat we de ergste eruit gaan filteren, te beginnen met Tim den Besten. Daar hoeft hij zelf natuurlijk niks van te merken. Hij krijgt gewoon een stel camera’s mee, maar die meuk gaan we niet meer uitzenden. De dvd’s laten we de hele dag bij hem thuis door spelen en als we hem zien geven we hem een compliment. ‘Het lukte allemaal weer niet zo lekker hè! Grappig hoor.’ Want applaus, dat verdient zelfs de grootste mongool, zeker als we hem nooit meer hoeven te horen.

TS

Kindermishandeling is verschrikkelijk. Kunt u iets ergers dan dat bedenken? Als u een beetje uw best doet waarschijnlijk wel. Volkerenmoord bijvoorbeeld. Maar daar gaat het nu niet om. Punt is dat kindermishandeling momenteel mode is. De kindertelefoon is door de coronacrisis een hotline geworden en de VN-baas waarschuwde al voor een ‘gruwelijke stijging’ in het aantal meldingen van huiselijk geweld. Al dit kinderleed is natuurlijk heel erg voor de kinderen, maar het allerergst is het voor Frank Koerselman (73). Zijn pamflet Ontvadering – Het einde van de vaderlijke autoriteit kan nu rechtstreeks door de shredder.

Volgens Koerselman hebben kinderen behoefte aan twee dingen in hun leven: enerzijds liefde, anderzijds autoriteit. Enerzijds een knuffel, anderzijds een schoen in je gezicht. Enerzijds bemoedigende woorden, anderzijds iemand die zegt dat je net zo goed nooit geboren had kunnen worden. Dat soort kerels bestaat volgens Koerselman niet meer. ‘Stoommachine en verbrandingsmotor hebben mannenkracht overbodig gemaakt. De vrouw is sinds de pil van onvermijdelijk moederschap verlost. Vaders zijn dus niet meer nodig om hun gezin te onderhouden en te beschermen. Het patriarchaat verdwijnt. Maar wat is de prijs van die bevrijding?’ Die fucking stoommachines ook. Daar, in de achttiende eeuw, is alle ellende begonnen. Het heeft driehonderd jaar geduurd voor we de balans op konden maken, maar nu heeft een afgestofte emeritus hoogleraar psychotherapie ons eindelijk de nadelen van die ogenschijnlijk lollige locomotieven laten zien.

Natuurlijk is Koerselman niet de eerste om te beweren dat we met de modernisering/feminisering/technologisering/globalisering iets onherroepelijk zijn kwijtgeraakt. Zelf denk ik bijvoorbeeld dat we hiermee vooral het vermogen om niet de hele tijd te zeiken over wat we nou weer zijn kwijtgeraakt zijn verloren. Koerselman ziet het anders. ‘Overal zie je het gezag verdwijnen.’ We zijn inderdaad wat respectlozer geworden. Zo tutoyeren we bijvoorbeeld onze ouders. We zeggen niet altijd ‘u’ tegen ouderen. En onze baas spreken we, om nog maar iets te noemen, met ‘jij’ aan. Eigenlijk kunnen we wel stellen dat we met z’n allen helemaal van het padje zijn. Maar er is nog iets. Door het gebrek aan vaderlijk gezag zijn we te soft geworden. ‘Als je niet wordt beproefd en niet wordt blootgesteld aan eisen van flinkheid en dapper zijn, loop je een risico. De epidemie van burn-outs heeft er ook mee te maken dat een generatie niet is voorbereid op de competitieve buitenwereld.’ Enerzijds hebben we tegen alles en iedereen een brutale bek, anderzijds zijn we nog slapper dan de sugarsnaps in een gemagnetroneerde Kantjilmaaltijd. Dat klinkt tegenstrijdig, maar Koerselman wil er maar mee zeggen dat het tegenwoordig werkelijk op alle fronten misgaat met dat ouderschap.

Je vraagt je af waar zo’n man het allemaal vandaan haalt. Daar krijgen we in diverse interviews in ieder geval duidelijk antwoord op: helemaal nergens. ‘Ik heb geen onderzoek gedaan, want ik ben geen socioloog. Maar een mens kijkt om zich heen en legt het oor te luisteren. […] Onderzoek doen is natuurlijk altijd wat lastig, hè. Dit is een breed onderwerp, hoe onderzoek je dat dan precies? Ik kijk met gezond verstand om me heen.’

Koerselman koekeloert gewoon lekker wat om zich heen, en wat ziet zijn oog? Zogende vrouwtjes en jagende mannetjes. Nou ja, vooral die tweede categorie heeft het de laatste tijd een beetje af laten weten, maar vroeger ging het natuurlijk wel zo. En zou het, als we bij wijze van een interessant gedachte-experiment hier verder over filosoferen, dan niet zo kunnen zijn ‘dat zulke programmeringen in de evolutie toch hardnekkiger zijn dan
we denken’? Het is slechts een van de verfrissende vraagstukken waar je als lezer even van moet bijkomen. ‘Kunnen die traditionele rolpatronen niet ook ontstaan zijn door culturele invloeden?’ Toegegeven: dit is dan toevallig weer net geen vraag van Koerselman zelf, maar van de interviewer. Koerselman heeft er wel een antwoord op. ‘Dat is een interessante vraag. Luister, ik weet het niet zeker, laat dat helder zijn.’ Dit is waar ieder weldenkend mens zou stoppen met praten. Zo niet Koerselman. Dit is waar hij een boek begint te schrijven. Het leven van een emeritus hoogleraar moet heerlijk zijn: eindelijk weer alleen je eigen naam in de bronnenlijst opnemen.

Je niet echt verdiepen in je onderwerp heeft nog een ander belangrijk voordeel. ‘Het idee dat vader- en moederrollen misschien niet alleen maar zijn ingegeven door omstandigheden werp ik natuurlijk ook op om een beetje te prikkelen.’ Prikkelen: ongefundeerde onzin roepen om de aandacht op jezelf te richten. Misschien heb ik Koerselmans ideeën hier wat ongenuanceerd weergegeven. Dat deed ik dan om te prikkelen, en omdat Google Books maar twaalf voorbeeldpagina’s geeft. Bovendien was Koerselman er toch vooral op uit om de dames op stang te jagen. Nou, dat is gelukt! Ik geef hem een half uur op de naughty chair. Ondertussen ga ik op zoek naar een man die hem daarna nog een goede tik kan geven.

TS

Frank Koerselman, Ontvadering – Het einde van de vaderlijke autoriteit. Prometheus, € 15,-

Onlangs bezocht ik de tentoonstelling Juwelen! Schitteren aan het Russische hof in de Hermitage. Schitterend was het inderdaad. Als bezoeker word je direct verblind door een karrenvracht tiara’s, diademen, medaillons, parelsnoeren, en een erg grappige broche in de vorm van een kever. Was dit laatste sieraad in de tijd van de tsaren verkocht, dan had er in 1917 geen hongersnood in Sint-Petersburg plaats hoeven vinden. Gelukkig vermeldt de expositie niets over alle azijnzeikers buiten de paleizen – mensen met slechte smaak zijn immers van alle tijden. Toch heeft de curator wel oog gehad voor de zwarte bladzijden uit de Russische geschiedenis, en dan in het bijzonder voor die waarop de bolsjewieken als een soort modepolitie een eind aan het feest maakten. Het vuurpeloton wist makkelijk door de tsaar heen te boren, maar op zijn vier dochters, die hun korsetten voor de zekerheid hadden volgenaaid met diamanten, moest nog lange tijd worden ingehakt om de prijzige kogelwerende vesten te omzeilen. Wreed, zo vond ik, en waarschijnlijk onnodig om ook die meisjes af te slachten. Tot ik afgelopen week de DWDD-uitzending zag waarin Bart Chabot met zijn vier zoons was aangeschoven.

Sneeuwwitje en de vijf ergen.

Dat Bart Chabot bestaat en zichzelf ondanks een spraakgebrek overal aan de man weet te brengen, is een gegeven waar iedereen die daar niet op zit te wachten mee moet leren leven. De kans dat hij een zoon heeft die zo getalenteerd is dat hij al op zijn 24ste televisieprogramma’s moet maken, boeken moet schrijven en als tafelheer moet optreden, is niet zo groot. De kans dat Bart Chabot vier zoons heeft die met hun talent alle vier boeken moeten schrijven en met hun kop op tv moeten, is nul. Natuurlijk zou je iedere celeb met kinderen makkelijk van nepotisme kunnen beschuldigen, maar laten we wel wezen: Kim Jong-il benoemde ook niet ál zijn zoons tot Opperste Leider. Het is dus op zijn zachtst gezegd wel wat verdacht dat Bart op de avond van het Boekenbal met het hele gezin bij een talkshow zat.

De verklaring voor het bezoek van de dynastie luidde dat vader en twee zoons alle drie net een roman hadden gepubliceerd, en dat het boek van de derde zoon de week daarop zou verschijnen. ‘Drie zoons die debuteren,’ sprak Matthijs, die zijn rol als beschermheer weer met verve vervulde, plechtig, ‘het is toch wel heel bijzonder.’ Ja, héél bijzonder. De vierde zoon zat ook aan tafel, maar had nog geen plannen om een boek uit te brengen. Hij wilde net als zijn moeder, die de hele avond niets mocht zeggen maar toch aan tafel zat omdat zij het hele zooitje tenslotte gebaard had, de medische kant op. Mensen genezen, en zo. Dat leek iedereen in de studio vooral vervelend te vinden. Ze zeiden het niet, maar eigenlijk vonden ze hem gewoon een lul. Waarom kon hij niet ook debuteren? Waarom was dit verhaal niet nog spectaculairder? Vier boekenbroeders, hoe mooi zou dat zijn? Ik kan de mensen geruststellen: na zijn studie geneeskunde zal de vierde zoon binnen de kortste keren door uitgeverijen worden belaagd en de eerste hoogwaardige literaire doktersroman schrijven.

Tot die tijd zullen we het moeten stellen met vier schrijvers uit de Chabot-clan. Bart had nauwelijks een derde van het geweld dat zijn eigen vader tegen hem gebruikte op papier, of twee van zijn erfgenamen verkondigden al dat ook zij hun ouders een kaft in wilden sleuren. Het maakte niet uit dat zij in tegenstelling tot hun vader wel een normale, fijne jeugd hadden, sterker nog, dat was voor zijn meest flamboyante telg juist een heel belangrijk gegeven. Dat had deze zoon allemaal al een paar dagen daarvoor in hetzelfde praatprogramma mogen uitleggen, maar het belette hem er niet van in dit familie-item alles op alles te zetten om het hardst en het langst van iedereen te brullen. Als de dood dat zijn broers ook een BNN-programma zouden krijgen of in de laatste paar weken van het programma ook eens tafelheer mochten zijn, praatte hij net zo lang over zijn outfit tot hij zeker was dat er te weinig tijd over zou zijn om hem nog van de troon te stoten. Eén broer deed nog een wanhopige poging en vertelde snel over zijn cursus creative writing in New York. Daar had hij van docent Jonathan Safran Foer te horen gekregen dat er absoluut ‘meer mama’ in zijn verhaal moest. Chabot de zoveelste volgde het advies op, maakte nog één keer het lesgeld over en keerde met een kant-en-klaar manuscript terug naar Nederland. Hij blij, Jonathan blij en het grote lezerspubliek bestaande uit oudere vrouwen blij.

Als de uitzending één ding heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat deze bloedlijn haar macht niet zomaar op zal geven. Allemaal willen ze net als hun vader overal onverstaanbare dingen ratelen en over zoveel jaar met hun eigen tak naar het Boekenbal; allemaal willen ze de Anastasia van het stel zijn. Gelukkig zit de jongste voorlopig nog vast in het anatomisch theater en heeft zijn tot dusver onbesproken zoon een non-fictie boek geschreven in tijden waarin werkelijk niemand nog op harde feiten zit te wachten. Blijven over de twee romanciers. Je hoeft maar één blik op de Bestseller 60 te werpen om te weten van wie we de komende vijftig jaar nog last gaan hebben: de maniak die het meest op zijn vader lijkt en minstens zo hard praat. Dat we ook zijn aanwezigheid niet hoeven te tolereren, weet iedereen die hem vorige week heeft zien opscheppen over de door zijn moeder gemaakte ringen. Geen van zijn accessoires zal hem uiteindelijk kunnen redden.

TS

Ooit bestond er iets als schaamte. Tegenwoordig bestaat het nog steeds, maar is het iets wat besproken moet worden in plaats van verzwegen. Daarom schreef de zieke auteur Thomas Heerma van Voss een semi-autobiografische roman over een zieke auteur die een semi-autobiografische roman schrijft over een zieke auteur. Thomas schaamt zich niet voor dit gegeven, maar wel voor zijn darmziekte. Helaas schaamde hij zich net niet genoeg om weg te blijven bij NPO Radio 1, waar hij en zijn boek worden geïntroduceerd door presentatrice Mieke van der Weij. ‘In Condities leert Vincent Pek zich verhouden tot het leven, zijn verleden, en het samenwonen met zijn geliefde, wat wordt overschaduwd door een chronische darmziekte. Daarbij zijn onverwachte hevige buikpijn en dunne ontlasting nooit ver weg. Goedemorgen Thomas!’

Goedemorgen Thomas, vertel ons eens wat er de afgelopen tijd allemaal uit je pen en je anus is gekomen. Normaal gesproken zijn lezers gek op semi-autobiografische romans: aan het achterhalen welke passages wel en niet precies zo zijn gebeurd beleven ze meestal meer plezier dan aan het boek zelf. Dat het bij Condities niet zo werkt, heeft een simpele verklaring, die heel helder naar voren komt in de volgende korte dialoog tussen Mieke en Thomas. T: ‘Er hangt een enorm taboe rond darmziektes. Het gaat over poep, dat vinden mensen vies.’ M: ‘Het stinkt.’ T: ‘Precies, het stinkt.’ Daar zijn we het dan allemaal over eens. Als Daan merkt dat de aloude marketingtruc van het semi-autobiografische verhaal niet aanslaat, besluit hij zelf maar een tipje van de sluier te lichten. ‘Bij mij is de ziekte niet zo erg als bij mijn protagonist, hoor.’ Ja ja, dat zal wel. En wie moet dat gaan controleren? Wat in ieder geval zeker is, is dat Thomas net als zijn hoofdpersoon het schrijven even helemaal niet meer zag zitten. ‘Al jaren zwoegt Vincent Pek op een boek dat maar niet wil komen.’ Een typisch geval van obstipatie: hij perst en perst en het komt er maar niet uit.

Thomas’ writer’s block bleek te worden veroorzaakt door zijn chronische darm block. Wilde hij wel met zijn ziekte naar buiten treden? Was het niet gewoon beter om erover te zwijgen? Ook wist Daan helemaal niet zeker of hij als zoveelste jonge schrijver een semi-autobiografisch werk door de strot van het lezerspubliek wilde duwen. Hij zag zelf ook heus wel de achterlijkheid in dit plan. Toch hebben wij nog minder aan deze twijfels dan een crohnpatiënt aan een Rennie. Dat boek moest er blijkbaar uiteindelijk gewoon komen. ‘Waarom wilde je dit verhaal schrijven?’ vraagt Mieke hem. Dit is de enige vraag die ertoe doet: wáárom? Thomas geeft twee redenen. Eén: hij heeft zelf al jaren last van deze kwaal. Dat is natuurlijk hartstikke jammer voor hem, maar nog geen reden om anderen ermee lastig te vallen. Twee: het leek hem interessant om een boek te schrijven over een hoofdpersoon die zich dag in dag uit moet verhouden tot een relatief lullig mankement. Helaas heeft Hanna Bervoets dit boek al geschreven, maar dan zonder drollen en diarree. Het is vorig jaar verschenen en heet Welkom in het rijk der zieken. Of Daan was hier niet van op de hoogte, of hij moest blijkbaar per se zijn eigen kolonie voor darmpatiënten stichten.

Zelf beweert Thomas dat hij geïntrigeerd was door het ongemakkelijke van zijn ziekte en de onmogelijkheid om met familie en vrienden over je uitwerpselen te praten. Kortom: stront is het unique selling point van zijn boek. Nu kunnen we wel doen alsof het nobel is dat Daan ondanks al het ongemak gewoon een roman over zijn darmklachten schrijft, maar wat leren wij ervan? Dat mensen poep een ingewikkeld gespreksonderwerp vinden? Dat het stinkt? Dat had Mieke van der Weij je ook zo wel kunnen vertellen! Toch is Daan ervan overtuigd dat hij iets unieks in handen heeft. ‘Deze darmziekte is natuurlijk heel nutteloos. Het is niet zo dat je door tien jaar buikpijn te hebben uiteindelijk een beloning krijgt of dat er een gouden berg aan het eind wacht. Er is ook geen oplossing. Voor heel veel ziektes geldt: erop of eronder, maar dit blijft altijd.’ Zie hier Thomas’ tragiek: je hele leven moeten lijden aan een ziekte waar je niet eens dood aan gaat. Had hij maar gewoon kanker, of iets anders waar je je werk en sociale leven voor op moet geven om aan het eind van de rit een pot goud of vergulde kist te ontvangen.

Thomas’ gebrek aan realiteitszin is nog vele malen gênanter dan welk poepverhaal dan ook. Dat blijkt ook weer als Mieke en haar co-presentator Peter de Bie aan het eind van het interview toch nog iets vinden waarvan ze wel willen weten of het nou allemaal echt waar is. ‘Die scènes met die uitgever, daar heb ik echt van genoten, die wandelende marketingmachine met louter ronkende teksten.’ Blijkbaar zijn Mieke en Peter nog niet op de hoogte van Thomas’ overstap naar Das Mag, anders hadden ze niet hoeven vragen of die uitgever in het echt ook zo’n opportunistische klootzak is. Thomas moet even zenuwachtig lachen en antwoordt dan dat hij het in eerste instantie wel wat onbeschoft vond toen zijn nieuwe redacteur over zijn ziekte zei dat daar sowieso ‘een verhaal in zit’. ‘Maar een jaar later dacht ik: die ziekte is er nou eenmaal, dan kan ik hem net zo goed gebruiken voor mijn werk.’ Daan, ga je schamen.

TS

Thomas Heerma van Voss, Condities. Das Mag, €24,99.

In museum Meermanno in Den Haag is momenteel een tentoonstelling over foute boeken te zien. Het Groote Negerboek, Het Kerstjoodje, Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler en het volledige werk van Annie M.G. Schmidt liggen tot maart 2020 in grote vitrines opgebaard. Pas als we ons er allemaal nog één keer aan hebben verlekkerd wordt de boel in de hens gestoken. ‘Bezoekers mogen ook zelf aangeven welke boeken zij niet meer vinden kunnen,’ aldus een trotse persvoorlichter. Ja, laat de gewone man het vuile werk maar weer opknappen. Ik kan alvast zeggen dat de curator de foutste werken is vergeten: Het Grote Foute Jongens Boek (Deel 1 en 2) van Arthur van Amerongen en Rob Hoogland.

Het zou natuurlijk chic zijn als auteurs van titels als 10 kleine nikkertjes toegaven dat hun boeken niet meer kunnen en hun NS Publieksprijzen zouden inleveren. Dat doen ze niet, niet in de laatste plaats omdat ze dood zijn, maar ook omdat ze weten dat die boeken daar echt niet subtieler van worden. Hier gaat het mis bij Van Amerongen en Hoogland. In de titel aankondigen dat je fout bent (alsof dat niet al voor zich spreekt als je jezelf op die leeftijd ‘jongen’ noemt) maakt je niet minder fout. Ik heb medelijden met de bescheiden bureauredacteur die moet hebben opgemerkt dat het toch zeker ‘jongensboek’ zoals in Het Groote Negerboek moest zijn, en niet ‘Jongens Boek’, met al die rare hoofdletters. ‘Nee!’ zullen de auteurs hebben gebruld. ‘Het gaat erom dat wij, de jongens, fout zijn!’ Dan nog klopt er natuurlijk niks van die titel. Pijnlijk, zeker omdat de heren zich helemaal gek kunnen ergeren als zo’n malle migrant weer niks van het ex-kofschip heeft gebakken. ‘Wij zijn taalnazi’s,’ aldus Hoogland. Laat dat taal maar gerust weg.

De foute titel heeft het tweede foute boek gehaald. En waarschijnlijk gaat hij ook het derde deel halen, want in het laatste hoofdstuk kondigen Van Amerongen en Hoogland aan dat dat er gaat komen. Zover is het gelukkig nog niet, maar de tijd dat de heren zich beperkten tot hun paar vierkante centimeters in de krant ligt ver achter ons. Voordat de twee elkaar op Facebook leerden kennen leefde Van Amerongen een rustig bestaan op zijn slangenboerderij in de Algarve. Iedere ochtend stond hij vroeg op om zijn dieren te melken en later op de dag het gif te nuttigen. Soms was het wat meer en mailde hij het stuk dat hij na de inname schreef naar HP/De Tijd, soms was het minder en mailde hij de Volkskrant. Zijn eigen reptielenkop liet hij maar zelden zien in Nederland. Ondertussen bestierde Hoogland 2500 kilometer verderop een column in De Telegraaf. Hij was bijna toe aan zijn 7000ste stukje en, eerlijk is eerlijk, hij zat zich weleens te vervelen in zijn study. Dan gooide hij wat pijltjes naar een dartbord, of hij gooide for old times’ sake zijn gestrekte rechterarm met vlakke hand schuin de lucht in, grinnikend omdat dat natuurlijk echt niet kon. Een spiegel had hij niet, want naar eigen zeggen schrok hij zich een hoedje als hij erin keek – en terecht. Hadden de makers van The Exorcist Emile Roemer als Regan gecast, dan had Hoogland het meisje in haar demonische staat moeten spelen.

Volgens hun uitgeverij Pepperbooks zijn er opvallende overeenkomsten tussen Van Amerongen en Hoogland: ‘humor, spitsvondigheid en maling aan politieke correctheid’. Een mens vraagt zich af waarom het nog zo lang heeft moeten duren voordat deze dolende zielen elkaar vonden. Het is prachtig dat de twee elkaar nu kunnen complimenteren met hun ‘vlotte pennetje’, maar jammer dat ze daarbij menen een lezerspubliek nodig te hebben. En wij moeten dat allemaal maar normaal vinden. Sterker nog: volgens Pepperbooks moeten we er lol aan beleven. ‘Van Amerongen en Hoogland zeggen onverbloemd wat ze vinden en passen daarbij vaak het stijlmiddel van de satire toe.’ Het hele punt van satire is dat je juist niet onverbloemd zegt wat je ergens van vindt. Maar goed, iedere mongool maakt weleens een foutje en we snappen heus wel wat de heren in hun boek hebben geprobeerd. Om hun foute meningen wat cachet te geven hebben ze deze verpakt in archaïsche taal die meteen het hele boek onverteerbaar maakt. Het is ‘ofschoon’ dit, ‘derhalve’ dat. Ook vousvoyeren de heren elkaar en wordt de tweede naamval in hun boek vaker gebruikt dan maandelijks in de vrijstaat Beieren. In het eerste deel maakten de tekeningen van Gabriël Kousbroek nog een hoop goed, maar dat plezier is ons in deel 2 ontnomen. In plaats daarvan worden we opgezadeld met een voorwoord van Leon de Winter, die Van Amerongen en Hoogland niet kent en hun boek niet heeft gelezen maar desondanks heel blij is dat het nu bestaat.

Als er op het omslag van een boek staat dat ‘alle denkbare onderwerpen de revue passeren’ weet je dat het nergens over gaat. Nou ja, wel over goede vriend Theo Hiddema natuurlijk. En over Hooglands reisjes naar Pattaya. ‘Er gebeuren merkwaardige dingen, daar in Thailand.’ Gierend schrijft Van Amerongen dat hij nog wel wat andere #MeToo-achtige verhalen over ‘oom Rob’ kan vertellen. Doet hij natuurlijk niet. Nee, liever schrijven de heren over de buitenlanders, want daar mag ook weleens wat over worden gezegd. Of die vrouwen die allemaal willen klaarkomen. Waar is dat nou weer goed voor? vraagt Rob dan. Arthur kan het hem niet vertellen. Je hoeft ook niet alles te weten. Soms is het al genoeg om te schrijven dat je trek hebt in een haring of een goed glas jenever. Eigenlijk kunnen Van Amerongen en Hoogland alles opschrijven wat ze willen. Jongens zijn het, maar foute jongens.

TS

Arthur van Amerongen en Rob Hoogland, Het Grote Foute Jongens Boek Deel 2. Pepperbooks, €19,99

Ik heb me voorgenomen niet meer over vrouwen te schrijven. In het vorige nummer beoordeelde BN ene Stefanie Koorneef met ‘een krappe zes en een half’, deze week vond ik een stuk op de redactie-mail met als onderwerp ‘700 woorden marxistisch racisme en seksisme van BN’. Dat ik hier als vrouw iets tegenover moet stellen is me duidelijk, zeker als ik wil dat Marja Pruis me blijft groeten in de wandelgangen van De Groene. Maakt u zich dus geen zorgen: dit stuk gaat niet over vrouwen. Het gaat over meisjes. De Kunstmeisjes om precies te zijn, want zo heet dit collectief van dertigers.

‘Kunstmeisjes met manuscript.’ 1885, olieverf op doek, 81 x 96 cm.

Wat zijn kunstmeisjes? Geen acrobates, leden van knutselclub CreaBea of weduwen van Anton Heyboer. Kunstmeisjes zijn vrouwen die kijken naar kunst en erover bloggen. Of er een boek over schrijven, want zoals Hitler, Mao en Monica Geuze lieten zien moet het kwaad zich vroeg of laat tussen twee kaften nestelen. ‘Kunstmeisje is een lichtelijk denigrerende naam’, zo geven de drie blog-oprichters Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra toe. ‘Er heerst een bepaald stereotiep beeld van jonge vrouwen als gallerinas in de kunstwereld. Wij willen de ironische naam ‘kunstmeisjes’ reclaimen en er een andere betekenis aan geven.’ Als het patriarchaat je beledigt kun je je verzetten, of dankbaar zijn dat je zelf geen originele naam meer hoeft te verzinnen.

 

De term ‘kunstmeisje’ zou inderdaad ironisch zijn als Kooiman, Maciesza en Schuiten-Kniepstra lieten zien dat je als ‘meisje’ kunstgeschiedenis kunt studeren, als conservator bij het Stedelijk kunt werken of als curator bij het Rembrandthuis. Kortom, dat je met je beperkte stemvolume toch boven Jasper Krabbé uit moet proberen te schreeuwen. Maar wat er nog ironisch is aan de naam kunstmeisjes als je Rembrandt onophoudelijk je ‘BFF’ noemt of een zin noteert als ‘We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: je bent aan het daten en je bent smoorverliefd’, dat wordt niet duidelijk. Wil dit trio zich per se van ironie bedienen, dan kunnen ze beter kiezen voor de titel Les Connoisseurs des Beaux Arts. Met hun thematiek zal het marmeren beeld van ‘oppervlakkig hertje dat vooral goed is in champagne drinken tijdens openingen’ hoe dan ook niet omver worden geworpen. (Het is mij trouwens volledig onduidelijk waarom je zo’n gevaarlijke uitspraak zou doen – gratis drank is toch wat de kunsten nog een beetje de moeite waard maakt.)

Hoewel De Kunstmeisjes het hoog tijd vinden dat ze eens serieus genomen worden, zijn ze de eerste om toe te geven dat hun boek eigenlijk niet serieus is. Op grond waarvan we ze dan wel ernstig moeten nemen blijft vaag. Wat hun betreft is De Kunstmeisjes – Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken niet bedoeld voor kenners, maar mogen die het, zo lezen we in het voorwoord, wel kopen, ‘al is het maar als artistiek-literair verantwoorde deurstop’. Meisjes toch! Moet dat nou? Nog even en ze schrijven dat kunstkenners zich met dat boek wel even op hun lichamen mogen afreageren. In hetzelfde voorwoord lezen we waarom De Kunstmeisjes ondanks hun missie vrouwen als volwaardige mensen op de kaart te zetten toch af en toe dit soort taal uitslaan: ze maken graag gebruik van ‘een vleugje humor’. Humor! Dat hebben meisjes helemaal niet! Daar durfde het volledig vrouwelijke redacteurenbestand van Meulenhoff zeker niet over te beginnen.

Als De Kunstmeisjes niet is geschreven voor kenners, is het niet zo moeilijk te bedenken wie er dan de klos zijn: wij leken. In een interview in Het Parool zegt een van de schrijfsters dat het doel was om ‘toegankelijk over kunst te schrijven’. Algemene tip: waar het woord ‘toegankelijk’ staat, kunt u eigenlijk altijd ‘achterlijk’ lezen. Neem de eerste zin van het tweede hoofdstuk: ‘Een geslaagde selfie maken is alsof je midden in de nacht dronken een bestelling bij de lokale snackbar doet: alles erop en eraan, met extra saus.’ Bent u er al klaar mee? U bent niet de enige. Deze kwelling gaat nog pagina’s door, om uit te komen op de volgende conclusie: niet Kim Kardashian is de ‘Queen of Selfies’, maar Rembrandt. Als Rembrandt dat had geweten had hij al zijn zelfportretten in de gracht gegooid. Ander voorbeeld: om aan te geven dat de kunstenaar Daan van Golden schoonheid in huiselijke details zocht, wordt de volgende introductie over de lezer uitgestort: ‘Het is een kunst op zich: de kleine dingen in het leven waarderen. Wanneer je bijvoorbeeld een regenboog ziet. Of waar Willy Alberti al over zong: de glimlach van een kind.’

Waarom moet het toch allemaal zo dom? De Venus van Botticelli kruipt van schaamte terug in haar schelp, de Mona Lisa slaat na vijfhonderd jaar haar ogen neer. Als je lezers echt zo nodig wil enthousiasmeren, vertel dan gewoon iets interessants in plaats van steeds een knieval te maken omdat je denkt dat de mensen dat leuk vinden. De Kunstmeisjes hebben heus zinnige dingen te melden: ze adviseren je om wat langer naar een kunstwerk te kijken, om überhaupt eens naar een museum te gaan, en om niet meteen alle bijbehorende bordjes te lezen. Mijn advies: lees ook hun boek niet.

TS

De Kunstmeisjes, De Kunstmeisjes, Meulenhoff, € 22,99

 

 

De Levenseindekliniek in Den Haag heeft drukke weken achter de rug. Waar de psychologen normaal gesproken zo’n acht verzoeken per maand behandelen, mocht het team naar aanleiding van misplaatste nieuwsberichten (‘Dutch Teen Allowed To Die At Home’) in één week 41 euthanasietoeristen te woord staan. Hoewel de kliniek beweert alle binnenkomende verzoeken zeer zorgvuldig te behandelen, zouden deze gevallen toch niet al te ingewikkeld moeten zijn. Het gaat hier om mensen die blijkbaar niet eerst uit eigen beweging het internet zijn opgeklommen, maar die toevallig naar Fox News zaten te kijken en dachten: dat lijkt mij ook wel wat. Dat buitenlandse media en ThePostOnline de dood van een zeventienjarig meisje aangrijpen om euthanasie in een kwaad daglicht te stellen is hoe dan ook verschrikkelijk. Euthanasie is juist iets prachtigs, iets wat na jaren lijden eindelijk verlichting brengt. Vooral als het wordt toegepast op, bijvoorbeeld, Hendrik Groen.

Het is inmiddels vijf jaar geleden Groens debuut, Pogingen iets van het leven te maken, het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar, met de snelheid van een opgevoerde scootmobiel de bestsellerlijsten beklom. Stopte hij nou maar eens met pogen. Helaas, op de kaft van de vijfenveertigste druk worden we nog altijd gewaarschuwd: ‘Hendrik Groen mag dan oud zijn, hij is nog lang niet dood en niet van plan zich eronder te laten krijgen.’ Ik ben ervan overtuigd dat zelfs Groen na de juiste hoeveelheid morfine wel anders zou piepen. Dat niemand de inmiddels bijna 90-jarige daar eens een handje bij komt helpen, komt doordat Groen verkoopcijfers voortbrengt waarmee Hugo de Jonge de hele zorgsector naar het niveau van een private kliniek in Qatar kan tillen. Voorlopig zal Meulenhoff dus geen middel schuwen om Groen in leven te houden en bij ieder voorschot voor een nieuw boek ook een karrenvracht aan glucosamine en chondroïtine afleveren om de artrose in zijn vingers te lijf te gaan. Want schrijven zal die bejaarde gek.

Zodoende heeft de succesformule dit jaar een nieuw boek uit zijn broze botten weten te schudden. Een kleine verrassing heet het, daarmee beslist niet doelend op de thema’s die erin aan bod komen. Klagende senioren, een graaiende directie en volgepiste luiers: dat demente bejaarden hier hun laatste beetjes energie in steken, verklaart nog niet waarom de rest van Nederland dit in vier vuistdikke romans beschreven wil zien worden. Op papier kan de mensheid blijkbaar geen genoeg krijgen van al dat oudelullengezeik, al is er geen ziel meer te vinden die in het echte leven voor deze uitdijende groep wil zorgen. Zelfs onze eigen grootouders bezoeken we niet meer, behalve met kerst misschien, om het voorgeslacht de nieuwste Groen massaal cadeau te doen.

Het enige verrassende aan Een kleine verrassing is de achterflaptekst: ‘Hendrik Groen en Evert Duiker, trouwe vrienden in voor- en tegenspoed, zijn de zeventig ruim gepasseerd.’ Pardon? Zijn er opeens nieuwe geboortepapieren opgedoken? Of heeft Meulenhoff Groen een elixer toegediend dat hem minstens tien jaar jonger heeft gemaakt? Waarschijnlijk is er op de uitgeverij paniek uitgebroken toen men besefte dat het voor de geloofwaardigheid van het karakter noodzakelijk was dat de kanker of alzheimer binnen afzienbare tijd zou toeslaan – met zinnetjes als ‘de benen willen niet meer’ zouden ze het niet lang redden. Niet alleen werd besloten de leeftijd van Groen niet meer in ondertitels mee te nemen en hem voortaan gewoon ‘oud’ te noemen, ook zette de publiciteitsafdeling vaart achter de televisieserie en merchandise-lijn: de markt bleek grote behoefte te hebben aan boekenleggers, tasjes, strandballen en keukenschorten met de tekst ‘I love Hendrik Groen’.

Waarom complete volksstammen zo dol zijn op Groen blijft een groot raadsel. Hij is het Nederlandse antwoord op De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, over een bejaarde die niet alleen tien jaar ouder is, maar die tenminste wel de ballen heeft om gewoon weg te lopen als een plek hem niet zint. Nee, dan die kankerpit van een Hendrik Groen: zogenaamd heldhaftig uit het verzorgingstehuis ‘ontsnappen’ om stiekem uit eten te gaan bij de Griek om de hoek, maar zodra de Ouzo achter de kiezen is wel terugkeren om zich nog door een 15-jarige ROC-stagiaire Zorg en Welzijn te laten wassen. Niet voor niks is het uitgerekend Kluun die op de achterflap geciteerd wordt: ‘Hendrik Groen is koning!’

Er zijn mensen die beweren dat de 62-jarige Peter de Smet het brein is achter Hendrik Groen. Zelf weiger ik te geloven dat die boeken geschreven worden door iemand die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet eens heeft bereikt. Wat staat ons dan nog allemaal te wachten? Voor iedere bezuiniging in de zorg zal De Smet zijn botontkalking trotseren en een nieuw boek in elkaar draaien. Er zullen nog talloze passages over gevechten om het laatste advocaatje volgen, om nog maar te zwijgen over de eindeloze dialogen met zorgrobots. Laat in uw wilsbeschikking alvast opnemen dat u er onder geen enkele omstandigheid uit voorgelezen wilt worden.

TS

Nog liever dan romans lees ik de aanbiedingsbrochures waarin uitgeverijen hun nieuwe koopwaar etaleren. Deze folders zijn bedoeld als reclame voor boekhandelaren, die op basis van de aanbieding hun inkoopbeleid kunnen bepalen, maar ik gebruik ze anders: ik blader erdoorheen alsof het een Bijenkorf-catalogus betreft en mail de uitgeverijen vervolgens welke artikelen zij mij gratis op mogen sturen. Daar staat doorgaans tegenover dat er in PC een recensie van de ontvangen romans moet verschijnen, al is het voor de promotie van het boek meestal beter als het daar niet meer van komt. Toch reageren PR-stagiairs braaf op mijn verzoeken, en sturen ze direct de volgende aanbieding mee, zodat ik in augustus aan het zwembad al kruisjes kan zetten in de najaarsbrochure.

Das Mag houdt niet van brochures. ‘Het draait bij uitgeverijen steeds meer om aanbiedingsfolders in plaats van om het boek’, aldus Toine Donk ten tijde van de oprichting in 2015. ‘Dat moet anders.’ Het idee dat die aanbiedingsfolders op hun beurt volledig om het boek draaien ging er bij Toine blijkbaar niet in. Das Mag kwam met een radicaal alternatief: geen aanbiedingsfolder. Het tweekoppig bestuur had besloten de titels los aan de boekhandel aan te bieden en en passant maar weer uit te halen naar de concurrenten: ‘Al die uitgeverijen blijven maar vasthouden aan drie keer per jaar een dikke aanbiedingsfolders voor alle boekhandels.’ Waarom zulke overzichten niet handig zouden zijn voor de boekhandel werd niet duidelijk, maar uit eigen onderzoek hadden Toine en Daniël geconcludeerd dat boekhandels al die reclameboeken spuugzat waren. Dat het Das Mag een hoop geld scheelde om niet drie keer per jaar zo’n folder in elkaar te moeten draaien was mooi meegenomen.

Inmiddels is het mei 2019 en heb ik de zomerbrochure van Das Mag voor mij. Hoewel boekhandelaren het hippe aanbiedingsbeleid van de uitgeverij inderdaad als lekker rustig hebben ervaren, kwamen de literaire cowboys van de Staalstraat er snel achter dat hun kantoor op deze manier als opslaghuis zou blijven fungeren. Daarom presenteerde de uitgeverij afgelopen jaar ‘met trots’ hun eerste aanbieding. Twitter werd woest, de Volkskrant publiceerde een artikel met de kop ‘Wat is er nog rebels aan uitgeverij Das Mag?’ (antwoord: niks). Jamal Ouariachi is ondertussen gestopt met tweeten en Das Mag heeft een jaar lang vrolijk de ene na de andere aanbieding de wereld in geslingerd.

Het leek erop dat Das Mag haar puberale wereldbeeld ontgroeid was, tot het PR-apparaat begin deze maand op de sociale media toch nog blijk gaf van een ernstig verstoorde hormoonhuishouding. ‘Onze zomeraanbieding, die hebben we nu klaar. Daarin kun je dus precies zien welke boeken er van ons in de zomer verschijnen.’ Lekker gewerkt jongens. Handig ook, zo’n folder! ‘Maar zo’n folder is stiekem best saai en maakt de afstand tussen de schrijver en de toekomstige lezer alleen maar groter.’ Daar gaan we weer. Zonder die folder komt het werk van de schrijver niet eens bij de lezer terecht, tenzij je alleen maar schrijvers als Thomas Rueb in je fonds hebt, die met tien pallets de straat op gaan om hun boek gratis aan het publiek uit te delen in ruil voor stemmen waarmee ze de NRC Boekenwedstrijd kunnen winnen. Maar wie daarnaast een gek met het ludieke pseudoniem Auteur 404 en een boek over anti-fame toelaat kan niet anders dan ook ouderwetse methoden inzetten.

Enter de aanbiedingsfolder. Waarom Das Mag zichzelf de grond in boort door te zeggen dat zo’n brochure saai is is mij een raadsel: aan die 16 pagina’s valt meestal meer lol te beleven dan alle vuistdikke debuutromans die Toine en Daniël tot nu toe de wereld in hebben geholpen. Neem alleen al de kop ‘Waarom wij dit boek uitgeven’ die veronderstelt dat de aartsluie synopsissen van soms twee zinnen lang de boekhandelaar niet over de streep gaan trekken. Onder dit kopje geeft Das Mag zichzelf 7×5 cm aan ruimte om eerlijk te vertellen hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Pagina 4: ‘Peter kan meer dan 280 tekens schrijven […] Door zijn online bekendheid zien wij Peter als rising star.’ Pagina 6: ‘Haar artikel riep heftige emoties op en ging viral. Voor ons een signaal dat dit onderwerp ontzettend leeft.’ Pagina 8: ‘Nooit eerder publiceerde Fen Verstappen ergens een woord proza. Toch geven we met blind vertrouwen haar debuut uit.’ Blijkbaar moet je ofwel een literaire twitterheld à la Toine, ofwel een onbekende nitwit als Daniël zijn om een plaats in de stal van Das Mag te veroveren.

Het is niet verrassend dat de promotieafdeling de aandacht van de aanbiedingen nog altijd probeert af te leiden, en nog minder verrassend met welk middel dat gebeurt: zoals de moderniteit vereist is er weer een podcast in het leven geroepen, ditmaal voor de boeken van de zomeraanbieding. Vier auteurs en een redacteur leggen in een interview zonder beeld uit waarom wij hun handel moeten aanschaffen.

‘Er staat een woordenlijst achterin met alle moeilijke woorden die in het boek worden gebruikt.’ ‘Nu mag ik dus een boek schrijven en dat vind ik wel leuk.’ ‘We lazen het en moesten er gelijk van huilen en ook een beetje van lachen.’ Das Mag, doe mij toch maar die najaarsbrochure.

TS

Splinters zijn vervelende dingen. Als je ze er niet zo snel mogelijk met een pincet uitrukt gaan ze zweren. Negeren is sowieso geen optie: hoe klein ook, zo’n ding blijft zeuren. In politieke zin heeft de splinter ook betekenis. Het gaat dan om iets nietigs, een partij die er eigenlijk niet toe doet maar waarvan de aanwezigheid soms maar moeilijk te ontkennen valt. Na de eerste uitzending van het tv-programma Splinter in de politiek, waarin JOVD-captain Splinter Chabot schuimbekkend het Binnenhof uitkamt op zoek naar iedere politicus die hij te pakken kan krijgen, kunnen we stellen dat bovenstaande betekenissen nog altijd volstaan.

De media benadrukken graag dat Splinter een telg uit de Bart Chabot-dynastie is. Hoewel ieder beeld van Splinters manische kop die mededeling direct overbodig maakt, is het in feite nog veel erger. Splinter heeft het DNA-pakket van zijn moeder volledig naast zich neergelegd en is de genetische dubbelganger van Bart Chabot. Dezelfde tandjes in dezelfde scheve klep, dezelfde bril, hetzelfde onverstaanbare geratel en dezelfde onuitputtelijke motor. Naast Splinter verwekte Bart ook nog de tropische cyclonen Sebas, Storm en Maurits. Dat Yolanda Chabot van ellende twee mannen aan het medialandschap heeft afgestaan is niet verwonderlijk: de vrouw moet thuis een dagtaak hebben gehad aan het uitdelen van Ritalin-tabletten.

Van de vier zoons was Splinter de eerste die door moeders met zijn medicijndoosje op straat werd gegooid. Splinter vond onderdak bij DWDD, waar hij na twee keer als tafelheer te hebben opgetreden besloot dat de redactie hem nu maar eens aan de andere kant van de tafel moest uitnodigen. Trots verkondigt – brult – hij aldaar dat het resultaat van zijn eerste presentatieklus de dag erna op NPO3 te zien zal zijn. Dat we allemaal moeten kijken. Dat we er misschien door zullen denken: verdomd, die politiek, daar is van alles gaande. Op het moment van schreeuwen vroeg niemand in het publiek zich nog af hoe de kleine hystericus daar überhaupt terecht was gekomen – wilde complottheorieën over kruiwagens waren al sterk verouderd. Men vond het eigenlijk best logisch dat zo’n cultuurhatend programma als DWDD toenadering zocht tot de jeugdafdeling van de VVD.

Evengoed klinkt er opgelucht gelach als Splinter na de vraag of hij wil doorgroeien in het kastenstelstel van de VVD resoluut ‘nee!’ schreeuwt. Op de vraag of hij dan wel op Mark Rutte stemt komt helemaal geen antwoord. Volgens Splinter ben je als JOVD-lid absoluut niet verplicht om VVD te stemmen, of om überhaupt enige affiniteit met de partij te voelen. Een hele opluchting, maar waarom dan nog inschrijfgeld betalen? Voor een blauw-oranje nieuwsbrief waarin de tien netwerkborrels van de maand staan opgesomd?

Als je Splinters zinnen weet te ontcijferen blijkt dat hij zijn lidmaatschap steeds met één woord probeert te verantwoorden: liberalisme. Splinter is homo en een excentriekeling, want hij draagt donutsokken. Hij denkt dat hij een partij die zichzelf graag als liberaal profileert nodig heeft om dat te kunnen doen en dat iedereen bij socialere partijen met dezelfde rode ster op zijn jas rondloopt. Terwijl het toch echt VVD-kamerleden zijn die voor een stemming een sms’je van de hoogste macht krijgen met daarin de boodschap ‘straks voor’ of ‘straks tegen’. Die tegen een voorstel waren voor verplichte voorlichting over seksuele diversiteit op het mbo. Die samen kwamen opdagen met de knaller van een oneliner ‘Normaal. Doen.’

Misschien is Splinter wel de kleine lastpak die met zijn onophoudelijke gebrul de VVD goed fatsoen weet bij te brengen. De JOVD staat er bijvoorbeeld al om bekend eerlijk te hebben toegegeven dat ook zij het een wel een erg opvallend hete zomer vonden. Waarschijnlijker is het dat Splinter – nu nog door de pers als ‘een leuk joch’ omschreven – over tien jaar met uitgestreken smoel voor een camera verkondigt dat we lastige moslimjongeren maar eens moeten gaan steriliseren. Het is het pad dat onder anderen Klaas Dijkhoff en Mark Rutte eerder hebben bewandeld: eerst jarenlang de sympathieke jongen uithangen, om vervolgens eens voorzichtig aan de rechtsstaat te gaan sleutelen.

Vooralsnog is Splinter de lieve stumper die alleen nog maar de chef mag interviewen terwijl deze op een terras aan zijn bakje yoghurt zit. Hoewel Splinter wel even voorzichtig vraagt naar de dividendbelasting, komt de meest heftige kritiek in de vorm van een toevallige passant, die in het voorbijgaan naar Rutte schreeuwt: ‘helemaal klaar met jou, weet je dat!’ Rutte echter is een door Philips ontworpen robot die niet in staat is om negatieve signalen te registreren. Zelfs als Splinter hem nog even op de aantijging wijst geeft hij een error. Het deert niet, want zelf heeft Splinter het ook veel liever over de leuke dingen des levens. Daarom gaat hij schaatsen met Lodewijk Asscher, in een kort broekje door het park rennen met Rob Jetten en winkelen met Lilian Marijnissen. Hij wil politici uit hun context halen, om ze te laten zien ‘op momenten dat ze echt zichzelf zijn’. Of een cameraploeg en een extatisch kind aan je broekspijp dat proces bemoeilijken, mag de kijker beslissen. De politici kan het niet rotten: die laten zich vlak voor de Provinciale Statenverkiezingen maar al te graag interviewen door een jonge homo die zegt alle bewindslieden die hij spreekt ‘zulke aardige mensen’ te vinden.

Waar Splinter in de politiek werkelijk om draait is een individuele zoektocht. ‘Kan je wel helemaal jezelf zijn in de politiek?’ vraagt Splinter ons. Wat hij bedoelt is: kan ik wel helemaal mezelf zijn in de politiek? Splinter zou graag meer kleur in de politiek zien, liefst zijn eigen paarse gilet en gebloemde overhemden. Alleen als Den Haag zich aan zijn kledingvoorschriften aanpast overweegt hij een politieke carrière. Voorlopig blijft hij de modewetten uitleggen aan zijn opnameleider, die hem op een koude dag in januari vraagt of hij zijn overjas niet beter dicht kan doen. ‘Een dichte jas ziet er niet uit!’ is Splinters antwoord. Hopelijk ziet hij nog eens in dat het VVD-lidmaatschap niemand staat.

TS

Roos steek je vinger in je doos

Het is niet makkelijk meer om jezelf tot feminist uit te roepen. Waar het claimen van de onbeschermde titel een aantal jaar geleden leidde tot vragende blikken, boekcontracten en een confrontatie met Maxim Hartman in een talkshow, bereikt de boodschap tegenwoordig nauwelijks meer de cortex van de luisteraar. Hoewel het provocatiegehalte van de mededeling inmiddels ongeveer even hoog is als het individueel erkennen van de Armeense genocide, heeft er zich direct een gewaagd alternatief aangediend: verklaren dat je je niet schaart bij de hordes moderne Dolle Mina’s. Een man hoeft dit natuurlijk helemaal niet te proberen, een vrouw zal zich op z’n minst nader moeten verklaren – tenzij die vrouw luistert naar de naam Roos Dickmann.

In de voorjaarsaanbieding van Prometheus prijkte de debuutbundel Ik ook van mij van Dickmann naast de paginavullende tekst ‘Kan een vrouw die verkracht wordt zichzelf iets kwalijk nemen?’ Dit is wat Prometheus heeft weten te brouwen van het werk van Rosie Price, dat volgens haar Engelse uitgever gaat over ‘the courage of a young woman speaking out’. Voor Dickmanns bundel deed Tim Hofman zijn best de walgelijkheid van de rechterpagina te benaderen. ‘Een intiem boekje’, aldus de muzenzoon, die via instagram vanzelfsprekend warme banden met Dickmann onderhoudt. Een korte blik op haar account doet alweer vermoeden wat jonge actrices – de letteren zijn slechts een uitstapje – zo aantrekkelijk maakt voor uitgevend Nederland: deze vrouw is haar eigen pr-machine. In talloze posts en stories waarin interpunctie als een dichterlijke ingreep is verdwenen (‘ik heb een gedichtenbundel uitgebracht die nu te koop is kusje’) spoort ze met haar onuitputtelijke bron van ironie haar trollenleger aan het broddelwerk te kopen.

Het enige wat de publiciteitsafdeling nog hoefde te doen was Dickmann met Gedichtendag op de trein naar Hilversum zetten. Op deze dag worden dichters traditioneel uit hun hollen gesleept om iets over hun werk te vertellen, om vervolgens weer een jaar lang genegeerd te worden. In de uitzending van Kunststof vraagt presentator Frénk van der Linden Dickmann wat zij haalt uit een ‘feminien aspect’ in een gedicht van de Dichter des Vaderlands, waarop Dickmann triomfantelijk verkondigt dat ze ‘géén feminist’ is. ‘Dat wil ik wel graag even benadrukken.’ Was Dickmann het wel geweest, dan had ze Van der Linden misschien gevraagd waarom zij in godsnaam specifiek over dat onderdeel iets moet zeggen, terwijl Jan Baeke en Pim te Bokkel eerst minutenlang zijn losgegaan op het geheel.

Van der Lindens motieven worden duidelijk als hij Dickmann verder aan de tand voelt. ‘Ik vraag het omdat het me verbaasde, zo niet verbijsterde, dat jij geen vrouwelijke poëten zegt te lezen.’ ‘Het is niet zo dat ik ze bewust niet lees,’ aldus Dickmann, die vervolgens heel precies uitlegt waarom ze bewust geen vrouwen leest. ‘Ik kan soms poëzie best wel snel een beetje gedweep vinden, bepaalde mooischrijverij. Dan denk ik soms: doe niet zo moeilijk! Stel je niet aan. Harden the fuck up. Poëten kunnen soms, en dan vooral vrouwen denk ik…’ Vlak voordat Lieke Marsman al haar vriendinnen heeft weten te mobiliseren grijpt Jan Baeke in, die tot zijn eigen verbazing aan een 22-jarige vrouwelijke dichter moet mansplainen dat er weldegelijk goede vrouwelijke dichters bestaan. ‘Het is waarschijnlijk ook een vooroordeel,’ klinkt het zelfbewustzijn van Dickmann. Waarschijnlijk heeft ze daarin gelijk, want als de onvermijdelijke vraag of ze weleens vrouwen leest komt is het antwoord nee. ‘Maar ik blader er soms wel een beetje doorheen.’

Laten we de bundel van Dickmann eens doorbladeren. Volgens de achterflap schrijft Dickmann ‘recht op de man af’. Toch richt ze een van haar eerste gedichten ‘aan alle jonge vrouwen die zichzelf hopen te vinden in Thailand’. Was het eerst een cliché om als jonge vrouw naar Thailand te gaan, nu is het een nog groter cliché om daarover te schrijven. Een volgend klapstuk richt ze ‘aan mezelf en alle andere poëten die zichzelf hopen te vinden in melancholische liefdesgedichten’. Dickmann laat geen twijfel bestaan over haar stokpaardje: ‘Houd toch eens op met dat / eeuwige gezever en gezaag over / de liefde; het is vertieft en dwaas / verdomde stom.’ Dickmann wil niet horen van gebroken harten en zakt liever een kwart meter af naar de anus.

Zelf denkt Dickmann dat de meeste jonge mensen zich sneller tot haar gedichten over poep en de poëzie van andere millennials voelen aangetrokken dan tot het werk Slauerhoff. Of dat voor haar pleit moet ieder voor zich beslissen, maar we hoeven niet te doen alsof de gedichten van Hofman en Dickmann serieuze doorgroeimogelijkheden bieden. Andersom geldt hetzelfde. Wie fan is van Slauerhoff, gaat waarschijnlijk niet van Dickmann houden. Gelukkig doet ze dat zelf wel.

TS

Roos Dickmann, Ik ook van mij, Prometheus, € 15,00, of gratis door te bladeren bij Athenaeum

Dit fenomeen is voorlopig nog niet uitgewoekerd.

Er zijn geen ergere mensen dan zij die ‘ergens een gevoel bij hebben’, op één categorie schlemielen na: zij met een ‘voorgevoel’. Het gebruiksvriendelijke van het woord ‘voorgevoel’ is dat het zonder problemen kan worden ingezet op het moment dat er van een voorgevoel allang geen sprake meer is. Sla google er maar op na: in veruit de meeste gevallen zagen voetballers, prijswinnaars en terminale patiënten hun voorgevoel ‘bewaarheid worden’, bleek het ‘te kloppen’ en was het dus toch ‘terecht’. Logisch, want iedereen wiens voorgevoel niet blijkt te kloppen houdt wijselijk zijn kop.

 

Zo ook Lidewij Edelkoort. Lidewij (‘Li’ voor vrienden en andere hielenlikkers) heeft van voorgevoel haar beroep gemaakt. Hoewel zij in het grote dubbelinterview met haar man Anthon Beeke door de koppige interviewer meermaals ‘trendwatcher’ wordt genoemd, is Lidewij niet te beroerd haar te corrigeren. ‘Ik ben trouwens trendforecaster – een trendwatcher is ­iemand die een heleboel bruine schoenen ziet op straat en stelt: bruin is in. Ik ben dan al veel langer met bruin bezig.’ Inderdaad. En met geel, en groen, en lila. In Lidewijs geval vuurt de kosmos zoveel yottabytes aan informatie op haar ingebouwde schotelantenne af dat haar verspreidingskanalen in de vorm van haar website en mond wel 24 uur per dag aan moeten staan. Op iedereen die het maar horen wil laat ze haar talloze ingevingen los, en maakt daarbij handig gebruik van zowel het trial-and-error-principe als misleidingstechnieken uit de astrologie. Niet alleen doet Lidewij graag voorspellingen die zo algemeen zijn dat het raar zou zijn als ze niet zouden uitkomen, ook geeft ze haar profetieën een tijdsbestek van enkele lichtjaren om iets van de waarheid te naderen.

 

Volgens Lidewij leven we in een ‘zware’ tijd, en wordt het alleen maar gekker. ‘Het zijn spannende jaren, ik maak me zorgen,’ aldus het orakel. Gelukkig was vroeger alles zo lekker normaal, en was iedereen het daarover eens. Nee, dan onze eeuw: ‘Ik vrees voor een burgeroorlog in de ­Verenigde Staten, extreemrechts tegen alternatief, avant-garde, zwart, groen, geel rood.’ Over een aantal jaar zul je het iedereen horen zeggen: ‘Die Lidewij, die wist dat er wat zou gaan gebeuren in Amerika, met dat zwart, groen, geel rood!’ Maar het hardst van iedereen zullen we het Lidewij zelf horen roepen, mits de vraagbaak dan niet al tijden dood is.

 

Vooralsnog horen we Lidewij uitsluitend over voorspellingen uit een ver verleden die ze nooit op papier heeft gezet. Dat weerhoudt haar er niet van de juistheid van al die voorgevoelens door de strot van het publiek te rammen, al heeft nu behalve zijzelf helemaal niemand daar meer iets aan. Herinnert u zich 9/11 nog? Lidewij ook, en zelfs al veel langer dan u. ‘In de lente van 2001 voelde ik me verschrikkelijk. Toen ik de eerste toren zag instorten, was ik helemaal opgelucht: dit was het dus.’ Waar Lidewij anders nogal vaag is over de herkomst van haar prognoses, is ze hier heel duidelijk. Naar eigen zeggen stond ze geestelijk direct in verbinding met Bin Laden, en ja, dat vindt ze zelf ook wel vreemd. Het is zelfs bijna zo vreemd als iemand die eerst opluchting voelt bij het aanschouwen van de grootste terroristische aanslag in de wereldgeschiedenis.

 

Toch bestaan er dingen waar zelfs Lidewij zich lekker druk om kan maken. De teloorgang van onze planeet, bijvoorbeeld. ‘Ik wil geen doemscenario schetsen, maar het is duidelijk dat het nu echt misgaat.’ Maar waar klimatologen met jarenlang serieus onderzoek het laten afweten, gaat Lidewij door. Het heelal en Bin Laden berichten haar al sinds begin jaren 90 dat de economie kleinschaliger, milieuvriendelijker en lokaler zal worden. Lidewij is er nog steeds van overtuigd dat dat ooit, mark her words, ja óóit zal gebeuren! Het is immers onze enige redding, aldus de vrouw die ‘vaker dan een piloot’ in een vliegtuig zit. Wanneer die omslag naar een duurzame economie dan precies plaats gaat vinden, zou ze misschien eens kunnen navragen bij haar klanten, waaronder Coca-Cola, Siemens en L’Oréal.

 

Lidewij beweert dat er van al haar voorspellingen geen enkele niet is uitgekomen. ‘Anders zou ik ze niet opvangen.’ Beter is het om te stellen dat er weleens wat straling zijn doel mist, vooral in de persoonlijke sfeer. Zo was Lidewij in ’82 wegens gebrek aan zin bijna niet naar een designcongres gegaan, terwijl ze daar toch mooi haar man ontmoette. Diezelfde man antwoordde in het Volkskrant-interview op de vraag of hij het jaar 2050 zouden gaan halen overtuigd: ‘Haha, ik niet!’ Daar dacht Lidewij heel anders over. ‘Jij wordt wel oud, ook.’ Drie weken na het interview was Anthon dood. Als het nog kon zou hij zeggen dat hij al zo’n voorgevoel had.

TS

Het was een prachtige zomer voor de rustzoekers in Amsterdam. Theodor Holman was in Italië om verslag uit te brengen van de gedienstige kamermeisjes aldaar, Han Lips heeft zijn RTL XL Premium-account ten volle benut en Hiske Versprille verruilde noodgedwongen de terrassen voor magnetronmaaltijden. Bovendien zal het menig vrouw zijn opgevallen dat haar nek in de avonduren bij afwezigheid van bronstig gehijg op feesten en partijen eindelijk eens droog bleef. Inderdaad: ook Hans van der Beek, beheerder van de fuifrubriek Schuim in Het Parool, zei de salons en partytenten tijdelijk gedag om een zomerstop in te lassen.

Mogelijk heeft u ook voor deze zomer nog nooit last van Hans van der Beek gehad. Dan bent u ofwel een man, ofwel nog nooit op een feest/evenement/ presentatie/festival/bijeenkomst/gala/ housewarming in Amsterdam geweest. Geldt het voorgaande niet voor u maar bent u wel geabonneerd op Het Parool, dan hebt u dubbel zoveel pech. Het Parool is de krant waarin Van der Beek iedere dag verslag doet van de festiviteiten die hij afgaat. Die stukken weet hij elke dag weer zuurder te maken dan zijn kop ernaast doet vermoeden. Het laffe ironische toontje dat werkelijk in al zijn stukken wordt aangeslagen en dat Van der Beek zelf voor humor aanziet is zijn vrijbrief om alles waar mensen tijd en moeite in hebben gestoken vluchtig de grond in te trappen.

Krijgt Hans een goedgevulde goodiebag mee, dan lukt het hem niet daar simpelweg enige dankbaarheid voor te uiten of er desnoods gewoon helemaal zijn bek over te houden, maar lijkt het hem zinniger zijn onvrede te laten blijken over de roze kleur van de verpakking waarin de luxueuze goodies zich bevinden. ‘Ik moet hiermee over straat.’ Mag Hans zich melden voor een zesgangendiner dat wordt verzorgd door twintig ingevlogen Italiaanse sterrenkoks, vindt Hans het nodig zijn lezers te berichten over de file waar hij in heeft moeten staan voor hij aan tafel kon en de onmogelijkheid om tussen de gangen door ‘even een peukje’ te roken. Gaat Hans zich gratis volstouwen met frituurvoer bij het café dat de AD friettest voor de vierde keer op rij heeft gewonnen, wil hij eerst zijn vraagtekens zetten bij de relativiteit van goede friet. ‘Hoezo de lekkerste frieten van Amsterdam? Friet is een stukje aardappel dat een tijdje in de frituur heeft gelegen. Dat kun je langer doen of iets korter en je kunt ook een andere aardappel proberen. Dat was het verder wel, lijkt me toch.’

Waarom stapt Van der Beek niet gewoon naar een Smullers binnen de ring, waar je, als je de boel binnen weet te houden, sowieso niets mee naar huis krijgt? Het antwoord: omdat je in de Smullers geen lekkere wijven kunt vastleggen. Als Hans niet met zijn kolossale lijf alle meisjes van de bediening voor de andere gasten aan het oog onttrekt jaagt hij op bekende vrouwen die hij niet alleen voor zijn camera sleept, maar ook voor zijn vuurpeloton van kritische vragen. Zo stelde hij Doutzen onlangs voor een culinair dilemma dat hemzelf op menig feest gek maakt: ‘Frikandel of kroket?’

Doet Van der Beek dan niks anders dan vrouwen die nietsvermoedend naar een feestje gingen vragen naar hun favoriete vleesstaaf? Jawel, Hans schrijft ook boeken over feestjes en vrouwen. In 2011 tekende hij een top 100 van het Amsterdamse uitgaansleven op, deed Kluun de flauwe suggestie Paradiso op nummer 1 te zetten en ramde uitgeverij Podium er een kaft omheen waar Van der Beeks naam nauwelijks meer op te lezen is, maar die van Kluun des te beter. Rest nog een in de vergetelheid geraakte roman over een geschiedenisdocent met een obsessie voor Chantal Janzen, de vrouw die ooit een dag lang door Van der Beek werd gestalkt omdat hij per se een portret van zes kantjes van haar wilde optekenen. Sindsdien keert Janzen ook regelmatig terug als toevallige aanwezige op de feesten waar Van der Beek verslag van doet, zoals de lancering van het blad &C en het éénjarig bestaan van het blad &C. ‘Chantal Janzen, toevallig naast me, mompelt: “Grote zwans…”’

Tegen mogelijke uitkomsten als een straatverbod of extra beveiliging heeft Van der Beek zich allang gewapend. Afgelopen maand werd hij geweigerd aan de net geopende poorten van het Soho House, ooit de plek waar Van der Beek zelf colleges volgde en inmiddels voor de gemiddelde Amsterdammer onbegaanbare grond. Juist als Van der Beek een keer alle reden heeft om in zijn rubriek in de grootste krant van Amsterdam een evenement ter ere van malafide praktijken totaal de grond in te boren doet hij het natuurlijk niet. ‘Werkelijk schitterend’, ‘opnieuw valt mijn mond open’, ‘krakers eruit, young, hip & beautiful erin’, schrijft de man die in eerste instantie zelf niet eens naar binnen mocht omdat hij absoluut niet tot deze groep behoort. ‘Om binnen te komen, was nog best een toestand. […] Ook foto’s maken van de gasten was niet mogelijk. Dat was om de privacy te waarborgen. […] Ik moest werkelijk al mijn natuurlijke charme inzetten.’ Natuurlijke charme, dat wil bij Van der Beek zeggen: pens naar voren, frons op je kale kop en tegen het meisje van de gastenlijst brullen dat je wél naar binnen mag.

Het zal niet lang meer duren voor Hans terugkeert van zijn feestvakantie op Ibiza en de Amsterdamse markt opnieuw met zijn volle gewicht gaat bezetten. Sluit dus uw ramen als u de frituur aanzet en mijd evenementen die op facebook als openbaar zijn aangemerkt. Dan is het voor u het weet weer tijd voor de volgende zomerstop.

TS

Ook honger? Win de KOLOMKOMPETITIE en krijg 100 euro.

Archief