AS

27 oktober

Werk aan de vertaling van de nieuwe roman van John Banville, probeer een essay te schrijven voor De Groene Amsterdammer, daarnaast ben ik bezig met een roman – min of meer een vervolg op mijn vorige. Maar vooral is dit mijn laatste week als redacteur van Propria Cures. Ik denk aan de woorden van Erik van Muiswinkel toen hij me introduceerde op een avondje waar de redactie van Propria Cures optrad. De meeste mensen, legde hij uit, zijn eerst een paar jaar redacteur van Propria Cures en worden daarna literatuurcriticus bij Het Parool, AS bewandelde de omgekeerde weg: eerst recenseerde hij achttien jaar lang boeken voor Het Parool en toen werd hij redacteur van Propria Cures. Het is een goede samenvatting van mijn bestaan, iets waar nu dus een eind aan komt, aan dat bestaan op die manier. Want Propria Cures is een manier van leven. Elke twee weken ben ik gedurende zo’n drie jaar op maandagochtend, en later op dinsdagochtend, en de laatste tijd op woensdagochtend, met een kop koffie achter mijn computer gaan zitten om een stuk voor Propria Cures te tikken. Mijn literaire carrière, die ik al behoorlijk naar de knoppen had geholpen door in Het Parool me uit te leven in de door mij geschreven recensies, bracht ik wederom klap na klap toe. Juist op het moment dat er een boek van mij uitkwam beledigde ik boekhandelaren. En kwam er een nieuw boekenprogramma op tv, dan kraakte ik dat geestdriftig af. Had ik handige contacten met netwerkende ‘schrijvers’ kunnen opbouwen (Tommy Wieringa, Ilja Leonard Pfeijffer, Pieter Waterdrinker), dan begon ik in plaats daarvan die schrijvers uit te schelden. Kortom, ik heb genoten, maar ik kon en mocht me nergens meer vertonen. Behalve bij mijn lieve en jonge vrienden van Propria Cures, die ik overigens evenzogoed meesleurde in mijn vrije val naar beneden. Ook zij raakten er dankzij mijn deskundig opgediste verhalen tijdens redactiebijeenkomsten van overtuigd dat de literaire wereld uit niets anders bestaat dan slecht schrijvende ratten en commercieel gederailleerde boekverkopers en uitgevers die zich alleen nog bezighouden met de agenda van literaire prijzen en daar hun uitgeefbeleid op afstemmen. Droomden mijn lieve en jonge vrienden van een literaire carrière voordat ik op hun levenspad kwam? Het doet er niet toe. Ze hebben inmiddels alle hoop opgegeven. Ze hebben zich net als ik vastgebeten in een haat jegens alles wat met ‘literatuur’ te maken heeft. Ze hebben zelfs van mij geleerd dat ze die aanhalingstekens om het woord literatuur moeten zetten, zoals je voor Tommy Wieringa steevast ‘schrijver’ tussen aanhalingstekens zet. Het nemen van afscheid is bij mij een proces. Meestal doe ik het dan ook niet. Met als gevolg dat ik doorgaans voordat ik netjes gedag kan zeggen eruit ben getrapt. Ik pikte de signalen niet op van mijn mederedacteuren, of ik negeerde ze, opmerkingen over mijn leeftijd hoorde ik niet (wat misschien ook iets over mijn leeftijd zegt). Ik bleef zitten waar ik zat, en ik zat daar goed. Dacht ik.

28 oktober

Gisteravond naar een promotie geweest in Leiden. De promovendus was niet meer de jongste, een man van bijna zeventig. Hij trakteerde na afloop van de plechtigheid een groot gezelschap op een etentje. De twee mensen aan wie hij het meest te danken had gaf hij elk een boek cadeau: aan de een John Steinbecks Ten oosten van Eden en aan de ander Het achtste leven van Nino Haratischwili. Romans die voor hem naar eigen zeggen veel hadden betekend. Maar dat is toch kitsch, merkte iemand zacht op. Hij bedoelde waarschijnlijk Haratischwili – Steinbeck valt misschien nog wel mee. Maar verder bleek iedereen aan de tafel waar ik zat erg te spreken te zijn over deze keuze. Ik ben er niet voor dat mensen zo openlijk voor hun ‘literaire’ voorkeuren uitkomen; het is lastig om ze daarna nog serieus te nemen. Het valt me altijd op hoe dom mensen zijn als ze boeken lezen. Het lijkt erop dat voor veel mensen geldt dat als ze al genietend bladzijde na bladzijde omslaan – lezen is goed voor je! – hun hersencapaciteit evenredig afneemt. Vandaag wakker geworden met een lijstje in mijn hoofd van zaken en mensen die ik nog in Propria Cures wil bespreken. De teloorgang van Rob van Essen, zijn banden met Schwob en de mate waarin dat zijn manier van recenseren beïnvloedt, sowieso zijn slijmen met mensen die iets voor hem kunnen betekenen, de negatieve invloed die Schwob heeft op het vertaalklimaat in Nederland (ik was In Propria Cures al begonnen met de aanval op Schwob, maar het aangekondigde derde deel heb ik nooit geschreven), de eigenaardige comeback van Arjan Peters, de mensen die hem verdedigen, de krankzinnige sympathie die er bestaat voor ‘leuke’ kleine uitgeverijen en misschien nog maar eens een stuk over hoe de lokale boekhandel zich weinig solidair met schrijvers heeft opgesteld in coronatijd. Maar ik besefte dat het niet meer hoefde.

29 oktober

Frans Kellendonk schrijft in zijn dagboek (op 30 juni 1983) over de laatste Revisor-vergadering die hij als afscheidnemend redacteur bijwoonde. Al zijn mederedacteuren krijgen nog even een trap na, waarna hij concludeert: ‘Niemand staat ergens voor, iedereen zit daar een mythe in stand te houden en een pluim op zijn eigen hoed te steken. De Revisor! De dode zielen.’ Hoe anders zijn de herinneringen die ik heb aan mijn mederedacteuren bij Propria Cures. Stuk voor stuk talentvolle en sympathieke jonge mensen. Het is de gewoonte bij Propria Cures om redacteuren aan te duiden met initialen. Dat doet geen recht aan wat ik van Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun en Aron vind (in PC-traditie laat ik hier onze meelopers weg, maar van hen verwacht ik ook veel). Ik raak ontroerd als ik aan ze denk. Elk van hen kan op haar of zijn eigen wijze geweldig schrijven, en in de periode dat ik (gast)redacteur was, werkte ik dankzij hen mee aan het beste literaire blad van Nederland. Ik las het blad met enorm veel plezier. Maar daarnaast – ja, ik ga nu gewoon maar even door – heb ik mijn mederedacteuren leren kennen als erg aardige jonge mensen. Er zijn weinig redacteuren van Propria Cures uitgegroeid tot echt grote romanschrijvers, maar van mijn mederedacteuren heb ik hoge verwachtingen. Melle is erg grappig, Mathijs superintelligent, Billie is een talentvol dichter, de stukken van Tessa had ik graag zelf willen schrijven zo goed vind ik ze, Teun heeft veel gevoel voor het onderuithalen van reputaties en doet dat steeds beter, steeds meer als een echte fictieschrijver die zich toch ook aan de feiten houdt, en Aron heeft het gemeenste pennetje, terwijl ik hem in werkelijkheid heb leren kennen als een schat. Zou een van hen ooit een roman schrijven (of een dichtbundel, en dan denk ik vooral aan Billie)?

31 oktober

Verloren met dammen gisteren. Het was mijn eerste competitienederlaag van dit seizoen – misschien de avond ervoor toch iets te lang in de kroeg gezeten. Mijn vrienden van Propria Cures waren er niet eens, dus wat ik daar deed? Ik liep even rond tijdens mijn partij en een andere dammer die ik al heel lang ken zei dat ik steeds meer op mijn vader (die in 2015 is overleden) begon te lijken. Dat een zoon die ouder wordt steeds meer op zijn vader gaat lijken is natuurlijk een cliché als een dichtregel van Arjan Peters, maar waarschijnlijk heeft die opmerking er wel voor gezorgd dat ik niet veel later mijn partij verloor. Gelukkig speelde Ajax ’s avonds gelijk tegen Heracles. Straks naar Feyenoord kijken (uit tegen Sparta). Ook ben ik weer aan het lezen als jurylid voor de BNG Bank Literatuurprijs. Ben verdiept in een roman die is uitgegeven door Das Mag Uitgevers. Nou, verdiept is niet helemaal het goede woord. Waarom geven ze bij Das Mag vaak zulke saaie en slecht geredigeerde en oppervlakkige boeken uit? Hebben ze ooit iets van werkelijk literaire waarde het licht laten zien? En dat zinnetje dat ze achter in hun boeken laten opnemen – ‘Das Mag Uitgevers is in 2015 opgericht omdat we vonden dat er in de boekenwereld een hoop beter, mooier en eerlijker kon’ –, gaan ze daar nog concreet iets mee doen? Tot nu toe bleken het alleen maar holle praatjes te zijn. Das Mag is een goed voorbeeld van een pr-machine die zich voordoet als literaire uitgeverij. Het werkt, want veel mensen blijken er ontvankelijk voor te zijn. Ik heb het al vaker geconstateerd: wanneer woorden als ‘literatuur’ of ‘cultuur’ of ‘kleinschalig’ of ‘lokaal’ vallen, dan houden de meeste mensen op met nadenken en vervolgens grijpen oplichters en opportunisten hun kans.

1 november

Feyenoord heeft gewonnen van Sparta, dus we liggen nog steeds op koers om kampioen te worden. Nog iets over die leuke en sympathieke kleine uitgeverijen. Die vormen toch wel het bewijs dat je van lezen niet intelligenter wordt, wat leesbevorderaars daar ook over mogen beweren. Lezers laten zich alles wijsmaken. Er is een man die bij of voor een boekhandel werkt die beweert dat ik boekverkopers met NSB’ers heb vergeleken. Op Twitter kreeg hij voor deze opmerking talloze likes en steunbetuigingen. Die zijn van lezers, neem ik aan. Mensen die in een boekhandel komen en daar boeken kopen. Gelukkig zijn er ook nog lezers van Propria Cures. Ik vind het een eer dat ik een tijd voor hen heb mogen schrijven. Maar bovenal kijk ik met vreugde terug naar de tijd die ik heb beleefd met Melle, Mathijs, Billie, Tessa, Teun, Aron en de meelopers. Terwijl ik steeds meer op mijn vader ga lijken, zijn zij mensen die hij tot hun grote geluk nooit heeft gekend. Bijzondere mensen. Talentvolle mensen. Mensen die de literatuur gaan redden en die prachtige romans, dichtbundels, essays en columns gaan schrijven. Of gewoon een gelukkig leven gaan leiden.

AS

Van J.D. Salinger was bekend dat hij uitsluitend schrijvers las die lang en breed dood waren. Dat is misschien een beetje een overdreven aanpak. Bovendien kan die snel tot een karikatuur verworden. Kitschauteur Pieter Waterdrinker deelde ook een keer mee dat hij alleen nog doden las. Want die schrijvers van nu konden er allemaal niks van en de jeugd moest hem, Pieter Waterdrinker, niet, en niemand moest hem, en nu hij er toch over begon: ze pestten hem allemaal, en hij was toch eerder een auteur in de lijn van Dostojevski en Nabokov en Tolstoi, en Nederland was een tyfusland, en… Kortom, welkom in het gekkenhuis, waar de patiënten immers ook altijd schijnen te denken dat ze Jezus of Napoleon zijn en waar ze wéten dat echt iedereen tegen ze is.

Van Salinger naar Waterdrinker, dat is best wel een grote stap, of liever gezegd duik naar beneden. Van Pieter Waterdrinker naar Abdelkader Benali is echter maar een klein huppeltje, al is de ene netwerker uiteraard niet de andere netwerker (ik had hier eerst antisemiet staan, maar Benali is natuurlijk geen antisemiet, alleen als hij dronken is). Benali vindt, schreef hij in een column in Trouw, dat je alleen nog levende schrijvers moet lezen: ‘We moeten voorbij de canon van de babyboomers.’ Benali bedoelde eigenlijk de witte babyboomers, want een oude knar als Alfred Birney kon weer wel: de studie Nederlands moet, merkte Benali op, zien af te komen van ‘het ongewenste label’ dat het ‘een spierwitte studie’ is. Let op: Benali schrijft niet wit maar spierwit; hij heeft het niet over zomaar een label, maar over een ongewenst label. Dit taalgebruik is bepaald niet subtiel of suggestief. Het heeft niets met literatuur te maken, laat dat duidelijk zijn. Maar goed, laat die Benali maar lekker doortikken, zullen ze bij Trouw hebben gedacht, want, en, nou, ja – je weet eigenlijk niet wat ze op zo’n krantenredactie precies denken. Ik denk dat ze bevangen zijn door algehele krankzinnigheid.

Hoe dan ook, de column van Benali was tegen het zere been van allerlei neerlandici. Ze sputterden in elk geval een beetje tegen. Daarna wisten ze niet hoe snel ze Benali moesten aanwerven om lezingen op diezelfde universiteit die hij zojuist nog had beledigd te verzorgen of hoe spoedig ze hem moesten uitnodigen voor boeiende discussies over dit door hem aangezwengelde bijzonder interessante onderwerp.

Ik heb ook Nederlands gestudeerd en o god, wat schaam ik me voor mijn collega’s. Terwijl ik dit tik zijn ze op Twitter zelfs een actie begonnen onder de hashtag WIJZIJNNEERLANDICI. Ze leggen uit waarom ze Nederlands zijn gaan studeren en hoe belangrijk die ervaring voor hen is geweest en hoe fijn het voor anderen zou zijn om ook Nederlands te studeren.

Jeroen Dera, die inmiddels literatuuronderwijs onderzoekt en poëzierecensent is (lees ik op zijn tijdlijn), deelt mee dat er veel goede redenen zijn om je op universitair niveau in onze letteren en taal te verdiepen. En dan komt het: ‘Ik studeerde Nederlands, omdat spelen met taal mij op de middelbare school in het hart raakte.’ Ik denk dat sinds het pedonummer er geen viezere zin in Propria Cures heeft gestaan dan die ik zojuist van Jeroen Dera heb geciteerd. Spelen met taal. In het hart raken. De universiteit als kleuterspeelplaats waar je elk moment clichémannetje Jeroen Dera tegen het lijf kunt lopen. Moeder ga voor uw kind staan, Jeroen Dera komt eraan.

Lees ik schrijvers van nu, romans en gedichten van jonge mensen, gewoon, buiten de universiteit om, op mijn eigen houtje? Zeker. Ik lees zelfs ook boeken van mensen die doceren aan de universiteit. Een mooi boek is, ik noem maar wat, Verrek, het is geen kunstenaar van Edwin Praat. Het gaat over het schrijverschap van Gerard Reve. Reve is al een tijdje dood, maar volgens mij leeft Edwin Praat nog wel.

Dat is een van de aardige kanten van lezen: je kunt (over) dode en levende schrijvers lezen, over vroeger en nu, en zelfs over de toekomst, en om helemaal precies te zijn lees je als je literatuur leest eigenlijk helemaal nooit óver iets, nee, je leest iets wat er eerder niet was, je leest namelijk literatuur. Ik formuleer dit even zo scherp omdat dit vaak wordt vergeten, er wordt zelfs doorgaans niet aan gedacht. Er is hier al met al sprake van een iets ingewikkelder kwestie. Je ziet het de mensen die pleiten voor een universitaire studie Nederlandse taal- en letterkunde doen en ook Benali is van deze aanpak: ze devalueren literair taalgebruik en maken er een eenvoudig voertuig van voor het overbrengen van bepaalde menselijke waarheden en waarden. Literatuur en de bestudering ervan wordt een aanvulling op moraalfilosofie. En een moraal, dat is precies waar literatuur niet om gaat.

Zolang literaire fictie, of creatief schrijven, of scheppend proza, in dit licht wordt beschouwd, blijft het altijd een studie die zich ondergeschikt maakt aan andere studies, en zullen de Benali’s van deze wereld munitie in handen hebben om de studie Nederlands af te schieten. Arme schrijvers, dood of levend, die aan de hand van dergelijke moralistische of modieuze termen onder het vergrootglas worden gelegd. Neerlandici die de discussie met Benali aangaan, zetten de bijl aan de wortel van hun eigen vak. In plaats van dat ze trots zijn op hun eigenzinnigheid laten ze zich door Benali meeslepen de modder in – het slijk der onwetendheid. Ze moeten tegen Benali zeggen dat hij op moet tiefen.

AS

De coronacrisis heeft duidelijk gemaakt dat de venijnige lite­raire wereld – of de boekenwereld in het algemeen – er een is van eten of gegeten worden. Volgens mij heb ik in de vorige zin alles gedaan wat Stephen King verboden heeft, en in deze zin doe ik het weer. In Over leven en schrijven legt King uit dat je twee soorten werkwoordsvormen hebt: actieve en passieve. De passieve vorm moet je vermijden. Verder meldt hij dat het bijwoord niet je vriend is. Die opmerking zet hij zelfs cursief. De weg naar de hel is geplaveid met bijwoorden, laat King een paar alinea’s verder voor de zekerheid weten. Wat hij verder ook is, een subtiele schrijver is King niet. Inzichtelijk is zijn boek met leef- en schrijftips wél: je ziet waar Jan van Mersbergen zijn primitieve literatuuropvattingen vandaan heeft. Maar over Jan van Mersbergen – verrassende wen­ding! – gaat dit stuk niet. Het gaat over de literaire wereld en wat de coronacrisis daarover duidelijk maakt.

Schrijvers zijn in deze tijd altijd als eer­ste de pineut en je hoort er niemand over. Ik ben schrijver en ik vind het het mooi­ste beroep van de wereld. Voordat ik wat ik nu doe de hele dag deed, deed ik an­dere dingen. Ik heb gestudeerd, ik heb in dienst gezeten (ik was soldaat, geen officier), ik ben pr-functionaris geweest, ik heb zelfs een tijdje in een boekhandel gewerkt, bij Boekhandel H. de Vries in Haarlem, en ik heb in de porno-industrie gezeten. Ik ben ook recensent geweest – in die hoedanigheid besprak ik boeken van anderen voor een krant. Maar wat ik allemaal ook heb gedaan, niets bezorgt me zoveel vreugde als wakker worden, een kop koffie maken, aan mijn bureau gaan zitten en dan schrijven, precies zo­als ik nu doe, op dit eigenste moment. Dit is mijn situatie. Het is mijn leven.

En nu schrijf ik dít stuk, maar meestal zit ik hier een roman te schrijven. Of een toneelstuk. Ik schrijf, kortom, doorgaans aan wat wel een creatieve tekst wordt genoemd. Ik houd me bezig met fictie, met een niet-bestaande wereld. Ik doe iets wat veel mensen misschien wel zou­den willen doen. Maar dat kan niet. Niet iedereen kan schrijver zijn. Er zijn ook mensen die bijvoorbeeld in een boekhan­del moeten werken; zoals gezegd, ik heb dat zelf een poosje gedaan, daar schaam ik me niet voor. Een boekhandel bestaat echt, het is geen fictie – dat wil zeggen zolang dát nog duurt, dat de boekhan­del bestaat. In een boekhandel kan het bijvoorbeeld maandagochtend zijn. En op maandag kan het je allemaal weleens naar de keel grijpen.

Steven van Ammel is zo’n boekhande­laar voor wie het ook soms maandag is – voor wie het misschien zelfs wel elke dag maandag is. Daarnaast schrijft Van Ammel voor een krant. Hij heeft een column, begrijp ik van Facebook, in De Standaard der Letteren. Hij schrijft daar, zo liet hij ons trots door middel van het plaatsen van een foto van de column op Facebook weten, onder meer het vol­gende: ‘Het is een maandag, sowieso de slechts [sic] mogelijke dag om me uit te leggen hoe ik mijn passie moet belijden.’

Oké, het is niet meteen erg goed geschre­ven, het is zelfs slecht geschreven. Ge­lukkig bevat het wel een feitelijke mede­deling: het is maandag. Op welk moment in dit, míjn stuk, kan ik het woord ‘kan­toorhumor’ laten vallen. Nou, nu dus, het is gebeurd, het woord is gevallen. En verder gaan we. Wat voor verschrikke­lijks gebeurde er op de maandag waar­over Van Ammel het heeft? Dit: er kwam een schrijver de boekwinkel binnen.

Ik laat hier een stilte vallen, dat geef ik aan door met een nieuwe alinea te begin­nen (ik doe dit allemaal voor jou, Steven). Ik kijk uit het raam. Ik adem, ik leef. Ik kan door, wíj, Steven en ik, kunnen door. Wat gebeurde er? Steven, vertel, wat ge­beurde er? Dit. Die schrijver waagde het zich voor te stellen als de auteur van een van de boeken in de winkel. Van Ammel beschrijft de schrijver: ‘Hij zegt het op zo’n zelfvoldane wijze dat ik zelfs achter zijn mondmasker de grijns zie.’

Ik stel me voor dat Stephen King nu zo’n beetje in elkaar krimpt van ellende, de weg naar de hel is breed. Maar goed, een boekhandelaar hoeft natuurlijk niet te kunnen schrijven, maar hoe neerbuigend kun je zijn jegens een schrijver? Wat is Van Ammel hier aan het doen? Wees gerust, ik zal hier niet elke zin van zijn stukje met jullie doornemen. Het gaat me om de gedachte die erin wordt uit­gedragen. Om een fenomeen. Een trend. De schrijver die niet direct superveel verkoopt, verdient het om geminacht te worden. Elke dag komen er bij Van Am­mel, maar ook bij andere boekhande­laren, schrijvers de winkel binnen met zelfvoldane grijnzen achter ‘mondmas­kers’ die vragen waar hun boek ligt. En dat mag niet! We hebben het allemaal moeilijk, maar vooral de boekhandelaar heeft het moeilijk, niet de schrijver, die moet zijn mond houden.

Dat brengt me toch weer bij Jan van Mersbergen. Jan, schrijver van beroep, had een stukje geschreven en op Face­book geplaatst waarin hij als je het érg goed las heel misschien iets kritisch kon lezen over lezerscommunity Hebban. Die brave Jan! Altijd voorzichtig, altijd met iedereen aan het slijmen en nu had hij eens een keer een heel klein beetje kritiek. Hij kreeg prompt de wind van voren van Hebban-clublid Gigi van de Loo. Gigi van de Loo schreef in een re­actie: ‘O ja, volgens mij kun je [Jan dus] beter gebruik maken van de positieve kanten van Hebban, zoals met die leuke leesclub van onlangs, dan deze lezers te­gen je in het harnas jagen.’

Een schrijver bedreigen, of wegzetten als een zelfvoldane idioot… dat blijkt de meeste mensen gemakkelijker af te gaan dan solidair te zijn met hem of haar. Be­halve natuurlijk als de schrijver in kwes­tie een enorm goed verkopend fuifnum­mer is, dan kun je hem rustig steunen. Maar een schrijver die zich een beetje bezorgd maakt over zijn situatie, kan rustig belachelijk worden gemaakt en worden weggezet als iemand die mislukt is. Tot zover de solidariteit van boekhan­delaren en lezerscommunity Hebban met schrijvers. In de porno-industrie gingen ze netter met de acteurs om, zelfs als die niet succesvol waren.

AS

Omdat de avondklok bijna inging en ik geen wetsovertreder wilde zijn, haastte ik me plotseling weg van de bijeenkomst van Propria Cures die had plaatsgevonden in het souterrain van De Groene Amsterdammer – het tijdschrift, De Groene bedoel ik, dat mijn jongste roman Schoonheidsdrift niet veel later zou opnemen in hun lijstje van beste boeken van de maand februari. Bij het verlaten van het gebouw stootte ik tot twee keer toe heel hard mijn hoofd tegen de betonnen omlijsting van het raam waaruit ik klom. Duizelig stond ik op de Amsterdamse gracht en zoals dat gaat in dit soort gevallen: ik dacht terug aan alle keren hiervoor dat ik bijna een schedelbasisfractuur had opgelopen en in elk geval op z’n minst een lichte hersenschudding bleek te hebben na mijn strapatsen. Kortom, ik werd teruggevoerd naar de jaren dat ik jong was (ik zit dit te tikken met lichte koppijn en een zeurende aandrang om over te geven).

Ik ben opgegroeid als enige jongen in een gezin met verder drie zussen. Op een gegeven moment deden alle drie de zussen mee aan een Nederlandstalige uitvoering van de bekende musical The Sound of Music. Mijn oudste zus had de rol van moeder-overste en ik herinner me nog goed dat ze thuis het lied repeteerde over hoe hoog de berg lijkt en hoe diep het dal en dat je de juiste paden moet volgen en je oog op je doel moet houden: ‘Hoe hoog de berg lijkt / hoe breed de stroom / laat je hart je leiden / vecht nu voor je droom’. Het drong tot me door waar ik de tekst van Amanda Gorman al van kende over, en ik hoop dat ik nu niet alle nuances verloren laat gaan in de vertaling (maar wat misschien op positieve wijze scheelt is dat ik mijn eigen jeugd erin meeneem), maar ik begreep zoals ik al zei waar die tekst van Gorman vandaan kwam over het beklimmen van een heuvel, of de heuvel (om precies te zijn) die wij moeten beklimmen – het was allemaal net als in die musical, dat had het team van Gorman, want er was de hele tijd sprake van een team en Gorman moesten we eigenlijk beschouwen als een soort actrice of een model, iemand die slechts sprak namens het team, die het team een gezicht gaf, toch maar handig bij elkaar gesampeld.

De Nederlandse vertaler, of vertalers (hier was misschien ook wel een team aan het werk geweest), van de musical, ik heb het nu weer over The Sound of Music, had, of hadden dus, er trouwens wel een beetje een zootje van gemaakt begreep ik tóén al, jaren geleden, toen mijn zussen hun nachtegaalkeeltjes in ons huis lieten klinken. In het bekende lied ‘Do-Re-Mi’ hadden ze van ‘Doe, a deer, a female deer’ een doos gemaakt waarop je ’n deksel doet, ‘Ray, a drop of golden sun’ was in een ree veranderd die je in het woud vindt en ‘Me, a name I call myself’ was Mier geworden, die steeds maar werken moet.

Het schrijven van poëzie, het beoefenen van de romankunst en het vertalen van dichtwerk of proza zijn alle drie zaken waar je ontspannen mee om moet gaan – we hebben het hier immers over kunst, over al met al niet iets essentieels, over, laten we het zeggen zoals het is, amusement – maar waar beslist het een en ander bij komt kijken. Er is intussen wel iets veranderd, en dat is de aandacht voor de vertaler.

Een van mijn lievelingsboeken is The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (en de vervolgboeken ervan), geschreven door Douglas Adams, in het Nederlands vertaald als Het transgalactisch liftershandboek. En vertaald is in dit geval wel heel erg vertaald, want de hele boel begint in onze eigen Hollandse versie in het weidse landschap van de Wieringermeer, waar Hugo Veld woont, die eerder een huis had in Amsterdam, en waar zich ook een alien bevindt die Amro Bank heet (ja, en dit zeg ik zonder ironie, het is écht een goed boek). Op de achterkant wordt gesteld dat de vertaling virtuoos is, en dat wil ik best aannemen, maar waar ik op of in het boek dat in als ik het goed begrijp 2010 bij Boekerij (Meulenhoff) is verschenen ook kijk, nergens is de naam van die virtuoze vertaler(s) te vinden.

Tien jaar geleden was de vertaler nog niemand, en dan ook echt helemaal niemand. Kom daar nu nog eens om. Sylvia Witteman staat bijna levensgroot achter op haar vorig jaar verschenen vertaling (een zeer slechte vertaling, maar dit terzijde) van het boek van Sue Townsend over Adrian Mole – Sue zélf is geen velden of wegen te bekennen. De vertaler is een ster geworden, inclusief de bijpassende gespeelde bescheidenheid van de ster. Witteman: ‘Ik sta hier buiten. Dit is een beslissing van de uitgever. Ik heb geen enkele behoefte aan mijn tronie op welk boek dan ook.’ Wat ik zo raar vind aan rechtse mensen die tegen hypocrisie in het geweer zeggen te komen is dat ze zo vaak liegen, je ziet het bij Arthur van Amerongen, bij Pieter Waterdrinker en bij Sylvia Witteman. Dat geeft aan het woord hypocrisie een heel nieuwe dimensie.

Ik kom tot een samenvatting. In onze wereld is niets wat het lijkt dat het is. Gorman is geen dichter en degene die haar gedichten zou vertalen, Marieke Lucas Rijneveld, is geen vertaler. Van Amerongen, Waterdrinker en Witteman zijn niet oprecht. Wat ze wel allemaal zijn, zijn sterren – de sterren die mijn zussen even waren toen ze optraden in The Sound of Music. ‘Als de hond bijt, / als de bij steekt, zijn ze boos op mij. / Dan denk ik aan alles waar ik zo van hou / en ben ik meteen weer blij.’ Maar sterrendom en schrijven of vertalen gaan niet samen. Een schrijver of een vertaler hoort nooit een ster te zijn. Schrijvers zouden zich niet moeten bezighouden met succes, en lezers zouden daar ook hun hoofd niet over moeten breken. Lezen is een van de weinige dingen die we kunnen doen zonder dat we er rekening mee hoeven te houden wat het ons oplevert. Je doet het gewoon – en ik doe het bijna de hele dag. Dat wil zeggen, als ik niet schrijf of bijeenkomsten van mijn vrienden van Propria Cures bezoek.

AS

In dit land wordt onevenredig veel aandacht besteed aan politiek, of aan wat als politiek wordt beschouwd. Het wezen van een parlementaire democratie is dat je er weinig over hoort en dat je er geen last van hebt. De regering zou je kunnen vergelijken met een voetbalscheidsrechter: op het moment dat je de naam weet van de scheidsrechter, dan weet je dat er veel is misgegaan. Ken je de namen van enkele ministers, dan is het te laat, dan is het land hard op weg om naar de knoppen te gaan. Wij, burgers, stemmen eens in de vier jaar in het kader van de landelijke verkiezingen. In de vier tussenliggende jaren hopen we verder niks van die lui te horen, al was het maar omdat er nog nooit een politicus is geweest – in elk geval niet in ons land – die iets leuks heeft weten te zeggen. Dat is zijn of haar taak ook helemaal niet, dat is waar, maar laat ze dan ook niet aan het woord, laat ze niet onze avonden verpesten in talkshows op tv, maar laat ze gewoon hun bescheiden werkzaamheden verrichten.

Ik heb een keer tijdens een diner (avondeten) tegenover Hans van Mierlo gezeten. Ik zeg niet dat alle ellende in de wereld begonnen is met de oprichting van D’66 (later omgedoopt in D66), maar er is wel veel narigheid door D66 aan de wereld toegevoegd. Toen ik tegenover Van Mierlo zat, bleek Jan Wolkers zich ook in het restaurant te bevinden. Ik weet nog dat ik dacht: is Adriaan van Dis ook nog hier ergens, dan weet ik zeker dat ik me in de hel bevind. Van Dis was er niet, maar Van Mierlo dus wel, en die zei opeens: ‘Hé, daar heb je Jan Wolkers.’ Van Mierlo had hem dus ook gezien. Hij ging verder met: ‘Die heeft een keer gezegd dat het zo jammer is dat er in Nederland geen Lee Harvey Oswald is opgestaan om Van Mierlo, dat ben ik, dood te schieten.’ Daar had Van Mierlo het qua anekdote wat mij betrof bij mogen laten, maar hij keek werkelijk beteuterd voor zich uit, en om hem wat op te vrolijken, zei ik: ‘Dan vergeleek hij je toch mooi met John F. Kennedy.’ Dit leek Van Mierlo helemaal niet te bevallen. ‘Kennedy? Kennedy? Ik? Ik ben Hans van Mierlo.’ Hij schoof zijn stoel naar achteren en onder het uitroepen van de woorden ‘Ik ga het hem zeggen ook’, liep hij kwaad op Wolkers af.

Ik richtte me tot de tafeldame van Van Mierlo; ik heb – opgegroeid als ik ben in een gezin met drie zussen – altijd al beter met vrouwen kunnen opschieten dan met mannen. Een beetje verbaasd was ik over het feit dat er achter me geen geluiden klonken van oude mannen die stoelen omverwerpend elkaar te lijf gingen, over elkaar heen rollend door het restaurant, terwijl ze astmatisch en alcoholisch ademend bij elkaar de keel probeerden dicht te knijpen, dus ik draaide me om. Van Mierlo en Wolkers hadden elkaar weliswaar stevig vast, maar hier was sprake van liefde, ze omhelsden elkaar als de metromannen die ze in diepste wezen waren.

Zo ging het met politiek en literatuur in die tijd: dit was een wereld van mannen die zichzelf erg leuk vonden en die dit leuke herkenden in andere mannen. De meeste mensen stemden in die tijd dan ook niet op een politieke partij om de ideeën van die partij en kochten evenmin een roman om de verwachte inhoud ervan, nee, ze gingen voor leuke charismatische mannen. Wíj weten inmiddels dat charisma een ander woord is voor een fascistoïde levenshouding, maar in die tijd was dat nog niet algemeen bekend – terwijl we het in dit geval wel degelijk hebben over mannen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt. Van Hans van Mierlo naar Thierry Baudet is het overigens een kleine stap, alsof er geen jaren zijn verstreken.

Over het algemeen is het eenvoudig om in de politiek het kaf van het koren te scheiden. De volgende vuistregel kan daarbij behulpzaam zijn. Zit er in de afkorting van de naam van een politieke partij een D en is die D een hoofdletter en verwijst die D niet naar een lidwoord, dan heb je met een foute partij te maken. Moet een politieke partij in ons land in de naam van die partij benadrukken dat ze democratisch is, dan is ze dat nooit, zoals boeken die worden uitgegeven als literaire thrillers nooit literair zijn, en vaak niet eens thrillers, maar romans geschreven door Saskia Noort. Het is reclame, het is opsmuk, het is bluffen, het is een rad voor je ogen draaien, het is iets waardigheid verschaffen wat geen waardigheid heeft, maar het heeft nooit met wat die partijen echt nastreven of wat die boeken werkelijk zijn te maken. Partijen die naar het volk toekomen, die luisteren naar het volk, die vóór referenda zijn, die met de mensen in gesprek gaan en die gebukt gaan onder een ‘charismatische’ leider hebben een gebrek aan visie – zoals die zogenaamde literaire thrillers niet worden geschreven voor mensen die van lezen houden maar door mensen die van boeken verkopen houden.

Bij het uitbrengen van je stem op een politieke partij kun je je verder het best laten leiden door dit principe: heb je nog nooit van de lijsttrekker gehoord, heb je er geen flauw idee van hoe die eruitziet, kun je je kortom niet herinneren dat je hem of haar ooit op tv hebt gezien, dan kun je met een gerust hart het vakje achter zijn of haar naam rood maken. Het is eigenlijk hetzelfde als met het kopen van een goed boek: is het boek door de televisiegeile Adriaan van Dis geschreven (let op de hoofdletter D), dan weet je dat je bagger koopt. Zit er geen D in de naam van de auteur, dan zou het heel goed kunnen dat je een prima koop doet, behalve als de auteur Jan Wolkers of Saskia Noort heet. En voor onze eigen TD maak ik natuurlijk ook een uitzondering: wat een schrijver!

We zitten heel erg midden in de tweede golf van de CPNB-campagne #ikleesthuis en #kooplokaalookonline. Kortom, nog steeds maken uitgevers en lezers zich drukker om het overeind houden van die leuke plaatselijke boekhandel dan om het lot van schrijvers. Op social media werd een filmpje gepost waarop een boekhandelaar was te zien die zich als Sinterklaas had verkleed. Even zette hij zijn mijter af. Hij zei: ‘Schrik niet, ik ben het, uw lokale boekhandelaar.’ Naast hem was een enorme stapel boeken te zien. Geen enkele titel ervan had hij gelezen, maar hij raadde ze ons allemaal aan. Hij hield een boek in de lucht. ‘Kijk, Sonja Barend, dat is toch pure nostalgie. Heerlijk!’ Vervolgens werkte hij zich door de berg heen, flapteksten besprekend en wilde veronderstellingen uitend over wat er in al die interessante boeken zou kunnen staan. ‘Dat wil je toch allemaal lezen, mensen!’ Doe het dan, wil je hem toeschreeuwen, lees eens een boek! Misschien dat je dan ook niet naast zo’n stapel bagger zou gaan staan.

Het blijft een wonderlijk fenomeen: de lokale boekhandelaar als deskundige. Ze adviseren je boeken te lezen die ze zelden of nooit zelf hebben opengeslagen. Ze twitteren dat een bepaald boek een must-read is. Enkele maanden later posten ze een foto van datzelfde boek met de opmerking erbij dat ze het gaan lezen, tijdens de vakantie. Hoe konden ze het dan eerder aanraden? Wat zíjn dit voor mensen? Het komt er trouwens dan meestal ook niet van, op vakantie, druk als ze het hebben met het opmaken van hun armzalige centjes in dure lokale restaurants. Het zijn lokale boekverkopers, maar het blijven ondernemers. Lezen, dat is meer iets voor die idioten die in hun winkel komen en die je ondersteunen. Die lezen trouwens over het algemeen alleen maar onzin, want ze laten zich verrukt adviseren door hun lokale boekhandelaren – het is een vicieuze cirkel.

Laat ik het eens over mezelf hebben. Ik heb allemaal gedachten over literatuur, ik heb een eigen smaak, ik hou werkelijk van lezen, en binnen de kortste keren heb ik de aandrang nooit meer een boek te willen aanraken na een gesprekje met een boekhandelaar. Ik probeer hem of haar te ontlopen, ik probeer mijn oren te sluiten als ik bij de kassa af sta te rekenen, maar ze komen er toch altijd doorheen met hun boekentips, hun ‘deskundigheid’, hun grappige opmerkingen over titels, hun woordspelingen en hun eindeloze gelul. Uiteindelijk sta ik buiten met niet alleen het boek van míjn keuze, maar ook met het boek van hún keuze, dat ik heb gekocht omdat er werkelijk niet aan te ontkomen viel – ze zijn behoorlijk agressief, die lokale boekverkopers – en dat ik op straat meteen in een vuilcontainer kan smijten.

Corona heeft ons veel goeds gebracht, zoals dat we onze bezoeken aan de boekhandel kunnen beperken. We bestellen onze boeken lekker vanuit huis. Ik ben van goede wil (soms denk ik dat ik gek ben), dus ik besloot dat #kooplokaalookonline te doen. De ellende die vervolgens ontstond bleek nauwelijks te overzien. Het bestelde boek kwam laat. Er zat een briefje in van mijn lokale boekhandelaar. ‘Hallo! Wat fijn dat je dit boek hebt gekocht! We hebben nog meer prachtige boeken!’ Volgde een opsomming van boeken geschreven door bekende Nederlanders die kanker hebben gekregen, die uit de kast zijn gekomen of die in de overgang zitten – of die van alles tegelijk last hadden (of die bevriend waren met Anne Frank). Ik zette door. Ik deed nog een bestelling. Deze keer kocht ik Het meesterwerk van Émile Zola. Weer zat er een briefje van mijn lokale boekhandelaar bij: ‘Goede keuze, Arie. Een meesterwerk. Haha!’ En daar hield het niet mee op. In het boek bleek een foldertje te zitten van Schwob. ‘De mooiste boeken die u nog nooit heeft gelezen,’ las ik. Ik dacht dat het over mijn lokale boekhandelaar ging, die heeft de mooiste boeken ook nooit gelezen (hij heeft ze nog niet eens in huis, of in zijn winkel, om precies te zijn).

Wie of wat is Schwob? We hebben allemaal gehoord van Marcel Schwob (1867-1905), een Franse symbolistische schrijver. En nu komt het: zijn naam wordt misbruikt door een subsidieverstrekkende organisatie die – hou je vast, er volgt nu verschrikkelijk proza, want zo schrijven ze bij de subsidieverstrekkende organisatie Schwob – een ‘wereldkaart’ heeft laten ontstaan ‘die de landweggetjes en zijpaden van de vorige eeuw zichtbaar maakt’. Die landweggetjes en zijpaden zijn boeken – ik zeg het er maar even bij.

De meeste uitgevers hebben moeite met het uitgeven van literaire klassiekers, want die verkopen niet zo goed, ook omdat boekhandelaren ze liever niet in hun winkel aanbieden. Dat neemt maar ruimte in beslag waar ook een boek van Sonja Barend zou kunnen liggen. Zit er subsidie op een boek, dan verandert de zaak een beetje. Schwob zet in op ‘de pareltjes uit de wereldliteratuur in uitstekende vertalingen’. Pareltjes, het staat er; ‘uitstekende vertalingen’, ze schrijven het gewoon. En: ‘Door het hele land organiseren boekhandels leesclubs en lezingen met auteurs, vertalers en critici.’ Hier zien we hoe een corrupt netwerk wordt gecreëerd. Maar daarover de volgende keer meer.

Even terug naar hoe dit begon. Ik koop een roman geschreven door Émile Zola, toch niet echt een obscure schrijver. Ik wil dat boek hebben, alleen dat boek. Vervolgens krijg ik er allerlei gezwets bij, een flauwe grap, en reclame voor een organisatie die de markt voor het uitgeven van klassiekers volledig is gaan domineren, zodat de wérkelijk vergeten klassiekers geen kans meer krijgen en vergeten zullen blijven. Want zo werkt het in de praktijk: Schwob zorgt voor een enorme verschraling van het aanbod en vormt een aanslag op de leescultuur.

(wordt vervolgd)

AS

Er zijn allerlei cursussen en opleidingen die je op pad kunnen helpen schrijver te worden. Om schrijver te worden, en dat is een punt dat bij de meeste van die cursussen wel wordt meegenomen, moet je schrijven, daar kun je eigenlijk niet omheen. Dus krijg je allerlei tips over hoe je dat dient aan te pakken. Maar dan zijn we eigenlijk al een stap te ver, want er wordt daarbij van uitgegaan dat je iets zou kunnen hebben aan die adviezen; dat schrijven net als het bakken van een taart iets is wat je kunt leren. Een verstandig mens begrijpt op voorhand dat je niets aan die tips hebt, maar je hebt nu eenmaal iets nodig om een cursus een cursus te kunnen noemen. De optimistische gedachte bij mensen die schrijver willen zijn (maar die liever niet schrijven) overheerst dat als je eenmaal een cursus hebt gevolgd, daarna het schrijverschap vanzelf volgt.

Ik heb best wel lang over deze problematiek nagedacht, ook omdat ik zélf schrijflessen heb gegeven. Je zou dus kunnen zeggen dat ik boter op mijn hoofd heb. Tip: vermijd vaste uitdrukkingen als boter op je hoofd hebben, ze maken een tekst clichématig. Vervolgtip: gebruik soms juist wel een vaste uitdrukking, want iedereen weet meteen waar je het over hebt; het is eigenlijk geen cliché, maar idioom.

Soms spreek ik met andere schrijvers over schrijven. Ik ben daar niet dol op, maar soms gebeurt dat gewoon, en eigenlijk gebeurt dat het vaakst als die andere schrijver voordat hij of zij publiceerde een cursus heeft gevolgd waarin hij of zij de kneepjes van het vak onderwezen kreeg. Daar zijn ze meestal niet helemaal fris uitgekomen, uit die cursussen. Voor je het weet praten ze met je over hoe personages zich moeten ontwikkelen, over de drijfveren die je aan personages moet meegeven en wat het verschil is tussen een plot en een verhaal. Onzinnige kwesties waarover ze hebben geleerd na te denken en erover te praten op de opleiding.

Dit zijn tevens de schrijvers die versie na versie van hun ‘boek’ schrijven. Dat is altijd een teken van gebrek aan talent – een beetje schrijver schrijft het allemaal in één keer op. Ben je inmiddels bezig met je vierde versie, gooi dan liever de hele boel het raam uit, en jezelf erbij. Dat is mijn tip. Deze mensen werken ook vaak met ‘proeflezers’ of ‘meelezers’. Daarmee zijn we definitief in de hel van het amateurisme beland. Om een uitstapje naar de schilderkunst te maken: Rembrandt vroeg toch zeker ook niet aan zijn buurman/goede vriend/tante/collega op kantoor/echtgenote of die even wilde meekijken of het al een beetje ergens op sloeg, evenmin stelde hij de vraag of die ‘proefkijker’ of ‘meekijker’ op de continuïteit wilde letten, zelf raakte hij in de drift van het schilderen immers weleens de weg kwijt. Ja, Woody Allen (om een uitstapje te maken naar wéér een andere kunstvorm) neemt wellicht jonge meisjes mee naar de filmset, maar dat heeft er weer niks mee te maken.

Op Twitter kwam ik opeens het hoofd van een langharige schrijver tegen, een man, en het was niet Ilja Leonard Pfeijffer. In het kader van een project dat door Rosanne Y. Hertzberger was gelanceerd zou hij ons in een filmpje tips gaan geven voor het schrijven van een kort verhaal. Dat project van Hertzberger werd gevangen onder de noemer #zevenkunsten. Het is de bedoeling dat haar volgers zich elke maand met een ander ‘kunstje’ gaan bezighouden: het maken van een foto, het schrijven van een sonnet of liedje, het maken van een tekening. In april 2021 zijn de volgers van Hertzberger op die manier inmiddels aangekomen bij het schrijven van een essay, en de boel wordt in mei afgerond met het maken van ‘een werk met kunstvorm naar keuze (van opera tot borduurwerk)’. Marja Pruis reageerde op Twitter met de opmerkingen ‘vind t heel vreemd dit’, ‘ik snap t initiatief niet. Zo gek naïef’ en ‘Ik voel me heel zuur, zo stom als ik het vind. Alsof iedereen maar een kunstje kan beoefenen’.

Ik haalde diep adem en dacht aan een andere tweet, van Hertzberger: ‘Ik heb zoveel zin in dit gestoorde plannetje. Even buiten de comfort zone, iets nieuws en ongemakkelijks doen. Mijn hoofd door elkaar schudden. Iets maken zonder automatisme.’ (Haar columns schrijft ze blijkbaar op de automatische piloot.) Wilde ik mijn hoofd door elkaar laten schudden? Ik waagde het erop, ik klikte het filmpje aan.

Het hoofd met het lange grijs haar erop en ernaast en eromheen begon te spreken. Met zichtbare tegenzin begon het adviezen te geven. Gebruik meerdere personages. Plan niet alles vooraf. Werk niet met overgevoelige personages. Het duurde allemaal niet meer dan twee minuten, deze cursus. Maar gelukkig was er een vervolg van ongeveer dezelfde lengte. Daar gingen we weer.

Het is een kort verhaal dus je hoofdpersonage mag onsympathiek zijn, je zit er godzijdank slechts kort mee opgescheept. Laat als je het verder ook niet meer weet iemand binnenkomen met een revolver. Onthul op het laatst niet dat de hoofdpersoon een hond is of een zeepaardje, en als het dan toch een van die twee moet zijn, kies dan voor het zeepaardje. Als je het verhaal afhebt, haal dan de eerste en de laatste alinea weg.

Zuchtend waren we aan het eind van de cursus beland. In december leren we hoe je een foto maakt (knip de zijkanten eraf). En zo begeven we ons in rap tempo naar de ultieme cursus: hoe leg ik een goede lus in een touw als ik zelfmoord wil plegen? (Is het touw tien meter, snij het dan eerst doormidden.) In deze coronatijd staan ons vast nog vele leuke cursussen te wachten. Op dit moment twittert Rosanne de favoriete verhalenbundels van Tommy Wieringa. Doe er je voordeel mee!

AS

Over wat in Nederland literaire prijzen worden genoemd, is wellicht al te veel gezegd, maar blijkbaar niet genoeg, want het fenomeen bestaat nog altijd. Je zou verwachten, of hopen, dat literatuur of de literaire wereld zich niet met zoiets wezenlijk kinderachtigs zou bezighouden als het toekennen van prijzen, maar dan vergis je je dus. Het is volgens sommigen zelfs de enige manier waarop er nog op een zinnige manier over literatuur kan worden gepraat. Op de website van De Revisor laat Daan Stoffelsen (‘ik ben recensent, redacteur, jurylid, essayist’) zijn onafhankelijke licht schijnen over het belang van literaire prijzen in het algemeen en dat van de Boekenbon Literatuurprijs (waar Daan jurylid voor is) in het bijzonder.

Daan Stoffelsen schrijft proza dat tamelijk ondoordringbaar is. Hij schrijft zinnen als de volgende: ‘Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets [de Taalunie spelt Excelsheets met een hoofdletter, maar goed – AS] en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.’ Het is niet helemaal duidelijk wáár Daan precies aan meedoet, maar ik geloof dat hij het evalueren van het literaire jaar bedoelt. Meestal doet hij daar niet aan mee en soms doet hij daar wel aan mee, zoals wanneer hij bijvoorbeeld jurylid is van de Boekenbon Literatuurprijs.

Daan dicht aan dat lidmaatschap van de jury, of aan het evalueren van het literaire jaar door middel van (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists en prijswinnende boeken) – al die haakjes zijn van Daan; hij heeft een nogal nuancerende stijl – een bijzondere eigenschap toe. Dit ‘circuit’ corrigeert de waan van de dag: ‘Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.’ Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken.

Het frappeert altijd weer hoe juryleden van literaire prijzen zichzelf belangrijk maken. Of zichzelf als belangrijke personen beschouwen. Ik ken Daan persoonlijk, moet ik nu zeggen. Dat schrijft hij namelijk zelf in een ander stukje op de website van De Revisor: ‘Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur.’ Ik heb Daan inderdaad weleens gesproken, en dan maakt hij zichzelf helemaal niet zo belangrijk. Maar wat we wel moeten begrijpen is dit: een literaire jury kent niet zomaar een prijs toe, nee, die storten zich in een doortimmerd juryproces. Vlak na het bekend worden van de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, een longlist die door Daan mede is samengesteld (‘dat is het geheim van de jury’, klapt Daan uit de school van het doortimmerde juryproces, ‘je moet het eens worden’) deelt Daan dan ook mee: ‘Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof.’

Ik heb lang naar die zin en de context waarin die staat gekeken (en nagedacht over hoe goed ik Daan eigenlijk ken), maar ik geloof inderdaad dat Daan hier zichzelf en zijn medejuryleden lof toezwaait. Daar hebben ze toch even een puike longlist samengesteld! Een longlist die alle misstanden die in het verleden en in de waan van de dag en onder druk van de actualiteit zijn begaan mooi rechtzet. Natuurlijk, perfect wordt het nooit, dat begrijpt Daan ook wel. Daarom voegt hij eraan toe: ‘Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.’ Maar de kern blijft in tact: de jury heeft zijn werk uitmuntend gedaan en mooi corrigerend opgetreden.

Laat ik eens even helemaal teruggaan naar het begin van deze grote commerciële literaire prijzen. De eerste keer dat een dergelijke prijs in Nederland werd uitgereikt was in 1987: de AKO Literatuurprijs. Op de shortlist stonden H.C. ten Berge, J. Bernlef, Inez van Dullemen, Hermine de Graaf, Frans Kellendonk en J. Ritzerfeld (om alles enigszins te relativeren: wie leeft er nog van deze zes?). Voor zover literatuur een wedstrijd is en je belangrijke van minder belangrijke boeken kunt onderscheiden, was iedereen het er toen over eens dat Kellendonk met Mystiek lichaam het belangrijkste boek van de voorafgaande periode had geschreven. De jury trad echter fijn corrigerend op: de AKO Literatuurprijs 1987 ging naar J. Bernlef voor zijn roman Publiek geheim. Twee jaar later ging de prijs naar Brigitte Raskin voor haar roman Het koekoeksjong. Weer een jaar later werd Joost Niemöllers roman Wraak genomineerd.

Ik wil graag nog één keer Daan citeren: ‘Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren?’ Het is duidelijk: literaire jury’s gaan ons dat niet vertellen. Sterker nog, de keuze van een literaire jury toont ons júíst de waan van de dag. Boeken die morgen vergeten zijn, krijgen vandaag een prijs. Boeken die onthouden zullen worden, komen niet verder dan de shortlist, maar zelfs dat meestal niet. Wat al die shortlists en longlists wel laten zien zijn allerlei netwerkverbanden in de literaire wereld. Het is wellicht aardig om daar een andere keer wat uitgebreider op in te gaan. Nóg boeiender is het misschien om echt eens boeken te lezen, in plaats van er de hele tijd over te praten zonder ze gelezen te hebben. Dat laatste, praten over een boek zonder het te hebben gelezen, wérkelijk te hebben gelezen, gebeurt al genoeg in literaire jury’s. Dat verdient natuurlijk geen navolging. Het beste is het om al die door literaire jury’s samengestelde shortlists en longlists te negeren en je eigen smaak te volgen. Dat zorgt ervoor dat je minder bagger leest, bagger die morgen weer vergeten is.

AS

De meeste coronabesmettingen vinden op het moment in de huiselijke sfeer plaats, bijvoorbeeld tijdens familiebezoek. Hoewel ik niet geneigd ben aan een virus goddelijke of intentionele eigenschappen toe te kennen – een virus denkt niet na, het doet gewoon maar wat –, legt deze ontwikkeling wel iets bloot, maar eigenlijk wisten we al dat dit zo was, namelijk dat familie de pest is. Het is beter al die bloedverwanten te mijden. Doe je het niet voor jezelf, dan doe je het wel voor je vriend of vriendin, voor je partner zogezegd, ook al heb je die misschien nog niet. Het maakt overigens niet veel uit of je al een relatie hebt. De persoon met wie je de relatie al dan niet al bent aangegaan zal anders beweren, maar vanaf het eerste ogenblik van de kennismaking, zal hij of zij jouw familie haten, en jij die van hem of haar. Dat is zeg maar een biologische wet.

Ik kan hier vele voorbeelden uit romans geven. Zonen die vaders uitschelden, moeders die dochters naar het leven staan, een oom die zich aan zijn kleine nichtje vergrijpt, een schoonmoeder die optreedt als stokebrand in een aanvankelijk goed huwelijk, en zo voort en zo verder. Je zou kunnen tegenwerpen dat dit allemaal in romans gebeurt, in literaire fictie, en dat het slechts verzinsels zijn. Een Nederlandse romanschrijver legde onlangs op tv uit dat het decor het belangrijkst is in een boek. Je zou daar gemakkelijk de volgende conclusie aan kunnen verbinden: wil je het een beetje overzichtelijk houden, dan zorg je ervoor dat dit decor niet te groot wordt, en dus laat je de leden uit één familie elkaar naar het leven staan. Zoiets. (De Nederlandse romanschrijver in kwestie maakt het zich overigens over het algemeen nog eenvoudiger: zijn decor is gewoon een stad in Italië, en daar brengt hij het ene cliché na het andere over te berde – goed om zich heen kijken ho maar!)

Dat familie er is om te haten zou op die manier geredeneerd zuiver een literaire strategie zijn. Maar zo werkt het natuurlijk niet in de praktijk. Ook in werkelijkheid haten familieleden elkaar. Júíst in werkelijkheid, literaire fictie is slechts een uitlaatklep, zodat deze gevoelens zich kunnen ontladen.

Overigens is het nog steeds een taboe. Over het algemeen vindt men dat je familieleden niet mag haten. Het wordt als onbeleefd beschouwd kritiek op familie te hebben. En dat maakt familie zo gevaarlijk. Iedereen houdt de schijn op dat familieleden van je houden en dat jij van je familieleden houdt. Maar dat is natuurlijk niet zo. Je bent gewend aan ze, maar ze verzieken met hun verregaande bemoeizucht je leven. Ergernissen etteren onuitgesproken door. Allerlei duistere machtsverhoudingen treden niet aan de oppervlakte.

Het beste is afscheid van ze te nemen zodra het kan. Voor je het weet, ben je veranderd in iemand die het over zijn ‘moedertje’ heeft, daarmee verwijzend naar het seniele takkewijf dat als tachtigjarige nog steeds de hele boel manipuleert door het inzetten van emotionele chantage. Het eren van je vader en moeder is een van die christelijke waarden die om duistere redenen lastig uit te roeien zijn. Ook vanuit zuiver ethisch oogpunt is het goed om familieleden bij elkaar weg te halen. Mensen worden nooit rijk omdat ze hard werken, maar altijd óf omdat ze enorm veel geluk hebben óf omdat er geld in de familie zit. Dat is natuurlijk niet bijzonder eerlijk.

Ik herinner me dat een van de zonen van de grote Amerikaanse schrijver Saul Bellow hem een keer een brief schreef en om geld vroeg. Geruststellend deelde hij mee dat het een lening betrof. De zoon was toen een jaar of vijfentwintig. Hij vond dat hij recht had op dat geld omdat zijn vader nooit naar hem had omgekeken en op deze manier kon hij het een beetje goedmaken. Dat schreef hij ook allemaal in de brief. Hij kreeg een brief terug en daarin zette Bellow uiteen dat hij zijn zoon geen geld zou lenen. Hij voegde eraan toe dat zijn zoon zich maar eens moest afvragen wat hij, Saul, aan hém had gehad. Ik meen me te herinneren dat Saul Bellow schreef: ‘Er zit nog niet eens een goed romanpersonage in je. Zelfs als bijfiguur kan ik je niet gebruiken.’

Het is zaak bijtijds afscheid te nemen van familie. Een mooi moment daarvoor is wanneer je het huis uitgaat en bijvoorbeeld in Amsterdam gaat studeren. Pak dat afscheid zo drastisch mogelijk aan. Ga op kamers wonen, of in een studentenflat, of desnoods onder een brug, en laat je thuis niet meer zien, ook niet in de weekends met een tas vuile was. Die doe je gewoon zelf. Leef je eigen leven. Maak vrienden en vriendinnen, die worden je nieuwe familie, met als grote voordeel dat je die mensen zelf hebt uitgezocht en dat ze niet opeens herinneren kunnen ophalen aan de tijd dat je nog klein was en allerlei gênante dingen deed. Familie zie je gedurende de eerste achttien jaar van je bestaan, en dan is het wel weer mooi geweest.

Als het coronavirus ons iets leert, dan is het dat: familie is uiteindelijk slecht voor je. Bovendien wil ik ook weleens een roman lezen die niet over de moeder van de hoofdpersoon gaat, maar gewoon over zijn vriendin. Dat is voor iedereen leuker. Maar vooral voor de lezer. En daar doen we het allemaal voor.

AS

Vrijwel alle kranten die op de kwestie ingaan schrijven dat er al langer geruchten gingen, maar bij ons thuis was sprake van wel meer dan geruchten: soms maakte de mobiele telefoon van mijn vrouw om drie uur ’s nachts, bijvoorbeeld net op het moment dat wij de liefde lagen te bedrijven, een geluid. Ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven, ik heb zelf geen mobiele telefoon. Ik hecht eraan dit expliciet te vermelden, volgens mij pleit dit me op voorhand van van alles en nog wat vrij. Maar goed: er klonk dus een geluid midden in de nacht, en even later liet mijn vrouw me lezen wat er op het schermpje stond: ‘Schatje, komende zaterdag wordt je boek in de krant besproken. Vijf sterren. Maakt dat je blij? Liefs.’

Dat is, hoe zal ik het zeggen, best wel een raar berichtje. Misschien moet ik dit hier langzaam laten indalen bij iedereen voordat we verder met zijn allen onze gedachten laten gaan over de stand van zaken van de literaire kritiek in Nederland in het algemeen en de stand van zaken van het bedrijven van literaire kritiek door de persoon die dit berichtje verstuurde in het bijzonder, en kan ik dat doen door een alinea te vullen met iets wat ons allen gelukkig stemt. Daar gaan we.

Wat ik aan literatuur belangrijk vind is sfeer: een fraai decor, personages, of zeg maar gerust mensen, die bewegen in en door een bepaalde atmosfeer en stofdeeltjes (ja, ik probeer ook maar van alles om de stemming goed te houden). Personages, of zeg maar gerust mensen, die kortom léven en die genieten van de lucht die ze op hun huid voelen of van de adem van een ander die ze in hun gezicht voelen blazen. Een raam dat frisse lucht binnenlaat. Een gordijn dat wordt opengeschoven. Het maanlicht dat naar binnen valt. De gedempte kleurschakeringen die hierdoor op het bed en op de muren ontstaan. De aangename warmte.

Gaat het met iedereen weer een beetje? Dan kan ik misschien een stapje verder zetten. Een in het duister oplichtend schermpje van een telefoon kan er op een bepaalde manier wel bij horen, vind ik, dat past fraai in het beschreven tafereel: een lichtje in de verder donkere nacht, op het maanlicht dat de kamer binnenstroomt na, een lichtje van een telefoonschermpje dat bijdraagt aan de schoonheid van het ogenblik. Ja, ik weet ook wel dat dit lichtje spoedig dooft, maar zo is het leven, en dat is eveneens fijn: aan alles komt een eind. Dat zorgt ervoor dat je meer geniet van wat je hebt, al is het dan maar gedurende een korte tijdsspanne.

En als ik het dan toch heb over dat alles wel of niet snel voorbijgaat: mijn vrouw en ik kennen de literaire criticus al behoorlijk lang. Voor de duidelijkheid en om een dreigend misverstand voor te zijn: mijn vrouw schrijft geen boeken, nog niet althans. Ik hoop dat ze ooit haar memoires zal schrijven (tenminste, dat zeg ik nú zonder kennis te hebben van wat daarin zou komen te staan). Wat ze wél doet: ze redigeert boeken en de boeken die ze redigeert worden soms besproken door de criticus die we dus al vrij lange tijd kennen. Misschien is het dus helemaal niet gek dat hij haar een dergelijk berichtje stuurt. Of stuurde, moet ik inmiddels zeggen, want hij is op non-actief gezet, dat is niemand binnen de literaire wereld, en misschien zelfs wel een beetje daarbuiten, ontgaan.

Ik stel voor dat we hier weer even met zijn allen kalm ademhalen: het is namelijk natuurlijk wél gek, maar wat ik hier vertel gaat nog veel gekker worden, dus als ik dit al meteen gek noem, dan weet ik niet welke woorden ik straks moet gebruiken om de diepte van de waanzin aan te geven waarin we hoe dan ook zullen belanden met deze criticus en in deze literaire wereld.

Hij is op non-actief gezet, schreef ik, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook echt weg is. Doeschka Meijsing schreef in 1998 al over deze criticus (in De Groene Amsterdammer) dat hij niet weg zou gaan, dat hij nooit weg zou gaan; hij kijkt als iemand tegen hem zegt ‘zou jij niet eens weggaan’ gewoon de lucht in. Ze vergelijkt hem met de kikkerlakei die Alice de weg verspert: ‘Al de tijd dat hij aan het woord was, keek hij de lucht in, en dit achtte Alice stellig ongemanierd.’ (Ik ben een biografie over Lewis Carroll aan het lezen, vandaar deze belangstelling.)

Goed. Een andere keer, een andere nacht, een donderdagnacht denk ik, dezelfde vrouw en dezelfde man (ik). Haar mobieltje maakt een geluid en licht op op het nachtkastje dat aan de rand van ons bed staat, aan haar kant. Er komt een berichtje binnen van de criticus. Mijn vrouw laat het me na het door ons bedrijven van de liefde lezen. Er staat: ‘Schatje, komende zaterdag kraak ik het boek van [en daar staat mijn naam]. Maar wij blijven toch wel vrienden, hè? Kusje.’

Ik ben schrijver, ik sta boven kritiek, ik ben een stoïcijn. ‘Iets om naar uit te kijken,’ zeg ik. Ik tuur naar ons raam, naar het gordijn dat een beetje is opengeschoven, we wonen zo hoog en zo ver van ze vandaan dat de buren waarschijnlijk niet echt bij ons naar binnen kunnen kijken. Het maanlicht schijnt onze kamer in.

De zaterdag erop stond inderdaad de recensie in de krant, twee sterren meen ik me te herinneren. De roman in kwestie was mijn overal elders lovend besproken roman Maans stilte (zelfs van Pieter Waterdrinker kreeg ik een berichtje dat hij het een mooi boek vond; echt waar, ik lieg hier niets). Het is een roman waarin een MeToo-kwestie een rol speelt. Dat laatste berichtje van de criticus dat ik hier citeerde en dat mijn vrouw dus midden in de nacht kreeg was ik vergeten. Of ik had het verdrongen. Maar onlangs schoot het me weer te binnen. Om precies te zijn: het schoot me zojuist te binnen, terwijl ik dit stuk zit te schrijven. Zo zie je maar weer dat schrijven goed voor je is: allerlei zaken die je was vergeten keren terug in je geheugen.

AS

In een tijd waarin dankzij het coronavirus geen enkel festival doorgaat omdat we ons niet meer dicht op elkaar gepakt met zijn allen in één ruimte mogen bevinden – en dat wíllen we ook niet, want we willen niet ziek worden of anderen ziek maken, al wil ik voor mijn bejaarde schoonmoeder graag een uitzondering maken, maar die overleeft helaas altijd alles (ze is het type dat glas vermorzelt met haar tanden en ratten wurgt met haar handen, om met mijn lievelingsschrijver P.G. Wodehouse te spreken, of hoe was het ook alweer, de hele dag zit ik maar met boeken om me heen, heerlijk) –, wordt nu doorgepakt en adviseren subsidieraadgeefcommissies dat veel van die podia überhaupt overbodig zijn. Ik vind dat ze daar gelijk in hebben, zeker als die optredens de suggestie wekken dat ze iets verheffends bieden of met literatuur te maken hebben. Of iets verheffends bieden omdát ze met literatuur te maken hebben.

De wijze van argumenteren van die adviescommissies is misschien niet altijd even elegant. Ze hebben het vaak over verbinding en het tegengaan van uitsluiting. Ze hebben het kortom over van alles en nog wat, behalve over kunst. En bij de hier en daar geconstateerde belangenverstrengeling van commissieleden (mensen die in de culturele sector hun brood verdienen zijn doorgaans, zeker als ze zich aan de organisatiekant ervan bevinden, waar trouwens ook het meeste geld valt te verdienen, halve criminelen) kun je ook enkele treffende kanttekeningen plaatsen. Maar, wees eerlijk, en dat is waar het immers om gaat, hebt u ooit een literair festival bezocht dat, zeg maar, ook maar een béétje leuk of interessant was? Nee, je begeeft je er per definitie tussen krankzinnigen, hypocrieten, megalomanen en narcisten. Daar bestaat het publiek uit en de mensen die optreden zijn van hetzelfde laken een pak.

Literatuur hoort in stilte te worden genoten, thuis, en bijvoorbeeld niet aan de rand van het zwembad of liggend op het strand, en er moet zéker niet naar worden gelúísterd, onder geen enkel beding, zelfs al zou God Zélf de Bijbel inclusief alle apocriefe evangeliën komen voordragen. (Voordragen, het woord alleen al zorgt ervoor dat het me zwart voor ogen wordt.) Stel: je zit rustig thuis, en de telefoon gaat, en toch al zuchtend sta je op om die aan te nemen, en aan de andere kant klinkt een stem en die begint, ja, wat is het, een gedicht voor te lezen – dan wil je immers subiet dood? Er is zó veel rumoer rondom literatuur dat de literatuur zelf eronder dreigt te bezwijken, wat zeg ik, al bezweken is! Literaire festivals hebben nooit wérkelijk iets met literatuur te maken, evenmin als dat het geval is met literaire evenementen in, ik zeg maar wat, boekwinkels. Ook boekwinkels lijken trouwens verzamelplaatsen te zijn voor halvegaren, of waren, moet ik tot mijn opluchting zeggen, want er mogen er inmiddels nog maar twee tegelijk naar binnen. Ik zou zeggen: ook hier zou kunnen worden doorgepakt: wat is er precies tegen dat we onze boeken uitsluitend nog via de post bestellen?

Maar terug naar mijn hoofdonderwerp: literaire festivals zijn zelden alleen literaire festivals, want de organisatoren begrijpen zelf ook dat het dan een wel erg duffe boel zou worden. Het zijn, zoals bijvoorbeeld het Crossing Border Festival in Den Haag dat is, of was moet ik inmiddels gelukkig schrijven, want dankzij de wijsheid van de subsidieadviescommissie zal dit festival van de agenda worden geschrapt, gecombineerde festivals waar ook lekker veel popmuziek geprogrammeerd staat. Bands op een podium, daar valt iets voor te zeggen, dat is logisch, dat snap je. De langspeelplaat is indertijd uitgevonden omdat het nu eenmaal niet mogelijk is de hele band van je voorkeur voortdurend in je huiskamer te laten optreden. Hoe anders is dat met de literatuur! Een boek is niet ontwikkeld als alternatief voor de optredende schrijver. Het is andersom: de optredende schrijver is een alternatief voor het boek dat je in alle rust, en met de daarbij passende concentratie, en tegen een schappelijk bedrag aangeschaft (dat boek bedoel ik, dat is dus veel goedkoper dan zo’n takkeduur of, zoals ze in Den Haag zeggen, kankerduur kaartje van een festival), thuis tot je kunt nemen. Je moet er niet aan denken dat, ik noem maar iemand, Pieter Waterdrinker zijn nieuwe boek bij je op de bank zittend komt voorlezen.

Dat is over het algemeen het probleem van die gecombineerde festivals: niemand die werkelijk van lezen houdt zit erop te wachten dat de auteur van wie hij of zij het boek zou willen lezen dat boek ook komt vóórlezen. Dus de mensen die zogenaamd voor de literatuur naar die festivals gaan, houden in werkelijkheid in het geheel niet van literatuur. Ze houden van mensen die voorlezen. Nu is dat al een apart slag mensen. Mensen die ervan houden te worden voorgelezen, hoe oud zijn die precies? We hebben het kortom over kleuters of over fysiek volwassen mensen die geestelijk nooit uit hun kleutertijd zijn gekomen. En zelfs de kleuter die graag wordt voorgelezen kunnen we niet beschouwen als het prettigste type kleuter. Kleine kinderen die met plezier worden voorgelezen zijn over het algemeen nogal achterbaks.

Goed. Je stapt dus de zaal in waar de literatuur plaatsvindt, wordt voorgelezen, of hoe zeg je dat? De verstandige mensen staan allemaal in de zaal waar de band optreedt. Je bevindt je al met al tussen achterbakse, geestelijk onvolgroeide boomers en je luistert naar een of andere aansteller die niet tevreden is dat je zijn boek thuis leest, maar die je ook er nog eens uit wil voorlezen. Is dit cultuur? Is dit verheffend? Is dit literatuur? Nee, dit is de hel. De hel is een literair festival. Goed dat ze worden afgeschaft.

AS

De bel ging en in de tijd vóór we in quarantaine zaten leverde dat al de nodige paniek op, maar nu vlogen we meteen alle kanten uit. Het was ook zo’n raar tijdstip: net voor het eten. Maar daar bleek het juist om te doen te zijn, dat eten. Ik drukte – ja, je bent de man in huis of niet – na even diep te hebben ingeademd en mijn vrouw en mijn dochter tot kalmte te hebben gemaand op het knopje waarmee beneden de deur openging en met veel kabaal kwam een zwaarlijvige gestalte de trap op stommelen, onder de arm hield hij een plastic tas geklemd.

‘Ik ben je plaatselijke boekhandelaar!’ riep hij uit. ‘Ik heb je oproep op Twitter gezien en ik kom mee-eten! Support your local!’ Wat had ik nu weer op Twitter geplaatst? Ik herinnerde me het weer. Een grapje over boekhandelaren die we te eten zouden geven omdat ze het zo moeilijk hadden. Dat was dus niet handig geweest. ‘Anderhalve meter!’ riep ik op mijn beurt uit. ‘Ja, rustig maar,’ antwoordde de boekhandelaar. ‘Ik ben op de hoogte van de voorschriften.’ Hij kwam inderdaad keurig op tijd tot stilstand, nog zwaar nahijgend van het beklimmen van de traptreden. ‘Hoe hoog woon jij wel niet?’ vroeg hij toen hij weer kon praten. Hij keek met enig dedain om zich heen. ‘Wat een armetierige zooi. Nou, mag ik nog naar binnen, of hoe zit dat?’

Even later zat hij bij ons aan tafel. ‘Dat gaat precies,’ zei hij. Ik bekeek hem nog eens goed. Hij had een artistieke baret op zijn hoofd, droeg een oranjekleurige bril en had kleren aan die niet direct in de richting van grote armoede wezen. Hij had een gebruind gelaat; dat verried veel zonovergoten vakanties in het buitenland.

‘Wat veel boeken hebben jullie,’ had hij verzucht toen hij was gaan zitten. ‘Een breed assortiment, een gevarieerd aanbod. Dat kunnen wij ons in de winkel niet permitteren. Daar houden we alleen nog maar de bestsellers op voorraad. Ja, als je iets anders wilt, dan kun je dat wel bestellen. Je moet met je tijd meegaan, hè! Wij leveren bestellingen op maat. Bestel je bij ons een bepaald boek, dan sturen we je dát boek op en niet een ander boek. Je hebt het gegarandeerd binnen vier maanden binnen. Mooi persoonlijk kaartje van je lokale boekhandelaar erbij. Een boekenlegger van de winkel. Een euro of vijfentwintig verzendkosten. Ja, de kachel moet ook roken. Helemaal top!’ Hij keek even paniekerig om zich heen. ‘O ja, dat zou ik bijna vergeten. Het verrassingsboekenpakket!’ Hij had de plastic tas die hij even kwijt leek te zijn weer in de smiezen gekregen, pakte die en zette die op tafel. ‘Afgestemd op de persoonlijke voorkeuren van de boekhandelaar, de klant bedoel ik. Niet verlegen zijn, pak maar.’

In de plastic tas bleken drie boeken te zitten. Ilja Leonard Pfeijffer, Manon Uphoff en Pieter Waterdrinker. ‘Geheimtips,’ zei de boekhandelaar samenzweerderig. ‘Weleens van gehoord? We raden ze aan iedereen aan. We luisteren naar wat de klant wil en dan komen we toch telkens weer uit bij Ilja Leonard Pfeijffer. Perfect systeem. Dat is net even dat persoonlijke stukje advies dat je van je plaatselijke boekhandelaar krijgt.’ Hij pakte uit een broekzak een papiertje. ‘De factuur. Drie romans. Door mij bij jou thuisbezorgd. Plus wat extra in rekening gebracht om de stenen boekhandel overeind te houden, zonder welke, mooi gezegd, zonder welke… waar was ik, ja, zonder welke immers het straatbeeld totaal zou verarmen. Leve de cultuur! Dat is honderdvijftig euro.’ Hij zweeg even en zei toen: ‘Waar blijft het eten?’

Ik had al aan mijn dochter, die de schalen en borden nu op tafel begon te zetten, stiekem in de keuken uitgelegd dat hij de plaatselijke boekhandelaar was, ook wel ‘de boekhandelaar van om de hoek’ genoemd, en dat we hem met respect moesten bejegenen. ‘Hij verkeert in zwaar weer,’ had ik gezegd. ‘Het water staat hem aan de lippen. Als je denkt dat ze het in de zorg moeilijk hebben, denk dan nog een keer. Het is onbegrijpelijk dat er niet elke dag door de mensen op balkons voor de plaatselijke boekhandelaar wordt gezongen en geklapt. Helden! Dat zijn het!’ Mijn vrouw begon de boekhandelaar op te scheppen. ‘Hoeveel wil je?’ vroeg ze (ze tutoyeerde hem; ze is redactrice en zit dus ook in het boekenvak). ‘Minstens veertig procent,’ antwoordde de boekhandelaar. Hij nam een slok van zijn wijn. ‘Hm… dat kan beter… Wat verdien jij eigenlijk?’ vroeg hij aan mij. ‘Tien procent, hè, per verkocht boek. Ik vraag me trouwens af waar ze jouw boeken verkopen. Bij mij komt die rotzooi er niet in. Maar goed, dat moet je natuurlijk zelf weten, dat je literatuur schrijft.’ Hij trok een vies gezicht. Het was niet helemaal duidelijk of dat met de wijn of met het woord ‘literatuur’ te maken had.

Plotseling had hij een stapel systeemkaartjes voor zich liggen en die begon hij druk te beschrijven. Daarna legde hij ze een voor een bij de schalen met eten. ‘Meeslepende aardappels. Je persoonlijke tip van je plaatselijke boekhandelaar,’ schreef hij er op een. ‘Doperwten die je leven veranderen’, ‘ontroerend’ (dat sloeg op de sla), ‘deze veganworstjes raken me, écht!’ ‘Dat hoeft niet, met die kaartjes,’ zei ik. ‘O, macht der gewoonte,’ zei de boekhandelaar. ‘Kom, vertel eens,’ zei hij, nadat hij een boek uit onze kasten had geplukt. ‘Wat is dit?’ ‘Een boek,’ zei ik. ‘Jammer, niet alle pagina’s zijn helemaal bedrukt.’ ‘Het is een dichtbundel,’ zei ik. ‘O,’ zei de boekhandelaar. ‘Een dichtbundel. Nee, dat zegt me niks. Of ja, vroeger hadden we die wel in de winkel. Maar die raakten we aan de straatstenen niet kwijt. Zijn we mee gestopt. Smakelijke voortzetting, hè!’

AS

Amsterdam, woensdag 8 april 2020. In hoeverre is de buitenwereld voor een schrijver, of laat ik maar gewoon zeggen voor mij, een inspiratiebron? Er zijn enkele plekken waar ik graag naartoe ga, en dat is nu niet meer mogelijk. Maar leidde dat weggaan toch al niet gewoon af van wat ik werkelijk moet doen, namelijk hier – thuis – zitten en schrijven en dat wat ik heb geschreven via de mail versturen zodat andere mensen er een boek of een artikel van kunnen maken die weer andere mensen nadat ze het boek of het tijdschrift waarin mijn artikel staat bij hun lokale boekhandel hebben besteld en hun postbode het voor de deur heeft gelegd of onderaan de trap heeft gedeponeerd waarbij elke fysieke nabijheid tussen postbode en die belangstellende lezers is vermeden op hun gemak thuis kunnen gaan zitten lezen? (Je zult maar geen tuin of balkon hebben waarin of waarop je op je gemak de voorafgaande enigszins ontsporende zin – maar op welk moment dat precies gebeurde valt moeilijk te zeggen – hebt kunnen lezen.)

Ik droom naar, ik droom heel naar, de laatste tijd. Wat vooral naar is, is dat ik zo vaak droom. Wees niet bang, ik ga mijn dromen hier niet navertellen, voor zover dat ook maar enigszins mogelijk zou zijn, want ze worden gekenmerkt door een diepe angst en niet zozeer door een helder te volgen sequentie van gebeurtenissen. Maar bovendien schijn je dat niet te mogen doen, je dromen navertellen (zoals je ook nooit een zin met het woord ‘maar’ mag beginnen), dat vindt iedereen heel vervelend, maar blijkbaar laat de hele situatie in quarantaine me niet onberoerd. Natuurlijk, ik kan nog wel een beetje naar buiten, als ik daar behoedzaam mee om zou springen, maar wat zou ik daar moeten doen? Cafés zijn dicht, de bioscoop is dicht, in een winkel kun je alleen onder allerlei beperkende voorwaarden naar binnen. De twee keer dat ik buiten ben geweest, mijn huis uit, gingen mensen ruzie met me maken. Een Marokkaan – die uiterst moeizaam zijn auto aan het inparkeren was – vond dat ik te lang naar hem keek en een bekakt wit stel meende dat ik de magazijntrolleys van een supermarkt niet goed had vastgezet alleen maar omdat ik (en ik meende daarmee een goede daad te verrichten) er een probeerde tegen te houden die op de stoep door de wind op drift was geraakt; hij dreigde tegen een geparkeerde auto aan te rollen. (Wat heb ik trouwens met auto’s te maken? Ik ben tegen auto’s en autobezitters; mensen die een auto hebben weten dat niet van zichzelf, maar ze zijn natuurlijk misdadigers, zoals ook mensen met een eigen huis dat zijn.) Ik mis buiten helemaal niet, toch droom ik over buiten. Blijkbaar mis ik wel íéts, maar is het lastig de vinger te leggen op wat dan precies. Ik moet denken aan de slotzinnen van Sabbaths theater van Philip Roth: ‘En hij kon het niet. Hij kon verdomme niet doodgaan. Hoe kon hij vertrekken? Hoe kon hij gaan? Alles wat hij haatte was hier.’

En zo is de dood verschenen in dit schrijven, en denk ik aan de dood, dan denk ik al snel aan Pieter Waterdrinker. Dat is niet omdat hij zo mooi over de dood zou schrijven – dat is niet het geval – maar omdat hij een, en misschien zelfs wel dé, vertegenwoordiger is van wat er mankeert aan veel ‘literatuur’ van onze tijd: die ‘literatuur’ is imitatie (vandaar de aanhalingstekens), en ook nog eens slechte imitatie. Pieter Waterdrinker is de Rumagtekstschijver van de Nederlandse literatuur. We kunnen het Pieter niet eens helemaal kwalijk nemen, want die doet met zijn beperkte verstandelijke vermogens op zijn door rancuneuze gevoelens voortgedreven wijze ook maar zijn opportunistische best. Nee, het zijn vooral zijn fans die je bijkans tot waanzin drijven met hun kritiekloze bewondering.

Pieter Waterdrinker manifesteert zich ook op Twitter. Hij bedreigt en beschimpt mensen, schijnbaar in het wilde weg maar altijd met een berekenend doel, om vervolgens weer als het hem commercieel zo uitkomt opeens iemand (een recensent, een boekhandelaar, iemand die hem vooruit kan helpen in de literaire wereld, een redacteur) buitenissig te complimenteren. Pieter is op Twitter een uitgesproken agressieve en dan weer plotseling liefdevolle ADHD’er. Hij heeft de ene belegen stoplap nog niet de wereld in geslingerd of daar volgt alweer een nieuwe clichématige verzuchting; wat dat betreft onderscheidt hij zich niet van nogal wat andere twitteraars.

Het vreselijkst is hij echter wanneer hij iets over Nabokov of Dostojevski of Reve opmerkt. Het is altijd feitenvrije kennis die hij met ons deelt. Hij vertelt bijvoorbeeld een anekdote over Reve, citeert uit zijn hoofd en prompt verkeerd, en wekt überhaupt niet de indruk dat hij ooit een boek van Reve heeft opengeslagen. Maar hij neemt het voor Reve op! Zijn fans denken ook echt dat hij het voor Reve opneemt, omdat zij evenmin ooit een boek van Reve hebben opengeslagen of weten waarover ze het hebben. Pieter gebruikt de literatuur van anderen zoals ze dat bij Ikea doen: die boeken staan in de toonzalen in de kast, het zijn fascinerende titels, maar dat is hun functie: ze staan in de kast. De literatuur is in de handen van Pieter en zijn fans volledig dood.

Een volgende keer vertel ik over die ochtend dat ik Pieter in de trein tegenkwam en hoe Pieter meteen in grote woede ontstak toen ik vriendelijk ‘Dag, Pieter’ zei. Gelukkig zitten we tegenwoordig allebei veilig binnen. Er is meer dan genoeg narigheid in de wereld, en ook al ruimschoots voldoende bij mij thuis.

AS

Het coronavirus haalt bij de mensen die, zoals dat zo lelijk heet, ‘in het boekenvak werken’ het slechtste naar boven. Ik weet dat het niet goed gaat met ‘de markt’, dat de ene stenen winkel na de andere voor altijd de deuren moet sluiten en dat uitgeverijen zich gedwongen zien op te gaan in grotere concerns waarna we nooit meer iets van die kleine sympathieke bedrijven, met hun grijpgrage seksistische uitgeefbaasjes aan het roer (die weggesluisd worden naar een minder belangrijke functie waar ze weliswaar hun MeToo- achtige activiteiten kunnen voortzetten maar minder op de voorgrond treden), horen, maar het aangrijpen van deze gezondheidscrisis om smakeloze reclamecampagnes op te zetten lijkt me niet de redding van de business. Laat het echter gerust aan de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) over om iets wat in beginsel zo smaakvol zou kunnen zijn – namelijk het lezen van een boek in alle rust thuis – te doen verworden tot een ranzige commerciële bezigheid.

En zo zaten we opeens op de sociale media opgescheept met #ikleesthuis – een hashtag die was bedacht door een publiciteitsgeile kinderboekenschrijfster en die werd omarmd door iedereen in de boekenbusiness die het fijn vindt een dansje uit te voeren op een nauwelijks afgekoeld lijk. (Of beter meervoud, lijken; het dodenaantal loopt nog altijd op.) Iedere in financiële paniek gebrachte uitgever en alle medewerkers van die uitgever begonnen de hashtag te gebruiken – de medewerkers deden dat min of meer gedwongen omdat als ze niet leuk mee zouden doen er werd gedreigd met ontslag – in een wanhopige poging de grootst mogelijke leesbagger aan de voor het virus beduchte man (vrouw/anders) te brengen. Goedwillende idioten begonnen in hun tweets eveneens gebruik te maken van #ikleesthuis, en de CPNB zorgde voor de nodige verkooptechnische ondersteuning in de vorm van beeldmateriaal (posters) en online banners: ‘Deze leesbevorderende campagne met het “thuislezen” roept mensen op naar hun (online) boekhandel te gaan.’

Op die manier was het begrip ‘thuislezen’ geboren, tussen aanhalingstekens, want als de CPNB het over lezen heeft, heeft ze het in werkelijkheid altijd over het verkopen van boeken en leesbevordering is ook al niet wat het woord lijkt te zijn: het is verkoopbevordering. Daarbij wordt niet geschroomd allerlei drogredeneringen in te zetten. Eveline Aendekerk, de directeur van de CPNB, legde uit dat boeken voor ‘een beetje troost, ontspanning en ontsnapping zorgen’. Ze liet dit volgen door de toverformule van onze tijd: ‘Maar boeken kunnen ook nu voor verbinding zorgen’, en die verbinding kan worden bereikt door ‘bijvoorbeeld’ (o, gruwel) ‘elkaar voor te lezen’. Waar dat ‘bijvoorbeeld’ op slaat is me onduidelijk, want wat kun je anders doen dan een boek lezen of voorlezen? Ja, je zou het kunnen verbranden, maar een gezellig kampvuurtje zal wel weer niet onder de definitie vallen van de CPNB van wat verbinding is. Ik lees trouwens altijd thuis, en nooit voor – ik hou niet van voorlezen of van voorgelezen worden, op de lagere school vond ik het al een verschrikking als de meester een boek pakte en met ons die troep deelde waarvan hij dacht dat het leuk of mooi was – en van verbinding moet ik ook niets hebben, ik ben al verbonden genoeg, ik lees juist om even niet verbonden te zijn.

Maar het gaat allemaal nog verder. Op de sociale media werden al snel filmpjes vertoond van ‘schrijvers’ (ook dit zet ik tussen aanhalingstekens, want ik zag dat de alom aanwezige Jaap Robben meteen in actie was gekomen) die boeken van ándere schrijvers (maar wel van hetzelfde uitgeefhuis natuurlijk) gingen zitten aanraden. Een perpetuum mobile van elkaar incestueus naar voren schuivende schrijvers ontstond. Zogenaamd spontaan, maar stuk voor stuk onder dezelfde noemer vallend: #ikleesthuis, en ertoe aangezet door hun uitgever. Iedereen, dat wil zeggen de gewone man en vrouw, las inmiddels op deze manier commercieel aangedreven en lijdend aan een enorm schuldgevoel thuis, behalve de medewerkers van de CPNB, want die begonnen prompt rancuneus na te trappen. Zo twitterde CPNB-medewerker Job Jan Altena: ‘Als ik niet nu moest thuiswerken, dan was het nu #ikleesthuis (in de zon).’ Ja, je hebt luiwammesen die lekker thuis zitten te lezen, die wérkelijk de godganse dag thuis zitten te lezen, of die elkaar verbindend aan het voorlezen zijn, en je hebt Job Jan Altena, geen klaploper, die doorwerkt, tot hij er dood bij neervalt.

Je hoopt dat zo’n coronacrisis ervoor zorgt dat de mensen een beetje meer stil zullen staan bij hun gedrag, dat er hier en daar wat reflectie zal optreden. Maar nee, daar hoeven we ons geen illusies over te maken: die lui van de CPNB blijven net zulke imbecielen als ze altijd al waren. Iets wat per definitie in eenzaamheid moet worden gedaan, lezen, moet van hen per se een groepsactiviteit worden onder een verbindende hashtag opdat de verkoop van boeken kan worden opgestuwd. Samen koopt men meer dan alleen. Maar voor een groep geldt: het niveau ervan is zo laag als de intelligentie van het domste lid ervan. Ik denk nu aan Philip Huff. Ook het televisieprogramma Mondo sloot zich namelijk met hun eigen thuismongool aan bij #ikleesthuis. In de Mondo Quarantaine Klassieke
Boekenclub begonnen ze onder leiding van Huff én Alma Mathijsen (het niveau stijgt…) met het lezen van De pest van Albert Camus: ‘Zij [Philip en Alma] geven aanwijzingen, leestips en opdrachten. Lees gezellig mee met Nadia Moussaid en alle anderen.’

Ik voorspel een voortgaande ontlezing door #ikleesthuis. De CPNB zal, in samenwerking met de VPRO die Mondo uitzendt, niet rusten voor het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder uit Nederland verdwenen zal zijn. Ik denk dat het ze gaat lukken en dat binnenkort ook de laatste (online) boekhandel de (digitale) deuren definitief dichtgooit.

AS

In mijn jeugd ben ik slechts één keer misbruikt. Toegegeven, er waren ook de achtervolgingen van een man op een Solex als ik ’s morgens naar school reed op mijn fiets. Hij wist zich altijd vroeg of laat naast me te manoeuvreren als ik bijvoorbeeld voor een stoplicht stond te wachten. Dan probeerde hij een gesprek met me aan te knopen. Hij vroeg vaak hoe het met mijn broer ging. Het leek me verstandig om niet te zeggen dat ik geen broer had. Ik wilde mijn stalker niet te veel informatie toespelen. Ergens in mijn achterhoofd was ik bovendien bang dat hij niet alleen mij maar ook mijn broer zou gaan achtervolgen – maar die angst sloeg dus eigenlijk nergens op.

Zo zie je hoe snel je in een fantasiewereld belandt: op het ene moment heb je geen broer en op het volgende moment maak je je zorgen om hem. Iets is er niet en vervolgens is het er wel. Ik las V.S. Naipaul, die in een voorwoord bij een herdruk van zijn roman Een huis voor meneer Biswas schrijft: ‘Ik had geen talent. Ik was me er althans niet van bewust.’ Iets verderop: ‘Het talent zou later wel komen, dacht ik, als ik volwassen was. Zuiver vanwege mijn wens schrijver te worden, beschouwde ik mezelf als een schrijver.’ Ik vroeg me af of dit niet gewoon over Eus ging, ik bedoel Özcan Akyol. Maar dat kan natuurlijk niet. Naipaul schreef dit in maart 1983. Eus werd ruim een jaar later geboren. Hij bestond nog niet in 1983. Hij was nog geen echt mens.

Voor Akyol – dat is Eus – is het woord ‘echt’ belangrijk. Vandaar dat ik misschien zojuist ‘echt’ schreef voor ‘mens’. Je begeeft je op die manier wel op een glijdende schaal, realiseer ik me. Echte mensen, geen echte mensen… ‘Dat is niet alleen laakbaar, dat is bijna fascistisch,’ zou Eus waarschijnlijk opmerken, al had hij het deze keer over een boekhandelaar uit Veenendaal, de bekende bijna-fascist Albert van Kooten. Ik heb ook weleens kritiek op boekhandelaren; de bijna-fascisten heb ik echter tot nu toe genegeerd. Maar over de juiste tactiek om deze lui aan te pakken kun je inderdaad twisten.

Ik had het over het woord ‘echt’. Dat komt in Eus’ essay Een generaal zonder leger erg vaak voor, bijvoorbeeld hier: ‘Echte literatuur, heb ik geleerd, is proza waarin er verwijzingen worden gedaan naar Bijbelse, mythologische en historische figuren, dan ben je pas echt een intellectuele klasbak.’ Uit elk boek kun je wel een zin halen die niet zo goed is, bijzonder aan Een generaal zonder leger is dat er geen enkele zin in staat die ook maar een beetje goed is. Alle zinnen zijn helemaal slecht! Zojuist citeerde ik voor de tweede keer een zin eruit en weer zie ik dat er van alles mis gaat in die zin. Ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat Eus heeft geleerd dat wanneer we het over literatuur hebben we uitsluitend proza bedoelen, maar dat schrijft hij wel. (Persoonlijk ben ik geneigd bij literatuur eerder aan poëzie te denken, maar ik ben dan ook volkomen van de ratten besnuffeld.) En wat zijn ‘verwijzingen doen’? Zeggen ze dat op de universiteit? Of waar dan ook? Dat denk ik niet. Goed. Het gaat me bij deze zin vanzelfsprekend om dat ‘Echte literatuur’ en de opmerking dat je dan ‘pas echt een intellectuele klasbak’ bent. Eus is al met al geobsedeerd door het woord ‘echt’ Hij heeft er allerlei dwanggedachten bij. Terwijl (ja, ik berijd nu mijn stokpaardje, hoor): het aardige van literatuur míj nu juist lijkt dat de inhoud ervan niet echt is – en de wereld daarbuiten wel. Ja, soms sta ik er zelf ook versteld van, van wat ik allemaal weet. Voor Eus is het precies andersom. Hij weet niks. Nee, ik bedoel: voor hem is de inhoud van literatuur echt, en is het leven nep. Heeft hij het over een boek, dan heeft hij het prompt over een ‘hoofdkarakter’. Waarschijnlijk noemt hij de mensen in zijn straat ‘personages’.

Laat ik die zin waarin hij het over een hoofdkarakter heeft ook maar citeren: ‘De professor, een energieke man, type ongewenst levensredder, wilde met ons praten over het lammetje in mijn boek, een beest dat genadeloos voor de ogen van het hoofdkarakter werd afgeslacht, ondanks het feit dat zijn ouders op de hoogte waren van een wederzijds vriendschappelijke band.’ Ik wil niet beweren dat er enige minachting voor de lezer uit deze zin spreekt – daar houden Eus en ik niet van, het minachten van de lezer – maar op iets wordt er wel neergekeken, en dat is de Nederlandse taal. Ik schrijf dit op, en ik vind dit meteen zo’n pedante opmerking van me, of zoals Eus zou zeggen: het is ‘slechte recensistiek’. Daarom wil ik benadrukken dat dit geen recensie is. Dit is een verslag van die ene keer dat ik in mijn jeugd werd misbruikt. Die kwestie dreigt een beetje ondergesneeuwd te raken onder al het taaltumult van Özcan Akyol (over spreekwoorden en beeldspraak gaan de energieke professor en ik het een volgende keer hebben, samen met de bijna-fascistische boekhandelaar).

Kwam er een schrijver op de school van mijn dochter, dan hield ik haar thuis. Eus: ‘Ik weet nog dat ik een groep schrijvers moest trainen die in het kader van de “Boekenweek voor Jongeren” schoolbezoeken zou afleggen.’ Ik weet nog. Trainen. In het kader van. Schoolbezoeken afleggen. Maar ik laat me weer afleiden. Weten de mensen wel wat die schrijvers op scholen doen? Ja, achteraf zie je het aan zo’n schrijver, maar het gaat erom dat we nú ingrijpen. Op die manier kan veel leed worden voorkomen. Zoals Özcan Akyol schrijft: ‘Het welvaartsgeneuzel over de inrichting van het boekenvak heeft te lang geduurd.’ Hij heeft helemaal gelijk. Dat gekkenhuis moet volgestopt worden met al die schrijvers en dan moet de deur op slot. Ik wil ze niet meer op straat zien. En op onze scholen moeten ze zich al helemaal niet meer vertonen. Echt. Viezeriken.

AS

*Noot van de redactie: de titel van dit stuk stemt nog van voor het verlengen van de boekenweek. De redactie hoopt dat de in deze kop gedane belofte aan het eind van de maand alsnog wordt ingelost.

Altijd heb ik aan mezelf gedacht als aan een prozaïst, iemand die proza schrijft dus, over poëzie had ik nooit nagedacht om die te schrijven. Maar ik bleek intussen stiekem heel wat gedichten te hebben geschreven. In mijn jongste roman, List en leed, staan er twee; iets waaraan door de critici, die over de hele breedte positief over het boek waren, geen aandacht werd besteed. Eerder al verwerkte ik (de aanzet tot) een gedicht in een van mijn romans. In Luisteren hoe huizen ademen (de titel is zelf al bijna een poëem) slaat mijn hoofdpersonage tijdens een treinreis aan het dichten. Een diadeem van dauw, een titel van een van mijn romans die ontleend is aan een lang vers van de romantische dichter John Keats, werd door een collega-schrijver een gedicht in proza genoemd. Hij bedoelde dat positief. De redactrice Josje Kraamer, de beste literaire redacteur van Nederland, beweert vaak dat een gedicht dat ik ooit schreef het voortreffelijkste gedicht is dat ze ooit heeft gelezen. Helaas is het zoekgeraakt.

Misschien dat ik daarom onlangs droomde dat ik al twee dichtbundels op mijn naam heb staan. Helaas waren die óók verdwenen: mijn reputatie leek op deze manier wel erg op los zand te zijn gebouwd (als je dat zo dichterlijk kunt zeggen). Maar Josje Kraamer – die dezelfde initialen heeft als John Keats, en dat zal heus wel iets betekenen – vond ze voor me terug. Argwanend bladerde ik in de bundels, maar de poëzie erin was prachtig. Ik weet nog dat ik in mijn droom dacht: al deze schitterende regels hoef ik alleen maar te onthouden en mijn kostje als dichter is gekocht. Iedereen, op een enkele dichter misschien na, weet echter hoe het is met dromen: ze zijn bedrog. Er was echter wel iets in me in gang gezet: de hele ochtend na de met poëzie gevulde nacht ervoor liep ik door ons huis als een dichter.

Aanvankelijk was dat geen onprettig gevoel. Mijn zintuigen maakten overuren, ik keek om me heen dat het een aard had, ik rook van alles en nog wat, op het balkon hoorde ik een vogel zingen, het licht dat door het raam scheen was ook al zo fraai, ik zei zachtjes iets voor me uit en, vreemd, ik kon mezelf nauwelijks verstaan, want ik bleek een noordelijk accent te hebben. Ik trommelde op het blad van mijn bureau een ritme van een gedicht. Wie deed dat ook alweer? O ja, Menno Wigman. Dat had ik in een stuk dat was geschreven door Mirjam van Hengel gelezen – en ergens op dat moment ontnuchterde ik (of begon ik te ontwaken) (of kwam ik weer tot mezelf) (of realiseerde ik me dat ik in Tsead Bruinja dreigde te veranderen). De vogel op het balkon bleek een duif te zijn en hij maakte een pokkenherrie. Het licht dat door de ramen scheen was vaal. Wat ik rook was de schimmel op het plafond in de badcel. De dichtregel die ik bedacht was een cliché.

Wat me aansprak aan het dichterschap, besefte ik, was gebaseerd op iets negatiefs. Niet de poëzie trok me aan, maar het afscheid van de wereld van het proza. En dan niet van het schrijven of lezen van proza zelf, maar van het wereldje eromheen: de schrijvers die in het openbaar voorlazen, de prijzen, het feit dat er in de jury van een grote literaire prijs vaak mensen werden gevraagd die zélf schrijver waren maar dan heel erg slechte, de hysterie die bestond rondom het boek, enzovoort en zo verder. Maar de wereld van de poëzie was net zo erg, of misschien zelfs nog wel erger. Dan ging je dood en dan kwam Mirjam van Hengel om je af te leggen en te begraven onder een berg kitsch. Tijdens je leven was je nog een groot dichter, en je was amper dood of je bleek toch een trommelende idioot te zijn geweest. En de mensen die dat dan een mooi geschreven stuk vonden! Die waren nog erger.

Ik was ontwaakt als dichter, maar inmiddels zag ik er als een berg tegen op. Dichters waren ook zo lief voor elkaar. Ze traden op, na elkaar, of tegelijk, daarbij deden ze vaak nogal gek (stemmetjes, handgebaren, ze gingen op een tafel staan), maar onveranderlijk waren ze heel blij met het optreden van zichzelf en elkaar. Ze lazen niet voor, nee, ze lázen. Dat zeiden ze ook: ‘Dan lees ik nu…’ Dominees zeiden dat vroeger, of misschien doen ze dat nog wel. Ik weet het niet, ik kom nooit meer in de kerk. Spoken word, dat was belangrijk. Terwijl ik ooit was gaan lezen om niemand te hoeven horen, om even van iedereen af te zijn, om alleen te zijn met mijn eigen gedachten en die van de schrijver of de dichter. In de tijd van John Keats kwam je nooit iemand tegen. Hij trad niet op tijdens de Nacht van de Poëzie. Zijn werk werd niet door Babs Gons beoordeeld. Een dichter was nog geen artiest.

Misschien was er voor mij toch nog toekomst als dichter. Als ik gewoon verder altijd binnen bleef en mijn poëzie schreef zonder die ergens voor te lezen, dan kon ik wellicht net zo goed worden als ik in mijn droom was geweest. Ik zou een dichter worden in stilte, zoals het hoorde, en ik zou mijn werk nooit voorlezen of voordragen of ‘lezen’. Ik zou het gewoon schrijven. Zo goed mogelijk. En dan zou ik jong sterven aan tb. En iedereen zou Mirjam van Hengel van schrijven over mij af weten te houden. En ik zou gelukkig zijn.

AS

Het schrijven van een roman is tegenwoordig gelukkig een tamelijk obscure bezigheid geworden. Schrijf je niet op wat iedereen vindt en wat iedereen evengoed zélf zou kunnen opschrijven, zaken die zo voor de hand liggen dat een groot publiek denkt dat het intelligent is wat er wordt opgemerkt omdat ieder afzonderlijk lid van dat grote publiek het zelf ook had kunnen bedenken, dan bereik je nooit een substantieel leespubliek, en kun je dus lekker je gang gaan.

Ik heb het nu niet over praktische zaken als over hoe je je geld moet verdienen en hoe je tijd kunt vrijmaken om sowieso aan schrijven toe te komen. Het schrijven van literaire fictie is een nogal particulier gebeuren geworden, waarvan het resultaat nauwelijks nog ergens terug te vinden is, in elk geval niet in de betere boekhandel. Die heeft zich toegelegd op de verkoop van kerstkaarten en het werk van Ilja Leonard Pfeijffer – wat ongeveer hetzelfde is, behalve dan dat de boeken van de laatste niet bijzonder praktisch te gebruiken zijn als kerstkaart (ze komen de brievenbus niet door).

Zittend achter mijn computer of – nog beter – gebogen over mijn geheime schrift schrijf ik over zaken waar in feite niemand iets over wil weten of die in elk geval de sfeer behoorlijk zouden verzieken als ze in de openbaarheid zouden komen. Dat komen ze dan ook niet. Geheel conform de opdracht van de literaire schrijver wijs ik mijn lezers en mezelf op onze zwakheden, onze misdadige inslag en onze hypocriete gedragingen. En dan niet op zo’n manier als Pfeijffer en de andere kerstkaartenschrijvers doen, nee, het is de bedoeling dat je écht onder ogen ziet wat er mis is aan de mens – en dan hebben we het dus niet over zwaarlijvigheid of massatoerisme of de ondergang van het onderwijs of de dood van je kapper.

Uiteindelijk verschijnen er van mij wel degelijk boeken, maar die willen boekhandelaren liever niet in hun winkel leggen, want daar moet het wel een beetje gezellig blijven. Sommige boekhandelaren gaan zelfs een stap verder en proberen andere boekhandelaren ervan te overtuigen dat ze mijn boeken evenmin moeten inslaan. En enkele boekhandelaren van díé groep voeren zelfs campagne op sociale media om mijn werk in diskrediet te brengen. Het is werkelijk een eigenaardige situatie waarin ik ben beland. Plaatst iemand – een gewone, oprechte lezer – op Twitter de mededeling dat hij van mijn nieuwste boek heeft genoten, dan is er in elk geval één boekhandelaar die daar standaard meteen op reageert met het woordje ‘niet’. Je hebt er niet van genoten, wil hij daar mee zeggen, waarmee deze boekhandelaar niet alleen de aanval op mij en mijn boeken heeft geopend, maar ook op mijn lezers. Terwijl je die toch zou moeten bewonderen, want op de een of andere manier zijn ze erin geslaagd een boek van mij aan te schaffen. Aan de gemiddelde boekhandelaar zal dat niet liggen – ik vrees dat ik het grootste deel van mijn verkoop te danken heb aan de Blauwe Reus, oftewel bol.com.

Maar ook daar ben ik niet veilig voor ‘fysieke’ boekhandelaren. Die deinzen er namelijk niet voor terug zogenoemde ‘recensies’ te plaatsen op de daartoe bestemde ruimte op de website van bol.com. Deze fysieke boekhandelaren zijn weliswaar tégen de internetgigant, maar als het ze zo uitkomt proberen ze wel via diezelfde internetgigant auteurs te beschadigen. Het is al met al een fris volkje, die boekhandelaren. Met geestdrift delen ze één ster uit, anoniem, maar soms ook gewoon brutaal onder eigen naam.

Ik heb me al vaker verbaasd over deze beroepsgroep. Binnenkort begin ik aan een onderzoek naar het gedrag van boekhandelaren in de Tweede Wereldoorlog, volgens mij is daar nog weinig over bekend. Waren er toen eigenlijk boekhandels en zo ja, wat deden de uitbaters daarvan in die roerige tijd? Ik heb wel een donkerbruin vermoeden. Met de gretigheid waarmee ze nu de boeken van Telegraaf-auteur Pieter Waterdrinker opstapelen en het meer op Italië gerichte werk van Ilja Leonard Pfeijffer in de etalage tonen, waren ze toen vermoedelijk voortdurend in de weer met het fijn dikke boek van de van oorsprong Oostenrijkse auteur A. Hitler. Zouden ze toen ook kaartjes op die boeken hebben gelegd met aanbevelingen als: ‘Meeslepend’, ‘Dit is een boek dat je raakt’, ‘Een mokerslag’ en ‘Bij uitstek zinnenprikkelende treinlectuur’?

Maar terug naar nu. Het is geen oorlog meer. De moderne ondernemer hoeft geen lid meer te zijn van de NSB, hij kan gewoon VVD stemmen. De boekhandelaren plaatsen weleens foto’s van zichzelf of van hun spulletjes op Twitter en Facebook en Instagram. Dan hebben ze zich bijvoorbeeld in hun ‘zondagmiddagbubbel’ lekker geïnstalleerd in de woonkamer van hun eigen Villa Berghof, omringd door wat ze nu weer eens lekker een beetje gaan ‘aanlezen’ – met een lekkere schnaps erbij. Over welke moderne schrijvers hebben we het dan? Bomans. Biesheuvel. Maar weer eens een stukkie Waterdrinker. Muziek van vroeger op de achtergrond. De wandeling door de bossen is achter de rug. De laarzen zijn gepoetst. Morgen wacht weer een zware dag in de winkel. Kerstkaarten verkopen. Überhaupt een mooi feest, kerst. Cadeaus onder de boom. Allemaal boeken. Of beter nog: iedereen hetzelfde boek. Eén land, één volk, één boek. Ja, die kant moet het op. Net als in de oorlog. Lukt dat, dan doe je toch iets goed als boekhandelaar. Maar eerst nog even naar de computer. Waar kan ik die Storm – mooie naam eigenlijk wel, jammer – nu weer eens één ster gaan geven? Nee, gewoon één ster, niet zó’n ster, daar maken we liever geen grappen over. We blijven altijd een beschaafde boekhandelaar.

AS

Officieel zijn schrijvers individualisten. Ze doen hun werk in eenzaamheid. Ze trekken zich van niets of niemand iets aan. Ze houden niet van massa’s, publiek, medestanders, gelovigen, lezers, vrienden, familieleden, collega’s, juryleden, boekhandelaren, televisiemedewerkers, mensen die ze nog van vroeger van school kennen, buren, Facebookvrienden, volgers op Twitter… Schrijvers willen geen aandacht, ze willen niet op een voetstuk worden gehesen, ze willen geen volgelingen, ze hebben een afkeer van complimenten, ze gaan nooit taarten brengen naar boekhandelaren omdat die zich zo goed inzetten voor de verkoop van hun boek, ze schrijven geen bedankbriefjes aan recensenten, ze nemen het niet op voor andere schrijvers en willen ook niet dat andere schrijvers het voor hen opnemen, ze willen geen maffiabaas zijn. Schrijvers zijn schrijvers. Punt.

Waar ze wel rekening mee houden – en dit is op een bepaalde manier vreemd want schrijvers zijn doorgaans handelaren in fictie – is de waarheid. Die hebben ze dan ook in pacht. Schrijvers wéten hoe het zit. Er gaat geen dag voorbij of de volgende zin uit Orwells Nineteen Eighty-Four (in het Nederlands 1984 getiteld; ja, we zijn echt wel een achterlijk land), of een zin die erop lijkt, schiet door het hoofd van de schrijver: ‘Was hij dan de enige die in het bezit van een geheugen was?’ Eerlijk doet een schrijver zijn werk, niets ontziend, gespeend van ijdelheid. Een schrijver staat weleens voor de spiegel, maar dat doet hij niet om te constateren hoe knap hij vandaag weer is, nee, hij kijkt in de spiegel omdat hij ook de waarheid over zichzelf onder ogen moet zien. Conclusie: het valt allemaal weer niet mee.

Op Twitter kreeg ik in juni een persoonlijk bericht van Peter Middendorp. Ik ken Peter al vrij lang. Hij zit – zát, moet ik inmiddels zeggen, zie verderop – bij dezelfde uitgever als die van mijn boeken, Prometheus, en we hebben zelfs samen (heel kort) in de redactie van een literair tijdschrift gezeten. In zijn berichtje feliciteerde hij me met mijn ‘geweldige nieuwe boek’. Hij had er weer erg van genoten. ‘Je klapt er flink op.’ Vervolgens vroeg Peter waarom ik Tommy zo te grazen neem als hij voorleest bij Menno. Peter benadrukte dat hij geen verhaal kwam halen, maar dat hij gewoon nieuwsgierig was. Dat kan, iedereen is soms nieuwsgierig.

Het gaat om een stuk van mij dat eerder in Propria Cures heeft gestaan en dat ik vervolgens heb opgenomen in Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Ik ga het dan ook niet hier herhalen, maar het gaat hierom: ik beschrijf in dat boek precies en waarheidsgetrouw wat er tijdens de begrafenis van Menno Wigman gebeurde. Tommy heeft de dubieuze hoofdrol in dat stuk, en Tommy is niet die handpop uit Sesamstraat maar de, en laat ik nu maar eens niet moeilijk doen, ‘schrijver’ Tommy Wieringa (sorry, daar kwamen toch aanhalingstekens om het woord schrijver). Zijn boeken worden doorgaans uitgegeven door De Bezige Bij. Over deze Tommy heeft Peter het dus. (Het blijft een rare naam voor een volwassen man, Tommy.)

Het is zomer, het is mooi weer, wij hebben een balkon en ’s ochtends kun je er heerlijk in de zon zitten. Ik ben in Londen geweest, in Hampstead, ik heb daar over de Heath gelopen en ik heb geposeerd voor een foto waarop ik voor een huis sta aan de voet van Parliament Hill. In dat huis heeft George Orwell een tijdje gewoond. Het is de gewoonte om te zeggen dat Nineteen Eighty-Four misschien wel een belangrijke roman is, maar geen goede roman – dat laatste moet ik echt tegenspreken, het is wel degelijk een goede roman. Boven de deur van het huis hing een camera. Het is allemaal heel toepasselijk. Ik mompelde voor me uit: ‘Ben ik dan de enige die in het bezit van een geheugen is?’

Ik legde in een berichtje dat ik terugstuurde aan Peter uit waarom ik over Tommy had geschreven. Dat was een tikkeltje overdreven, vond ik, want de rol van Tommy is in Het horrortheater volkomen duidelijk, daar zit geen woord Chinees bij. Peter rondde ons chatgesprekje op Twitter af met de opmerking dat het nooit leuk is om te lezen dat een vriend wordt aangevallen, daar bedoelde hij dus weer Tommy mee: ‘Maar je boek vond ik weer heel mooi. Je zegt ook een boel rake dingen.’ All’s Well That Ends Well, meende ik, blijkbaar zat ik met mijn hoofd al in Londen.

Op de dag dat bekend werd dat Peter Middendorp van Prometheus naar De Bezige Bij overstapte, het was een fraaie zonnige dag later in diezelfde junimaand, verscheen in de Volkskrant een column van Peters hand over mijn boek, het boek waar hij me dus twee weken eerder over had laten weten dat er ‘een boel rake dingen’ in worden gezegd en dat het ‘weer heel mooi’ is. Maar nu schreef hij: ‘Het wordt bozer, botter, lomper en gemener – ik zou hem willen toefluisteren: “Mond dicht, Arie, je ziel staat open”.’ Hij eindigt de column met een Russisch mopje over een arme, hongerende boer, die op een dag bezoek krijgt van een goede fee. Hij mag één wens doen. ‘De boer denkt even na en wenst dan dat de enige geit van de buurman doodgaat.’

Iets later was ik in Londen. Ik stond bij het huis waar Orwell had gewoond. En ik dacht aan Peter. Ik hoop voor hem dat hij gelukkig is in de armen van Grote Broer Tommy Wieringa.

AS

 

Beroepsgroepen zijn tot nu toe het favoriete onderwerp in mijn stukken hier. Het gaat me niet om individuen, of om enkele personen, of om afzonderlijke figuren – nu ja, op een enkeling na dan, echte eikels, types als de ‘uitgever’ Joost Nijsen of de ‘schrijver’ Tommy Wieringa of de ‘politicus’ Jan Terlouw – nee, waar ik mijn pijlen op richt zijn mensen die in een bepaalde branche zijn beland en daar prompt gecorrumpeerd raken, rare dingen gaan doen, macht krijgen en die misbruiken, meningen gaan lopen verkondigen die ontzettend fout zijn, uitspraken doen die zogenaamd door wetenschappelijk onderzoek worden bevestigd maar die in feite nergens op slaan, die zich verplaatsen in anderen niet omdat ze zo in die anderen geïnteresseerd zijn maar omdat ze die ander iets willen aansmeren, het gaat mij kortom om boekhandelaren.

Nee, dat is ook weer niet waar. Want op zichzelf is het niet zo dat je omdat je een boekhandelaar bent meteen ook maar een slecht mens bent of wordt. Je treft slechte mensen eveneens aan op de universiteit, in het onderwijs in het algemeen, in de media, bij kranten en tijdschriften, bij radio en tv; ik heb het realiseer ik me over mensen die iets hoog hebben te houden. Mensen die voor anderen denken, die doen alsof ze het goed met de medemens voorhebben. De redenering luidt: ik geef ze een goed boek, ik leer ze iets, ik schrijf iets voor hen op waar ze iets aan hebben, ik vertel een leuk verhaal voor de mensen op radio en tv, ik draag bij aan een betere wereld…

Eigenlijk moet ik hier een lange stilte laten vallen, want eerlijk gezegd kan ik al die rotkoppen niet meer horen of zien. En op momenten van zwakte vraag ik me af of het aan míj ligt, maar die ogenblikken gaan weer snel voorbij zodra ik Margriet van der Linden zich zo enorm zie aanstellen op tv, Mieke van der Weij op de radio hoor met dat zogenaamd slimme toontje van haar, of als ik zo’n slecht geschreven gedicht of schijnbaar warmmenselijke en invoelende maar in werkelijkheid stuitend onbeschofte tweet lees van de voormalige dichteres des vaderlands Ester Naomi Perquin, of wanneer ik een stuk lees van de ‘taalkundige’ Marc van Oostendorp, die soms ook iets over literatuur te zeggen meent te hebben, of als ik willekeurig de verontwaardiging omdat hij niet meteen naar de mond wordt gepraat van welke boekhandelaar dan ook moet aanhoren – boekhandelaren zijn, heb ik gemerkt, sneller beledigd dan mensen die afkomstig zijn uit een trotse niet-westerse cultuur, en dat wil dus wat zeggen.

Nu ik in het voorafgaande enkele namen heb laten vallen, lijkt het misschien of het me wél om personen gaat, maar dat is niet het geval. Ik verbaas me oprecht over de mechanismen die achter dit gedrag schuilgaan. Ik verwonder me over wat dit gedrag veroorzaakt; hoe het komt dat iemand dergelijke opvattingen heeft, die uitingen doet; waar iemand het recht vandaan meent te halen om zo knotsgek te doen.

Sommigen van deze mensen heb ik in het echt gezien, kén ik, ik heb met hen gepraat, ik heb ze een hand gegeven, nu ja, ik ben met hen omgegaan zoals beschaafde mensen met elkaar om horen te gaan, en ze vielen me niet meteen op als slecht (in de niet mis te verstane betekenis wat slechte mensen zijn en hoe die zich gedragen en wat ze denken), maar dat zijn ze dus wel. Je draait je om en ze doen iets onbegrijpelijks. Ze stellen zich aan, zeggen iets over je dat nergens op slaat, laten zich iets over anderen ontvallen, ze weten dat het onjuist is, of ze zouden het kunnen weten, maar ze kunnen het niet laten.

Waarschijnlijk vinden ze zichzelf niet slecht. Ik weet niet precies hoe dat werkt bij opportunisten en ik ben me er heel goed van bewust dat ik mezelf nu op een hogere trede plaats en dat ik de indruk wek dat ik vind ik meer moreel besef heb dan de genoemde personen en dat ik van mezelf vind dat ik geen opportunist ben. En dat is ook zo. Ik zal me nooit tot het gedrag van deze mensen verlagen: wat je zegt of schrijft moet wáár zijn, op een bepaalde manier moet het zelfs waar zijn wanneer je fictie schrijft. Hoe komt het dan dat sommige mensen de waarheid met een korreltje zout nemen en andere mensen niet, en dat iedereen vindt dat hij of zij gelijk heeft?

Het moet iets te maken hebben met de behoefte te willen pleasen. Je komt in een bepaalde positie, je staat boeken te verkopen in een winkel, je presenteert op radio of tv een programma, je wordt dichter of dichteres des vaderlands of je hebt een baan aan de universiteit, en vervolgens verdedig je die functie. En je ziet dat mensen je er prompt om waarderen. Je gooit er nog wat stoplappen uit… en mensen waarderen je nog meer. Je vertelt een leugentje omdat je je daarmee kunt profileren, omdat je daarmee overtuigend de indruk kunt wekken dat je een goed mens bent, en het werkt. Je schrijft een slecht gedicht, maar wel met een boodschap die zo leeg is dat vrijwel iedereen erachter kan staan, en je merkt dat je populariteit stijgt. Je neemt het op een armetierige wijze op voor de kunst, en je wordt omarmd. Je bent dichter of dichteres des vaderlands en je vindt dat zelf een volkomen normale functie. Iemand moet het doen. Dus doe jij het. En daar gaat je integriteit. Ja, ik denk dat het zo werkt. Dat moet haast wel. Hoe kan het anders dat slechte mensen dergelijke functies vervullen? Ze zijn toch niet slecht en daarom krijgen ze een dergelijke functie? Het moet wel zo zijn dat ze het in die functie worden. Zullen we gewoon stoppen met zoiets stoms als dichter des vaderlands? Volgens mij is dat beter voor de mensheid. En daarna schaffen we tv af. Of in elk geval praatprogramma’s. Het is een begin.

AS

Er valt iets voor te zeggen dat schrijvers zijn gaan schrijven omdat ze niet zo goed kunnen praten. In de praktijk valt dat wel mee – veel schrijvers kunnen heus wel een mop of een anekdote vertellen – en dat is misschien de reden dat veel lezers denken dat schrijvers die goed kunnen praten de beste schrijvers zijn. Vervolgens menen ze dat de lezers die naar die pratende schrijvers luisteren de beste lezers zijn en prompt gaan ze naar optredens van schrijvers in bijvoorbeeld boekhandels, bibliotheken en kleine of grotere theaterzalen. Wie of wat wordt het slachtoffer van deze hele onzinnige constructie? Het boek. Dat is in feite niet meer nodig, maar de naar de pratende schrijvers luisterende lezers kopen het vaak nog wel – met een handtekening en zelfs een persoonlijke opdracht van de schrijver erin, even een persoonlijk contactmoment – en het blijft een leuk hebbedingetje, zo’n boek.

Op deze manier raakt wel steeds verder uit zicht wat literatuur is of zou kunnen zijn. Wanneer een schrijver praat, zegt hij meestal dingen waar zijn publiek het mee eens is. Die mensen zitten er immers bij, en je bent schrijver, je wilt niet met ze op de vuist. Bovendien heb je iets te verkopen. De praktijk heeft uitgewezen dat de schrijver die tijdens zo’n optreden de meeste stoplappen te berde brengt, het succesvolst is. Kan de schrijver goed acteren, dan zit hij of zij helemaal geramd. Dit heeft de weg geopend voor types als Adriaan van Dis en Annejet van der Zijl en Ilja Leonard Pfeijffer. Met treffend gebrachte meningen over kolonialisme, ontsnappen in de wereld van een boek omdat het echte leven te hard voor ze is en de nadelen van massatoerisme weten ze enorm te scoren. Ook hebben ze een act: het zijn nette types die ook wel iets leuk geks hebben.

Met dat gekke kun je trouwens rustig een beetje overdrijven: een traan in de ooghoek van de oudere man, of zelfs een complete huilbui met hysterisch snikken (J.M.A. of Maarten Biesheuvel, ik vergeet altijd van welke auteursnaam hij nu weer gebruikmaakt, Kees van Kooten) – ze gooien het er gewoon in (of uit). Ik denk dat ik zojuist met Kees van Kooten wel de irritantste pratende ‘schrijver’ heb genoemd. Daar krijg je gratis een heel pakket maniertjes, stemmetjes, mal voorlezen, voordragen uit je hoofd en slechte smaak bij. Ik heb trouwens ook nooit van Van Kooten en De Bie gehouden, maar dit onder ons: wat was dat toch altijd kleinburgerlijke shit. (Later heb ik Wim de Bie een beetje leren kennen; dat is een erg aardige man, dat wil ik even gezegd hebben.)

Ik merk dat ik het alleen maar over oude mensen heb, en dat is nog iets wat opvalt: de pratende schrijver is vaak oud, dan wordt hij leuk gevonden. Er wordt de oudere schrijver wijsheid toegedicht. Dit heeft te maken met al die clichés die eruit komen. Die herkent iedereen, of zoiets had men zelf ook al wel bedacht, en wat je zélf bedenkt, moet wel intelligent zijn, nietwaar? Het is niet de bedoeling dat de pratende schrijver iets zegt waar je van opkijkt. Ze bewandelen allen hetzelfde uitgesleten pad.

Voor de duidelijkheid: alle namen die tot nu toe in dit stuk zijn gevallen zijn namen van slechte schrijvers. Of nog duidelijker: er zit geen enkele goede schrijver tussen. Nee, ook niet een beetje goed. Over smaak valt wel degelijk te twisten, natuurlijk, maar het zijn stuk voor stuk schrijvers die dingen opschrijven die iedereen allang weet, die niets vernieuwends doen met de vorm, die niet als een intieme vriend iets in je oor fluisteren, die geen spannend verhaal vertellen, die niet de literatuur een stap vooruit helpen – samengevat: hebben we het over schrijven, écht schrijven, dan kunnen deze lui er allemaal geen klote van, het zijn oplichters. (Pff… dat is eruit.) Hun schrijven voegt niets toe aan wat ze overal al tegen het ‘publiek’ zitten te kleppen – het enige voordeel van als je ze leest, is dat je die bloedirritante koppen niet ziet. Behalve natuurlijk als je het boek omdraait. Ze staan trouwens tegenwoordig vaak ook al op de voorkant afgebeeld, dat is bijvoorbeeld het geval bij de meest oubollige reeks die op het moment wordt uitgegeven: Gedundrukt door Van Oorschot, met al die nostalgische nepauteurs, maar daarover een andere keer meer. Goed, het is nóg een reden om het maar helemaal nooit meer te doen, die onzin lezen, omdat je dan die koppen op de voor- of achterkant ook krijgt.

De kletsmajoorschrijvers zijn ook anders zodra er geen publiek bij is. Soms bezoek ik zo’n avondje waar ze optreden. Een tijdje terug was ik toeschouwer in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Onder de titel De Indië Monologen was daar een theateravond. Ik heb zelf een Indisch verleden (ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag) en mijn goede vriend Gustaaf Peek trad op. Hij vertelde dat hij zich ’s middags tijdens de repetitie liet ontvallen dat ik zou komen kijken. Adriaan van Dis, die eveneens een monoloog zou afsteken (ik heb hem gezien: stemmetjes, suffe anekdotes, old school racisme – we werden weer op het hele pakket getrakteerd), stak daarop de stok die hij bij zich had (hij is oud, hè) recht voor zich uit alsof het een mitrailleur was, maakte geluiden alsof hij het wapen afschoot en zei: ‘Kijk, dát doen we met Arie Storm!’ Het schuim dat rond zijn lippen was verschenen, liet er geen twijfel over bestaan: hier was een man in actie gekomen die zich tot zijn laatste snik tegen het vrije woord zal verzetten.

AS

Archief