Maandag

Dagboek! Mij is gevraagd een artikel over de situatie in Iran te schrijven. Is Iran nog mijn land? Om op die vraag antwoord te kunnen geven, ging ik eerst een wandeling maken. Eigenlijk wou ik weten wat een vaderland voor me betekende. Ik zocht een verhoging met een mooie olijfboom om op te gaan staan, om te kijken wat er van mijn vaderland overgebleven was, maar al het reliëf in het landschap was helaas al afgeschaft door de IDF. Dan keek ik maar gewoon vanaf de grond. Dit is wat ik zag: 

Mijn vader zittend op een Perzisch tapijt lezend in het heilige moederboek. Mijn grootvader leunend op zijn wandelstok. Wat hij aan het doen was, kon ik niet helemaal zien, vanwege de rook die opsteeg uit de oogkassen van de dertig seconden geleden door een AGM-114R9X “Ninja”-raket doorkliefde plaatselijke imam. De bergen, nee iets anders, een graf in de bergen, het graf van mijn vermoorde broer. Een gevangenis, de griezelige gevangenis, waarin mijn zus als meisje werd opgesloten en waaruit ze als een gebroken vrouw werd vrijgelaten. De gezichten van een paar oude vrienden. (Vertel het niet verder. Ik ben hun naam vergeten. Het duurt heel lang voor ik me hun namen herinner. Ontzettend is het. Is het niet?) Zag ik nog andere dingen? Nee, ik zag niets meer, door alle rook. Ik wandelde verder om een beetje na te denken.

Dinsdag

Dagboek! Vandaag liep ik naar de ruïnes van de meisjesschool in Minab. Tussen het puin zag ik een olijfboom ontkiemen. In de geschiedenis van de rijke oude cultuur van mijn voorouders staat de olijfboom voor kracht en vernieuwing. Maar toen ik dichterbij kwam, bleek dat de olijfboom in het puin een salade uit de lunchbox van een leerling was. Vast lekker, uit de keuken van mijn rijke oude cultuur. Maar nog dichterbij gekomen zag ik dat het eigenlijk de herseninhoud van een van de meisjes was. Zonde. Ik knielde en bad voor mijn achtenzestig nichten, opdat hun herseninhoud in hun schedels mag blijven. En dat zij door kunnen leren om later ook vluchteling te worden. 

Woensdag

Dagboek! Vanochtend vliegt er weer een B2 door de rijke oude cultuur van mijn voorouders. In die rijke oude cultuur zou een raketinslag waarschijnlijk geïnterpreteerd worden als Allah die stenen gooit naar heidenen, en wie zegt dat Donald Trump iets anders is dan een boze God? Of is God boos en is Trump zijn straf voor ons rijke, oude volk? We kunnen het nooit weten.  

Ik ging naar de stad, bewoog me door de smalle stegen geplaveid met oude stenen, die verhalen vertelden van eeuwenoude ambachten en handel. Op de kleurrijke bazaar, een van de oudste en meest levendige in de Perzische regio, hoorde ik plotseling een knal, vanuit een kooi. Ik schrok mij een fezje, dagboek! Maar het was een papegaai, die een B2 nadeed. Daarna begon de papegaai te huilen om zijn in duizend en één stukken ontplofte vader. Maar dat was dus ook imitatie. Ik kocht de papegaai. Ik sprak tegen de papegaai: ‘Ben ik nog Iraans? Welke taal is mijn thuis? Is het Nederlands? Of de taal van mijn rijke, oude cultuur van mijn voorouders?’ De papegaai fluisterde: ‘Mag ik terug naar huis?’

Donderdag

Ben ik een Iraanse schrijver? Nee, niet meer. Ben ik een Nederlandse schrijver? Nee, dat hoeft ook niet. Wat ben ik dan? Of wat ben ik aan het worden? En hoe lang duurt dit proces van de verwisseling? Vragen, allemachtig, ik heb zo veel vragen. Ook dingen als: Waarom is de lucht blauw? Hoe komen baby’s in de buik? Waarom hebben volwassenen geen tijd? Soms helpt het om die vragen uit te schreeuwen over de puinhopen hier, om met mijn stem een weg door de rook te banen. Gedicht is de beste puinraper. Rijmend mijmeren, bezinnend zingen in zinnen, lyrisch tieren als een tierelier. Een rare kale man schreef dat het Berbers is om na Auschwitz nog gedichten te schrijven. Géén gedichten schrijven, dat zou pas Berbers zijn. En ik blijf altijd een Pers. 

Vrijdag

Vannacht bleven er maar stukjes uit mijn herinnering naar boven drijven, als afgereten ledematen in de straat van Hormuz. In dromen en nachtmerries raakte ik verstrikt in beelden van mijn achtenzestig lieve nichten, beelden die ik liever niet met je deel, dagboek, ik hoop dat je dat begrijpt. Hoewel het in de geschiedenis van mijn rijke oude cultuur dus niet altijd een taboe is geweest het bed met je nicht te delen. Allah schrijft dat het mag, maar alleen als de nood aan de man is. En denk je niet dat de nood nu aan de man is, dagboek? Overpeinzingen! Je snapt wel dat ik vanochtend koos voor mijn ring met de grote rode edelsteen, die al eeuwen van generatie op generatie wordt doorgegeven in mijn uit de oude cultuur van mijn voorouders afkomstige familie. Maar toch zal ik het je uitleggen, dagboek. Rood is de kleur van vergiffenis. Oh jeetje, raket!

Kader Abdolah

Archief