DM
Wie na het zien van het filmpje van het slachthuis in het Belgische Tielt dacht dat het allemaal niet erger kon, raad ik beslist niet aan het item hierover in de talkshow Pauw te bekijken. Het was al gruwelijk genoeg om varkens uit veewagens getrapt te zien worden, per ongeluk onverdoofd terecht te zien komen in het dampend hete bad dat bedoeld is om hun haren af te schroeien, om daar vervolgens in te verdrinken (ik help u maar even herinneren). Ook dat ene varken waarvan de achterpoten gebroken waren, dat als een slecht in elkaar geschroefde campingtafel onder zijn eigen gewicht bleef inzakken, zal ik niet snel vergeten. Vooral omdat er meer en meer bewijs is dat varkens intelligent zijn, een gevoelsleven hebben en bijvoorbeeld graag spelen. Dat had je natuurlijk ook wel op je klompen aan kunnen voelen, ware het niet dat niemand in zo’n slachthuis nog klompen draagt, maar van die steriele, blauw-plastic overtrekschoenen met antislipzool. Goed.
Er mag dan nog geen enkel aannemelijk wetenschappelijk bewijs zijn voor het gevoelsleven van Jeroen Pauw, toch verdroeg ik nog slechter dan al dat varkensleed hoe deze arme presentator, machteloos als een ondersteboven aan een vleeshaak opgehangen zeug, moest toekijken hoe het item over de gevolgen van vlees eten door zijn drie gasten toegetakeld werd. Het moet ‘s middags op de redactie zo’n simpele boodschap hebben geleken: ja, de martelingen uit het Belgische slachthuis zijn in Nederland verboden en ja, daar wordt ook op gecontroleerd. In principe hoef je dus niet bang te zijn dat je rollade een paar dagen eerder nog met SS/Stasi/CIA/Assad/IS… (vul hier het schrikbewind in dat u het liefst als moreel nulpunt gebruikt)-methoden gefolterd is. Aan de andere kant: het leven in de vee-industrie is wel degelijk gruwelijk: dat biologisch vlees bijna twee keer duurder is dan normaal vlees zou niet tot de reactie “dat biologische vlees is belachelijk duur!” moeten leiden, alsof die bio-varkens hun dagen cognac-slurpend en Cubaanse-sigaren-rokend doorbrengen, maar omgekeerd; niet-biologisch vlees is gewoon belachelijk goedkoop, bijvoorbeeld omdat die varkens hun hele leven binnen doorbrengen op een enkele betonnen vierkante meter. Dat drukt de prijs vanzelf. Wat steken we hier nu van op, kijkbuiskinderen thuis? Eet minder vlees, en eet het biologisch.
Deze bruikbare consumententips bleek echter veel te simpel voor de gasten bij Pauw, die liever etaleerden dat er nog een hoop denkwerk en twijfel komt kijken bij een probleem als dierenleed. Zoals: hoe kunnen we weten of een dier lijdt? En is dat dan erg? In het verlengde daarvan: kunnen we überhaupt ooit iets weten? Wat is kennis? Hebben mensen eigenlijk wel een bewustzijn? Wie zegt dat mijn leven niet eigenlijk een computersimulatie is? Of, om deze diepe filosofische bespiegelingen op de vee-industrie te betrekken: als er een krijsend varken in een broeibad van 60 graden ligt te spartelen, maar er is geen dierenrechtenactivist bij om het te filmen, gebeurt het dan wel echt?
Deze epistemologische twijfels werden onder meer verwoord door een zekere Gertjan Kiers, fulltime slager en parttime denker, die de volgende woordcombinatie te berde bracht: “Feit is dat als je vlees betrekt van leveranciers, dat je weet waar het vandaan komt, en dan ga ik ook kijken. Maar dat wil niet zeggen dat als ik er ben, dat alles goed gaat, als ik wegloop gaat het misschien verkeerd. Dus ja, heb je honderd procent zekerheid? Dat durf ik niet te zeggen.” Een interessante kritische noot bij de veronderstelde kenbaarheid van de werkelijkheid, moet ik zeggen. Dat Gertjan deze buitenmenselijke inzichten niet te danken heeft aan de hoeveelheden groeihormonen die hij dagelijks naar binnen lepelt, bewees dierenrechtenactiviste Madelaine Looije. Zij had de tegenwoordigheid van geest op te merken dat “alleen camera’s ophangen niet genoeg is,” omdat “iemand die beelden ook moet gaan bekijken.” Helemaal juist, Madelaine, tien punten voor Team Vega!
Vervolgens kwamen we op een even zo interessante de definitiekwestie: “Bestaat er wel diervriendelijk vlees?” Inderdaad, goed gezien, bij de productie van vlees worden er dieren gedood. Dat is inderdaad maar moeilijk te rijmen met een bijvoeglijk naamwoord “vriendelijk”, dat we tenslotte maar zelden associëren met anderen ongevraagd de keel oversnijden. Toch lijkt het me, voor een publiek van niet-vegetariërs, beter om te benadrukken dat er wel degelijk diervriendelijkere opties zijn dan het eerste het beste supermarktgehakt. Maar nee, in plaats daarvan brabbelt schrijfster van spirituele boeken Susan Smit, die is uitgenodigd om de reden dat ze vegetariër is, het volgende: “Die keurmerken zijn nog het verwarrendst, vind je niet? Dat betekent helemaal niks! En dat is volgens mij juist de bedoeling! De verwarring stichten, zodat je denkt, o, groen, vink, mwah, beter leven, goed, goed gevoel, gooi ik in mijn, ja.” Pauw moet toch hebben gebaald dat hij een gast had uitgenodigd om over dierenwelzijn te praten die nog te dom is om een gezonde-keuze vinkje en de beter-leven-ster uit elkaar te houden, terwijl je alles over die sterren gewoon op www.beterleven.dierenbescherming.nl kunt vinden.
Pauw, doodvermoeid als een fokzeug die haar leven lang is volgespoten met zaad, en door elke nieuwe leg opnieuw is leeggezogen, ingeklemd tussen een stalen hekwerk om te voorkomen dat ze bovenop haar biggetjes ging liggen, constateert aan het einde van het gesprek: “Kortom, we hebben na 12 minuten helemaal niks opgelost, mag ik het zo samenvatten?” Ja, Pauw, dat mag best.
DM
Als we Volkskrant-filmrecensente Floortje Smit moeten geloven, “zit poëzie in het kleine”. Deze tegeltjeswijsheid werd haar ontlokt door het zien van de nieuwe film van Jim Jarmusch, getiteld Paterson. In deze film gebeuren inderdaad geen grote dingen: de hoofdpersoon werkt elke dag als buschauffeur, schrijft in zijn vrije tijd associatieve gedichten over (bijvoorbeeld) pakjes lucifers, laat de hond uit en bezoekt het plaatselijke café. Zijn vriendin blijft thuis, verft daar de meubels, gordijnen en kozijnen, neemt zich voor om countryzangeres te worden, en wil op de boerenmarkt graag scoren met haar huisgemaakte cupcakes. Dit alles wordt in mooie, gelige tinten in beeld gebracht, met muziek op de achtergrond die uit klankschalen afkomstig zou kunnen zijn. De film Paterson, kortom, lijkt wel een 118-minuten lange haiku.
Waarschijnlijk zou Jarmusch, die zichzelf een crypto-boeddhist-atheïst noemt, wel een voorstander zijn van dit bewustzijnsexperiment. Zijn film heeft in ieder geval dezelfde geestelijke uitwerking als het urenlang bekijken van vissen, een open haard, of die bewegende, kleurrijke screensavers van Windows Media Player: op een gegeven moment projecteer je al de onderbewust sluimerende gedachten op de lijzige karperkop van hoofdrolspeler Adam Driver. Dat die projectie niets met de film te maken hoeft hebben, leren we uit Floortjes recensie: “Het maakt van Paterson, met deze wereld waarin niets schreeuwt en alles fluistert, het perfecte tegengif voor turbulente tijden. Mensen praten met elkaar. Ze zijn niet bang.”
Mij viel juist op dat er in deze film helemaal niemand met elkaar praat. De gesprekken die de hoofdpersoon met zijn hond voert kunnen zich in diepgang meten met de gesprekken met zijn vriendin. Zonder mokken koopt hij een gitaar voor haar, zonder mokken eet hij haar vieze spruitjestaart op, en als ze op zaterdag vroeg op staat om ein-de-lijk op de boerenmarkt haar cupcakes te verkopen, is hij vergeten wat ze ook alweer van plan was. Niemand neemt de moeite iets te doen aan het liefdesverdriet van een van de stamgasten van de kroeg, tot hij met een nepgeweer dreigt zichzelf van kant te maken. De Indiase collega van de buschauffeur kampt met problemen thuis, en de buschauffeur doet niets dan beleefd knikken en doorrijden. Tot zover de “everyday goodness”. De gesprekken in de bus zijn flauw: twee mannen scheppen tegen elkaar op over de vrouwen die ze hadden kunnen versieren, wat ze telkens niet blijken te hebben gedaan. Aan het einde van het verhaal komt er ook nog een Japanse handelsreiziger aan te pas, die (precies zo cliché-matig als de rolverdeling tussen de werkende buschauffeur en zijn vrouwtje thuis) voor een esoterische aha-erlebnis moet zorgen, en dit denkt te bewerkstelligen door plots heel wijsgerig “Aha!” te zeggen.
Floortje Smit noemt dit een ‘liefdevolle’ film. Ik snap best wat ze daarmee bedoelt: Paterson is een film waarin geen onvertogen woorden vallen (omdat niemand echt in elkaar geïnteresseerd is), en iedereen elkaar de ruimte laat om hulpeloos te spartelen (omdat niemand zin heeft zelf lastig gevallen te worden). Moet ik u uitleggen dat liefde precies andersom werkt? Aan het einde van Paterson schrijft de hoofdpersoon een gedicht waarin hij zich de vraag stelt of hij niet liever een vis was geweest: voor de recensenten had het waarschijnlijk weinig uitgemaakt.
Bij elke miljardair die Trump de afgelopen week als minister of adviseur benoemde, ging er weer een nieuw doemverhaal rond. Ex-Exxondirecteur Rex Tillerson bijvoorbeeld, zou de ex-directeur van Exxon zijn en bovendien niet in klimaatverandering geloven. Of de nieuwe minister van Onderwijs Betsy DeVos, waarvan al gauw bekend werd dat ze het liefste alle openbare scholen zou sluiten. In deze duivelse parade kwam ook Steve Bannon langs. Voor zijn aanstelling als Trumps voornaamste raadsman was hij baas van de website Breitbart News Network. In tegenstelling tot de chef van het Nederlandse BNN heeft Bannon het geluk gehad wel een volwassen lengte te bereiken, sterker nog, daaromheen zelfs flink uit te dijen. Zijn verzakte, papperige verschijning doet vermoeden dat de Schepper de homp grijze klei waar hij Bannon mee heeft geboetseerd iets te snel uit de oven heeft gehaald. Dubbel pech: hij heeft ook niet zo’n vrolijk heliumstemmetje.
De Amerikaanse BNN heb ik in verschillende dagbladen zien omschrijven als “ultra-rechts, seksistisch, anti-semitisch en racistisch” – een weliswaar volgens sommigen correcte, maar ook behoorlijk gemakzuchtige manier om rond Steve Bannon een rookgordijn van kwaadaardigheid op te trekken, zonder ook maar iets van zijn wandaden concreet te noemen. En dat terwijl Bannon wel degelijk gruwelijke wandaden begaan heeft, zoals het maken van de documentaire Torchbearer (3.5/10 op IMDb). Daar kom ik zo nog op.
De filosofie van Bannon laat zich vrij makkelijk samenvatten en draait om een evenwicht tussen kapitalisme en Christendom, en een geloof in de zich herhalende Amerikaanse geschiedenis. Elke 80 jaar, zo rekent Bannon ons voor, vindt er wel een groot conflict plaats waar de VS bij betrokken is. Vietnam rekenen we kennelijk niet mee, en dus was het laatste conflict de Tweede Wereldoorlog, inder-
daad bijna tachtig jaar terug. Bannon wacht met spanning af tot de bom barst. Daarnaast gelooft hij niet in het simpele, puur-kwaad-kapitalisme van greed is good, maar in een kapitalisme dat door Goddelijke waarden moet worden verlicht. Volgens Bannon is dat in de loop van de vorige eeuw in een crisis geraakt door ontkerkelijking en bijbehorend waardenverlies, waardoor Amerikanen elkaar daardoor niet meer als fellow Christians zien, maar als objecten om flink op te verdienen. Dat heeft, volgens Bannon, uiteindelijk tot de bankencrisis geleid. Hoe laag mijn verwachtingen in politici zijn geworden mag blijken uit het feit dat ik het al een hele geruststelling vond dat tenminste iemand in Trumps entourage er openlijk voor pleitte mensen gewoon als mensen te blijven zien (tenzij ze uit een moslimland komen, natuurlijk). Dat er bovenop dit morele minimum nog talloze andere redenen zijn om iemand met een koekenpan op zijn spekkige kop te willen slaan blijkt uit het feit dat Bannon denkt dat het klimaatprobleem een door Chinezen en wetenschappers gehoaxte mythe is, en dat hij waarschijnlijk het master mind achter de muslim ban is, en dus die documentaire Torchbearer, die ik voor de gelegenheid eens uitgezeten heb.
Hoofdrolspeler en verteller in de docu is de Phil Robertson. Deze 70-jarige, gekenmerkt door zijn grijze baard en zijn alsmaar gedragen outdoor-outfit, is in de VS bekend geworden door zijn rol als grootvader in een reality-serie genaamd Duck Dynasty. Hierin wordt Phils familiebedrijf gevolgd, dat een door hem uitgevonden lokfluit voor eenden produceert en aan de man brengt. Van dit roemrijke verleden merken we in de documentaire maar weinig, op de eerste scene na. Phil navigeert met een rubberboot door de moerassen van Louisiana, vangt vis en bemant, gewapend met zijn eendenlokfluit, een uitzichtpost op een meer. Als hij eindelijk begint te vertellen, blijkt dat deze eendenlokker zijn carrièrepad heeft verlegd, en aan de weg timmert als zielenherder: de hele documentaire is een door hem verzorgde preek over hoe Goddeloosheid lijdt tot onmenselijke taferelen, zoals de atoombom en Auschwitz. ‘If men does not believe in God, he will believe in anything.’
In deze hervertelling van de wereldgeschiedenis gebruikt Bannon, die de documentaire met twee anderen schreef, een handige truc, door elke christen die ook maar enig kwaad doet, tot christen-af te verklaren, of het kwaad dat christenen aanrichten simpelweg niet te noemen: tijdens de Franse revolutie, worden we herinnerd, zijn door vreselijke atheïsten talloze gelovigen onthoofd, maar als we Bannon moeten geloven hebben de Godsvrezende en rechtschapen Amerikanen hun land natuurlijk zonder enig bloedvergieten veroverd. En de mensen die tegen Martin Luther King waren, die waren natuurlijk goddeloos; al waren het een stel witte dominees. Nadat we langs de christenvervolging onder keizer Nero, de guillotines van de Franse revolutie, de gaskamers en Hiroshima en Nagasaki zijn geleid (de Inquisitie hebben we voor het gemak maar even overgeslagen), komen we dan eindelijk bij de present day. De abortus-beweging in de Verenigde Staten worden vergeleken met Hitler, want die bepaalde ook zelf wat goed en kwaad was, en verder is er de islamitische terreur van IS en Boko Haram, u raadt het al: die moslims zijn natuurlijk verregaand goddeloos. Na die schitterende vertellingen over hoe goed de joods-christelijk gewortelde Westerlingen wel niet al die tijd geweest zijn, met onze medemenselijkheid, weet je eigenlijk al zeker: die moslims zijn gewoon net een tikkletje minder dan wij. De juiste mentaliteit voor een Derde Wereldoorlog.
Wellicht koesterde Bannon ooit de hoop een gevierd documentairemaker te worden. Door de culturele elite die met de scepter zwaait op IMDb wordt het gros van zijn werk met jammerlijke onvoldoendes beoordeeld. Ik hoop niet dat Bannon het zich persoonlijk aantrekt. Een gemankeerde kunstenaar in het centrum van de macht, tenslotte, daar kan de wereld toch nooit bij gebaat zijn.
DM
Er zijn zat mensen die gewoon lekker logisch nadenken, zelfs op het internet. Zo trof ik eens onder de Zanger-Rinuscover van “Eet Veel Bananen” (‘Eet veel bananen, bananen zijn gezond/ Adam sloeg Eva op d’r blote…’) een comment aan van een verbolgen fan, die zich afvroeg op wat voor een dwaalspoor zijn held terecht was gekomen. ‘Wat is dit voor een gezeik, Rinus?’ vroeg hij. ‘Eet gewoon die fucking banaan op.’ Eet gewoon die fucking banaan op– ik kan niet ontkennen dat het een makkelijke manier is om jezelf en anderen een hoop gedoe te besparen.
Ook het Nederlandse literaire landschap kent onmiskenbaar een koninkrijk van onverschrokken bananeneters, met niemand minder op de (ongetwijfeld stevig geschraagde) troon dan Sylvia Witteman, literair en culinair recensente van De Volkskrant. Of het nu om boeken of broodjes bal gaat, het genuanceerde, doorwrochte credo van Sylvia Witteman luidt steevast: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg – zolang het maar niet kleinburgerlijk is. Een inzichtelijke Weltanschauung die talloze keuzes voor je versimpelt: een kerstdiner met rollade en cranberrysaus? Veel te gewoontjes! Je bent toch geen burgertrut? Aan de andere kant: van die karaffen op tafel met munt, gember en citroen in je kraanwater? Doe toch normaal, man! Column na column trekt Sylvia ten strijde om deze Goldilocks-zone van echt-lekker-leven-maar-ook-weer-niet-echt-moeite-hoeven-doen tegen indringers te beschermen. Een tweefrontenoorlog die over ze over de hele breedte van haar bestaan uitvecht: of het nu gaat om mondhygiëne (“Tandpasta is tandpasta, nietwaar?”), een ontwerper die lampenkappen probeert te groeien van schimmels (“Snij gewoon de bodem uit je gieter, snoertje erdoor en klaar. Dát is pas een duurzaam geluksmomentje!”), de King Louis van de letteren weet zo twijfel en ongemak buiten de deur te houden.
Dat is dan ook haar werkwijze in haar boekencolumn, die – ongedwongen en pretentieloos a la Sylvia – “Witteman heeft iets gelezen” heet. Daarin vroeg Witteman zich onlangs af waar Salingers boek Franny and Zooey eigenlijk over gaat. Zelf zou ik, als ik mijn lezer het antwoord schuldig moet blijven, voorzichtigheid betrachten. Zo niet Sylvia- die de schuld van haar onbegrip vervolgens bij Salinger zelf gaat zoeken. Ze is niet de enige die er niks van snapt, namelijk: ook een vriend van haar, “professor in de klinische psychologie” welteverstaan, heeft haar eens die vraag gesteld. Nu zijn er twee mogelijkheden: of de staat van de klinische psychologie is inderdaad erbarmelijk, of die professor heeft dat met een betweterige bijbedoeling aan haar gevraagd- zoals je ook iemand die drie maanden na zijn verhuizing nog steeds geen boekenplank in de muur heeft geschroefd retorisch kunt vragen of ‘ie Zen and The Art of Motorcycle Maintenance wel eens gelezen heeft. ‘Zeg Sylvia, waarom eet jij eigenlijk telkens die fucking bananen?’
In dat geval is Witteman niet door deze dubbele bodem gezakt, want in de volgende alinea’s zet ze uiteen waarom ze de personages van Salinger zo ergerlijk vindt: ze vindt vooral het meisje Franny een zeurpiet, omdat die niets te klagen heeft maar toch niet echt gelukkig is. En omdat ze wel een broodje besteld, maar het vervolgens niet opeet. Eet je fucking broodje op, Franny, zoals Sylvia haar bananen gewoon opeet. Niet zeuren. Kenners van het oeuvre van Sylvia Witteman zullen het met mij eens zijn dat ‘je bent een zeurpiet’ uit Sylvia’s mond nogal een merkwaardige klacht is: ging haar voorlaatste column niet over haar ambivalente relatie met spinazie, en haar ergernis dat ze in geen enkele supermarkt goede, verse spinazie verkochten? Is hier kortom, een zeurpiet aan het zeuren dat iemand anders een zeurpiet is? In dat geval wil ik nog wel een trap onder deze drietrapsraket van gezeik schroeven, want ik vind dat gezeur van Sylvia dus niet om aan te horen. Eet dan nog liever gewoon je banaan op.
Resten me twee dingen: iedereen van harte aan te bevelen Franny and Zooey te gaan lezen, en uit te leggen waar dat boek over gaat. Franny, de hoofdpersoon, ziet allerlei mensen allerlei dingen ziet doen en vraagt zich steeds meer af: ‘Waarom zou je?’ Dit zou je natuurlijk verwend kunnen noemen, zoals Sylvia doet, die zich afvraagt of Franny misschien zwanger is, want ‘dan had ze dat broodje zéker moeten opeten in plaats van zo veel te roken en moeilijk te doen.’ Aan de andere kant zou je ook kunnen zeggen dat het de eerste vraag die je jezelf stelt voor je aan iets begint. Als ik me goed herinner heeft bijvoorbeeld Albert Camus zich ook weleens zoiets afgevraagd, al moet ik gelijk toegeven dat die nooit professor in de klinische psychologie is geworden. Het verschil tussen Franny en haar vriendje Lane is niet dat zij een “spiritueel mens” is, maar dat hij zijn mond vol heeft van literatuur maar zich nooit zoiets simpels als “Waarom zou je ook maar iets doen?” lijkt te hebben afgevraagd. Lezersvraag: aan wie doet hij ons denken? Sylvia, breek uit die lange polonaise van gewoon-normaal-doeners en andere feiten- en waardenvrije aanmodderaars die op de feestelijke maat van een holle trom door de dagbladen trekt; haal in hemelsnaam die banaan uit je oor.
Als ik had geweten wat ik eraan over zou houden, was ik vorig jaar nooit naar de Kousbroeklezing van Ionica Smeets gegaan. ‘Cijfers, letters en regels’, heette die. Ze vertelde er, in de geest van Rudy Kousbroek, over wiskunde. Dat deed ze goed, zeker als de doelstelling van de Stichting Kousbroeklezing is dat mensen af en toe denken: ‘Leefde Rudy Kousbroek nog maar! Die kon over iets schrijven dat je niet kende of niet begreep, zonder dat je het gevoel had toegesproken te worden als een kleuter! Zodra dit voorbij is begin ik van voor af aan in de Anathema’s 1 t/m 9!’ Dit dacht ik namelijk wel (maar misschien ben ik door de nasleep verbitterd geraakt) terwijl ik vanaf het balkon van de Rode Hoed toekeek hoe ze de in de zaal verzamelde vijftigplussers de stelling van Pythagoras uitlegde.
Toen iedereen zijn a- b en c-kwadraten weer op een rij had vervolgde ze: ‘Het volgen van regels kan zorgen voor een hele reeks nieuwe ideeën, juist omdat het aantal mogelijke denkrichtingen is ingeperkt doordat er een duidelijk kader is waarbinnen je kunt nadenken.’ Er ging een siddering door me heen. Inderdaad, het leek me heerlijk om mezelf eens lekker te beperken. Of beter nog: met harde hand beperkt te worden. Ionica’s lofzang op de bureaucraat maakte iets vreselijks in mij wakker: een sadomasochistische, in een reageerbuis opgekweekte liefdesbaby van Rain Man en Adolf Eichmann. ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister,’ lispelde ik robotisch. ‘Und das Gesetz nur kann uns die Freiheit geben.’
Vol verlangen, in de geest reeds onderworpen, luisterde ik hoe Ionica wat voorbeelden van regels gaf. ‘Keten me,’ smeekte ik. Dat deed ze. Ze had het simpele zinnetje ‘De kat ligt in de zon’ aan de hand van door en voor haarzelf verzonnen regels verbouwd. ‘Meervoud: De katten liggen in de zonnen. Ontkenning (1): Er ligt geen kat in de zon. Ontkenning (2): De kat ligt niet in de zon.’ Ook had ze zogeheten lipogrammen gemaakt, door het weghalen van één van de klinkers: ‘Lipogram (in A): De poes ligt in de zon. Lipogram (in E): Kat ligt in zon. Lipogram (in I): De kat rust onder de zonnestralen. Lipogram (in O): De kat ligt in het warme licht. Lipogram (in U): De kat ligt in de zon.’
Dit moet ik beter kunnen, dacht ik nog – het meestvoorkomende begin van een reeks dwanggedachten. Ik schrap zoveel klinkers als ik kan. Mijn onschuldige poging indruk te maken op Ionica (‘Bal lava bakt kat’) eindigde ermee dat ik wekenlang alleen nog a-klanken las, hoorde en dacht. Man, man, man. Paljas. Snackbar. Maarschalk. Maak massagraf van haram Bataclan. Allah Akbar. Kalfstartaar. Das Mag, Kafka. Anna slaapt graag naakt. Haar aars was als praalvaas van haar slaapplaats. Haar stand was laag, maar haar ass had class, al vanaf dat Anna twaalf jaar was. Mark zat Anna na als was Anna cash waard. Anna maakt van Mark haar schandknaap, haar zaadslaaf, haar batsapparaat. Aan dat ambacht had Mark dagtaak: had Anna darmkramp, bracht Mark haar hars van vlasplant. Had Anna last van astma-aanval, dan bracht Mark haar blaasbalg. Had Anna kaakklacht, tand waar gat zat, dan had Mark tang klaar. Zat angst Anna dwars, dan bracht Mark haar wat van Gall&Gall. Als halfslaap Anna aanraakt, staat Mark naast haar. Anna las aan Marks paalstand dat Mark paardaad na paardaad van plan was. Anna dacht: ‘Balhaar? Zaadpap? Laat dat!’ Maar Anna, lam van Marks dwang, wars van daadkracht, laat Mark gang gaan. Al walmt Anna’s schaamhaar als napalm, als kaas van Frans rasschaap, Marks lans tast alras langs wand van Anna’s baarschacht, nat als Panamakanaal. Mark ramt, stampt, maakt kabaal als Yamaha. Mark dacht na slag acht dat dat al lang zat was, dat Anna langzaamaan klaarkwam. Was dat maar waar! Als Mark dan zaad laat gaan (Mark gaat af als handgranaat), slaat Anna Mark van matras af. Baf! ‘Slap!’ raast Anna. Marks kwak landt naast haar. Smaakt dat? Gats! Ananassap was dan Marks drank, Marks zaad smaakt schraal als asbak. Anna walgt daarvan.
Toen ik de a zo’n beetje had afgewerkt hield deze verkwisting van werkgeheugen als vanzelf op. Dat wil zeggen, tot een paar weken de nieuwe roman van Herman Koch verscheen, met de uitzonderlijk mono-vocale titel De Greppel. Een titel die je nu tegenkomt, op posters door de hele stad. Herman Koch, en daaronder strakke, zwart-gouden letters ‘De Greppel’. Z’n negende werk. Het heeft me snel een wrede les geleerd: je hebt echt heel erg veel meer termen met slechts een e. Meeeters, persweeen, denkhengsten: de hele bende. Ergens lees je ‘De Greppel’ en meteen zeg je ‘hekwerk’, je denkt ‘klezmerbekkenspel’. De Greppel heeft je beet, heeft je hersenen bezet en vernedert je steeds weer. Je werpt tegen: ‘Het bekt geneens lekker, De Greppel’. Je smeekt: ‘Heer, help me. Bescherm me.’ Red de Hemelheerser je? Nee. Er rest je slechts een weg : het beest te recenseren.
We geven snel een excerpt: je hebt een vent, en deze vent denkt: m’n wederhelft heeft seks met een tweede. Er speelt meer: een werknemer neemt z’n leven. En de vent z’n Eltern wensen een zelfgeselecteerd levensend, en snel een beetje. Deze week? Het werd de vent (en de lezer) een beetje veel. De vent negeert het en de vent denkt steeds slechts: M’n wederhelft! Seks! Met een tweede! Best vervelend, best wel sleets, denk je de eerste helft. De tweede helft denk je: mens! Get checked! Echter, je leest verder. Het leest best wel lekker, lekker schertsend. De vent pest benepen mensen en zedenprekers. Lekker. Een betere wereld wensen? He-he-he, we weten wel beter. Weg ermee! De vent z’n stresslevels vermeerderen steeds, en de vent bekent tegen een persmedewerkerster een keer een ME’er met een tegel te hebben gemept. Sedert deze mep heeft de ME’er een zeer beperkend werveldefect. Echt? Nee: de lezer werd genept! Even leek de vent het zelf te bedenken, hetzelfde z’n wederhelft d’r seksleven. Het end heeft de penner dezes echt heel erg slecht begrepen. Erg? Meh. Twee keer twee sterren.
DM
Pas als ik een columnist heb horen klagen over de aangebroken komkommertijd, weet ik dat de zomervakantie is begonnen. Al mijn eigen beslommeringen vallen in het niet bij de worsteling van een schrijver die zo erg om een onderwerp verlegen heeft gezeten dat ’ie, met de bijbehorende omwegen en plichtmatige excuses, zijn eigen onderwerploosheid tot onderwerp heeft genomen. Dit jaar was het 8 juli zo ver: tevreden kon ik mijn laptop dichtklappen en achteroverleunen, nadat ik Arthur van Amerongens column ‘Wat zalig, die komkommertijd! Zelfs Sylvana is op vakantie’ op de website van HP/De Tijd uit had.
Niet dat dit startschot van mijn zomervakantie zelf een ontspannen read was: ‘Alle inkthoeren, schrijvende apen, persmuskieten, gemankeerde Kuifjes en ander journaille van de mainstreammedia (MSM) zitten met hun slecht opgedroogde levenspartners en jengelend kroost op de camping bij Renesse’ liet Arthur zijn lezers weten, en verder schreef hij over ‘venerische baardhipsters met knotjes en ranzige juffrouwen met aarsgeweien en schroeven door hun neus en/of clit’.
Ach, dacht ik, het is eindelijk zomer. Ik heb niets beters te doen, en misschien is er zelfs niets beters te doen, dan te proberen Arthur van Amerongen te begrijpen. Me in te leven in de mens achter het masker van Don Arturito. Ik kan me bijvoorbeeld levendig voorstellen dat hij zenuwachtig wordt van hipsters: hij is tenslotte de schrijver van Brussel Eurabia, de man die Molenbeek al kende before it was cool. Bovendien ben ik ook wel eens tijdens een versierpoging afgetroefd door een Australische slow juicer die really into travelling was. Wee hen met haver-avocado-smoothies bij hun ontbijt, maar niets om over te praten! – de kalme vijver van hun tevredenheid als een spiegel waar je eigen miskendheid veel te fel op weerkaatst. Arthur van Amerongen, de dolende ziel, heeft zichzelf de moeilijke taak toebedeeld Komrijs provocerende toon te vinden, maar klinkt vooral gefrustreerd. Dat kan ik me best voorstellen als je jezelf zo weinig rust gunt als Arthur, die ‘zodra de 9 in de klok zit’ al begint ‘ijskoude vinho verde te slobberen’. Dat soort bekentenissen maakt slechts in twee kringen indruk: de kring van de stoere types zoals Arthur zelf, en de praatkring van de Anonieme Alcoholisten. Neem toch een dag vrijaf, Boze Blanke Hardwerkende Man Van Middelbare Leeftijd (dit is zijn eigen titulatuur)- ontspan toch eens, dacht ik. Het is vakantie.
Lang heb ik niet kunnen genieten van dit vakantiegevoel: nog geen week na Arthurs komkommercolumn werden op een boulevard in Nice 86 mensen doodgereden. De jihad had Arthur zien aankomen, maar die vrachtwagen niet. Wel had hij er een dag later een column over, die hij vanzelfsprekend trillend van woede geschreven had. Arthur was weer boos. En wel op de vreselijke, demoniserende, ontmenselijkende schurk die het in zijn vergiftigde serpentenkop had gehaald de hashtag ‘#PrayForNice’ te beginnen: ‘Die imbeciel zag op Twitter de eerste berichten over de aanslag en dacht: godverdomme, ik ga meteen bidden voor Nice.’Arthur vroeg zich af: ‘Maar voor wie bidden dan? Voor de slachtoffers? Voor de nabestaanden? Voor de dader, want die arme drommel is immers ook een slachtoffer. Bidden voor de stad Nice?’ Later deze zomer zat Beatrice de Graaf aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk, en probeerde hem uit te leggen waarom je zou bidden. Hij zei: ‘Je kan wel naar de kerk gaan, maar als er dan een bom afgaat in het warenhuis waar jij net winkelt, heb je er toch weinig aan gehad.’ Je zou bijna denken dat Matthijs het er extra dik bovenop legt, met die kerk en dat warenhuis. Dan weet de goede verstaander tenminste dat Mathijs eigenlijk zijn portie Houellebecq wel achter de kiezen en tussen de oren heeft, en dit echt alleen zegt zodat Beatrice het de kijkers thuis nog eens uit kan leggen. Inderdaad, als God voor jou een instantie moet zijn met een Niet-Goed-Geld-Terug-beleid, dan had je beter in dat warenhuis kunnen blijven waar je net nog aan het winkelen was.
En jou, Arthur, laat me je eerst geruststellen: er bestaan geen domme vragen. Wel bestaan er vragen die van een veel grotere geestelijke armoe en nood getuigen dan de steller van de vraag zich bewust is. Ooit vroeg iemand mij bijvoorbeeld: ‘De clitoris zit toch onderaan de vagina?’ Ik wist niet wat ik moest antwoorden. Nog schrijnender is jouw vraag ‘Maar voor wie bidden dan?’ Vanwaar toch al die gebeden, vanwaar al die minuten stilte ‘voor’ een ramp? Laat me je helpen: bidden voor iets doe je, als je een beetje bijgelovig bent, misschien voor je God, maar in elk geval voor jezelf. Een beetje hulp en kracht vragen. Of: een beetje tappen uit De Grote Bron, misschien dat dat je aanspreekt. Jij zegt dat daar een ‘gebroken-geweertje-defaitisme vanuit gaat’. Niemand beweert dat bidden en een binnenlandse veiligheidsdienst elkaar uitsluiten. Jezus zegt dat ‘kracht zich pas ten volle uit in zwakheid’. Jij mag bepalen wie er gelijk heeft. Wees eens nederig, Arthur. Ik bid voor je.
DM
Dit jaar zal ik eindelijk eens een Matthäus Passion bezoeken, én daar hoogleraar cognitieve neurowetenschappen Victor Lamme tegenkomen. Ik weet niet hoe ik dat zo weet, maar zo zeker als de Zoon des mensen het eind van het liedje niet haalt, staat voor mij vast dat ik de kerkbank zal delen met de schrijver van ‘De Vrije Wil Bestaat Niet’. Dat boek heb ik wel eens in de boekhandel zien liggen. Op de achterflap wordt de bewering uit de titel al weer afgezwakt tot ‘van de vrije wil blijft heel weinig en toch ook weer heel veel over’. Dat deed me telkens mijn kleine-en-toch-ook-weer-heel-grote restje keuzevrijheid aanwenden het boek niet te kopen.
In de kerk neem ik naast hem plaats, zonder de kalende man te herkennen, zonder dat ik zelf in de gaten heb dat mijn hand door mijn eigen weelderige haardos glijdt. In zijn kaalheid verschilt mijn buurman niet bijster van de doorsnee man in het publiek. Zijn overhemd daarentegen contrasteert fel met de grijze en donkere pakken om hem heen. Ik knik hem vriendelijk toe, en vraag hem naar zijn reden om de Matthäus Passion te bezoeken. Hij pakt de grote, donkere montuur van zijn bril vast en antwoordt: ‘Ik vermoed een complex samenspel tussen externe factoren en verschillende hersengebieden, en hersengebieden onderling. Ik kan wel een motief geven, maar dat heb ik er dan eigenlijk achteraf pas bij verzonnen. De kwebbeldoos noem ik dat. We weten zelf eigenlijk lang niet altijd wat er in ons eigen hoofd omgaat. Daar is legio wetenschappelijk bewijs voor.’ Dan pas herken ik de man naast wie ik Christus’ lijdensweg door zal brengen als professor Lamme. Ja, ik heb hem op tv gezien, nadat hij op Twitter de artsen van de Levenseindekliniek ‘moordenaars’ had genoemd. Pakkende boektitel zou dat zijn, ‘Euthanasieartsen zijn Moordenaars’. Ik zou me boos willen maken dat zelfs hoogleraren zich niet in kunnen houden hun nauwelijks gefundeerde oordeel op Twitter te slingeren, maar ik heb al hoofdpijn genoeg. Waarschijnlijk door het woekerende bloemetjesmotief van Lammes overhemd. Ach, hij weet in elk geval de aandacht te trekken.
‘Aha, de interactie tussen verschillende hersengebieden,’ knik ik vriendelijk, als willoze slaaf van mijn meegaand geprogrammeerde hersenen. Terwijl de professor uitwijdt (“… en die hond hoort dan een belletje, precies op het moment dat hij eten krijgt… en de proefpersonen moeten de kleur van het lettertype zeggen waarin het woord “rood” of “blauw” geschreven is…”), probeer ik me te bedenken wat hij ook alweer in de Volkskrant over euthanasie had geschreven. We worden beiden onderbroken als de dirigent opkomt, en het orkest de eerste maten van het openingskoor inzet. Dat ontroert me al vreselijk, en als daarna Jezus met zijn baritonstem aan zijn apostelen en het publiek meededeelt dat hij over drie dagen gekruisigd zal worden, wordt het me teveel. Ik gruwel van het vooruitzicht en kan het niet helpen tegen Victor te fluisteren: ‘Zo zou ik dus niet willen sterven, nee, dan mag je me gewoon een spuitje geven, hoor.’ Victor mort: ‘Het euthanasiebeleid bevindt zich op een hellend vlak.’ Maar Jezus zeurt door met zijn wens niet vreselijk te hoeven lijden: ‘Vader,’ vraagt hij, ‘laat deze beker aan mij voorbijgaan.’ Professor Lamme is niet overtuigd: ‘Dat is toch geen duidelijke verklaring, welke beker bedoelt hij in vredesnaam? Hij had wel alles kunnen zeggen, “De geit is gemolken”, “Drie spritsen en een groot glas melk, alsjeblieft” of, weet ik veel, “Huppakee, weg!” Betekent dat dat je iemand alvast dood kan maken?’ Ondertussen wordt Jezus bespuugd en gegeseld, en moet hij zijn eigen kruis de berg op dragen. ‘Is er nu dan geen sprake van ondraaglijk lijden?’ probeer ik nog, maar daar komt Simon van Cyrene al aangelopen om het kruis van Jezus over te nemen. ‘Nee,’ zegt Lamme, ‘het wordt inmiddels min of meer de norm om er een einde aan te maken als het allemaal wat minder wordt.’ Op de top van de berg spijkeren ze Jezus aan het kruis, ‘Mijn heer, mijn heer, waarom heeft u mij verlaten?’ roept Christus. ‘Ja, nu vind ik het wel mooi geweest,’ mompelt Lamme naast me. Dan sterft de Heiland, het voorhangsel scheurt en de aarde beeft. Het moest zo zijn.
Thuis herlees ik het stuk dat Lamme in de Volkskrant schreef. Van voorstanders van euthanasie wordt wel gezegd dat ze op de stoel van God gaan zitten, maar professor Lamme kan er ook wat van. Almachtig veroordeelt hij onze doodswensen: die zijn niet echt, maar ingegeven door ‘euthanasiemarketing’ van voorstanders en sociale druk om, eenmaal op leeftijd, onze kinderen en de gemeenschap niet tot last te zijn. ‘Welk probleem moet euthanasie eigenlijk oplossen?’ Lamme heeft het antwoord al klaar: ‘Ouderen kosten tijd, geld en moeite. Die de moderne maatschappij niet wil opbrengen.’ Nee, professor Lamme, het probleem is dat er mensen zijn die dood willen – ook uit vrije wil. Omdat ze fysiek of psychisch lijden, of hun leven voltooid vinden. U mag best willen dat euthanasie nadrukkelijker verboden blijft, omdat u, ten koste van die mensen, wil voorkomen dat er mensen onder druk gezet kunnen worden voor euthanasie te kiezen. Maar doet u daarbij niet alsof de mensen die strijden voor een vrije keuze er een geheime agenda op na houden Nederland van alle bejaarden te zuiveren- en iedereen met een doodswens door hen gehersenspoeld is. Erbarme dich, professor Lamme.
DM
Er staat de satiricus een heel scala van mogelijkheden ter beschikking om tot zijn doel te komen: hij kan zijn slachtoffers onder een vergrootglas leggen, hun gedrag karikaturaal uitvergroten, of juist besluiten om de nadruk te leggen op de banaliteit, op hun lullige, futiele en kleinzerige kanten. Maar soms, heel soms, komt er een zo grote malloot je blikveld ingehold, dat je eigenlijk machteloos staat. Hij slaat je, gewapend met de Enorme Hellebaard van Tenenkrommende Domheid, niet alleen al je gereedschap uit handen, in één beweging klieft hij ook nog de armen van je romp, zodat je, in een laatste poging om met redelijke argumenten je gelijk te halen, aangewezen bent op het bloed dat uit je schouders gutst. Ten einde raad weet je nog nét de woorden “Onzin, zakkenwasser, mafklapper” tegen een muur te kalken voor je aan je verwondingen bezwijkt.
Dit overkwam me toen ik Christiaan Weijts’ stuk “Die boekenlijst is misdadig, fuck de canon” las. Ook al was ik er meermaals door mijn collegaredacteur LAH voor gewaarschuwd, in de Tuin der Lusten die de opiniepagina van NRC heet won de nieuwsgierigheid het toch van het gezond verstand. En Kennis van Goed en Kwaad heb ik opgedaan: ik weet nu dat het inderdaad zo slecht is als LAH voorspelde. Weijts voert scherpzinnig polemiek zoals een Duitser tango danst; zo opzichtig stampend en paraderend dat je zin krijgt om in een schuilkelder te gaan liggen. Als een gymnasiumleerling aan Weijts vertelt dat hij voor Nederlands Max Havelaar moet lezen, reageert Weijts plompverloren: “Die docent moet naar een strafkamp!” Weijts wil een moderne leeslijst: ouwe schrijvers zijn “vergeelde murmelaars van vroeger die in muffe kamertjes hun belegen aftrekfantasietjes neerpenden”, hun boeken “het geestelijk equivalent van een besnijdenis”- een vrouwenbesnijdenis wel te verstaan. Weijts gaat er met gestrekt been in, het gestrekte been van een ganzenpas die vooral duidelijk moet maken dat hier een púnt gemaakt wordt.
Maar welk punt? Middelbare scholieren hoeven meestal maar 3 boeken van voor 1880 te lezen, en ze mogen alle boeken die Weijts noemt (Gimmick, Joe Speedboot) op hun leeslijst zetten. Er is dus niet echt een probleem. Dat hoeft niet te deren; de kunst van het schuimbekkend zinledige betogen tikken is een schitterend ambacht dat zeker bij PC op waarde wordt geschat. Jammer is alleen dat Weijts zijn hondsdolheid niet weet om te zetten in even waanzinnige aanbevelingen. Had hij me met zijn bloemrijke, opzwepende stijl makkelijk zo ver gekregen om een fles spiritus leeg te drinken, het graf van Bilderdijk open te breken, zijn stoffelijk overschot te bestrooien met de as van Eduard Douwes Dekker, de spiritus daarover uit te plassen én het geheel in de fik te steken, komt hij in werkelijkheid niet verder dan het truttige: “Laat dit het jaar van het lévende boek worden, waarin jongeren elkaar via apps of webportals hun opwindendste boeken aanraden. Fuck de canon. Lezen is vrijheid, avontuur.” De jongere lezer zal ten eerste merken dat de woorden “avontuur” en “webportal” twee verschillende, absoluut niet overlappende hersengebieden aanspreken; een avontuur dat begint op http://www.startpagina.nl/avontuur is geen avontuur, punt uit. Nog erger is dat Christiaan “Er zijn genoeg geweldige boeken, het ontbreekt alleen aan de juiste gidsen” Weijts even een dikke vinger geeft aan alle leraren Nederlands, en blijkt te denken dat dit literaire webportal (dat overigens al bestaat) de jeugd ineens wel aan het lezen zal krijgen.
Hier houdt het niet op met de merkwaardige ideeën die Weijts heeft over de leeswensen van scholieren. Hij constateert dat jongeren die als kind nog graag Thea Beckman lazen, tijdens hun middelbare schooltijd ineens geen boek meer aanraken. Dat moet wel te wijten zijn aan de “verstofte” leeslijst, en in het bijzonder aan Max Havelaar. “Is het zo ingewikkeld om te bedenken dat de gemiddelde puber niet zo bijster geïnteresseerd is in het regentschap Lebak in de negentiende eeuw?” vraagt Weijts ons, en het retorisch vernuft van deze volksmenner doet je bijna opstaan uit je stoel en roepen: “Inderdaad, geschiedenis: weg ermee! Terug naar die veelverslonden boeken van Beckman, met hun vlotte, hedendaagse onderwerpen als de kinderkruistocht van 1212, de pest, de Honderdjarige Oorlog en het leven van 15de eeuwse officiersdochters!”- maar dan herinner je je van je lessen Nederlands ineens weer het verschil tussen een causaal en een temporeel verband, en dat (ongeacht de daverende uitwerking die Jan Wolkers op je hormoonspiegel gehad heeft), niet alle veranderingen die je in je puberteit hebt doorgemaakt op het conto van de leeslijst te schrijven zijn, en realiseer je je kortom dat alles wat Weijts schrijft grote, grote onzin is.
DM
Ik hoop dat ik hier veilig ben, onder de toonbank met luxe snacks, in doorzichtige plastic bakjes verpakte exquise vleeswaren en gevulde zoete paprika’s. Met een harde klap en het geluid van versplinterend glas slaat er iets boven me in de vitrine. Een hakmes waarschijnlijk, aan de doffe klap te horen. De opspuitende humus en de mangocurryspread met sweet pepper vermengen zich met het nog warme bloed uit de lichamen naast me, het geschreeuw om me heen doet denken aan een terroristische aanslag, maar nee; dit is de frontlinie van de supermarktoorlog. Spijtig genoeg is het scherpste dat ik op mijn vlucht te pakken heb kunnen krijgen een AH excellent Serrano salami. Het zijn onzekere tijden, maar één ding weet ik wel: never bring a sausage to a knifefight.
Ik had natuurlijk beter moeten weten, daarnet aan de servicebalie. Juist op het moment dat de caissière me mijn zegels wil overhandigen, schuift de moeder achter me haar zoontje als pion naar voren: “Mag ik misschien uw zegels?”, jengelt hij op de toon van welopgevoede kinderen die maar zelden iets geweigerd krijgen. Ik dacht aan het avondje waar ik al zo lang naar uitkeek, waar ik, met mijn zegelboekjes rechts van me, en de zorgvuldig opgespaarde zegels links, bij kaarslicht de lijm van de stickers zou likken, om ze vervolgens met Pritt alsnog op hun rechtmatige plaats in de boekjes te lijmen. De volgende dag zal ik mijn opgespaarde schat bij de Albert Heijn gaan inleveren, voor een slacouvert, dinerbestek of een vleesmes. ‘Nee,’ antwoord ik dus, ‘ik spaar ze zelf ook.’ Plots zie ik zijn moeder met een blik vol bloeddorst een greep doen in de kartonnen stellingkast waar de messenset voor de kassa ligt uitgestald. In de halve seconde die ze twijfelt tussen het koksmes (geschikt voor veelzijdig snijwerk) en het hakmes (voor hakken van vlees, groenten en kruiden, vlakke kant kan gebruikt worden voor het pletten van vlees, kip en gevogelte), heb ik gelukkig de Villeroy & Boch bamboe snijplank te pakken (duurzaam en vormvast materiaal) waarmee ik ternauwernood het door de lucht klievende luxe bestek weet af te weren.
Misschien is het te wijten aan een snel opspelend Stockholmsyndroom, maar op mijn vlucht richting het einde van het gangpad, opspringend om de mij achternageworpen schil- en broodmessen te ontwijken, krijg ik al medelijden met mijn belager. Ik kan het haar niet kwalijk nemen, ze is ook maar een slachtoffer van het systeem: we zijn er door deze spaaractie stuk voor stuk toe veroordeeld om binnen een paar maanden voor elfduizend euro aan boodschappen te doen. Want wat heb je nou aan een incompleet bestek? Er rest je al gauw geen andere keuze dan je kinderen bij bandkassagenoten om zegels te laten bedelen. Of, als dat niet lukt, alle santokumessen die je binnen handbereik hebt aan te wenden om onschuldige weigeraars alsnog hun zegels afhandig te maken. Het had bij die spaaractie voor fraaie wijnglazen niet voor niets ook al een heuse Kristalnacht ontketend.
Onder de vitrine word ik plots aangesproken door een ouder vrouwtje. ‘Zeg, denk je dat ze dit nog gaan verkopen?’ vraagt ze. In haar hand houdt ze een bakje met oude kaas-rogge-carré’s, een van de vele borrelhapjes die door het geweld om ons heen achter de vitrine is beland. ‘Nou, dat denk ik niet,’ antwoord ik beduusd. ‘Toch zonde om weg te gooien,’ zegt ze, waarna ze het bakje met de oud-Hollandse delicatessen aanbreekt. ‘Mevrouw,’ begin ik, ‘zou ik er misschien ook één…’ ‘Ach jongen, neem vooral,’ onderbreekt ze me gelijk, ‘jij moet er nog van groeien. Laten we het er vooral van nemen!’ Ze scharrelt in haar boodschappenmandje, waar al snel een stokbrood en een fles wijn uit tevoorschijn komen. ‘Een draaidop, dat is handig,’ mompelt ze, ‘nu alleen nog iets om het stokbrood mee aan te snijden.’ Ik wijs op de gorgelende man aan ons voeteneind, waarop de levenslustige seniore het roestvrijstalen universeelmes dat in zijn borstkas steekt tussen zijn ribben vandaan plukt. ‘Golvend geslepen voor worst, kaas, tomaten en stokbrood!’, voeg ik haar toe. ‘Ja,’ zegt zij, ‘het is een beetje behelpen, hè, maar zo komen we er wel.’ ‘Kan ik u dan een plakje van mijn salami aanbieden? ‘Een echte Serrano!’ kirt ze. ‘Héérlijk!’
Het werd een borrel om nooit te vergeten.
DM
Afgelopen zondag werd Willem Otterspeer 65. Hoewel hij nog niet met pensioen mag, kan hij nu wel van allerlei voordelen genieten, zoals het Dal 65+ abonnement van de NS. Daarmee reist hij vanaf nu buiten de spitsuren extra voordelig met de trein. Hij zou eens naar Museum het Valkhof in Nijmegen kunnen gaan, gebouwd waar vroeger het paleis van Karel de Grote stond, en misschien zelfs wat studenten meenemen, want die “weten niet dat Karel de Grote eerder was dan Karel de Vijfde, als ze die twee al kennen”, en hen daar dan alles over vertellen. Wat een feest is het toch om oud en gerijpt te zijn, of zoals de oude Romeinen zouden zeggen: senex. Vlak voor zijn 65’ste verjaardag (pre-seniel, zouden de Romeinen zeggen) gaf hij nog een boekje uit. “Weg met de wetenschap”, heet het.
Het spijt me dat ik alles naar het Latijn vertaal, het komt door dat boekje van Otterspeer. Die man is een barokke fontein van kennis, en daar spuit nu eenmaal een enorme hoeveelheid Griekse en Latijnse woorden uit, compleet met vertaling en duiding. Logos, dat betekent woord. Certum, dat betekent zekerheid. Het is net Ad Verbrugge; ik hing aan zijn labia. Wist u ook al dat dialectica en grammatica in het klassieke vakkenpakket zaten? Zo nee, dan weet u het nu, en dan kunt u zich de volgende keer dat iemand daarover begint gewoon uit de voeten maken, want wat er daarop volgt kan ik u ook wel vertellen: een hoop vrijblijvend gebazel over betrokken burgerschap en een kritisch wereldbeeld, en dat we dat nu missen, en daarom (non sequitur, zouden de Romeinen zeggen) alle studies moeten verbreden.
Het heeft even mogen duren, maar Opa Otterspeer is erachter gekomen dat het niet zo lekker gaat met de universiteit. Daarom heeft hij een pamflet tegen de natuurwetenschappen geschreven, volgens hem een “koekoeksei” in het universitaire nest. Publicatiedruk, rendementsdenken, valorisatiemania, eigenlijk alles dat Science in Transition meer dan 2 jaar geleden al aankaartte is volgens Otterspeer de schuld van de bèta’s. Gelukkig weet hij nog niks van de inval in Irak en de vervanging van K3, want dat had hij dan waarschijnlijk ook toegeschreven aan het natuurwetenschappelijk wereldcomplot. “Wetenschap is in die zin onderdeel van een groot rationaliseringsproces dat al door Max Weber werd beschreven. Maar die rationalisering baarde een monster en dat heet kwantificering. De fetisj van de feitenreeks, de aanbidding van de grafiek, reduceerde de universiteit tot een rekenmodel. Het gaat aan de universiteit vooral om het aantal diploma’s, om het aantal promoties. En het gaat om de mogelijkheid om wat men daar aan de weet komt om te zetten in ‘commercieel haalbare producten, processen of diensten’.” De redenering van Otterspeer komt dus hierop neer: de universiteit kijkt teveel naar getallen, en er is een clubje mensen op de universiteit (de bèta’s) dat zich ook al een tijdje met getallen bezighoudt, dus (o onfeilbare dialectica!) dan zullen die ook wel die problemen op hun geweten hebben. Weg met de wetenschap!
‘Of nouja,’ zegt Otterspeer in een interview met De Correspondent, ‘Weg met de waarheid zou misschien nog een betere titel zijn geweest. Weg met het idee dat er maar één waarheid is, het uitgangspunt van de natuurwetenschappen.’ Zoals er ook talloze waarheden zijn, zijn er talloze manieren om het boekje te lezen. Eén daarvan is dat hier een verongelijkte geesteswetenschapper aan het woord is die alle narigheden die de gemene grote jongens in de bèta-hoek ooit over zijn vakgebied hebben gezegd even van een flink weerwoord wil voorzien. Een natuurkundige die Otterspeer eens te eten had citeerde Rutherford en zei dat alle wetenschap of natuurkunde, of postzegels verzamelen is. Plato zei dat je geometrie moest kennen voor je zijn academie binnen kwam, en Kamerlingh Onnes had ‘Door meten tot weten’ als motto. Pestkoppen zijn het! Omdat Otterspeer hiermee nog geen stromannen genoeg had, heeft hij nog een blik positivisten opengetrokken die (verrassing!) inderdaad stuk voor stuk natuurwetenschap als enige logische kader voor ons denken zien.
Ik heb nog een waarheid gevonden voor Otterspeer, en het was niet eens lang zoeken. Philip Warren Anderson is namelijk een Nobelprijswinnaar in de natuurkunde (1977), en zijn artikel “More is different” is meer dan 2000 keer geciteerd. Komt ‘ie: “the reductionist hypothesis does not by any means imply a “constructionist” one: The ability to start from the laws of physics and reconstruct the universe. In fact, the more the elementary particle physicists tell us about the nature of the fundamental laws, the less relevance they seem to have to the very real problems of the rest of science, much less to those of society.” De waarheid die Otterspeer de natuurkundige zo graag in de mond legt, het idee dat alles, van atoomkernen en zwarte gaten tot de hoofdrol van de Christenunie in de gemeentepolitiek van Veenendaal en Bunschoten, uiteindelijk door de natuurkunde zal worden beschreven, daar gelooft helemaal niemand meer in. Behalve dan de sukkelaar die zich bij Otterspeer te eten uitnodigt.
Er is intussen wel wat meer veranderd in de wereld, maar het is Otterspeer, vanachter die hoge stapel met woordenboeken Latijn-Nederlands en het hele oeuvre van Johan Huizinga, niet opgevallen. Zo herinner ik me levendig de laatste keer dat iemand (Frank van Vree) probeerde zijn geesteswetenschappenfaculteit om te bouwen tot een VWO jaar 7. Het kostte hem nog net niet zijn kop, maar wel de laatste haren op zijn schedeldak. Otterspeer vindt die verbreding toch noodzakelijk omdat we “een gemeenschappelijk corpus van kennis” missen (waar dienen dan toch al die eindexamenprogramma’s voor?), volgens mij is het vooral heel vervelend dat wanneer je gewoon Russisch, wiskunde of sociologie wil gaan studeren, Otterspeer je lastig komt vallen met wat hij dan ook in gedachten heeft om “het vermogen patronen te herkennen en problemen op te lossen” te bevorderen, en de talloze vakken die nodig zijn om al die ontbrekende feitenkennis bij te spijkeren: van Frans en Duits tot Quintilianus en Rembrandt, want we moeten “weten wat pendantportretten zijn, welke ontwikkelingen Rembrandt doorgemaakt heeft, wat het portret voorstelt in de cultuur van de zeventiende eeuw.”
Otterspeer is inmiddels 65, en ik ben bang dat hij het niet meer bewust mee zal maken dat iedereen alles over alles weet. Met dit boekje lijkt zijn geestelijke aftakeling in ieder geval te zijn begonnen. Langzaamaan zal hij afspraken gaan vergeten, welke maand het eigenlijk is, waar hij ook alweer de theepot met het waxinelichtje eronder heeft neergezet. Van de familie en vrienden die hem komen helpen met de karweitjes in huis zal hij de gezichten door elkaar gaan halen, tot die verschrikkelijke dag aanbreekt dat hij niet meer weet wie er nou eerder kwam: Karel de Grote, of Karel de Vijfde. Ik hoop dat zijn lijfarts daarvan de gravitas zal onderkennen; en hem uit dat uitzichtloze lijden zal verlossen.
DM
Het was 6 mei 2002, op een terras in Barcelona, dat mijn ouders ervan overtuigd raakten dat Pim Fortuyn zelfmoord had gepleegd. Of dat nu lag aan de Catalaans ratelende ober, die de moord waarschijnlijk op het journaal had gezien en het verhaal verkeerd aan hen vertelde, of dat mijn moeder ten onrechte een wederkerend voornaamwoord verstaan heeft, daar wordt meestal wijselijk over gezwegen. Zeker is dat wat eerst nog ongelooflijk leek- waarom zou je jezelf negen dagen voor een zekere verkiezingsoverwinning omleggen?- bij de laatste ronde tapas de vanzelfsprekendste zaak van de wereld was geworden. Hij stond natuurlijk plots onder grote druk, het was een gevoelige man, met een aanleg voor het grote gebaar bovendien. Logisch eigenlijk. Hoe hadden ze dit niet aan kunnen zien komen?
Iets soortgelijks overkwam me toen ik onlangs de Groene Amsterdammer open sloeg. ‘(…) ik dacht dat ik gewoon een vriendschap had, maar ik zat ernaast’, las ik. ‘Wat ik blijk te hebben is een woord dat het laatste jaar ineens overal opduikt; (…) Het is “mannenvriendschap”.’ Verbazing was mijn deel. Schrijft Paulien Cornelisse tegenwoordig pagina’s lange essays voor de Groene? Wie anders zou zich voor dit soort talige wetenswaardigheden interesseren? Sommige dingen heten nou eenmaal eerst anders (“aangenaam”, “rustig”, “lekker”, “onbezorgd”, “kalmeer” en “met mensen iets doen” heten tegenwoordig respectievelijk “chill”, “chill”, “chill”, “chill”, “chill” en “chillen”), maar wie anders dan Paulien zou daarover beginnen? Aan de andere kant: waarom zou Paulien haar vriendschappen als ‘mannenvriendschap’ omschrijven? Zij is toch een vrouw? Ik voelde een vlaag van cognitieve dissonantie opkomen, maar gelijk trad mijn afweermechanisme in werking: was ik misschien te star in mijn denken over gender? Had Paulien niet altijd al iets mannelijks over zich? Ik googlede haar naam. Verdraaid, dat was gewoon een man! Waarom heb ik dat nooit eerder gezien?
We kunnen een belangrijke les leren uit deze twee gebeurtenissen: dat het mogelijk is om de meest onsamenhangende dingen in gedachten met elkaar te verenigen. Een duiding is nooit ver weg, en een verklaring is altijd te geven, ook al is Pim Fortuyn geen zelfmoordenaar, al heet de schrijver van het stuk (met de omineuze kop ‘De grootste lul’) niet Paulien Cornelisse maar Joost de Vries. Vandaar dat ik niet verbaasd opkijk als iemand beweert dat iets ‘naadloos past in deze zelfbewuste tijd en deze feminiserende wereld’, zoals Joost de Vries in dat stuk in De Groene doet; dat kun je over alles wel beweren. In dit geval gaat het over mannenvriendschap, en de strekking is als volgt: mannenvriendschap is nu populair, want het is een ondoordringbaar mannenbolwerk in tijden van oprukkende vrouwenbemoeienis. Bovendien is het lekker simpel en plat, en dus een verademing ten opzichte van de facebookwereld, waar je voortdurend moet nadenken hoe je jezelf presenteert.
Zoals het sociologie van de koude grond betaamt, klinkt dit allemaal aannemelijk. Toch is er wel wat op aan te merken: dat het gevolg al langer bestaat dan de oorzaak, bijvoorbeeld. Starre causaliteit hoeft het essayistische Freispiel niet te bederven, toch zijn er grenzen aan wat ik me wijs laat maken. Dat mannen als vrienden dingen met elkaar ondernemen (jagen, voetballen, wielrennen) en daarbij nauwelijks over emoties praten, is niet ‘een beeld van mannen zoals het tot een paar jaar geleden alleen nog in bierreclames voorkwam’, maar een cliché dat teruggaat van Komt Een Vrouw Bij De Dokter, All Stars en The Deer Hunter tot Nescio. Dat mannen onderling lekker onhandig barbecueën is heus niets nieuws; hoe denk je dat Japi die kachel van Bavink kapot gestookt heeft?
Dat heeft Joost de Vries een pagina verderop ook in de gaten. Dan verlegt hij zijn vraagstelling naar ‘waarom dit cliché zo populair is’. Dat deze vraagstelling een pleonasme bevat zij ‘m vergeven, want hij heeft wel gelijk: er zijn boeken over mannenvriendschap (Ventoux, Altijd Viareggio), en een film (Ventoux), en ‘zelfs een toneelstuk’, al blijkt dat een toneelstuk van Raoul Heertje te zijn, waarvan ik me niet kan voorstellen dat Joost de Vries het kende tot hij in een poging zijn stelling te onderbouwen “mannenvriendschap” ging googelen. Hoe dan ook, we zouden dus wel voorzichtig aan van een Maatschappelijke Tendens kunnen spreken, waarvoor we naar een verklaring op zoek moeten.
Joost zoekt het in de hoek van de Grote Maatschappelijke Vraagstukken (ik schrijf dit met hoofdletters, want het is een instituut). Zelf heb ik er ook één opgesteld. Komt ‘ie: er is een best wel bekende man, Bert Wagendorp, gevraagd door een redelijk bekende regisseuse, Nicole van Kilsdonk, om voor haar een filmscript te schrijven. Die film kwam er telkens niet, toen heeft Bert er alvast een boek van gemaakt (Ventoux) dat heel goed verkocht, misschien wel omdat er mensen in voor komen zoals je ze zelf ook wel kent, omdat mensen nu eenmaal zo zijn. Toen heeft Mai “Kale Khmer” Spijkers van Prometheus gedacht: zo’n boek wil ik ook verkopen, en vervolgens het boek waar Rick Nieman al een tijdje mee aan het zeulen was maar uitgegeven (Altijd Viareggio). Dat verkocht ook best aardig, omdat Rick Nieman nu eenmaal ook een bekende Nederlander is en het over motoren gaat. ‘We all like motorcycles to some degree’, nietwaar? Vervolgens kwam die film er toch, en die was ook best goed. Dat de Surinamer uit het boek door een Vlaming was vervangen mocht de pret niet drukken, de tropen beginnen tenslotte in Roosendaal. Conclusie: er is geen Groot Verhaal, en al helemaal geen alwetende verteller. Wie durft het tegen Joost te zeggen?
DM
De bezetting ten spijt, het Bungehuis is onherroepelijk verkocht aan Aedes Real Estate, een projectontwikkelaar die het gaat verhuren aan de luxe Britse hotelketen Soho Club. Het is niet het laatste cultureel erfgoed dat onder de hamer gaat. Twee van de drie Nederlandse koepelgevangenissen, Arnhem en Haarlem (“strategisch gelegen ten opzichte van diverse uitvalswegen en het centrum”), zijn al te vinden op biedboek.nl, de verkoopsite van Rijksoverheid, en als het tijdelijke asielzoekerscentrum in De Koepel in Breda wordt opgedoekt, zullen ze ook daar weer naar een nieuwe invulling op zoek moeten. Het lijkt me sterk dat de gedetineerden een bezetting zullen organiseren om te voorkomen dat er nog meer rijksmonumenten in handen van het grootkapitaal vallen (tenzij Rudolf Valkhoff binnenkort geïnterneerd wordt natuurlijk), dus heb ik zelf een bestemming bedacht voor deze historische bouwwerken: zodra de crowdfunding rond is open ik er drie dependances van het Amsterdam University College.
Waarom investeren in dit plan? Het Liberal Arts and Sciences-onderwijs vormt nu eenmaal ontegenzeggelijk een groeimarkt. De afgelopen twintig jaar openden zeker zeven zulke instellingen hun deuren, niet alleen in Amsterdam (“excellence and diversity in a global city”), maar ook in Middelburg, Rotterdam (“Erasmus University College, the E is for Excellence”), Groningen, Leiden en Utrecht (“At UCU, students and teachers are eager to excel”). Toelatingseisen, samen wonen op een campus, Engelstalig, multidisciplinair onderwijs en 2000 euro extra collegegeld betalen per jaar, dat trekt kennelijk 6VWO’ers, al is me aan raadsel waarom. Mijn middelbare school was ook behoorlijk multidisciplinair- we hadden Frans, aardrijkskunde en zelfs gymnastiek- en toch kon ik niet wachten daar vanaf te zijn. Wellicht veroorzaakt keuzestress een voorkeur voor brede opleidingen, en dan ben je op een University College aan het juiste adres: je weet bij God niet wat je wilt doen, maar wel dat je er vol voor wilt gaan, een houding die wel zo’n beetje wordt samengevat in de zoveel gebezigde term ‘excellence’.
Ik heb weleens iemand horen beschrijven hoe hij een bloedneus van de pijn kreeg toen de plaatselijke verdoving het af liet weten tijdens een onbeholpen uitgevoerde ruggenmergpunctie, en zoiets moet u zich ook voorstellen dat ik doormaak bij het horen van het woord ‘excellence’. Waarschijnlijk is het bedoeld om het droombeeld van een Amerikaanse universiteit op te roepen, zo’n neoclassicistisch Landal Greenparks gevuld met harde werkers die de beste versie van zichzelf zijn, maar wat er werkelijk achter dit soort kwijlerige consultancytaal steekt wordt snel duidelijk als we op een Nederlandse vertaling overgaan. Stel dat de decaan van het Universiteits College Utrecht (“Met de U voor Uitmuntend”) als eerste zin op de website zou zetten “Op het UCU zijn studenten en leraren gretig om uit te munten”, dan zou iedereen toch razendsnel in de gaten krijgen waar we hier mee te maken hebben: een inhoudsloze strebersmentaliteit. Wie helemaal niets van zichzelf heeft, geen nieuwsgierigheid, geen ideaal, geen passie, maar alleen de naarstige wens om beter zijn dan een ander, die verkoopt zichzelf als excellent. En verkopen doet het zeker.
Het is niet meer dan logisch dit concept te combineren met een koepelgevangenis. Selectie aan de poort krijgt nog wat meer gewicht als het plaatsvindt onder de Middeleeuws uitziende gevangenispoort van Breda of Arnhem, en ook over de campus hoeft vanzelfsprekend niet meer te worden nagedacht: de drie complexen bevatten gezamenlijk meer dan 800 gemakkelijk tot studentenkamers om te bouwen cellen. Dat het deelnemen aan het campusleven een verplicht onderdeel is van het leven als AUC-student, wordt door de hoge bakstenen muren en zware metalen deuren mooi onderstreept. De lange lijst met praktische voordelen bespaar ik u, om gelijk over te gaan tot mijn conclusie: dat een University College een koepelgevangenis is, maar dan om te studeren.
Toen de Engelse filosoof Jeremy Bentham in de achttiende eeuw de koepelgevangenis ontwierp, was het niet alleen als gevangenis bedoeld. Het panopticum, zoals hij het ronde gebouw noemde, diende simpelweg om op een efficiënte manier opzicht te houden, of het nu om zieken, scholieren of gevangen ging. Dat de ontwerpers van Amsterdamse campus zich door deze architectonische klassieker hebben laten inspireren werd me bij mijn eerste bezoek al duidelijk. Ik hielp een vriendin, die introk in het S-vormige gebouw, met het verven van een muur. Toen we klaar waren, en zij haar werkbroek uittrok, steeg er vanaf de binnenplaats een extatisch juichen en fluiten op, nog geen halve minuut later gevolgd door een jongen die aan de deur stond te bellen, “met de complimenten voor het achterwerk”. Dit is de academische cultuur op het Amsterdam University College: de peer review gaat 24/7 door.
Om de sfeer van onderlinge beoordeling en competitie verder op te voeren werkt het AUC ook nog met een zogeheten Deans’s list, ook wel “excellence list”, waarop wordt bijgehouden wiens cijfers hoog genoeg zijn voor een cum laude afstuderen, die eens in de zoveel tijd op Blackboard wordt gezet. Iedereen is excellent, tenslotte, maar sommigen zijn excellenter dan anderen. Het AUC kent de canon van haar moerstaal, Engels, en heeft haar reglement Orwell en Catch-22 indachtig opgesteld. Wie een vak niet haalt wordt op “academic probation” gezet (“academische proeftijd”), wat onder meer betekent dat “you are not permitted by the Board of Examiners to take more than four courses in one semester and you may not run or hold for elected office.”- een slimme manier om te voorkomen dat de slachtoffers van dit bizarre beleid kans zien zich ertegen te verzetten. Er is ook nog sprake van “social probation”, maar dat wordt nergens toegelicht. Iedereen weet hoe een isoleercel er vanbinnen uit ziet.
Sommigen menen dat het onethisch om nog meer University Colleges te openen, dat het meeliften is op een academisch klimaat dat in een gestoorde rat race is veranderd, dat het sneu is voor de monddood gemaakte, zich doodwerkende student. Daarop antwoord ik dan: ik doe gewoon wat de markt wil. En dat die studenten in gestoorde lemmingen veranderen, dat ligt niet aan mij, dat ligt aan het publiek. Je moet tenslotte al behoorlijk cray cray om je überhaupt op te laten sluiten.
Storten kan op NL50INGB0002903882.
DM
Op 12 maart overleed de Engelse fantasyschrijver Terry Pratchett aan de gevolgen van zijn Alzheimer. Een overlijden is een passend moment om terug te blikken. De nabestaanden wenen zachtjes en de sfeer is stemmig, waardoor het kraken van kritische noten nog wat luider klinkt dan normaal. Dat kan zomaar tot groot ongenoegen leiden, bijvoorbeeld bij de katholieke Delftse studenten die in 1958 PC-redacteur Herbert Leupen ontvoerden, in elkaar sloegen en een tonsuur schoren, toen die paus Pius XII ‘in de grond niet zo slecht’ had genoemd.
Daar hoeven we tegenwoordig niet meer voor te vrezen; God is uit Delft vertrokken, en haar studenten hebben ander tijdverdrijf dan gebed en inquisitie moeten verzinnen om het vagevuur tussen hen en een baangarantie bij Shell door te komen. Geen probleem, de ene fantasyfiguur is moeiteloos door de ander vervangen: met van die puntoren op lijkt Maria net een elf en Jozef was al aangesloten bij de Guild of Woodworkers. Niet langer op zondag naar de mis, maar de hele zaterdagnacht een LAN-party; een USB-kabel in plaats van de rozenkrans. De Delftenaar grijpt alles aan om maar aan zijn leven van alledag te kunnen ontsnappen- en geef hem eens ongelijk, in een dorp met alleen maar mannen-, of het nu de belofte van een eeuwig Paradijs is, of Live Action Role Playing. Van dit nieuwe evangelie is ons onlangs één van de grootste boodschappers ontvallen: de eerdergenoemde Sir Terry Pratchett.
Dus daar kwamen weer necrologieën van, zo bedroevend dat je zou wensen dat Pratchett in de eerste plaats niet was gestorven. “Hoewel hij een uitgesproken voorstander was van euthanasie, stierf hij naar verluidt een natuurlijke dood.”, was in de Volkskrant te lezen. Korte update voor journalist Hans Bouman: Niet alle voorvechters van een zelfgekozen dood overlijden daar vervolgens ook aan. Vraag Els Borst maar eens! Hans vervolgt met een beschrijving van de door Pratchett verzonnen wereld, Discworld, “(…) die rust op de ruggen van een viertal olifanten, die op hun beurt staan op een reusachtige vliegende schildpad.” Mijn these is dat de wereldbevolking in twee groepen uiteenvalt: mensen waarop bovenstaande zin een wervend effect heeft, en mensen waarop deze zin dat niet heeft. De tweede groep zou nog liever genomen worden door een centaur dan ooit een boek van Pratchett te lezen, en de eerste groep heimelijk ook.
Ik heb me toch over mijn afkeer heen gezet en ben aan één van de boeken uit de veertig delen tellende reeks begonnen, Soul Music. Een korte samenvatting: er is een meisje zo onopvallend dat de leraren haar letterlijk niet zien zitten in de les (à la het grapje ‘Dokter, ik heb het gevoel dat mensen mij negeren’ ‘Volgende patiënt’) en een Imp wil in een band spelen maar gaat bovenop zijn harpje zitten. Ook is er nog een vliegend paard, maar de kortzichtige medescholieren geloven niet in magie en verdringen dat weer. De clou is van deze lange, belerende mop moet ik jullie schuldig blijven, want ik heb het einde niet gehaald.
Wel heb ik me laten vertellen dat Pratchetts oeuvre een allegaartje vormt van uit de literatuur en mythologie opgeduikelde plots en personages. Hans Bouman formuleert dit iets serieuzer en literairder als de “invloeden (…) van Shakespeare en Tolkien”. Pratchett en zijn volgelingen zullen dit zeker kunnen waarderen, want ze lijken nogal in de knoop te zitten met hun eigen voorkeur voor fantasy. “Snobbery towards this genre still exists”, klaagt The Guardian, of zoals Pratchett het zelf verwoordde “I could write a book and I could set it in Tombstone, Arizona (…) and the moment I put in one fucking dragon, they’d call me a fantasy writer. (…) once you are a fantasy writer it’s always going to be fantasy.” Voor Pratchett zelf is het al te laat, maar voor alle lezers heb ik een simpele tip: als je per se niet als fantasyschrijver gezien wilt worden, probeer dan de neiging te onderdrukken draken in je boeken te verwerken. Nog zo’n tip: stop met tegen betaling andermans bloembedden bij te werken, als je niet als hovenier bekend wilt komen te staan. De wereld is een vreselijke plek, heb ik weleens horen zeggen, waar wat je doet zomaar kan bepalen wat je beroep is.
Pratchett bleef daar zuur over, in plaats van tevreden naar de miljoenenverkoop van zijn boeken te kijken en zijn schouders op te halen over genrekwesties. Het moest aan de buitenwereld liggen, in plaats van aan de drakendichtheid van zijn verhalen, dat sommige mensen zijn verzinsels niet leuk vonden. “Stories of imagination tend to upset those without one.”, zei hij eens. Het heeft toch iets treurigs dat je na het schrijven van een boekenreeks die grotendeels bedoeld is als maatschappij- en religiekritiek, uiteindelijk toch niet beter weet dan de kleuterredenatie van de gelovige: “Ikheb dit Boek en als jij dit Boek niet ook leuk vindt, ben je minder dan ik.”
Afin, ter afsluiting was ik nu mooi rond geweest met een vergelijking tussen de religieuze dogmatici paus Pius XII en Terry Pratchett. Dan had ik me vervolgens vrolijk kunnen te maken om Pratchetts teraardebestelling en Delftenaren opgeroepen me met hun schuimrubberen zwaarden en toverspreuken te komen halen. Maar niets van dat alles, want zo erg is het allemaal ook weer niet. Die boeken zal hij vast niet kwaad bedoeld hebben en bovendien stortte hij ooit een miljoen pond op de rekening van het Alzheimerfonds. Hij zal dus wel niet snel vergeten worden.
DM