BN
Arjan Postma weet veel van dieren. Dat moet wel, want anders droeg hij geen kaki blouse met bijpassende hoed – aan de veren herkent men de vogel. Dieren zijn daarnaast, aldus Postma, precies als mensen. Ik heb dat een uil ooit ook al eens horen zeggen, en er zal dus wel een kern van waarheid in zitten, maar voor Arjan Postma is het wel een verdacht prettige bijkomstigheid dat hij zo, invasieve exoot die hij is, zijn eigen expertisegebied flink uitbreidt.
Volgens Postma kunnen we beter niet zo blijven hangen in het idee dat er een verschil is tussen mens en dier. ‘Als je goed gaat kijken,’ zei hij vorige maand in een radio-interview over zijn nieuwe boek Hoe een gekke mier de wereld kan veranderen, ‘dan kun je eigenlijk voor ieder menselijk gedrag wel een dier vinden dat dat ook als natuurlijk gedrag vertoont.’ Die opmerking drukt een leergierige houding uit, maar is natuurlijk ook een performatieve contradictie: buiten de mens is er geen enkel dier dat zulk vergelijkend onderzoek doet. (Er is ook, voor zover ik weet, nog nooit ergens in de jungle met nachtcamera’s een of ander zeldzaam buideldier betrapt dat, toen het even dacht door niemand te worden bekeken, stiekem het begrip ‘performatieve contradictie’ gebruikte.)
Mensen lijkt Arjan Postma dus nog niet helemaal te doorgronden. Of hij, outfit en al, eigenlijk wel zo veel van dieren weet is ook nog maar de vraag. Postma mag dan boswachter zijn – een beroep, overigens, dat ik als ik een dier was voor geen meter zou vertrouwen: de boswachter, dat is voor het bos toch min of meer een door de bezetter aangestelde rijkscommissaris; een intersoortelijke Seyss-Inquart –, in het zojuist genoemde interview haalt hij desondanks twee keer mieren door de war met kakkerlakken. Eerst door te stellen dat mieren best eens een atoomoorlog zouden kunnen overleven – we weten allemaal dat dat een bekend kakkerlakkencliché is – en later ook nog eens door een mierenhoop te vergelijken met Rotterdam.
Als mens neem ik informatie niet alleen maar tot me in de vorm van geurafscheidingen, maar Postma’s boek stinkt genoeg om het zonder lezen af te serveren. De man debiteert naast zijn beestenanekdotes vooral een hoop hippiegezanik over lekker eigenwijs zijn, niet bij de pakken neer gaan zitten, het zijn van de minieme en vooral niet al te structurele of overdachte verandering die u wil zien, en meer van dat soort bregmanesk gezwam. We zijn niet alleen net dieren, we moeten ook nog van ze leren.
Niet alleen springt Arjan Postma daar natuurlijk met één soepele, katachtige beweging van is naar ought: hoe bepalen we bovendien welk dierlijk gedrag we na moeten bootsen? Ik deed er net misschien wat lollig over, maar er zijn natuurlijk wel degelijk grote overeenkomsten tussen mensen en dieren: dieren zijn bedriegers, verkrachters, moordenaars, en bijzonder onverantwoordelijke weggebruikers op de koop toe. Dat blijken echter niet de karaktertrekken die Arjan Postma in het dierenrijk waardeert. Op de een of andere manier bestaat het gedrag dat de mens van dieren over zou moeten nemen bij dit soort types altijd precies uit de handelingen waar ze ook zonder wetenschappelijk verantwoorde fabel al voor zouden pleiten.
Had Postma zijn eigen gemekker en geblaat serieuzer genomen, dan had hij zijn cirkelrederening trouwens nooit op papier gezet. Als er één ding is dat onze beestenbroeders en -zusters niet doen, een enkele getrainde olifant daargelaten, is het schrijven. Waar haalt iemand die het verschil tussen een mens en een hangbuikzwijn niet wil zien dan zijn inspiratie vandaan? De vroege werken van een doodshoofdaapje? De nagelaten bekentenissen van een stokstaartje? Het dagboek van een halsbandparkiet? Er is maar één diersoort die boeken schrijft. Of dat ons beter maakt dan de rest van het faunagepeupel is dankzij mensen als Arjan Postma nog maar de vraag.
BN
Het is niet makkelijk de publieke ruimte een beetje opgeruimd te houden. Wie niet streng handhaaft krijgt al snel een wildgroei van terrassen, bakfietsen, of holocaustmonumenten die elke vrije vierkante centimeter overnemen. Daarnaast zijn er ook nog eens mensen die van het verder vervuilen van de omgeving hun hobby hebben gemaakt. Wanneer u of ik te hooi en te gras volslagen imbeciele boodschappen op muren, banken en stoepen zou schrijven zou dat ons, als we werden betrapt, 140 euro kosten. Voor dichters gelden helaas andere wetten. De halfzachte huisvrouwgedichten van Merel Morre, bijvoorbeeld, ontsieren op tientallen plekken in Nederland stads- of natuurschoon zoals zelfs het ranzigste collage van fietswrakken, vogelkak, dode ratten en uitgebrande auto’s dat niet zou kunnen, en het mens wordt er niet eens voor bekeurd – ze krijgt er waarschijnlijk zelfs voor betaald.
De stad die onder deze quasi-poëtische vervuiling het meest te lijden heeft gehad is Eindhoven, waar Morre van 2013 tot 2015 stadsdichter was. (‘Stadsdichter van Eindhoven.’ Drie woorden, maar deprimerender dan het hele oeuvre van Piet Paaltjens. ‘Gastschrijver van Almere’ klinkt natuurlijk ook als een kort verhaal waar de bekende ongedragen babyschoenen niet tegenop kunnen, maar dat ligt er te dik bovenop; dat heeft te veel weg van goedkoop effectbejag.) Aan de Prins Hendrikstraat in Eindhoven wordt de toch al weinig verheffende zijmuur van een huis tegenwoordig verder bedorven door Morres woorden ‘misschien zijn we/juist nu we/van alles/van alles vinden/pas echt iets verloren’. Onomwonden reactionair, en laf ook, want als iedereen met een mening blijkbaar bijdraagt aan het verloren gaan van het een of andere magische ‘iets’, dan is kritiek op kutgedichten ook plots een halsmisdaad.
Slechts enkele honderden meters verderop staat op een vergelijkbare muur nog een gedicht, deze keer opgebouwd rond een taalvondst waar Morre zo trots op was dat ze verder het idee dat het allemaal ook iets te betekenen had kunnen hebben maar overboord heeft gegooid: ‘als ik dingen denk te durven/grijpt juist de angst me bij de lurven/en als ik dingen/beter laat/dan nooit’. Zegt u nu zelf: wat betekent ‘beter’ in deze zin? Helemaal niets, inderdaad. Integendeel, het woord zuigt als een semantisch zwart gat ook de betekenis van omringende woorden in zich op. Maar had Morre het niet gebruikt, dan had ze ook haar spreekwoordspielerei achterwege moeten laten. ‘Ik schrap woorden die er niet toe doen, ik gebruik graag taaltwists en kan niet zonder dubbele betekenissen’ aldus Morre zelf, maar haar eerste gebod ligt dusdanig met het tweede overhoop dat ze het derde al helemaal kan vergeten. In het zojuist geciteerde quasi-spitsvondige tyfusgedicht, bijvoorbeeld, woedt een strijd tussen vorm en inhoud die geen winnaar kent, en één grote verliezer: de onschuldige voorbijganger die met het resultaat geconfronteerd wordt.
Ook de rest van het land is niet veilig voor de versvervuiling van Merel Morre. Zo staat in een houten bank in Sint Michielsgestel ‘even rustend op dit bankje/zit het leven altijd mee’ gekrast. (Ik stel me graag voor hoe een oude man naar z’n hart grijpt en in elkaar zakt, en hoe z’n dochter, met wie hij een wandeling aan het maken was, hem vervolgens in paniek op dat bankje probeert te trekken. Daar ga je met je ergerlijk stellige positiviteit, Merel.) In Hoorn is Morre verantwoordelijk voor de slagkreet ‘droomopwaarts komen verhalen tot bloei’ op het plaatselijke ziekenhuis. Ook positief bedoeld, waarschijnlijk, maar het betekent weer helemaal niets. En dan kunt u wel roepen dat poëzie geen directe informatieoverdracht is, maar eerder gaat om het onder woorden brengen van abstracte emoties: de enige gevoelens die dit in de ruimte murmelen oproept zijn verbazing en afkeer.
Dat iemand zulke gedichten schrijft is allemaal tot daar aan toe, en dat ze vervolgens worden uitgegeven is een zwaktebod, maar moeilijk te verbieden. Dat het allemaal ook nog eens wordt gelezen? Ach, wat een volwassene in zijn eigen huis met een dichtbundel uitspookt moet ie vooral zelf weten. Voor de publieke ruimte mogen echter best hogere standaarden worden gesteld, en in het openbaar mag u best wat meer fatsoen van de mensen verwachten. Geef Merel Morre haar gedichten terug. Steen voor steen.
BN
Als u aan de UvA studeert heb ik nieuws voor u: u mag gaan stemmen in de studentenraadsverkiezingen. Misschien wist u dat al. Dat zou betekenen dat u (i) Folia online nog steeds leest (heeft u echt niks beters te doen?) of (ii) zelf verkiesbaar bent. In beide gevallen: mijn medeleven.
Zou u een blik werpen op de kieslijsten (nogmaals: heeft u echt niks beters te doen?) dan zou u zien dat de namen van studentenpartijen allemaal klinken als een consultancybureau of als een grap. Als u na uw geworpen blik nog steeds geïnteresseerd bent in studentenpolitiek (conclusie: u heeft echt niks beters te doen) wil ik u hier best in twee zinnen uitleggen waar u op kan stemmen. Komen ze.
De consultancybureaus bestaan, naast enkele conservatiever ingestelde JOVD’ers met varkensoogjes en paardentandvlees, uit een schakering van verschillende tinten leeg pseudoprogressivisme; de grappen worden gemaakt door gedesillusioneerde mensen die ooit verbonden waren aan de consultancybureaus. In de loop van het jaar na uw stem zullen de consultancybureaus langzaam meer op de grappen gaan lijken, terwijl de grappen zich min of meer laten meeslepen in de mores van de consultancybureaus, of ermee ophouden.
Nu dat duidelijk is wil ik, ondanks de hel en verdoemenis die op mijn laatste politieke handlezing in PC volgden, ook nog wel een kleine voorspelling doen. Aangezien de opkomst dit jaar ongelooflijk laag wordt zullen de consultancybureaus een overwinning behalen op de grappen. Gelukkig hoeft u zich daar verder geen zorgen over te maken. Studentenraden kunnen zich kapotvergaderen, ze kunnen het ene na het andere kantje aan niet-bindend advies voltikken, ze kunnen, net als iedere andere burgerman (m/v), zich over van alles en nog wat uitlaten, mensen die hun iets misdoen voor de rechter slepen, petities opzetten en, als ze echt niets beters te doen hebben, stukjes naar Folia opsturen. Wat het allemaal met politiek, zoals die in de rest van het land wordt gedefinieerd, te maken zou moeten hebben; geen idee, want iets te vertellen heeft de studentenraad niet.
BN
Soms verdient iemand geen tweede kans. Dat is niet alleen een zin die vrouwen vaak herhalen bij het bespreken van hun liefdesleven; direct na de oorlog was het een breed gedeelde opvatting. Aan dat korte tijdperk van wijsheid kwam al snel een einde. In West-Duitsland hoefden SA-leden maar snel op hun CV te krabbelen dat ze tussen 1933 en 1945 op sabbatical waren geweest om hun posities te behouden. Tegelijkertijd werd de laatste V2 op weg naar Londen ingehaald door zijn bouwers, die in de Verenigde Staten per direct en met behoud van secundaire arbeidsvoorwaarden aan het werk mochten. In Nederland konden ontvoerders hun slachtoffers al op 12 september 1949 weer met de Telegraaf van die dag fotograferen.
Niet iedereen die de uitslag van een voetbalwedstrijd verkeerd voorspelt hoeft natuurlijk voor een tribunaal te verschijnen. Wel zou het mooi zijn als mensen opsodemieteren uit het specifieke vakgebied waar ze hun onkunde in hebben bewezen. (Blijft de ramp die u voorspelt uit, dan is het gedaan met de waarzeggerij. Is het onderwijsmodel dat u introduceert een aanfluiting, dan krijgt uw enkelband dezelfde instellingen als die van een kinderlokker. Wijst u een onschuldige aan als moordenaar? Inleveren, die deerstalker en pijp. Bent u, kortom, Maurice de Hond, dan kunt u ondertussen net zo goed bij het grofvuil gaan zitten.) Waarom Rutger van den Noort nog over epidemiologie mag praten is mij volstrekt onduidelijk.
Van den Noort wist, voor zijn gestuntel op dat gebied, eerder al aandacht te krijgen. In september 2016, bijvoorbeeld, door een coup in Nederland te voorspellen. Niet onmiddelijk, laat dat wel zijn: ‘Doordat de organisatie complex is, zal een staatsgreep onmogelijk kunnen plaatsvinden op de korte termijn. Het zal minimaal vier jaar voorbereiding onder grote geheimhouding vergen.’ Voor een preciezere indicatie van het moment waarop het een en ander zou moeten gebeuren wilde Rutger ook nog wel een balletje opgooien: ‘Prinsjesdag.’ Wil hij dus voor de verandering eens gelijk krijgen, dan heeft ie nog een half jaar, maar als het ligt aan Van den Noort – een refoproleet met een springerige middenscheiding die zich tijdens werkuren met ‘Innovation Management’ bezighoudt – laat die staatsgreep waarschijnlijk nog even op zich wachten. Als het zo ver is wil Rutger vast helpen met het implementen van een efficiënte workflow bij de knokploegen.
In afwachting van zijn patjepeeërsputsch vond Van den Noort het begin dit jaar tijd om weer eens ergens een mening over te hebben, en deze keer was dat, zoals u in mijn tweede alinea las, de verspreiding van ziektes. Hij schreef dat het ‘weer januari’ was, en tot zover was er niks aan de hand; hij had zelfs groot gelijk. Dat wist hij in zijn volgende zin meteen flink te bederven. ‘Traditioneel breekt er dan weer een “virus” uit wereldwijd om de budgetten van de WHO weer te garanderen in aanloop naar de jaarvergadering in mei 2020.’ (Los van de niet al te best opgedroogde boodschap; godskolere, wat een draak van een zin is dat. Eerst die dubbele ‘weer’, nadat ie ook in de eerste zin al is langsgekomen, en daarna ook nog de suggestie dat de WHO op de een of andere manier ieder jaar in 2020 vergadert, of alleen in 2020 een jaarvergadering houdt. Iemand die zo schrijft zou u sowieso niet moeten vertrouwen.)
Waarom de aanhalingstekens in Rutgers schrijven er al snel net zo slecht uitzagen als zijn Nederlands hoef ik u niet uit te leggen. Het weerhield de schlemiel er niet van iedereen en z’n moeder de les te blijven lezen over de pandemie. Of maatregelen nou te mild of te drastisch waren, hobby-sofist Rutger van den Noort verkondigde iedere mening die te verkondigen was. Een stilstaande klok staat twee keer per dag goed. Een doorslaande klok, moet Rutger hebben gedacht, spreidt z’n kansen een stuk beter. Het voortdurende gebeier en gekoekoek culmineerde, voorlopig, in de beschuldiging dat de overheid eerdere waarschuwingen voor een mogelijke pandemie niet serieus had genomen. Het aantal mogelijke punten op de omtrek van een cirkel is oneindig. Het aantal door Rutger van den Noort aangehangen overtuigingen komt behoorlijk in de buurt.
In 2018 beloofde Van den Noort al eens het opiniemaken op te geven. Op hetzelfde moment dat hij met Stichting De Nederlandse Leeuw een ‘top 10 met oplossingen voor de Multiculturele Samenleving’ presenteerde, kondigde hij ook meteen maar zijn afscheid bij die organisatie aan: Rutger was per direct ‘niet meer beschikbaar in het publieke debat’. Een land redden is één ding, maar de kinderen wilden ook nog wel eens worden voorgelezen, en liever niet uit een tendentieus opiniestuk.
Destijds kwam Rutger tot zijn beslissing na in de keuken een bordje te zijn tegengekomen met de tekst ‘als je er niet vrolijk van wordt, dan moet je het niet doen’. De mogelijkheid dat die wandversiering door niemand minder dan God zelf op zijn pad was gebracht sloot Van den Noort niet uit – zelfs Hij schrijft tegenwoordig blijkbaar niet meer in het Aramees, maar in weeïge dooddoeners. Als de Heer zich kenbaar maakt middels huisvrouwenprullaria, dan kan Hij dat net zo goed doen in PC. Bij dezen dus ook namens boven: Rutger, rot op.
BN
Met vernoemingen kan het best voorzichtig worden omgegaan. Een vliegveld naar Buddy Holly noemen, of een bungeejump-platform naar Herman Brood; zoiets zou maar smakeloos overkomen. Ook bij de naamgeving van ziekenhuizen en andere gezondheidsinstellingen wordt meestal rekening gehouden met vreemde connotaties. Zo is er, voor zover ik weet, nooit een afdeling verloskunde vernoemd naar Frida Kahlo, of een chirurgische kliniek naar de gebroeders De Witt. Zeer verstandig.
Desondanks kan ik me voorstellen dat patiënten zich niet altijd prettig hebben gevoeld tijdens een opname in, bijvoorbeeld, het Wilhelmina Gasthuis of het Julianaziekenhuis. Terwijl u onder narcose gaat wilt u er liever niet aan denken dat de chirurg van dienst, vlak na met uw openhartoperatie begonnen te zijn en terwijl u daar ligt met uw als een walnoot opengekraakte borstbeen, het plots voor gezien houdt en de boot naar Engeland pakt. Nee, dan het OLVG. Dat ze er daar realistische ideeën over inseminatie op na houden mag uit de naam niet per se blijken; het klinkt in ieder geval moederlijk en troostend. Onze Lieve Vrouwe haalt het echter met afstand niet bij de mooiste vernoeming in de gezondheidszorg. Dat is zonder twijfel die van het Brabantse Jeroen Bosch Ziekenhuis.
Het vernoemen van een serieuze instelling naar de meest proto-Pythoneske schilder van Nederland is sowieso leuk. Des te leuker is het bij een ziekenhuis: een in de regel beslist niet ter vermaak bedoeld rariteitenkabinet. Het bestaan van het Jeroen Bosch Ziekenhuis is voor associatieve denkers als succesvolle kernfusie. Degene die het zijn naam heeft gegeven had óf geen kunsthistorisch besef, of had dat wel en daar bovenop een geweldig gevoel voor humor, en omdat ik ondanks alles nog steeds vertrouwen in de mensheid heb ga ik uit van dat laatste.
In het Jeroen Bosch Ziekenhuis, zo stel ik me graag voor, is de traumahelikopter een reusachtige vogel met een porseleinen landingsgestel. In het atrium staat een gigantische fontein van gekleurde glazen bollen die water spuit uit ivoren tepels. De baliemedewerkers dragen er trechters op hun hoofden en de maagspoelslangen eindigen er in vissenmonden. Het omroepsysteem bestaat er uit gouden trompetten, in half uit de muren naar voren springende reten gestoken. De deur naar het mortuarium is een enorme wolvenmuil. De infuusnaalden klauwen zich met hoornen nagels in de aderen van patiënten vast terwijl de bedden op schaatsijzers over de bevroren vloeren glijden. De zusters hebben mottenvleugels; de doktoren konijnenkoppen. De kunstmatige longen zijn er doedelzakken, de stethoscopen oorschelpen en de scalpels kleine hellebaarden.
Waar het precies is misgegaan weet ik niet, maar in het algemeen zijn we er in goede vernoemingen of zelfs naamgeving in het algemeen niet op vooruit gegaan. De namen van onze grote schrijvers plakken we op tochtige laadplekken of lullige steigertjes, rechthoekige tribunes om een met een plat dak overspannen vierkant heen noemen we een dome, en door toedoen van de een of andere onverlaat heeft de Groene Olifant een jaar lang ‘Tropenkolder’ geheten, voor die aan een malaria-aanval ontsproten mispeer recht werd gezet. (Goed, ik kom er misschien nooit binnen, maar heb me er iedere keer dat ik door de Sarphatistraat fietste mateloos aan geërgerd.) Wat we aan goede namen hadden is ook nog eens grotendeels stukgefuseerd tot drieletterige afkortingen of opgelost in iets dat marketingtechnisch verantwoord is en klinkt als een onomatopee voor het opendraaien van een fles frisdrank. Ik mag lijden dat het Jeroen Bosch Ziekenhuis tot de Dag des Oordeels blijft bestaan.
BN
Het Jeroen Bosch Ziekenhuis is dagelijks open voor bezoek. Vooraf reserveren wordt wegens drukte aangeraden.
Dat de Nederlandse middenklasse op geen enkele manier in staat is tot authentieke zelfexpressie was al langer bekend. Als u het leven in een willekeurig ander land of een andere bevolkingsgroep als een boek of film wil zien, dan is de Nederlandse middenklasse de daarvan door Joop van den Ende kapotgeproduceerde musicalbewerking. Met het vervelende knieën-hoog-handen-in-de-heupenloopje dat de musicalacteur kenmerkt banjert de Nederlandse kleinburger als een overacterende figurant rond door de wereldgeschiedenis.
Als één ding dat de afgelopen tijd weer duidelijk heeft gemaakt is het wel de kleinkunstversie van Aan de Amsterdamse grachten die vrijwel direct na het afkondigen van de eerste coronamaatregelen klonk aan de Egelantiersgracht. In Italië, waar de doodskisten, voor ze eenzaam een gat in worden getakeld, in overvolle mortuaria en kerken liggen opgetast als stapels door een luie bezorger weggesodemieterde reclameblaadjes, waren mensen na verloop van tijd vanaf hun balkons en uit hun ramen hangend samen gaan zingen. Zoiets moesten wij in Amsterdam, besloot een stel enthousiastelingen, ook maar eens doen. Dat honderd kilometer verderop de eerste dode Brabander nog warmer was dan zijn laatste half opgegeten worstenbroodje maakte niet uit; die schuiframen gingen omhoog.
De buurt waar dit zou plaatsvinden stond bij voorbaat al vast. Waar anders in de stad zou zo’n schmierend rollenspel van quasi-spontane volksverbroedering plaatsvinden dan in de Jordaan; volkswijk zonder volk. Vanaf de straat – die immers nog gewoon begaanbaar was – werd de hele situatie professioneel opgenomen zodat de in harmonie zingende loepzuivere stemmen van vrouwen die in hun leven nog nooit een sjekkie hadden gerookt des te helderder te horen waren.
Goed, dat gezang was op culturele gronden dus verschrikkelijk; ik zou de redactiemarxist van PC niet zijn als ik niet ook even een en ander had nagerekend. De huidige verkoopprijs van een huis op de Egelantiersgracht ligt al snel tussen de anderhalf en twee miljoen euro. Als de overheid tien van die zanglijsters onteigent en het vrijgekomen vastgoed aan, laten we zeggen, Prins Bernhard verkoopt, dan kan van de winst een jaar lang aan een stuk of zeshonderd extra verpleegkundigen een marktconform salaris worden uitgekeerd. (Wanneer u ervan overtuigd bent dat marktconform onderbetaald betekent schrapt u wat mij betreft uit voorgaande zin dat woord en uit mijn voorstel honderd van die ziekenbroeders. Hoeveel het er exact ook zijn, we schieten er gegarandeerd een stuk meer mee op dan met muziektoneel.) De resulterende dakloze operettezangers mogen ondertussen, zo lang ze netjes een vergunning aanvragen en anderhalve meter uit elkaar blijven staan, best op straat door blijven zingen.
BN
U zult, in dit blad of elders, vast wel eens geringschattende opmerkingen zijn tegengekomen over het weblog − het ‘digitale literaire tijdschrift’, als u Co Woudsma zou volgen, maar laten we dat maar niet doen − Tzum. Toch heeft die website best een rol te vervullen. Hoewel alles wat AS over collega’s schrijft waar is, is de volledig aan roddel gewijde rubriek die MM ooit in PC op wilde zetten vooralsnog niet van de grond gekomen. Webmaster Coen Peppelenbos en z’n rakkers duiken nu en dan in de ruimte die wij daarmee laten liggen. Meestal slechts als verzamelaars van informatie die elders al verkrijgbaar is, maar chroniqueur is ook een eerbaar beroep. Toch lijken ze bij Tzum nog niet volledig van hun lotsbestemming op de hoogte. Vaak krijgt de bij elkaar gesprokkelde achterklap geen lucht door de benauwende drukte van zelfs in hun 80 woorden al ruimte verspillende columns, door lelijke schrijversportretten, of doordat Coen het nodig vindt te voorspellen dat PC 2020 niet haalt. (Kiekeboe, Peppelenbos, we zijn er nog.) Onverwacht hoogtepunt in deze roddelverstikkende rommel zijn de sublieme kalverrecensies van Erik-Jan Hummels.
Een van de meest gehoorde kritieken op van inzicht verstoken literatuurbesprekingen is dat ze lezen als het boekverslag van een middelbare scholier. Meestal wordt daarmee bedoeld dat een recensent in zijn bespreking kort het plot van een boek opsomt, iets zegt over de houding van een of twee personages, en daarna met wat weinig specifieke kwalificaties een oordeel geeft. Erik-Jan Hummels beheerst het genre, waarschijnlijk dankzij zijn werkzaamheden als docent, op een veel vollediger en diepzinniger manier. Hummels schrijft niet als scholier omdat hij niet anders kan; hij heeft het boekverslag tot een kunstvorm verheven en schrijft havistenproza zoals geen havist het zou kunnen schrijven. Erik-Jan Hummels zou schrijfcursussen moeten geven aan pedofielen die zich online als onzekere tieners voor willen doen.
Dat hij niks nuttigs te melden heeft – de voornaamste inhoudelijke eis die aan het boekverslag als genre wordt gesteld – laat Hummels merken in iedere tekst die hij schrijft. Zo noteert hij, over een man die ‘wel kan janken’ als hij van de oogarts over zijn defecte traanbuizen hoort in Tex de Wits Ik heb een slimme droger, dat ‘het natuurlijk best grappig is dat het figuurlijke “Daar kan ik wel om janken” door de laatste zin letterlijk wordt begrepen’. Stilistisch onderscheidt Hummels zich vooral door overal waar dat mogelijk is te kiezen voor verkeerde voegwoorden. Ter illustratie de conclusie van hetzelfde stuk over Tex de Wit: ‘Ook thematisch zijn de verhaaltjes bij elkaar gezet, zodat dit boek je een paar uurtjes kan laten glimlachen.’ Oefenen thematische indelingen op de een of andere manier een sterke invloed uit op Hummels’ leestempo? Had hij deze bundel beduidend sneller of trager uitgelezen als de verhalen op alfabetische volgorde van hun titel hadden gestaan? Heeft Erik-Jan Hummels Ik heb een slimme droger überhaupt niet gelezen, maar wel twee uur zitten grijnzen omdat hij de inhoudsopgave zo guitig vond?
Afgelopen december bleek al deze onbenulligheid slechts een opwarmoefening voor Hummels’ recensie van Sylvia Plaths De glazen stolp. De inhoud van dat stuk kan kort worden samengevat: Erik-Jan Hummels begrijpt Sylvia Plath niet. De vorm kan alleen als een artistieke keuze worden besproken. Hummels sproeit als aanwijzingen voor zijn redeneertrant bedoelde voegwoorden als ‘echter’ en ‘vervolgens’ op volslagen onnodige plekken door zijn tekst als een sprinkler in een lek scheepsruim. Minder gul, maar des te exacter in achterlijkheid is het gebruik van de eerste persoon enkelvoud, precies op de plekken waar een volwassen recensent hem juist níet zou gebruiken. Als voorbeeld van Hummels bijzonder precieze puberstupiditeit is vooral de volgende zin uit zijn recensie van De glazen stolp onovertroffen. Omdat ik eerlijk gezegd ook weer niet wil hebben dat u bij het diagonaal lezen van deze tekst zou kunnen denken dat ik hem heb geschreven gaat hij in quarantaine tussen twee witregels:
‘Ze gaat praten met psychologen en krijgt van psychiaters elektroshocks, vooral die shocks krijg je als lezer goed mee.’
Zoals u ondertussen wel verwachtte geeft Erik-Jan bij dit statement geen enkele onderbouwing of uitleg. Waarom krijgt de lezer die elektroshocks ‘goed mee’? Zijn ze naturalistisch tot in detail beschreven? Gebruikt Plath overtuigende metaforen om een onbekende sensatie herkenbaar te maken? Zit er een buzzer in het boek die bij het omslaan van elke bladzijde waarop zo’n stroomstoot voorkomt direct 230 Volt door je lichaam jaagt?
Ook in deze zin is het echter niet de inhoud, maar de puberale stijl die met een weergaloze subtiliteit de hele alinea naar clearasil en energiedrank doet ruiken. Die komma. Hij klopt precies. Iedere andere manier om deze zin op te schrijven had volwassener geklonken; professioneler. Er had een punt kunnen staan. Erik-Jan had ‘en’ achter de komma kunnen schrijven. Hij koos voor de enige optie die hem niet vijftienjariger kon doen lijken.
Het is 2020, en Coen Peppelenbos kan voorspellen wat hij wil, Propria Cures is er nog. Wel, dat geef ik toe, zonder behoorlijk de laatste roddels voor u bij te houden. Om te lezen wat Johan Fretz zoal zegt over Angela de Jong kunt u beter bij Tzum zijn dan bij ons. Als u geïnteresseerd bent in zwaar gestileerde recensies, ogenschijnlijk geschreven door scholieren die hun eerste onzekere stappen zetten in het literaire veld, ook.
BN
Max Tailleur wist het al: wie niet huilen wil moet maar lachen. Ook als in uw onderbewustzijn ondertussen wordt gemultitaskt hoeft de rest van de wereld dan in ieder geval niet tegen uw doorgelopen mascara en overwerkte traanbuizen aan te kijken. In de Verenigde Staten heeft deze vorm van symptoombestrijding sinds de presidentsverkiezingen van 2016 een heropleving beleefd. Ook Dave Eggers besloot zich, in het onlangs in Nederlandse vertaling uitgekomen De kapitein en de Glory, aan de behandelwijze te wagen. Zijn poging tot lolligheidstherapie zet vooral aan tot janken.
Dave Eggers is al langer schrijver van de afgebakende maatschappijkritiek die semi-geëngageerde kinderboekenverdedigers graag lezen. De cirkel ging over computers, het dit jaar uitgekomen De parade over autoritarisme. Voor wie dat allemaal nog niet duidelijk genoeg was schreef Eggers met De kapitein en de Glory een persiflage op satire. Eerst pakte hij er een stapel nieuwsberichten van de afgelopen drie jaar bij; vervolgens begon hij te broeden op een allegorisch decor om die knipselmap in na te vertellen. Een dorp, bedrijf of woongroep zou niet genoeg metaforische mogelijkheden opleveren, een boerderij zou in een plagiaatzaak tegen de erven Orwell geen stand houden, en dus kwam Eggers – Colijn, Mao, en Verdonk gingen hem voor – op het idee de natiestaat weer te geven als schip. Het resultaat had beter een matige spotprent kunnen zijn dan een boek. Eggers’ De kapitein en de Glory kost een tientje, en heeft minder inhoud dan een boekenbon die hetzelfde bedrag vertegenwoordigt.

Kapitein Eggers in strijd met zijn innerlijke bierkaai.
Waarom Eggers dacht zijn maatschappijleerpresentatie als allegorie op te moeten tuigen wordt nergens duidelijk. Hier en daar zet Eggers zijn verhaal wat aan en wordt eens een stumper overboord gesodemieterd, maar op een inzicht dat niet uit het achtuurjournaal is te vissen lijkt de auteur ook in die overdrijving niet te betrappen. De kapitein en de Glory biedt geen enkele zinnige duiding aan iemand die de Amerikaanse politiek de afgelopen drie jaar niet heeft gevolgd. Voor wie dat wel heeft gedaan is het boek een potje memorie zonder tegenstander.
Achter Eggers’ ogenschijnlijke inhoudsloosheid gaan natuurlijk wel overtuigingen schuil. De verkozen kapitein is ongeschikt omdat hij niet genoeg weet van scheepvaart (lees: politiek is een kwestie van de juiste zeilen bijzetten op het juiste moment en overtuigingen zijn daarbij maar onhandig), Poetin speelt een rol als enterende piraat (lees: reflectie op het Amerikaanse politieke systeem is niet nodig want alles is de schuld van de grote boze Rus), en het meest schadelijke gevolg van de geschetste institutionele muiterij is een verlies van de waardigheid die schip en eerdere kapiteins bezaten (lees: het maakt niet uit hoeveel oorlogsmisdaden een Amerikaanse president begaat: als zijn haar maar goed zit).
Dergelijke ideologiekritiek weet een beetje student Cultural Analysis ook uit de Allerhande te peuren. Denkt u dus vooral niet dat er iets in De kapitein en de Glory te vinden is dat u nergens anders vandaan kan halen. Eggers zelf vindt dat hij, dankzij het dunne laagje matrozenproza dat zijn boek van de werkelijkheid scheidt, een nautische parabel voor de eeuwigheid heeft geschreven. Wie een lange zeereis voor de boeg heeft kan echter beter niet De kapitein en de Glory meenemen: het boek verziekt vanwege zijn beperkte houdbaarheid al binnen een week de lucht in het kombuis en leidt bij inname slechts tot intellectuele scheurbuik.
Dave Eggers’ De kapitein en de Glory is tegelijkertijd compleet verstoken van subtiliteit en volstrekt tandeloos, even banaal als schijnheilig; stompzinnig als betweterig; kinderachtig als pompeus. Eggers weet het slechtste van twee uitersten te verenigen en zowel ongeïnspireerd de werkelijkheid over te schrijven als hysterisch uit diezelfde werkelijkheid te vluchten in een metaforisch kutsprookje. In interviews benadrukt Eggers – ondanks de eeuwigheidswaarde die hij aan zijn eigen boek toekent – graag dat schepen vanzelf hun koers wel weer herstellen. Als meer van dit soort zaadloze zeemansverhalen daarmee kunnen worden voorkomen is slechts te hopen dat het schip samen met zijn kapitein vergaat.
BN
Dave Eggers, De kapitein en de Glory. Lebowski, € 9,99
Volgens zijn uitgeverij Ambo|Anthos is Leo Blokhuis een ‘geboren verteller’. Weinig verrassend: als het om verhalende capaciteiten gaat geloven publiciteitsmedewerkers niet in nurture. U kunt natuurlijk bevragen of ‘vertellen’ überhaupt is wat een roman behoort te doen. Dat terzijde: Leo Blokhuis is helemaal geen verteller. Leo Blokhuis is een uitlegger. Om daar achter te komen hoeft u slechts het eerste hoofdstuk van Blokhuis’ debuutroman Blauwe zomer te lezen – of deze korte recensie, en die tweede optie raad ik u aan.
Een favoriet van de ‘geboren verteller’ is het ‘sprekende detail’, en ook Blokhuis steekt observaties in zijn verhaal die daarvoor door moeten gaan. Blauwe zomer begint met een autorit door Soerabaja, en iedereen die over Indonesië schrijft weet waar hij dan de sprekende details vandaan moet halen: uit zijn neus. Leo’s hoofdpersonage ruikt de ‘zoete geur van de bloeiende melati’ die zich mengt met de lucht van ‘een vleug kruidig eten afkomstig van het karretje aan de stoeprand’. Niet veel later walmen in zijn gedachten ‘orchideeën die aan de rand van de veranda hingen’ en ‘de papajabomen in de tuin’. De taxi ruikt, iets minder oriëntalistisch, ‘naar luchtverfrisser en een beetje sigarettenrook.’ O, die heerlijke Indische geuren.
Ook een vertellersliefhebber die zich aan dat hysterische tropengesnuffel niet stoort loopt al snel tegen andere gruwelen aan die duidelijk maken dat Blokhuis hoogstens achter een lessenaar hoort, maar in ieder geval niet in een fonds Nederlandstalige fictie. Neem de volgende twee zinnen: ‘De brede Coen Boulevard heet nu Jalan Dr. Soetomo, ziet hij. Hij was een van de architecten van de Indonesische nationalistische beweging.’ Zulk spreekbeurtenproza hoort zelfs in een lesmethode voor het middelbaar onderwijs niet langs een redacteur te komen.
Het kan altijd erger, want even later krijgt de lezer een koppel bijzinnen te verwerken dat informatie overdraagt met de subtiliteit van een paspoort: ‘In een donkere ruit ziet hij de weerspiegeling van zichzelf, Chris Buisman, vijfenzestig jaar oud.’ Als dit het werk is van een ‘geboren verteller’ kan het bevolkingsregister ook meteen tot simultaneïstisch meesterwerk worden benoemd. Mocht het determinisme dat de publiciteitsafdelingen van Nederlandse uitgevers in zijn greep houdt door de wetenschap worden bevestigd en bestaat er daadwerkelijk een vertel-gen, dan heeft Leo Blokhuis het niet geërfd.
BN
Leo Blokhuis, Blauwe zomer. Ambo|Anthos, €21,99
U zou kunnen denken dat mensen die succes behalen op het internet naar boeken kijken als klimaatactivisten naar bruinkool. Dat is niet zo. Britse wetten worden, omdat dat ze een zekere autoriteit verleent, nog steeds op perkament geschreven, en internetbekendheden brengen allemaal vroeg of laat een boek uit. Dat geeft tastbaarheid aan de roem, en bovendien kan er door verschillende partijen geld aan worden verdiend. Het laatste product van dit gegeven werd onlangs uitgebracht door Het Spectrum, waar de mensen achter RUMAG een papieren geesteskindje mochten baren. Dat kindje, de RUMAG.BIJBEL, had beter na de twintigwekenecho geaborteerd kunnen worden. Liefst met moeder erbij.
Het onderscheidende aspect van RUMAG bestaat uit de vorm van de korte teksten die het platform op sociale media plaatst. In plaats van normale spatiëring te hanteren wordt in die slagkreten tussen elke twee woorden een punt gezet. Of het nu over seks of drank gaat, of een bericht betreft ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een vliegramp, alles wordt bij RUMAG in die staccato vorm gegoten.
Afgelopen februari werd, in datzelfde achterlijke format, een elders in het Engels al gemaakte grap over tienerzwangerschappen herhaald. Op zichzelf geen nieuwswaardige gebeurtenis, want grappendiefstal en in harkerige anglicismen verwoorde vertalingen zijn de twee zuilen waar de RUMAG-architraaf op rust. Toch wist de grap vanwege vermeend seksisme reuring te veroorzaken, en bij RUMAG greep men met beide handen – het stelen van grappen wordt vooralsnog niet volgens de Sharia bestraft – de geboden kans aan. In een statement werd trots geschreven over ‘een duidelijke rode draad’ in RUMAG-content van ‘het iemand willen aaien met een kettingzaag’ en ‘het willen vergiftigen van je ex zijn hond.’ ‘En dat’, vond men bij RUMAG, ‘is precies waarom jullie ons volgen. Jullie schijnheilige motherfuckers. Moraalridders. Schapen.’ De reactie had in ieder geval het gewenste effect bij Bert Brussen, die RUMAG subiet prees als ‘een bazenmerk dat wél een ruggengraat en ballen heeft’.
Het RUMAG-universum is nu dus uitgebreid met een boek, maar achter de spatieloze teksten schuilen al langer pogingen tot het opbouwen van een media-imperium. Een ‘lifestylemerk’ noemen ze zichzelf bij RUMAG. Zo’n buzzword zou u misschien niet verwachten van het ‘bazenmerk’, maar het omschrijft de kliek beter dan haar feministische criticasters. Wie zonder voorkennis op rumag.nl belandt zou vermoeden dat de site het hobbywerkje is van een elfjarige autist die zo’n fan is van Vice dat hij de site in zijn vrije tijd heeft proberen na te bouwen.
Ongeveer de helft van de ‘stukken’ op rumag.nl wordt geschreven door redactrice Stefanie Koorneef. Zo fabriceerde Stefanie bijvoorbeeld het ‘lijstje met dingen die gewoon fucking irritant zijn aan influencers’; op dit moment het eerste artikel dat bezoekers van de site zien. Ze droeg dat werkje op aan ‘iedereen die de influencer ook zat is’, en zal dus zelf ook ergens wel doorhebben hoe uitgekauwd de oefening was. Goed, zo’n zouteloos discours schrijft ook zichzelf niet, en als toch iemand het moet doen, ja, waarom dan niet Stefanie Koorneef? Stefanie kan er echter beter wel voor zorgen dat, mocht ze nog eens schrijven over ‘nare wannabes die allemaal dezelfde foto’s hebben’, het duidelijk is dat haar eigen auteursportret niet meer bij het stuk hoort. Ik zou normaal gesproken nooit een vrouw slechts op haar uiterlijk beoordelen, maar in het geval van Stefanie Koorneef zou een verdere analyse van haar proza het er allemaal alleen maar erger op maken, dus Stefanie, bij dezen: een krappe zes en een half.
Samen met stagiaire Shannon Schippers – die moeilijk op haar uiterlijk te beoordelen is; de kans lijkt mij klein dat ze er in het echt ook uitziet als de foutmelding bij een onbestaande URL – schrijft Stefanie rumag.nl vol met platgetreden observaties over winkelen, katten, relaties beëindigen en rode wijn drinken met je blonde besties. Bij RUMAG weet men dat schreeuwen aandacht oplevert, maar ook dat de grootste afzetmarkt van Nederland uiteindelijk gewoon bestaat uit timide burgertutjes.
Diezelfde doelgroep is ook de kurk waar de Nederlandse boekverkoop op drijft, en dus schoof de RUMAG.BIJBEL onlangs tussen Roxane van Iperen en Yuval Noah Harari aan als hoogst genoteerde binnenkomer in de bestseller top 60. Mijn recensie-exemplaar leek een minder succesvol lot beschoren. Het Chinese restaurant waar ik boven woon verdacht ik er al langer van met mijn post te sodemieteren, en ik had u dus willen waarschuwen dat u daar binnenkort een citaat uit de RUMAG.BIJBEL in uw gelukskoekje zou vinden. Dat zal niet gebeuren, want dit eerste exemplaar kwam later op een adres waar PC twee verhuizingen geleden bivakkeerde boven water. Al voor dat gebeurde bleek Het Spectrum beter in het faciliteren van veeleisende recensenten dan in het contracteren van auteurs met scheppend vermogen, en werd een tweede exemplaar mijn kant op gestuurd, dat wel zonder problemen aankwam. Ondertussen is door een volgend misverstand ook een derde boek onderweg naar mijn huis, en tegen de tijd dat u deze tekst leest hebben mijn huisgenoten dus allemaal een RUMAG.BIJBEL in hun nachtkastje liggen. Laat ik daarom beginnen door iets positiefs te zeggen over die aardige mensen van uitgeverij Het Spectrum. Op de omslag van de RUMAG.BIJBEL belooft een ondertitel dat het boek antwoord geeft ‘OP.AL.JE.KUTVRAGEN’. Fijn dat iemand tijdens het redigeren doorhad dat ‘kutvragen’ aan elkaar wordt geschreven. Online is dat de mensen van RUMAG nog nooit gelukt.
Wie de RUMAG.BIJBEL openslaat merkt dat het boek aansluit bij alles dat u inmiddels over de auteurs weet. De lezer wordt opgedragen een vraag te verzinnen, het boek vervolgens op een willekeurige pagina te openen, en daar een korte tekst te lezen die als antwoord moet worden geïnterpreteerd. Dat idee is gejat. Er zullen ongetwijfeld meer mensen zijn die iets soortgelijks bedacht of uitgevoerd hebben, maar de bekendste is waarschijnlijk Carol Bolt, die een hele serie van dergelijke boeken op haar naam heeft staan. Waar de cryptische antwoorden van Bolt hier en daar als komisch kunnen worden gezien, is de RUMAG.BIJBEL dat niet. Enkele antwoorden proberen, zoals u ondertussen wel verwacht had, aanstootgevend te zijn: ‘GOOI.EEN.STEEN.DOOR.DE.AUTORUIT.VAN.JE.EX.’ Het grootste deel bestaat echter uit advies dat u ook had gekregen als u in 2010 een vraag had gesteld op het forum van Girlscene: ‘LET.EEN.BEETJE.OP.JEZELF.’ ‘SAMEN.YOGA.DOEN.’ ‘STOP.JEZELF.MET.ANDEREN.TE.VERGELIJKEN.’ U begrijpt waarom het jatten van andermans grappen of interactieve publicatievormen voor de mensen van RUMAG noodzakelijk is: de gedachten die uit hun eigen beperkte geest ontspruiten kunnen onmogelijk choqueren of inspireren.
In de kritiek op influencers die ik eerder in dit stuk aanhaalde werd die groep vergeleken met processierupsen. Overeenkomsten: ‘Het is een plaag en ze geven je jeuk.’ Een volksdeel vergelijken met een ongedierteplaag; dat is volgens sommigen een wat beladen stilistische keuze. Het is natuurlijk vooral lui, want die metafoor kan bij het bespreken van elk populair cultuurverschijnsel gebruikt worden. Laat ik zelf specifieker zijn. RUMAG is een kroket die een half uur te lang in de friteuse heeft gelegen: van buiten duister en hard, van binnen, op de half verdampte resten van wat weeïge meuk na, leeg.
BN
DE RUMAG.BIJBEL. Uitgeverij Het Spectrum, €12,99
Mensen die niet weten wat ze met hun tegenstrijdigheden aan moeten kunnen daar op heel wat verschillende manieren mee omgaan. Ze kunnen zich allereerst natuurlijk gewoon bedrinken om de hele teringzooi te vergeten, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Een serie schizofrene identiteiten aannemen, bijvoorbeeld, en die voor elkaar en de buitenwereld verbergen achter lawaai en praatjes. Dit zijn niet de openingszinnen van mijn autobiografie. Dit is een stuk over voormalig GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil.
Özdil zag zichzelf graag als een van de meer activistische leden van de Tweede Kamer. Dat ging hem niet bijzonder vlot af. Ik was ooit aanwezig bij een van zijn pogingen om politiek betrokken studenten te imponeren. Daar stond hij dan, met de spreektoeter in zijn handen. Om de zin laste hij een pauze in, bedoeld om ruimte te bieden aan een gejoel dat maar niet wilde komen. Om zijn toneel ook voor de doven onder ons van spektakel te voorzien eindigde hij door heel demonstratief en schlemielig een of ander wetsvoorstel doormidden te scheuren. Geen hond die het wat kon schelen. Het was voor iedereen duidelijk dat Zihni dezelfde ochtend voor z’n spiegel had staan oefenen hoe zo’n papiertje nou een beetje theatraal in tweeën ging.
Foto’s van Zihni’s toespraak werden door de aanwezige GroenLinks-medewerkers – toen nog gehoorzaam aan Zihni’s grillen – gemaakt vanuit een intimiderend kikvorsperspectief, en zijn vervolgens zo afgesneden dat het er in ieder geval op Instagram uit moet hebben gezien alsof een Turkse Troelstra woedende volksmeuten had opgezweept. Het is een imago dat Özdil enthousiast probeerde te cultiveren: dat van een maverick binnen de GroenLinks-fractie; een ruwe bonk die vanwege zijn onorthodoxe methodes constant overhoop lag met zijn leidinggevenden. ‘Maar ja, we kunnen niet zonder Zihni,’ fluisterden zij in deze fantasie vervolgens tegen elkaar, wanneer ze dachten dat Özdil hen niet hoorde. ‘He gets the job done.’ Dat hij uiteindelijk vanwege een vertrouwensbreuk uit de fractie werd gewipt moet een diep gekoesterde wens zijn geweest die na jaren in vervulling ging. ‘Your licence to kill is revoked, Özdil.’ Hij had het Jesse in zijn dromen al zo vaak horen zeggen.
De laatste keer dat Zihni voor losgeslagen projectiel mocht spelen was niet lang voor zijn afscheid, in SPUI25. Dat deed hij toen onder andere door gebruik te maken van de eerste vluchtroute die ik zojuist noemde en zich te bezatten, maar daar wordt hij door mij, in tegenstelling tot zijn fractiegenoten, niet op afgerekend. Het lijkt me de meest menselijke en herkenbare manier waarop zijn onzekerheid zich manifesteert. Enfin, Özdil mocht daarnaast ook weer spelen dat hij volksmassa’s aanzette tot een bestorming van het Winterpaleis. Hij was niet mild. Marktwerking in het hoger onderwijs had geleid tot ‘al de problemen, al het gezeik, alle tyfuszooi waar we nu mee te maken hebben.’
De volgende morgen zal Özdil met een kater wakker zijn geworden. Nogmaals, dat is niet mijn probleem. Voor dit kankertranendal vluchten in de drank is volkomen herkenbaar. Sommigen doen dat bij een debatavond, andere mensen komen thuis uit het café en draaien om drie uur ’s nachts vier keer achter elkaar River van Joni Mitchell op vol volume. Terug naar mijn punt: ik begrijp Zihni. Waar de meesten onder ons echter vooral de ochtend na zo’n gelag weer heel anders denken over de voorgaande avond – River is een heel mooi nummer, maar moet het echt zo hard worden meegeblèrd dat het hele huis wakker wordt? – slingerde Zihni’s identiteit permanent op een vergelijkbare manier heen en weer.
Zodra de woede die hij zo graag aan zou willen wakkeren resultaten begon te sorteren ontwaakte namelijk een andere Özdil. Wanneer er geklapt moest worden voor de verkiezingsoverwinning van een tegenstander stond Zihni pal vooraan blij zijn knuistjes tegen elkaar te rammen. Wanneer iemand een ander verantwoordelijk stelde voor het beleid waar ook Zihni Özdil zo graag tegen ageerde, wist hij niet snel genoeg onder hoeveel beschaving en vijandenliefde hij zich moest verschuilen. Dan stond hij de mensen waar hij iets eerder nog tegen fulmineerde opeens innig te knuffelen, en als iemand van zo’n actie iets zei verdwenen de scheldwoorden plots uit Zihni’s vocabulaire en kon hij alleen nog maar het vrije en onbegrensde debat in de meest dociele termen verdedigen. Dan vergat Özdil opeens weer dat hij zelf ook om het ontslag van mensen die hij niet mocht had staan roepen, en verwijderde hij de stukken die hij daarover had geschreven snel van het internet.
Dat er verschil bestaat tussen iedereen met een mening die u niet bevalt de hersens intimmeren, en slijmerig de erkenning nastreven van elke tegenstander, daar wilde Özdil dan niet meer aan. Of dat woede niet alleen een voorstelling is, maar dat sommige mensen écht boos zijn. Voor Zihni waren zulke emoties slechts wenselijk zolang ze werden gesublimeerd in waardering voor Zihni. Nu hij zijn zetel braaf aan de partij teruggeeft – een laatste daad die laat zien dat Zihni helemaal niet de eigenwijze eenling is die hij graag portretteerde – zal hij de komende periode redelijk wat tijd om handen hebben. Als ik Zihni Özdil één advies mag geven is het dat hij vooral lekker door moet gaan met drinken. Hopelijk weet het de schizofrene praatjes en eventuele andere overlevingsmechanismen te vervangen. En als hij dan toch per se een keer lawaai wil maken zet hij maar gewoon net als de rest van ons Joni Mitchell op.
BN
Geen kunstvorm die de mensheid heeft bedacht wordt niet ook in België beoefend. Belgen schreven grote romans en zongen het levenslied. Al lang voordat het postmodernisme aansloeg in de architectuur had de belabberde ruimtelijke ordening in Belgische steden resultaten geboekt waar Rem Koolhaas alleen jaloers op kan zijn. Ook aforismen worden niet slechts geschreven door Britse dandy’s of Franse filosofen. Zo was het de Vlaamse Karel Jonckheere die het genre omschreef als de ‘kortste bewering die aan het langste eind wil trekken.’ Als er één Belg is die dat tegenwoordig laat zien, is het Rik Torfs.
Tot enkele jaren geleden was Torfs, hoogleraar kerkelijk recht, rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Na verkiezingen onder personeel en studenten werd hij in 2013, door een meerderheid te behalen bij die tweede groep, verkozen. Ik begrijp niet dat daar door minder democratisch aan de macht gekomen universiteitsbestuurders nauwelijks gebruik van is gemaakt. Niet alleen omdat Torfs eruitziet als een morsige priester. Het beste argument tegen democratisering van het hoger onderwijs is vijf minuten aforismen van Rik Torfs te lezen.
Torfs’ leven is één lange poging zoveel mogelijk citeerbare uitspraken te doen. Zo nu en dan schrijft hij ook langere teksten, maar het liefst overstelpt hij het internet met puntige spreuken. Waarschijnlijk houdt hij niet op totdat hij voor elke denkbare halfbakken scriptie een motto heeft geleverd; voor iedere mogelijke rouwkaart of bruiloftsuitnodiging prêt-à-citer content heeft gecreëerd.
Al Torfs’ aforismen catalogiseren is een vrijwel onmogelijke taak. Toch zou ik ze, grofweg, in drie categorieën in willen delen. Allereerst zijn er de simpele soundbites. Dat zijn slagzinnen als ‘Radijsjes en bloemkolen in dezelfde dipsaus. Komt dat ooit goed?’ Binnen deze groep is er de subcategorie van banaliteiten die zich onderscheiden door hun onvervalste Vlaamsheid. Daarbinnen vallen bijvoorbeeld het wegdromen in de pauze tijdens een concert van de fanfare – ‘prachtig moment waarop schijnbaar niets gebeurt’ – of formulaire sportjournalistiek: ‘De winnaar van de Ronde van Vlaanderen is elk jaar weer het prachtige landschap.’
Naast deze spielerei zijn er Torfs’ meer prangend en politiek bedoelde wijsheden. Die krijgen het eveneens vaak voor elkaar een gemeenplaats uit te spreken, en zijn daarnaast meestal ook nog eens aantoonbaar onwaar. De volgende, bijvoorbeeld: ‘Wat waarheid is, heeft geen geweld nodig. Wie een aanslag pleegt, bewijst zijn eigen ongelijk.’
Oscar Wilde, die al even citaatgeil was als Rik Torfs, schreef ooit iets vergelijkbaars: ‘Iets is niet per se waar omdat iemand is gestorven om het te realiseren.’ Ook een open deur, maar in ieder geval wel juist. Torfs, die graag de indruk probeert te wekken over diepe bronnen van onvermoede nuance te beschikken, wil hier stiekem toch stelliger zijn dan Wilde. Zo wordt hij meteen door een ellenlange geschiedenis van gerechtvaardigd geweld tegengesproken.
Een goed aforisme werkt hetzelfde als een goede beschuldiging van seksueel wangedrag: het hoeft niet onweerlegbaar te zijn, maar moet wel zo overkomen. Rik Torfs doet het tegenovergestelde. Wanneer Torfs claimt dat wie een aanslag pleegt zijn eigen ongelijk bewijst, doet dat mij het zelfmoordterrorisme van Jan van Speijk – die overigens ook heel spitsvondig kon zijn – alleen maar meer waarderen. Als zijn landgenoten enigszins op Torfs lijken zou ik ook liever de lucht in gaan dan een infame Brabander worden.
Niet alleen van geweld heeft Torfs een afkeer. Iedere vorm van emotionele betrokkenheid gaat hem in feite te ver: ‘Hoe kun je in een discussie gelijk hebben en toch boos worden? Is het dan zo erg om gelijk te hebben?’ Wie mijn beledigingen aan Torfs’ adres als woede wil interpreteren ziet dat hij ook hier weer onzin uitkraamt. Overigens zou ook Torfs daar, als hij zijn eigen beknopte bullen volgt, geen problemen mee moeten hebben: ‘Cynisme is zoals een pakje sigaretten. Wie eraan verslaafd is, moet je het gunnen.’
Die opmerking leidt me naar de derde categorie; de meest filosofische. Een onoplettende lezer zou in de uitspraken die tot deze soort behoren per ongeluk iets gevats of diepzinnigs kunnen menen te herkennen. In deze laatste groep benadert Torfs de vorm van het sterke citaat namelijk het dichtst. Het is helaas de inhoud die achterblijft. Veel pakkende aforismen klinken paradoxaal. Veel achterlijke prietpraat ook. De grens tussen vaagheden en intelligente observaties is alleen helemaal niet zo ondefinieerbaar als sommige onbenullen denken. Tussen de twee ligt een uitgestrekt niemandsland, en Rik Torfs weet het nooit over te steken. Ter illustratie de volgende uitspraak: ‘Het is nooit te laat. Anders konden we dat niet meer zeggen.’
Eigenlijk zou ik niet eens voorbeelden op willen noemen van de oneindige scenario’s die dit statement absurd maken. Terwijl u het las moet u er zelf al drie of vier bedacht hebben. Om toch snel een rijtje af te werken: het is al ongeveer vijfhonderd jaar lang behoorlijk te laat om de Reformatie te voorkomen, al zo’n honderdvijf jaar om de moord op Franz Ferdinand te verijdelen, en al zes jaar om het imago van de Leuvense universiteit te redden. Of ik dat kan zeggen of niet is daarbij van weinig belang.
Het enige nut van deze uitspraak lijkt dan ook de mogelijkheid tot flauwe grappen die hij Torfs’ studenten biedt na het verstrijken van een deadline. Daar houd ik het voor nu bij. Ik sluit graag af, want zo hoort dat, door een groot denker te citeren: ‘Schrijven is verslaving. Zelfs als je niets te melden hebt, ga je eindeloos verder op het ritme van dansende letters.’ Niks tegen in te brengen, Rik.
BN
Niets is mooier voor een filosoof dan het ongelijk van een voorganger bewijzen. Wat dat betreft is nieuwe Denker des Vaderlands Daan Roovers voortvarend van start gegaan. Al in haar eerste week haalde ze Plato onderuit. Die vond dat, in de ideale politieke inrichting, filosofen het voor het zeggen zouden hebben. Als Roovers iets heeft weten aan te tonen is het wel dat we daar beter niet aan kunnen beginnen.
Dat ze zulk filosofisch succes zou behalen moet ook voor Roovers zelf een verrassing zijn geweest. Aanvankelijk studeerde ze geen filosofie, maar medicijnen. ‘Ook zo’n typische meisjeskeuze,’ zegt ze daarover. ‘Als ik een jongen was geweest, was ik iets exacts gaan studeren.’ In hetzelfde interview waarin ze die uitspraak doet spreekt ze al snel ook over andere gevolgen van haar studiekeuze: ‘Van die medicijnenstudie heb ik achteraf trouwens geen spijt. De meeste filosofen zijn niet zo bèta. Als ik een exacte kwestie voor me krijg, denk ik: dat kan ik wel snappen.’ Blijkbaar wijkt de Rooversiaanse logica op dit punt behoorlijk af van de klassieke, en kan een enkele negatie zonder al te veel omhaal geëlimineerd worden om tot een ware propositie te komen. Jezelf tegenspreken, zou de leek het noemen.
Ondanks, of misschien juist dankzij haar nog niet volledig uitgewerkte paraconsistente logica, is Roovers nu dus Denker des Vaderlands. Een functie die, in haar eigen woorden, twee kanten kent. ‘Het algemene idee is dat ik filosofie een podium biedt, zodat het een groter publiek bereikt. Daarnaast word ik gebeld door media om mijn mening te geven over verschillende kwesties.’ Publieksfilosoof was Roovers al, onder andere als hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Met het eerste deel van haar nieuwe ambt zou ze dus uit de voeten moeten kunnen. Nu is het percentage zinvol denken bij publieksfilosofie in de regel even hoog als het alcoholpromillage van een pak sinaasappelsap, maar goed, ervaring bestaat ook zonder inhoud.
Door naar de tweede taak van een Denker des Vaderlands. Daar is Roovers duidelijk over. Ze gaat hem, heeft ze in een geniale ingeving bedacht, simpelweg níet uitvoeren. ‘Wat binnen een debat mijn eigen mening is, vind ik minder relevant,’ zegt ze daarover. ‘Waarom zou mijn mening interessanter zijn dan de jouwe?’ Daan Roovers heeft, mogen we concluderen, direct na haar aantreden haar taakomschrijving zo aangepast dat die plotseling precies datgene behelst dat ze eigenlijk sowieso al deed.
Het is ergens niet vreemd dat Roovers haar eigen mening liever niet op een voetstuk plaatst: een overtuigende of samenhangende opinie weet ze immers niet te produceren. Neem de argumentatie die ze aanvoert bij de beslissing om haar eigen werk te halveren. ‘Ik heb natuurlijk veel gelezen. Ik ken ook veel mensen in de filosofie. Maar alleen maar wijzen naar grote filosofen vind ik toch een beetje top-down.’
Die opmerking is in de eerste plaats komisch, wanneer u weet dat Roovers twee zinnen eerder zonder goede reden Hannah Arendt heeft aangehaald. Wat echter vooral duidelijk wordt is Roovers’ complete onvermogen om, na al dat lezen en mensen kennen, aan denken ook een keer conclusies te verbinden. Dat kennis tot het vormen van een onderbouwde mening kan leiden, of dat het, God beware, zelfs zinnig zou kunnen zijn die mening vervolgens te uiten, dat gaat er bij Roovers niet in. Ze lijkt daarentegen vooral te denken dat een studie filosofie mensen opleidt om stilletjes en met zo min mogelijk eigen inbreng de inspraakavonden in hun plaatselijke buurtcentrum voor te zitten.
Roovers’ grootste probleem is dan ook niet dat ze zichzelf om de haverklap tegenspreekt. Het is dat ze een in kwade trouw weggedoken schijtlijster is. Roovers is de vervelende student die als essay over de zin van het leven een leeg blaadje inlevert, en er dan blasé naast staat, verkondigend dat het leven welbeschouwd toch ook geen zin heeft. Daan Roovers is de partner die je een leeg pakje geeft voor je verjaardag, met de mededeling dat het toch haar liefde is die het grootste cadeau zou moeten zijn. Laffe gemakzucht die door moet gaan voor intelligentie of nuance. Leegte, vermomd als betekenis.
Zelfs in die lafheid weet deze PR-dame van de Nederlandse filosofie overigens nog een laatste contradictie aan te boren, en tegelijkertijd ook maar meteen de volslagen zinloosheid van publieksfilosofie duidelijk te maken. Er was de afgelopen honderd jaar één kort moment waarop enigszins serieuze wijsbegeerte een groot publiek wist te bereiken. Laat dat nu precies de periode zijn geweest waarin filosofen in hun engagement iets verder gingen dan het werktuiglijk reageren op telefoontjes van journalisten. De rouwstoet van Jean-Paul Sartre – over wie veel gezegd kan worden, maar niet dat hij zijn eigen meningen niet interessant vond – werd in 1980 door 50.000 mensen begeleid. Het zal mij benieuwen wanneer Daan Roovers en haar lege vel papier een stadion uitverkopen.
BN
U kent de dooddoener: ‘Er zijn geen domme vragen, alleen domme antwoorden.’ Onzin natuurlijk. Dat betekent echter allerminst dat er op domme vragen niet nog dommere antwoorden mogelijk zijn. Saskia de Coster wist het in een interview met Trouw voor elkaar te krijgen: de domste vraag over schrijverschap zo beantwoorden dat het overkomt alsof ze zelf nog minder begrijpt van waar ze mee bezig is dan haar interviewer.
De Coster schreef – ze is er vroeg bij voor de boekenweek – in de roman Nachtouders over haar rol als niet-biologische moeder in een lesbische relatie. In Trouw mag ze daar eerst wat onovertuigende observaties over maken. Ik ben geen biologische moeder, maar ik had er wel een – om de denktrant van de CPNB maar even aan te houden – en dus mag ik haar best corrigeren als ze meent dat échte moeders de poepluiers van hun kinderen niet vinden stinken. Dat vinden ze wel. Poep stinkt: er is geen navelstreng die daar verschil in kan maken.
Al snel volgt echter De Vraag. Die begint door te stellen dat Nachtouders een roman is, ‘maar…’ U weet dan waarschijnlijk al wat er komt: er moet weer worden gehengeld naar de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Die roman, die is stiekem geïnspireerd door gebeurtenissen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, en interviewer Iris Pronk zal eens even uitvogelen hoe dat in elkaar steekt. De Coster meent op deze vraag in te moeten gaan door een vreemde mening te onderbouwen met een verwijzing die ‘m meteen weer onderuithaalt.
‘Ik zou het heel flauw gevonden hebben als ik mezelf in het boek een andere naam zou hebben gegeven, Sandra of zo. Dat zou een vorm van bedrog zijn geweest, ik heb zelfonderzoek gedaan.’ Tot zoverre de mening, die van zichzelf al behoorlijk rammelt. Als je als auteur meent dat je je eigen naam aan een personage moet hangen om een zelfonderzoek te doen overtuigen heb je in de rest van je schrijven wel bijzonder weinig vertrouwen. Maar goed, dan krijgen we dus nog de ter onderbouwing van deze opvatting bedoelde verwijzing: ‘Flaubert zei het al: “Madame Bovary, c’est moi”.’
Daarmee wordt het niet per se duidelijk of Saskia de Coster kan schrijven: lezen kan ze in ieder geval niet. Anders had ze door dat Flaubert hier haar theorie niet ondersteunt, maar een flinke dosis rattenkruid toedient. Als Flaubert Madame Bovary kon zijn, waarom zou De Coster dan in godsnaam niet voorbij Saskia komen? De Coster had haar personage Sandra kunnen noemen, of Emma; voor mijn part Gustave. De poepluier zou toch hetzelfde hebben geroken.
BN
Op 4 maart 1986 maakte Richard Manuel zijn laatste restje cocaïne op, dronk hij het bodempje uit de fles Grand Marnier die hij nog had staan, en hing zichzelf op in een hotelbadkamer. Richard Manuel is mijn favoriete zanger. Toch moet hij volgens Babette Labeij, auteur van ZING!, in zijn muzikale leven iets fout hebben gedaan, net als Kurt Cobain, Phil Ochs, Herman Brood en Ian Curtis. Van zingen moet je namelijk bevrijd raken, verlossing vinden en gelukkig worden. Muziek, dat is een pleister om je verdriet en problemen om te zetten in ‘kracht en positief denken.’
Zelf was Babette Labeij ooit ook zangeres. Zoals vele kunstenaars die hun kunst aan de straatstenen niet kwijtraken, of schrijvers bij wie de pallets onverkochte debuutromans als Duitse Marken in het trappenhuis opgestapeld liggen, bedacht ook Labeij op een bepaald moment dat ze datgene waar ze geen succes in vond beter kon gaan onderwijzen. Als zangcoach werkte ze vervolgens bij Idols, X-Factor, Popstars en The Voice of Holland, en riep zo dus al minstens zes of zeven generaties aan Whitney Houston-epigonen over ons af. In haar vrije tijd probeert Babette Labeij daarnaast externe links naar haar eigen website te verstoppen in het aan haar gewijde Wikipedia-artikel. Op 16 oktober verscheen bij Nijgh & Van Ditmar haar boek ZING! – de meest verderfelijke ideologische uiteenzetting van een muzikant sinds Richard Wagners Het Joodse in de muziek.
‘Muziek’ aldus Labeij, ‘is de beste psychiater die ik ooit heb gehad.’ Behoorlijk onverantwoordelijk als u het mij vraagt, zo mensen maar af te raden om professionele hulp te zoeken. Opmerkingen als deze zijn niet bijzonder respectvol richting de geestelijke gezondheidszorg, terwijl die mensen zich ook maar te pletter werken om types als Labeij, die naar buiten één en al vrolijkheid en optimisme uitstralen, en dus van binnen wel psychische wrakken moeten zijn, er op te wijzen dat ze niet voor hun problemen kunnen vluchten door af en toe een ariaatje te blèren tijdens het koken.
Het is echter niet alleen de psychiatrie die in de piepzak komt te zitten. Terwijl therapie zijn betekenis verliest wordt de rest van het leven keihard getherapiseerd, en ook muziek wordt gereduceerd tot een van alle overige betekenis of waarde ontdane placebo en belandt als afvinkvakje in de utilistische calculus. Alles moet ons immers maar gelukkig maken, ons lichaam en onze geest gezond houden; elke activiteit moet een shot endorfine produceren. Bij Nijgh & Van Ditmar konden ze wel wat met die verkoop garanderende zelfhulpboodschap. In de najaarsbrochure werd op de pagina over ZING! meteen Erik Scherder – de enige boskabouter die bijverdient als neurowetenschapper, in plaats van gewoon rustig z’n eikeltjestabak te roken – er ook maar aan de grijze ringbaard bijgesleept, om aan het geheel zelfs een wetenschappelijk tintje te geven.
Hoewel het woord ‘passie’ – dat ook Labeij graag twee of drie keer per alinea gebruikt – ondertussen alleen in de martelporno van Mel Gibson nog enigszins z’n oorspronkelijke lading dekt, is het tegenovergestelde van dit blije gezemel natuurlijk overdreven romantisch. Een echte artiest hoeft niet per definitie een suïcidale verslaafde te zijn. Koeien geven melk, maar niet alle melk komt uit een koe: depressieve mislukkelingen hebben geweldige muziek gemaakt, maar niet elke goede melodie wordt bedacht door iemand die op het randje van de afgrond staat. Genoeg prutsers hebben zich bovendien vastgebeten in een vicieuze cirkel van ongeluk zonder ooit iets van waarde te produceren, en veel mensen kunnen vast plezier ontlenen aan zingen. Peuters kunnen ook kraaiend van enthousiasme losgaan op een rammelaar; honden op een tennisbal. Waarom zou de gemiddelde Nederlander niet van allerhande bezigheidstherapietjes op kunnen knappen? Ik wil niet beweren dat je niet gelukkig mag worden van zingen. Wel had ik van Nijgh tenminste een kwaliteitsgoeroe verwacht, in plaats van een dusdanig lege conceptie van kunst, muziek of literatuur.
Een definitie van muziek waar de cultusvolger iets mee kan is in ZING! niet te vinden. Naast een reclamefolder voor Labeijs zangacademie is het boek vooral een verzameling persoonlijke anekdotes over muziek. Wat heeft Babette daarin dan te melden? Ze houdt van ABBA. Christine McVie’s Songbird is een van haar ‘favoriete songs ever.’ De Beatles? ‘In mijn ogen de grondleggers van de hedendaagse popmuziek.’ ZING! bevat geen register met alle genoemde artiesten en nummers, maar wie dat wel wil hebben kan een maandje wachten en de Top 2000 erbij pakken. Wie geen zin heeft om een boek te lezen vol oppervlakkig gedweep dat waarschijnlijk voor ‘aanstekelijk’ door moet gaan, en waarvan zelfs de auteur in een zeldzaam moment van zelfreflectie opmerkt dat het misschien inderdaad ‘zum Kotzen‘ klinkt – doe daar dan wat aan, muts – kan ZING! beter laten liggen. Of er gewoon meteen een einde aan maken.
BN
In het vorige nummer van PC schreef MSM over de bezetting van het P.C. Hoofthuis. Het stuk in kwestie kan op z’n minst een zure recensie genoemd worden – met de kanttekening dat recensenten meestal de locatie die ze bespreken wél hebben bezocht. Kon ik dat, als vijfde colonne in de PC-redactie, over mijn kant laten gaan? Of, om meteen Lenin maar te citeren: ‘Wat te doen?’
Een eerste optie was het publiceren van een uitgebreid geannoteerde versie. Zelfs voor nazipamfletten wordt dat tegenwoordig echter niet noodzakelijk geacht, en hoewel MSM dan wel claimt dat niets zo angstaanjagend is als ‘een groep mensen met gedeelde opvattingen, die hun eensgezindheid uitdragen door middel van kledingvoorschriften’ – niet erg vriendelijk als je keppeltjes of sjtreimels daar ook onder schaart – ging dat misschien wat ver. Bij het uitblijven van een wetenschappelijke editie van PC-Onthoofthuis hier dan toch een respons.
In zijn eerste inhoudelijke punt beticht MSM de bezetters van hypocrisie. Ze eisten dekolonisatie en meer diversiteit aan de UvA, maar bestonden zelf uit een groep van ‘hoofdzakelijk witte, heteroseksuele, Nederlandse jongemannen.’ Bij iedere andere auteur had ik me om te beginnen afgevraagd hoe hij zo overtuigd was van de heteroseksualiteit van een groep gemaskerden. MSM, wiens gaydar zo goed werkt dat hij al een crush op Maxim Februari had toen die nog Marjolein heette, geloof ik hierin volledig.
Hoewel de eis heus wat hypocriet was – welke protestbeweging is dat niet; zodra hypocrisie verboden wordt kunnen we sociale vooruitgang wel vergeten – vielen de bezetters in het niet bij de schijnheiligheid van hun universiteit. Zelf hadden ze hun excuusminderheden in ieder geval discreet en egalitair verborgen achter bivakmutsen en Arafatsjaals – in tegenstelling tot de UvA, die zodra een medewerker ergens een krullende zwarte haar vindt een team van fotografen stuurt, op zoek naar het boegbeeld van een nieuwe mediacampagne. Als het om foto’s voor websites of billboards gaat neemt de afdeling communicatie nog net niet een stel witte studenten onder handen met een blik schoenpoets, en scheelt het niet veel of er worden her en der een paar gezonde benen bewerkt met een loden buis, om zo de quota toch ten minste op een paar mooie plaatjes te halen.
De eis aan het universiteitsbestuur om een staking te faciliteren is volgens MSM onzinnig, omdat stakingsrecht al bestaat. Het zal wel. Met rechten kun je de gracht dempen. Staken wordt een stuk minder gezellig zodra je er achter komt dat werkgevers niet verplicht zijn lonen door te betalen. Wat werd geëist was dan ook het actief faciliteren van actie, zodat stakingsrecht voor universitair personeel niet hetzelfde blijft als seksuele vrijheid voor eenogige bochelaars: een mooi theoretisch ideaal dat in de praktijk flink in de kosten loopt. Het is, kortom, dat er geen vakbond bestaat voor PC-redacteuren, anders wist ik wie er voor de voorzitterspositie niet op mijn stem hoefde te rekenen.
Als volgend punt van kritiek verwijt MSM de bezetters wetenschappelijke onnauwkeurigheid: ‘Aan het manifest van de Autonome Universiteit te zien is Academisch Schrijven al wegbezuinigd.’
Academisch Schrijven is niet wegbezuinigd: Academisch Schrijven is voor kneuzen. Het laatste dat je moet willen is een manifest met meer bronverwijzingen dan leuzen, en bij PC zou dat duidelijk moeten zijn. Om m’n eigen citations op te krikken haal ik er graag de cursus PC-redacteur van de huidige jaargang bij: ‘Als beginnend student heeft u geluk: u bent nog niet verpest door de verplichte cursus academisch schrijven. Van voetnoten, literatuurlijsten en verantwoordingen willen wij niet horen. Wind u ergens over op, ram uw pen in iemands slagader, en schrijf een stuk waar wij om kunnen lachen.’ Verander hier de laatste woorden zodat niet lachen, maar het omverwerpen van het kapitalisme, patriarchaat of stichtingsbestuur van Propria Cures centraal staat, en u heeft wat mij betreft een prima handboek manifesten schrijven.
Met veel opmerkingen van MSM was ik het, om positief af te sluiten, overigens volledig eens. Iedere keer dat hij het eens leek te zijn met de bezetters, bijvoorbeeld. Ook op andere manieren kwam zijn tekst zeker van pas. Voorlopig lijkt Geert ten Dam de Mohammed bin Salman van de UvA te blijven. Zoals de Saudische kroonprins zich presenteert als liberale hervormer, maar ondertussen familietradities als het opsluiten van dissidenten en het in stukken zagen van kritische journalisten achter de schermen gewoon in stand houdt, zo zal ook Geert ondanks haar permanent bezorgde blik interne problemen nooit serieus aanpakken zolang ze als goedmakertje af en toe een kruiwagen puppy’s in de UB kan dumpen. Gelukkig heeft MSM de studentenbeweging aan de nieuwe naam voor een toekomstige splintergroep geholpen. Wanneer het is afgelopen met de softe provokaatsies en de Rote Karree Fraktion Ten Dam daadwerkelijk ontvoert zal hij ongetwijfeld dankbaar worden genoemd in het manifest.
BN
Sommige mensen hebben een verstandelijke beperking. Sommige mensen hebben geen verstandelijke beperking, maar lijken wel door iemand met zo’n beperking te zijn bedacht. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor Sid Lukkassen, auteur van driftig gekapitaliseerde titels als De Democratie en haar Media, Avondland en Identiteit en Levenslust en Doodsdrift. Lukkassen kan niet anders worden gezien dan als de door chromosoomoverschotten verstoorde weergave van een publieke intellectueel.
Een eerste aanduiding dat Lukkassen geen mens is, maar een personage dat, als Athena uit het hoofd van Zeus, rechtstreeks uit de verbeelding van een geestelijk gehandicapte de wereld in is gestapt: bij dit door God gemorste stukje Oswald Spengler verkeren het boertige uiterlijk en de stompzinnige inhoud in perfecte harmonie. Sid Lukkassen is niet zomaar een voorspelbaar totaalplaatje: hij is een gesamtkunstwerk. Het enige driedimensionale aan flat character Sid is zijn lichaam. Zijn BiFi-lippen, pruilend in permanente verontwaardiging over hun positie in zijn verongelijkte peuterhoofd, en zijn ogen, die in een wanhopige poging iets uit te stralen dat voor pienter door zou moeten gaan genoeg calorieën verbranden om zijn pens enigszins toonbaar te houden, zijn echter zo in overeenstemming met zijn inborst dat ze ervoor zorgen dat hij er kans op maakt alsnog de eerste mens te zijn die door een toekomstige biograaf niet als een ‘vat vol tegenstrijdigheden’ zal worden omschreven.
Zoals gezegd, Sid is een keihard argument tegen dualisme, en niet alleen in vorm, maar ook in inhoud lijkt hij het resultaat van een poging tot het klonen van Alain de Botton waarbij halverwege het proces een rechtse mopshond in het DNA-materiaal heeft gepiest. Die inhoud openbaart hij onder andere in het in het Nederlands napraten van een Amerikaanse complottheorie die Theodor Adorno weet te beschuldigen van elk sinds 1968 afgebrokkelde stukje traditie. Natuurlijk, Adorno heeft alles weg van een in een geheime onderwaterbasis wonende antagonist uit een Bondfilm. De Protocollen van de Wijzen van Frankfurt waar Sid in gelooft zijn desalniettemin absurd, al was het maar omdat niemand buiten een klein groepje armlastige geesteswetenschappers zich überhaupt met Adorno, Horkheimer, Marcuse of andere pessimistische Duitsers bezighoudt.
Als Sid niet rukboeken vol paranoïde gezever aan het schrijven is, wil hij ook nog wel eens in de media verschijnen. Zo mocht hij bijvoorbeeld recentelijk in de Volkskrant het bestellen van Thaise postorderbruiden ‘een stukje seksuele emancipatie van de blanke westerse man’ noemen. Gelukkig voor Sid wist hij de Volkskrantredactie zo ver te krijgen tevens in dat interview te vermelden dat hij onlangs is ingetrokken bij zijn vriendin. Mensen zouden immers maar gaan denken dat de verhandeling over vrouwen die worden ingepikt door ‘boomlange basketbalspelers’ uit Avondland en Identiteit autobiografisch is. Dat Lukkassen de eerste dertig jaar van zijn leven in zijn ouderlijk oikos doorbracht vermeldde de vriendelijk meedenkende krant uit piëteit niet – en vooruit, als ik er van overtuigd was dat ‘de zomer en herfst van 2017 in het teken stonden van de ophanden zijnde ondergang van West-Europa’, zoals de flaptekst van Lukkassens laatste boek Levenslust en Doodsdrift droogjes-alarmistisch begint, zou ik m’n tijd ook niet verspillen op Funda.
Ondertussen lijkt men in een onverwachte hoek, in tegenstelling tot bij de Volkskrant, Lukkassen wel af te schrijven. Toen hij vijf minuten zou spreken op een evenement van Leefbaar Rotterdam, maar na een half uur nog steeds, bevangen door de in het hiernamaals blijkbaar aan lager wal geraakte geest van Cicero, met voor het publiek iets te weidse handgebaren een betoog stond te houden, snoerde presentatrice Ebru Umar hem de mond: ‘Misschien wil je die slotzin even uitspreken, dan zijn we allemaal heel erg gelukkig.’ Ook Jan Dijkgraaf weigerde een bijdrage van Lukkassen af te drukken. Dijkgraaf had Lukkassen om een stukje gevraagd, maar kreeg in plaats van iets waar zijn publiek wat mee kon een Pleidooi voor een Verlichte autocratie, en op Dijkgraaf kwam dat over als een interpretatie van een kleuter die met de volledige werken van Friedrich Nietzsche in een blender was beland. Nu was dat Pleidooi niet eens bijzonder hoogdravend, maar reden genoeg voor Dijkgraaf om Lukkassen de als beschuldiging van pretentie bedoelde kwalificatie ‘Linda Duits zonder tieten’ toe te dichten.
Het is eindelijk eens een prettige bijkomstigheid van anti-intellectualisme: als iemand helemaal geen intellectueel is, maar door het brein van een zwakbegaafde naar een intellectueel is gemodelleerd, kan hij er toch slachtoffer van worden. De positie van Sid Lukkassen in het lezingencircuit zal dan ook, ondanks alles, de westerse beschaving niet overleven. Het kan echter nooit lang duren voor Sid een nieuw tijdverdrijf heeft gevonden. Als ‘iemand die de traditionele masculiniteit van migranten goed aanvoelt’ kan Lukkassen namelijk ‘prima omgaan met allochtonen.’ Mocht u binnenkort op het Osdorpplein worden lastiggevallen door een over zijn Vespa leunende, sissende hangjongere, ga dan niet op zijn avances in, want bij een welgemeend compliment voor uw borsten of kledingkeuze zal het niet blijven. Voor u het weet wordt u drie kwartier later nog steeds verbaal aangerand.
BN
Win de PC ONTHOOFTPRIJS.
Hoewel zijn naam klinkt als een onheilspellend gerecht op de menukaart van een absurdistische Chinees, is Wierd Duk geen onder zoetzure saus bedolven stuk gevogelte. Wierd Duk is ook niet de langverwachte opvolger van de polyfone ringtoonhit Crazy Frog. Wierd Duk is daarentegen, naar eigen zeggen althans, journalist.
Duk heeft in de loop der jaren op de loonlijst van zowel het Parool, Elsevier, als het Algemeen Dagblad gestaan, en fladdert momenteel vooral rond in de Telegraaf. Zijn collega’s ziet Wierd Duk als makke lammetjes die naar de pijpen van een samenzweerderige elite dansen. Zichzelf als de laatst overgebleven objectieve journalist van Nederland. Net als het verendekje op zijn hoofd, dat niet meer even waterdicht is als dat van een gezonde watervogel, is ook het journalistieke werk van Wierd echter zo lek als een mandje. Hoewel hij zijn naam mee zou moeten hebben, doet zijn geklapwiek dan ook vermoeden dat hij, als hij eindelijk eens eerlijk gewogen zou worden, zelfs voor een positie als stagiair bij de Duckstadkrant te licht zou worden bevonden.
Kortgezegd komt het grootste gedeelte van Duks journalistieke portfolio er op neer dat hij een willekeurig individu opzoekt dat op enigerwijze zijn eigen wereldbeeld bevestigt. Het individu in kwestie wordt kritiekloos geïnterviewd en het resultaat van dat interviewtje gepubliceerd. De werkwijze van woerd Wierd doet dan ook onherroepelijk denken aan de slogan van een andere gevederde soortgenoot. “Wij van WC-eend adviseren WC-eend.”
Van de journalistieke integriteit van de Anas Peculiaris zal ik u kort twee voorbeelden geven.
Ten eerste is er zijn avontuurlijke zomervakantie van dit jaar. Onze kloeke reporter maakte een bijna Kuifjeëske rondreis door Israël. In zijn eigen ogen rolde hij op de oevers van de Jordaan ongetwijfeld dan ook een olijvenkartel op, werd hij vrienden met een klein Palestijns jongetje dat hem als gids diende, en hield hij ondertussen een oude Joodse kapitein in toom die onder het drinken van hele flessen Arak bommenladingen aan Jiddische vloeken rondstrooide. In werkelijkheid lijkt Duk echter niet op Kuifje. Als hij dan toch als een Belgisch stripfiguur getypeerd moet worden, dan zou dat vanwege uiterlijke overeenkomsten en een gedeelde liefde voor grootspraak eerder Lambik zijn. Zelfs Lambik zou echter wel in hebben gezien dat het niet helemaal koosjer is dat de zojuist genoemde rondreis volledig op kosten van het CIDI was.
Een tweede voorbeeld van zijn journalistieke normen en waarden mocht Duk onlangs laten zien in de jaarlijkse, inmiddels tot het Nederlands immaterieel erfgoed behorende rel rondom Zwarte Piet. In een column waarschuwde hij voor de radicalisering van tegenstanders van Piet. Helaas vergat Wierd daarbij voor het gemak even dat hij zelf enkele weken eerder een tekst had neergepend, ongeveer even lovend als de hagiografie van de goede Sint zelf, over de Friezin die illegaal een snelwegblokkade had opgezet om mensen hun wettelijk vastgelegde demonstratierecht te ontnemen. Echte eenden hebben hun ogen op de zijkanten van hun kop en kunnen daardoor twee kanten opkijken. Wierd Duk overduidelijk niet.
Ondertussen mag evident zijn dat Duk ongeveer evenveel respect heeft voor het journalistieke ambacht als de jihadisten van het kalifaat voor Romeinse overblijfselen in Palmyra. Misschien is vanuit zijn houding tegenover journalistiek vakmanschap in ieder geval wel zijn verdediging te verklaren van Vladimir Putin, die toch immers echt een journalist of drie, vier, per jaar met z’n eigen blote berenhanden wurgt. Eerder dit jaar beweerde Duk, gelegen naast presentatrice Annemiek Schrijver in het treffend onpasselijk getitelde programma De Ochtendkus, dat het namelijk allemaal wel meevalt met die vermeende repressie in Rusland: “Als je je niet te veel verzet tegen de macht dan kun je een prima leven leiden.”
Dat hij die woorden uit dezelfde snavel geperst kreeg waarmee hij ook beweerde dat hij de enige Nederlandse journalist is die zich niet door machthebbers laat ringeloren, dat is een wonder. Als hij dergelijke bagatelliserende uitspraken over dictatoriale regimes niet alleen de op televisie naast hem gelegen vrouw voor de voeten wierp, maar deze ook in zijn echtelijke bed herhaalde, mag het daarentegen zeker geen wonder zijn dat vrouwlief Fidan Ekiz het niet langer met Wierd Snater uithield en hem met z’n hypocriete gekwaak haar nest uit heeft getrapt.
BN

