TM
Toen ik op het boekenbal voor 3,75 genoeg consumptiemuntjes had gehaald voor een broodje kroket (ook de prijzen behoorden blijkbaar tot de thematische uitingen), manoeuvreerde ik door wat groepjes heen. ‘Pardon, mag ik er misschien langs,’ vroeg ik, uiterst beleefd van toon, aan een kleine beveiligingsbeambte – op wie ik ondanks beide zaken geenszins neerkeek – die met een groepje vrouwen stond te kabbelen. ‘Nouw, dan mot ik je er dus eerst doorlaten, hè?’ snauwde hij en hij draaide zich weer om naar zijn gezelschap en trapte hierbij op mijn teen.
Ik liep maar om. Verbazing tolde door mijn hoofd. Zijn manieren deden inderdaad niet onder voor een beveiligingsbeambte, maar was zijn pak niet wat goedkoop, zijn pantalon niet wat te lang? En waar waren zijn manchetknopen? En waar het roestvrijstalen V-speldje? Waar moet het heen met de Nederlandse Schrijverij, als zij op haar jaarlijkse ijdelfuif haar beveiliging niet eens in een fatsoenlijk uniform kan steken? En wat voor veiligheid mogen we verwachten van bewakers die zulk een autoriteit uitstralen? Er zouden wel eens ongenode jongelui binnen kunnen komen! Zeker in deze tijd een gevaarlijk iets.
Word ik toch de volgende ochtend wederom door deze portier begroet, wanneer ik het Volkskrant Magazine opensla! Alex Boogers heet ie en wat blijkt: meneer kan niet alleen gewoon lezen, maar ook schrijven. Boeken en zijn naam. Dat eerste bepaal ik zelf wel. Dat laatste klopt niet helemaal, want hij is gewoon als Alexander geboren, maar veranderde dat dus in Alex. Dat heb je wel eens. Dat een Ruprecht dan opeens Rudi heet, of Hiëronymus plotseling Jordi is. Maar goed, ook deze naamsverandering zal wel z’n betekenis hebben. Alexander betekent trouwens ‘hij die de mannen afweert’, wat dan wel niet met Alex’ inborst gestrookt zal hebben. Op de foto’s bij het interview heeft hij hetzelfde pak aan als op het bal, dus het interview zal wel ergens achter de coulissen hebben plaatsgevonden. Toch raar dat ie dan poseert met een boeddhahoofd dat ik meen van de week nog bij de Xenos te hebben gezien, maar het zijn barre tijden, ook voor schouwburgen. En hoewel ik het gros van de tijd naar de grond keek, heb ik die avond geen loslopende honden gezien. Op een van de foto’s namelijk, laat hij zich door zijn Pittbull Terriër likken, genaamd B.J. (wat die hond verder doet als zijn baasje hem bij zich roept, staat niet in het interview).
‘Na zeven bejubelde boeken is Alex Boogers (44) nog steeds geen bekende schrijver,’ meldt het tijdschrift. Zeven bejubelde boeken, en ik heb nog nooit van de man gehoord! Een beetje schaamte ebt al weg als ik in zijn CV lees dat hij na het halen van zijn mavo-diploma en een carrière in het zwembadschoonmakingswezen, inderdaad ook in het beveiligingsambt werkzaam is geweest. Via een omweg weet hij toch nog gewoon een normaal diploma te bemachtigen en studeert in vier jaar filosofie, rechten en Nederlands. Of ie deze studies af maakt en dus nabij geniaal is, wordt helaas niet vermeld, maar we mogen toch op z’n minst van propedeusjes uitgaan, anders had het de moeite van vermelden überhaupt niet waard geweest. Hij wordt ook nog eens kickboxtrainer en éne Soumia Abalhaja wordt onder hem wereldkampioen. Gelukkig niet nog een naam die ik had moeten kennen, want tenzij ze voetbalvrouwen schaken of naast mij dansen, weet ik niet waarom ik respect voor kickboxers zou moeten hebben.
Dan de boeken: van Het boek Estee heb ik geloof ik weleens gehoord, maar dat is onder het pseudoniem M.L. Lee verschenen, dus daar was ik kansloos. Van titels echter als Het waanzinnige van sneeuw, Lijn 56, Het sterkste meisje ter wereld, De tijger en de kolibrie of Alle dingen zijn schitterend heb ik nog nooit gehoord. Wanneer de mieren schreeuwen is me wel bekend. Het was een van de eerste e-books die gratis weggegeven werden, dus ook hier was ik als literatuurminnaar volstrekt kansloos. Een pr-stuntje was het niet, zegt Boogers, hij vond dat het gelezen móést worden. Iets met waargebeurd en zinloos geweld. Dat zal allemaal wel, maar het relativeert wel waarom men die andere boeken dan wel zou moeten kopen. En dan is zijn achtste boek Alleen met de goden ook nog eens net uit. Dat met mijn resterende honderd woorden hier nog bespreken, is onmogelijk, en bovendien onrechtvaardig, al was het maar omdat het volgens Boogers ‘het eindboek’ is. Of dat betekent dat we alles behalve de Heilige Schrift en het Telefoonboek binnenkort in het haardvuur gooien kunnen, is niet duidelijk, dus stook nog maar even op hout, zou ik zeggen. ‘Alles waar ik in mijn eerdere werk over schreef, komt terug in dit boek, maar dan puurder, heftiger.’ Kijk eens aan. Ik kan dus door het lezen van een boek acht boeken lezen. Een mooie boetedoening. Ik zal de boekbespreking daarom maar tot de volgende keer bewaren en mijn resterende woorden aan wat leuks uit het interview besteden.
‘Al mijn hele leven wordt ik […] geplaagd door beelden. Fragmenten. Waar ik verbanden tussen probeer te leggen. Ik blijf malen, malen, tot ik denk: dát is het verhaal.’ En even later: ‘Ik schrijf niet therapeutisch.’ Over Birdman: ‘Één scène bleef me bij.’ Toch knap voor scènes van twee uur. Of een leuk ergernisje: ‘Nog altijd word ik geïntroduceerd als de schrijvende kickboxer. […] Ver van de waarheid. Ik ben namelijk nooit kickboxer geweest. […] ik ben trainer.’ Zo, dat is even rechtgezet. Voortaan zegt iedereen gewoon weer ‘schrijvende kickboxtrainer’, zoals het hoort. Tot over twee weken!
Ik zal er maar eerlijk voor uit komen, ik heb wel eens een boek van Saskia Noort gelezen. Ik zat in een berghut ergens in de Alpen. Op de boekenplank stonden een groot deel van het oeuvre van Thomas Mann, Mein Kampf, een autobiografie van Arnold Schwarzenegger en een boek van Saskia Noort, dus veel keuze had ik niet. Ik heb geen idee meer welk boek het was, maar erg goed was het niet.
Een paar jaar later werd ik aangeklaagd door de kleinzoon van Rietveld, die de beroemde ‘Hillebrandt’ tuinbanken van zijn opa verkocht voor 2200 euro per stuk. Met een vriend had ik bedacht dat we dezelfde banken konden maken en dat we, als we er driehonderd euro voor vroegen, nog steeds een prima winstmarge zouden hebben. Omdat we onze banken aanprezen met ‘een echte Rietveld’ en de kleinzoon de rechten op het ontwerp bleek te bezitten hadden we niet echt een poot om op te staan en zijn we maar gestopt met onze business.
Bij het verschijnen van het debuut van Liselotte Stavorinus Het Reservaat vond ook Saskia Noort dat ze werd geplagieerd. Ze sleepte Stavorinus (wat een idiote naam trouwens, ik noem mezelf toch ook niet Tim Haarlimus) voor de rechter en noemde 29 elementen op die Het Reservaat rechtstreeks overgenomen zou hebben uit De eetclub. De rechter oordeelde echter dat clichés niet te beschermen zijn en dat er dus geen sprake is van auteursrechtschending. Noort besloot afgelopen week niet in hoger beroep te gaan, maar laat het er niet bij zitten en zocht de media op. ‘Ik miste de discussie over wat een cliché is’, aldus Noort.
Daarover hoeft wat mij betreft weinig discussie over te bestaan. Volgens de Van Dale, wat toch wel een betrouwbaar naslagwerk is als het gaat om de betekenis van woorden, betekent cliché het volgende: ‘telkens overgenomen, altijd weer gebruikte en daardoor versleten, niet meer ‘sprekende’ wending of figuur’. Zo zou je blinkende SUV’s op de opritten van Gooise huizen, vrouwen die witte wijn drinken, nouveau riche types met banen als televisieproducent of binnenhuisarchitect die vreemdgaan met de enorme merkzonnebrillen dragende vriendinnen van hun vrouw, allemaal clichés kunnen noemen. De proleet met de dikke auto, lelijke nieuwbouwvilla, opzichtig dure levensstijl en een voorliefde voor jongere domme huppelkutjes is namelijk het archetype van de mannelijke Gooibewoner. De opgetutte niet al te intelligente milf met dikke tieten en opgespoten lippen die het geld van haar man over de balk smijt in ruil voor het negeren van zijn slippertjes die van de vrouwelijke.
Stomtoevallig zijn al de hierboven genoemde voorbeelden ook elementen die Stavorinus in Het reservaat volgens Noort heeft overgenomen uit haar boek De eetclub. Zo zijn beide hoofdpersonen vrouwen die naar een klein dorp buiten Amsterdam verhuisd zijn, waar de opritten naar riante optrekjes vol staan met patserige terreinwagens, en voelen ze zich na de verhuizing eenzaam. Er wordt in beide boeken een witte wijn gedronken tijdens de eerste ontmoeting tussen twee vriendinnen en in beide boeken wordt de hoofdpersoon uitgenodigd voor een etentje, dat zowel het begin vormt van de uitweg uit de eenzaamheid voor de hoofdpersoon, als de aanleiding is voor een serie noodlottige gebeurtenissen. En alsof het nog niet erg genoeg is, kiezen beide hoofdpersonen ook nog eens na lang twijfelen voor een zwart jurkje om aan te trekken naar dit diner. Gelukkig zag de rechter in dat deze en alle overige genoemde elementen ‘niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking [komen] omdat het voor de hand liggend en basaal is en niet het resultaat is van een creatieve schepping.’
Daar is geen speld tussen te krijgen. Als Noort haar hoofdpersoon gefermenteerde jakmelk had laten drinken en een clownspak had laten dragen en Stavorius had dit overgenomen, dan was er sprake geweest van plagiaat. Maar fucking witte wijn en zwarte jurkjes? Kom nou. Alsof Noort het alleen recht heeft op het schrijven van kutboeken.
De ophef die Noort probeert te creëren over het overeenstemmen van 29 clichés die toevallig zowel in haar boek als in het boek van Stavorinus voorkomen is alsof ik aangeklaagd zou zijn omdat ik ook een opa heb die timmerman was, en ik banken maakte, die van hout waren, bij elkaar gehouden werden door schroeven en houtlijm, die gelakt werden en zitplaats boden aan drie tot vier personen. Maar daar ging het niet om. Ik werd volkomen terecht aangeklaagd omdat ik een één op één kopieën maakte van de tuinbank van Rietveld. Maar het boek van Stavorinus heet niet De Eetclub en gaat ook niet over een vrouw die naar Bergen verhuist en een vriendin heeft die twee moorden op haar geweten blijkt te hebben. Saskia Noort gaat toch ook niet Herman Koch aan klagen omdat hij een boek heeft geschreven waarin een etentje een belangrijke rol speelt?
Uit de wanhopige poging van Noort om via de media alsnog haar gelijk te halen kunnen we drie dingen concluderen; ten eerste, Noort weet niet wat een cliché is en denkt dat meer mensen hier last van hebben. Ten tweede, Saskia Noort is bij mijn weten de enige schrijfster van Nederland van wie in een uitspraak van het hof is vastgelegd dat ze clichématig schrijft en ‘geen creatieve schepping’ neerzet in haar boeken. En tenslotte zijn zowel De eetclub als Het reservaat boeken die je niet hoeft te lezen, tenzij je natuurlijk in een berghut zit en je Mein Kampf al uit hebt.
Diegenen die bij het vernemen van hét grote nieuws van deze week, dat Joost Zwagerman zijn persoonlijke archief aan het Letterkundig museum in Den Haag heeft gedoneerd, net als ik dachten dat dit betekende dat de beste man ofwel was overleden of tenminste op het punt stond de pijp uit te gaan moet ik teleurstellen, Joost is kerngezond. Of nu ja, gezond, niet geesteszieker dan gewoonlijk. Het verzoek van de Universiteit van Amsterdam om zijn archief – net als Grunberg- in bruikleen te geven werd door Zwagerman aangegrepen om maar liefst tien strekkende meter oud papier te schenken aan het Letterkundig museum. De geschatte waarde van de schenking? 200.000 euro.
Ik ga er voor het gemak even van uit dat in het gehele archief niets te vinden is wat een intrinsieke waarde heeft, dus dat de taxatiewaarde gebaseerd is op de huidige oud-papierprijs; ongeveer tachtig euro per duizend kilo. Een kleine rekensom leert dan dat Zwagerman ongeveer vijfentwintigmiljoen kilo archiefmateriaal naar Den Haag heeft gesleept. Ter vergelijking, dat is evenveel als de gehele oplage van de Volkskrant van de afgelopen drie jaar bij elkaar, het water van tien olympische zwembaden, of drie A.F.Th. van der Heijdens (wanneer je ze ’s ochtends zou wegen).
Wat treft men zoal aan in deze papieren toren van Babel? Foto’s, van Zwagerman met Tom Lanoye, Martin Bril, Herman Brusselmans, A.F.Th. van der Heijden, briefwisselingen met collega-schrijvers, politici, kunstenaars en filosofen, dagboeknotities, handschriften van onder andere het onvolprezen Gimmick!, een aantal edities van het tijdschrift De Zwagergids, dat hij uitgaf toen hij dertien was en naar verluid een brief aan Koning Beatrix waarin Zwagerman voorstelt om hem aan te nemen als wettige oudste zoon, zodat niet Willem-Alexander, maar hij haar opvolger zou worden.
Wie door het archief gaat kan niet anders dan concluderen dat Zwagerman niet alleen een groot schrijver is, die vanaf eind jaren tachtig eigenhandig het literaire veld heeft opengebroken, maar ook nog een groot denker, een vlijmscherp essayist, hobbyfotograaf, liefhebbend vader, brievenschrijver, stijlicoon en een niet onverdienstelijk kok, als je de knipselmappen met allerhande recepten erop naslaat. Daarmee is de vraag echter nog niet beantwoord waarom Zwagerman er nu al toe over is gegaan om zijn archief weg te geven en niet pas aan het einde van zijn leven (evenmin als de vraag waarom het letterkundig museum zijn gift in godsnaam heeft aangenomen). Waarschijnlijk voelde hij zelf al aan dat het alleen de hele grote gegeven is om niet al tijdens het leven te verzinken in vergetelheid en moet hij hebben vermoed dat hij zijn archief over dertig jaar alleen nog kwijt had gekund in een per maand te huren opslagruimte langs de A10.

Het is niet niks om 125 jaar oud te worden. Zo zat ik laatst tijdens een kerstdiner naast een 101-jarige en toen dacht ik al; nou nou, die is oud. Kunt u nagaan. Er is dan ook een hoop veranderd de afgelopen 125 jaar. 125 jaar geleden leefde Hitler bijvoorbeeld nog. Sterker nog als, hij nu nog steeds geleefd zou hebben, zou hij op dit moment ook 125 jaar oud zijn geweest. Ook had 125 jaar geleden nog niemand van Jody Bernal gehoord, of van marktwerking in de zorg.
Sommige dingen blijven gelukkig gewoon wat ze zijn. Neem nou Propria Cures. Wist u bijvoorbeeld dat PC al 125 PC’s, vouw om iedere jaargang een kekke neplederen kaft en ze krijgen een onweerstaanbare aantrekkingskracht, niet jaar lang meer gemeen heeft met lelijke
vrouwen dan u op het eerste gezicht zou denken? Een enkele onaantrekkelijke vrouw zal u in het voorbijgaan niet zo snel opvallen, tenzij ze het echt bont maakt, maar zet zes exemplaren samen op de foto en ze zien er opeens helemaal niet meer zo onaantrekkelijk uit. Precies zo is het met Propria Cures. Elk afzonderlijke nummer is net niet goed, net te flauw, te voor de hand liggend, misplaatst, achterhaald, of te gehaast in elkaar geflanst. Maar neem 125 jaar aan in de laatste plaats door alle beroemde oud-redacteuren waar iedere zittende redactie zich zo graag mee vereenzelvigt.
Het zijn deze grote namen, waaronder Menno ter Braak, Mensje van Keulen, J. Slauerhoff en Martinus Nijhoff, die maken dat PC al 125 jaar lang een instituut is om rekening mee te houden. Het zijn dezelfde namen, die, mits ze nog niet overleden zijn, door de huidige redactie keer op keer gebeld worden om hun voorleesavondjes op te komen luisteren.
Je zou bijna vergeten dat er voor elke beroemde oud-redacteur minstens tien roemloos ten onder zijn gegaan.
Is PC dan enkel een opsomming van literaire hoogvliegers? Wie deze mening is toegedaan doet het blad tekort. Zo is Özcan Akyol niet enkel een dramatisch slechte auteur, hij is daarnaast ook een omhooggevallen crimineel met een misselijkmakend narcisme en een microscopisch kleine zelfkennis. PC is niet alleen een handvol beroemdheden uit vervlogen tijden, het is ook een blad dat al 125 jaar principieel dusdanig wars is van rages en populaire cultuur, dat het maar goed is dat het nooit een succesvol blad is geworden, omdat het dan alleen nog maar over PC zou gaan in PC, in een prachtig literair droste-effect.
PC heeft nooit geprobeerd vernieuwend te zijn en dat is maar goed ook. Het is al lastig genoeg om überhaupt vernieuwend te zijn, laat staan dat je dit 125 jaar lang weet vol te houden. Van het begin af aan wist men bij PC waar je oud mee kunt worden: op goedkoop papier kankeren op alles wat je niet aanstaat. Het mooie aan dingen die je niet aanstaan is namelijk dat er zich telkens nieuwe van aandienen. Voeg aan het gekanker een aantal goede grappen toe, roer het geheel tot een vlot lezend stuk tekst en je hebt een recept voor een blad dat zo nog 125 jaar mee kan gaan, als de er tegen die tijd tenminste überhaupt nog geletterden zijn.
Het verachten van alle schijn, alle inhoudsloze pretenties, het doet denken aan Nietzsches Zarathustra die zich tot het volk went met de woorden: ‘Wehe! Es kommt die Weit des verächtlichsten Menschen, der sich selber nicht mehr verachten kann.’ De laatste mens kan volgens Nietzsche zichzelf niet meer verachten en heeft daarmee ook alle vermogen tot achting verloren. Want ook verachting is nog altijd een vorm van achting. Maar zover is het nog niet. Zover zal het pas zijn als bij PC het licht uit gaat.
Het is overigens wel te hopen dat er binnen afzienbare tijd nog een flinke oorlog uitbreekt, het liefst op wereldschaal. Hoe PC het namelijk in godsnaam de eerste vijftig jaar heeft weten te stellen zonder Tweede Wereldoorlog is namelijk nog steeds een groot mysterie. Geen dankbaarder onderwerp voor een ongepaste grap dan een WOII-verwijzing op zijn tijd, al begint deze formule na zeventig toch ietwat sleets te worden. En IS moet het wel heel bont gaan maken de komende tijd, om de grap ‘Als de Duitse oorlogsprestaties in 1941 een matig succes zijn, dan is Abu Bakr al-Baghdadi een gematigde moslim.’ over vijftig jaar nog te kunnen maken, al kan dat er natuurlijk ook aan liggen dat het nu al niet zo’n hele sterke grap is.
Toen ik van huis ging en nog snel een Snelle Jelle uit de la griste voordat ik de deur achter me dicht trok, was ik het niet van plan geweest, echt niet, maar na het twintigste paar geile billen, mooi geaccentueerd in een donkere strakke legging, kon ik me niet meer inhouden. Ik trok het meisje in kwestie mee een steegje in, trok haar ondergoed naar beneden en duwde met brute kracht mijn snoeiharde, donkerpaars kloppende lid naar binnen. Pas toen ik in haar klaar was gekomen liet ik haar weer gaan. Zo snel als ze kon rende ze weg, struikelend over de legging, die ze wanhopig omhoog probeerde te trekken. Ik had trek gekregen van deze inspanning, maar gelukkig had ik nog een paar dropsleutels in mijn zak.
Als je het voedingscentrum mag geloven heb ik niets aan dit voorval kunnen doen, hoe vervelend het ook voor me uitpakte; ik loop namelijk al drie weken met een druiper rond en de antibiotica slaan maar niet aan. Mijn wilskracht was immers uitgeput door alle verleidingen waar ik aan bloot gesteld was. Op eenzelfde manier zou de calorie-Gestapo van het gezondheidscentrum kunnen betogen dat het niet aan Robert M. ligt dat hij zich heeft vergrepen aan tientallen jonge kinderen, hij heeft heus wel geprobeerd om te verleiding te weerstaan, maar op een gegeven moment ging het gewoon niet meer.
Met een debiele slogan; #verleidmeniet, en een interessant klinkende medische term voor wilsuitputting; egodepletie, startte het voedingscentrum vorige week een campagne tegen ongewenste verleiding door ongezonde snacks tijdens het winkelen en onderweg. Door mensen op te roepen foto’s te twitteren van momenten waarop ze tegen hun wil in verleid worden door etenswaren, wil het voedingscentrum ons bewust maken van de hoeveelheid rotzooi die we aangeboden krijgen wanneer we de deur uitgaan. ‘Zo ontstaat er’, aldus het voedingscentrum, ‘een beeld van de omvang van de plekken en momenten waarop je verleid wordt ongezonde aankopen te doen.’ Helaas voor deze gezondheidsfetisjisten zijn smartphones ontzettend lastig te bedienen als je worstenvingers hebt, dus blijft de stroom van foto’s van sensueel knipogende Snickers, Twixen en Bounty’s die dikke mensen verleiden uit.
Uit onderzoek van het voedingscentrum blijkt dat zes op de tien mensen zich ergeren aan de mate waarin ongezonde etenswaren aan ons opgedrongen worden. Met name opdringkassa’s worden irritant gevonden. Dit zijn kassa’s waar je, terwijl je netjes op je beurt wacht om te betalen voor je wortels en quinoasalade, nog allerlei zoetigheden aangeboden krijgt met een mooie aanbieding. Na een verloop van tijd ben je volgens het voedingscentrum te uitgeput om de verleiding nog te kunnen weerstaan en reken je toch weer dat zakje m&m’s of die KitKat af. En omdat je natuurlijk doodongelukkig wordt van zo’n gebrek aan zelfdiscipline , loop je bovendien nog snel even terug naar het vriesschap om je zelfhaat weg te eten met een fijne bak chocolade-ijs. Achteraf geeft een op de vijf mensen toe wel eens spijt te hebben van dit soort aankopen.
Noem me een hedendaagse Don Quichot, maar volgens mij is overgewicht niet zozeer het gevolg van flirtende opdringkassa’s met Engelse drop, Maltesers en andere troep, maar van het volgende. Als je meer calorieën binnenkrijgt dan je verbrandt, word je dik. Dit kun je voorkomen door ofwel minder te eten, ofwel door meer te bewegen. Ja logisch, denkt u nu ongetwijfeld, en hoewel intelligente mensen, waar u uzelf waarschijnlijk ook onder schaart, minder vaak te dik zijn dan domme mensen, zijn er onder u ook vast en zeker ook dikkertjes met een voorliefde voor gevulde speculaas en slagroomtaarten, dus ik meld het toch maar even.
Wat het voedingscentrum doet is mensen de verantwoordelijkheid ontnemen voor hun pensen en onderkinnen. Dit helpt mensen niet gezonder door het leven te gaan maar geeft ze het idee dat ze er niks aan kunnen doen dat ze niet meer in een vliegtuigstoel passen. Afvallen doe je door meer te bewegen en minder te eten, niet door foto’s van Nuts en Bros met #verleidmeniet te twitteren. Als iedereen na enige weerstand gewoon zijn lusten zou botvieren in het kader van wilsuitputting, zou het een mooie teringzooi worden in dit land.
Wist u trouwens dat u ook van het lezen over snacks egodepletie kunt krijgen? In dit stuk heb ik u geconfronteerd met maar liefst zeventien ongezonde tussendoortjes. Daarmee is de wilskracht waarmee u vanochtend opstond volgens het voedingscentrum al met de helft gedaald. Het spijt me. De gevulde koeken, stroopwafels en chocoladecakejes die u zo niet langer kon weerstaan kunt u bij mij declareren door het bonnetje op te sturen naar redactie@propriacures.nl. Of u brengt het persoonlijk even langs, dan heeft u gelijk weer wat beweging.
Soms kan ik plotseling enorm boos worden op mijn ouders omdat ze mij een doodgewone jeugd bezorgd hebben. Ik ben vroeger niet mishandeld, mijn vader dronk nooit teveel en we gingen gewoon elke zomer met vakantie naar van die gezellige ANWB-campings in Frankrijk of Italië. Ze zijn dit jaar zelfs vijfentwintig jaar getrouwd en hebben deze mijlpaal bereikt zonder buitenechtelijke affaires of kinderen uit voorgaande huwelijken. Op de homoseksuele geaardheid van mijn broertje na is er dus weinig uit mijn jeugd dat zich leent om te verwerken tot een roman, om daarmee vervolgens een gevierd auteur te worden.
Wat dat betreft heeft Dimitri Verhulst het een stuk gemakkelijker. Hij werd in zijn jeugd achtereenvolgens door zijn vader en zijn moeder verwaarloosd en eindigde in een instelling, een afvalcontainer voor ongewenste kinderen. De episode bij zijn oma met zijn drankzuchtige en opvliegende vader heeft hij van zich af kunnen schrijven in de bestseller De Helaasheid der Dingen en de periode bij zijn moeder die haar nieuwe vriend boven hem verkoos kennen we uit De laatste liefde van mijn moeder.
In zijn nieuwste boek Kaddisj voor een kut lezen we over het laatste hoofdstuk uit zijn jeugd, waarin hij in een instelling woonde voor uit huis geplaatste kinderen. Kaddisj voor een kut bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over een ex-instellingskind die de begrafenis bezoekt van een meisje uit de instelling waar hij gezeten heeft en dat zelfmoord heeft gepleegd door uit een raam te springen op de bovenste verdieping van het tehuis. De jongen, die ‘de neus’ genoemd wordt, wordt door Verhulst aangesproken in derde persoon en krijgt afwisselend jeugdherinneringen en observaties van de begrafenis door zijn strot geduwd, alsof hij zelf niet in staat is om het woord te voeren. In het tweede deel vertellen een man en een vrouw ( zelf voormalig bewoners van een jeugdinrichting) hoe ze hun kinderen hebben omgebracht zodat ze niet naar een instelling hoefden. Een derde stem zorgt daarbij als een soort van voice-over voor de nodige achtergrondinformatie.
Als we Verhulst mogen geloven is het eerste deel van Kaddisj voor een kut voor 95 procent een waarheidsgetrouwe beschrijving van zijn eigen tijd in een instelling voor ongewenste kinderen en zo te horen heb ik een hoop gemist. Zoals Sarah, die zich elke avond over een flessenhals liet glijden, de ‘koningin van de masturbatie’. Of de zaterdagen in het tehuis, wanneer erop los gewipt werd; ‘Met twee in een bed. Met die. Met meer.’ Maar niet alleen op seksueel gebied had Verhulst het een stuk beter voor elkaar dan ik. Zo zou ik van mijn moeder vroeger nooit met een touw uit een raam van de bovenste verdieping van mijn ouderlijk huis naar beneden hebben mogen klimmen, om een meter of zestien lager veilig op de grond aan te komen. Sterker nog, het huis van mijn ouders is niet eens zestien meter hoog. Evenmin was de hal van mijn ouders groot genoeg om een pingpongtafel te herbergen, zodat ik er altijd gelijk uit lag bij de potjes rondom-de-tafel op de ANWB-campings uit mijn kindertijd.
Verhulst zelf zag zijn verblijf in een kindertehuis een stuk minder positief in. Met een gitzwart gevoel voor humor beschrijft hij hoe de neus vroeger in het weekend naar het winkelcentrum in de buurt ging om te kijken hoe gelukkige gezinnen eruit zagen. Even later noteert hij dat het meisje dat zelfmoord heeft gepleegd werd in een zwarte Daimler naar de kerk gereden ‘vast de mooiste waarin Ginna ooit moet zijn vervoerd.’ Zijn woede lijkt zich echter niet op de instelling te richten, maar is gericht op ouders die niet de moeite nemen om zelf hun kinderen op te voeden. Dit komt naar voren in tweede deel van het boek, waarin een man en een vrouw hun intrek nemen in een hotel ergens in België, om daar eerst hun baby van een paar maanden oud om te leggen en vervolgens hun zoontje van zeven van het leven te beroven. De baby stikt in de billen van zijn moeder, die gelukkig nog wel zo beschaafd was om geen winden te laten in het gezicht van haar kind. Hun zoontje wordt omgebracht met een schaar, die zich als een mortiergranaat in zijn tere kinderlichaam boort.
Hoewel Kaddisj voor een kut je bij vlagen naar de keel grijpt en je woedend maakt over het gemak waarmee kinderen afgedankt worden, blijft het toch weer typisch Verhulst. Druk als altijd met alles behalve schrijven, zoals verhuizen naar Zweden voor wat hij dacht dat liefde was, terugverhuizen naar Vlaanderen voor dategene waarvan hij zeker weet dat het liefde is en een beetje bier drinken met zijn vrienden, is hij er weer niet in geslaagd om een boek te schrijven dat meer telt dan 150 pagina’s. Aan de zwaarmoedige thematiek van het boek kan het niet liggen, aan zijn eigen laksheid des te meer. Het mag een godswonder heten dat hij de twee losse delen, beide toch algauw goed voor ongeveer 70 pagina’s niet in twee losse boeken heeft uitgegeven, zodat hij nog meer tijd overhoudt voor randzaken.
Dimitri Verhulst – Kaddisj voor een kut (Atlas Contact €17,99)
Op het eerste gezicht zijn het vooral de overeenkomsten die ons verbinden; we zijn bijna even oud, hebben allebei twee studies gedaan binnen de geesteswetenschappen waar je weinig mee kunt en hebben geen van beiden een eigen pagina op Wikipedia. Als we in een eerlijke wereld geleefd zouden hebben zouden Simone van Saarloos en ik dus ongeveer even veel bereikt moeten hebben.
De praktijk laat eens te meer zien hoezeer de man achtergesteld wordt tegenwoordig. Simone is columniste, feministe, filosofe, recensent, essayist, interviewster en redacteur. En alsof ze daarmee nog niet genoeg Simone met de wereld deelt organiseert ze daarnaast ook nog filosofische en feministische avonden en werkt ze aan haar debuutroman, over ‘een bioloog die in boerka de marathon van New York rent.’. Ik daarentegen slijt mijn dagen als stagiair op de redactie van een of ander programma van de publieke omroep in de wetenschap dat degene die tegenover mij zit in anderhalve dag verdient waar ik een maand voor moet werken. En als ik al eens iets organiseer dan is het slechts een vrijdagavond waarop mijn vrienden en ik lekker gek doen en een vreemd hoofddeksel opzetten in het kader van ‘crazy-hoeden-friday’.
Simone heeft wat ik nooit zal hebben: de Sylvia-Witteman-factor. Ze heeft een oer-Hollands gezicht met blonde krullen, een potige bouw en door haar worstenbroodjes figuur ziet ze er toegankelijk en knuffelbaar uit. Bovendien weet ze het niets dat ze te melden heeft op een diepzinnige en prettig leesbare manier te verpakken. Dat heeft ze geleerd in New York, waar ze een half jaar gestudeerd heeft en waar ze nog altijd graag over vertelt, zoals alle mensen die ooit in New York geweest zijn graag laten weten dat ze er geweest zijn en hoe leuk het daar wel niet was.
Het toeval wil, dat ik op moment van schrijven zelf in New York ben, wat een fantastische stad, ik dacht, ik laat het u even weten en er zijn hier twee dingen die ik maar niet los kan laten. Ten eerste een vreemd gevoel van medelijden met de mensen die ook hier last moeten hebben gehad van Simone. Ten tweede, al heeft dit niet zoveel te maken met het eerste, maar ik moet het toch even kwijt, was ik gister in het MoMA. Daar was een hele zaal met de prachtigste schilderijen van Pollock en Newman en het enige waar ik aan kon denken was dat kutgedicht van die lul van een Joost fucking Zwagerman.
Goed, terug naar Simone. Het is natuurlijk niet slim om als zelfverklaard intellectueel mee te doen aan de slimste mens. Als je het goed doet presteer je enkel naar verwachting en als je het slecht doet, zullen de kijkers denken; ‘zie je wel, ik wist wel dat ze niet zo slim was als ze zich voordeed.’ Simone wist niet waar de escape-knop zich bevindt op het toetsenbord. Dat kan gebeuren, het is ook best spannend om een vraag te beantwoorden terwijl er een dikke, in het zwart geklede man met rode schoenen geilig naar je zit te staren terwijl hij zijn enorme lippen bevochtigd met zijn tong, maar als je dan ook niet weet wie David Cameron is, of er een eeuwigheid over doet om te bedenken wie Fidel Castro nou ook al weer was, zou je als seksistische man bijna gaan denken dat vrouwen inderdaad minder intelligent zijn dan mannen.
Nu hoeft Simone het gelukkig niet te hebben van haar intelligentie. Simone is namelijk een feministe van het nieuwe slag. Dit houdt in dat ze zich verzet tegen het (de filosofische Simone zou hier natuurlijk spreken van ‘de’ idee) idee dat mannen die veel vrouwen regelen stoere binken zijn en dat vrouwen die veel geregeld worden sletten zijn. Simone gaat er prat op dat ze veel verschillende seksuele contacten heeft en uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat ze van grote piemels houdt. Nu moet u niet denken dat dit stuk een grote freudiaanse verspreking is, dat ik het heb geschreven uit ongenoegen over de grootte van mijn lid. Niet dat ik groot geschapen ben, dat niet, maar dat heeft hier verder niets mee te maken.
Als een waar filosoof onderbouwt ze haar feminisme met interessante citaten van grote filosofen.
Zo zal ze, als Hannah Arendt-adept, wanneer je haar een slet noemt ongetwijfeld iets van Arendt aanhalen, waaruit het tegendeel blijkt. Welk citaat dat is kan ik u niet vertellen, omdat ik alle vrouwen die slimmer zijn dan ik wantrouw en derhalve niets van Arendt gelezen heb. Uit het te pas en te onpas refereren aan grote denkers blijken echter twee dingen. Ten eerste laat je merken dat je graag wil dat mensen je heel erg slim vinden en ten tweede blijkt dat je dit niet bent, omdat je te kennen geeft dat iemand anders wat je wil zeggen al eerder en beter verwoord heeft.
Zo zou ik, als ik mezelf niet overtuigend genoeg zou vinden kunnen zeggen dat Plato en Aristoteles al wisten dat een vrouw nooit een groot filosoof zou kunnen worden. Dat Kant er stellig van overtuigd was dat vrouwen niet volledig redelijk kunnen denken, zoals mannen dat wel kunnen. En dat ook Kierkegaard, die een Deen was, wat toch een vrij tolerant en geëmancipeerd volkje is, dacht dat vrouwen het zwakkere geslacht waren, omdat ze meer geregeerd worden door angst en emoties.
Gelukkig vind ik mezelf wel overtuigend genoeg en kan ik zeggen dat de grote denker Tim Meijer in 2014 al zei dat Simone van Saarloos niet meer is dan een middelmatig schrijfster en denker met penisnijd.
Totdat ik de naam Yuki op de omslag van het boek zag staan, dacht ik dat Yuki helemaal geen echte naam was, dat het alleen gebruikt werd als koosnaampje door de moeders van de kleine Yuri’s en Youps van deze wereld. Maar het lijkt wel alsof de ouders van Yuki Kempees bij zijn geboorte al wisten dat hij nooit het denkniveau van een kind zou overstijgen.
De beroemde rapper Rapper dan Rap werd ver na het middaguur wakker in zijn slaapkamer, waar de shine van zijn vele trofeeën, uitgestald in een hele dure designkast, weerkaatste op de witte muren. Toen Rapper dan Rap zijn ogen open deed, dacht hij voor een moment dat hij twee keer meer prijzen had binnengesleept dan hij altijd had gedacht, maar de pneumatische hamer in zijn hoofd deed hem beseffen dat hij waarschijnlijk nog dubbel zag van de V-formatie grijze ganzen die hij gisteravond soldaat had gemaakt.
Met het verkeerde been stapte Rapper dan Rap uit bed. ‘Au! Krak!’ klonk het onder zijn voetzool vandaan. ‘Kanker.’, dacht ie, toen hij het nog warme eierstruif van het vermorzelde lichaampje van Eitje onder zijn voet vandaan voelde stromen. Op gevoel vervolgde hij zijn weg. Tien keer ‘Au! Krak!’ en tien krachttermen later had hij de hele familie Ei vermoord en de douche bereikt.
De warme stralen uit de vergulde regendouchekop deden hem goed. De pneumatische hamer in zijn hoofd werd ingeruild door een bonte specht. Nog steeds geen feestje, maar het was ontegenzeggelijk een verbetering en nu kon hij in ieder geval zijn ogen weer open doen. Rapper dan Rap bekeek zichzelf in de spiegel. Onder zijn ogen hingen twee lappen van donkergrijs vlees en over zijn gezicht liepen diepe feestgroeven. Als je daar met een naald doorheen zou gaan, zou je de laatste platen van gister nog kunnen horen nagalmen. Op zijn bovenlip zat nog een klein beetje wit, zoals de laatste restjes sneeuw in de berm na twee weken dooi.
‘Godverdomme Rappie.’, zei hij tegen zichzelf in de spiegel, terwijl hij zijn gouden tand indraaide. ’31 jaar, en nog gedraag je je alsof je zestien bent. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat eindeloos gefeest. Je wilt toch zeker niet eindigen als Extince?’ ‘Godverdomme zeiksnor.’, sprak de spiegel terug. ‘Je kunt niks anders Rappie. In feite kun je niet eens rappen, maar dat lijk niemand te merken, dus wees Magic Mic daar maar gewoon dankbaar voor en ga vooral niet lopen klagen over hoe zwaar je het hebt, Prinsje Partyland van niks.’ ‘Maar als ik niet kan rappen, en ik ben al acht jaar de number fucking one MC van dit land, dan kom ik toch met alles weg?’ De spiegel zweeg.
Rapper dan Rap haalde hem van de muur en liep naar zijn eettafel, die sporen vertoonde van een heftige avond. Van een van de poten was alleen nog een verkoold stompje over en over het hele tafelblad gleden MDMA-kristallen door glijbaantunnels van biljetten van honderd euro. Twee Disco-biscuits waren aan het jongleren met flessen feuf en GHB-buizen en in de kroonluchter boven de tafel hing een trillende string met hoogtevrees. Met één ferme veeg van de spiegel maakte Rapper dan Rap een einde aan de after van de after. Hij legde de spiegel op tafel, haalde uit de binnenzak van zijn kamerjas een klein envelopje glinsterend sterrenstof en maakte met zijn Jimmy Whoo-vippas een flinke lijn op de spiegel. Uit dezelfde binnenzak nam hij een pijpje, gemaakt uit de ellepijp van een O.D.-badbitch uit de provincie en snoof de lijn op. Hij klapte zijn laptop open en begon te typen.
Vier uur later keek Rapper dan Rap op van zijn scherm. De sterrenstof was uitgewerkt en de bonte specht had weer zijn intrek genomen in het hoofd van onze rapper, waar hij als een bezetene gaten aan het pikken was in de hersenstam. Met samengeknepen ogen las hij terug wat hij geschreven had; een verhaal over de afzat-knalavonturen van Faber Wilhelm. Het was niet slecht, ook niet briljant, maar hij had geen zin meer en belde een Italiaanse traiteur. ‘Ja Rapper dan Rap hier. Doe maar iets met vlees en vis, vitello tonnato ofzo.’ Hij at in bed en viel al snel in een diepe slaap.
De weken die daarop volgden leed Rapper dan Rap een voor zijn doen bijzonder regelmatig leven. Hij stond op, nam een lijntje van zijn sterrenstof en typte in een uurtje of vier een verhaal. Dat was meestal niet waanzinnig goed, maar hij verveelde zich snel en weigerde er nog eens naar te kijken. Daarna belde hij de Italiaanse traiteur, bestelde vitello tonnato en ging na de maaltijd weer zijn bed in. Elke keer dat hij wakker werd was de geur van de rottende lichaampjes van de familie Ei intenser geworden.
Toen hij achttien verhalen af had, belde hij een uitgever op. ‘Met Rapper dan Rap, de rapper. Ik heb een boek geschreven.’ Het stagemeisje dat de telefoon had opgenomen viel flauw. Rapper dan Rap hoorde hoe ze werd afgevoerd en de telefoon weer werd opgepakt. De uitgever zelf ditmaal. ‘Yo, Rapper dan Rap aan l’appareil. Ik heb een boek geschreven.’ In de ogen van de uitgever verschenen dollartekens, wat niet lag aan de snoepjes die hij de avond tevoren naar binnen had gegooid. ‘Rapper dan Rap? Rap de Rapper? S. Snuif?, de number fucking one MC van dit land?’, vroeg de geldwolf. ‘Ja Rapper dan Rap, Fabelflow, R. vrije-uitloop-ei, Reichskanzler Rap, noem me hoe u wilt, ik heb een boek geschreven.’ ‘Dat is prachtig! Wat voor boek is het? Heeft u al een titel bedacht?’ ‘Het is een verhalenbundel. Sjeumig moet het heten. Ik moet nu weg, want ik heb al in geen twee weken de bloementjes even flink buiten gezet, maar ik stuur het u toe. Doet u mijn voorschot maar contant. U vindt me wel.’
Rapper dan Rap hing op en mailde zijn boek naar de uitgever. Hij schoot zijn denim uit Parijs aan, strikte zijn Desert boots en pakte zijn bloemen, die er inderdaad uitzagen alsof ze wel wat zonlicht konden gebruiken. Hij wierp een laatste blik in de spiegel en trok met zijn vrije hand de deur achter zich dicht.
Pepijn Lanen – Sjeumig (Ambo-Anthos €16,95)
Vroeger voltrok mijn zaterdagochtend zich altijd volgens een strak geregisseerd ritueel. Rond een uur of tien werd ik wakker gebeld door Jan. Hier gaf ik Jan maandelijks een schappelijke vergoeding voor. Vervolgens liep ik naar de keuken om de vissen van mijn hond eten te geven. Daarna ontbeet ik aan de keukentafel met twee geroosterde bruine boterhammen met vlokken, een cracker met kaas, een glas jus d’orange en een kop koffie, terwijl ik de videoband terugkeek waarop mijn vader ooit het acht uur journaal had opgenomen van 1 januari 1987. Op deze dag werd fietsen op een fiets met reflectoren op de zijkant van de fietsbanden verplicht (op het journaal werd overigens geen aandacht besteed aan deze wetswijziging). Door het vele afdraaien van deze video was er nogal wat ruis op de band gekomen en de witte en grijze strepen in het beeld herinnerden mij er elke zaterdagochtend weer aan dat de Volkskrant op de deurmat op mij lag te wachten. Deze nam ik dan, bij een tweede kop koffie door. Beginnende met het Volkskrant Magazine.
Continue reading

Vorige week werd Lilian Janse als eerste vrouw ooit kandidaat gemeenteraadslid voor de SGP in Vlissingen. Het kandidaatschap van Janse betekent een revolutie binnen de sinds jaar een dag door mannen gedomineerde SGP. Deze ‘flessentrekkerrevolutie’ blijkt echter zorgvuldig gepland vanuit de inner circle rond Kees van der Staaij. PC wist de hand te leggen op de geboorteakte van ‘Lilian Janse’ evenals op notulen van partijvergaderingen over haar kandidaatschap en het dagboek van Bas van der Vlies.
Laatst deed ik een tijdje alsof ik ontvoerd was. Toen er niemand thuis was, heb ik mijn tandenborstel ingepakt en samen met wat ondergoed en een trainingsbroek in een grote koffer gegooid. De koffer was veel te groot voor de spullen die erin gingen. Ik ging naar een huis voor mensen die deden alsof. Bij binnenkomst moest ik een formulier invullen. Ik vulde mijn naam in, mijn adres en de reden van mijn komst. ‘Ik doe alsof ik ontvoerd ben’, schreef ik in het hokje.
Aldert, Aaron, Annie, Abdul, Ammeke, Alper, Asja, André, Annet, Ava, Berend, Bart, Bob, Barend, Bertrand, Babette, Barbara, Badir, Bernard, Beer, Cees, Cornelis, Carel, Claire, Clara, Constantijn, Constance, Carolien, Casey, Dirk, David, Doortje, Dorus, Dré, Dennis, Donnie, Dave, Dunja, Daan, Darth-Vader, Erik, Esther, Estelle, Emily, Emiel, Ed, Eddy, Elmer, Eppo, Fatima, Floortje, Freek, Frank, Fabio, Falco Frederick, Frenk, Greetje, Gerard, Gert, Gabriel, Galid, Geoffrey, George, Georgina, Gilles, Herman, Henk, Hesther, Harry, Hilde, Hildebrand, Hillary, Hessel, Hassan, Ingrid, Inge, Iris, Ibrahim, Ilias, Ida, Imke, Inoeska, Johannes, Jan, Jaap, Jet, Jamal, Jesse, Jaco, Jeroen, Joris, Jasper, Jop, Jelle, Jim, Karel, Klaas, Klaartje, Kees, Kane, Kalista, Koosje, Ko, Lieveke, Lotte, Loes, Lars, Leonardo, Leen, Lena, Leonie, Leopold, Laurens, Marit, Mees, Marijke, Maarten, Mohammed, Mensje, Milena, Michiel, Nico, Nils, Nadja, Nasser, Nathaly, Nadir, Nicolet, Olga, Ozcan, Oscar, Otto, Obelix, Octaaf, Odel, Odette, Peter, Petra, Pien, Pieter, Pjoter, Priscilla, Prem, Pacco, Quinten, Quincy, Reinier, Raaf, Roderick, Rosa, Rebecca, Regen, Rick, Rik, Ronald, Rinske, Storm, Stephan, Suzanne, Sonja, Sabrina, Sanne, Thomas, Tim, Tessa, Trees, Tom, Timo, Ton, Tamara, Theodor, Teresa, Udo, Ulrich, Vincent, Vera, Vanessa, Victor, Valentijn, Valerio, Winter, Walter, Wouter, Waldo, Wim, Wendy, Wodan, Wil, Wesley, Xander, Xavier, Youssouf, Yvette, Yvonne, Yade, Zack, Zaïda, Zara, Zomer.

foto 1
Omdat ik u eigenlijk nog nooit eerder een brief gestuurd heb en u dus ook niet eerder iets toe heb kunnen wensen, wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken u bij dezen in mijn eerste schrijven aan u alsnog te feliciteren met uw benoeming tot minister van Defensie, uw veertigste verjaardag en de overwinning van de Heeren 1 van HCC-Heerlen op HBS dit weekend, want ik neem aan dat dit nog steeds uw cluppie is. Maar bovenal wil ik u feliciteren met uw nieuwe drones, de ScanEagles. Continue reading
Meta bladerde opnieuw door het handboek, geschreven door de bekende literaire agent, het handboek waarin precies beschreven stond hoe het moest. Welbeschouwd was er geen fluit aan, aan dat hele schrijven. Continue reading
‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’, aldus Elsschot in 1910 in zijn gedicht Het Huwelijk. En hoewel de beste man in die tijd met geen mogelijkheid van Caro Emerald gehoord kon hebben, want die was toen nog helemaal niet geboren, moet Elsschot deze zinsnede met een Emerald avant la lettre in zijn hoofd geschreven hebben, want als er iemand baat heeft bij de wetten en praktische bewaren die tussen droom en daad staan, dan zij. Continue reading
Stuur uw papieren guillotine in naar: redactie@propriacures.nl en maak kans op 150 euro in contanten, een redacteurszetel en eeuwige roem!

In tijden dat er geen verkiezingen zijn heb je het als opiniepeiler slecht voor elkaar. Je kunt wel stug doorpeilen en elke week een uitslag geven van de politieke voorkeur van Nederland, maar als een kabinet stevig op zijn plaats zit zitten hier minder mensen op te wachten dan dat er mensen uitkijken naar de herinvoering van de slavernij, waar ik persoonlijk bijvoorbeeld best blij mee zou zijn omdat ik dan een slaaf zou kopen en nooit meer zelf mijn gordijnen zou hoeven sluiten. Als je, zoals Maurice de Hond, echt een passie hebt voor peilen, kun je ook nog allerlei andere onzinnige vragen stellen aan je opiniepanel. Zoals hoe vaak je in het Rijksmuseum geweest bent voordat het sloot voor de grote verbouwing en dit dan in een tabel afzetten tegen de politieke voorkeur van het gepeilde panellid, maar een 40-urige werkweek krijg je er niet mee vol.
Het moet met dit overschot aan tijd en een ruime ervaring op het gebied van zinloze zaken in het achterhoofd geweest zijn dat De Hond de initiatiefnemer van o4nt werd. O4nt (onderwijs voor een nieuwe tijd) is een nieuw concept voor het basisonderwijs waarbij de Ipad centraal staat. De ‘Steve JobsScholen’, zoals de scholen die met dit nieuwe systeem gaan werken heten, gaan uit van vier principes. Ten eerste wordt elk talent erkend. Dus niet alleen de klassieke talenten zoals sport, taalvaardigheid of rekenen, maar élk talent. Dus ook een natuurtalent voor Angry Birds wordt erkend en gestimuleerd. Daarnaast bestaat een Steve JobsSchool niet alleen uit het gebouw waarin de school zich bevindt, maar voor een belangrijk deel ook uit het internet, waar een digitale leeromgeving ervoor zorgt dat kinderen niet meer aan plaats en tijd gebonden zijn voor hun leerproces. Zo kunnen de kindertjes van rijke ouders lessen volgen vanuit het zwembad van hun zomerhuis in Frankrijk en de minder welgestelde kinderen kunnen tussen het naaien van goedkope truien in een Chinese fabriek door ook bijblijven, want Vodafone sponsort de iPads van de armen. In deze digitale leeromgeving worden het kind de belangrijkste vaardigheden van de 21e eeuw bijgebracht zoals ‘innovativiteit’, kritisch denken, motorische vaardigheden en leiderschap. Om de kinderen hierbij te helpen zal het leren plaatsvinden in een community van de school, ouders, bedrijven en instellingen. Gratis iPads in ruil voor de onafhankelijkheid van de school.
Tot zover de theorie van o4nt. Daar valt direct bij op dat de school één ding niet belangrijk vindt voor kinderen en dat is spelling. Als je de vier uit o4nt namelijk uitspreekt zodat je onderwijs vóór een nieuwe tijd krijgt, gebruik je namelijk de Engelse uitspraak van het getal vier: four. Als je dit consequent door zou voeren, moet je bij het uitschrijven van de afkorting (die trouwens als o.4.n.t. geschreven zou moeten worden) ook het Engelse woord voor vier gebruiken. Dan krijg je dus ‘onderwijs four een nieuwe tijd’, wat nu niet bepaald een schoolvoorbeeld is van correct Nederlands.
Op de bijna sacrale positie voor de iPad op de Steve JobsScholen na, zijn de vernieuwingen die ze willen invoeren een allegaartje van bestaande alternatieve scholen. Verder kijken dan alleen wat er in de boeken staat riekt naar Rudolf Steiner, zelfstandig een planning maken is een snufje Montessori en niet meer een vast klaslokaal en een vaste leraar maar gewoon lekker de hele dag op de wc zitten als je daar zin in hebt is overgewaaid van Iederwijs, een school waar je zo vrij was in je doen en laten dat deze nu niet eens meer bestaat. Het verschil echter met de andere alternatieven voor algemeen basisonderwijs is dat deze uit uitgewerkte concepten bestaan die voortkomen uit een idee over hoe en welke kennis je aan kinderen overbrengt. Bij de o4nt-scholen lijkt het nadenken opgehouden te zijn bij de iPad, waardoor denken ook helemaal niet meer nodig was, er was immers al een iPad.
Volgens onderzoek van De Hond is een derde van alle ouders van kinderen in de leeftijdscategorie van drie tot twaalf die een iPad in huis hebben in principe geïnteresseerd in het onderwijs zoals o4nt dat biedt. Een ander onderzoek toont aan dat in deze gezinnen de kinderen, omdat ze opgroeien met iPads en andere aanraakschermcomputers, op een veel natuurlijkere manier omgaan met deze computers en hier veel beter mee overweg kunnen dan de ouders. Algemeen bekend is verder dat kinderen, of ze nu ouders hebben of niet, voornamelijk geïnteresseerd zijn in spelen, snoep eten en televisiekijken. Als je deze dingen vervolgens bij elkaar optelt kun je niet anders dan concluderen dat kinderen, die veel beter met iPads om kunnen gaan dan hun ouders, een iPad geven om op te leren, ongeveer de slechtst mogelijke manier is om kinderen iets te laten leren, omdat ze die dingen alleen maar zullen gebruiken om spelletjes op te spelen, tv te kijken en bergen online besteld snoep thuis te laten bezorgen. Als ze zich hier alleen buiten schooltijd mee bezig zouden houden, is het nog tot daar aan toe, maar o4nt biedt ze de mogelijkheid om dit op elk moment van de dag van waar ze maar willen te doen.
Het is echter niet verwonderlijk dat De Hond dit zelf niet heeft bedacht, toen hij het initiatief nam voor 04nt. Noch kun je het hem kwalijk nemen. redenaties laten zich namelijk verdomd lastig peilen.
Tijdens de jaarlijkse grote voorjaarsschoonmaak van het redactie-archief stuitte TM op een beduimeld, muf ruikend stuk papier. Aanvankelijk dacht hij dat het een inzending van Harry Mulisch betrof voor de kerstprijsvraag van 1947, maar bij nadere inspectie bleek het om een tot nog toe onbekende Bijbeltekst te gaan. En u kunt over TM zeggen wat u wilt, maar zijn talen spreekt hij. Zijn vertaling van de origineel in het Latijn geschreven passage geeft een nieuw inzicht in een van de laatste ogenblikken in het leven van Jezus, vlak voor hij zich ogenschijnlijk vrijwillig liet kruisigen voor de zonden van alle mensen, en zal de christelijke kerk op zijn grondvesten doen schudden. Continue reading
Al in 1776 beschreef Adam Smith in zijn Wealth of Nations de voordelen van arbeidsdeling. Waar één man in een speldenfabriek niet in staat zou zijn om twintig spelden per dag te maken, speelt een groep van tien mannen het klaar om, door de taken te verdelen, 48.000 spelden in een dag te produceren. Dat je dezelfde tien mannen ook zou kunnen gebruiken om zelf de hele dag niets meer te hoeven doen, omdat er twee nodig zijn om je overal heen te dragen, twee om geld voor je te verdienen, een om te koken en boodschappen te doen, een om je huis schoon te houden en er dan nog vier overblijven voor in een tredmolen in de kelder om je huis van stroom te voorzien, wat voor de mannen veel minder geestdodend is dan de hele dag spelden maken en voor jezelf veel aangenamer dan een met 48.000 exemplaren per dag toenemende speldencollectie, doet er even niet toe. Continue reading