Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.

De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal. 

De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan. 

Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt. 

Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.

WF

Archief