MM

Zonder zo’n pandemie vergeet je het misschien eventjes, maar wanneer het er echt op aankomt, is de man nog steeds de grote roerganger. De enige vrouwen die tijdens deze crisis op tv mochten om er ook iets over te zeggen, waren gebarentolk. Speciaal voor de persconferentie werden ze uitgenodigd om op de achtergrond dertig minuten lang wanhoop, woede en angst uit te beelden. De mannen van de politiek doen natuurlijk niet aan emotie. En daar gaat het mis.

De corona-pandemie is uit de hand gelopen door een gebrek aan hysterie. Onder mannen heerst nog steeds de verkeerde gedachte dat je bij een ramp niet krijsend weg dient te rennen, maar nuchter moet blijven staan om de situatie in te schatten. Rond 5 maart 2020, toen er officieel nog slechts 83 besmettingen waren gerapporteerd, maar werkelijk al – zo bleek later – zo’n 33.000 besmette Brabanders rondliepen, had het allemaal moeten gebeuren: leger inzetten, koning op de buis, medicijnen uitdelen, muur tussen Midden- en Zuid-Nederland, ieder huishouden een beademingsapparaat en verder gewoon het hele volk netjes de kooi in.  

Maar wat deed Jaap van Dissel, leider van het RIVM? Hij stuurde zijn persvoorlichter Harold Wighel naar Het Parool, met de tekst: “De stand van zaken is nu dat het coronavirus hier geen voet aan de grond heeft. Onnodige paniek is zinloos, en onwenselijk.” Ondertussen niesten de 33.000 besmette Nederlanders moedig door. Ligt het aantal besmettingen niet wat hoger dan de vastgestelde 83, wilde de krant weten. Waarschijnlijk wel, denkt Wighel, maar een schatting wil hij niet geven. ‘Zolang de vastgestelde besmettingen er niet op wijzen dat Nederland zelf een serieuze infectiehaard is, zal het RIVM niet meer mensen testen.’

Lekker dan. Het RIVM stuurde in februari al een richtlijn rond aan huisartsen en GGD’en, die voorschreef dat alleen symptomatische mensen die in Noord-Italië of China waren geweest, recht hadden op een test. Alleen van mensen die de infectie dus buiten Nederland hadden opgelopen, werd bekend dat ze een infectie hadden opgelopen. De duizenden Nederlanders die zich met benauwdheidsklachten bij de huisarts meldden, maar niet in een risicogebied waren geweest, kregen te horen dat dat natuurlijk géén corona kon zijn.  

Er zijn dus wel wat denkfoutjes gemaakt. Je zou je kunnen voorstellen dat Jaap van Dissel, nu eenmaal bekend is dat hij zaak aanvankelijk ernstig onderschat heeft, daar eens wat over zou zeggen. Maar aan de andere kant: waar moet hij beginnen? Bij de door hem aanbevolen groepsimmuniteit, een idee dat hij een paar dagen later weer introk, omdat wij het allemaal ‘verkeerd begrepen’ hadden? Bij de beschermingsmiddelen voor verpleeghuismedewerkers, die het RIVM niet nodig achtte, en waardoor er tientallen verpleegkundigen ziek werden, en sommigen overleden? Of bij zijn ideeën over mondkapjes, waaraan hij langer vasthield dan Koningin Elizabeth aan Rhodesië?

Van Dissels strategie is duidelijk: onverstoorbaar doorgaan met het rondbazuinen van matig onderbouwde ideeën. Inmiddels heeft het RIVM minstens zoveel foutieve informatie verkondigd als Stichting Viruswaarheid. In plaats van excuses, kwam Van Dissel met een nieuwe theorie: het ventilatiesysteem in vliegtuigen is zo superieur, dat de luchtvaartindustrie niet met aanvullende maatregelen hoeft te komen. Wanneer later blijkt dat het RIVM hier helemaal geen onderzoek naar heeft gedaan, hangen de Boeings al lang in de lucht. Het moge duidelijk zijn waar Van Dissel zijn onderzoek doet: op de golfbaan, in zorgvuldige samenwerking met de CEO van Transavia.

Ondertussen schuift die koppige hulpsinterklaas iedere woensdagochtend weer aan bij het OMT-overleg, waar hij de kamerleden met allerlei grafiekjes de stuipen op het lijf jaagt. Hij is Jaap, en ‘Jaap is van de wetenschap’, aldus de premier. Jaap is nuchter, rationeel, en nooit eens van iets onder de indruk. Een groep experts, die onder leiding van Wim Schellekens in juli al de noodklok luidde omdat het aantal besmettingen opliep, en het kabinet dringend verzocht om maatregelen te nemen, werd weggezet als een verzameling geriatrische paniekzaaiers. Mark had Jaap al. En Jaap was even met vakantie, net als Mark, maar met warm weer had zo’n virus het toch moeilijk, dus als je gewoon naar de feiten keek, was er niets aan de hand.

In plaats van een middeleeuwse heksenverbranding zou er een openbaar tribunaal moeten komen waar al die overmatig nuchtere, rationele mannen terecht worden gesteld. Een soort omgekeerde brandstapel, waar de hysterici en angsthazen vervolgens krijsend omheen kunnen dansen. Aura Timen, die vrouw, mag er trouwens ook wel op.

MM

Hallo, lezertjes! Oma is er nog. Zo nu en dan moet je als oude klopgeest even van je laten horen om de redactie de stuipen op het lijf te jagen. Zo houd je ze scherp, die kinderen. Eén gastbijdrage maar in dat hele Intreenummer? Waar gaat het heen met dit blad! Ik weet het niet, ik heb het al maanden niet gelezen, want APG bezorgt niet in Ierland. Ik heb dan ook geen brievenbus, ik woon in een caravan.

Mijn caravan heeft één zonnepaneel, de kurk waarop de hele zaak drijft. Buiten regent het. De batterij van mijn laptop is nog halfvol. De gedachte om hier, vanuit de wildernis, letters in te voeren in een Word-document, dat alles met een toetsenbord, wordt met de minuut absurder. Toch is er wel een zekere noodzaak. Ook in het buitenland kun je namelijk verschrikkelijke dingen lezen. Meestal is dat Nederlandse literatuur die je zelf hebt meegenomen, maar The Guardian valt ook niet mee. Dat heb ik pas sinds kort in de gaten. De eerste weken, de eerste maanden misschien zelfs, is het lastig om buitenlandse media te taxeren. Je eerste gevoel is er een van bevrijding: geen Elma Drayer op pagina drie! Een dik boekenkatern! Geen recensie van tv-programma’s! Ik ga hier wonen, denk je. Maar na een cis-vrouw die een essay schrijft over de kenmerken van millennial-proza slaat de vermoeidheid toe. Wat is dit voor een zooi? Dit kan ik thuis ook krijgen, lekker in mijn eigen taal! Greta Thunberg die lezersvragen beantwoordt? Vijftien columnisten van kleur? Daar hebben we OneWorld al voor! Nigel Slater, die de recepten in de bijbehorende foodglossy voor zijn rekening neemt, blijkt net zo’n matige kok als Herman den Blijker. De vrouw van de probleemrubriek mist de ironische touch van Beatrijs Ritsema. Ook kom je om de pagina een oproep tegen om geld over te maken, alsof Toine Donk is losgelaten op de marketing: “The Guardian needs its patrons more than ever!” Kortom, na een paar maanden blijkt het beloofde land net zo’n dorre akker als het achtertuintje van Philippe Remarque.

Wat leren we hiervan? Dat mensen overal ter wereld vervelend zijn, of dat we overal ter wereld onze eigen ergernis op de onschuldige omgeving projecteren? Boeddhisten beweren het laatste, las ik in The Tibetan Book of Living and Dying. Het is geschreven door Sogyal Rinpoche, een stermonnik die een paar jaar terug met vijf seksslavinnen op een altaar werd betrapt. In zijn boek schrijft hij: ‘In Tibet we say: “Negative action has one good quality: it can be purified.” So there is always hope.’ Laten we bidden.

Tijd om het over iets leuks te hebben: astrologie! Literatuurhistorici vragen zich nog steeds af waarom die Grote Drie de Nederlandse literatuur zo lang gegijzeld hebben gehouden? Hun talent kon het toch zeker niet wezen! Waarom kwam Hella Haasse er niet tussen? Cees Nooteboom? Jan Wolkers? Waarom wilde Harry Mulisch die twee andere prutsers er überhaupt niet bij? Het antwoord is verrassend simpel: Harry Mulisch werd geboren op 29 juli 1927. Zijn zon staat in Leeuw, zijn maan staat in Leeuw, en alsof dat nog niet erg genoeg is, stond Neptunus op het moment van zijn geboorte ook in Leeuw. Zo’n man hoort thuis in Artis. In een kooi! Hermans is bijna nog erger: zijn zon staat in Maagd, maar zijn maan? Leeuw! Venus? Leeuw! Mars? Leeuw! Neptunes? Leeuw! Vier van de tien planeten in Leeuw, dat wisten Thomas Vaessens en Yra van Dijk niet. Reve is, astrologisch gezien, lastiger in dit rijtje thuis te brengen. Alleen zijn Neptunes staat in Leeuw. Hij heeft veel planeten in de gevoelige watertekens (Vissen, Kreeft en Schorpioen) staan. Maar zijn zon staat fier in het vuurteken Boogschutter, waardoor hij vastberaden genoeg was die twee Leeuwen zo goed als dat ging te negeren.

Een ander opmerkelijk gegeven is dat bij veel schrijfsters en dichteressen Mercurius, de planeet die over het intellect heerst, in Waterman staat: ik heb hier onder meer M. Vasalis, Virginia Woolf, Patricia Highsmith en Hella Haasse genoteerd. Er valt veel over te zeggen, maar de batterij van mijn laptop is leeg en het zonnepaneel ligt buiten als een grafsteen in de regen te glimmen. Als ik volgende week nog geen psychose heb kom ik erop terug, lieve mensen! Is Louis Nanet trouwens al dood?

MM

De archaïsche verwachting dat een minister of staatssecretaris toch wel verstand zal hebben van zijn of haar portefeuille, stamt uit een tijd waarin Halbe Zijlstra nog niet bestond. In 2010 werd Zijlstra op cultuur gezet omdat er wat vuil werk moest worden opgeknapt. Halbe was volgens velen, maar vooral volgens zichzelf, de aangewezen persoon om de cultuursector met cirkelzaag te lijf te gaan. ‘Als je weinig van cultuur weet kun je goed afstand houden’, meende hij. Zijlstra’s manier van afstand houden manifesteerde zich bijvoorbeeld in het niet weten van wie het schilderij was dat jarenlang in zijn werkkamer hing: ‘“Díe wil ik hebben”, riep ik. Dat is waar het bij kunst om gaat. Ik ben niet van de namen; kunst is smaak, je moet er blij van worden, het moet je energie geven.’

Van op vakantie gaan krijgt de kersverse minister van Buitenlandse zaken ook energie. Halbe ziet zichzelf als een geboren kosmopoliet. Zo schreef hij ooit op zijn website, die vermoedelijk door de VVD uit de lucht is gehaald: ‘Reizen? Ik ga graag op vakantie en heb inmiddels landen als Nieuw Zeeland, Indonesië, Mexico, Venezuela, Caribische gebied [sic] en de VS bezocht. Ook maak ik graag stedentrips, bijvoorbeeld naar Parijs, Budapest, Rome, Berlijn, New York en San Francisco.’ Zijlstra gaat er prat op dagelijks de New York Times en de Financial Times te lezen. Dat hij alleen de Sudoku’s maakt wordt door de VVD angstvallig verzwegen. Ernstig schrijft hij over die ene keer, toen hij in Colombia was en het hotel tegenover het zijne ontplofte: 36 doden. ‘Wat hebben we het in Nederland toch goed.’ Af en toe laat hij in een zin nonchalant een voormalige, exotische woonplaats vallen: ‘Het terugtreden uit de raad leidde echter niet tot desinteresse in de politiek. Integendeel, ik verstuurde vanuit mijn woonplaats Mexico City zelfs ingezonden brieven naar het Utrechts Nieuwsblad.’ Of: ‘Voor de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2006 heb ik echter aangegeven dat ik niet langer een baan en politiek wilde combineren. Ik werkte namelijk weer in het buitenland (Londen).’

Halbe Zijlstra draagt het masker van de kosmopoliet met de onhandigheid van een roodverbrande imperialist van boerenafkomst. Alles aan hem lijkt het jammer te vinden dat hij tijdens zijn dienstreisjes straks geen tropenhelm op mag zetten en dat de draagstoel voorgoed is afgeschaft. Vooral de portefeuille ontwikkelingssamenwerking is hem op het lijf geschreven. De zin ‘kijk eens hoe mooi we dat hier voor die mensen hebben gedaan!’ zal hij bij het inspecteren van een nieuw basisschooltje om de minuut laten vallen. Bij gebrek aan echte koloniën zal Zijlstra zich straks toch moeten richten op de overzeese gebiedsdelen die ons nog resten. Gelukkig is er op Sint-Maarten een hoop te doen.

Het is vooral spannend hoe Zijlstra zijn diplomatieke taak zal gaan invullen. Na de polyglot Timmermans en backpackminister Koenders krijgen de buitenlandse ministers straks een man op bezoek die vermoedelijk alleen in het Esperanto kan boeren. Misschien is dat juist de reden waarom Halbe Zijlstra door de VVD naar voren is geschoven. In het regeerakkoord staat dat er ‘diplomatieke actie’ zal worden ondernomen tegen ‘landen die niet meewerken aan het opsporen van de daders van vliegramp MH17’. Het is misschien de enige manier om de Russen te bestrijden: door wrecking ball Zijlstra op ze los te laten. Desondanks voorspellen Zijlstra’s ideeën over de aanpak van tirannieke leiders niet veel fraais. ‘Je moet er zaken mee kunnen doen’ is kort samengevat zijn pragmatische VOC-mentaliteit. Bovendien schijnt hij Poetin al eens ontmoet te hebben.

Althans, dat beweert de VVD. Zijlstra zou een speciale band met Rusland hebben: als jonge ondernemer zou hij ooit zijn uitgenodigd in het Russische buitenhuisje van Poetin, samen met Shell-topman Jeroen van der Veer. Dit gerucht was voor de VVD genoeg reden om Zijlstra naar voren te schuiven als gedroomd minister van Buitenlandse zaken. Vorige week zei Jeroen van der Veer echter dat hij meermaals in Poetins datsja is geweest, maar dat hij er Zijlstra nooit is tegengekomen. Dat roept natuurlijk een hoop vragen op. Hoe groot was de datsja wel niet? En hoe druk was het daarbinnen? Om zijn kosmopolitische imago te sparen, trok Halbe haastig een rookgordijn op. Hij wilde ‘bevestigen noch ontkennen’ dat hij als ondernemer ooit in een buitenhuis met Poetin was. Wat is hier in godsnaam gebeurd? Drie mogelijke scenario’s:

Eén. Zijlstra was daadwerkelijk in Poetins datsja. Hij arriveerde een dag eerder dan Jeroen van der Veer en had zo het privilege zijn eerste avond in het exclusieve gezelschap van Poetin door te brengen. In een poging een woordje Russisch te spreken, beledigde hij achtereenvolgens de gastheer, de overleden moeder van de gastheer, de afwezige vrouw van de gastheer en de zwarte labrador van de gastheer. Poetin liet wodka aanrukken om de tijd met een drankspelletje te doden, en na acht glazen braakte Zijlstra de eerder geconsumeerde borsjtsj uit over het antieke berenkleed op de vloer. Hij werd de kamer uitgesleept en buiten in de sneeuw gelegd. ’s Ochtends werd hij wakker in een bedstede. Hij besloot te beginnen in de nieuwe Dan Brown die hij op Schiphol had aangeschaft, en ving door de kier van de bedstee half het gesprek tussen Poetin en Shell-topman Jeroen van der Veer op.

Twee. Zijlstra was onderweg naar Poetins datsja, maar raakte verdwaald. Hoewel hij voldoende roebels op zak had voor een taxi naar de Chinese grens, mislukte zijn poging om een taxi aan te houden. Zijlstra besloot op zoek te gaan naar het busstation van Jekaterinenburg. Vier uur later checkte hij onderkoeld in bij een budgethotel. Nadat hij drie eenarmige Tsjetsjeense hoeren bij de deur van zijn kamer had weggestuurd belde hij huilend met vrouw Ingrid. Ingrid boekte een retourticket en zes uur later zat Halbe alweer in het vliegtuig naar huis.

Drie. Zijlstra is nooit in Poetins datsja geweest omdat hij al kaartjes voor Metallica had. Samen met zijn studievriend Kevin liep hij enkele kleine kneuzingen op in de pit. Maandagochtend vroeg men op kantoor of hij en Jeroen het leuk hadden gehad in Rusland. Halbe zei onder de indruk te zijn van de Russische gastvrijheid, maar wilde niets loslaten over zijn blauwe plekken.

Vooralsnog lijkt het tweede scenario het meest plausibel. Ook imperialisten zijn soms onhandige backpackers die naar moeder de vrouw verlangen. De tijd zal leren of Zijlstra het op zijn toekomstige reisjes droog weet te houden. 

MM

Hoewel de genetische jackpot niet bepaald op zijn naam is gevallen, schijnt het niet makkelijk te zijn om Yernaz Ramautarsing te versieren. Vele Hindoestaanse vaders hebben hun dochter ooit gedwongen om jacht te maken op de meest pientere telg uit de welvarende Ramautarsing-clan. Grootmoeders offerden complete bloemencorso’s en wierrookstallen aan de godin van de liefde, ouders verkochten hun auto en bankstel om voor een goede bruidsschat te zorgen. Het mocht allemaal niet baten: telkens wanneer knappe meisjes hem meevroegen naar een Bollywoodfilm, toonde hij zich zo geïnteresseerd als een castraat met bindingsangst. Hij liet een geringschattende blik over hun sari glijden en mompelde dat hij vanavond al met Ayn had afgesproken.

 

Yernaz Ramautarsing ligt het liefst in bed met een dode Russische vrouw. Als hij moet kiezen tussen zijn moeder of Ayn Rand, kiest hij voor Ayn Rand. Met de onstuimigheid van een verliefde puber en de rekkelijkheid van een Mormoon wijdt hij zijn leven aan de vrouw en haar gedachtegoed. Al sinds zijn eerste zaadlozing ziet hij het als zijn roeping om het politieke geweten van de Nederlander met het gedachtegoed van de Russin te impregneren. De CU2-pagina die hij ooit aan zijn heldin wijdde heeft hij inmiddels omgebouwd tot officiële fansite, en ook zijn beruchte facebookpagina ‘Linkse indoctrinatie op mijn universiteit’ is niet meer dan een verkapte poging om zelf ook jonge mensen te indoctrineren. De meeste interviews die hij geeft, gaan, na het uitwisselen van enkele beleefdheden, van begin tot eind over Rand, en wanneer dat niet zo is, dan gaan ze over mensen die beter naar Rand hadden moeten luisteren. Margaret Thatcher? Niet slecht, maar ze had wel wat grondiger mogen privatiseren. Donald Trump? Een stap in de goede richting, maar als Yernaz zelf president van Amerika was, zou hij het land ‘meer in de richting van het kapitalisme duwen’.

 

De meeste marxisten genieten van het feit dat Ayn Rand, die pleitte voor het opdoeken van de verzorgingsstaat, er aan het einde van haar leven voor koos om een ziekte-uitkering en een sociale zorgverzekering aan te vragen. De objectivistische doctrine is vooral leuk als je niet aan longkanker en teruglopende verkoopcijfers lijdt. Desondanks hield Rand ook op haar sterfbed nog nukkig vast aan haar gelijk. Zo is het eveneens merkwaardig dat haar apostel Ramautarsing blijft pleiten voor een kapitalistische survival of the fittest. Als afstammeling van door het kapitalisme uitgebuite koelies zou Yernaz toch zijn vraagtekens kunnen zetten bij concepten als loonslaven, zelfverrijking en grootgrondbezit. In plaats daarvan ziet hij het als een rechtvaardigheid van de natuur: er is namelijk een verschil in IQ tussen volkeren en dat is wetenschappelijk bewezen. Eugenetica? ‘Dit doet mij geen plezier, eerder pijn. Ik had ook graag gezien dat het anders was, dat zwarte mensen hyperintelligent waren, dat Surinamers het hoogste gemiddelde IQ van de wereld hadden. Maar het is niet zo.’

 
Baudet hoopte met de benoeming van Ramataursing als kandidaat voor de gemeenteverkiezingen van Amsterdam in één keer van alle aantijgingen over racisme en misogynie verlost te zijn. Op het eerste gezicht leek het geen slecht idee: een kandidaat waartegen Gloria Wekker wat bleekjes afsteekt, die ook nog eens zweert bij het gedachtegoed van een vrouwelijke filosoof, zou de jammerklacht van de elite moeten verstommen. Het probleem is echter dat Yernaz aan oikofobie lijdt. Als er iemand is die Suriname een bananenrepubliek vindt, is hij het. ‘De westerse cultuur is een superieure cultuur’ legt hij een hindoestaanse interviewer uit. Op een Surinaamse radiozender windt Yernaz zich op over de Surinaamse mentaliteit om alles wat Surinamers in Nederland doen van applaus te voorzien. Om zijn aanklacht kracht bij te zetten neemt hij een kwartier de tijd om in te hakken op de Afro-Surinaamse Sylvana Simons. ‘Daar heb je weer zo’n arrogante koelie’ zie je de rest van de
mensen in de studio denken.

 

Als het niet zo voorspelbaar was, was het grappig: Baudet heeft een Surinamer in dienst genomen die openlijk impliceert dat zwarte mensen dommer zijn dan witte. In de toekomst kan hij ieder debat met een ‘Ze zeggen het zelf!’ om zeep helpen. Eerlijk is eerlijk: het scheelt hem vast een hoop werk. Ook in de kolonie was de Nederlander al gecharmeerd van de ijverige hindoestaan. Yernaz, echter, doet er nog een schepje bovenop. Ayn Rand fluistert hem in dat mensen met een laag IQ niet alleen minder rijk worden, maar dat dat ook nog eens rechtvaardig is. Het is Baudets ultieme kerstcadeau: een oikofobe Surinamer die zijn hele wereldbeeld bevestigt en daarbij als kers op de taart een nog vreemdere haargrens heeft dan hijzelf. Nu enkel een vrouw erbij die zo dik is dat zijn beginnende buikje wegvalt op de foto’s, en hij is gelukkig. Oh nee, die vrouw was er al.

 

Het Forum voor Democratie is de partij van de liefde, maar wel van de voorwaardelijke liefde. Diversiteit is een groot goed, maar je moet je huidskleur met een hoog IQ compenseren om toe te mogen treden tot de B.V. Nederland. Zelfs het Mensa-genootschap selecteert minder hardvochtig aan haar poorten. Het is de vraag of Yernaz ooit doorkrijgt voor welke racistische praalwagen hij is gespannen. Het zou al zijn beweringen over het gemiddelde intelligentiequotiënt van zwarte mensen in één ruk ontkrachten. Vooralsnog kijkt hij lichtelijk bezeten naar de maan terwijl hij een eerste druk van The Fountainhead tegen zijn borst gedrukt houdt. Maar laten we blijven hopen.

MM

Het feit dat de verschijningsdatum van een roman januari 2018 is, is maar een zwak argument om die roman niet al in oktober 2017 te recenseren. Vooral wanneer de voorspelbaarheidswaarde van het boek zo groot is dat zelfs Maurice de Hond zich ermee door zijn mondeling Nederlands zou bluffen. De laatste keer dat Leon de Winter iemand verraste, was het waarschijnlijk zijn vrouw Jessica Durlacher met een midweekje Tel Aviv. Voor de rest lijkt hij iedere week simpelweg op de rode knop van zijn automatische column-generator te drukken, die na wat gebliep en gepruttel vierhonderd woorden uitspuwt. Er zitten vier schuifjes op het apparaat, die Leon al naar gelang van zijn humeur en het wekelijkse aantal doden door islamitisch terrorisme iets naar boven of beneden duwt: complottheorie, rassenleer, falend Europees beleid en de waarde van zijn huis in Bloemendaal.

 

Voor iedereen die de ouderwetse mening is toegedaan dat een abonnement op het lijfblad van Arthur Seyss-Inquart ook in 2017 nog niet bon ton is, kan zich voor een ingedikte weergave van Leons Telegraaf-columns tot twitter wenden. Leons tweets zijn ofwel complottheorieën over de Nederlandse overheid die samenspant met moslims, ofwel hijgerige complimenten aan het adres van joodse Nobelprijskandidaten of jeugdige islamcritici. Aan de diabetespatiënt die afgelopen zomer een ongeluk veroorzaakte op het stationsplein in Amsterdam wijdde De Winter zestien tweets: ‘Heeft hij gevast? […] Jokt politie een beetje? […] Is de politie gek geworden? Of wil men dat wij dat zijn?’. Over Harvey Weinstein, toch een soort Leon the Winter gone wrong, tikt hij er maar twee: ‘Totale schok! Nooit eerder gebeurd! Uniek in Hollywood! Filmproducent maakt misbruik van zijn macht en dwingt seks af! […] De hypocrisie van geschokte sterren…’ Als een man op dezelfde magere, blonde vrouwen met acteerambities valt en ook nog eens een begraven voorhuid heeft, dan schept dat natuurlijk een band.

 

Enfin, het boek. De titel luidt ‘De dood van Europa’. Alles wijst erop dat we hier te maken hebben met een echte De Winter. De omvang is gelijk de buikomtrek van de auteur in centimeters, de opdracht (Voor J., M. en S.) dient om de lezer te herinneren dat De Winter wel een echte familieman is. Vervolgens serveert Leon de amuse, een reeks citaten van drie pagina’s, die de leeslust dusdanig ondermijnt dat de lezer zich tweemaal naar de wc zal spoeden om ruimte te maken voor de rest van het menu. We lezen Oriana Fallaci in haar late jaren: ‘Europa is Europa niet meer, het is Eurabië, een kolonie van de islam, waar de islamitische invasie niet alleen fysiek vorderingen maakt, maar ook op geestelijk en cultureel niveau.’ We lezen het gal dat Brigitte Bardot als oud, rochelend besje richting Parijse banlieuebewoners spuwde: ‘Ik heb niet tegen een Frans Algerije gevochten om nu een Algerijns Frankrijk te hebben.’ En we lezen een hoop Leon de Winter zelf. Met dat postmoderne gedoe heeft hij niet zoveel op, maar intertekstualiteit naar eigen werk is natuurlijk altijd prachtig. Als klap op de vuurpijl volgt nog een plichtmatige lijkenparade waarin Theo van Gogh, Pim Fortuyn en Harry Mulisch weer even worden opgedolven en besnuffeld. Goede ideeën van onder de grond! Daarna is het twee pagina’s lang stil.

 

De lezer herpakt zich, zucht: ‘de kop is eraf!’ en denkt meteen: goed dat Leon deze niet hoort. We beginnen in hoofdstuk 1 en maken kennis met Europa Alexandrowna Ivanova, ‘blond, voluptueus, schor van het roken en zingen, harde drinker, wilde danser, twaalf ambachten en dertien ongelukken’. Zien we hem allemaal, lezers? De vrouw is een metafoor voor het continent! De vrouw Europa houdt van vrije seks, drankgelach en andere zaken waar moslims zweepslagen voor krijgen. En wat gebeurt er met Europa? Europa gaat dood! Het is nu aftellen tot de blonde, voluptueuze Europa – die hierna Ropa Ivanov wordt genoemd, want anders ligt het er wel erg dik bovenop, zelfs voor Leon de Winter – eraan gaat. De vraag is alleen: hoe gaat De Winter de asielzoeker die haar dood op zijn geweten heeft in zijn plot manoeuvreren?

 

Dat doet hij geheel op z’n De Winters: Ropa en haar vriend Matthijs hebben te vaak coke gesnoven en gaan afkicken in een het vakantiepark van de vader van Matthijs. Intussen stromen vluchtelingen Nederland binnen en verandert het vakantiepark in een lucratief azc. Dat gaat natuurlijk maar een paar bladzijden goed. En inderdaad: Ropa verdwijnt. Na een week wordt haar lichaam gevonden: ‘Tientallen messteken, een uitbarsting van blinde haat’. De rechercheur die het onderzoek naar Ropa’s dood moet leiden wordt natuurlijk tegengewerkt door politiek Den Haag, dat de affaire in de doofpot wil stoppen. Maar gelukkig zijn daar mannen als De Winter zelf, burgerwachten met twitter als enige wapen. De zaak ontspoort in de media, er worden azc’s in de fik gestoken, rellen en vechtpartijen slaan over naar het hele land, en natuurlijk probeert Den Haag de boel nog te redden, hetgeen uiteraard tevergeefs is. De Winter heeft weer een boek geschreven waarop hij zichzelf kan aftrekken.

 

Dat staat natuurlijk niet op de achterkant. In plaats daarvan staat er: ‘De dood van Europa is een ijzingwekkende roman over de gevaarlijke cocktail van maatschappelijke onvrede en migratie. Met meesterhand laat Leon de Winter zien hoe een schijnbaar onbeduidend incident kan uitgroeien tot een nationale revolutie.’ En: Nieuw Israëlitisch Weekblad: ***** ‘Angstaanjagend en afschuwelijk raak. De Winter bewijst opnieuw de Nederlandse Houellebecq te zijn.’ De Telegraaf: ‘Deze man verdient een sterrenregen. Wat een belangwekkend, grandioos boek!’ En tot slot, om ook de markt van Gutmenschen nog even aan te boren, De Volkskrant: ‘Geen […] oninteressante […] analyse van de huidige maatschappelijke […] problematiek. […] De Winter heeft weer een afschuwelijk […] ambitieus […] boek geschreven.’ Uitgeverij Hollands Diep, laat u dat recensie-exemplaar maar zitten.

MM

Leon de Winter, De dood van Europa. Hollands Diep, €19,99.

Vanaf 30 januari 2018 in de betere boekhandel.

Bezigheidstherapie heeft de mensheid opgezadeld met een oneindige berg literair restafval. Laatst vond ik het complete verzameld werk van Maarten Biesheuvel letterlijk op een vuilniscontainer. Gesigneerd, met onleesbare, vermoedelijk tijdens een manische aanval geschreven opdracht en daardoor zo onmiskenbaar authentiek. Op de kaft van een van de drie gedundrukte delen zat duivenpoep, en de motregen begon vat te krijgen op het linnen omslag. Zo’n laatste rustplaats gun je niemand, dus ik nam de dwalende loenatik mee naar het speciale plankje van mijn boekenkast waar ook Sylvia Plath, Pepijn Lanen en Bram Bakker in hun eigen tempo aan hun einde komen. Voor iedere schrijvende gek had ik hetzelfde gedaan, behalve voor Myrthe van der Meer.

 

Myrthe van der Meer vormt een aparte categorie binnen de psychiatrische ziekenboeg van de literatuur. Wie ooit een gesigneerde Myrthe van der Meer bij het grofvuil tegenkomt, doet er verstandig aan direct de crisisdienst te bellen en tien meter afstand te houden. De enige plek waar deze vrouw thuishoort, is in een zeer nauwgesloten dwangbuis. De psychiaters die haar behandeld hebben, zijn achtereenvolgens zelf manisch, bipolair en depressief geworden, de uitgevers die haar uitgeven waren dat al bij aanvang. Myrthe van der Meer heeft de gewoonte om zonder haar medicatie in te nemen in de gevarenzone van haar toetsenbord te komen, alwaar ze, door niemand tegengehouden, vrijelijk haar gang kan gaan.

 

Het is onwerkelijk dat de Volkskrant, in plaats van zich af te vragen waarom de vrouw vrij rondloopt, zich afvroeg of het niet leuk zou zijn om Myrthe van der Meer vier pagina’s lang haar nieuwe boek te laten samenvatten. ‘Myrthe van der Meer (pseudoniem)’ vond dat wel leuk. Waarom staat dat ‘(pseudoniem)’ daar toch altijd zo potsierlijk ironisch achter? En waarom heeft ze überhaupt een pseudoniem? Is het om het behandelend medisch personeel om de tuin te leiden? Alsof die psychiaters en verpleegkundigen ooit nog aan iets anders kunnen denken. Hoe het ook zij, volgens de Volkskrant heeft ‘M. van der Meer verschillende bestsellers op haar naam staan waarin ze de werking van de moderne psychiatrische kliniek blootlegde.’ Inderdaad, Myrthe van der Meer heeft aangetoond dat de moderne psychiatrie zoals we die kennen ontoereikend is. Met slechts enkele boeken heeft ze, zonder enige vorm van wetenschappelijk onderzoek, een geheel medisch discipline overtuigend failliet weten te verklaren.

 

Nu ze de psychiatrie ten dode heeft opgeschreven, verkent Van der Meer zoals het een borderliner betaamt de grenzen van haar jachtterrein. Volgens de Volkskrant stuitte de uitbehandelde patiënte tijdens een van haar vele dwangneuroses al spoedig op een nieuw onderwerp: ‘Het idee ontstond toen ze haar boekenkast ordende en zich afvroeg waarom er honderden boeken zijn over het houden van katten, honden en paarden, maar geen enkel boek over het houden van mannen.’ Het op kleur sorteren van een boekenkast lijkt een onschuldig vergrijp, net als het neerkalken van inspirational quotes op een muur, maar onderzoek heeft aangetoond dat beide handelingen opvallend vaak uitgevoerd worden door mensen met afwijkingen in het schizoïde spectrum. Tot zover geen verassingen. Wel een verassing: ‘Van der Meer houdt op dit moment een paard, twee pony’s en een man.’ Je zou die arme ziel maar wezen: in plaats van een diepe dankbaarheid voor alle keren dat je haar moest complimenteren nadat ze schuimbekkend de boekenkast op kleur had gesorteerd, krijg je een boek waarin je soort belachelijk wordt gemaakt.

 

Als Van der Meers nieuwe boek een kleinkunstvoorstelling was geweest, dan werd de avond enkel bezocht door het publiek dat ook naar Sara Kroos gaat. Vrouwen tussen de dertig en veertig die hun afwezige gevoel voor humor verbergen door op hoge, griezelige toon uit te halen na precies de grappen die daar het minst om vragen. Het type feminist dat woedend wordt wanneer een man een boek over het houden van vrouwen schrijft, maar een hol, boosaardig ‘net goed’ laat klinken wanneer de rollen omgedraaid zijn. Het houden van mannen – veldgids voor de praktijk is nog niet verschenen, maar het inkijkje dat de Volkskrant de lezer gunt is even veelbelovend als de aanblik van een massagraf: ‘Vacht: beperkt zich tot bepaalde delen van het lichaam. Over het algemeen kort.’ ‘Rui: verhaart weinig tot niet. Pas op latere leeftijd verliest de man meer haar. Dit groeit dan niet meer terug.’ ‘Aandacht: weet zich over het algemeen overdag zelfstandig bezig te houden en vraagt relatief weinig aandacht. Een deel is vooral ’s nachts actief. Allergie: ook geschikt voor gezinnen met een allergie.’

 

Hoewel er vaak beweerd wordt dat de grens tussen genialiteit en waanzin a thin line is, lijkt het geval van Van der Meer het omgekeerde aan te tonen. In haar periodes van relatieve helderheid komen er dusdanig veel flauwe en belegen ideeën uit haar koker dat je haast vermoedt dat de redactie van Kopspijkers! er achter zit. ‘Gelukkig bestaat er nog één soort garantie waarmee de man voor totale verwaarlozing behoed kan worden: in de meeste gevallen kan een man die niet meer voldoet – zelfs tot jaren na aanschaf – achtergelaten worden op de stoep van de fokker.’ Omgekeerd zou je dat eens bij de ouders van Myrthe van der Meer moeten proberen: daar draaien de ijzeren rolluiken als ze haar op de bewakingscamera’s zien aankomen meteen naar beneden. De fokker kent zijn gebroed als geen ander.

 

MM

Plunder nu uw messenblok en doe mee aan de PC ONTHOOFTPRIJSVRAAG.

Het is zover: nu u, na het volgen van twee maanden verkiezingstelevisie, in geestelijk opzicht nog naar behoren lijkt te functioneren, mag u middels het aankruisen van het juiste hokje blijk geven van uw gezonde verstand. Ook als u, na het ongelukkige toeval drie keer in een interview met Mona Keizer te zijn gevallen, de weg kwijt bent, kunt u gewoon een poging wagen. Is niet Mona Keizer de reden van uw beperkte verstand, maar is dat een zuurstoftekort bij uw geboorte, of een sangriaverslaving van wijlen uw moeder? Geen man overboord! Ook u bent uitgenodigd voor de polonaise van de democratie!

 

U kunt dit feestje vieren door te stemmen op de VVD. Een goede keuze. Als de VVD wederom plaatsneemt op het pluche, staat u ook over vier jaar niet in de file. Misschien staat er dan wel een erehaag van kinderen met stormmeeuwen op hun matrozenpakjes langs de weg, maar daarvan is nog nooit iemand te laat op z’n werk gekomen. Tijd is geld, dat weet een VVD-er als de beste. Daarom moet het invullen van de belastingaangifte voor hardwerkend Nederland makkelijker worden. Zo makkelijk, dat je je bonnetjes gewoon kunt weggooien, of ze tussen de buikplooien van Ton Elias kunt verstoppen. Als daar nog ruimte is, tenminste.

 

Vertelt u uw vrouw ook altijd wat zij moet stemmen? Overweegt u dan eens het CDA. Respect voor vrouwen komt uit de joods-christelijke traditie, dat is al duizenden jaren zo. Of in ieder geval tientallen. Bent u zelf misschien een vrouw? In de tijd dat u zo’n stemwijzer invult, kunt u ook vijftien aardappelen schillen. Vertrouw dus op het hoofd van het gezin. Vrouwen doen bij het CDA volwaardig mee in de maatschappij: zij zijn bijvoorbeeld vrijwilliger, mantelzorger, of werkzaam als activiteitenbegeleider in een verpleeghuis. Vrouwen moeten, met dit drukke takenpakket, niet vergeten om doordeweeks de boodschappen te doen. Op zondag is de Albert Heijn, als het aan het CDA ligt, namelijk gesloten.

 

Bewaart u ook zulke warme herinneringen aan uw tijd als Erasmusstudent, toen u nog wodka dronk uit Spaanse navels en uw eerste biertje in het Esperanto bestelde? Besef u dan wel dat de Europese gemeenschap met de Italiaanse en de Française in uw campusbed mede mogelijk is gemaakt door D66. Graag gedaan. Maar ook nu u zich heeft voortgeplant met uw vroegere buurmeisje en uw gezin vrij riant in de Jordaan woont, kan D66 u nog van dienst zijn. U wilt toch wel dat Fleur en Sebastiaan straks in groep drie een academicus voor de klas krijgen?

 

Een andere mooie optie is de PvdA. Laat u door de media niet wijsmaken dat het niet zo lekker gaat, het gaat namelijk beter dan ooit met de partij. Wie stond er ook alweer achter in de peilingen, en werd vervolgens president van de Verenigde Staten? Wie werd eveneens verweten geen idealen te hebben, maar mocht niet veel later het Witte Huis betreden? Juist ja! Ook de PvdA wil een muur: eentje van stapels briefgeld, rondom het mediapark heen. Elk jaar 100 miljoen extra naar de publieke omroep, want die moet wel kunnen concurreren met de schotel!

 

Bent u ook links, maar komt u uit Brabant? Voor mensen als u is er een speciale partij opgericht: de SP. Dat staat voor ‘Socialistische Partij’. Socialisten zijn mensen die harder werken dan VVD-ers, maar acht keer zo weinig verdienen. Het salaris van de partijmedewerkers stroomt namelijk rechtstreeks de partijkas in. Misschien wilt u ook lid worden van de partij. U krijgt dan de biografie van Emile Roemer opgestuurd, die vol staat met interessante weetjes, partijliederen en spelfouten. Eindredactie vindt de SP een decadentie die is voorbehouden aan de 1%.

 

Wie weet denkt u dit jaar: ik wil eens op een zogeheten tweedegeneratie-Nederlander van niet-Westerse komaf stemmen. Bij GroenLinks kunt u kiezen uit Zihni Özdil, Nevin Özütok en Armağan Önder. Vindt u dat niet divers genoeg? Neem dan Jesse Klaver: Marokkaanse vader, Indische (en daar zit vaak ook Chinees bloed in!) moeder. Het kolonialisme en de gastarbeider verenigd in één mens, een fusion-gerecht van de bovenste plank. Tagine met loempia’s, tabouleh met rendang – de kiezer vreet het toch wel.

 

Voelt u zich door al het bovenstaande niet echt aangesproken? Heeft u ook een mening over de publieke omroep, een hypotheek in Almere, een zoon bij de korpsmariniers, een dochter op handbal, een abonnement op de Panorama, een neger als buurman, een strippenkaart voor de sauna, een hond die op straat poept, een contact- en een stadiumverbod? Daar is helemaal niets mis mee! In tegendeel, de PVV vindt u een goede vaderlander en komt graag met u in contact. U kunt de PVV ontmoeten bij de dichtstbijzijnde dolfinaria en zeehondencrèches.

 

Heeft u nog steeds last van keuzestress? Wees niet bang. Het gaat om de handeling. Wat u ook zal doen, uw moeder en Tim Hofman zullen trots op u zijn.

 

MM

STEMMEN TE MOEILIJK?

U KUNT OOK GEWOON MEEDOEN AAN DE RECENSIEPRIJSVRAAG

Ik was hier eerder geweest. Het was op een wolkeloze dag in juni, toen Ard me ophaalde in zijn rode Ford Mustang en we over landweggetjes naar zijn kasteel reden. Die dag had ik niet geweten wat mijn bestemming was – ik lette enkel op het gezicht van mijn docent Burgerlijk recht, een gezicht dat ondanks de ouderdom dezelfde eeuwige jeugd ademde als de stad Leiden. Toen de kastanjebomen bloeiden en de carillons van de vele kerken hoog boven de daken uitklonken, toen ons geschater in de nauwe straten van het historisch centrum resoneerde, en toen we halverwege onder een oude ijk aardbeien aten en champagne dronken, die, zoals Ard beloofd had, samen verrukkelijk smaakten, dacht ik: ook ik ben in het paradijs geweest.

 

Toen we na een uurtje rijden op kasteel Warmond aankwamen, stond er al een groep studenten op ons te wachten. Ze droegen vieze T-shirts en hadden vette haren. Met een holle blik keken ze hoe Ard het portier van de Mustang voor me open hield. ‘Dag feutjes!’ riep Ard. ‘Gaan we lekker het water in?’ Hij wees in de richting de slotgracht. Een voor een duwde hij de jongens van de ophaalbrug af. Zelf bleef hij staan toekijken. Zo nu en dan maakte hij zwembewegingen in de lucht. ‘Ze voelen zich hier als vissen in het water, net als ik’ gniffelde hij tevreden, terwijl ik een hand op mijn schouder voelde. ‘Jij bent vandaag verantwoordelijk voor het diner. Wees niet te goed voor ze. Ik laat je zo even de keuken zien.’ Hij liep weg en kwam terug met handdoeken, koksbuizen en schorten. ‘Omkleden!’ riep Ard tegen de jongens in de gracht. ‘Als mijn gasten over drie uur komen moet het zeebanket klaar staan.’

 

In de keuken werd ik zenuwachtig. Er lagen bakken vol met exotische vissoorten die ik alleen tijdens mijn bezoekjes aan Burgers’ Ocean wel eens voorbij had zien komen. Ik besloot te beginnen met het fileren van de Chinese zuigkarper. ‘Blijf met het fileermes zo dicht mogelijk op de graat’ zei ik tegen de jongens. ‘De filets leggen we dakpansgewijs in de grote ovenschaal. We bestrooien het geheel met vermalen fenegriekzaad, gedroogde dille en chilipoeder.’ Slaafs werden mijn commando’s opgevolgd. Ondertussen maakte ik de roodbuikpiranha, de diklipgoerami, de sherrybarbeel, de zwarte fantoomzalm en de Malawi ogenbijter schoon. Ik keek op de klok. Nog een uur en de eerste gasten zouden arriveren.

 

Terwijl ik met een blad oesters in de ontvangsthal stond, druppelden de genodigden langzaam binnen. ‘Ha, daar hebben we Brasing!’ riep Ard opgetogen. In zijn strakke rokkostuum liep hij een haast even dikke man tegemoet. Joviaal sloegen ze elkaar op de schouder. ‘Ha Steur!’ riep een andere man die binnen kwam lopen tegen Ard. Hij stelde zich aan mij voor als de heer Spiering. Met een grote achteloosheid goot hij in recordtempo drie oesters achter elkaar naar binnen. ‘Zijn Kopvoorn en Kroeskarper ook van de partij?’ ‘Kroeskarper is net terug van een duikvakantie bij zijn familie op de Antillen’ antwoordde Ard. ‘Maar misschien komt hij later op de avond even aanwaaien. Bot is er wel bij!’ Niet veel later graaiden ook de heer Beekforel, de heer Snoek en de heren Vetje en Zonnebaars zeevruchten van mijn blad.

 

Om acht uur begon het diner. Vanuit de keuken coördineerde ik de jongens, die op bevel van Ard Pinguïnpakjes hadden aangetrokken. ‘Het is daarbinnen verschrikkelijk’ zei een van de studenten die een lege schaal terugbracht. Hij zag nog bleker dan eerst. ‘Wat kan er zo erg zijn aan een diner?’ vroeg ik. ‘Ga zelf maar kijken’ zei hij. Ik liep naar boven en zag dat de deur van de eetzaal openstond. Binnen stonden de studenten in pinguïnpakjes op een rij. Hun monden werden door Ards vrienden volgepropt met stukken rauwe vis. Drie pinguïns lagen brakend in de hoek van de kamer. De heer Beekforel had zijn kleren uitgetrokken en lag naakt in een schaal met zeewier te glibberen. De heren Snoek en Bot hielden hun hoofd boven een bord en hapten zich een weg door een zalmterrine heen. Ard ving mijn blik en glimlachte. ‘Wat vind je van mijn vrienden?’ vroeg hij. Ik haalde mijn schouders op, en vroeg me af of ik mijn herkansing inmiddels gehaald had.

 

Ard leek mijn gedachten te kunnen lezen. ‘Er is nog één klusje dat ik voor je heb’ zei hij. ‘Je moet nog even naar mijn speech luisteren.’ Hij tikte met zijn vismes tegen een kristallen wijnglas en ging staan. De zaal werd stil. De misselijke pinguïns kropen zachtjes de deur uit, en de genodigden veegden met servetten het vet van hun lippen af. Zelfs de heren Snoek en Bot keken op van hun visterrine. Ard schraapte zijn keel. ‘Amici!’ bulderde hij. ‘Het is me een groot genoegen u allen te treffen aan dit voortreffelijke zeebanket. Zoals het een Van der Steur betaamt, hou ik de visstand goed in de gaten.’ Er klonk geroffel op de tafels en er werd ‘b’vo!’ geroepen. Ard vervolgde. ‘Graag wil ik de juffrouw Van Loon bedanken voor haar inspanningen en ook – ‘. Zijn adem stokte. Ards hoofd liep plotseling rood aan en de druppels zweet parelden langs zijn slapen. ‘Ik moet…. ik moet schieten!’ gilde hij hees. ‘Ik kan het niet meer ophouden!’ Het glas, dat hij tijdens zijn speech op de genodigden geheven had, viel op de grond uiteen. Hij rende de zaal uit, en door de open deur heen zag ik hem een wc ingaan. Een paar seconden was het stil. De gasten keken met opengesperde ogen in de richting van de deur. Toen klonk er een luid bevrijdend gegrom dat ruim tien seconden aanhield.

 

Na het gegrom was het even stil. Daarna hoorden we Ards triomfantelijke stem weer. ‘Feuten, komen jullie even naar de wc? Neem genoeg schaaltjes en toast mee!’  Een halve minuut later verscheen hij in de deurpost. ‘Amici, maak u gereed voor het dessert! Er is genoeg kaviaar voor iedereen!’

MM

 

Het schijnt dat Geert Wilders zich de laatste tijd wat onveilig voelt, ondanks de extra maatregelen die zijn beveiligers in deze bange tijden hebben getroffen. De Quarter Pounders die hij bij de MacDrive bestelt, moeten voor consumptie langs een metaaldetector. De bosjes bloemen die blonde kinderen hem geregeld toewerpen worden door zijn lijfwachten afgeweerd met ballistische schilden. Zelfs op de begraafplaats van zijn trouwe kat Lola patrouilleren nu dag en nacht vier zwaarbewapende militairen. Het mag allemaal niet baten: het unheimische gevoel blijft. Met name in de buurt van Vicky Maeijer lijkt het erger te worden.

 

Vicky Maeijer is het grootste politieke talent van de PVV: ze is 1 meter 85 lang en minstens zo breed. Haar nu al mythisch geworden kin doet niet alleen een verwantschap met het Habsburgse vorstengeslacht vermoeden, ook Disney’s Gaston moet ergens in de bloedlijn zitten. Het staat voorop dat Maeijer een gezonde Hollandse vrouw is. Ze draagt colbertjes die als korsetten om haar bovenarmen zitten. Als ze naar de kermis gaat, laat ze haar boksbeugel nimmer thuis. Haar Amerikaanse pitbulterriër heeft netjes een muilkorfje om. Dion Grauss noemde haar al ‘onze zeemeermin’, waarschijnlijk in een poging haar te vriend te houden. De enige overeenkomst tussen Maeijer en een zeemeermin moet berusten op het vermogen om onder water lang de adem in te houden.

 

Juist mensen die je angst inboezemen, zijn in staat je te beschermen. Dat zal ook Geert Wilders hebben beseft toen hij de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen samenstelde. Wat dat betreft heeft hij aan MS-patiënt Fleur Agema, de gedoodverfde nummer twee, een hele slechte. De vraag om een sterke man of vrouw op de derde plaats was geboren, en Vicky Maeijer torende met kop en schouders boven de overige kandidaten uit. Martin Bosma werd te intellectueel bevonden, en bovendien te omstreden vanwege zijn verleden bij R&B-zender Colorful Radio. Dion Graus werd ongeschikt geacht omdat hij regelmatig als elf verkleed over de Heerlense heide struint. Nee, de dubbelfunctie van persoonlijke lijfwacht en parlementariër leek maar één mens op het lijf geschreven te zijn: een dertigjarige blondine uit Krimpen aan den IJssel.

 

De PVV is, afgezien van hardcoretempel de Outland in Rotterdam, de enige werkgever die Vicky Maeijer ooit heeft gehad. Ze begon als stagiair en klom al snel op tot beleidsmedewerker van Tweede Kamerlid Raymond de Roon. Na enkele jaren ploeteren in de marge viel haar de eer ten deel om de PVV te vertegenwoordigen in het Europees Parlement. Een eer die naar PVV-maatstaven zo groot is, dat geen enkel partijlid zich ooit vrijwillig beschikbaar heeft gesteld. Een overplaatsing naar Brussel staat gelijk aan deportatie naar de strafkolonie. Zo kwam het dat Vicky Maeijer op een ochtend voor het eerst de grenzen van het Nederlands grondgebied overschreed. Voor de eerste keer in haar destijds al zeventwintigjarige leven voelde ze de emotie die ze kende uit films: angst. Het besef dat ze uitgezonden was met een eervolle taak, het dienen van haar land, deed haar met opgeheven kin uitstappen op station Bruxelles-midi. Met haar rolkoffer achter zich aan liep ze naar het appartement waar ze haar tweejarige ballingschap zou uitzitten. Op het lege bureau zette ze twee foto’s neer: een van Terry, met muilkorfje, en eentje van Geert. Een dekbed was blijkbaar niet bij de huur inbegrepen, en zo viel ze die eerste nacht onder de Nederlandse vlag, die ze gelukkig niet was vergeten, in slaap.

 

De verbanning naar Brussel heeft met Maeijer niet gedaan wat de PVV-top gehoopt had. Het Australië-effect is uitgebleven: na twee jaar keerde Maeijer niet met een gezond kleurtje en een relaxte vibe huiswaarts, maar met de dictie van Geert Wilders en de spiermassa van zijn beveiligers. Brussel baarde een monster. De PVV had kunnen bedenken dat het sociaal isoleren van een jonge vrouw in een omgeving waar ze de taal niet spreekt, waar ze weigert te integreren, maar kan uitlopen op één ding: radicalisering. Twee jaar lang sleepte Vicky zich elke dag in de nationale klederdracht van de Wehkamp-catalogus, waaruit goddank ook vanuit Brussel te bestellen was, naar het Europese Parlement. Tijdens de lange debatten over wetswijzigingen die ze niet kon verstaan zocht ze contact met landgenoten op het forum van Stormfront. Eens per maand hield ze haar verplichte redevoering van anderhalve minuut voor een grotendeels lege zaal. De twaalf zinnen die samen haar betoog vormden dreunde ze in het Nederlands op van een a4-tje. “De discussie over zwangerschapsverlof dient plaats te vinden in de nationale parlementen. Niet in dit fopparlement.” “Vandaag bespreken we de migratieagenda. Een flutstuk eerste klas.” “Nederland en tien andere landen trokken een gele kaart, en kregen een middelvinger terug uit Brussel.” Maeijer toonde zich, precies zoals de meeste migranten, roomser dan de paus. Alle talent begint met talent voor imitatie, maar tijdens haar Brusselse isolement leek Vicky Maeijer het stadium van aemulatio al te hebben bereikt.

 

Na twee jaar dwangarbeid in de strafkolonie heeft Maeijer haar trouw aan de partij voldoende bewezen. In de vrouw die terugkwam is het meisje dat in 2014 op de trein werd gezet niet meer te herkennen. Het beest uit Brussel is definitief ontketend. Met de toewijzing van de derde plek op de kieslijst is haar missie voor volk en vaderland geboren: het tot bloedens toe beschermen van haar veldheer. Het is niet de vraag óf Maeijer kogels voor Wilders gaat vangen, het is de vraag hoeveel het er zullen zijn. Ze zal pas van zijn zijde wijken, als hij er om smeekt.

 

MM

 

Enige intellectuele territoriumdrift is de mens niet vreemd. Het is merkwaardig hoe individuen een compleet vakgebied kunnen annexeren. Hugo Brandt Corstius was nog niet semantisch dement verklaard, of Paulien Cornelisse trok haar rechterbeen al omhoog en piste met een norse blik over het onderwerp ‘de Nederlandse taal’ heen. Niemand joeg haar weg, en nu is het te laat. Iedere Neerlandicus die vandaag de dag nog haar terrein waagt te betreden, wordt op afstand gehouden door een groep bloeddorstige fans die zichzelf taalfetisjisten noemen. Paulien heeft namelijk een patent op taal. Het is, zeg maar, echt haar ding.

 

Zoals bij iedere dictator die al enige tijd in het zadel zit, treden er na verloop van tijd wat bijwerkingen van de macht op. Door gebrek aan concurrentie wordt men gemakzuchtig. Je zag het aan de outfits van Khadaffi, je ziet het aan de buikspieren van Poetin: het is allemaal niet meer wat het geweest is. Ook Paulien Cornelisse lijkt aan verval onderhevig. De jaren waarin niemand haar tegensprak, waarin iedereen lachte om haar columns over gekke taaldingetjes, hebben hun tol geëist. Langzaam maar zeker is Paulien gaan geloven dat alleen het tonen van haar hoofd al genoeg is voor de slappe lach. Met een publiek dat bestaat uit muizige dertigers die Jack Spijkerman ook nog steeds ‘humor!’ vinden, is dat niet vreemd. De gevolgen van zulke gemakzucht zijn echter vrij ernstig.

 

Zo moest de trouwe schare fans van Paulien het dit jaar doen met de aankondiging: “Het nieuwe boek van Paulien Cornelisse gaat niet over taal. Maar over een cavia. Die op de afdeling Communicatie van een kantoor werkt.” Even was er hoop dat het magisch realisme dan eindelijk voet aan de grond zou krijgen in Nederland. Niets bleek minder waar. Paulien had een willekeurig verhaal over een volstrekt willekeurig dier op een kantoor geschreven en de enige existentiële vraag die het opriep was: “waarom?” Waarom geen dwerghamster die met het openbaar vervoer reist? Een molrat in de horeca? De enige intrinsieke motivatie van Paulien Cornelisse om voor een cavia te kiezen, moet berusten op een diepgeworteld gevoel van fysieke verbondenheid. De ruwharigheid, de relatief grote kop en de opvallend lange knaagtandjes. Maar verder?

 

Zelfs binnen de kring van de Pauliengezinde loyalisten waren er na verschijning van De verwarde cavia voorzichtige kritische geluiden te horen. Onder de kop “Waarom een cavia?” plaatste Nicole, fan van het eerste uur en taalblogger, haar kanttekeningen bij de keuze voor dit specifieke knaagdier. “De hele tijd dat ik het boek De verwarde cavia las, vroeg ik me af: ‘Waarom is Caaf in vredesnaam een cavia?’ De anderen personen zijn toch ook gewoon mensen. En nadat ik het boek uit had, had ik beslist geen antwoord gekregen waarom Caaf een cavia is. En ik vond het niet veel toevoegen dat de hoofdpersoon een cavia is.” Laat de honderd bloemetjes bloeien, en ontketen de revolutie, Nicole!

 

Ook Pauliens columns in NRC Handelsblad zouden toch steeds vaker tot kille woede bij haar achterban moeten leiden. De gemakzucht waarmee iedere week weer een woord uit de Van Dale wordt geplukt om te worden bezongen of uitgelegd doet vermoeden dat het einde van de Cornelisse-dynastie in zicht is. Neem de column van vorige week: Paulien zag een grijze muis op haar bankstel zitten, slaakte een gil en klom op de stoel. Genoeg aanleiding om het de rest van de column over het woord ‘slaken’ te hebben. “Alleen een gil en een kreet kunnen geslaakt worden” concludeert Paulien. “Waarom zou dat zijn?” Geen idee. “Ik vind slaken best een prettig klinkend woord, en wat mij betreft zou het breder gebruikt mogen worden.” […] “Mensen uiten zich de hele dag, en van al die uitingen zouden er veel meer geslaakt kunnen worden.” Ja ja. “Er moet veel meer afgeslaakt worden in het leven.” Slaak je kop, Cornelisse!

 

Pauliens gemakzucht lijkt de afbrokkeling van haar gezag aan te kondigen. De angst voor een Judas in haar kring van vertrouwelingen neemt toe. Niet voor niets besloot Paulien een jaar geleden al om nog meer macht naar zich toe te trekken en De verwarde cavia in eigen beheer uit te geven. In die steeds kleiner wordende wereld ligt de waanzin voortdurend op de loer. Het zal niet lang meer duren eer we Paulien naakt en masturberend door de stad zien rennen terwijl er op de plek van haar column vermeld staat dat ze vier weken met vakantie is gegaan. Het zal niet lang meer duren eer we op de puinhopen van Paulien een nieuwe taalfetisjist zien dansen en jongleren met Onze Taal-kalenders. We zullen woorden moeten vinden voor het gemis.

MM

Schrijfambities zijn de duurste ambities. Je zou in deze tijd maar een provinciaal zijn die schrijver wil worden. Aan Bulgaarse minderjarigen die denken in massagesalons te werken wordt in Amsterdam minder verdiend. De Querido-academie, de Schrijversacademie Editio en andere hoofdstedelijke bloedhonden staan in de rij om je je spaargeld afhandig te maken voor acht middagen ‘werken aan je manuscript’, altijd onder begeleiding van iemand die zelf matige boeken of gedichten heeft geschreven, zoals Anne Vegter.

 

Zo’n cursus bij de Querido-academie kost 1295 euro, maar er zit heel wat bij inbegrepen: een leesverslag van je manuscript door een redacteur van Querido, koffie en thee, soms zelfs belegde broodjes, en het boek Het schrijven van een roman van Arie Storm. Die ligt twee straten verderop ook voor drie euro in de ramsj, maar laten we niet flauw doen, die voorraad in de kelder van Querido moet ook een keer op. Met de komst van schrijfcursussen en –opleidingen is er een op het eerste gezicht goed functionerend literair ecosysteem ontstaan – hele uitgeverijen worden financieel gezond gehouden door die één miljoen Nederlanders die ooit nog eens een boek zouden willen schrijven. Bovendien kunnen de docenten dankzij hun salaris weer een weekje naar een Waddeneiland om de literatuur te redden.

 

Bovenaan de voedselketen in het ontstane ecosysteem prijkt literair predator Paul Sebes, de man die geld verdienen aan mensen die niet kunnen schrijven in ons land naar een hoger niveau heeft weten te tillen. Zo mochten dankzij bemiddeling van Sebes & Bisseling literary agency Toen ik je zag van Isa Hoes, PAAZ van Myrthe van der Meer en alle vertalingen van de Dalai Lama het daglicht zien. Om de huur van het statige grachtenpand waar het agentschap zetelt te kunnen betalen, en nog wat over te houden voor bacardi’s in de NYX, geven Sebes en zijn schildknaap Willem Bisseling sinds enkele jaren de masterclass Literair Debuteren. Voor 1450 euro krijgen de deelnemers tijdens de tweedaagse cursus een ‘close reading’ van hun tekst door Sebes en Bisseling. Die close reading kan echter ook plaatsvinden in Zuid-Spanje, ‘waar in een prachtige omgeving de aandacht in volle rust volledig uit kan gaan naar de deelnemers en hun tekstfragmenten’. Kan dat in Amsterdam dan niet? Moet je 1995 euro exclusief reis –en verblijfskosten betalen om twee dagen lang de volledige aandacht van Paul en Willem te vangen? De verlokkingen van Marbella zijn blijkbaar moeilijk te weerstaan.

 

Toch zijn Sebes en Bisseling de kwaadste niet: met hun boek Alweer een bestseller. Schrijftips en belevenissen van twee literair agenten doen zij in feite aan ontwikkelingshulp – voor nog geen twintig euro kunnen ook de lagere inkomens een graantje meepikken van de goed bewaarde geheimen die de agenten doorgaans alleen tijdens hun cursussen voor de puissant rijken rondstrooien. Een voorbeeld van waardevolle informatie uit een passage over netwerken: ‘Hoe leer ik al die mensen kennen, met mijn drukke gezin en baan ver buiten Amsterdam? Begin met het bezoeken van voorleesavonden, signeersessies, literaire festivals en dergelijke. [….] Als je tijd hebt, kun je ook de juiste horecagelegenheden in Amsterdam bezoeken, cafés De Zwart, De Pels, De Doffer rond borrel –en lunchtijd.’ Dat was een mooie tip geweest voor de masterclass ‘Hoe kan ik Paul Damen de hele dag zien drinken?’, maar behalve Dimitri Verhulst is er nog nooit iemand beter geworden van het observeren van alcoholisten.

 

Alweer een bestseller leest als de onthulling van een recept dat iedereen al kende: voor een goed boek moet je research doen, de hoofdpersonages dienen een ontwikkeling door te maken, en je moet de interpunctie niet vergeten. Iedereen die het boek wil lezen vanwege de ‘belevenissen van twee literair agenten’ die de subtitel ons belooft, kan om een indruk te krijgen waarschijnlijk beter een avondje naar één van de vele etablissementen op de Reguliersdwars.

 

Hoewel Paul Sebes’ zoektocht naar literair talent zich doorgaans niet buiten de deuren van De Trut afspeelt, heeft de AVROTROS hem en Willem Bisseling bereid gevonden om een uitstapje naar de publieke omroep te maken. Het agentenduo is gevraagd om samen met Saskia Noort de jury te vormen van het programma De pennen zijn geslepen, waarin zeven bekende Nederlanders wekelijks een schrijfopdracht zullen uitvoeren. Paul Sebes in een Idols-achtige setting plaatsen: alles wijst erop dat dit het beste plan van de AVROTROS is sinds Te land, ter zee en in de lucht. Heeft er ooit iemand op deze planeet geleefd die meer op Jerney Kaagman lijkt dan Paul Sebes? Deze man is, afgezonderd van onze favoriete parkinsonpatiënte, met grote zekerheid de enige die kandidate Tinkebell aan het huilen kan krijgen.

 

Het aantal manuscripten dat dagelijks bij het agentschap Sebes & Bisseling op de deurmat ploft zal met het uitzenden van De pennen zijn geslepen verdrievoudigen. Paul en Willem zullen nog meer masterclasses moeten organiseren om iedereen te vertellen dat er wel een innerlijke noodzaak moet zijn. Er zal sans gêne geschreven worden, het principe show don’t tell zal na vijftien cava door Sebes worden gedemonstreerd, en er zullen heel wat darlings worden gedood. Hing er in die Spaanse villa maar ergens een tegeltje van Menno ter Braak aan de muur, die in één zin en bovendien in behoorlijk Nederlands kon zeggen wat goed schrijven is (‘overvloed met een minimum aan uitdrukkingsmiddelen’).

MM

Het moet een jaar of tien geleden zijn geweest, tijdens een werkcollege literaire kritiek aan de UvA. Gastdocent Marja Pruis liet net de presentielijst rondgaan toen er opeens een blonde melkmuil binnenstoof met een Eastpak-schoudertas en puntige leren schoenen. ‘Sorry, ik had vertraging!’ zei de jongen, ‘ik kom uit Utrecht’. Hij pakte een Moleskine-boekje uit zijn tas en hield het in de lucht. ‘Ik studeer journalistiek en ik ga bij de krant werken!’ Het was even stil. ‘Het is een HBO-er!’ werd er gefluisterd, en men keek naar de docent. ‘Dit is de universiteit’, zei Marja Pruis, ‘maar vooruit: je mag best een dagje meekijken. Wat is je naam?’

 

‘Joost de Vries, Huygenwaards enige, echte intellectueel’, zei de jongen. ‘Uitgeroepen tot beste schoolkrantcolumnist van Nederland in 1999’. ‘Allemachtig’ zei Marja. Joost keek trots. ‘Ik kreeg een penning uit de handen van TMF-veejay Fabienne de Vries!’ ‘Aha, heel goed, Joost. Maar laten we nu lezen wat Bourdieu te zeggen heeft over het literaire veld. Ik hoop dat iedereen de originele Franse tekst heeft meegenomen?’ Joost zuchtte. ‘Een lumineus idee. Maar ik lees hem liever in het Latijn.’ ‘Wat jij wilt’ zei Marja, en ze voelde ondanks haar ergernis de moederlijke drang opkomen om naast haar twee katten ook dit pretentieuze ventje onder haar hoede te nemen. Toen de les was afgelopen riep ze hem bij zich. ‘Je hebt bijles nodig’, besloot ze. ‘Kom morgenavond maar langs op mijn privéadres.’

 

De rest is geschiedenis. Sinds enkele jaren kan niemand er meer om heen: Joost de Vries is geslaagd voor het staatsexamen Intellectueel Schrijverschap. De examencommissie, bestaande uit Mevr. X. Schutte en Mevr. M. Pruis, heeft na het afnemen van de eindproef (het naspelen van scenes uit Andras Vajda’s Loflied op de rijpe vrouw, het omgekeerd citeren van Ulysses met vijf knikkers in de mond en het dagelijks schoonlikken van de zerk van Henk Hofland) het levenslange contract bij De Groene aan de geëxamineerde overhandigd. Tot de dood erop volgt zal Joost de Vries zijn torenhoge studieschuld afbetalen door wekelijks twee stukken van 3500 woorden aan te leveren. Mogen deze vierkante centimeters vooral een felicitatie zijn aan het adres van Marja Pruis, de vrouw die haar aanstaande opvolger zo goed inwerkte, dat hij inmiddels klaar staat om haar voorbij te streven.

 

Eigenlijk heeft De Vries de Pruis al van haar troon gestoten. Niet letterlijk, want ze voetjevrijen dagelijks nog wat af onder hun bureaus op de redactie, nee, deze wisseling van de wacht voltrok zich binnen de contreien van de ECI-Literatuurprijs. Vorige week werd bekend dat Pruis’ laatste roman, Zachte riten, is genomineerd voor de shortlist. En wie zit er in de jury? Huygenwaards enige, echte intellectueel! Doorgestoken kaart, zouden de cynische honden zeggen. Maar bij Propria Cures zien we doorgaans liever het goede in de mens. De onbegrensde loyaliteit van Joost de Vries bijvoorbeeld, want laten we eerlijk wezen, Zachte riten is een ontzettende grafroman. Figuurlijk en letterlijk, omdat de dubbelzinnige opdracht ‘voor Joost’ er ook wel een beetje zal staan voor die andere Joost die uit Alkmaar en omstreken kwam.

 

Pruis nomineren was wel het minste dat Joost kon doen – zonder ingrijpen van zijn leermeesteres liep hij nu waarschijnlijk stage bij Rijnmond TV of stuurde hij elke dag vier lezersbrieven in naar de opinierubriek van het Noordhollands Dagblad. Ook Pruis lijkt zich te realiseren dat de door haar geadopteerde edele wilde op een haar na is ontsnapt aan de provinciale poel des verderfs. Zoals iedere ouder die op het schoolplein opschept over vroege zindelijkheid, zo is ook zij trots op wat Joost na al dat oefenen nu helemaal zelfstandig kan. Toen ze vorig jaar met Joost mee mocht op tournee naar de Rijksuniversiteit Groningen, hield ze een ‘korte introductie’ op Joost de Vries, waarin een hoge mate van intertekstualiteit met enkele Bijbelse lofliederen op de schepping te horen was. Zo klonken de woorden “Ik overdrijf in niks, denk ik, als ik objectief vaststel dat Joost de Vries de jeune premier van de Nederlandse letteren is. Hij is het vlaggenschip van zijn generatie. Hij roept, zoals het hoort voor iemand van zijn faam en aanzien en gigantische productie, bewondering en jaloezie op. […]Iedere dag moet hij verzoeken van zich afslaan, van Heel Holland bakt tot Nieuwsuur, van fotosessies voor de Elle tot aan de Quote. Gelukkig laat Joost zich graag in kleding hijsen en schrikt hij niet terug voor een fotoreportage.” Het is inderdaad bekend dat Joost zich graag in skinny jeans laat hijsen. De laatste keer moesten er drie takelwagens aan te pas komen en was de hele Marnixkade afgezet. Het stemt hoopvol dat Het Vlaggenschip tegenwoordig de verzoeken van Heel Holland bakt afslaat, de zelfbeheersing komt met de jaren.

 

Volgens Marja Pruis is Joost de enige schrijver die ze kent die zonder in lachen uit te barsten kan zeggen: ‘Ik maak geen deel uit van het debat, ik ben het debat!’ We kunnen er om lachen, maar het is zorgwekkend dat zelfs Joosts artikelen over politiek de laatste tijd met anekdotes over zichzelf beginnen. ‘Op de muur bij mijn werkplek plak ik al jaren ansichtkaarten, uitnodigingen, reclames en foto’s uit kranten, covers van tijdschriften. De laatste tijd zit ik veel te kijken naar een cartoontekening die ik heb opgehangen.’ Een tekeningetje van een hondje dat hij zelf heeft uitgezocht, illustreert volgens Joost de Vries ‘een actief niet-willen-weten’, dat samenvalt met ‘een breed gedragen emotionele staat van een groot deel van het electoraat’. Het zal door Moeder Pruis wel weer bestempeld worden als het hyperpersoonlijke in zijn werk.

 MM

 

Ik geloof dat ik mijn giftanden verloren ben. Wanneer ze precies zijn uitgevallen, ik weet het niet. Ik weet het allemaal niet meer. Misschien had ik deze zomer niet in een Spaans gehucht met veertien tandeloze bejaarden moeten doorbrengen. Elke dag zag ik Pepe, de herder en tevens dorpsgek van vijfennegentig jaar oud, de berg beklimmen met veertien schapen en een dove herdershond. Na vijf minuten lopen ging hij tegen een boom zitten en viel hij met een fles wijn aan zijn lippen in slaap. De rest van de middag was hij bezig zijn schapen terug te vinden. Rond acht uur ’s avonds strompelde hij de berg weer af. Deze choreografie herhaalde zich elke dag.

 

Vanaf de hacienda waar ik verbleef sloeg ik dit arcadische tafereel een week lang gade. ‘Zalig zijn de onwetenden’ verzuchtte ik. Stel je voor: een leven zonder DENK. Zonder Elma Drayer. De stem van Thomas Erdbrink. Ik besefte me dat de beste man nog nooit een Prometheus-debuut had hoeven lezen. Een cadeauboek van Toon Tellegen. Of een ingezonden brief van Thierry Baudet. Ja, ik zou gerust met deze onbedorven herdersziel willen ruilen. Hij mocht in mijn plaats het vliegtuig naar Amsterdam pakken en zijn dagen besteden aan het tikken van vuile stukjes. Langzaam maar zeker zou ik het wijnvat van 228 liter dat in de kelder van zijn verkrotte huisje stond leegdrinken.

 

Tussen de siësta’s door wandelde ik af en toe naar mijn navelstreng met de patria. De inbelverbinding functioneerde net goed genoeg om Blendle te openen. ‘Goedemorgen, Propria. Sarah was verslaafd aan coke, tot ze op een dag wakker werd in haar eigen kots.’ Hasta la vista, Alexander! Even op Twitter kijken dan maar. Een foto van Donald Trump die KFC eet met mes en vork. Is er dan geen hoop meer voor de mensheid? Verder naar HP/De Tijd. Arthur van Amerongen. Over naar de Volkskrant. Arthur van Amerongen. The Post Online dan maar. Wederom Arthur van Amerongen. Gaat die man dan niet op vakantie? Nee, lees ik, Arthur van Amerongen haat vakantie. Hij woont daarom een groot deel van het jaar in de Algarve, waar hij met een jachtgeweer en herdershond zijn ranch verdedigt tegen indringers. Zo nu en dan maakt hij samen met de Guarda Nacional Republicana jacht op hippies die zijn uitzicht vervuilen, waarnaar hij weer een stukje voor de opiniepagina van de Volkskrant mag tikken met de titel ‘Ibiza: just say no’.

 

Gelaten sloeg ik de onwelgevallige meningen als vliegen van me af. Ik ben immuun geworden, dacht ik, het doet me niets meer. Bij thuiskomst griste ik de drie Volkskrant-magazines die ik gemist had van de mat. ‘Vrouw Witteman, genees me van deze onverschilligheid!’ riep ik. Maar Sylvia was tijdelijk op vakantie. Koortsachtig bladerde ik verder. Ook Aaf stond waarschijnlijk op de camping. Toen zag ik plotseling haar naam staan: Wiegertje Postma. Negenentwintig jaar oud, en nu al managing editor van VICE Europa en woonachtig in Londen. En dan ook nog door de Volkskrant gevraagd om columns te schrijven over ‘zomeren in een wereldstad’. Deze vrouw kan schrijven, dacht ik.

 

Wiegertje Postma begon haar eerste column uit de reeks van vijf met de nu al mythisch geworden zin: ‘De zomer: je kunt er van alles van vinden.’ Dit is hoe je vroeger voor de grap begon als je de eerste zin voor je werkstuk levensbeschouwing nog op papier moest zetten: ‘Ethiek: je kunt er van alles van vinden’. Haastig haalde je de zin weer weg, een beetje gegeneerd over deze flauwe valse start, en begon vervolgens echt. Zo niet Wiegertje, die doorgaat waar anderen ophouden. Na twee alinea’s lijkt ze de brainstormfase nog niet te hebben afgesloten: ‘Maar wat je ervan vindt, is niet wat je er de rest van het jaar van onthoudt. […] Het woord “landerig” komt ineens bovendrijven – een woord dat op geen ander seizoen toepasbaar is.’ Bij mij komt het woord ‘landerig’ vooral bovendrijven als ik iets uitzonderlijk saais aan het lezen ben, of dit nu in april of in november is.

 

Na vierhonderd woorden wordt het duidelijk dat Wiegertje in haar columns voor een zintuigelijke benadering kiest: ‘De komende weken zet ik elke week één van de vijf gangbare zintuigen in het zomerzonnetje om te onderzoeken wat het betekent om de zomer in een overvolle stad door te brengen. Daarna ga ik op strandvakantie.’ Mijn zesde zintuig zegt dat Wiegertje Postma die strandvakantie nog niet geboekt heeft, maar pas kan betalen nadat het honorarium van de Volkskrant op haar Barclays-bankaccount is bijgeschreven. Het moge duidelijk zijn dat Wiegertje, nu de pond zo slecht staat, euro’s nodig heeft om niet naar Moldavië of een andere b-bestemming te moeten. Die a-locatie is haar echter volledig gegund, want ik ken niemand bij wie een metropool zoveel lichamelijke ongemakken oproept als bij Wiegertje: ‘aan elkaar plakkende blote benen’, ‘vrouwen met zweetplekken onder hun borstpartij’, ‘één dikke zweetdruppel die zich uit het niets tussen mijn schouderbladen had gevormd en zich langzaam een weg naar mijn onderregionen baande’, ‘mannen met bossen okselhaar als zeewier’, ‘harige, eeltige, vellerige wintervoeten’, ‘en de kalknagels – o, die kalknagels overal’.

 

‘Het zomergevoel in een metropool’ kan volgens Wiegertje Postma niet bestaan ‘zonder die lichte en donkere kant, zonder die yin en yang. Yin: de hele dag onder een boom in het park liggen. Yang: je huid voelen trekken en schroeien omdat alle stukjes schaduw in het park bezet zijn.’ Laten we hopen dat er op het strand van Lesbos genoeg schaduwplekjes voor Wiegertje te vinden zijn, en dat haar uitzicht niet vervuild wordt door mannen met kalknagels en vieze oranje zwemvesten.

 

MM

De grachtengordel huisvest meer dubieuze instituten dan je van een cultureel epicentrum zou verwachten. Stichting Monkey Business. Café Het Bruine Paard. Massagesalon Chen. The Totalitarian Art Gallery. Nyenrode Business School. Sebes & Bisseling Literary Agency. Niet al te lang geleden heeft zich een nieuwe gegadigde in de rij van panden met een schimmige bestemming gevoegd: The School of Life.

 

The School of Life klinkt als een afsplitsing van The Church of Scientology. Aangezien de onschuld van deze cursusschool nog bewezen moet worden, lijkt het me voor iedereen beter om tot die tijd niet aan te bellen bij Herengracht 215. Het zou zomaar kunnen dat Alain de Botton, de L. Ron Hubbard van The School of Life, de deur opent. In tegenstelling tot Hubbard heeft Alain de Botton voor zover de informatie strekt geen verleden als miskend sciencefictionschrijver, en ook wordt hij door psychiaters nog niet als klassiek voorbeeld van een psychoticus aangedragen. Wat niet is, kan echter nog komen, want iedere keer dat De Botton op tv verschijnt lijkt hij weer iets dichter richting de afgrond te zijn gekropen. Met de grimas van een baby die net vijf kuub lachgas kreeg toegediend vertelt hij ons hoe we betere mensen kunnen worden. Dat kan volgens De Botton op verschillende manieren, maar je moet er wel eerst even zijn boeken voor lezen.

 

Op de talrijke achterflappen van zijn boeken zet De Botton de moderne mens neer als een patiënt. De moderne mens is rusteloos, angstig en ontevreden, de moderne mens is instabiel en kwetsbaar, de moderne mens is het verkeerde pad ingeslagen, de moderne mens gaat liever naar zijn werk dan naar zijn man of vrouw, de moderne mens wordt gedreven door schuld en neuroses, de moderne mens denkt te weinig aan seks. Dokter De Botton loopt als een bezetene over de ziekenzaal van de moderne samenleving, en dient zijn patiënten zoveel mogelijk van zijn eigen zelfhulpboeken toe. Voor iedere zieke is wel een op maat geschreven boek. Als je je elke dag afvraagt: ‘Hoe moet ik reizen? En waarom?’, lees dan bijvoorbeeld De kunst van het reizen. Hierin leer je dat ‘reizen de voedvrouwen van onze gedachten [zijn]’ en dat ‘wie reist, de wereld en tenslotte zichzelf misschien wel anders gaat zien’. Misschien, dus misschien ook wel niet! Misschien heb je wel voor niks drie weken in een Indiaas ziekenhuis gelegen. Dan kun je gewoon een ander boek van De Botton lezen, zoals Art as Therapy. Daarin stelt De Botton een nieuwe manier voor om naar kunst te kijken. Kunst kan namelijk therapeutisch en helend zijn, en helpen om de verwarring van het dagelijks leven te verwerken. Door naar het schilderij ‘een bundel asperges’ van Manet te kijken, leren we om ‘onze levenspartners beter te waarderen’. Ha! Omdat die levenspartners niet de vorm van een bosje asperges hebben? Omdat ze geen Asperger hebben? Vertel het me, Alain.

 

Ik ben er zelf ooit ingetuind, en heb het boek Art as Therapy gekocht. Mijn verdediging is dat ik pas net in Londen woonde en geen vrienden had. Het was januari, het werd om half vier donker en het regende. Terwijl ik zonder paraplu door de glimmende natte straten liep, zag ik plots uit de duisternis het verlossende licht van een etalage verrijzen, gevuld met exemplaren van De Bottons nieuwste boek. Alain pakte me zoals hij al zijn slachtoffers pakt: op hun zwakste, meest kwetsbare moment. De boekverkoper keek me wat meewarig aan.

 

Hoewel Alain door zijn vader – een puissant rijke Zwitserse bankier – al jong op een Engelse kostschool werd geparkeerd en hij vervolgens naar behoren in Cambridge studeerde, heeft hij bij de Engelsen nooit meer sympathie kunnen winnen dan de dronken Franse chauffeur die Prinses Diana doodreed. Misschien komt dat deels omdat hij op de website van The Guardian wel eens betoogd heeft dat het makkelijker is om te werken, dan om tijd door te brengen met je man of vrouw. Als je vader je een hedgefund van 200 miljoen pond heeft nagelaten, waardoor je vrijblijvend over de wereld kunt vliegen en hier en daar wat lezingen geeft, dan is dat vast een waarheid als een koe. De gewone Engelsman echter, die na een dag zwoegen als assistent-autoverkoper inlogt op The Guardian en een dergelijk betoog leest, ontsteekt in furie. Tegenwoordig leest niemand in Groot-Brittannië de stukken van Alain de Botton nog, maar het lezen van en het reageren op de reacties onder zijn stukken is tot een nationale volkssport verheven.

 

In Nederland begroet men in het buitenland afgedankte denkers doorgaans met groot enthousiasme. In het geval van De Botton is dit geheel wederzijds. Alain is dol op de Nederlander, zegt hij tegen de Nederlandse journalisten: ‘De Nederlanders zijn areligieus, maar ze zijn ook in hoge mate nieuwsgierig op intellectueel en spiritueel gebied. Daardoor onderzoeken ze allerlei zaken op een originele manier. Heel anders dan de Belgen, die dit helemaal niet doen. Of de Duitsers.’ Don’t mention the war, Alain! Hoe dan ook, volgens De Botton is ons volk dus zeer geschikt als cursist bij The School of Life. Voor het volgen van een cursus ‘beter leren ruziemaken’ of ‘denken over kinderen krijgen’ bijvoorbeeld. Een grovere belediging aan het adres van de Nederlander lijkt me niet mogelijk.

 

MM

De catharsis is weer helemaal ‘hot en happening’ in de Nederlandse literatuur. Zo publiceerde Jelle Brandt Cortius onlangs een verslag van een fietstocht naar Zuid-Frankrijk, een tocht waarvan het doel – het uitstrooien van een veraste Hugo Brandt Corstius in de Middellandse Zee – symbool staat voor emotionele zuivering. Wanneer wij echter een Freudiaanse blik in de fietsbroek van Brandt Corstius werpen, zien wij dat As in tas meer is dan een monument voor een overleden vader.

 

Hoewel een zeemlap de fallus van Brandt Corstius beschermt tegen wrijving, is het geen schaamlap waarachter het onderbewustzijn ongezien kan wegkruipen. De verlangens en fixaties van de auteur manifesteren zich – vaak op onderbewust niveau – in de tekst. Psychoanalytische kritiek focust op de scheuren in de ‘façade’ van de tekst: scheuren waarachter de primitieve verlangens van de auteur huishouden, verlangens en angsten die in feite het geraamte vormen waaraan de literaire tekst is opgehangen.

 

 

Al op de camping in Noord-Brabant manifesteert er zich een castratieangst in het werk van Brandt Corstius: “Eerst ga ik even plassen in het douchehok. Ik haal mijn lul uit mijn fietsbroek. […] Maar wat is er met mijn lul? Het voelt alsof ik een warme worst vasthoud. Er kom wel plas uit, maar voor de rest is hij helemaal gevoelloos. Hij maakt geen onderdeel meer uit van mijn lichaam. Ik raak in paniek.” Een dergelijke angst voor het verlies van de ‘fallus’ is eigen aan de aard van de man, maar de manier waarop Brandt Corstius omspringt met de acute castratieangst is veelzeggend: hij raakt, zoals bovenstaand citaat laat zien, in paniek. Dit is een gegeven dat ons dwingt tot een nadere ontleding van Brandt Corstius’ jeugd.

 

Toen de driejarige Brandt Corstius net in de fallische fase was beland en hij zijn ontluikende seksuele fixaties op zijn moeder richtte, overleed zij. Zoals Freud stelt in misschien wel zijn belangrijkste werk Zur Psychopathologie des Alltagslebens (1903), is de fallische fase het stadium waarin jongens haatgevoelens voor hun vader krijgen, en tegelijkertijd een fobie ontwikkelen voor het verlies van hun geslachtsdelen. Wanneer de moeder in de fallische fase overlijdt, heeft dit twee ingrijpende gevolgen: het kind komt nooit meer over zijn castratieangst heen, en projecteert zijn seksuele fixaties voortaan op zijn vader. Ook deze laatste premisse van Freud komt in As in tas aan het licht: ‘De eerste jaren na de dood van mijn moeder kroop ik vroeg in de ochtend, in een soort half-slaap, in het bed van mijn vader […] en dan ging ik bovenop hem liggen.’ Brandt Cortius legt hier – op bewuste wijze – bloot hoe zijn onderbewustzijn hem als driejarige leidde naar de liefde tussen man en man.

 

De vervreemding van Brandt Corstius ten opzichte van zijn fallus is het leitmotiv van As in Tas: de frequentie waarmee betekenisdragers als ‘worst’ en ‘lul’ in het verhaal optreden, bevestigt de preoccupatie van Brandt Corstius met zijn eigen geslachtsdeel. De angst voor castratie is dusdanig groot dat Brandt Corstius op een zeker moment zelfs zijn fietstocht dreigt af te blazen: ‘Weer thuis douche ik braaf met de emmer. Wederom hangt er een worst aan mijn lijf die niet van mij is. Als ik morgen weer zo’n worst heb, neem ik de trein naar huis, besluit ik.’ Een opmerkelijke keuze is de metafoor ‘worst’: deze benaming wekt de indruk dat het geslacht van Brandt Corstius voor consumptie geschikt is. Hebben we hier te maken met een Lacaniaanse verleidingsmanoeuvre, of vestigt Brandt Corstius onbewust de aandacht op het ‘orale’ aspect uit de oedipale fallische fase? Het zou ook een redactionele beslissing kunnen zijn van zijn ‘redactrice’ Marscha Holman.

 

In tegenstelling tot de verwachting die As in tas bij de lezer oproept, treedt de ware catharsis niet op bij het verstrooien van de as. De emotionele zuivering vindt namelijk al veel eerder plaats, ter hoogte van het Belgische stadje Spa: ‘’s Avonds, op de camping bij Spa, stel ik het plassen zo lang mogelijk uit. Dit is het moment van de waarheid. In een opnieuw ijskoud en verlaten wc-blok grijp ik in mijn fietsbroek en voel mijn lul. Hoera! Alles doet het weer.’ De versmelting van Brandt Corstius met zijn fallus moeten we lezen als een versmelting van Brandt Corstius met zijn verleden. Wat er verder tussen de auteur en zijn geslachtsdeel plaats heeft gevonden in het verlaten wc-blok in Spa, vraagt om nader onderzoek.

MM

 

De uitgeverij beloofde dat het een rauwe en humoristische ontmoeting met een verwarde dertiger ging worden. Ik had me gedegen voorbereid op mijn tête-à-tête met Pepijn: de huisdealer was al een weekje geleden langsgereden en hij had genoeg speed uit zijn brommerhelm getoverd om de nieuwe Lanen in één ruk uit te lezen. Vlak voor Pepijns komst kocht ik nog twee flessen Goldstrike en tien gram King Hassan voor het betere denkwerk. Ook mijn platenspeler was klaar voor het bezoek: hij draaide de Greatest Hits van Niggaz Wit Attitudes, waardoor ik amper hoorde dat de deurbel ging.

 

Onze begroeting verliep al teleurstellend. Pepijn werd afgezet door een man van PostNL. “Ik was echt veel te brak om met het OV te komen” zeurde hij, terwijl hij verkreukeld uit het oranje busje kroop. Toen ik me voorstelde, stak hij een klam handje uit, maar vertelde niet zijn naam. “Ik weet niet meer hoe ik ook alweer heet” mompelde hij. “Je bent Pepijn Lanen” zei ik. “Faberyayo van de Jeugd. Woordkunstenaar volgens velen. De nieuwe Van Kooten en De Bie volgens Ernst-Jan Pfauth. Kijk maar op je rug!” Hij haalde zijn hoekige schoudertjes op. “Ik wil slapen. Ik heb hoofdpijn.” Ik droeg Pepijn in mijn armen de trap op, maar hij protesteerde: “Ik wil toch niet slapen! Ik heb honger!” “Rustig maar” zei ik, en zette hem op het aanrecht. “Ik zal een pizza voor je maken.” Pepijn keek bedenkelijk, maar peuzelde gretig van de quattro stagioni die ik hem voorschotelde. Alleen de korstjes liet hij liggen. “De pizza is overdreven aanwezig aan het voelen in mijn maag” zei hij. “Als schaamhaar in een doucheputje, of misschien meer een Marco Borsato-liedje dat maar niet op wil houden een hit te zijn.” Ik besloot dat het tijd was om Pepijn even naast me neer te leggen.

 

Ik ging met Pepijn op de bank liggen, maar hij viel steeds met een doffe klap op de grond. Zijn gejammer was onophoudelijk: “Ik voel me als een uitgedroogd stuk stront. Er is geen druppeltje vocht meer aanwezig in mijn lichaam. Ik ben misselijk en voel me te gast in een onaangename verrassing” miezerde hij. Toegegeven, ik had met beter geconserveerde exemplaren op mijn rode sofa gelegen: Kellendonk, Keats en zelfs Sylvia Plath waren in minder verfomfaaide staat op bezoek geweest, en vormden zodoende een aardiger gezelschap dan dit glimmende, naamloze exemplaar dat nu zachtjes begon te snurken en rare dingen murmelde in zijn slaap: “Er is geen ruimte voor een eigen mening op deze bank …. de beleving is al helemaal voorgevormd …. dat staat mij niet aan.” Even later maakten zijn kaken maaiende bewegingen, en fluisterde hij “mijn maag rammelt als de kaken van een volwassen baby die niet kan slapen van de MDMA … heb nu zin in zo’n smikkelsnicker … of een hamkaasavontuur”.

 

 

Toen hij wakker werd, stoof hij direct naar de tafel. Ik dacht dat hij genezen was en met de fles Goldstrike terug zou komen, maar hij had het Star Wars-legopakket dat ik voor mijn neefje had gekocht in zijn knuistjes geklemd. Zonder te vragen of hij het open mocht maken, stortte Pepijn alle onderdelen over de grond uit. “Ja, ja, de Millennium Falcon” juichte hij “met een dubbele shooter met veermechanisme! Een blaster-pistool en draaibare laserkoepels!” Ik was blij dat ik even tijd voor mezelf had, en ging naar de keuken om de afwas te doen. Na een kwartier hoorde ik een woedend gekrijs: “Waar is Han Solo? Waar is Han Solo?” Ik stormde de woonkamer in. “Ik ga echt extreem slecht” zei Pepijn. “Woorden ontsnappen op een overdreven volume aan mijn lippen. Vreselijke woorden. Ziektes. Meerdere. En dat allemaal om uit te drukken hoe verslagen ik ben.” “Het is Han Solo maar” probeerde ik nog, maar Pepijn had het half voltooide ruimteschip al tegen het enkelglas van mijn balkondeuren gegooid.

Ik begon genoeg te krijgen van mijn ontmoeting met de verwarde dertiger, en besloot dat het mooi was geweest. “Mijn palmen zijn klam als de onderbroek van een dame van middelbare leeftijd tijdens Ik Hou van Holland op zaterdagavond” zei hij plotseling. “Jaja, wil je anders even douchen?” vroeg ik. “De douche lonkt, maar ik ben te krokant om me eraan over te geven.” “Ik help je wel even” zei ik, en tilde hem de badkuip in. Met de rode en blauwe kraanknoppen mengde ik het water tot een aangename straal van achtendertig graden. “Zo lekker, Pepijn?” “Iets te warm!” zei hij. Met een ruk trok ik het douchegordijn dicht en liep naar de kamer.

Terwijl ik het ruimteschip opruimde, hoorde ik af en toe gilletjes van verrukking uit de douche komen. Na een kwartiertje ging ik toch even kijken. Er was nog maar weinig van Pepijn over. Zijn armzalige kaft dreef in een drab van papiervezels. Langzaam zoog het doucheputje de papiervlokken naar zich toe. Zijn eigen ontbinding leek Pepijn weinig te deren: hij ratelde onophoudelijk verder. “Ik heb zin in een wandeltocht door de supermarktoorlog van de vroege jaren negentig” hoorde ik nog zachtjes, alvorens zijn stem in de grijze draaikolk richting riool verdween.

Pepijn Lanen. Naamloos. Ambo Anthos, €19,99.

 

 

 

 

MM

 

Voor mensen die op hun vijftiende naar Nederland gevlucht zijn en die het ondanks de ontberingen van de Nederlandse asielzoekerscentra tot volwaardig burgers van deze natie hebben geschopt, past alleen een diepe buiging. Toch is er één man bij wie mijn rugwervels keer op keer weigeren om deze choreografie van onderwerping te voltrekken: zijn naam is Danny Ghosen.

 

Dat is vermoedelijk ook de titel van de autobiografie die er ongetwijfeld gaat komen. De auteur staat al te trappelen, en Prometheus waarschijnlijk ook. Mai is dol op ruwe diamanten, zeggen ze, en hoewel ze daar in het geval van Özcan Akyol alleen gestolen exemplaren mee kunnen bedoelen, kan ik me voorstellen dat men verwacht iets moois aan te treffen onder het laagje foundation dat Danny Ghosen dagelijks op zijn huid smeert. Een gezonde dosis heteroseksuele ijdelheid is Danny niet vreemd: zo epileert hij bijvoorbeeld zijn wenkbrauwen, al spreekt hij zelf van ‘bijhouden’, waarmee hij de indruk wekt dat hij ze met een scheermes te lijf gaat. Uiteraard staat hij gewoon met een wenkbrauwpincet voor de spiegel, want zulke harige monsters tem je niet met goedkope apparatuur.

 

De overmatige aandacht die Danny Ghosen aan zijn uiterlijk besteedt, compenseert hij ruimhartig met zijn masculiene website dannyghosen.nl: als HTML een geur had, dan rook deze plek naar een elixer van mannenzweet en openbare urinoirs. De kleuren van de site zijn zo intens dat ze de doeken van Rothko tot aquarelletjes doen verbleken. Het agressieve rood contrasteert op pijnlijke wijze met het pacifistische wit, en deze clash of colours voltrekt zich tegen een zwarte achtergrond, een metafoor voor Danny’s jeugd: “Danny Ghosen groeit op in Libanon, een land dat verscheurd wordt door burgeroorlog. […] Als asielzoeker is de weg naar het Nederlands burgerschap zwaar en beproevend.” De RTL voice-over in mijn hoofd leest verder: “De brutale verslaggever staat bekend om zijn vasthoudende interviewstijl en wordt gedreven door oprechte verontwaardiging over mistanden en onrecht.” Danny Ghosen is bovendien “liefhebber van misdaad”. Wat we ons daar in combinatie met zijn oprechte verontwaardiging over onrecht bij voor moeten stellen weet ik niet precies. Misschien berooft hij zijn slachtoffers eerst, om vervolgens met een draaiende camera jacht te maken op de daders.

 

Dat Danny net als iedere vluchteling een dolende ziel is, openbaart zich in de gretigheid waarmee hij keer op keer van omroep wisselt. Na de school voor journalistiek begon Ghosen als presentator bij Multiculturele Televisie Nederland (MTNL). Niet veel later kondigde het kabinet aan dat de subsidie voor MTNL zou worden stopgezet. Ghosen verliet het zinkende schip net op tijd en klom rillerig aan boord van het rubberbootje PowNed. Desondanks wordt deze transfer op Danny’s site op heroïsche wijze beschreven: “Na een geslaagde reportage bij MTNL valt het oog van de nationale media op Ghosen en al snel maakt hij de overstap naar PowNed.” Bij PowNed bouwde Danny Ghosen zorgvuldig aan zijn imago van stoere jongen, een missie die mede dankzij zijn donkere uiterlijk erg succesvol bleek. Zo werd Ghosen mishandeld door medewerkers van de ambassade van Angola, die hem aanzagen voor een extremist. En dat terwijl Ghosen alleen verontwaardigd was over groot, onmenselijk onrecht: de Angolese ambassadeur had zijn auto in het verkeerde vak geparkeerd. Het is, zeker gezien zijn voorliefde voor misdaad, een gemiste kans dat Ghosen nooit bij Andreas Kinneging heeft aangebeld.

 

Dat je na een carrière bij PowNed nog steeds bij de EO terecht kunt, illustreert enkel hoe wanhopig die omroep op zoek is naar een christen met meer charme dan Tijs van den Brink. Vanuit Danny Ghosen bekeken is het, afgezien van zijn geloofsovertuiging, echter een transfer onder verdachte omstandigheden. Waarom zou een jongen die zich zo bewezen heeft als brutale verslaggever overgeleverd willen zijn aan een instituut dat een verleden als misdienaar al pikant vindt? Alle stukjes van de puzzel kwamen echter samen toen ik las dat Danny Ghosen van PowNed niet mee mocht doen met Expeditie Robinson, en van de EO wel. Of zijn deelname aan het programma het allemaal waard is geweest, is de vraag: in aflevering zes verdronk hij bijna. Bij thuiskomst ging Danny op zwemles, en moest hij ook nog eens de EO-productie Rot op naar je eigen land gaan presenteren, waarin zes Nederlanders de route van een verdronken bootvluchteling afleggen.

 

Het programma is nog maar net op de buis, of Danny Ghosen is alweer vertrokken. Ditmaal heeft hij zijn dolende ziel verkocht aan het productiebedrijf CCCP. Matthias Schut, de creative director, is erg in zijn nopjes met Danny: “Ghosen is het type ruwe bolster met een klein hartje. Wat hij kan, is uniek op televisie.” Die uitdrukking klopt niet, en bovendien is Danny vooral een kleine bolster: het is inderdaad uniek, een man van nog geen anderhalve meter die zijn microfoon toch bij de mond van de geïnterviewde weet te krijgen. De invulling van zijn nieuwe programma’s staat al vast. “Danny is echt van de straat, dus het worden programma’s waarin de kijker ziet wat er leeft op straat. Hij gaat van binnenuit verslag doen van brandhaarden in eigen land”, zegt iemand van de CCCP. Volgens mij kan het Danny allemaal bijzonder weinig schelen waar zijn nieuwe programma’s over gaan: “Ik wil nog meer inhoudelijke programma’s maken waarin ik mezelf kan laten zien” zei hij in een reactie. Nu lijkt het nog onschuldig, maar over tien jaar hebben we er een Ivo Niehe bij.

 

MM

De eerste persvoorstelling van mijn leven was ondanks de film erg geslaagd. Ik stond op de gastenlijst tussen de groten der aarde, zoals Belinda van der Graaf van Trouw en Ab Zagt van het AD. Toen ik ook nog een gratis Sisi aangeboden kreeg, een persmap én een ansichtkaart van de filmposter van Publieke Werken, was mijn kinderhand gevuld.

 

Filmposters in sepiatinten voorspellen meestal weinig goeds. Het blijft een vreemde zaak om de historische waarde van een film, die gewoon in full color geschoten is, te benadrukken door los te gaan met een kleurpalet van geel- en bruintinten. Alsof de cilinderhoed van Gijs Scholten van Aschat en de drakerige kanten jurk van Rifka Lodeizen niet negentiende-eeuws genoeg zijn. Linksboven in het hoekje van de poster zegt Thomas Rosenboom – die niet zoveel ruimte inneemt – dat de verfilming van zijn boek Publieke Werken ‘grootser en meeslepender’ is dan hij ‘ooit had durven dromen’. Kleine mannetjes hebben blijkbaar ook kleine droompjes.

 

‘Groots en meeslepend’ is in ieder geval wel de insteek geweest van de makers, dat hebben we kunnen zien. Luchtshots van stoomtreinen die door een landschap draven, dramatisch bedoelde muziek die continu aan lijkt te zwellen, en verschillende personages die af en toe plechtig ‘dit is de nieuwe tijd!’ zeggen. Publieke Werken de film is gebaseerd op het misverstand dat Nederland tegen het eind van de negentiende eeuw grootser en belangwekkender was dan nu. Hoewel dit voor de letterkunde misschien wel geldt, daarover kan men twisten, was onze natie ook in de negentiende eeuw een onbeduidende speler op het wereldtoneel. We hadden natuurlijk een fraaie archipel in de Oost, maar waren de hekkensluiter van Europa als het om de nieuwste ontwikkelingen ging. Met ‘dit is de nieuwe tijd’ verwijst men naar de industriële revolutie, een ontwikkeling die rond 1750 in Engeland begon. Zo’n honderd jaar later, in 1850, begon men ook in Nederland te prutsen met stoommachines.

 

Natuurlijk mag een kleinburgerlijke natie best trots zijn op haar succesjes. Het Centraal Station, het Victoria-hotel en het Concertgebouw zijn pronkstukken die we zorgvuldig afstoffen en oppoetsen. Het mag gezegd dat de producenten van Publieke Werken ontzettend hun best hebben gedaan om de gebouwen in de film overtuigend weer te geven. Omdat er niet gefilmd mocht worden op het drukste kruispunt van Amsterdam, werden de cast en crew naar Hongarije gevlogen om de film daar op een nagebouwde set te schieten. Het droevige is dat hoeveel stoomboten, paardentrams, authentieke reclameborden en gedetailleerde 3D-modellen men daar in Hongarije ook bij elkaar heeft verzameld, je de hele film lang maar één ding ziet: het hangende ooglid van Gijs Scholten van Aschat.

 

Het hangende ooglid van Gijs Scholten van Aschat is onbedoeld de grote ster van Publieke Werken geworden. Terwijl Rifka Lodeizen en Jacob Derwig honderdtwintig minuten lang vol inspanning van gezichtsuitdrukking proberen te veranderen (ze hebben de instructie gekregen om ‘klein’ te acteren, wat vooral voor Jacob Derwig een onmogelijke opgave blijkt), heeft Scholten van Aschat het makkelijk. Zijn gezichtsspieren kan hij laten voor wat ze zijn, want zijn hangende ooglid doet al het werk. Het overtollige stukje gezichtsvlees straalt tegelijkertijd woede, verdriet, afgunst, waanzin en bovenal wantrouwen uit – de basisingrediënten voor elk drama.

 

En een drama, dat is de film zeker. Maar wel een drama op z’n Nederlands. Een drama waarin een romantische scene zich laat kenmerken door een man die al struikelend over een ophaalbrug rent en een vrouw die met overslaande stem ‘Christiaan! Blijf hier!’ gilt. Een drama waarin een speech die volgens het scenario ‘bezield’ zou moeten zijn haperend boven een bord aardappelen wordt gebracht: ‘Het gaat me om de liefde voor de medemens! Ik bekommer me om die mensen!’ Een drama waarin vaak vuisten op tafels worden geslagen om een punt te maken en waarin de seksscènes je alle lust om ooit nog seks te hebben, ontnemen. Een drama waarin een neef die een tijdje in Amerika heeft gewoond opeens niet meer normaal Nederlands blijkt te kunnen spreken, maar na drie zinnen vol met ‘hey buddy!’ toch weer wel. En, tot slot, een drama waarvan de makers hebben gedacht: ‘Ha! Jeanine Janssen wil de soundtrack doen! Dat zullen ze godverredomme horen ook!’ Een drama dus waarin er altijd, maar dan ook altijd, ergens wel een viool klinkt.

 

Een gezellige familiefilm voor in de kerstvakantie is Publieke Werken niet echt geworden. De film opent met een verkrachtingsscène, vervolgt met een scène waarin Jacob Derwig als apotheker met doktersambities met een scherp mes op de buik van een zwangere vrouw inhakt, en tegen het einde wordt de kijker getrakteerd op de halfslachtige maar toch succesvolle zelfmoordpoging van Vedder. Wie de film na alles wat ik heb verklapt toch nog wil zien, wens ik een prettige confrontatie toe met de staat van de Nederlandse cinema. Vergeet vooral niet te genieten, want we hebben allemaal meebetaald aan dit stukje Hollandse glorie: Topkapi Films B.V. kreeg van het filmfonds een subsidie van ruim twee miljoen. Euro’s die gelukkig niet naar Paul Verhoeven zijn gegaan, zo kun je het natuurlijk ook bekijken. Hoe dan ook mogen we Publieke Werken dus met recht een publiek werk noemen.

 

MM

 

Voor ik het vergeet: je krijgt de groeten van mijn vader, moeder, tantes, grootouders, vriendinnen, en eigenlijk ook van de rest van Nederland. Ze vinden allemaal dat je hele mooie programma’s maakt, vooral omdat je verhalen altijd ‘van twee kanten’ laat zien en daarbij de goede inborst van de mens toont. Dat laatste moet ik je nageven. Als jij weer eens met een pro-Russische separatist die twee patroonbanden om heeft, staat te keuvelen, denkt iedereen: “ach, die man heeft vast een erg schattig gezinnetje dat thuis met een grote pan borsjtj op hem wacht.” Hoe langer jullie praten, des te meer de kijkers zich afvragen waarom die man daar in godsnaam in dat uniform staat. Een kwartiertje smalltalk verder en iedereen gelooft dat het om een figurant van een amateurtoneelclub uit de Volksrepubliek Donetsk gaat.

 

Dat talent van je om leuke gesprekjes aan te knopen op straat, dat heb je vast niet van je vader. Als Brandt Corstius senior in zijn tijd een serie over de Sovjet-Unie had gemaakt, was hij na een half interview met een bakker al op transport naar Siberië gezet. Toch heeft die oude heer van je je wel uitgerust met een bruikbare eigenschap voor een Oostblokcorrespondent: een pessimisme dat feilloos aansluit bij het decor van de gemiddelde Grenslandaflevering. Als jij een voormalige testlocatie voor atoomwapens afstruint, lijk je meer op een Kazakse gedupeerde die zijn oude moestuintje terug probeert te vinden, dan op een journalist uit Bloemendaal. In het straatbeeld van Daugavpils ben ik je een kwartier lang kwijt. Tussen alle grijze jassen en kale koppen, tussen alle ‘kak’, ‘da’ en nasale ‘aah-ha’-klanken ben jij misschien wel de persoon die je het liefste zou willen zijn: een kind van moedertje Rusland.

 

Het is zonde dat je af en toe nog naar Nederland moet om als Poetinbarometer aan te schuiven bij praatprogramma’s. ‘Poetinbarometer’, daartoe heeft men je in de lage landen gereduceerd. Elke keer laat je weer filmpjes zien van die gekke, maar vooral ‘absurde’ Russen. Het weerbericht in Rusland: ‘Het is september, er is weinig wind en een lage luchtvochtigheid: kortom, een prima maand om luchtaanvallen in Syrië uit te voeren.’ Iedereen lacht, en je ogen twinkelen. ‘Dit is volgens mij waarom jij zo van Rusland houdt, hè Jelle?’ zegt de presentator. Je knikt maar. In Nederland kun je geen Rus zijn, de enige rol die hier – naast die van liefhebber – voor je is weggelegd, is die van Poetinpessimist.

 

En dan kunnen ze het krijgen ook, zal je wel hebben gedacht: ‘Rusland heeft een ontzettend indrukwekkend leger, en we gaan nog zien hoe dat zich de komende tijd gaat ontwikkelen.’ Je maakt me bang Jelle, hou op! ‘Ik heb me maar vast opgegeven als reservist bij het Nederlandse leger. Het zijn gewoon onzekere tijden, dus ik denk dat mensen maar beter voorbereid moeten zijn op het ergste. Of je nou ervaring opdoet in het leger, of dat je leert hoe je een moestuintje houdt, ik denk dat dat wel nuttige zaken zijn.’ Stop, Jelle! Ik wil het leger niet in! ‘Poetin laat in Syrië zien waar het Russische leger toe in staat is, en dat blijkt dus best wel verdomd veel te zijn. Nederlanders denken dat de wereld hetzelfde blijft in de komende jaren, maar dat vraag ik me echt af.’ Het wordt oorlog met Rusland en we gaan dood, allemaal! Dat lijkt in ieder geval de boodschap te zijn die de vier afgezanten van Down voor Dummies, die toevallig achter je in het publiek zaten en steeds wanhopiger keken, hebben opgepikt.

 

Ach, Jelle, met jouw maximalistische ziel hoor je gewoon niet thuis in dit land. Wij begrijpen het Russiche doemdenken niet, raken erdoor van streek. Geef een westerling geen Russische sprookjes, want hij kan er nachten niet van slapen. Als kleuter werd ik ooit meegenomen naar de Russische jeugdfilm Poes Poes van Ivan Popov, die bedoeld was voor kinderen tussen de vier en zes jaar. Een poesje liep weg van huis en beleefde allemaal avonturen. Na anderhalf uur werd het dier doodgereden door een auto. De ontreddering die ik toen om me heen zag heb ik zelden nog gezien. De Russische jeugd verliet de zaal waarschijnlijk gewoon met droge ogen, en trok een les uit de film: wie wegloopt van huis, wordt gestraft door het lot.

 

Een paar jaar geleden beloofde je bij de oprichting van de Correspondent om een serie over Nederland te gaan maken. Niet van Moskou tot Moermansk, maar van Meppel tot Maastricht. Daar hebben we nooit meer iets over gehoord, en dat valt wel te begrijpen. Een man die de Wolga heeft zien stromen, die de machtige klanken van Borodin heeft gehoord, en die zijn ijzige handen heeft gewarmd aan een Svetlana of een Raisa, is voor dit land verloren. De Maas is voor hem een modderig pisstraaltje geworden, en de Hollandse vrouw een man met borsten. Nee, het enige dat een leven in dit land spanning zou geven, zou een goeie oorlog met Rusland zijn. Ik begrijp best dat je je daar een beetje op verheugt.

 

MM

Archief