Je kan literatuur definiëren als fictie waarbij het belangrijker is hoe een verhaal wordt verteld dan wat er wordt verteld. Als recensent van literatuur is het dus vooral je functie om dat eerste te beoordelen, en niet dat tweede. Uschi Cop heeft, door haar debuut Dodeman als literatuur te presenteren, zichzelf lelijk in de voet geschoten: nu ben ik als recensent gedwongen haar niet te beoordelen op basis van wat ze te vertellen heeft, maar hoe ze dat doet − en dan komt haar boek, ik verklap het nu alvast, niet zo goed uit de verf. Denk aan een modelvliegtuigje dat beschilderd is met een verfroller, door iemand met extreme kleurenblindheid en jicht in de bovenarmen. Dan heb je een beetje een idee.

Als literair recensent is het vervolgens je functie om te beoordelen of het gerecenseerde werk voldoet aan de genre-eisen. Wat je van een boek vindt is subjectief, zeker, maar we hebben met zijn allen ook bepaalde kaders afgesproken, waarbinnen iets dat we literatuur noemen zich mag bewegen. Natuurlijk kan kunst juist ook de grenzen van die kaders opzoeken, daar zelfs mee breken, en op die manier vernieuwend zijn, terwijl het toch in de kern de klassieke vorm hanteert − daar wordt kunst, literatuur, heel vet. Maar in principe hebben we afspraken over wat een bepaalde kunstvorm inhoudt. Bij literatuur kan je bijvoorbeeld ook verwachten dat er in het werk een verhaallijn zit met een ontwikkeling: de beginsituatie is anders dan de eindsituatie. Het kan geweldig zijn als een roman dan opeens met zo’n verwachting breekt: neem The Mezzanine, van Nicholson Baker, dat over niets anders vertelt dan de gedachten van een man gedurende één lunchpauze.

Toch moet je als auteur voorzichtig zijn met dit soort vormexperimenten. Jezelf te veel limiteren wordt irritant, jezelf te veel toestaan wordt chaotisch. En aan sommige basisregels kan je beter helemaal niet komen. Bij literatuur is het bijvoorbeeld heel mooi als een auteur ook echt weet wat de woorden die ze gebruikt betekenen. Debutant Uschi Cop heeft de fatale fout gemaakt met deze wel heel fundamentele genre-conventie te breken. Ze heeft het bijvoorbeeld over een ‘reeks causale gebeurtenissen’, terwijl het aannemelijk niet de gebeurtenissen zelf zijn die causaal zijn. En ze omschrijft ‘Ademnood’ beeldend als ‘een soort stikken in de leegte’. Aangezien stikken niets anders is dan ademnood, is wat Cop hier schrijft vergelijkbaar met zeggen dat doodgaan een soort sterven in het leven is.

Cop schrijft in het Nederlands van iemand die in het Engels droomt. Alles wat ze schrijft klinkt alsof het in plechtige toon wordt voorgedragen op de maandelijkse borrel van de Filosofie-studentenvereniging, door de meest autistische sjaars van de jaarlaag, de enige Duitse Idealist van onze generatie. Dodeman is daarmee een perfect voorbeeld van kunst die doorslaat in het aspect vernieuwing: dat Cop zo debiel schrijft, heeft bij de lezer niet het effect dat hij denkt dat dit coole, vernieuwende kunst is, maar dat het geschreven is door een debiele schrijver, en ik hoef u hopelijk niet uit te leggen dat je in dat geval als schrijver ver van huis bent.

Een andere fundamentele conventie waarmee Cop breekt, is dat wanneer je gebruikmaakt van beeldspraak, die beeldspraak wel enigszins moet kloppen. Zo schrijft Cop: ‘De verloren tijd voelt plots verwaarloosbaar, het onverwachts wegklikken van de verbinding als een amputatie.’ Hier gaat een heleboel mis. Het onverwachts wegklikken van de verbinding klinkt alsof het met technologie te maken heeft, maar voelt het veranderen van een gevoel ooit als zappen? En dan blijkt die verbinding opeens niet met technologie te maken te hebben, maar met je ledematen. Terwijl een amputatie helemaal niets te maken heeft met klikken, en bovendien vrijwel nooit onverwachts plaatsvindt, tenzij je in Nepal woont; in ieder geval voor de lezers van Uschi Cop geen makkelijk inleefbare beeldspraak.

De laatste conventie waarmee Uschi Cop opzichtig breekt, is de verwachting dat dialogen enigszins natuurlijk of geloofwaardig moeten zijn. Om te laten zien dat van geloofwaardigheid geen sprake is in Cops werk, neem ik het volgende gesprek als voorbeeld:

‘Die fucking rigide regels,’ zei Olympe. ‘Als we beslissen te houden van vrouwen, in plaats van mannen. Als we beslissen geen kinderen te krijgen, of dat wel te doen, maar op onze eigen voorwaarden.’

‘Als we het allemaal kotsbeu zijn en weigeren nog verder mee te doen,’ zei Josje.

‘Dan ben je een heks, dan beland je op de metaforische brandstapel!’ Audrey leek nu echt wakker te worden.

‘Of de letterlijke,’ zei Bell, ‘vrouwenmoord is nog steeds dagelijkse kost.’

Ik ken eeneïge tweelingen uit romcoms die elkaars zinnen minder goed aanvullen dan deze strontvervelende wijven. Waarschuw de jonge woudlopers: Lizzy, Juultje en Babetje zijn oud en saai geworden. Al Cops personages zijn geen mensen, maar stereotypes, eigenlijk vleesgeworden feministische standpunten. Ze houden allemaal ergens het midden tussen een feministisch academicus en een permanently online Twitter-idioot. Dat heeft er waarschijnlijk alles mee te maken dat iedereen in Uschi Cops persoonlijke bubbel zich ergens op die lijn bevindt. Als er in één scheetbel van een blauwe vinvis een volwassen paard past, en ik kan u verzekeren dat dat zo is, dan kunnen alle idiote yuppenvriendjes van Uschi Cop ook wel met zijn allen één smal wereldbeeldje delen.

Goed, op de denker Uschi Cop wil ik niet al te kritisch zijn. Het is nobel dat ze met haar boek probeert een maatschappelijke dicussie op gang te brengen; ze omschrijft het zelf als “echt een omroep om zelf te denken, weg van slogans en leuzen”. Dat is best grappig om te zeggen over een boek met een hoofdpersonage dat Ursula heet en constant Ursula K. Le Guin citeert – toch blijft Cop erbij dat dit geen pamflet is, maar een ideeënroman. In de traditie van Robert Musil en Albert Camus stelt ze via een verhaal eigenlijk een vraag: is het enige juiste antwoord op mannelijke agressie, vrouwelijke agressie? Het antwoord lijkt mij overduidelijk ‘nee’, maar dat is dus niet aan mij, de recensent. Ik ken mijn plaats. Wat ik Uschi Cop wel kwalijk kan nemen, is dat ze háár plaats niet kent: ze is een activist, een feminist, een filosoof, prima − maar ze is geen schrijver.

WF

Dodeman, Uschi Cop.
De Arbeiderspers, €26,99

Archief