LAH

 

In het werk van Gerard Reve ben ik reeds drie malen het volgende adagium tegengekomen: ‘Arme mensen zijn slecht. Anders waren zij toch zeker niet arm?’ Het staat ergens in ’t Hijgend hert en in Brieven aan Wim B., geloof ik. De derde instantie ben ik vergeten. Ter apologie voor deze uitspraak wil ik niet verder gaan dan verlegen wijzen op de volgende drie-eenheid: ironie; de voordelige economische situatie in de welvaartsstaat van de jaren ’70 in Nederland; de Mysteriën Gods. Het precieze geheim van deze triniteit gaat overigens mijn rode baret te boven.

 

Hoe dan ook, vandaag is een andere dag dan gisteren. Ironie heeft zijn waarde ook een beetje verloren, het heeft de verschrikkingen van deze tijd althans niet kunnen tegenhouden. Ook economisch licht de situatie anders. De rijken hebben de macht, de kloof wordt groter, sociale mobiliteit krimpt, enzovoorts, enzovoorts. En God? Of ie dood is, durf ik niet te zeggen, maar laten we het er op houden dat Hij al eventjes aan het slapen is, een winterslaap zo te zeggen; en dat, laten we eerlijk wezen, de lente niet bepaald in zicht is.  Ik ben daarom voornemens een socialistische, post-christelijke, splinterpartij op te richten, genaamd Oog van de Naald (OvdN) met slechts één, duidelijk ideologisch maxime:

 

Rijke mensen zijn slecht. Anders waren zij toch zeker niet rijk?

 

Waarom wachten totdat Petrus in een ver hiernamaals de deugden tegen de portomonnees opweegt? Laten wij toch het heft van het Zwaard des Oordeels in eigen hand nemen en daarmee reeds nu, in het hierditmaals, de kamelen door de tolpoorten van Ons Koninkrijk jagen en de vetbulten afsnijden waar het knelt!

 

De logica liegt er niet om: rijken zijn de oorzaak van zowat alle kwaad. Rijken zijn racistisch. Elke miljoen die op uw rekening staat, staat in Afrika niet op een rekening. Rijken zijn antisemitisch. Hoeveel mensen die u kent die een holocaust-monument kúnnen betalen, hebben er ook daadwerkelijk één in hun achtertuin staan? Precies! Trouwens, hoeveel heeft die holocaust wel niet gekost? En wie heeft dat opgehoest denkt u? De vakbonden waren opgeheven, dus die konden het niet zijn. Geef mij een ramp die niet door de rijken is veroorzaakt. Dresden? -De rijken. Nagasaki? -De rijken. Verdun? -De rijken. Pompeï? -Een zeer rijke stad, gebouwd op de rand van een vulkaan. Ook dat is dus de schuld van de rijken. Khadaffi? -Rijk. Pol Pot? -Rijk. Joop van de Ende? -Rijk.

 

Het staat allemaal nog een beetje in de kinderschoenen, maar als alles een beetje voorspoedig loopt kunt u op 15 maart gewoon op mij stemmen. Het ontbreekt mij nog aan een kieslijst, maar we hebben al wel een slogan: ‘Geen gezeik: iedereen in de middenstand!’ Ook financieel hebben we wat problemen, daar de donaties maximaal een tientje mogen zijn. Leert u in ieder geval alvast even ons partijlied uit uw hoofd:

 

RIJKEN AAN DE RIEK!

 

Vrouwen aan de top!

Met glazen vloerbedekking!

Negers met een zweep!

En blanken aan de ketting!

 

Katholieken vogelvrij!

Alleen de pedo’s krijgen gratie!

Hetero’s krijgen tbs!

en chemische castratie!

 

Parkeerwachters een nekklem!

Agenten supersoakers!

Burgers gummiknuppels!

Douaantje, buk voorover!

 

Piet is niet racistisch

slechts zwart door de haard

maar de Sint zessendelen we

en zijn peen is voor zijn paard

 

De koloniën indachtig

monumenten op alle pleinen

al het gojim draagt een ster

klaagmuur van stolpersteinen

 

Argumenten worden drog

Alleen Godwin heeft nog recht

Wie in een rechtszaak nu gelijk krijgt

Is wie het eerste ‘Hitler’ zegt

 

Mannen zonder sluier

Aan het spit in plaats van lam

Marokkanen met een scooter

Krijgen de sleutel tot Zaandam

 

Drie soorten toiletten

Andro, trans en post-op

En wie zich daar niet thuis voelt

Die houdt het dan maar op

 

Hulp bij zelfdoding

Niet meer dan goed fatsoen

Abortus tot de puberteit

Euthenasie is uw pensioen

 

Dieren in het parlement

Boeren in de melkmachines

Lelystad weer onder water

Noordwijk vol met windturbines

 

De koning van zijn troon gestoten

Beroofd van elke burcht

In circus dan tentoongesteld

Happend naar Pijneburg

 

Bankgebouwen gaan op slot

De gevangenis gaat sluiten

Het verschil: bij de bajes

laten we de mensen eerst naar buiten

 

Sommigen zijn haalbaar

Anderen zijn ludiek

Aaar één ding staat voorop:

Rijken aan de riek!

 

Tot 15 maart! Samen kunnen we een tegenwicht bieden aan het populisme!

LAH

 

Rosanne is gepromoveerd op de lokalisering van hurken.

Rosanne is gepromoveerd op de lokalisering van hurken.

Rosanne Hertzberger heeft de afgelopen tijd het beeld proberen te nuanceren dat meisjes op studentencorpora slachtoffers zijn. Zij kan het weten, zelf zat zij bij het Leidse Quintus, een niet corporale vereniging die zich in mijn intreeweek als volgt typeerde: ‘Wij zijn zegmaar Minerva, maar dan met minder verplichtingen.’ Bij Minerva maakten ze het trouwens nog bonter. Daar antwoordde de woordvoerder op de vraag wat de Minervaan typeert: ‘wij zijn geen politieke vereniging. Iedereen is welkom.’ Hij stond pal onder een portret van Zijne Doorluchtigheid Prins Pils, inmiddels gepromoveerd tot Koning Kanon.

Terug naar hertje Hertzberger. Zij neemt het op voor de studentenvereniging, ofschoon zij op Quintus ‘nog nooit zoveel voor hoer is uitgemaakt’, werd ‘aangerand’, ‘betast’ en waar ‘geruchten gingen van mannen die seks hadden met half-bewusteloze vrouwen’. Voor wie al gruwelt bij geruchten over bewusteloze vrouwen, gruwel niet: ze zijn slechts ‘half’-bewusteloos. Of half-bewust, het is maar hoe je het bekijkt.  Een verkrachting kun je zoiets niet noemen, hoogstens een halve verkrachting, of zoals Rosanne Hertzberger het dus liever noemt: ‘seks’.

Maar zijn al het betasten, aanranden, uitschelden en wat er dan ook van die geruchten waar is, dan niet erg? Ach, nuanceert Rosanne, ‘we waren rond de twintig jaar oud en de alcohol en hormonen liepen in pure vorm van de gevels.‘ Ik vraag me af hoe Swabismen als ‘wij zijn onze hormonen’ of  ‘wij zijn ons alcoholpromilage’ het in de rechtzaal doen. Een rechter lijkt me daar toch iets minder vatbaar voor, dan een microbiologe. Want dat is Rosanne Hertzberger, microbioloog. En columnist voor het NRC dus. Uit de microbiologie heeft zij ook haar talent voor nuance vandaan. Het woord zelf, ‘microbioloog’, staat zelfs ter nuance naast haar columns, die dan ook over Europa, bezuinigingen op defensie, tatoeages en Donald Trump gaan. Als u dat niet begrijpt, zet u dan eens de woorden ‘-Rosanne Hertzberger, microbioloog’ achter een willekeurig citaat van Cicero, misschien begrijpt u het dan.

Volgens Hertzberger kunnen de vrouwen op verenigingen best van zich af bijten. Want als de Quintmannetjes te ver gingen, ‘zetten we gewoon de brandslang open.’ Aha. We moeten de studentenvereniging dus niet zozeer zien als een boosaardige sekte waar vrouwen verdeeld worden, maar als een soort Grease-achtige wereld van de jongens tegen de meisjes waarin een eeuwig Marco Polo-achtig spel gaande is, waarbij de jongens steeds handtastelijker worden tot de vrouwen ze met een waterkanon wegblazen. Behalve mijn onmiddellijke zorg naar de waterschade en brandveiligheid van Rijksmonumenten, houdt iets anders me bezig: wie is die ‘we’ in ‘we zetten de brandslang open’? Waarschijnlijk Rosannes meisjesdispuut. Maar groepen meisjes hebben niks te vrezen. Individuen daarentegen wel. Nu kan een schorre krijsquint als Rosanne ‘Honderd Hertz’ Hertzberger zich wellicht moeilijk voorstellen dat er op zo’n club ook individuen rondlopen, maar laten we er toch maar vanuitgaan.

Laat ik eerst dit verklappen. Die ‘geruchten van mannen die seks hebben met half-bewusteloze vrouwen’ zijn geen geruchten zonder meer. Zulke gevallen komen voor. Zo bevond ik mij ooit op één van die mooie traditionele ceremoniën die de Neerlandse corpora als culturele erewachten trachten te conserveren voor toekomstige generaties: een 21-diner. Twee jongens van NJORD, de roeivereniging van Minerva, stonden zich vrolijk te maken over iets dat de ene op zijn gsm liet zien: een soort Reddit-achtig internetforum voor alle Nederlandse corpora. Hij klikte een filmpje aan, dat overduidelijk ook met een gsm was gemaakt: een vrouw werd in haar achterste bezeten werd door de cameraman. Het geheel speelde zich af in een openbaar toilet, of liever gezegd in de spiegel boven de wasbakken, want daar was de camera op gericht, opdat het overzicht en kijkplezier maximaal was. Ook zagen wij dat de vrouw niet helemaal bij haar volle verstand was; dat zij iets leek te willen zeggen, maar niet op de woorden kon komen. Maar misschien probeerde zij zich slechts het evacuatieplan te herinneren, zodat zij de dichtstbijzijnde brandslang zou weten. Men kon de cameraman enig beroepsmatig feminisme niet ontzeggen, want hij gaf zijn eigen lichaam ook ruimschoots de aandacht, terwijl hij het hier en daar aanspande. Alleen zijn hoofd ontbrak. Maar dat begrepen wij best. Je weet nooit wat er met zo’n filmpje gebeurt. Je ouders zouden het kunnen zien! ‘Ziek!’, zei de ene jongen naast mij. ‘Ja, wat een koning!’ zei de ander. Toen klapte hij zijn telefoontje dicht en we hadden nog een kapotchille avond.

Natuurlijk, Quintus is geen corps. Er zijn immers ‘minder verplichtingen’ en verkrachtingen horen daar natuurlijk ook bij. Maar verkrachtingen daargelaten, in wezen ben ik het ook met Rosanne eens: wie als vrouw bij het corps gaat, moet niet zeuren over seksisme. Doe niet alsof je van te voren denkt dat het een nobele club is, die ergens voor staat. Begrijp me niet verkeerd: zwijgcontracten zijn malafide dingen, maar ze verschillen tenminste op één belangrijk vlak met maffiose omerta-contracten. Je hebt geen pistool tegen je hoofd als je er een tekent. Je kiest er zelf voor. Uit geilheid, uit nieuwsgierigheid, uit domheid, maar in ieder geval niet wegens een of ander hoger ideaal. Wat erg is aan de term ‘hertje’ is niet het seksisme, maar de beknopte kennis van de biologie, die immers ‘hinde’ voorschrijft. ‘Moge de gore wijven met hun kut over een kanon worden getrokken’ is niet seksistisch. Het is nog veel erger: het is van Hans Teeuwen. Het idee dat ergens een latijnse vertaling van Snelkookpan als clublied fungeert, je moet er niet aan denken.

LAH

Ik heb iets tegen weermannen. Men zou zelfs van een ‘weerzin’ kunnen spreken. Dat vrijpostige waarmee ze lekker achteraan het nieuws zitten, met zo’n smoel van ‘nou mensen, u boft, we hebben het beste voor het laatste bewaard! Oorlog in de Congo, honger in Venezuela, maar kijk eens wat voor zonsopkomst we vanochtend hadden!’ Nieuws moet iets zijn dat niet elke dag gebeurt, maar het weer gebeurt elk moment opnieuw. Het heet zelfs zo: Het Weer. En als een meteorologisch verschijnsel dan een keer wél belangrijk is (een cycloon ofzo), dan is de weerman natuurlijk nergens te bekennen. Nee hoor! Die is zijn powerpointslides op volgorde aan het zetten, die heeft het te druk met cirrus fluccus en cumulus humilis uit elkaar te  houden, die zit lekker ingezonden foto’s van druppeltjes dauw te bekijken, als ie ze al niet zelf gemaakt heeft!

Fred Weerman is de nieuwe decaan van Geesteswetenschappen. Niet slechts zijn naam doet vermoeden dat hij beter aan de meteorologische faculteit had kunnen solliciteren, zulks blijkt ook uit een interview in de Babel. Babel: ‘waarom vonden ze u geschikt?’ Fred: ‘het zit in mijn genen om me te bemoeien met bestuurlijke zaken.’ Stervelingen zoals u en ik weten hooguit of ze vaders of moeders ogen hebben of dat de familie veel dementiegevallen kent. Fred Weerman kent sinds het hiervoormaals af reeds zijn lotsverbondenheid met het macro-management in de semi-publieke sector. Zijn opvattingen over genetica hoeven daarbij niet getoetst te worden aan wetenschappelijke criteria. Weermannen zijn orakels, mediums. Ooit een weerman horen funderen waarom het in de loop van de middag opklaart? Natuurlijk niet. Fred Weerman is dan ook de juiste man op de juiste plaats bij GW. Als geen ander kent hij de grenzen van de logica, de blinde vlek van Kuhn, het ene plekje op de rug van Popper, waar ie zo vaak jeuk had, maar net niet bij kon… Sommigen worden profeet in dit leven, anderen worden dichter, weer anderen filosoof. Fred Weerman wordt Fred Weerman.

Volgende vraag: ‘wat voor decaan hoopt u te zijn?’ Fred: ‘Ik zie mijzelf niet zozeer als degene die de plannen bedenkt, maar eerder als de persoon die ervoor moet zorgen dat anderen dat doen.’ Elk genie zijn dealer, elke beeldhouwer zijn muze, elke Lennon zijn Yoko. Dit is Fred op zijn best. Een prachtig staaltje dialectical problem managing 3.0: combineer twee problemen en je hebt de oplossing tot beide. Werd het bestuur van de UvA vorig jaar nog 1) visieloosheid en 2) het afschuiven van verantwoordelijkheid verweten, daar roert deze Weerman twee cyclonen door elkaar tot een supercel die alle problemen wegblaast: visie an sich wordt een verwijt, waar hij bij voorbaat voor bedankt, door het af te schuiven op zijn ondergeschikten. Fred maakte visie slechts ‘mede mogelijk’. Is Rexona ooit verantwoordelijk gehouden voor de misstanden bij Idols? Is er ooit bij Philips geklaagd, toen PSV slecht speelde?

Hoe denkt deze man eigenlijk over de Geesteswetenschappen, you know, die faculteit die hij de komende vijf jaar in een gele zuidwester en een paraplu tegen maatschappelijke rukwinden en wetenschappelijke hagelbuien moet beschermen, die de hele faculteit het liefst tot een Bildung Academie-achtige combinatiestudie maken, of een vak geesteswetenschappelijke vaardigheden? Nou, zo: ‘de grenzen tussen de faculteiten zijn willekeurig.’ Zoals een voetballer altijd alles vergelijkt met een pot voetbal, zoals bakkers altijd voor alles een broodmetafoor hebben klaarliggen, zo zien weermannen in alles de werking van het weer: volstrekte willekeur. Het kan vriezen, het kan dooien. Grieks had net zo goed bij Natuurkunde kunnen zitten, daar gebruiken ze immers veel Griekse letters. Geologie heeft ook wel iets weg van Geschiedenis: het begint allebei met een G. Eigenlijk had Fred van alle faculteiten wel decaan kunnen wezen. Wat er onderwezen wordt zal hem een worst wezen, wat boeit het een weerman wat voor weer het is: hij zit lekker binnen. Zoláng er maar weer is, waar ie een beetje de baas over kan spelen.

Waarom zijn weermannen weermannen? Omdat ze geen generaal zijn. Je kunt dat zien als ze een keer een oostenwind moeten voorspellen. Dan staan ze vunzig tegen die kaart aan te schurken alsof het een aard heeft, houden ze hun benen strak in denkbeeldige laarzen en laten hun laserpointer even lekker over de Benelux glijden als een aanwijsstok. Dan zie je ze denken: ‘dat Von Schlieffenplan, hoe ging dat ook alweer?’ Hier onderscheidt Fred zich van andere weermannen. Waar anderen genoegen nemen met een slap aftreksel van een infantiele fantasie, daar zijn Freds fantasieën op zichzelf slappe aftreksels van kinderwensen. Fred denkt zichzelf geen generaal, maar  ‘meer een dirigent. De muziek zit in deze faculteit en ik moet zorgen dat ie zo goed mogelijk tot klinken komt.’ Ach ja, de dirigent. Het doorgeefluik tussen de brille van de componist en het talent van het orkest. Zelf steekt hij geen vinger uit, slechts een stokje. Omdat de componist dood is, krijgt hij het applaus. Omdat het orkest met zoveel is, neemt hij hun boeketten aan.

Uiteindelijk is er niet zo veel verschil tussen Fred en zijn soortgenoten. Een weerman is hoe dan ook een manager. Hij heeft geen echte macht, maar het lijkt zo. Als hij zegt dat het morgen onweert  – en verdraait: morgen onweert het – dan kunnen we toch met zijn alle best doen alsof het dóór hem onweert? Wie bewijst het tegendeel? Laat de dondergodjes toch fijn met hun hamertjes spelen.

LAH

schermafbeelding-2016-10-07-om-13-55-47

Op de website van Folia stond een reactie op mijn verhaal over Hadjar Benmiloud (PC, 21-05, p.4). Ik ben, als ik het stukje samenvat, een misogyne racist die zich verschuilt achter ironie. Het stuk is alleen niet geschreven door Hadjar, maar door Timo Koren en Yannick Coenders. Typische appropriation natuurlijk van deze helper males: de Berberse etiquette schrijft immers voor dat alleen neven, achterneven en zwagers opgetrommeld mogen worden om zich ermee te bemoeien.

Kijk, dit hierboven was dus ironie. Ik zie dat, u ziet dat, Timo en Yannick niet. In mijn vorige stuk zou ik mij met vele seksistische grapjes ‘beroepen op de gouden regel van de Nederlandse literaire wereld: als je je ongemakkelijk voelt, wentel je je in ironie.’ Ze vervolgen: ‘Zo voorziet hij zijn stuk van een teflonlaagje, in de veronderstelling dat zijn Johan Derksen-achtige gebbetjes dan te ambigu zijn om kritiek op te leveren.’

De kritiek is dus dat ik een soort Johan Derksen ben, die het masker van Johan Derksen opzet. Tjonge, wat een veilige, gemakkelijke ironie waarin ik mij ‘wentel’, ik ben een wentelteefje. Lieve jongens, over welke ironie hebben jullie het? Ironie zou zijn als ik zou zeggen: ‘Seksistisch? Ik? Maar mijn bloedeigen moeder is een vrouw!’ Ik maak dan een grapje, zonder me te hebben verweerd. In mijn verhaal daarentegen ben ik helemaal niet ironisch. Ik ben niet eens aanwezig in het verhaal: er is alleen een ik-persoon. Dat je die personen niet moet verwarren, weet ik, dat weet u, Timo en Yannick niet. Zij schrijven: ‘als Lucas Arnout op een feestje is (…) wil hij het liefst alleen maar naar tieten staren. Bij zijn ballen gegrepen worden. Naar de wc. En dan dertig seconden na elkaar eruit komen. En dat dan literair uit de doeken doen, terwijl hij tegen een knallende kater vecht.’ Laten we voor het vervolg zeggen dat ik samenval met mijn hoofdpersoon. Zelfs dan zijn dit leugens. Over tieten schrijf ik slechts zeer nederig, dat ik beter naar haar twee lieve dingen kon staren dan haar lief ding te noemen. Bij mijn ballen wil ik ook niet gegrepen worden. Dat doet namelijk pijn. Zo ook in het verhaal, waar Hadjar mijn seksistische gepraat bestraft, door dus –zeer moederlijk en traditioneel, dat geef ik toe – mij hard in mijn zak te knijpen. Tegen een kater vecht ik al helemaal niet; drank komt in de hele tekst niet voor, de jeugd wordt nergens beïnvloed, ik heb zelfs niet de mogelijkheid tot drinken, omdat Hadjar dus de hele tijd in mijn ballen knijpt. En tenslotte doe ik dus niks ‘uit de doeken’, want het is fictie, fabel.

Daarenboven is het fictie waarin ik mij vanaf moment 1 kwetsbaar opstel, namelijk als lompe ploert die de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de uitgeverswereld betwijfelt met ‘welke uitgever ik ook bel, ik krijg altijd een vriendelijke receptioniste aan de lijn.’ Na nog meer van zulke overduidelijke seksismen, laat ik me schuldbewust straffen door Hadjar (de balzak) en kom tot de conclusie dat ik het feminisme moet steunen zonder het me toe te eigenen met begrip, waarna Hadjar me beloont met overigens zeer discreet beschreven seks, waarbij zij duidelijk de overhand heeft. Wanneer wij iets later uit de wc komen, laat ik haar voorgaan, het Islamitische voorschrift radicaal omdraaiend. Ten eerste: dit is geen feminisme, dit is je reinste femdom. Ten tweede: hoe is dit niet gefabuleerd? Ik bedoel: ik… LAH, die simpele Zeeuw, 23 en nog geen studie afgerond, het Grieks onmachtig, met… Hadjar Benmiloud, stem van een generatie, schildmaagd van een revolutie?

Ook de fotograp vinden ze niet leuk. Wat had ik gedaan? Ik had een afbeelding afgedrukt met een blote “feminist” (hangtieten, veel beharing) die naakt poseert op een aanrecht met de tekst ‘meisje op een feministisch platform’ (Hadjar Benmiloud heeft een feministisch platform opgericht, vandaar). Zij schrijven: ‘Zo moet Lucas Arnout gedacht hebben dat er iets nog grappiger is dan een vrouw achter het aanrecht, toen hij in zijn browsergeschiedenis een pornografische afbeelding van een vrouw op het aanrecht vond.’ Alsof het een soort woordgrap met voorzetsels was! Het ergste is: het is nog waar ook: ik héb dit uit mijn browsergeschiedenis. Ik zocht naar feministisch goedgekeurde pornosites en vond dit plaatje. Maar lieve jongens, als mijn schrijven niet pleit voor mijn feminisme, dan toch zeker mijn browsergeschiedenis wel?

Ten slotte zou ik ook nog een racist wezen. Dat haal ik althans uit de volgende opmerking: ‘En omdat hij er zelfs drie zwarte mensen had gezien, kon er van racisme ook geen sprake zijn.’ Het ontkennen van racisme waar het overduidelijk aanwezig is, is immers racisme. Met die ‘drie zwarte mensen’ doelden ze op ‘Humberto Tan, Sylvana Simons en de vriendin van Robert Vuijsje’, die mijn domme hoofdpersoon, inmiddels weer teruggekeerd tot zijn klunzerige, politiek-naïeve zelf, aan het slot van het stuk begroet met: ‘Humberto! My nigga!’ Ach, het leek mij wel een onheilspellend einde. Natuurlijk is dit ironie, maar niet het soort waarachter ik mij verschans zonder op mijn bevoorrechte positie te hoeven worden aangesproken, het is ironie die een afstand schept tussen mij en een andere mening. En trouwens: ik? Een racist? Nota bene: mijn bloedeigen dealer is een Surinamer!

LAH

Als iemand mij tegenwoordig zegt feminist te zijn, zeg ik: ‘Ik ook! Maar geen idee wat het betekent.’ Dat is alleraardigst, want dan moet die ander dus gaan uitleggen wat het betekent. Ga daar maar aan staan. Laatst deed ik het bij Hadjar Benmiloud, ’t lieve ding, al kon ik beter schaamteloos naar haar twee lieve dingen staren dan dat ik haar zo noemde, zoveel begreep ik wel.

Hadjar Benmiloud werd niet uitgenodigd voor het Boekenbal dit jaar, naar eigen zeggen omdat zij een feministisch platform had opgericht en de literaire wereld een mannenbolwerk is, terwijl ‘vrouwen als consument en producent de literaire wereld overeind houden.’ Ik weet niet of ze met ‘producent’ schrijvers of uitgevers bedoelt, maar in beide gevallen geloof ik het zonder meer. E.L. James, toch niet de minste, heeft de meeste boeken verkocht van de afgelopen vijf jaar en was niet uitgenodigd. In de uitgeverij zitten ook een hoop vrouwen. Welke ik ook bel, ik krijg altijd een vriendelijke jonge receptioniste aan de lijn. Dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in het lezersbestand, geloof ik evenzo graag, maar er was natuurlijk ook nog zoiets als een Boekenbal Voor Lezers. Was Hadjar daar dan ook niet voor uitgenodigd?

Hoe het ook zij, uiteindelijk was ze toch binnengekomen, want ik zag haar in de foyer.
‘Hey Hadjar! Ben jij ook gewoon binnengekomen? Ik ook! It takes a nation of millions to hold us back, niewaar?’
‘…Pardon?’
‘O, ja, ik was ook niet uitgenodigd,’ mansplainde ik haar. ‘Waarschijnlijk omdat ik feminist ben. Ik bedoel, kijk om je heen: like OMG #boekenbalzopenis!’ maar toen ik mijn hand ophield voor high five, ging ze mij in mijn kruis grijpen en hard knijpen.

‘—Hoe penis?’ zei ze koeltjes.
‘Z…o…?’ piepte ik. Ze kneep harder.
‘It takes a nation of millions is van A Tribe Called Quest, dat zijn black nationalists. Ben ik soms zwart?’
‘Intersectionele systeemkritiek,’ stamelde ik.
‘Wat is de laatste vrouwelijke schrijfster die je las?’
Ik bezat geen adem meer. Ik kon niks zeggen. Met naar evenwicht maaiende handen trachtte ik tenslotte mijn gesigneerde pocket Harry Potter en de Vuurbeker ter bewijsvoering uit mijn binnenzak te halen, maar ik voelde mij steeds flauwer worden.
‘Wat een schaamteloze appropriatie! Heb je soms ook Maori tatoeages, of een verentooi? Welja, dop je boontjes met een samoeraïzwaard! We hebben jouw sympathy helemaal niet nodig, vieze helper male.’
‘Maar wat als ik me nu identificeer als vrouw!’ proestte ik.

Ze liet los. Haar blik veranderde. Eerst keek ze verontschuldigend, toen begripvol en zelfs zusterlijk.
‘Sorry meid, maarje kan niet voorzichtig genoeg wezen tegenwoordig. Mannen denken nu eenmaal dat ze ook feminist kunnen zijn. Dat krijg je er niet zomaar uit.’
‘Kan dat dan niet?’ hijgde ik.
‘Nee, natuurlijk niet! Feminisme is geen mening, geen standpunt dat je zomaar even kunt innemen door op wat stellingen te wijzen of met argumenten te komen. Feminisme, dat bén je. Daar groei je in, als vrouw, in gevecht met het verstikkende keurslijf, opgedwongen door het ressentimentele patriarchaat. Mannen snappen dat niet.’
‘Tenzij ze zich als vrouw identificeren.’
‘Precies! Als een vrouw. Want dé vrouw bestaat niet,’ decreteerde ze. ‘Elk feminisme is anders, maar stamt uit dezelfde grond: je bent feminist, omdat je een vrouw bent. Of je er als een identificeert.’

Ik deed al geen moeite meer haar te begrijpen. Wat is het toch heerlijk om naar een vrouw te luisteren die je dingen uitlegt die je toch al begrijpt. Wat is begrip?Deze club wil niet begrepen worden. Opeens begon het me te dagen. De hele logica scheen me als een kinderspelletje toe. Eigenlijk is het een beetje als met voetbalclubs. Iemand uit Sittard is voor Fortuna, iemand uit Noordwijkerhout voor VVSB. Een neger een abolitionist, Lincoln een helper whitey. Een vrouw is feminist. Een man seksist.

‘—Ik begrijp je niet,’ sprak ik opeens.

Ze stopte middenin haar zin. Er was een fonkeling, ergens. Een zacht gevoel ook, wederom in mijn kruis. ‘Denk je dat die vrouw waarmee je je identificeert zich wellicht als man identificeert?’

Toen ik de afgesproken 30 seconden na haar uit het personeelstoilet kwam, zag ik Humberto Tan staan. Hij praatte met Sylvana Simons en de vriendin van Robbert Vuijsje.
‘Humberto!’ riep ik al. ‘My nigga!’

feministies

LAH

In de Groene Amsterdammer stond een artikel van Casper Thomas over de Maagdenhuisbezetting. Die had volgens hem geen enkel nut gehad. De politieke veranderingen sedertdien zijn schijnveranderingen. ‘Den Haag’ heeft nog altijd een ijzersterke greep op de universiteit en dat vindt Casper Thomas oneerlijk. Want: ‘De oudste universiteit van Nederland bestaat 441 jaar. Een kabinet zit vier jaar in het zadel, als het meezit. Wat meer bescheidenheid in Den Haag zou op z’n plaats zijn.

 

Ik ga niet uitleggen wat er allemaal fout is aan deze vergelijking. Dat zou me mijn stuk kosten. Wel wil ik even zeggen dat de oudste universiteit van Nederland die van Leiden is, alwaar de studentenprotesten niet verder kwamen dan een oriënterende ontmoeting in het balletlokaal die tot doel had de vraag te beantwoorden of rendementsdenken ook Leiden in een probleem is en twee uur later tot de heldere conclusie kwam dat inderdaad, de Nederlandse staat geen rechtvaardiging voor zijn geweldsmonopolie heeft. Iedereen ging toen blij naar zijn gesubsidieerde studentenwoning en over rendementsdenken werd alleen nog gediscussieerd op studentenverenigingen die geen ontgroeningen hebben. Er is immers al genoeg ontgroening op de wereld. Borneo, het Amazonebekken, om maar wat te noemen.

 

Vreemd eigenlijk dat Casper Thomas nu opeens vind dat de regering van universiteiten af moet blijven, terwijl ie in Competente Rebellen. Hoe de universiteit in opstand kwam tegen het marktdenken de markt nog de schuld van alles geeft. Een mens mag van mening veranderen, natuurlijk, maar wacht er toch maar mee tot de 2e druk, dat is wel zo netjes tegenover Amsterdam University Press, dat zo ‘constructief in de dialoog’ was om het boekje uit te geven.

 

Competente rebellen is ook wel een beetje een raar boekje. Zoals u weet heeft Dymph van der Boom ooit gepleit voor ‘competente rebellen’. Dat is door die bezetters toen met veel poeha tot geuzennaam gebombardeerd, als een soort ontkrachting van het argument van het College van Bestuur, dat die bezetters ook gewoon even netjes een klacht in hadden kunnen dienen. Rebellen vullen nu eenmaal geen evaluatieformulieren in, ze bezetten gebouwen. Maar Van der Boom vroeg niet om rebellen. Ze vroeg om competente rebellen. Competent betekent niet, zoals wel gedacht wordt, dat je tot iets in staat bent, tot het mobiliseren van een beweging bijvoorbeeld. Dat is geen competentie, dat is twitter. Competent betekent adequaat, toereikend, passend binnen de sfeer van het gestelde. Dat is misschien pervers, maar het betekent wel dat het bedoelde venijn van de geuzennaam plaatsmaakt voor een zure ironie: want zo General waren die Assembly’s helemaal niet. Ik herinner me nog een debat in Kapitein Zeppos, waar de tegenstanders van de red squares respectievelijk een blue square (tegen de inhoud van het protest) of een yellow square (tegen de vorm) werd opgespeld. Ikzelf moest weer eens aan WOII denken en wilde me verzetten tegen de verdeel-en-heers-tactiek van de organisatoren van het debat (red squares) om vorm van inhoud te scheiden. Helaas moesten degenen die deze genuanceerde mening was aangedaan, hun magenta square zelf aanleveren, zodat ik toch maar voor de blue square ging. De yellows waren immers buitenspel gezet, want vorm is ondergeschikt aan inhoud en hun kritiek dus ook. Helaas kwamen noch de yellows, noch de blues aan het woord, omdat de reds (het publiek, de organisatoren en gespreksleiders) de andere kleuren overstemden met geschreeuw, wanneer zij iets wilden zeggen.

 

Maar niks daarover bij Casper ‘het-misschien-iets-te-vriendelijke-spookje’ Thomas. Net zoals er niks te lezen stond over het op z’n minst twijfelachtige metrum van ‘Bezet! Blokkeer! Dit beleid pik ik niet meer!’. En van ‘This building is occupied! By students and teachers in their struggle for free, democratic and emancipatory education’ wordt alleen ‘democratic’ uitgelegd. Dat ‘free’ behalve ‘vrij’ ook gratis betekent, of dat men met emancipatory doelde op gender-neutrale toiletten, viel kennelijk niet op in Caspers fundamentele lezing van anarcho-syndicalistische retoriek. Maar misschien heb ik er overheen gelezen. Het is namelijk nogal wat: 200 pagina’s anti-globalistisch gedachtegoed, waar twee afleveringen Tegenlicht volstaan.

 

Het bord met ‘Kleine groep, hé, Louise?’ dat bij de demonstratie van 1500 mensen op het Spui, voorafgaand aan de bestorming van het Maagdenhuis, te zien was, wordt wel besproken. Volgens Casper is dat een terechte reactie op Louise Gunning die ‘de protesten had bestempeld als de stem van een minderheid’. Maar 1500 is nog steeds een minderheid op 31.000 studenten. En hoeveel daarvan waren eigenlijk studenten? Zo laat Casper weten hoe hij zich met zijn onderwerp engageerde: de protestmars kwam langs zijn kantoor. Toen is ie maar meegelopen. Gonzo! Hoeveel van die 1500 deden hetzelfde? En hoeveel van die groep hebben uiteindelijk het Maagdenhuis bestormd? Een magere 300, waaronder vele krakers die een week tevoren uit de Spuistraat waren gejaagd.

 

Maar dat zijn cijfers, voer voor historici, niet voor Thomas. Het protest kan alleen begrepen worden in haar enthousiasme, in haar heden, in de tijdsgeest en die kan niet gedefinieerd worden, maar alleen worden opgeroepen. Met alinea’s over waarom zoiets alleen in Amsterdam kan, sferische beschrijvingen van de geest van Marx in Quebec, Seattle, Griekenland, Wall Street. En dan die scharniermomenten: het Spinhuis, het Bungehuis, de protestmars, de dwangsom van 100.000, de speech van Harriet Bergman, stuk voor stuk tijdsvacua waarbij de geschiedenis door het oog van de naald ging. Om nog maar te zwijgen over de spilfiguren en hoeksteenorganisaties. Rudolff Valkhoff, Frank van Vree, Kees de welkomstpiraat, Dan Hassler-Forest, Re:Think UvA, Occupy, de Nieuwe Universiteit, Seriza, Humanities Rally, hoeveel spilfiguren kan een beweging aan? Hoeveel hoekstenen voordat je een djengatoren over houdt?

 

Het is jammer dat Casper S. Thompson zijn gonzo-technieken hiertoe beperkt. Ik had graag de eigenaars van de gevonden crackpijpjes aan het woord gehad, of hoe heette dat meisje nou van wie ik voor een vijfje nog zo routineus werd afgetrokken in de toiletten? Heeft Casper soms een gezinnetje, dat daar niet van mag weten, of verdient ie zoveel dat een handjob voor het luttele bedrag van vijf euro nog onder ‘een vrije, emancipatoire, seksuele moraal’ kan worden geschaard?

 

Casper Thomas, Competente Rebellen. Hoe de universiteit in opstand kwam tegen het marktdenken., 17.95, Amsterdam University Press

 

LAH

 

 

 

 

 

In het NRC stond een interview door Coen Verbraak met Marcel Gelauff, de baas van het Journaal. ‘Ik wil de wereld bij jou thuis brengen zoals-ie is’ staat er boven. Een inwisselbaar ethos. Van het Noord-Koreaanse Staatsjournaal tot het researchteam van THE_OBAMA_PEDOPHILE-CONSPIRACY.blogspot, ja zelfs de meer discutabele redacties, zoals die van Medemblik Actueel of TVSchijndel, allemaal brengen ze je ‘de wereld zoals-ie is.’ Fuck de wereld zoals-ie is.

 

Het verschil met deze redacties en Marcel Gelauff is dan ook dat Marcel Gelauff zijn toehoorders tutoyeert. Maar dat mag Marcel Gelauff best. Hij komt immers met enige regelmaat bij jou thuis. Jij bent het, die op jouw toon moet letten. Zo mag jij geen Journaal meer zeggen. ‘We heten sinds 2015 het NOS Journaal’. Gelauff komt van RTL, waar hij het programma ‘Nieuws’ in ‘RTL Nieuws’ veranderde, want als je zegt gisteren het Nieuws gekeken te hebben, denkt iedereen dat je het over het Journaal hebt, de concurrent. Er is niemand die nu ‘gisteren keek ik RTL Nieuws…’ zegt, of ‘schakel over, het NOS Journaal begint’ of ‘hup, AFC Ajax!’, maar soit. Maar Gelauff heeft meer veranderd: ‘We laten nu veel meer beeld zien.’ Hij zal hiermee wel niet de toegenomen grootte van onze lcd-schermen bedoelen. Hij bedoelt: in tegenstelling tot vroeger, is er nu geen presentator in beeld zonder dat er ergens een Star Trek-monitor uit het plafond komt gezakt, voor wat Marcel Gelauff ‘duiding’ noemt. Inderdaad is er nu veel meer beeld in beeld. Maar Marcels liefste kindje blijft toch nog wel het staan van de presentator. ‘We [zijn] dichter bij het publiek gekomen. Letterlijk.’ Nogmaals: Marcel, wat bedoel je? Het journaal wordt niet in 3D uitgezonden. TV’s zijn plat. Staan is niet dichterbij dan zitten. De enige manier waarop dit ‘dichterbij’ ook maar iets betekent, is wanneer men er vanuit gaat dat het Journaal slechts werd gekeken vanwege het weerbericht en dat men in weerwil daarvan de rest van het journaal ook maar tot weerbericht maakte door te gaan staan tussen allerlei schermen. Het weerbericht van mensenzaken. Waarschijnlijk nog waar ook. ‘Dat staan is echt een belangrijk moment in de historie van het NOS Journaal.’ Duiding: als vanaf morgen de presentator een roze konijnenpak aanheeft, is dat eveneens een belangrijk moment in de historie van het NOS Journaal.

 

Gelauff: ‘Dagelijks kijken ruim 2 miljoen mensen naar het [NOS, lah] Achtuurjournaal. Dat moet ook […], want de NOS heeft de taak om een zo breed mogelijk publiek te dienen.’ Naast de vraag of in een taakomschrijving het woord ‘dienen’ gebruikt mag worden, is het vooral de vraag wat hij met ‘dat moet ook’ bedoelt. Hij lijkt te willen zeggen dat het NOS Journaal een breed publiek trekt, maar dat is een leugen. Die 2 miljoen zijn gemiddeld 57,5 jaar oud. Jongeren zappen weg of kijken geen televisie. ‘Dat moet ook’, betekent iets anders. Het is een rechtvaardiging. ‘Wat is het bestaansrecht van het NOS journaal?’ vraagt Coen Verbraak op een gegeven moment. Gelauff: ‘Het bestaansrecht is vanuit onze publieke taak dat er heel veel mensen naar kijken en wij ze van betrouwbaar nieuws voorzien.’ Coen Verbraak is ook geen drol en zegt: ‘Naar Linda de Mol kijken ook heel veel mensen. Dat is niet echt een argument.’ Gelauff: ‘Het is juist een heel belangrijk argument. Als er niemand zou kijken, waarom zou je het dan nog uitzenden?’ Touché. Gelauff is iemand voor wie de zin van het leven ‘ademen’ is, want als je niet ademt, kun je ook niet leven. Het moge duidelijk zijn: het is de markt die hier spreekt. Een publieke taak is volgens Gelauff een taak van iets dat een publiek heeft. Een cliniclown, een reaguurder, Linda de Mol. Allemaal hebben ze publieke taken.

 

Marcel Gelauff klaagt dat het 60-jarige jubileum van zijn programma nergens genoemd wordt, maar Marcel Gelauff moet zijn bek houden, want zijn programma is pas 1 jaar oud. Andere naam, ander programma. Een naam is geen tatoeage; een naam betekent iets. Hoe het ook zij, volgens Gelauff is zijn programma het ‘gas, water en licht’ van de Nederlandse televisie. Het valt pas op als het niet werkt. Hoewel ‘gas, water en licht’ wél een heel duidelijke publieke taak vervullen, heeft hij hier natuurlijk wel een punt, want die aflevering met Tarik Zaza was natuurlijk verreweg de interessantste van seizoen 1. Over ‘de echte wereld’ gesproken. Als er toch één moment was het afgelopen jaar waarin ‘de echte wereld’ met het neppe decorum van de studio samenviel, was het toch dat moment. Hier kwam het Journaal pas echt dichtbij. Geen autocue, geen extra ‘beeld’ in beeld en welja, ik heb zelden iemand zo ‘dichtbij’ zien staan. Maar nee, het mocht niet zo zijn. Pas nadat het jochie werd overmeesterd, besloten ze het lafhartig uit te zenden, herhaling na herhaling, dwars door andere programma’s heen, alsof er niks anders op de wereld was gebeurd die dag. ‘We hadden maar zo verdomd weinig beeld, we konden geen normale uitzending maken.’

 

Wat is eigenlijk het verschil tussen Tarik Zaza en Marcel Gelauff? Beiden hebben de objectieve waarheid, beiden zijn in wezen ongewapend. Van Tarik Zaza werd gezegd dat hij schizofreen is. Dat blijkt niet waar, maar in hoeverre geldt dat voor Marcel G.? Hij zegt volledig onpartijdig te zijn, maar spreekt een regel verder over IS als ‘meedogenloze moordenaars’. Hij klaagt over de invloed van de markt in de journalistiek, maar heeft het zelf over doelgroepen. Hij pocht dat zijn journaal betrouwbaar is, maar een regel verder betekent dat, dat ze eerlijk zeggen als het verhaal geen bron heeft. De politiek spreekt zich nooit uit over de journalistiek en een moment later wel. Goed, hypocrisie is geen schizofrenie natuurlijk. Laten we het dan zo stellen: het verschil tussen Tarik Zaza en Marcel Gelauff is, dat Tarik Zaza zijn verhaal niet mocht doen en Marcel Gelauff dat dagelijks doet.

 

 

LAH

 

 

 

 

 

Een tijdje geleden zei ik dat ik een zeer originele stem in het poëziekritische landschap voor mij zag weggelegd, omdat ik een hekel heb aan poëzie. Nu hoeft u zich geen zorgen te maken: mijn kritiek komt niet van de straat, is gewoon tegen zwarte piet, voor asielzoekers en gaat geregeld naar het theater. Mijn afkeer valt heus te beteugelen, maar: dat is aan de dichter, niet aan mij. Mijn maagzuur komt trouwens voornamelijk naar boven bij het uitspreken of horen van gedichten. Om mijn kunde te demonstreren, bespreek ik vandaag Mijn Stad van Emanuel Stok, een gedicht dat niet is voorgedragen (op de opening van het academische jaar, vanwege vies taalgebruik), maar dat u toch al hebt opgezocht en al slecht vond. Ten onrechte.

 

Mijn stad is een hoer maar ik ken haar streken en ik heb ze steeds vaker lief.

 

U spuugt natuurlijk op deze regel. Maar u bent een flapdrol. De eerste twee woorden zijn herhaling van de titel = cadans = voorspelling = geruststelling, maar ook boosaardige profetie: ‘Help, hoe vaak gaat hij nog “mijn stad” zeggen?’ misschien wel oneindig vaak. Het is de ‘hoer’ die ons verlost van deze van deze abyss van oneindige herhaling, maar alleen in haar abyss, haar goedbetaalde hoerenkut. Hoerenliefde is betaald, en dus nep. Zelfs als zij echt klaarkomt, faket ze. De hoer = eeuwige maagd = Maria en hier verlosser. Het feminisme ovuleert van deze regel af, dat ziet u wel. werkelijk van deze regel af. ‘Hoer’, ‘heilige’, &c, Stok trekt deze labels één voor één van de vrouw af, ontkleedt haar, deconstrueert haar… bah wat geil! Als u nog niet duizelt, zoek dan even alle mogelijke betekenissen van ‘streken’ in deze context. Precies. Ambiguïteit, bitch!

 

Zeker op een dag als deze, wanneer ze in de zon een bad neemt en stinkt naar wiet, zonnebrand en bakkend vlees.

 

U denkt nu: ‘hij bedoelt natuurlijk ‘zonnebaden’. En vlees is geen lijdend voorwerp?’ U zit er weer naast. ‘Zonnebaden’ is een sleets geraakte metafoor, contaminaties zijn dat niet, die zijn gewoon fout. Maar in een gedicht is nooit iets fout, dus voila! ‘Bakkend vlees’ is een kritiek op de barbecue-cultuur, waar men altijd maar meent met ontbloot bovenlijf boven de grill te moeten zweten, al hasjiesrokend, waarbij Stok de grens tussen het vlees op en het vlees aan de barbecue problematiseert en de vraatzuchtige, kritiekloze vleesconsumptie kannibalistisch framet.

 

Als ze zingt van de daken in technoplaten en in bakfietsladingen babygejank, als ze op elke straathoek smeekt om geld en vooral geilt op mannen die het maken.

 

‘Wie zet zijn bakfiets met baby’s nou op het dak?’, hoor ik u vragen, maar u heeft duidelijk nog nooit naar techno geluisterd. Nee dan die lekkere anti-rijm van ‘geld’ en ‘geilt’, de durf! Gelukkig dat er weer zo’n contaminatie op volgt die de dissonant weer opheft, anders was u van uw stoel gevallen. ‘Mannen die het maken.’ Kent u ze? Nee, je hebt het gemaakt of je hebt het nog niet gemaakt, maar Stok doorziet deze kapitalistische metafysica en deconstrueert haar tot een perpetuum mobile van doelloos streven naar een kapitaalkrachtig eindpunt, hetgeen slechts heilprojecties zijn van wezens die willen vergeten dat ze in een nooit eindigende dynamiek gevangen zitten.

 

Ja, mijn onzalig dorp laat zich ’s nachts in met het uitschot der aarde dat haar pleinen en trappen met voeten treedt, bevuilt en belooft om haar nooit te vergeten.

 

Iets met voeten treden is ergens schijt aan hebben, en iets met voeten betreden is ergens op lopen, op een plein bijvoorbeeld, of een trap. In Stok’s universum hebben mensen schijt aan pleinen en aan trappen. Of ze ook lopen op de verkeersregels of op de overheid, blijft te raden achter: Stok’s universum is immers niet hermetisch. Kom nou.

 

Maar soms zie ik haar huilen en tel ik haar tranen, zwetend langs de roodverlichte ramen.

 

Hè wat is dat? De stad als hoer die ze zelf herbergt? De hoer als manifestatie voor wat zij vertegenwoordigt? Wioe-wioe! Iconische relatie-alarm! Tranen die zweet zijn en andersom, ramen(doorzichtig) die rood verlicht zijn. U weet wel, dingen die niet kunnen enzo.

 

Mijn stad is bang in het donker weet ik en ze waakt in de nacht. Ze belooft je heel wat en berooft je dan omdat ze het niet kan laten, toch van je knaken.

 

‘Weet’ u wel dat de hoofdstad bang in het donker is? Emanuel Stok ‘weet’ dat soort dingen wel. Ach, hij kent haar, is klant aan huis in haar peeskamertje. ‘Beroven’ is hier dus ongetwijfeld een aanklacht tegen de hoge prijs. Nu weet niet wanneer ik voor het laatst iemand met een ‘knaak’ zag betalen, maar het klinkt inderdaad als veel geld.

 

Zij is een uitgewoonde slet en ze zal nooit haar lakens hangen in de wind.

 

Uitgewoond, snapt u wel? Omdat de hoer ook een stad is… Een kritiek op de woningnood. Er is zelfs geen ruimte meer om ‘lakens te hangen in de wind’. Die rare grammaticale constructie is een kritiek op de taalverloedering in de prostitutie.

 

Ze wil dansen om te vergeten en dan op de weg naar huis verdwalen. Zo eindigt mijn stad elke avond in mijn bed en naast haar wil ik elke morgen lachend ontwaken.

 

Dat Stok een hoerenloper is, mag geen twijfel meer heten. Ik hoop wel dat ze nog diep slaapt als hij ‘lachend ontwaakt’. Het lijkt me doodeng om te zien.

 

LAH

Ik vind mijzelf in wezen zeer geschikt als poëzierecensent. Eerst en vooral omdat ik poëzie haat. U vindt dat misschien oneerlijk; een cynicus vindt immers altijd wel iets in een gedicht dat zijn gelijk staaft. Maar nou vraag ik u: is liefde voor poëzie niet oneerlijker? Ik ken althans geen poëziecriticus, die, net zoals ik, zijn vooroordeel, zijn framework opbiecht. Als ze al zeggen dat ze van poëzie houden, en dat doen ze vaak, dan toch altijd met zo’n Arjen Fortuin-achtige bibliofielengrijns, met zo’n joi de triomfe, zo’n zweem van gestudeerde objectiviteit. Maar wat is objectiviteit waard? Is de ideale poëzielezer nu juist niet onbevangen, kinderlijk, misschien zelfs analfabeet. En is walging niet een oorspronkelijkere reactie dan sjaaltjesdragend ja-knikken? Iedereen die ooit een zucht van een vers heeft meegekregen weet dondersgoed dat walging een reflex is en waardering een spier. Een spier die je pas na lang trainen onder controle krijgt. Ik ken eigenlijk maar één zo’n zelfde spier.

Het begint al bij de titel. Verzen, Vormen, Nieuwe Gedichten, dat kan ik nog wel aan, daar zit nauwelijks leugen bij. Maar bij Verzamelde Gedichten moet ik eigenlijk al fronsen. Verzameld? Door wie dan? De uitgever, de dichter? En hoelang hebben ze gespaard? Flippo’s, die kun je verzamelen, of bestekzegels. Maar daar heb je dan op een gegeven moment een velletje mee vol. Maar wie bepaalt wanneer zo’n bundel vol is. Arjan Peeters schrijft wel eens dat een boek te lang doorgaat, of te vroeg stopt, maar wat gek, zoiets hoor je Piet Gerbrandy nooit zeggen. Ja, als de prijs te hoog is, maar dat is die bij poëzie vrijwel altijd. Zijn ‘Verzamelde gedichten’ wel àl iemands gedichten? Het is de implicatie, maar het staat er niet. Als een uitgever nou bijvoorbeeld zo’n moeilijk lerende dissonantpreker eens telefoneert ‘dat het weer tijd is’ en toevoegt ‘(…)desnoods wat oud werk of een paar schetsjes, weet ik veel’ en zo’n woordenwoekeraar veegt vervolgens velletjes (1) binnen handbereik met een veeg van zijn bureau (2) in een map en stuurt die op, telt dat dan ook of moet het dan, voor behoud van rein geweten, ‘Een greep gedichten’ worden genoemd?

Verzamelde gedichten is nog maar het begin. Je hebt erbij die ook nog kunnen rekenen. ’27 gedichten en geen lied’ krijg je dan. En je begint met tellen en verdraaid: het klopt! En waar je ook zoekt, geen lied te vinden. Er valt wel meer niet in te vinden: een brief, een filmscript, een vakantiefoto, maar nee, dat zet meneer Nasr er niet op. Van sneden als ‘zoveel en enige gedichten’ zijn er inmiddels ook meer dan duizend. Of van die onwoorden: ‘Het glimpen van de welkwiek’, ‘Roeshoofd hemelt’, ‘Een grimwoud in mijn keel.’ Maar goed, weet je wel weer waar je aan toe bent, want veel meer dan zulk soort ‘associatieve taalmozaïek’ zal je in die bundels niet aantreffen. Weer een rennie verder zijn titels met een hele of halve volzin. Alsof het allemaal nog ergens over gaat ook, een onderwerp heeft, een thema! ‘De vis en het boek’, ‘De man van vele manieren’, ‘Hier was vuur’, ‘De steen vreest mij’, ‘Van verlies en dood’. Maar het allerergste zijn toch wel die zinnen die gewoon niet kunnen, maar bij nader inzien op een of andere manier toch kloppen. Verschrikkelijk is dat, dat zo’n navelstaarder je nog voor de eerste pagina te slim af wil zijn: ‘Zacht gat in broekzak’, ‘Uit een vinger valt men niet’, ‘Het meisje dat ik nog moet’, ‘Met terugwerkende kracht’.

Die laatste is van Yannick Dangre. Ik stond ermee in m’n handen in de winkel en draaide het boekje maar om. En jawel hoor, daar zal je hem hebben: de dichter himself. Want dat is nog wel de grootste reden van mijn afkeer van poëzie: dichters. Begrijp me niet verkeerd, als ik eenmaal een paar minuten lees, kan ik het heus hogere emoties krijgen van poëzie, maar die kaften, dat omslaan, dat beginnen, die uitlijning, de woorden ‘Zonder titel IX’, die dichter. En dan dat declameren. In zo’n bundel moet ik zinnen ontcijferen waar willekeurig in ge-enterd is en diezelfde zinnen dragen ze voor alsof ze van een autocue worden voorgelezen. Kunst moet zijn medium rechtvaardigen, maar met poëzie is het kennelijk om het even in wat voor mal het gegoten wordt, het blijft ‘betekenen’. God, dichters! Maar denk niet dat je ze op straat herkent, dat het ‘een slag mensen’ is, nee hoor, daar zijn ze veel te eigenzinnig voor, maar als er dan zo’n koffiedikkijker ten voeten uit geportretteerd, in een pak dat ie nooit aanheeft, maar toch stroploos draagt, want ‘dat vind ie nooit zo lekker zitten’, als zo’n snotneus je dan van achter op z’n gesubsidieerde bundel aanstaart, dan kan ie niet missen: een Dichter. Zo’n lulletje waarvan niks anders te maken viel en dan verkondigt dat ie niks anders had kunnen zijn. ‘Dichter’, ze spreken het uit zoals een bakker ‘bakker’ zegt. Maar een bakker doet zijn beroepskeuze niet naakt voor de spiegel. Want ja, zelfmoord is eigenlijk pas na bundel drie een optie.

Ik zette de (gesigneerde!) bundel terug en rekende voor de helft van het geld een roman af. Dat zouden meer poëzierecensenten moeten doen. (3)

LAH

 

 

1) Misschien zijn die velletjes een te romantisch beeld. Waarschijnlijker schrijven dichters op hun telefoon of in hun agenda. Het zou althans een pak van m’n hart wezen. Je moet er toch niet aan denken dat zo’n veeg sujet met een zwart notitieboekje op het terras gaat zitten, of thuis, met gesloten gordijnen de vulpen oppakt en op cremekleurig lijntjespapier… in zo’n geoefend huisartsenhandschrift. Of godbetert: op bierviltjes! Ik geloof sowieso niet dat dichters ‘schetsen’ of ‘opzetjes’ laten slingeren. Die schrijven natuurlijk alles uit, laten geen vier geschreven regels onbetaald.

2) Misschien is dat bureau te romantisch. Ik kan me niet indenken dat een dichter een schrijftafel heeft. Nee joh, die zitten gewoon de hele dag tosti’s te eten op het balkon, of in de tuin, want reken maar dat ze een balkon hebben, en dan nodigen ze hun vrienden uit. Samen schrijven. Ik zie er soms zelfs zitten op een bankje bij een kanaal of in het park, of zelfs in kleermakerszit in het gras. Jakkes! Op zulke momenten wens je toch een hond te hebben, maar vergeet het maar, die lui weten hun idylle wel uit te zoeken. Schoonheid is zeldzaam, bijna even zeldzaam als een verboden-uitlaatzone in Amsterdam, maar dichters kennen ze beter dan de gemeente. En dan lekker doorvertellen natuurlijk, aan andere dichters.

3) Ik vind DD trouwens best wel aardig.

‘In 1985 stelde Italo Calvino zijn ‘zes memo’s voor het volgende millennium’ op: een serie lezingen die hij zou geven aan Harvard, over wat hij de belangrijkste literaire waarden voor de toekomst achtte. Hij stierf voordat hij ze kon uitspreken, en de laatste lezing bleef onvoltooid.’

Omdat we dit jaar precies even ver van de millenniumwisseling verwijderd zijn als Calvino toen, achtte De Gids het educatief zes lezingen af te drukken over deze memo’s, die zes schrijvers in maart ergens in Brussel uitspraken. De vorige keer besprak ik de eerste twee memo’s: die van Niña Weijers over ‘lichtheid’ en die van Peter Terrin over ‘snelheid’, waarin u leerde wat show don’t tell betekent en dat vlot geschreven boeken goed verkopen. Voor het geval u dacht dat er een verschil is tussen Das Magazin en De Gids: dat is er nauwelijks. De één is de schoolkrant van de schrijversvakschool, de ander is een papieren schrijfcursus. Een goedkope bovendien, maar in het geval van schrijfcursussen is dat misschien juist ethischer.

Twee schrijftips volstaan natuurlijk niet; om zelf schrijver te worden heb je er op z’n minst drie nodig. Gelukkig is Ann De Craemers tekstje over de memo ‘exactheid’ geheel in lijn met de eerdere twee. Exactheid = precies zijn in je beschrijvingen, dialogen, illustraties, enz. (lees ook Handboek Stijl (Peter Burger)hoofdstuk 3, paragraaf 2.1, cliché 15: schrijven = schrappen). Waren de eerste twee memo’s vooral gênant om te lezen, deze is ronduit beledigend: de lezer heeft een spraakprobleem en De Craemer is de logopediste die hem het woord ‘ar-ti-cu-le-ren’ leert. Hoewel, niet gênant? Ze begint haar stukje met ‘”De literatuur is het Beloofde Land waar de taal wordt zoals zij eigenlijk zou moeten zijn.” Het is een van de mooiste zinnen over taal die ik ooit heb gelezen, en ze komt uit de memo van Italo Calvino over exactheid in de literatuur.’ Hoe lang zou De Craemer hebben geschrapt voor dat dit in de rasp bleef steken? Het aangehaalde citaat is niet mooi – eerder pedant – en de rest is overbodig, want al verteld in de redactionele inleiding. Exactheid lijkt mij dat je geen woord teveel schrijft, maar dit waren al twee zinnen. Of: geen woord te weinig… De ‘Calvino bespreekt drie aspecten van exactheid, maar ik zal het alleen hebben over de exactheid van taal die hij bepleit.’ Welke twee we dan missen, vertelt ze niet, maar we weten tenminste hoevéél we missen. Ze vervolgt door exactheid (of 1/3e ervan) tot het definiërend criterium van literatuur te verheffen (de andere schrijvers hebben hier ook een handje van, ieder natuurlijk met zijn eigen onderwerpje – is veelzijdigheid wellicht het definiërend criterium van literatuur?). Exactheid scheidt literatuur van het gebrabbel. Oké, maar waarom is de literatuur dan zo plat tegenwoordig? En waarom zijn haar schrijvers niet eens slecht (Easton Ellis, Grunberg)? Geen idee, ze heeft het liever over Elsschot en Streuvels (die Calvino’s oma nog gekend hebben?). O, en we moeten vooral niet denken dat ze zo elitair is om de literatuur als redder van de taal te presenteren, want: ‘Ook non-fictieschrijvers stellen zich (…) die exactheidsvraag, dus exactheid in de taal is geen puur literaire aangelegenheid.’

Een memo over zichtbaarheid in literatuur, gaat over de beeldende kracht van literatuur, slechts bemiddeld door de geesteskracht, enz. Yves Petry verstaat zichtbaarheid als een etalagist. Zijn tekst is 1/3e langer dan de rest, maar die ruimte gebruikt hij voor zelf(feli)citatie (dus het is oké), afkomstig uit (hoe kan het ook anders) zijn laatste roman. Dit stukje tekst is zo geweldig luimig, dat we het maar integraal overgenomen tussen de advertenties hebben geplaatst. Graag gedaan, Yves, gratis en voor niets! Ook PC verstaat immers hoe belangrijk zichtbaarheid is voor de schrijverij tegenwoordig. Blader dus eerst even naar pagina 6. Tot zo!

(…)

–Nu de dijen rood zijn, is het tijd voor de wangen. Schamen moet u zich! Petry: ‘In hoeverre zoiets voor de lezer geloofwaardig is, hangt natuurlijk af van zijn of haar inlevingsvermogen en persoonlijke ervaring en doet hier niet te zaken.’ Kijk aan, Petry doet aan terugtiks! U heeft zojuist uw eigen gebrek aan inlevingsvermogen uitgelachen! Verdere diagnoses van het citaat: een verwijzing naar Spinoza’s Ethica; ‘heel logisch’; ‘een natuurbeschrijving’; een ‘weergave van een innerlijke toestand die in tegenspraak is met de chronologie van de zintuigen’; ‘een vorm van abstracte poëzie’; ‘een ontbranding van extase’; ‘een beleving van hart en hoofd die het getuigenis van de zintuigen overstemt’; en iets dat je ‘spiritueel of artistiek [zou] kunnen noemen’. Dat zichtbaarheid niks met geloofwaardigheid van doen heeft, is een loepzuivere duiding van het literaire klimaat van dit millennium tot nu toe. Goed dat ie het ook even demonstreert. Hij eindigt met een sneer naar de televisie, die terecht zou zijn als hij het over de onbemiddelde visuele kracht van literatuur had gehad, of als mensen überhaupt nog televisie keken.

Bij ‘veelvuldigheid’, denk ik aan een boek als Bonita Avenue, dat over heel veel gaat en toch één verhaal is. Jamal Ouariachi verblijft echter nog niet lang genoeg in Nederland om te snappen dat veelvuldigheid niet hetzelfde is als gelaagdheid (wat is hij eigenlijk? Chinees? Turks? Oeigoers?). Hij leert paleontologie voor een topografie-examen. Ik weiger zijn werk na te kijken.

De enige goede memo van de zes is die van Christophe Van Gerrewey over ‘consistentie’ (al had ik hier liever Niña Weijers aan het woord gehad, ik zou graag het verschil met consequentheid weten) Van Gerrewey geeft een latijnse definitie en laat aan de hand van Herman Melville’s Bartleby – het verhaal dat Calvino ook wilde gebruiken – zien dat zelfs hypocriete personages consistent kunnen zijn. Verhelderend. Maar was dan ook de onafgemaakte memo. Conclusie: de enige voorwaarde waarop een schrijver uit ons taalgebied nog een goed opstel kan schrijven, is als ie z’n thema uit z’n duim mag zuigen.

De eerste dag van de lentemaand was de laatste dag van de Rothkotentoonstelling in het Gemeentemuseum te ’s Gravenhage. Een recordaantal bezoekers heeft de tentoonstelling sinds zijn opening op 20 september bezocht, 265.000 mensen om precies te zijn. Een indrukwekkend aantal voor wat doeken die mijn lieve moeder voor ‘wat vlakken onder elkaar’ verslijt, een mening die zelfs Rudi Fuchs met zijn mooiste bril op niet tegen kan spreken. Ach, hoe kan zij ook weten dat Rothko ook meer is dan dat (meditatie, transcendentie, ego-dood), als zij de columns van Joost Zwagerman niet leest. Hoe kan iemand van de Blijde Boodschap weten, als ie haar Evangelist niet eens kent?

Voor missiewerk was het echter te laat. Niet omdat die columns nog niet gebundeld zijn te overhandigen (ik bewaar alle ‘Zwagermannetjes’ netjes uitgeknipt in een met stickers versierd mapje in mijn bureaulade), maar omdat er simpelweg geen tijd was om eruit voor te dragen – het was immers al de laatste dag van de tentoonstelling.

Op de fiets naar Den Haag maakte ik een rekensom. 20 September tot 1 maart is 167 dagen. Minus 24 gesloten maan- en
feestdagen maakt 143 dagen. 265.000 verdeelt over 143 dagen brengt het gemiddelde op 1853 bezoekers per dag.
Een dag – dat wil zeggen de 6 uur tussen 12:00 een 18:00 – wordt natuurlijk maar ten dele aan de tentoonstelling gespendeerd. Het is immers duur parkeren in de stad waar zelfs de machthebbers fietsen. Zeg dat men er 2 uur verblijft en dat er dus te allen tijden 618 mensen naar 50 doeken staan te kijken. Dat is 12.5 mensen per doek, een half jaar lang, ononderbroken. ‘Dat wordt dus groepsmeditatie,’ decreteerde ik bij een stoplicht en ik voelde aan het pluche kussentje op mijn bagagedrager.

Bij aankomst – ik was er vrij vroeg – kreeg ik gelijk: de rij stond tot aan de overkant van de straat. Van beide kanten moesten auto’s keren, de mensenmassa week niet, sommigen waren wellicht al in trance. Over de mensen kon ik maar twee woorden kwijt: ‘Goed Volk’. Een automobilist stapte midden op de weg uit en ging in de rij staan. Ik stond achter hem. Toen ik hem op zijn fout geparkeerde voertuig wees, mompelde hij ‘Verlichting…verlichting, ik moet en zal verlichting vinden…’. Ik mompelde mee.

Ik ontwaakte toen de caissière mij op ‘t hoofd sloeg. Duizelig betaalde ik en liep onder een Russisch-realistisch portret van Zwagerman door, de tentoonstelling in. Eindelijk. Een kleurrijke massa wachtte mij op. Een mensenmassa wel te verstaan; van de schilderijen zag ik niks. Het stonk een beetje naar goedkope wierook, maar ik zag niet waar het vandaan kwam. Mensen die achter mij in de rij hadden gestaan, duwden me de horde in. Even dacht ik iemand te herkennen van het Bungehuis, maar ik was hem al kwijt. Ik raakte aan de praat met een bejaarde vrouw met dreadlocks, die tegen mij opgedrukt werd. ‘Namasté! Kunt u ook niet wachten om…’ (zij pauzeerde, probeerde zich iets te herinneren) ‘…-zo’n hemels, zo’n prachtig vibrerend werk te ondergaan!’ Een ander, deze met groen haar en de bundel Collega’s van God in haar handen, stemde in: ‘Ja, het moet echt geweldig zijn om…’ (zij sloeg de bundel open) ‘-door zo’n plat, onbeweeglijk stuk linnen in je gezicht te worden gemept.’

Na een kwartier bereikte ik de eerste ‘Untitled’. En inderdaad. Wat een kleur. ‘Hier kan ik rustig in opgaan’, zei ik. Helaas dachten 15 anderen daar net zo over en nog geen tel later werd ik tegen het canvas aan geduwd. Ik draaide mij om en probeerde de menigte te manen:
‘Mensen, rustig! Als u hier allemaal zo’n 2 uur verblijft – een zeer redelijke schatting, al zeg ik het zelf – en er zijn 50 doeken en 15 mensen per doek, dan houden we een tijd van 9,6 seconden meditatie per doek per persoon over. Zeer schappelijk, aangezien de ervaren yogi die 10 seconden tot een eeuwigheid uit kan rekken!’ Een ander vond dat kennelijk veel te kort, want hij kwam ook voor het doek staan en riep: ‘Luister niet naar deze bedrieger! We moeten per kleurvlak rekenen: elk doek heeft gemiddeld 4 kleuren en…’ Maar een vuistslag snoerde hem de mond. Ook ik werd geslagen en binnen een mum van tijd ging de hele menigte met elkaar op de vuist. ‘Verlos mij!’ werd er geroepen. ‘Nee, verlos mij!’ Het brandalarm ging af, naar later bleek omdat iemand zijn waxinelichtjes naar een doek had gegooid. Ik probeerde te ontkomen, maar kon geen muur zien, laat staan een uitgang. Met mijn kussentje voor mijn hoofd manoeuvreerde ik door de moshpit. Hier en daar kwam ik extatische mensen tegen. ‘Krishna is de
weg naar waarheid!’ hoorde ik, en ‘Zwagerman moet de P.C. Hooft krijgen!’.

Plots werd ik vastgegrepen. Het was de bejaarde vrouw met het touwhaar. Haar hoofd stak door ‘Untitled Black and Grey’. ‘Het is gelukt jongen! Ik ben er in ópgegaan! Het schilderij zoog me op. En ik zal er voor altijd in blijven!’ Ik schudde haar van me af en ontweek een elleboog van een woeste man met baard.
‘Ondergaan?! Ondergaan?! Schoenzolen, die ben ik ondergaan!’ Toen volgde een harde klap en werd het zwart voor
m’n ogen. Mooi zwart wel, lekker diep ook, alsof het van mijn netvlies loskwam en me in zich opnam….

Buiten zag ik de vrouw die niet kon wachten tot ze door een mural in het gezicht werd gemept, met verband om haar jukbeenderen weggevoerd worden. Het groene haar stak er bovenuit. ‘Waar is mijn bundel!?’ vroeg ze, maar ik kon het
haar niet zeggen.

Asha ten Broeke noemt zichzelf een freelance journalist, een wetenschapsjournalist en feminist. Freelance journalist betekent dat ze de feministische zaak niet hoog genoeg heeft zitten om een fulltimebaan te nemen. Wetenschapsjournalist betekent dat ze stukjes over wetenschap schrijft. Dat doet ze niet, ze schrijft stukjes over gender en over dik-zijn. Feminist betekent niks.

Er zijn te weinig vrouwen op de werkvloer en als ze er al zijn, dan werken ze parttime, want ze willen ook nog kinderen en een cursus Spaans volgen en uitgaan en dus komen ze nooit hogerop etc. Ten Broeke vindt dit schande; er moeten meer vrouwen aan de top en zij moeten dus meer fulltime werken. Totdat het zover is echter, zit Asha liever thuis op haar autonome achterwerk haar journalisme de wereld in te twitteren. Die testosteronarena, die men werkvloer noemt, en waar toch altijd maar weer een zo’n persoon met weliswaar hetzelfde kapsel, maar toch ook met een minieme hoeveelheid – zeg: een balzak – meer talent dan jij boven je blijkt te staan, die mijdt zij liever. Zij voert de strijd liever guerrilla, c.q.: in de huiskamer. Waartegen? Tegen het huisvrouwfeminisme bijvoorbeeld. Het geld verdient ze liever schnabbelend, wanneer ze haar meest genakwaakte kwaaksels aaneen rijgt en opstuurt als column of voorleest aan diezelfde nakwakers. Zij weet: partijen met maar één speerpunt krijgen groter publiek dan partijen met een heel programma. Freelance… ik zal je eens een lans geven!

Wetenschapsjournalist… u vroeg zich natuurlijk al af, waarom ze zichzelf niet gewoon freelance-wetenschaps-journalist noemt. Alsof iedereen die meer dan een persoon weegt, twee keer hetzelfde beroep doet, zichzelf twee keer dezelfde titels mag geven, twee keer op de loonlijst staat. Nee, als dat zo was, had ze met haar gewicht alsnog een fulltimer geweest. Nee, Asha houdt, zoals elke vrouw, gewoon heel erg van knutselen en dan vooral knippen. Dat is helaas nogal kwalijk als je wetenschapsjournalistiek bedrijft. Kijk: de wetenschap lijdt aan specialisering. Wetenschappers moeten onbevooroordeeld proberen de waarheid te benaderen, maar het probleem is dat De Waarheid (even aangenomen dat ie bestaat) een geheel is, en wetenschappers aan hun delen zijn gebonden. Ze staren zich dood. Gelukkig zijn er dan wetenschapsjournalisten, dien het om het even is in wat voor vakgebied er ontdekkingen zijn gedaan, die de claims ten overstaan van de wereld aan wat methoden toetsen en bekritiseren waar nodig is. Incipit Asha ten Broeke. Op haar website staan haar specialiteiten vermeld, dat zijn categorieën waarin ze elk van haar columns en essays indeelt (hashtags dus eigenlijk). Daar gaat ie: ‘seks’, ‘vrouw (en man)’, ‘seksisme en feminisme’, ‘homoseksualiteit’, ‘overgewicht’. Zie hier uomo universalis Mevrouw Professor Doctoranda Doctoranda Ten Broeke. Vijf specialismen en dan is ze nog zuinig. Ze had man en vrouw kunnen scheiden in twee lemma’s en seksisme en feminisme laat ze ook bescheiden onder één noemer vallen, alsof zij twee kanten van dezelfde medaille waren. Yin – yang, vrouw – man, seksisme – feminisme. Het zijn de polen van het universum.

Toch is het schijnbescheidenheid: ‘homoseksualiteit’ valt natuur lijk gewoon onder ‘seks’ en ‘vrouw-manrelaties’ onder ‘seksisme en feminisme’. Dan hebben we dus drie specialismen over: ‘seks’, ‘seksisme en feminisme’ en ‘overgewicht’. De eerste twee vallen natuurlijk gewoon onder gender en de laatste eigenlijk ook, want bij elke pot Ben & Jerry’s (ik gok Chunky Monkey) die ze naar binnen lepelt, nemen haar meningen over schoonheidsidealen in gewicht toe. Asha Ten Broeke is als de crimineel die zijn vonnis naar binnen propt: ze eet tot ze gelijk heeft. En dus blijft er één specialisme over, zoals er altijd ook maar een dag-, week- of maandschotel kan zijn, omdat dat nu al eenmaal jaren zo is, in stille acceptatie. Natuurlijk zal Asha deze traditie als een ideologische constructie ontmaskeren, maar soit.

Dan feminisme. Een leeg begrip. De Beauvoir en Beyonce, broeken en rokjes, breien en vergaderen. Allemaal feminisme. Feminisme is als de kut van Asha ten Broeke: met een beetje proppen moet alles erin kunnen. Iemand die zich feminist noemt zonder toelichting, sticht nodeloos verwarring, een beetje als een vrouw die je schouder aanraakt, maar dan later opeens geen seks zegt te willen.

Ten Broeke is deze vrouw ten voeten uit. Een definitie van feminisme geeft zij niet, zij gebruikt er het liefst zeven tegelijk, waarschijnlijk om zoveel mogelijk vluchtroutes open te houden, maar uiteindelijk lopen die vluchtroutes dood. Haar feminisme is tegenstrijdiger dan scharende lesbo’s. Een casus is voldoende. Ze propageert een wetenschappelijk feminisme, maar stelt vervolgens de wetenschap totaal in dienst ervan. Als onderzoek claimt dat elke vrouw in staat is tot een mitrailleur-orgasme, neemt ze dat klakkeloos over. Frigiditeit is immers maar een gedateerd begrip. Als een vrouw niet klaar kan komen, dan is dat omdat zij te bang is om niet klaar te kunnen komen, omdat een man wil dat een vrouw kan klaarkomen. Zie hier tegenstrijdigheid 2: zij bevestigt dit ideaalbeeld niet alleen, ze stelt het ook als maat, als realistisch beeld zelf. Iets anders. In Het idee m/v vertelt ze ons dat het sekse-onderscheid…nou ja, een idee is. Nature heeft namelijk niet genoeg onderbouwing, dus dan moet het wel nurture zijn. Contradictie 3: nature/nurture is een idee. Een abstractie, bedoeld als houvast in reflectie over onze psyche. Ons werkelijke gedrag gaat eraan voorbij: opvoeding wordt natuur de natuur is ook maar toeval.

Maar de schadelijkste boomerang is toch wel haar schizofrene feminisme zelf, dat uiteindelijk, gelijk haar kapsel, de poten onder het geloof in een rationele vrouw vandaan zaagt. Wij hebbende de vrouw tot de openbaarheid toegelaten, maar na honderd jaar heeft zij haar eerste standpunt nog niet weten te formuleren: wie zij is.

Toen Sartre’s linkeroog op zijn sterfbed gevraagd werd ‘waarom te leven’, weerklonk zijn stem als een echo uit een teergrot: ‘Om te roken.’ Wie het laatst rookt, rookt het best; het is de waarheid van oude mannen met broze stemmen uit vergane eeuwen. Astma bestond niet, wel werd tabak tegen aanstelleritis voorgeschreven. Slechts kleurloos fotomateriaal stamt uit die tijd. Drie keer raden waarom.

Rook zuigt kleur op, maar kleur is ook maar lelijk spul en wie dat niet gelooft, is nog nooit in een telecomwinkel geweest en heeft nog nooit een politiek affiche gezien. Rook daarentegen is het mooiste dat er is. Elke special-effectsexpert zal u vertellen dat je miljoenen tegen een filmset aan kunt gooien, het gaat er pas echt écht uitzien als je er wat rook doorheen jaagt.

Wanda de Kanter en Pauline Dekker, twee longartsen, zijn het hier niet mee eens. Onder de titel ‘Doorgaan tot de laatste roker’ stond laatst in de Volkskrant een mooie bespreking van hun kruistocht in doktersjas. Die doktersjas is overal: op foto’s, op lezingen, bij de bakker, enz., zodat u denkt wat zij al wisten: dokter ben je 24 uur per dag, de bemoeienis houdt niet op buiten de muren van de polikliniek. In deze jas zit alles.

Elk verwijt dat ik wil maken tegen hun schijnheilige missiewerk, tegen de medische wereld in het algemeen, zit erin verstopt. Kleren maken de man, zeg ik maar, tijd dus voor een ontleding ervan (of ontkleding, wat u het liefst hebt).

Iedereen die regelmatig in een ziekenhuis of huisartsenpraktijk komt, weet met een theater van doen te hebben. Een ‘knappe’ dokter is iemand die de schijn van transparantie, hygiëne, eruditie, gestroomlijnde behandeling, et cetera weet op te houden. In werkelijkheid weet hij ook niet waar dit buisje en dat buisje voor is, net als de niet-knappe dokter trouwens, die dan ook alleen daarin met hem verschilt, dat hij de buisjes laat vallen, gesouffleerd moet worden of een snottebel heeft. In de tijd dat De Kerk aan gewicht verliest, vervangt Het Ziekenhuis haar functie als het Theater van Leven en Dood, waarin de meute die zich geen houding weet met haar eindigheid, getroost wordt met de gedachte dat we de dood onder controle hebben. De dokter is een priester, met een grotere voorraadkast aan sacramenten. De kerk is dan ook een beter theater: zij is te begrijpen.

De witte jas is waarheid, reinheid en een rits aan andere Mariaverwijzingen. De jas zegt: ‘Kijk eens, op mij zou je elk miezerig vlekje kunnen zien, maar je ziet niks, omdat geen van mijn patiënten ooit heeft gebloed in mijn bijzijn.’ Hermans zei al: ‘het zijn woekeraars en goeroes.’

Er is geen verschil tussen de huisarts en de voodoodokter. Allebei weten ze: als ik dit toedien, werkt het misschien. De voodoodokter is zelfs beter af: die weet tenminste waarom het helpt (beheksingen, alter ego’s, rotzooi in de spirituele wereld, enz). Je moet de waarheid niet hebben, je moet hem worden. Daarom hebben De Kanter en Dekker overal hun witte pij aan en mappen bij, waarin cijfers staan die ze uit het hoofd op kunnen zeggen. Zo zullen ze ook bij elk interview, voorlichting, theatersketch (‘vrouwenhumor’ wordt slechts door de algemeenheid van onderwerp overstegen),lezing en aandachtsstunt, toch altijd voorop stellen dat ze zelf gerookt hebben, enz. enz. Als de medische wetenschap uit waarheid bestond, was dit soort trivialiteit overbodig. Ergo: de medische wetenschap bestaat niet uit waarheid.

Maargoed, wat melden de woekeraarsters? ‘De tabakslobby is misdadig en ze mogen met naam en toenaam op websites genoemd worden.’ De tabakslobby is hoogstens onethisch, maar niet misdadiger dan privacyschending. Goed om te weten in ieder geval dat Henk Bres ook aan hun kant staat, BN’ers kunnen wonderen doen voor de pr. ‘Alle artsen in Nederland moeten zich met roken bemoeien.’ Ik ben Jezus en de weg naar de hemel gaat alleen door mij. Alsof ingegroeide teennagels met roken te maken hebben. Hoewel, tegenwoordig moet je op het perron binnen de lijntjes roken. De anti-rookmagiërs weten: kanker gaat te voet. ‘Tabak is een massavernietigingswapen’. U twijfelde nog aan de juistheid van een inval in Syrië? Niet langer! Zolang ze waterpijp roken staat zelfs Bush aan uw kant.

De tabaksindustrie doet immorele dingen, maar dat doen ze pas sinds er antirookwetenschap bedreven wordt. Het zijn bedrijven, die hun wegvallende klantenkring koste wat kost willen behouden. De geschiedenis is daarom iets ongemakkelijks voor De Kanter & Co.

Men rookt al duizenden jaren en men hoest al duizenden jaren bloed. Hiertussen de correlatie zien, is geen wetenschap, maar boerenverstand. Desalniettemin zijn mensen het pas ‘vies’ (een moreel woord) gaan vinden, toen een witte priester het zei. De wetenschap is zijn eigen statuut en weinig meer. Het is te hopen dat net zoals het Christendom, ook de medische wetenschap zichzelf in de voet schiet. Een mooi begin is misschien de ontdekking van placebowerking. Het waren niet de medicijnen, u bent zelf de medicijnen. Sterker nog: als de God van de Medicijnmannen ooit Dag des Oordeels houdt, zal Hij allicht verklaren dat er al die tijd maar twee aandoeningen waren: koorts en hypochondrie. O, en longkanker: de God van de Medicijnmannen haat rokers.

Als u zich in de toekomst genoodzaakt ziet uw rookgewoonten te verantwoorden, omdat de professoren het van iets
realistisch (het ‘veréchteren’ van de wereld) tot iets idealistisch maakten, blaas in dat geval wat rook langs uw gezicht en spreek het Internationale Rokerscredo uit: ik rook, omdat het absurd is.

invalid
Minder validen zijn minder. Minder kracht, minder waarde en ook een beetje minder mens. Het enige wat ze meer zijn is gerechtigd zich minder te voelen. Neerslachtigheid is geen recht, het is een privilege. Van nog minder kracht getuigt het te denken dat handicaps of ziekten slechts een ‘andersvormigheid’ zijn. In tegendeel: het is altijd iets dat ze níet kunnen; op die radioactieve superheld wacht ik nog steeds. Stephen Hawking had zijn theorie al af voordat hij een cyborg werd, die telt niet, en in India worden kinderen met staarten weliswaar aanbeden als reïncarnaties van Shiva, maar verder hoor je daar ook zelden van. Foster Parent-godjes, meer niet.

Toch is er nu Het Toegankelijke Symbool, bedacht door Sara Hendren en Brian Glenney, om het oude, stigmatiserende en meelijwekkende symbool voor minder validen te vervangen, u weet wel: die trieste, lijkbleke figuur die maar een beetje stijf op een rolstoel zit en nooit een poot uitsteekt. Dat, tegen dat een eeuwig blauwe achtergrond, ademt maar een ding: wheelchair-blues. Zo zien gehandicapten er natuurlijk niet uit. Gehandicapten zijn dynamisch, volwassen, seksueel, hebben arbeidsethos en denken nooit aan zelfdoding. Geen wonder dus dat het nieuwe, rolstoelracende logo in de meest politiek correcte naties reeds een succes is. Australië (van die mensen met boomerangs) en Oostenrijk (van die man met dat snorretje, en nu die anti-minarettenwetgeving).

En wie anders dan Amerikanen hadden dit kunnen bedenken. De mad men weten wel hoe je iets verkoopt, namelijk aan minderheden. En zeg nou zelf: wie nog nooit een erectie heeft gekregen van de Amerikaanse vlag is een terrorist, een communist of een vrouw. De vraag is echter hoe je minderheden verkoopt. Een bloemlezing.

Men noeme Indianen nu Native Americans, want Indianen wonen in India en men wil niet even star zijn als de ontdekkingsreiziger die de heren-dames naar de maatstaven van zijn eigen ego definieërt. Dat Columbus zijn fout snel genoeg inzag en een Amerika van een India scheidde, en dat dus Amerika een even kolonialistische en veralgemeniserende term is als Indianen: soit. Dat de Natives zich nog steeds verdelen over bepaalde stammen, inclusief rivaliteit en dus onherleidbaarheid, ook dat ziet men niet. Je hebt een leuke naam: hier heb je een nieuwe. Je hebt veren op je hoofd: hier heb je er een in je reet. Je kan slecht tegen alcohol: hier, een casino, ze

Nee, dan lilliputters. Men noeme hen voortaan: Little People. Vinden ze fijn. Recht voor z’n raap, niet om de hete brij heen, en het drukt de machtsverhoudingen ook lekker uit. Het is wachten op de eerste dwergneger met gouden gebit die zich ironisch Lil’ Person noemt. Indien het realisme is, wat men beoogt: Half People dekt ook de connotaties van Little People. Alles was hier beter geweest. Dwerg, een prachtig woord met een lange geschiedenis in de westerse mythologie, vrij recentelijk nog gepopulariseerd in films die beter dan de boeken waren. Een sluw, trots weerbarstig volkje dat draken bevecht en een monopolie in de edelmetalenhandel in stand tracht te houden. Lilliputters. Toegegeven: een verzonnen volk om de Victoriaanse politiek mee te kak te zetten, toch zijn er weinig groepen die zich kunnen beroemen naar een literair stijlfiguur genoemd te zijn. Behalve misschien de christenen, ook geen onverdienstelijk volk trouwens.

De negers. Van Coloreds (dat zijn ze ook) naar Black People (dat niet). Overigens, natuurkunde daargelaten, zwart is natuurlijk ook een kleur en niet een met onbevlekte bijbetekenissen. Sterker, vlekken worden zwart gedacht. Zwart is de gevaarlijke nacht, die men de rug toekeert, de diepe dood, die men ontkent, en de letters op dit papier, die men gratis weggeeft. Verder zijn zwart: gestapo-uniformen, televisieschermen die uit staan, de binnenkant van je oogleden, wanneer je ze heel hard dichtknijpt, omdat je bijvoorbeeld doodsangst uitstaat en aangebrand vlees, waarvan eigenlijk alleen die laatste de naamsverandering enigszins billijkt. Daartegenover staat dan wit, de puntjes troost aan de hemel, de maan, god waarschijnlijk, alle kleuren gebundeld, hoop, inzicht, zeepsop en marmer. Waar de vrolijke anti-these chocolade-vanille de gelijkenis tussen beide rassen zou benadrukken, doch niet het palet zou verloochenen, is zwart-wit de moeder aller tegenstellingen.

En nu dus Het Toegankelijke Symbool, de overtreffende trap in de gedachte dat een handicap iets is dat je kunt overwinnen. Bart Lont, hoofd van aller invaliden in Nederland, vindt het hoogtijd dat het teken eens door ons rolstoel-ontoegankelijke land overgenomen wordt. Oostenrijk, die besneeuwde bergketen, mag ons asfaltlandje tot voorbeeld zijn. Het nieuwe symbool zou volgens Lont ‘tegen de beeldvorming en stigmatisering’ helpen. Het tegendeel is natuurlijk waar. Het oude symbool verwees helemaal niet naar gehandicapten, maar naar hun voorzieningen. Pas nu, nu we met zijn allen de nadruk op de kwiekheid, de levenslustigheid en de dynamiek van de minder validen moeten leggen, wordt het teken een stigma. Namelijk van datgene waar we op voorhand al geen mededogen mee mogen hebben: de fysiek uitgedaagden.

The challenged. Nog zo’n knieval van een kleuterjuf. Je bent niet blind, je bent visueel uitgedaagd; je bent niet doofstom, je bent akoestisch uitgedaagd; je bent niet allebei, je bent sensibel uitgedaagd; je bent niet homoseksueel, je bent reproductief, dan wel ethisch uitgedaagd, afhankelijk van welke dominee je nieuwe button opspeldde. Want ja, ook dat is de implicatie: er is een uitdager. U mag kiezen wie: God de musketier of Satan de pokémontrainer.

En als je de uitdaging niet aangaat, en eens lekker niet levenslustig bent – alle reden toe – dan ben je helaas geen winnaar, een verliezer dus. De handicap wint, de gehandicapte kwam niet op dagen. Bart Lont is de Erica Terpstra van de gehandicaptenbond, met als verschil dat ‘kanjers!’ nu ‘winnaars!’ zijn, en Erica Terpstra een groter toilet heeft.

bon

Begin deze maand kreeg u de Studenten Kortingskrant op de mat, een sympathiek krantje wel, dat vier maal per jaar de arme student wat aalmoezen uit laat knippen. Bezigheidstherapie en solidariteit in één, gelijk het gevang, waar je ook extra zakgeld krijgt als lekker mee knutselt. Toch geldt de actie alleen voor studenten die in een van de drie ‘uitgaveregio’s’ wonen, dat zijn plaatsen met voldoende beschaving voor advertenties. Iedereen boven het NAP maakt z’n kleding maar lekker zelf.

Continue reading

denker des vaderlands Rene Gude
Esther van Fenema is psychiater en Albert Otten ex-rechter.  Ze hebben niet zo heel veel met elkaar te maken verder, behalve dat ze deelhebben aan hetzelfde chemische proces dat het universum heet. En zelfs dat niet trouwens, want ook hun eigen individualiteit is maar een illusie van ons brein. Tenminste, dat schreef het universum vorige week onder hun naam in een ingezonden brief in de Volkskrant. Een deterministisch betoog, inclusief consequenties voor de rechtstaat, die ‘niet meer van deze tijd is’ zolang er met begrippen als schuld en toerekeningsvatbaarheid wordt gestrooid. Het universum heeft ballen.

Continue reading

Archief