AP

Nederland is geen land van steden, Nederland is een land van dorpen. Zelfs het grootse Amsterdam is, al haar bekoorlijkheden ten spijt, ook maar een uit de kluiten gewassen vissersgehucht. Rotterdam is niet meer dan een aaneenschakeling van containerindustrieterreinen en plekken die de urban industrial-stijl hanteren en dus net zo goed tegen de grond gegooid kunnen. Den Haag is een verzameling gesegregeerde kneuterwijken. Maar de rot, de echte rot van Nederland, zit hem in die godvergeten dorpen, waar u paradoxaal genoeg over de kerken struikelt. En het is funest voor alles dat te maken zou moeten hebben met literatuur.

De geest die rondwaart in dorpen is er namelijk één van boerenfascisme (een pleonasme) en dat is even stimulerend voor interessante literatuur als Joost de Vries op de Johan Cruyffboulevard. Maar net als Joost de Vries op de Johan Cruyffboulevard weerhoudt dat schrijvers er niet van om er alsnog boeken over uit te persen. Het is een kwestie van wachten tot er een longread in de Zondagbijlage van de Volkskrant verschijnt over het nieuwe meubelstuk in huize De Vries-Rutenfrans, maar die dorpsliteratuur bestaat natuurlijk al decennia, zo niet eeuwen. Rijneveld, Siebelink, Wolkers; u kent het soort refoliteratuur dat de beklemmende sfeer in de geboortedorpen probeert te vangen in even beklemmend saaie boeken. Of het wordt gecombineerd met een levensverhaal waarin de protagonist zich probeert te ontworstelen aan het dorp uit zijn jeugd door ‘een leven in de grote stad’, dat meestal neerkomt op drugsgebruik en een blauwtje lopen in de liefde (zie: Philip Verdonck Huffnagel, A.F.Th. van der Heijden), maar een al dan niet geestelijke terugkeer naar het dorp uit de jeugd is onvermijdelijk.

Denkt u anders eens aan dat larmoyante toppunt van dorpse nostalgie: Het Dorp, van Sonneveld. Staat bijna elk jaar in de bovenste vijftig nummers van de Top2000, dat geeft alweer aan hoe verschrikkelijk in-en-in provinciaals dit hele land is. Zoet gefluit, wat strijkers, een tekst over een eenvoudig, vroom (kerk genoemd in tweede vers!) boerendorp dat door de grote boze modernisering een… eenvoudig modern dorp is geworden waar mensen in lelijke huizen tv kijken en de woonkamer versierd wordt met plastic rozen. Du mußt dein Leben ändern? Niet meer dan de nieuwe zomercollectie van de Leen Bakker in het winkelcentrum toestaat, natuurlijk.

Een kleine zijsprong: Filippo Marinetti was een knettergekke fascist (ook al een pleonasme) maar ik kan wel steeds meer zijn eenmanskruistocht tegen de kwalijke invloed van pasta op de Italiaanse ziel waarderen. In de Nederlandse context kunnen wij misschien beter spreken van een land dat gebukt gaat onder een foe-yong-hai-mentaliteit, een term gemunt door Treurteevee, het enige goede programma dat de Nederlandse televisie ooit heeft voortgebracht. Een land bestaande uit dorpen waar de plaatselijke Chinees/Surinamer/Indiër zijn maaltijden uit den Vreemde aan de Nederlandse smaak heeft moeten aanpassen, dat wil zeggen naar een smakeloze, weeïge, slaapverwekkende substantie. Met de literatuur gaat het evenzo: alles wat spannend, ongewoon, interessant of anders is, wordt hier platgeslagen tot jongetjesliteratuur waar de korte zin en de punt als literaire stijlmiddelen gelden – alsof het plusteken in de wiskunde een eigen stijl zou zijn. Een land van poldervlakten die echoën in de boeken, boeken die evenzeer zouden stinken naar bieten en aardappelen en voetbal, ware het niet dat boeken naar papier en inkt ruiken.

Als u denkt: ‘ons land is allang die dorpse jongetjesliteratuur ontgroeid’, heeft u het natuurlijk mis, want er verscheen laatst een promotionele tekst van Das Mag voor de nieuwe roman Speelvuur van Jochem van der Stok, over wie de marketing zegt: ‘Jochem van der Stok is onbekend. Er is geen letter proza van hem te vinden, ook niet in literaire bladen of uithoeken van het internet. Hij is in het dagelijks leven docent Bestuurskunde aan de Hogeschool van Amsterdam en vader van drie kinderen, wel rondde hij in 2022 de Schrijversvakschool af.’ Dat is al een slecht begin, maar het wordt natuurlijk vele malen erger:

Pixelige computerspellen, soft-erotische films op tv, gabbermuziek in het jeugdhonk, carbidschieten met een giertank, schuurfeesten waarbij de mobiele eenheid moet ingrijpen, onhandige seks in een keet, stal, schuur of onder een net te kinderachtig dekbed: Speelvuur neemt je mee naar een plattelandsdorp in de jaren negentig, waar Tomas de Ridder probeert weerstand te bieden aan het geweld waarmee het volwassen leven zich aan hem opdringt.

Het is een rijk boek, worldbuilding noemt Jochem het zelf, vol personages en dwarsverbanden, waarin hij een puberbrein tot in de vezels probeert te doorgronden. Inclusief de verwarring, onmacht, geilheid en eenzaamheid die daarbij komen kijken.

Worldbuilding? Wat nou worldbuilding? Hij bouwt de wereld van een dorp in de jaren negentig op, de wereld die waarschijnlijk zo’n vijfennegentig procent van het Nederlandse lezerspubliek gewoon kent uit hun eigen levens. En ja, de jaren negentig zijn inmiddels dertig jaar geleden dus het is een decennium rijp voor de volgende nostalgiecyclus, maar ik dacht dat we na de verschillende cycli (jaren tachtig, zeventig, zestig, vijftig; ze zijn allemaal al eens met roze brillen en ontbindende hersenstammen geherwaardeerd) onze les hadden geleerd. Gaat Kok nu weer op het schild gehesen worden als een echt goede politicus? Wordt Srebrenica netjes onder het tapijt geschoven? Moeten we weer jaren naar heropgeleefde boybands luisteren? Een puber in een dorp weet misschien niet beter, maar een schrijver van ergens in de veertig hoort dat wel te doen, ook al is hij een docent bestuurskunde aan de HvA. In plaats van een roman te schrijven over het dorp van hun jeugd zouden mannen hun midlifecrisis weer op een gezonde manier moeten aanpakken: met vreemdgaan, een alcoholprobleem en impulsieve aankopen.

Het zit mij zo hoog omdat ik zelf uit zo’n kutdorp kom. Ik kom uit het dorp der dorpen, namelijk Hoofddorp, het dorp dat de hoogmoed had om zichzelf zo te noemen. Het grootste dorp in de Haarlemmermeerpolder dat uitsluitend bestaat uit vinexwijken en wijken zonder straatnamen (Graan voor Visch (snapt u ’m, eerst was het een meer en nu platteland) heeft alleen maar huisnummers), een dorp dat gelukkig slechts sporadisch het landelijke nieuws haalt (‘Hoofddorp heeft een nieuwe naam verzonnen voor een oude fontein. Omdat niet elke omwonende de oude naam Hódmezövásárhely kon uitspreken, is nu gekozen voor de Kruisdorp-fontein.’) maar mij elke keer doet inkrimpen van schaamte. Ik schaam mij meer voor mijn Hoofddorpse afkomst dan voor mijn bestaan als een werkloze transgender junkie. Op het moment dat ik begin te schrijven over mijn terugkeer naar die plek waar alle fantasie een stille dood sterft, waar burgerlijke paranoia in buurtwachtapps mensen ertoe drijft elk vreemd gezicht in de straat bij te houden in een logboek, waar de jeugd uitgaat op een parkeerplaats met hun brommers en een fles Safari, waar de meest esthetisch aangename plek de begraafplaats is, waar miljoenen gesmeten worden tegen drie roestende Calatravabruggen middenin een akker, waar Dik Trom de bekendste figuur is, waar de net geopende Primark een ‘trekpleister’ was, waar het altijd lijkt te stinken naar kippenstront, dan hoop ik dat er iemand mij uit mijn lijden verlost en mij doodslaat in een willekeurig, modderig, grauw, onaanzienlijk weiland. En er een massagraf voor al die dorpsschrijvers bij graaft.

AP

Poseurs halen het bloed onder mijn kittige nagels vandaan. Joost de Vries probeert te schrijven en zich te kleden als een Engelse aristocraat, maar blijft tot in zijn diepste vezels een Heerhugowaardse hbo’er met een inferioriteitscomplex ter grootte van hetzelfde dorp. Hij geeft binnenkort leiding aan het boekenkatern van de Volkskrant, een passende plek voor zo’n sujet. Misschien de enige poseur die Joost de Vries weet te overtreffen in huichelachtigheid, is Philip Diederik Verdonck Huffnagel. U kent hem waarschijnlijk als Philip Huff.

Net zoals veel andere geslachtsziektes is Verdonck Huffnagel mijn leven binnengekomen door toedoen van TD. Als de toenmalige redactie TD niet had tegengehouden, waren er naast onbegrijpelijk(e) lange stukken ook elke twee weken meerdere tirades over Huff in het blad verschenen. TD, de sluwe grijze vos, bedacht een list om alsnog een stuk over Huff in het blad te krijgen zonder zijn naam eronder te hoeven schrijven en zodoende kwam ik in het ongelukkige bezit van Ik meld mij af, ik meld mij aan, het poëziedebuut van Philip Diederik. Het was slecht, natuurlijk, maar wat de bundel naar komische hoogten stuwde was deze achtergrondkennis: op de vraag ‘waarom hebben jullie Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet tegen zichzelf beschermd bij het uitgeven van deze bundel?’ kon de redactie van Prometheus alleen maar antwoorden: ‘dit ís de beschermende versie van de bundel’.

Een empathisch lezer zou medelijden kunnen krijgen met Philip Diederik Verdonck Huffnagel, maar dat is helemaal niet nodig. Om te beginnen is er die naam, die hij schuldbewust heeft verkort tot een schrijverspseudoniem gebaseerd op zijn studententijd. Hé, Huff, koning, mooie lul, man. Nota bene: de Nederlandse samenleving ontbeert een strakke klassenhiërarchie zoals bij de Angelsaksen, en Verdonck Huffnagel is een patricisch noch adellijk geslacht, maar wie opgroeit in Laren met een genealogie als die van Philip is even zielig als de golfballen die naar zijn hoofd werden gegooid. Getuige zijn voorliefde voor het autobiografische genre waant Philip zich een hoofdrolspeler in een klassieke tragedie gesitueerd aan een mythisch-koninklijk hof; hij heeft echter in de praktijk meer weg van een achtergrondfiguur in een Jackass-aflevering. Koning, mooie lul, man.

Maar ik kan hier niet genoeg benadrukken (ziet u, Philip Diederik Verdonck Huffnagel, hoe op de eerste plaats in de zin ‘maar’ staat en geen ‘echter’?) hoezeer het een luidruchtige, egomanische kankermongool is. Luidruchtig want ik kan niet om hem heen met zijn (televisie-)interviews, en egomanisch omdat alle autofictie-schrijvers egomaniakken zijn. Hij is tevens werkzaam als een vrouwenhatende misbruiker met een sub/dom-snapchatharem, terwijl hij zich voordoet als een progressieve, feministische, in-contact-met-zijn-gevoelens-achtige man. Het is juist dat type poseur, dat type man, waar vrouwen elkaar altijd voor waarschuwen: mannen die opzichtig Joan Didion lezen, graag zinnen beginnen met ‘het probleem is denk ik’, en in de spiegel oefenen op een begripvolle knik boven een Shirley Temple.

Wat betreft het vrouwen haten: ach, dat overkomt iedereen wel eens, zelfs de vrouwen zelf. Wat de meeste mensen dan weer minder vaak overkomt is recensenten in veertienduizend woorden uitleggen waarom ze niet kunnen lezen – een standpunt waar ik bijna altijd mee in zou stemmen, behalve in het geval van Philip Diederik Verdonck Huffnagel. Bo van Houwelingen noemde Philips laatste roman een vorm van therapie in plaats van literatuur en Huff bevestigde die observatie door veertienduizend woorden en god-weet-hoeveel tijd te besteden aan een repliek, waarin hij aankondigde de literatuur vaarwel te zeggen en zich toe te leggen op de literatuurkritiek. Koning, mooie lul, man.

Ook een zeldzame gebeurtenis in de meeste mensen hun levens: op het Boekenbal de auteur van een u onwelgevallige recensie – in dit geval Charlotte Remarque, op dat moment meer gin-tonic dan mens – de huid volschelden, en achteraf roddels over haar verspreiden hoe ‘makkelijk’ ze wel niet is. Acht voor een nacht, maar dan binnen de literatuur. De laatste die dat probeerde was Arjan Peters, maar naar mijn weten heeft Charlotte niet het budget voor Okura-diners. Het is uiteindelijk ontegenzeggelijk een grappig verwijt omdat Philip Diederik Verdonck Huffnagel dus, ondanks de verkondigde makkelijkheid van Remarque, zijn schip níét door deze Straat van Gibraltar heeft kunnen varen.

Zijn twee vrouwelijke recensenten genoeg voor een patroon? Geen idee, ik heb een behoorlijke studie gedaan. Maar nu ik het toch over vrouwen heb, kan ik de sub/dom-snapchatharem van Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet langer negeren. Het is een term die ik niet meer uit mijn gedachten kan bannen en die ook enige uitleg vereist. Snapchat, de app uit 2011 die beloofde foto’s slechts voor een paar seconden te laten zien en dan te vernietigen, wordt alleen nog gebruikt door figuren bij wie u uw tiener niet zou achterlaten, en door tieners die u zou achterlaten. Enter romanschrijver in ruste Philip H.. Via de app heeft hij een schare vrouwelijke fans verzameld die, op zijn commando, naaktfoto’s versturen. Ik ben een groot voorstander van naaktfoto’s, maar ik doe dat op een normale manier, dus zonder iemand die zich Christian Grey voelt. Ik weet ook zeker dat, mocht Philip H. naaktfoto’s terugsturen, het slecht belichte, onsmakelijke piemelfoto’s zijn. Koning, geen mooie lul, man.

Ben ik dan eindelijk aangekomen bij de aanleiding om dit stuk überhaupt te schrijven: voormalig romanschrijver Philip Diederik Verdonck Huffnagel heeft zich inmiddels voornamelijk toegelegd op de poëzie. Niet door het zelf te schrijven, maar door een bloemlezing op te stellen van mensen die wél poëzie kunnen bedrijven, waarschijnlijk, ik ga dat ding nooit lezen of inzien. De man heeft De gedichtenapotheek opgezet zoals mensen grijpen naar poëzie bij een begrafenis: ze hebben geen greintje creatieve energie maar willen wel hun complexe gevoelsleven onder woorden kunnen brengen, en lezen daarom, paradoxaal genoeg, Judith Herzberg. Huffnagel zijn bloemlezing is opgezet rond herkenbare situaties: wat te lezen als u lijdt onder liefdesverdriet of, zeg eens wat, een begrafenis? ‘In De gedichtenapotheek vind je meer dan vijftig troostende, verlichtende en inspirerende gedichten van grote namen uit de Nederlandse en internationale poëzie, voorgeschreven door Philip Huff’, pocht de Prometheusbrochure. Net zoals bij de snapchatharem laat Philip Diederik Verdonck Huffnagel het echte werk over aan de anderen, net zoals bij de aanvallen op recensenten wil hij zijn simplistische, egocentrische wereldbeeld opdringen aan de rest, volledig in overtuiging van zijn gelijk. Het ergste is misschien wel dat Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet alleen een poseur is, maar ook nog eens een slechte poseur.

AP

Hoe lang nog, De Revisor, zullen jullie ons geduld op de proef stellen? Dat is een retorische vraag, mijn geduld is helemaal op. De strohalm die de rug van deze onvruchtbare kameel deed doorbuigen was een vers. Eén klein dichtregeltje uit de bundel Dobberen van Sophia Blyden: ‘we hadden je nog gewaarschuwd – don’t girlboss too close to the sun – / je luisterde niet’. (Technisch gezien zijn het twee verzen, soit.) Een versregel zo buitengewoon slecht dat ik snoevend en snuivend, razend, koortsig, spastisch, schuimbekkend en buiten zinnen doorbladerde naar het dankwoord. Wie waren er verantwoordelijk voor dit bovengedreven vissenkarkas? De mensen van uitgeverij Querido, zeker, maar een bedrijf is niet een abstracte eenheid. Het bestaat uit mensen, mensen van vlees en bloed, mensen met namen. En natuurlijk zag ik de namen die ik al verwachtte te zien: Joost Oomen. Yentl van Stokkum. Josje Kraamer. Mensen uit de De Revisor-kliek, kortom.

Als ik zou stellen dat De Revisor een kanker onder de Nederlandse literaire tijdschriften is, doet dat kanker nog tekort. Kanker leeft. De Revisor is een necrotische, onbewogen en lethargische kracht die desondanks zich heeft verspreid tot in alle poriën van de korstige huid van de Spui-bewoners en aanverwante leprozen. De Revisor is een nefarische kracht waar niet genoeg mensen zich tegen verweren of boos om maken, vooral omdat zij in slaap gesust zijn door een barrage van quirky instagramposts en gluiperige reclamecampagnes en moralistisch gezever over het belang van literaire tijdschriften. Maar ik niet. Ik ben klaarwakker. Ik heb geen Instagram, ik gebruik adblockers en als het op moraal aankomt, ach, laat ik maar zeggen dat ik toch al niet dacht de paarlen poorten van Sint Petrus te zien. Kortom, ik ben de uitgelezen persoon om dit hele complot uit de onderwereldse duisternis te sleuren en het dan voor dood achter te laten – ongeveer zoals mijn schrijfcarrière, dus.

In zekere zin is De Revisor al mijn gehele redacteurscarrière mijn gezworen vijand, ook al was ik nog niet in staat dat zelf te zien. Ja, ik heb al stukken gewijd aan zowel Oomen als Van Stokkum, en ja, ik heb gefoeterd op het instagramaccount Poëzieiseendaad en op de overgewaardeerde nietsnut van een Vijftiger die het gore lef had veel ouder dan vijftig te worden. Ik heb ook al lang genoeg met lede ogen moeten aanzien hoe het literaire veld, en met name het poëtische hoekje daarvan, een incestueuze en zelffeliciterende en -versterkende bende is waar De Groene Amsterdammer tegen afsteekt als een gezonde genenpoel – en dat komt alleen omdat zij ook hbo’ers opnemen in hun midden. Maar De Revisor is dus de culminatie van de smerigheid die mij om elke hoek lijkt te achtervolgen.

De smerigheid uit zich in kleine, voorspelbare dingen: een blurb op de kaft van Blydens debuutbundel door Joost Oomen, die zij in haar dankwoord haar ‘literaire mentor’ noemt, een frase die evenveel betekent als ‘de misbruiker uit mijn jeugd’, of Yentl van Stokkum die wordt genoemd om haar karakter als ‘scherpe meelezer’. En de smerigheid komt omslachtiger, geniepiger naar voren, bijvoorbeeld in het partnerprogramma en de programmering van de SLAA (ga voor een snelle hersenbloeding even na hoeveel van de programma’s Singel Uitgeverijen promoten) en alles wat erbij hoort, zoals de Stadsdichter – een verderfelijk concept waar ik alleen nog inkt aan wil verspillen op het moment dat het wordt afgeschaft en de bedenkers ervan op de Nieuwmarkt worden gevierendeeld – en de Poëziepodcast van DD. Ja, ook het smetvrije blazoen van PC is niet gevrijwaard van een lijntje naar De Revisor, niet in de minste plaats omdat DD z’n ex, Stefanie Liebreks, als acquirerend én freelance redacteur haar belangen verstrengelt met de redactie van De Revisor en die Poëzieiseendaad-instagrampagina.

Nu is alles wat met De Revisor en Querido verbonden is wel op één of andere manier verknoopt met de rest van de boekenvaktermieten, maar ik zou nog in het bijzonder de verbinding met Athenaeum Boekhandel willen uitlichten. Leuke, zelfstandige boekhandel, toch? Fout, flikker. Athenaeum Boekhandel staat sinds 2021 onder het bewind van Paulien Loerts, tevens bekend van haar functie als de algemeen directeur van Singel Uitgeverijen, het concern waar Querido en De Revisor onder vallen. Met die kennis vallen veel van de recentere ontwikkelingen in Athenaeum Boekhandel op hun plaats: de achterlijke verbouwing van het pand, het inrichten van een kelderruimte voor manga en young-adultboeken – een keuze die ik zo beschamend vind dat ik droom van een toevallig zinkgat waarin het volledige Athenaeum-pand verdwijnt –, de verbanning van de poëziekast naar het achterhuis, het decimeren van de kast Italiaanse literatuur, en het personeelsbestand. Wat, dacht u dat nepotisme Athenaeum Boekhandel/Singel Uitgeverijen vreemd was? Nee hoor, Lola Storm, dochter van AS en Josje Kraamer, staat vrolijk in diezelfde winkel, onder meer als programmeur van boekpresentaties. Trouwens, kent u Daan Stoffelsen, de Athenaeum-boekverkoper met een coupe in de vorm van een slecht gemaaid grasveld? Oud-redacteur De Revisor.

Diens twijfelachtige staat van dienst als redacteur staat ook beschreven in het bloedeloze en saaie Het Archief van Thomas Heerma van Voss, eveneens oud-redacteur. Een boek dat technisch gezien correct en net-niet-clichématig Nederlands bezigt, en daar is ongeveer alles mee gezegd. Maar ja, Thomas mag dan wel leeglopen op de radio en in interviews over hoe belangrijk en leuk en gezellig de redactie van De Revisor is, hoe ze een springplank voor talent zijn. ‘Een broedplaats en vrijhaven voor nieuwe literatuur.’ Dat is toevallig ook de tekst die De Revisor overal als omschrijving van zichzelf kiest. En het is pertinent onwaar. De Revisor heeft, net als de andere literaire tijdschriften, al heel lang het probleem dat ze geen eigen smoel heeft. Het is een broedplaats volledig bestaande uit koekkoeksjongen. Bovendien is dat hele ‘platform voor nieuw talent’ óók onwaar, aangezien De Revisor, Tirade en Hollands Maandblad op dit moment voornamelijk dienen als voorpublicatieplatform voor te verschijnen boeken. Het komt niet zelden voor dat dezelfde verhalen of gedichten van schrijvers met een publicatie op de plank in verschillende tijdschriften verschijnen. Waar is dan nog het onderscheidend principe? Waar is de stammenstrijd van de jaren zeventig en tachtig gebleven? Jeroen Brouwers’ tierende Tirade 250 durfde nog streng van leer te trekken tegen bepaalde schrijfscholen, maar nu zijn de tijdschriften en hun redacties één pot nat. Een emmer palingen in ‘t snot die ik maar al te goed ken, want de redacties bestaan hoofdzakelijk uit mensen van mijn generatie – dertigers, hippe dertigers bovendien. Uitschot van de aarde. Ik ben dan wel dertig, maar nadrukkelijk niet hip. De laatste keer dat ik witte sokken droeg, was in een sportschool en daar kwam ik alleen onder dwang, dus tijdens mijn middelbareschooltijd of gedurende een klinische opname. En qua hip gezichtshaar: ik zie binnenkort gelukkig weer mijn lieve Turkse laserbediener.

Maar mijn grootste steen des aanstoots van de De Revisor-kliek is de kwaliteit van literatuur die ze aflevert. De redacteuren, dichters en schrijvers die de toon en inhoud van de verschenen stukken bepalen, hebben ontegenzeggelijk een laffe smaak. Het is allemaal schattig, leuk, toegankelijk, ongevaarlijk, tandeloos, bot, gecastreerd, onbewogen, saai. Rijp voor de commercie. Doet het goed op festivals, in podcasts en radioprogramma’s, op televisie in talkshowprogramma’s. Ik moet daar allemaal niets van hebben. Ik wil bloed zien. Geweld, dromen, duisternis, seks en organen; transgressie. Voor transgressie is een hele hoop lef nodig en er kan veel fout gaan. Zulke risicovolle hoogmoed ontberen de De Revisor-kliek en aanverwanten. Zij zijn erop gebrand om zo veilig mogelijke literatuur door de strot van de lezers te duwen, of nu ja, ze hoeven niet eens te duwen, het is allemaal heel makkelijk door te slikken, ze kauwen het voor, hakken het op in digitale posts, schrijven alinea’s van één of twee zinnen. Daarom, en alleen daarom, is het literaire product dat zij verkopen zo wijdverspreid – en met wijdverspreid bedoel ik de paar honderd lezers en afnemers van de literaire tijdschriften die het land nog heeft. Als Das Mag de ultieme vorm van een marketingbedrijf-als-uitgeverij is, dan is De Revisor de tijdschriften-variant daarvan, maar dan onsuccesvol. Gebakken lucht waar ik nog niet naar zou happen als ik in het kille vacuüm van de ruimte hing. God, wat haat ik dit land, en alles en iedereen die het zo godsgruwelijk middelmatig maken.

AP

Het zal wel, met die Martin Bosma als Kamervoorzitter en zijn omstreden optredens bij de Dodenherdenking en Keti Koti. Wat pas écht erg is, zijn de gedichten die hij voorafgaand de plenaire vergadering voorleest. Als ik die video’s daarvan langs zie komen moet ik op een stuk isolatiemateriaal kauwen tot ik weer rustig genoeg ben om een paar zinnen te schrijven. Voor dit stuk had ik ongeveer twee vierkante meter steenwol nodig. 

Het begint er al mee dat Bosma eruitziet als een zilverui die te lang op ‘t zuur heeft gelegen, en eigenlijk ook ongeveer zo praat. Ik weet niet hoe het zou klinken als een stuk ingelegde groente poëzie probeert voor te dragen, maar ik ben er redelijk zeker van dat het niet slechter kan zijn dan hoe Bosma het doet: als een dyslectisch kind uit groep zeven. Bovendien is de ingelegde zilverui een trots onderdeel van de Amsterdams-joodse geschiedenis en dat kan niemand over Martin Bosma beweren.

Er waren ook nog de massa’s mensen die als neergeknuppelde zeehonden zaten te klappen toen Bosma dit voorleesgebruik begon als Kamervoorzitter, vaak gepaard met commentaren waarin het woord ‘leuk’ voorkwam. Ik zou het ook leuk vinden als er een seksorgie gehouden wordt voorafgaand aan elke Kamervergadering, maar ik betwijfel of dat veel met politiek te maken heeft of dat het de debatten verbetert. Die dingen doen de gedichten van Bosma ook niet, maar een orgie kijken is een stuk minder saai dan het luisteren naar een bronstige zeeolifant van een Kamervoorzitter. 

Kamervoorzitter, wat is dat eigenlijk voor een onzinfunctie? Het is een soort volwassen versie van de voorzitter van een debatclub. Met andere woorden: een kankernerd. Debatclubs worden opgericht en bijgewoond door mensen zonder een greintje innerlijk leven. Dit zijn mensen die de hele dag niets liever doen dan over regels nadenken en interpretaties van regels, en dan is de voorzitter degene die gaat over de regels van de mensen die over regels debatteren. Ik heb nog meer respect voor Dungeons&Dragons Dungeon Masters en dat zijn in de regel maagden.

In plaats van een stel andere maagden begeleidt Bosma in zijn dagelijks leven het debat tussen een aantal spirituele maagden en hij leest dus daar als een soort opwarmer een gedicht voor. Dat is ook meteen mijn grootste probleem met het voorlezen van een gedicht in de Tweede Kamer: het gaat helemaal niet om het gedicht. Er volgt niet een soort discussie over het voorgelezen gedicht, de Kamer gaat over op het voorstel 272a inzake de bomenkap langs de rijksweg in Hoogeveen. De poëzie is hier een vorm van enscenering, maar niet meer dan dat. Het is puur esthetiek en esthetiek als politiek, daar had iemand als Benjamin wel een mening over. Een jood, natuurlijk, dus waarschijnlijk geen bekend leesvoer voor Bosma. 

Niet dat alles goed zou zijn als er wél een halfuur besteed zou worden aan een rondvraag ‘interpretaties van voorgelezen gedicht’, maar ik wil er wel graag op wijzen dat de onderwijzers op de katholieke basisschool ook vaak begonnen met een gedicht en dan wél stilstonden bij wat we er van vonden. Het was niets hoogstaands, zelfs geen psalmen, maar éven stilstaan bij de reactie op dat kutjong Dikkertje Dap was een stuk beter dan helemaal niet stilstaan. Toch een beetje Bildung naast het van bil gaan met de meester.

Nu het over Annie M.G. Schmidt gaat: dat was één van de voorgelezen gedichten. De Tweede Kamerleden en hun voorzitter halen hetzelfde niveau als een groep drie-juf. Over de rest van de gedichten heb ik ook geen goed woord te zeggen. Een allegaartje van gedichten uit de twintigste eeuw, dat niet zou misstaan in een bloemlezing. Het zou mij niets verbazen als de poëziekast van Bosma bestaat uit één exemplaar van Domweg gelukkig, in de Dapperstraat, de bundel samengesteld door Aarts en Etten. De dichters die hun opwachting maken in de Kamer zijn mensen als Achterberg, Komrij en Campert, natuurlijk – Campert ook nog eens met dat enorme kutgedicht Credo, absolute nietszeggende kutbende, God, wat haat ik Campert. Iets opvallender zijn de keuzes voor politici zoals Troelstra (deze voordracht valt in dezelfde categorie als Hiddema die een speech begon met ‘Een nieuwe lente, een nieuw geluid’ (het vaakst verkeerd geciteerde vers uit de Nederlandse poëziegeschiedenis)) en Jan Marijnissen. Ja, die kale politicus van de SP, waarover Bosma zei: ‘Heeft Jan Marijnissen gedichten geschreven? Niet echt, maar er is een heel mooi boekje geschreven een jaar of twintig geleden door iemand die allerlei teksten uit de Tweede Kamer heeft opgeschreven die een zeker poëtisch gehalte hadden. Zo is daar ook deze mooie tekst van Jan Marijnissen in terechtgekomen.’ Het zogeheten gedicht van Marijnissen is natuurlijk van erbarmelijke kwaliteit, maar ik had kunnen weten dat er uit een worstenbroodjespartijlid geen behoorlijke poëzie had kunnen voortkomen. 

Ik ben het gewoon helemaal zat, dat gekoketteer met poëzie door mensen die helemaal geen flikker geven om poëzie behalve als ze iets voor moeten lezen bij een begrafenis en geen inspiratie hebben om zelf hun emoties op een enigszins originele wijze op te schrijven. Mag poëzie dan alleen gewaardeerd worden door mensen die diepongelukkig zijn? Ja, maar laten we maar beginnen met het wegnemen van de poëzie bij de Kamervoorzitter die nog niet het verschil tussen een trochee en een spondee kan uitleggen.​​ Ik zou willen zeggen dat ik Bosma wil weghouden bij elke vorm van literatuur, maar dat is eigenlijk geen moeite, want deze halfrotte-tomatenkop weet sneller te vertellen waar Rhodesië ligt dan de dichtstbijzijnde boekhandel. Wees gewoon een behoorlijke fascist en koketteer met Mein Kampf ofzo, achterlijke kankermongool.

AP

Timon Dias combineert de twee meest ergerlijke persoonlijkheden: Geenstijl-redacteur en psycholoog. Kinderlokkers en oorlogscriminelen zijn ergere persoonlijkheden, maar iedereen is het over het algemeen met elkaar eens dat die mensen geen platform verdienen. Helaas is Geenstijl al een platform van zichzelf en psychologen mogen zich zelfs doctorandi noemen als ze vier jaar op de universiteit onderzoeken met n=1 hebben uitgevoerd. En dit stokstaartje met het charisma van een wrattenzwijn denkt dat het hem tot een expert op allerlei gebieden maakt buiten de lekkerste insecten van de savanne.

Het is eigenlijk nog erger gesteld dan zoals het hierboven beschreven staat: Dias is niet alleen een afgestudeerd psycholoog, hij is ook nog eens van oorsprong een hbo’er. En iedereen met gezond verstand weet: eens een hbo’er, altijd een hbo’er. Hij kan nog zozeer zijn best doen om z’n platte accent te verbergen of zich te kleden als een academicus, maar we can always tell. Of anders vertelt Dias het zelf wel op zijn website, waar hij trots zijn hbo-diploma pedagogische hulpverlening plaatst naast zijn universitaire graden in de psychologie. Met andere woorden: hij heeft zijn leven lang geleerd met kinderen te communiceren.

Dan het redacteurschap. Ik heb Geenstijl altijd als de meest beschamende loot van het PC-onkruid beschouwd. Grappig noch goed geschreven is het al vanaf de oprichting een herinnering aan het feit dat om een grap te kunnen schrijven, hbo’ers te allen tijde geweerd moeten worden. Universitair geschoolden kunnen nauwelijks coherent schrijven, laat staan een grap produceren, dus hoe iemand ooit op het idee is gekomen dat hbo’ers het wel zouden kunnen, ontgaat mij volledig. En zodra een grappig bedoelde blog ook wekelijks de immigratie-instroom bijhoudt of de hele twittertijdlijn van de IDF overneemt voor een liveblog, is het duidelijk dat het niet een grap betreft, maar gewoon een oprechte overtuiging. Het enige debielere in deze kwestie is dat het obsessief overnemen van IDF-propaganda door anderen weer wordt onthaald als een ‘sterk staaltje journalistiek’ – toegegeven, dat zijn mensen als Leon de Winter, de man die uitgeholde schedels van Palestijnse kinderen gebruikt om zijn ovenfrieten in te bakken.

Wie zit er achter de Israël-Palestina-liveblogs? U raadt het al, empathicus Timon Dias. U kent hem waarschijnlijk van zijn GS-pseudoniem, @Spartacus. Nu is de enige overeenkomst die Dias heeft met de Thracische gladiator dat hij een Sklavenmoral aanhangt, want naar mijn weten en volgens Dias’ Instagram heeft hij nog nooit parmula en sica gehanteerd. Hij oefent wel met pijl en boog, zoals lafaards graag doen. Heeft u immers ooit van een dappere boogschutter – de echte soort, niet de astrologische variant – gehoord? Nou dan. En nee, Willem Tell telt niet, in de eerste plaats gebruikte die een kruisboog en in de tweede plaats is een kruisboog ook een boog en dus laf.

Dias’ obsessieve persoonlijkheid zou nog te vergeven kunnen zijn als het niet gepaard zou gaan met zijn randdebiliteit; een treinautist is een prima persoon, een treinautist die de serienummers niet kan onthouden niet. Of, in het geval van Dias, iemand die bij elke binaire scheet van een algoritme of LLM in extase geraakt. In februari kwam een AI videogenerator online en Timon zijn ondergoed kon die dag als dorstlesser dienen voor een gevulde club Church: ‘Goedemorgen deze morgen en u bent getuige van de eerste werkelijke quantum leap sinds OpenAI’s ChatGPT. Wat u hier boven en onderstaand aantreft is van een geheel andere orde. In godsnaam kijk naar de textuur en beweging van het “water”.’ Nee, Timon, dit is geen quantum leap, dit is een verzameling bewegende beelden die vooral inspelen op de fantasie van afantasten. Ik weet dat het veel gevraagd is van iemand die psychologie heeft gestudeerd en opkijkt tegen Jordan Peterson – een benzoverslaving zou wel Dias’ achterlijkheid deels kunnen verklaren –, maar digitale beelden gegenereerd door een processor zijn niet indrukwekkend en alleen iemand met een door het internet gladgeschaafd brein zou het tegendeel beweren.

En oh, wat is Dias’ brein gladgeschaafd door het internet. Zijn obsessie met Israëlische ziekenhuisrenovaties doet alleen onder voor zijn obsessie met trans mensen. Er gaat geen maand voorbij of hij heeft er wel een GS-topic aan gewijd, wat wil zeggen dat hij vier populaire tweets heeft bijeengebracht uit het hersendode circuit waarin hij zit met seksvacuüms als Kuitenbrouwer en Caroline Franssen, en er een paar opmerkingen bij heeft geschreven. Natuurlijk niet op een grappige of originele wijze, meestal komt hij niet boven het niveau ‘transvrouw (m)’ uit – dezelfde grap die mijn identiteitsbewijs maakt, en dat is een stuk plastic.

Psychologische verklaringen voor deze obsessie zal ik achterwege laten, ik verlaag mij niet tot dat niveau – spijtig, want ik had graag uitgewijd over het inferioriteitscomplex dat een bruine man naar de Geenstijl-burelen leidt –, maar ik zal nog eens onomwonden zeggen wat ik zie als ik Timon Dias zie posten over het gevaar van trans hink-stap-sprongers, genderneutrale toiletten of andere denkbeeldige dreigingen: een kleingeestige, bange en rancuneuze burgerman met minder schrijftalent dan ik in een estradiolgevulde ejaculatie heb. Het enige dat ik mensen als Timon Dias kan toewensen is het lef eens vrijheid in woord en daad echt te praktiseren en na een schamele afscheidsbrief aan de paar mensen die nog niet weggelopen zijn uit zijn leven vanwege zijn transgendergerelateerde posts, een laatste rustplaats te vinden in het leeuwenverblijf van de dichtstbijzijnde dierentuin waarin hij is gesprongen om aan te tonen dat er een biologisch verschil bestaat tussen mannelijke en vrouwelijke leeuwen. Hopelijk komt hij er dan in zijn laatste minuten achter dat er ook gewoon transgender leeuwen bestaan.

AP

Dichters zijn luie, vervelende, bijstandsslurpende uitvreters die pas ver na het middaguur zich van hun bed naar hun bank slepen, alwaar ze verblijven totdat ze verwacht worden bij een optreden om hakkelend, zwaar ademend, fluitend, slurpend, gewoon in het algemeen onaangenaam om aan te horen, hijgend, kakelend, hortend én stotend, al met al onbekwaam, stotterend hun eigen poëzie, de versregels waarvan een toehoorder zou verwachten dat ze juist die wél zouden kennen, voor te dragen voor een publiek van acht mensen – familieleden, vrienden en ongelukkige technici van de toevallige locatie niet meegerekend – en dan af te druipen naar hun bed waar ze verder lethargeren tot de volgende spreekopdracht of binnenkomende toeslag-, subsidie- of bijstand-cheque. Ik zou niet weten hoe dat is. Maar Frank Keizer ongetwijfeld wel.

In de stukken van PC moet helaas – niet alleen voor de lezer, maar zeker voor de schrijver – het onderwerp nogmaals geïntroduceerd worden. Noem het de noblesse oblige van een vooraanstaand blad als het onze. Ja, in deze vergelijking bent u, de lezer, de ongeletterde, ongeleerde, onbehouwen wildeling met zeker een andere huidskleur dan de schrijver dezes. Maar daar kijk ik in mijn voortschrijdend inzicht vooralsnog overheen. Er zit ergens een nobele wilde in u verscholen en ik zal die eruit rammen door middel van een niet aflatende stroom van onbegrijpelijke metaforen, syncopische synoniemen en almaar agressievere alliteraties. De nobele wilde zal ik, getooid in pith helmet en kaki minirok, uit de lianen slaan en aan de haren meesleuren om neer te gooien voor het afgodsbeeld van de dag: Frank Keizer. De man met meer gezichtshaar dan kin. De man wiens neus de hazenlip bíjna overschaduwt. De man wiens beeltenis ik tot de laatste splinter wil verbranden in een heidens ritueel.

De gemiddelde Nederlander is al te porren voor een gemeenschappelijke verbranding als het meer dan één pallet betreft, dus het zal niet moeilijk zijn om u over te halen om er een dichter bij te werpen. Niet alleen omwille van de bovengenoemde karakterisering – dichters zijn echt lui, ik ken er genoeg om dit met zekerheid te zeggen – maar ook omdat deze dichter in kwestie nog eens een heel specifieke mening heeft over ‘het volk’ en met name ‘de arbeidersklasse’. Jawel, we hebben hier niet alleen te maken met een dichter, maar met een socialistische dichter bovendien. Die zijn breder en wijder gezaaid dan u, afhankelijk van hoeveel u De Telegraaf leest, zou verwachten, maar het is zeker in de Nederlandse kringen en Nederlandse-intellegentsia-kringen moeilijk om de aanwezigheid van de paar écht socialistische dichters te negeren. Ze zijn namelijk, zoals socialisten betaamt, nogal luidgebekt. Niet per se zoetgevooisd of retorisch begaafd, maar horen zult u ze. Frank Keizer heeft dat bijvoorbeeld bewerkstelligd door, naast bundels te publiceren, één van de drijvende krachten achter de oprichting van de Nederlandse tak van Jacobin te zijn. Als u dat niet kent, heb ik echt geen andere keuze dan u ook op de vuurstapel te gooien. Ga eerst maar eens wat lezen.

Prima natuurlijk, dat er een echt heus origineel socialistisch tijdschrift bestaat in Nederland dat zeker, waarlijk, totaal, honderd procent vertrouwen, níét binnen twee edities uiteenvalt in een myriade van nauwelijks onderscheidbare, sektarische stromingen, uitgegeven in de gebruikelijke zines van dezelfde anarchistische drukkerijen die al zeventig jaar op deze dynamiek teren. Dat zou normaliter niet echt mijn aandacht trekken, maar er zijn tenminste twee dichters – Hannah van Binsbergen is zelfs de hoofdredacteur – nauw betrokken bij het vormgeven, redigeren, distribueren en vullen van het tijdschrift. Dichters die een niet-literair georiënteerd tijdschrift maken in plaats van het ongelezen op de salontafel te laten verstoffen, dat is interessant. Wellicht wordt zelfs het stereotype uit de eerste alinea ontkracht door middel van hun tomeloze inspanningen!

Om de spanning uit de lucht te halen als een bliksemafleider op een Sovjethuizenblok: nee. Het ene stereotype wordt hoogstens vervangen door het andere stereotype. Naast de aftakking in de evolutie van dichters ‘lui’ bestaat er ook ‘academisch’. Deze twee kunnen overlappen, maar het is vooralsnog aannemelijk dat Frank Keizer met name in de categorie ‘academisch’ valt. Daarmee weerleg ik eigenlijk mijn inleiding, maar dat maakt niet uit. De sunk-cost-fallacy verzekert mij dat u rond de zevenhonderd woorden niet anders kunt dan doorlezen en dat punt heeft u zojuist overbrugd. Vindt u dit meta-gehalte van tekst al vervelend? Dan heeft u nog niet de poëzie van Frank Keizer gelezen. Uit de bundel Lief slecht ding (2019) komt onder andere: ‘je hebt nog altijd dezelfde trui aan uit de jaren zestig./afgedragen slobbert hij om je heen, zoals het heden om je/gediplomeerde lichaam is verwijd tot elke verwachting is/vernauwd tot een miezerige streep. je hebt de normalisering/gepast en het paste. je hebt zinnen om je heen geslagen/als dekentjes voor een onderkoelde en ze verwarmen je.’ De verteller van het gedicht spreekt hier een activist uit de jaren zestig aan op verkwanselde idealen en die activist stelt zichzelf tevreden met talige uitingen – zoals ook een dichter dat wellicht zou doen.

Ach, één voorbeeld van tekstuele hypocrisie, wat stelt dat nu helemaal voor? Niet veel, maar het is natuurlijk een patroon, anders voer ik het niet op. De échte aanleiding om te schrijven over Frank Keizer is namelijk zijn meest recente bijdrage aan het tijdschrift Berlin Review. Een stuk van grofweg drieduizend woorden, waar in de eerste duizend misschien nog zinnige doch overduidelijke dingen worden gezegd (‘het Nederlandse literaire veld richt zich te veel op Anglo-Amerikaanse voorbeelden’, een argument dat ikzelf als achttienjarige na één boek van Hemingway al had bedacht) en in de resterende tweeduizend woorden worden zoveel woordsalades worden gehusseld dat ik moeite heb de echte betekenis vast te pinnen – dat is óf heel poëtisch óf heel vervelend, en eigenlijk, waarschijnlijk, beide.

Om Frank maar eerst aan te vallen op z’n helderste punt: ja, Nederlanders kijken zeker te veel op naar die hiv-positieve hamburgerhappers, maar waarom schrijft u dan ook een stuk in het Engels? Was u een Vlaming of wat? Prakkiseer wat u preekt. En als u poëzie en/of literatuur wilt aanvallen op een te grote Amerikaanse invloed, dan is Het is warm in de hivemind (2021) toch ongeveer het diametraal tegenovergestelde voorbeeld om te nemen? Dat is één groot nat orgasme over de anglo-internet-cultuur, Sims-zwembadmoorden en astrologie-girlies et alii. Frank ziet daar geen probleem in. Zijn letterlijke analyse luidt: ‘We are reading a digitally native auto-ethnography wrapped in verse. Still, there is something ambivalent about this book and its treatment of subjectivity. Diaz’ poems both dramatize and cohere into a narrative of becoming a commodified girl. At the same time, they dissolve said subject by pushing against the materiality (in)to which it turns, only to match the disembodied flows of the internet. The result is a display of ravishing fantasy worlds that feel oddly immobile, as if seen from the outside by a new master signifier: the countercultural, young and critical poet, a figure devoid of actual subjectivity.’ Dit klinkt best ingewikkeld. Maar het is goed dat het hier een bespreking in een internationaal tijdschrift van een Nederlandse bundel betreft, dat alleen door een specifiek en esoterisch-georiënteerd publiek wordt gelezen. Dit is poëzie(-bespreking) voor de incrowd, wil ik maar zeggen.

Oh nee, wacht! Als Keizer aan het einde van die drieduizend woorden nog iets kwijtmoet over de 11-onder-35-lijst van Marja Pruis – ongezegend zij haar naam –, zegt hij: ‘In this constellation, poetry, far from being elitist and esoteric, is clearly much more responsive, much more in touch with reality than an instantly obsolete subset of novels that, though eminently marketable, remain wedded to the crumbling fantasies of the neoliberal order.’ Iemand die in hetzelfde stuk de zinnen ‘they dissolve said subject by pushing against the materiality (in)to which it turns, only to match the disembodied flows of the internet’ en ‘poetry, far from being elitist and esoteric’ probeert te verwerken, én probeert te beweren dat poëzie een meer ‘gegronde’ kunstvorm is die dichter op de werkelijkheid staat, is niet alleen contactgestoord, die is krankzinnig. Fantastische eigenschap voor een dichter, heel slechte eigenschap voor een socialist. Er zijn naar mijn weten vooralsnog heel weinig vakbonden verenigd onder de vlag van een banger vers.

En dan laat ik nog buiten beschouwing dat er, zeg maar, een paar duizend jaar aan poëtische traditie bestaat, waarin poëzie een heel elitaire, esoterische en niet-volkse aangelegenheid is geweest. Was dat goed? Natuurlijk niet (eigenlijk wel – ik deel mijn kunst het liefst met zo min mogelijk andere leeghoofdigen en die vind ik in alle klassen doch de meeste leeghoofdigen zijn door een kwestie van statistiek nu eenmaal van de onderklasse), maar wie nu het lef heeft om poëzie op een voetstuk te trekken als een voorganger in een socialistische revolutie, is niet alleen een matig dichter, maar ook heel erg huichelachtig. Misschien hadden er niet zoveel dichters in de redactie van Jacobin NL moeten zitten (bij nader inzien tel ik er tenminste vier, ze vermenigvuldigen zich ongenadig snel) om niet zó overtuigd te raken van zowel de meerwaarde als de toegankelijkheid van poëzie. Die zijn immers minimaal. Ik zou niet zonder poëzie kunnen, maar ik maak me geen illusies dat negenennegentig komma negenennegentig procentpunt van de bevolking er wel zonder kan. Met andere woorden: even dimmen, Keizer. Anders komt die guillotine ook voor u.

AP

Een unicum! Het onderwerp van vandaag hoeft niet dood gewenst te worden, want dat wil hij zelf al. Het onderwerp is dus Dennis Schouten en ik kan aan zijn doodswens alleen maar toevoegen: en rap een beetje.

Hopelijk weet u niet wie Dennis Schouten is, of binnenkort geweest zal zijn – een futurum exactum in de vierde zin van een stuk, waar vindt u dat trouwens nog? Als u dat wel weet bent u ofwel jonger dan dertig ofwel ouder dan dertig en gescheiden (en die trut heeft zowel de kinderen als de hond gekregen). Mocht u buiten die categorieën vallen: Dennis Schouten is vooralsnog één van de twee hosts van Roddelpraat, een youtube-kanaal met meer volgers dan men zou verwachten als de andere host Jan Roos is. Elke week roddelen Jan en Dennis over wat er in de Privé heeft gestaan en wat Yvonne Coldeweijer van haar spionnen heeft geleerd. Nu is mijn gaydar niet eens zo heel nauwkeurig (die slaat bij een goedgevulde groente- en fruitafdeling al aan) maar zo’n achterklaptalkshow klinkt behoorlijk gay, jongens. Of als iets voor de vrouwtjes.

Maar op 14 februari (romantisch) gingen de mannen eens niet zitten roddelen. Met hun bierpullen gevuld met water en thee op tafel hadden ze het over Dennis zijn boek. Nee, dus niet zijn doodswens, de eerste minuten van de video gaan op aan het promoten van het boek. Daarna zet Dennis pas zijn serieuze gezicht op: het boek gaat namelijk over zijn suïcidale ideaties. En zijn jeugd en dergelijke, maar het is moeilijk om het ergens anders over te hebben als iemand pas achtentwintig is en eruitziet als een zestienjarige en ook praat als een zestienjarige. Jan Roos praat dan ook wel als een zestienjarige, maar die trekt zijn pafferige paddenkop af en toe in een gekke houding die op te vatten valt als een symptoom van het vroegtijdig verlaten van de geest uit het lichaam. Of een voortijdig stadium van korsakov. Niet de meest geschikte gesprekspartner voor het uit de doeken doen van je verlangen naar een strip slaappillen en een plastic zak. Al helemaal niet als die gesprekspartner je tijdens het gesprek over het boek en de zelfmoord ook nog eens geen moment in de ogen durft te kijken, maar liever in het luchtledige ademt met zijn bolle amfibieënbek.

Gelukkig heeft Dennis de video ook de dag van tevoren aangekondigd op zijn Instagram met een samenvatting van wat er in zijn boek staat. Vergeet u dus niet dat hij een boek te verkopen heeft? Hij valt met de deur in huis en schrijft: ‘Al jaren worstel ik met het leven. Op papier heb ik een ontzettend goed leven, maar in de praktijk voel ik mij zelden gelukkig.’ Op die tweede zin valt behoorlijk af te dingen als je leven ook dingen behelst als een wekelijkse podcast maken met Jan Roos naast je. Maar Dennis heeft al jaren van alles geprobeerd om te kunnen dealen met zijn negatieve gevoelens en gedachten: ‘Medicatie, psychologen en een verhuizing terug naar Enschede. Het heeft allemaal niet geholpen.’ Allicht dat het allemaal niet heeft geholpen, je bent terugverhuisd naar Enschede. Dan maakt het niet eens uit waar je vandaan kwam. Als ik zou moeten verhuizen naar Enschede zou ik de vuurwerkramp van 2000 een kinderpartijtje doen lijken.

En ik ben ook niet zo overtuigd van het ‘ik heb alles geprobeerd’. Dennis heeft de afgelopen jaren niet echt geprobeerd een andere carrière op te bouwen dan verslaggeven voor PowNed en het houden van een veredeld theekransje met je minst favoriete oom. Ga eens studeren, man. Zoek een andere baan. Ga desnoods een halfjaar op retraite op een of ander subtropisch eiland. Maar kom niet aanzetten met ‘ik heb alles geprobeerd’ als je ook elke week achter dezelfde tafel als Jan Roos schuift. Een junk met een naald in z’n arm kan zeggen dat hij alles heeft geprobeerd, maar dat gelooft ook niemand.

Om te onderstrepen dat deze mediastunt niet meer dan een mediastunt is en niet een oprechte roep om hulp, nog even de aandacht naar Dennis’ boek. Hij eindigt de eerdergenoemde instagrampost zo: ‘Deze conclusie en alles wat hiervoor in mijn leven is gebeurd heb ik door Andries Jelle de Jong laten opschrijven in een biografie. Deze is nu te koop en op 2 April is de boekpresentatie en een live RoddelPraat-show in Almere. Link in mijn profiel voor de uitzending van vandaag, de liveshow en het boek.’ Hij eindigt de instagrampost niet met een opmerking over suïcidaliteit of depressie of de problemen die aan een van beiden ten grondslag liggen. Hij eindigt met een paar agendapunten. Deze man heeft het veel te druk om zomaar uit het leven te stappen. Deze man heeft het specifiek te druk met het verkopen van zijn verhaal om zomaar uit het leven te stappen. Hoe verkoop je immers nog boeken als je geen verhaal meer kunt vertellen?

Maar het allermeest stoor ik mij aan zijn gedachten over zijn omgeving: ‘Wel voel ik mij verantwoordelijk om anderen niet zomaar alleen achter te laten. Ik ga nog enkele jaren mee om alles en iedereen dat me lief is goed achter te laten. Daarna neem ik de regie over mijn eigen leven.’ Ik kende zo iemand ook in mijn eerste verslavingskliniek. Die had zoveel gesnoven dat hij elke dag wakker werd en alles in het groen zag. Trok na een paar minuten weg, maar was wel vervelend. Hij had het ook voortdurend over zijn voornemen om de gasslang in de schuur een eeuwige pijpbeurt te geven, maar niet voordat hij zijn ouders financieel goed had achtergelaten. Probleem was dat daar ook nog een gigantische schuld door cocaïnegebruik tussen stond, maar soit. Details. Dood zou die gaan. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord sindsdien, maar ik ga er vanuit dat zijn ouders de financiën gestolen konden worden zolang hun kind maar bleef leven. Waarmee ik maar probeer te zeggen: je kunt je omgeving niet netjes op je zelfdoding voorbereiden en alles ‘goed achterlaten’. Dat kan gewoon niet. Trek dan gewoon in één keer die trekker over. Gaat je boek ook goed van verkopen.

AP

Geestesziekte en schrijversschap gaan hand in hand, maar dat maakt geen van de twee aanbevelenswaardig. Kijk maar naar Yael van der Wouden. Zij is nominaal een schrijver en nominaal gek, maar in de praktijk vooral irritant. En Joods, maar goed, een roos is een roos is een roos. 

Om te beginnen met het schrijverschap: dat heeft zich nog niet echt bewezen. Haar debuut, De Bewaring, is vooralsnog niet uitgegeven. Waarom weet ik dan wel al hoe haar debuut heet? Omdat haar uitgever er een debiele marketingcampagne omheen heeft opgezet. In januari 2023 – u leest dat goed, de campagne is al een jaar geleden afgetrapt en het boek is nog steeds niet verschenen – bracht Yaels uitgever het nieuws naar buiten dat ‘de auteursrechten aan wel acht internationale uitgevers verkocht zijn’. En de negende? Dat is uitgeverij Chaos, een imprint van Das Mag. En welk groot licht van uitgeverij Chaos had de vooruitziende blik dat dit boek zo gewild zou worden? Ongetwijfeld de oprichter van uitgeverij Chaos: Yael van der Wouden.

Het is van de zotte dat een boek al aan negen verschillende uitgevers is verkocht nog vóór er een exemplaar in de brontaal (Engels, by the way) van de drukker is verschenen, maar dat het concern Chaos/Das Mag, uit naam van Yael van der Wouden, Yael van der Wouden de hemel inprijst nog voor er een letter te lezen valt, is krankzinnig. Want dit betreft, nogmaals, een debutant. Dit is niet de wederopstanding van Thomas Mann, Joan Didion of bell hooks. Niet eens een verloren gewaand manuscript. Nee, dit is een debuutroman over twee in karakter tegengestelde vrouwen in een huis in naoorlogs Overijssel. Vanaf hier is de bingokaart verder in te vullen: een haat-liefde-romance, oorlogstrauma – al dan niet intergenerationeel – en wat wraakmotieven. Uitstekend, ware het niet ononderscheidbaar van de rest van de Das Mag-stal. Dit boek wordt gepresenteerd als het nieuwste volbloed renpaard, maar het heeft meer weg van de therapiegeit op de renbaan.

Das Mag heeft het ook niet zo makkelijk. Ze bestaan inmiddels bijna een decennium, maar na Lize Spit hebben ze nooit meer echt een klapper kunnen publiceren, zelfs niet als het was geschreven door Lize Spit. Waarschijnlijk beginnen die opgebouwde reserves van Het smelt aanmerkelijk leeg te voelen en de filmrechten zullen vast ook niet de gehoopte kapitaalinjectie zijn geweest. Het is dan een grote gok om zo vol in te zetten op één debutant, maar wie niet waagt wie niet wint, hè? En wat kan zo’n debutant nu echt fout doen? Heeft nog nauwelijks macht of aanzien, dus kan zich niet in rare misbruikzaken mengen of overgeven aan overschrijdend gedrag.

Daar hadden ze toch even buiten het schrijftalent van Yael van der Wouden gerekend. Want die publiceert ook nog wel eens persoonlijke essays op ILFU, de website van het gelijknamige festival. Of nu ja, één essay. Getiteld ‘Door antidepressiva verdween de ruis in mijn hoofd, en mijn creativiteit’. Dat is geen titel, dat is een zin – sowieso een ergerlijk gebruik onder schrijvers. En ongeveer alles wat er fout kan gaan in een essay, gaat fout in dit essay. 

Het begint met de structuur: het stuk opent en sluit met een scène in de therapiekamer. Ringcomposities zijn niet bijster origineel, maar gesprekken bij de therapeut zijn inherent oninteressant om te lezen. Gevalletje ‘je had er bij moeten zijn’. Al had ik heel graag bij die laatste scène willen zijn: Yael overhandigt daar haar (nog steeds niet gepubliceerde boek, dus het fictieve element kan niet uitgesloten blijven) roman aan haar therapeut zodat ‘zij haar beter leert kennen’. Dit zou hilarisch zijn als het niet zo treurig achterlijk was. Het is precies het tegenovergestelde van wat zowel een boek als therapie hoort te doen. Een boek, zeker een roman, is níét wie de schrijver is en als je dat wel denkt, heb je geen roman maar een dagboek geschreven. En zelfs een dagboek is niet de essentie van iemand. In zijn persoonlijke geschriften was Ted Kaczinsky een intelligent en gevoelig man, maar voor veel anderen is hij toch vooral de Unabomber. En in therapie probeert een therapeut je door gesprekken te leren kennen. Gesprekken die je dus voert terwijl je in dezelfde ruimte zit als de therapeut. Als de therapeut je had kunnen leren kennen door je eigen samenvatting, was therapie overbodig gemaakt door een paar kattebelletjes. 

Maar het grootste manco van Yaels essay is de centrale stelling: door het slikken van een antidepressivum zou Yael haar creativiteit zijn verloren in de waas van de SSRI. Ik weet uit eigen ervaring dat de gewenning aan een nieuw soort medicatie, ook SSRI’s op de hoogste dosering, geen kattenpis is. Alleen is dat niet wat Yael heeft doorgemaakt. Want, zoals ze zelf vermeldt in het essay, ze heeft welgeteld twee weken de medicatie geslikt, waarvan vijf dagen op een te hoge dosering. Twee. Weken. Dan is het lichaam net halverwege het gewenningsproces. Twee weken antidepressiva slikken is hetzelfde als een condoom half afstropen en dan besluiten dat het niet zo lekker voelt. Allicht voelt het niet goed, want je doet het niet goed. Voor Yael was dit een onoverkomelijk probleem, want hoe zou ze nu creatief kunnen zijn? Yael, ik heb slecht nieuws: het gebrek aan creativiteit is duidelijk niet de schuld van de medicatie. De enige creativiteit die je tot nu toe hebt tentoongespreid, is in de marketing van je ongepubliceerde roman en in dat opzicht pas je naadloos bij het reclamebureau dat Das Mag al negen jaar is. Misschien moet je het nog maar eens met je therapeut hebben over een carrièreswitch.

AP

Filosofen zijn mislukte comedians. Comedians hebben allemaal een shtick, een kunstje. Filosofen ook, maar dan niet grappig. Ze proberen hun shtick voortdurend uit te leggen, terwijl er niets aan uit te leggen valt. Marjan Slob is zo’n filosoof met een shtick. Marjan laat alles draaien om het woord ‘ruimdenkend’, want dat is dus ook ‘ruim denken’. Ja, Marjan, dat is wat het woord betekent. Om deze woordgrap heeft ze de titel ‘Denker des Vaderlands’ toegewezen gekregen. Is she up to the job? In de interviews over haar aanstelling als Denker zegt ze zelf erover: ‘het “denkerschap” gaat mij zeker stress geven’. Nee dus. 

De dubbele aanhalingstekens zijn overigens niet mijn stilistische ingreep, maar die van het Financieele Dagblad. Ze maakte deze opmerking omdat ze het ‘denkerschap’ combineert met ‘twee grote opdrachten’ voor de Onderzoeksraad voor Veiligheid en voor de staf van de deltacommissaris. Als het werk, dat ook gedaan kan worden door een kleuter met een wijsvinger, in de weg staat van het denkerschap, klinkt het alsof je niet genoeg ruimte maakt voor dat denkerschap, Marjan. 

Wat houdt het ‘denkerschap’ volgens haar zelf in? Ze is ‘twee jaar een uithangbord van de filosofie’ en verder ‘ga ik essays schrijven en ik denk en ik hoop ook dat ik veel in gesprek zal gaan op congressen en reflectiedagen van organisaties, maar ook bij filosofieclubs of in bibliotheken.’ Met een neus waar makkelijk een uithangbord voor de Koninklijke Kerckhaert Hoefijzerfabriek aan kan hangen, zit dat eerste gedeelte wel snor, maar dat tweede gedeelte is toch niet heel veel anders dan wat een Arjen van fucking Veelen of de lokale dakloze met achtervolgingswaanzin doet. En hoe graag hij het ook zou willen, Arjen van Veelen verdient de titel Denker des Vaderlands even weinig als de dakloze. Al zou ikzelf dat laatste wel graag zien gebeuren, want zo’n dakloze heeft de hele dag niets anders te doen dan denken, daar moet vast iets interessants tussen zitten. Marjan Slob, die heeft het veel te druk met haar doorgebroken dijken om ook iets interessants te zeggen, toch? 

Om mijn eigen retorische vraag te beantwoorden: ja. Neem nu dit antwoord uit een NRC-interview: ‘Als je wat jij voelt tot een gemeenschappelijk probleem maakt, als je zegt dat dat iets betekent voor wat anderen moeten doen of laten, dan heb je de inspanningsverplichting om ook een verhaal te construeren over waarom dat dan zo zou zijn en waarom dat de wereld beter zou maken. En daar kan een filosoof denk ik wel bij helpen. Om het gesprek helderder te maken.’ Gesprekken met de NS-chatbot zijn helderder dan dit, en zo’n onderbetaald algoritme vraagt mij tenminste niet om een verhaal te construeren over mijn gemiste trein. De frasering ‘een verhaal construeren’ is trouwens echt top notch PMC newspeak. Klinkt diep, zegt niets, en kost vooral tijd. 

Ik hoef natuurlijk helemaal niet als een eerstejaars argumentatieleer te bewijzen dat ze geen helder denker is. Ze is godverdomme een filosoof. En dan ook nog eens een publieksfilosoof. Publieksfilosofen zijn de filosofen die de brug willen slaan tussen onbegrijpelijke academische werken en het publiek, een onderneming met een even grote kans op slagen als een weeskind. Publieksfilosofen leggen zich er op toe om volgens de grootste gemene deler een boodschap over te brengen. En waar brengt dat ze? Bij ‘gesprekken voeren’. Influencers voeren op hun Instagram Live ook gesprekken, en gaan moeilijke waarheden over pedofilie daarbij niet uit de weg. 

Maar Instagraminfluencers zouden we nooit de Influencer des Vaderlands noemen. Dat klinkt debiel. Of wat te denken van een andere beroepsgroep, zeg, een Natuurkundige des Vaderlands? De laatste die dat probeerde slijt nu zijn dagen op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wat heb je nog aan je begrip van de snaartheorie als je geconfronteerd wordt met een ambtenarenapparaat dat meer bezig is met een teambuilding sessie ‘dekoloniaal vergaderen voor en door witte mensen’ dan de voorlaatste onderwijshervorming door te voeren? Bedenk anders eens hoe raar een ‘Dichter des Vaderlands’ zou zijn. Ik durf een arm erom te verwedden dat dat nooit goed kan zijn voor de mentale en fysieke gezondheid.

Waarmee ik maar wil zeggen: een Denker des Vaderlands is al een hemeltergend achterlijk concept. Iedereen kan zichzelf een denker noemen, maar een Denker des Vaderlands, wat is dat nu echt? Waar denkt die de hele dag over na? Iedereen denkt toch de hele dag? Wat onderscheidt de Denker des Vaderlands? Niet het denken-gedeelte, in ieder geval. Het vaderlands-gedeelte? Marjan Slob is geboren in Giessenburg, in de Alblasserwaard. Wie dat aan kan wijzen op de kaart weet dan iets over het vaderland, maar getuigt dat meteen van vaderlandsliefde? Omdat ik de penis van mijn vader aan kan wijzen betekent dat ook niet automatisch dat ik hem liefheb. 

En toch wordt er elke twee jaar een nieuwe Denker des Vaderlands uitgekozen. Elke zevenhonderddertig dagen hijsen we een nieuwe shmuck met een nieuwe shtick op een podium. Na René Gude (dood), Marli Huijer (wil iedereen dood) en Daan Roovers (moet dood) zitten we nu met de ruimteinnemer Marjan Slob opgescheept. Het liefst zou ik Marjan Slob de ruimte in schieten. En alle andere Denkers des Vaderlands ook. En andere dingen des vaderlands eveneens. Gewoon iedereen met een shtick waar je niet om kan lachen. Dat zijn veel mensen, maar de ruimte is groot. En daar hoort niemand je denken.

AP

Archief