‘Dominic, sell this’, zei uitgeverij Rubinstein tegen Dominic Seldis. Ze hadden het over zijn kont. Dat contrabassisten doorgaans berooid zijn, weet ik als geen ander: mijn ouders spelen dit instrument allebei. Mijn vader hangt delen van de week boven dampende erlenmeyers in een fabriek waar betonontkistingsmiddelen worden geproduceerd om zijn muzikantensalaris aan te vullen; mijn moeder bekostigt haar Duitse snaarhars en de stationwagen om dat kloteding mee te vervoeren met een stressvolle kantoorbaan. Je zou dus verwachten dat ik sympathie zou hebben voor een schnabbelende bassist –niets is minder waar. Dominic Seldis is als de laatste in Nederland bekende klassieke muzikant nou net de enige contrabassist die zijn anus niet in de etalage hoeft te leggen. Dat hij dat wel doet is puur omdat hij het lekker vindt. 

Waarom ze trouwens niet: ‘Dominic, verkoop dit’ tegen hem zeiden, is omdat Dominic geen Nederlands spreekt. Daarmee is een groter deel van zijn bekendheid te verklaren dan op het eerste gezicht logisch lijkt. Ik leg het u uit: in Nederland houden we van mensen die pseudo-exotisch zijn. Een Syrische vluchteling krijgt vier hooivorkpunten in zijn dijbeen en een vuurwerkbom op zijn stoep als hij niet snel genoeg de taal leert, want die is écht exotisch, maar een man die hemelsbreed op nog geen driehonderd kilometer van Amsterdam geboren is, maar wel een een cravat draagt en dingen zegt als: ‘truly marvelous’, die wijkt precies genoeg af van onze standaard om als curieuze excentriekeling in de armen te sluiten. Nederland laat zich graag, makkelijk en vaak de wol over de ogen trekken door wandelende karikaturen van onze Europese broederculturen: Ilja Gort als de verfijnde Fransoos, Valerio Zeno als de temperamentvolle Italiaan en Dominic Seldis als de posh dandy. De zelfhatende maar zichzelf toch superieur voelende Nederlander wil een nepvariant van echte cultuur, zodat hij die straffeloos en heimelijk uit kan lachen. Precies om dezelfde redenen kijkt hij wel naar programma’s waarin Dai Carter klassieke muziek verkracht, maar luistert hij er verder niet naar. 

Nadat Seldis als jurylid van Maestro de gemiddelde AVROTROS-kijker in zijn opengesperde klankgat heeft laten kijken, nodigt hij nu dus fans uit bij zijn reet in boekvorm. Tussen zijn Britse billen vinden we zeer belangwekkende en intrigerende verhalen over bijvoorbeeld die ene keer toen Dominic in Purmerend moest spelen, maar zijn bas vergeten was. Of die keer dat hij de koning een hand mocht geven. Of de eerste keer dat iemand een selfie met hem wilde maken. Of toen hij een concert van de Toppers bijwoonde en dacht, ik citeer: ‘mensen in de klassieke muziekwereld kunnen hier een hoop van leren.’ 

Maar die inkijkjes in het glamourleven van een lid van het Concertgebouworkest zijn slechts Vlooienmarsjes tegenover de gelaagde symfonieën waar Dominics meer opiniërende proza zich mee laat vergelijken: ‘Ik ben geen sportfanaat. Mijn grootste probleem met voetbal is de haat op basis van ras en nationaliteit die erdoor wordt gecreëerd en gevoed. Ik heb verachtelijke uitspraken gehoord richting spelers en supporters. Gedrag waar ik in de verste verte niks mee te maken wil hebben.’ Dat het maar gezegd is. Verder is voetbal niet leuk vinden vanwege racistische spreekkoren natuurlijk net zoiets als Bach slecht vinden omdat Bernstein zijn tong niet uit de mond van zijn dochter kon houden.

Seldis is (zoals ik hem hiervoor al typeerde) een Brit van het type John Cleese en Stephen Fry, waarschijnlijk een latente homosexueel en iemand die een aristocratisch voorkomen cultiveert zodat er sprake is van een contrast wanneer hij een grap over stront maakt of het woord ‘fuck’ opduikt in één van zijn wijdlopige zinnen. Dan zet hij een verlekkerd glimlachje op en neemt hij het applaus in ontvangst vanachter het kopje thee waar hij een slokje uit neemt. Voor die toonaard schijnen de Britten een term te hebben: tongue-in-cheek. Bij Seldis krijg je het idee dat hij een dikke, gevorkte tong heeft die hij in beide wangen tegelijk kan duwen. 

Wat me uiteindelijk nog het meeste stoort aan Seldis is dat hij het Nederlandse publiek een totale omkering van het échte archetype van de contrabassist voorspiegelt. Zelf ontkent hij dit overigens: hij is lomp en zwaar en de bas is dat ook (haha, truly marvelous, chap!). De ware bassist, zoals ik die al mijn hele leven ken, is een nederige en dienstbare Atlas. Hij draagt de Itzhak Perlmanesque diva’s met hun aanstellerige doekjes in de nek en de egomane klootzakken van de kopersectie op zijn rug, zonder daar ook maar een bedankje voor terug te verwachten. Dat imago komt zo’n holhoornige scone met clotted cream in zijn aderen en zijn boventanden in zijn kin gehaakt als twee ijsbijlen in een gletsjer vervolgens lekker om zeep helpen. Het is de ultieme tragiek: juist het zichzelf-wegcijferende menstype waarvan de bassist een ondersoort is, is niet geëquipeerd om het resulterende misverstand uit de weg te helpen.

IS

Archief