OM

We moeten het hebben over journalisten. Niet over hun verstreken of juist ongestreken overhemden en egomanie, of dat ze de hele werkdag staren naar het scherm met de live leescijfers van hun artikel in de kantine, nee, we pakken het probleem bij de atoomkern aan: hun taalgebruik. Ze kunnen niet spellen, gebruiken krukkige anglicismen en noemen alles, maar dan ook echt alles ‘kraakhelder’. Zowel de soep in het restaurant als de taal in de nieuwe roman of de muziek van een opera kraken van helderheid. Het is doortrapt: de lezer weet niet wat het betekent zonder dat de lezer het gevoel heeft dat hij niet weet wat het betekent. Als een currymaaltijd gemaakt met van die zerocalorierijst: achteraf zit je vol, maar energie om de trap op te lopen heb je niet. De allergrootste gelatinerijstkorrel in deze categorie, ik krijg er nu ook weer spontaan kippenvel van, is, mijn hemel, gaan deze woorden nu echt uit mijn pen komen, de volgende: ‘wat het betekent om’.

Zo geeft een schrijver volgens NRC weer ‘wat het betekent om als kind op te groeien met een rokkenjager’, en maakt een roman ‘aangrijpend invoelbaar wat het betekent om als vluchteling afgesneden te zijn van het land dat je lief is en ergens anders een nieuw leven op te bouwen’. Ja, je kunt kind zijn, opgroeien met een rokkenjager, of vluchteling zijn, afgesneden van het land dat je lief is, ergens anders een nieuw leven opbouwen, allemaal waarneembare bezigheden. Maar wat het betekent? Niets. Althans, niets meer dan wat het betekent om op dinsdag een boterham te eten. 

Maar het wordt nog erger wanneer de zinsnede na een vorm van ‘onderzoeken’ staat. Een kop in NRC: ‘“After Us” is een spannende en wonderschone exploratie van wat het betekent om wél te bestaan’. Ik heb het even uitgezocht, maar ‘After Us’ is gewoon een theaterstuk voor mensen, en niet voor aliens die mogelijk niet weten hoe het is om te bestaan. Of neem de Filmkrant: ‘Passing (…) onderzoekt wat het betekent om als zwart persoon door het leven te gaan als wit.’ Prima, een filmmaker zou nog iets kunnen onderzoeken, maar een film niet. Een film is eventueel het resultaat van onderzoek, een film gaat gewoon ergens over. In dit geval over een omgekeerde chocoladezoen.

Maar het meest pedant is de constructie nog wel in combinatie met mens: ‘Ik denk dat geschiedenis ons vooral kan laten zien wat het betekent om mens te zijn’, stond laatst in NRC. De geschiedenis kan ons veel leren, maar juist niet wat het betekent om mens te zijn. Mensen uit de geschiedenis zijn namelijk niet. Je als levend mens tot de dode mens keren om te vragen wat het is om mens te zijn is als Abdelkader Benali die aan A.F.Th. van der Heijden vraagt hoe het is om (wat het betekent om) een lage rusthartslag te hebben. In de Volkskrant gaat het zelfs over een ‘zoektocht naar de vraag wat het betekent om mens te zijn’. Een zoektocht naar een vraag is al absurd natuurlijk: als je je vraag kwijtraakt zal die niet zo belangrijk zijn geweest en hoef je daar geen zoektocht voor op touw te zetten. En dat blijkt, want die vraag is dus wat het betekent om mens te zijn. Als dat je vraag is raad ik je aan een dozijn Gillette-scheermesjes in te slikken en te stoppen met mens zijn, dan hoef je je ook niet meer af te vragen wat dat precies betekent. 

Nu denken jullie natuurlijk, heremijntijd, wat een mierenverkrachtend geneuzel van die OM. En daar hebben jullie helemaal gelijk in. Het gaat er niet om wat er niet staat in zo’n zin, het gaat erom wat er wel staat: namelijk niets. En dat is irritant. Journalisten zijn er om ons iets uit te leggen. In klinkklare kraakheldere taal. En als ze dat niet kunnen, moeten ze nog even goed bij zichzelf nagaan wat het betekent om journalist te zijn.

OM

Een Wallace-themanummer? De WhatsApp-groep van de redactie ontploft: ‘gonna be huge’, zegt de een, ‘can’t say it’, zegt de ander, ‘big’, zegt de volgende, ‘been saying’, zegt de een weer, ‘let’s get it said’, zegt de tweede. Tja, kan, denk ik, maar waarom? Ik heb dat kleimannetje nooit iets literair-satirisch horen zeggen. Altijd dat gepicknick op de kaasmaan, maar ondertussen mislukken al zijn uitvindingen. Gromit, die is een stuk slimmer, daar zouden we het eens over moeten hebben, dat zien die lui dan weer niet in. Maar goed, ik heb ooit een toespraak gelezen van hoe-heet-die-gast-ook-alweer, over een saai leven hebben en je dan moeten inleven in je domme medemens omdat je eigen leven dan leuker wordt ofzoiets. Iets met vissen en actief besluiten niet iedereen een idioot te vinden. ‘Dit is water’, zeg ik daarom acht keer tegen mezelf, en ik app terug: ‘leuk idee, jongens!’ 

Een vlaag van ellendigheid overvalt me vrijwel direct: moeten schrijven over een wipgeneuste kaasvreter is niet wat ik me had voorgesteld van mijn redacteurschap. Waar begin je, met zo’n figuur? Ik besluit me in hem in te leven en een cracker met Yorkshire Wensleydale te eten bij de thee vanmiddag. Maar in de supermarkt blijken alle blokken kaas er zweterig uit te zien. ‘Sorry, we krijgen de koeling niet meer aan de praat’, zegt een medewerker die me de vochtige Wensleydales ziet inspecteren. Dat zo’n inteeltjosti aan een contract komt. Hoe moeilijk is het om een stuk kaas koud te houden terwijl het buiten vriest? Maar die bezwete kazen doen me wel ergens aan denken: het voorhoofd van die schrijver waar al die deugjongens zo weg van zijn. Walter Falcon uit Dallas was het, volgens mij.

Met in mijn handen een pak crackers en een netje Babybellen, knappe jongen die een Babybel weet te bederven, sluit ik me achter aan de rij. Voor me staat een Amerikaans stel, een man met een hoofd als een beitel en een vrouw die eruitziet als een emmer. Zo traag als een slak met een verdraaide meniscus laden ze hun boodschappen op de lopende band. In de gaten die tussen de producten ontstaan zou ik al mijn aankopen kwijt kunnen. Een eerste neiging het stel onder de oksels te kietelen houd ik in bedwang. Een tweede neiging ook. ‘Dit. Is. Wa. Ter.’ Ik bijt op mijn wangen en proef bloed. Ben ik een goed mens? Nog wel. Houd dit vast. Wil ik wel een goed mens zijn? Als dit is wat ervoor nodig is, twijfelachtig.

Dan ben ik eindelijk aan de beurt. De cassière steekt haar Baker-Miller-roze nepnagels in een van de waxkaasjes. ‘Latisha’, roept ze door de voordeelsupermarkt met een stem die de absolute stem van de dood is, ‘hoe duur is… dit?’ Ze houdt het netje als een trofee omhoog en kauwt in afwachting van Latisha’s respons met open mond op een stuk gom. Ik moet denken aan een studie die aantoonde dat er meer poepbacteriën onder acrylnagels blijven zitten dan onder natuurlijke nagels. De geperforeerde huid van de Babybel zal geen weerstand bieden tegen de eencellige E. Coli’s, die zich vervolgens, al smullend van de witte kaas, elke twintig minuten in aantal verdubbelen. Kon ik me elke twintig minuten maar in aantal verdubbelen, sabbelend op maagdelijk zachte kaas, en ondertussen iedereen uitroeien. Dan zou de wereld een betere plek zijn. Maar het is water. Ik kies ervoor het betekenisvolle, het mystieke van de situatie inzien, de Vomar is als moeder aarde, Latisha is Maria, water, het is water, ook kankercellen hebben water nodig.

Buiten houdt een meisje met een iPad in haar hand me tegen. ‘Hoi, heeft u even de tijd voor de kindertjes met honger in Zuid-Soedan?’ Haar frivoliteit is ongepast, ze weet het, maar nee zeggen is nog veel ongepaster, dat weet ze ook. Met die ene vraag sluit ze me op in een kooi en gooit ze het sleuteltje weg. Al snel laat ze zakjes superpindakaas zien om uitgemergelde kinderen mee aan de praat te krijgen. Ik rochel iets op en laat het in mijn mond heen en weer gaan. ‘Met drie keertjes vijftien euro kunt u twee hele kinderen helpen’, zegt ze. Ik wil het meisje vragen of kinderen met honger wel zo heel zijn en of ik niet een gehalveerd tarief kan betalen voor een zwaar ontvleesd kind. ‘Ik zoek vandaag tien mensen die mij willen helpen en ik heb er al negen gevonden!’ Mijn wangzakken zuig ik naar binnen om zoveel mogelijk speeksel bij de rochel te voegen. ‘Kan ik uw naam erbij zetten?’ Ik open mijn lippen en breng mijn tong op spanning om de rochel met grote kracht naar buiten te stuwen. Maar dan denk ik toch weer: dit is water dit is water dit is water en slik ik de rochel door. Geniaal eigenlijk, die godverdegodver-hoe-heet-die-nou, kunnen we daar geen themanummer over maken?

OM

Dit is water, David Foster Wallace.
Koppernik, €15

Archief