AS

Het coronavirus haalt bij de mensen die, zoals dat zo lelijk heet, ‘in het boekenvak werken’ het slechtste naar boven. Ik weet dat het niet goed gaat met ‘de markt’, dat de ene stenen winkel na de andere voor altijd de deuren moet sluiten en dat uitgeverijen zich gedwongen zien op te gaan in grotere concerns waarna we nooit meer iets van die kleine sympathieke bedrijven, met hun grijpgrage seksistische uitgeefbaasjes aan het roer (die weggesluisd worden naar een minder belangrijke functie waar ze weliswaar hun MeToo- achtige activiteiten kunnen voortzetten maar minder op de voorgrond treden), horen, maar het aangrijpen van deze gezondheidscrisis om smakeloze reclamecampagnes op te zetten lijkt me niet de redding van de business. Laat het echter gerust aan de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) over om iets wat in beginsel zo smaakvol zou kunnen zijn – namelijk het lezen van een boek in alle rust thuis – te doen verworden tot een ranzige commerciële bezigheid.

En zo zaten we opeens op de sociale media opgescheept met #ikleesthuis – een hashtag die was bedacht door een publiciteitsgeile kinderboekenschrijfster en die werd omarmd door iedereen in de boekenbusiness die het fijn vindt een dansje uit te voeren op een nauwelijks afgekoeld lijk. (Of beter meervoud, lijken; het dodenaantal loopt nog altijd op.) Iedere in financiële paniek gebrachte uitgever en alle medewerkers van die uitgever begonnen de hashtag te gebruiken – de medewerkers deden dat min of meer gedwongen omdat als ze niet leuk mee zouden doen er werd gedreigd met ontslag – in een wanhopige poging de grootst mogelijke leesbagger aan de voor het virus beduchte man (vrouw/anders) te brengen. Goedwillende idioten begonnen in hun tweets eveneens gebruik te maken van #ikleesthuis, en de CPNB zorgde voor de nodige verkooptechnische ondersteuning in de vorm van beeldmateriaal (posters) en online banners: ‘Deze leesbevorderende campagne met het “thuislezen” roept mensen op naar hun (online) boekhandel te gaan.’

Op die manier was het begrip ‘thuislezen’ geboren, tussen aanhalingstekens, want als de CPNB het over lezen heeft, heeft ze het in werkelijkheid altijd over het verkopen van boeken en leesbevordering is ook al niet wat het woord lijkt te zijn: het is verkoopbevordering. Daarbij wordt niet geschroomd allerlei drogredeneringen in te zetten. Eveline Aendekerk, de directeur van de CPNB, legde uit dat boeken voor ‘een beetje troost, ontspanning en ontsnapping zorgen’. Ze liet dit volgen door de toverformule van onze tijd: ‘Maar boeken kunnen ook nu voor verbinding zorgen’, en die verbinding kan worden bereikt door ‘bijvoorbeeld’ (o, gruwel) ‘elkaar voor te lezen’. Waar dat ‘bijvoorbeeld’ op slaat is me onduidelijk, want wat kun je anders doen dan een boek lezen of voorlezen? Ja, je zou het kunnen verbranden, maar een gezellig kampvuurtje zal wel weer niet onder de definitie vallen van de CPNB van wat verbinding is. Ik lees trouwens altijd thuis, en nooit voor – ik hou niet van voorlezen of van voorgelezen worden, op de lagere school vond ik het al een verschrikking als de meester een boek pakte en met ons die troep deelde waarvan hij dacht dat het leuk of mooi was – en van verbinding moet ik ook niets hebben, ik ben al verbonden genoeg, ik lees juist om even niet verbonden te zijn.

Maar het gaat allemaal nog verder. Op de sociale media werden al snel filmpjes vertoond van ‘schrijvers’ (ook dit zet ik tussen aanhalingstekens, want ik zag dat de alom aanwezige Jaap Robben meteen in actie was gekomen) die boeken van ándere schrijvers (maar wel van hetzelfde uitgeefhuis natuurlijk) gingen zitten aanraden. Een perpetuum mobile van elkaar incestueus naar voren schuivende schrijvers ontstond. Zogenaamd spontaan, maar stuk voor stuk onder dezelfde noemer vallend: #ikleesthuis, en ertoe aangezet door hun uitgever. Iedereen, dat wil zeggen de gewone man en vrouw, las inmiddels op deze manier commercieel aangedreven en lijdend aan een enorm schuldgevoel thuis, behalve de medewerkers van de CPNB, want die begonnen prompt rancuneus na te trappen. Zo twitterde CPNB-medewerker Job Jan Altena: ‘Als ik niet nu moest thuiswerken, dan was het nu #ikleesthuis (in de zon).’ Ja, je hebt luiwammesen die lekker thuis zitten te lezen, die wérkelijk de godganse dag thuis zitten te lezen, of die elkaar verbindend aan het voorlezen zijn, en je hebt Job Jan Altena, geen klaploper, die doorwerkt, tot hij er dood bij neervalt.

Je hoopt dat zo’n coronacrisis ervoor zorgt dat de mensen een beetje meer stil zullen staan bij hun gedrag, dat er hier en daar wat reflectie zal optreden. Maar nee, daar hoeven we ons geen illusies over te maken: die lui van de CPNB blijven net zulke imbecielen als ze altijd al waren. Iets wat per definitie in eenzaamheid moet worden gedaan, lezen, moet van hen per se een groepsactiviteit worden onder een verbindende hashtag opdat de verkoop van boeken kan worden opgestuwd. Samen koopt men meer dan alleen. Maar voor een groep geldt: het niveau ervan is zo laag als de intelligentie van het domste lid ervan. Ik denk nu aan Philip Huff. Ook het televisieprogramma Mondo sloot zich namelijk met hun eigen thuismongool aan bij #ikleesthuis. In de Mondo Quarantaine Klassieke
Boekenclub begonnen ze onder leiding van Huff én Alma Mathijsen (het niveau stijgt…) met het lezen van De pest van Albert Camus: ‘Zij [Philip en Alma] geven aanwijzingen, leestips en opdrachten. Lees gezellig mee met Nadia Moussaid en alle anderen.’

Ik voorspel een voortgaande ontlezing door #ikleesthuis. De CPNB zal, in samenwerking met de VPRO die Mondo uitzendt, niet rusten voor het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder uit Nederland verdwenen zal zijn. Ik denk dat het ze gaat lukken en dat binnenkort ook de laatste (online) boekhandel de (digitale) deuren definitief dichtgooit.

AS

In mijn jeugd ben ik slechts één keer misbruikt. Toegegeven, er waren ook de achtervolgingen van een man op een Solex als ik ’s morgens naar school reed op mijn fiets. Hij wist zich altijd vroeg of laat naast me te manoeuvreren als ik bijvoorbeeld voor een stoplicht stond te wachten. Dan probeerde hij een gesprek met me aan te knopen. Hij vroeg vaak hoe het met mijn broer ging. Het leek me verstandig om niet te zeggen dat ik geen broer had. Ik wilde mijn stalker niet te veel informatie toespelen. Ergens in mijn achterhoofd was ik bovendien bang dat hij niet alleen mij maar ook mijn broer zou gaan achtervolgen – maar die angst sloeg dus eigenlijk nergens op.

Zo zie je hoe snel je in een fantasiewereld belandt: op het ene moment heb je geen broer en op het volgende moment maak je je zorgen om hem. Iets is er niet en vervolgens is het er wel. Ik las V.S. Naipaul, die in een voorwoord bij een herdruk van zijn roman Een huis voor meneer Biswas schrijft: ‘Ik had geen talent. Ik was me er althans niet van bewust.’ Iets verderop: ‘Het talent zou later wel komen, dacht ik, als ik volwassen was. Zuiver vanwege mijn wens schrijver te worden, beschouwde ik mezelf als een schrijver.’ Ik vroeg me af of dit niet gewoon over Eus ging, ik bedoel Özcan Akyol. Maar dat kan natuurlijk niet. Naipaul schreef dit in maart 1983. Eus werd ruim een jaar later geboren. Hij bestond nog niet in 1983. Hij was nog geen echt mens.

Voor Akyol – dat is Eus – is het woord ‘echt’ belangrijk. Vandaar dat ik misschien zojuist ‘echt’ schreef voor ‘mens’. Je begeeft je op die manier wel op een glijdende schaal, realiseer ik me. Echte mensen, geen echte mensen… ‘Dat is niet alleen laakbaar, dat is bijna fascistisch,’ zou Eus waarschijnlijk opmerken, al had hij het deze keer over een boekhandelaar uit Veenendaal, de bekende bijna-fascist Albert van Kooten. Ik heb ook weleens kritiek op boekhandelaren; de bijna-fascisten heb ik echter tot nu toe genegeerd. Maar over de juiste tactiek om deze lui aan te pakken kun je inderdaad twisten.

Ik had het over het woord ‘echt’. Dat komt in Eus’ essay Een generaal zonder leger erg vaak voor, bijvoorbeeld hier: ‘Echte literatuur, heb ik geleerd, is proza waarin er verwijzingen worden gedaan naar Bijbelse, mythologische en historische figuren, dan ben je pas echt een intellectuele klasbak.’ Uit elk boek kun je wel een zin halen die niet zo goed is, bijzonder aan Een generaal zonder leger is dat er geen enkele zin in staat die ook maar een beetje goed is. Alle zinnen zijn helemaal slecht! Zojuist citeerde ik voor de tweede keer een zin eruit en weer zie ik dat er van alles mis gaat in die zin. Ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat Eus heeft geleerd dat wanneer we het over literatuur hebben we uitsluitend proza bedoelen, maar dat schrijft hij wel. (Persoonlijk ben ik geneigd bij literatuur eerder aan poëzie te denken, maar ik ben dan ook volkomen van de ratten besnuffeld.) En wat zijn ‘verwijzingen doen’? Zeggen ze dat op de universiteit? Of waar dan ook? Dat denk ik niet. Goed. Het gaat me bij deze zin vanzelfsprekend om dat ‘Echte literatuur’ en de opmerking dat je dan ‘pas echt een intellectuele klasbak’ bent. Eus is al met al geobsedeerd door het woord ‘echt’ Hij heeft er allerlei dwanggedachten bij. Terwijl (ja, ik berijd nu mijn stokpaardje, hoor): het aardige van literatuur míj nu juist lijkt dat de inhoud ervan niet echt is – en de wereld daarbuiten wel. Ja, soms sta ik er zelf ook versteld van, van wat ik allemaal weet. Voor Eus is het precies andersom. Hij weet niks. Nee, ik bedoel: voor hem is de inhoud van literatuur echt, en is het leven nep. Heeft hij het over een boek, dan heeft hij het prompt over een ‘hoofdkarakter’. Waarschijnlijk noemt hij de mensen in zijn straat ‘personages’.

Laat ik die zin waarin hij het over een hoofdkarakter heeft ook maar citeren: ‘De professor, een energieke man, type ongewenst levensredder, wilde met ons praten over het lammetje in mijn boek, een beest dat genadeloos voor de ogen van het hoofdkarakter werd afgeslacht, ondanks het feit dat zijn ouders op de hoogte waren van een wederzijds vriendschappelijke band.’ Ik wil niet beweren dat er enige minachting voor de lezer uit deze zin spreekt – daar houden Eus en ik niet van, het minachten van de lezer – maar op iets wordt er wel neergekeken, en dat is de Nederlandse taal. Ik schrijf dit op, en ik vind dit meteen zo’n pedante opmerking van me, of zoals Eus zou zeggen: het is ‘slechte recensistiek’. Daarom wil ik benadrukken dat dit geen recensie is. Dit is een verslag van die ene keer dat ik in mijn jeugd werd misbruikt. Die kwestie dreigt een beetje ondergesneeuwd te raken onder al het taaltumult van Özcan Akyol (over spreekwoorden en beeldspraak gaan de energieke professor en ik het een volgende keer hebben, samen met de bijna-fascistische boekhandelaar).

Kwam er een schrijver op de school van mijn dochter, dan hield ik haar thuis. Eus: ‘Ik weet nog dat ik een groep schrijvers moest trainen die in het kader van de “Boekenweek voor Jongeren” schoolbezoeken zou afleggen.’ Ik weet nog. Trainen. In het kader van. Schoolbezoeken afleggen. Maar ik laat me weer afleiden. Weten de mensen wel wat die schrijvers op scholen doen? Ja, achteraf zie je het aan zo’n schrijver, maar het gaat erom dat we nú ingrijpen. Op die manier kan veel leed worden voorkomen. Zoals Özcan Akyol schrijft: ‘Het welvaartsgeneuzel over de inrichting van het boekenvak heeft te lang geduurd.’ Hij heeft helemaal gelijk. Dat gekkenhuis moet volgestopt worden met al die schrijvers en dan moet de deur op slot. Ik wil ze niet meer op straat zien. En op onze scholen moeten ze zich al helemaal niet meer vertonen. Echt. Viezeriken.

AS

*Noot van de redactie: de titel van dit stuk stemt nog van voor het verlengen van de boekenweek. De redactie hoopt dat de in deze kop gedane belofte aan het eind van de maand alsnog wordt ingelost.

Altijd heb ik aan mezelf gedacht als aan een prozaïst, iemand die proza schrijft dus, over poëzie had ik nooit nagedacht om die te schrijven. Maar ik bleek intussen stiekem heel wat gedichten te hebben geschreven. In mijn jongste roman, List en leed, staan er twee; iets waaraan door de critici, die over de hele breedte positief over het boek waren, geen aandacht werd besteed. Eerder al verwerkte ik (de aanzet tot) een gedicht in een van mijn romans. In Luisteren hoe huizen ademen (de titel is zelf al bijna een poëem) slaat mijn hoofdpersonage tijdens een treinreis aan het dichten. Een diadeem van dauw, een titel van een van mijn romans die ontleend is aan een lang vers van de romantische dichter John Keats, werd door een collega-schrijver een gedicht in proza genoemd. Hij bedoelde dat positief. De redactrice Josje Kraamer, de beste literaire redacteur van Nederland, beweert vaak dat een gedicht dat ik ooit schreef het voortreffelijkste gedicht is dat ze ooit heeft gelezen. Helaas is het zoekgeraakt.

Misschien dat ik daarom onlangs droomde dat ik al twee dichtbundels op mijn naam heb staan. Helaas waren die óók verdwenen: mijn reputatie leek op deze manier wel erg op los zand te zijn gebouwd (als je dat zo dichterlijk kunt zeggen). Maar Josje Kraamer – die dezelfde initialen heeft als John Keats, en dat zal heus wel iets betekenen – vond ze voor me terug. Argwanend bladerde ik in de bundels, maar de poëzie erin was prachtig. Ik weet nog dat ik in mijn droom dacht: al deze schitterende regels hoef ik alleen maar te onthouden en mijn kostje als dichter is gekocht. Iedereen, op een enkele dichter misschien na, weet echter hoe het is met dromen: ze zijn bedrog. Er was echter wel iets in me in gang gezet: de hele ochtend na de met poëzie gevulde nacht ervoor liep ik door ons huis als een dichter.

Aanvankelijk was dat geen onprettig gevoel. Mijn zintuigen maakten overuren, ik keek om me heen dat het een aard had, ik rook van alles en nog wat, op het balkon hoorde ik een vogel zingen, het licht dat door het raam scheen was ook al zo fraai, ik zei zachtjes iets voor me uit en, vreemd, ik kon mezelf nauwelijks verstaan, want ik bleek een noordelijk accent te hebben. Ik trommelde op het blad van mijn bureau een ritme van een gedicht. Wie deed dat ook alweer? O ja, Menno Wigman. Dat had ik in een stuk dat was geschreven door Mirjam van Hengel gelezen – en ergens op dat moment ontnuchterde ik (of begon ik te ontwaken) (of kwam ik weer tot mezelf) (of realiseerde ik me dat ik in Tsead Bruinja dreigde te veranderen). De vogel op het balkon bleek een duif te zijn en hij maakte een pokkenherrie. Het licht dat door de ramen scheen was vaal. Wat ik rook was de schimmel op het plafond in de badcel. De dichtregel die ik bedacht was een cliché.

Wat me aansprak aan het dichterschap, besefte ik, was gebaseerd op iets negatiefs. Niet de poëzie trok me aan, maar het afscheid van de wereld van het proza. En dan niet van het schrijven of lezen van proza zelf, maar van het wereldje eromheen: de schrijvers die in het openbaar voorlazen, de prijzen, het feit dat er in de jury van een grote literaire prijs vaak mensen werden gevraagd die zélf schrijver waren maar dan heel erg slechte, de hysterie die bestond rondom het boek, enzovoort en zo verder. Maar de wereld van de poëzie was net zo erg, of misschien zelfs nog wel erger. Dan ging je dood en dan kwam Mirjam van Hengel om je af te leggen en te begraven onder een berg kitsch. Tijdens je leven was je nog een groot dichter, en je was amper dood of je bleek toch een trommelende idioot te zijn geweest. En de mensen die dat dan een mooi geschreven stuk vonden! Die waren nog erger.

Ik was ontwaakt als dichter, maar inmiddels zag ik er als een berg tegen op. Dichters waren ook zo lief voor elkaar. Ze traden op, na elkaar, of tegelijk, daarbij deden ze vaak nogal gek (stemmetjes, handgebaren, ze gingen op een tafel staan), maar onveranderlijk waren ze heel blij met het optreden van zichzelf en elkaar. Ze lazen niet voor, nee, ze lázen. Dat zeiden ze ook: ‘Dan lees ik nu…’ Dominees zeiden dat vroeger, of misschien doen ze dat nog wel. Ik weet het niet, ik kom nooit meer in de kerk. Spoken word, dat was belangrijk. Terwijl ik ooit was gaan lezen om niemand te hoeven horen, om even van iedereen af te zijn, om alleen te zijn met mijn eigen gedachten en die van de schrijver of de dichter. In de tijd van John Keats kwam je nooit iemand tegen. Hij trad niet op tijdens de Nacht van de Poëzie. Zijn werk werd niet door Babs Gons beoordeeld. Een dichter was nog geen artiest.

Misschien was er voor mij toch nog toekomst als dichter. Als ik gewoon verder altijd binnen bleef en mijn poëzie schreef zonder die ergens voor te lezen, dan kon ik wellicht net zo goed worden als ik in mijn droom was geweest. Ik zou een dichter worden in stilte, zoals het hoorde, en ik zou mijn werk nooit voorlezen of voordragen of ‘lezen’. Ik zou het gewoon schrijven. Zo goed mogelijk. En dan zou ik jong sterven aan tb. En iedereen zou Mirjam van Hengel van schrijven over mij af weten te houden. En ik zou gelukkig zijn.

AS

Het schrijven van een roman is tegenwoordig gelukkig een tamelijk obscure bezigheid geworden. Schrijf je niet op wat iedereen vindt en wat iedereen evengoed zélf zou kunnen opschrijven, zaken die zo voor de hand liggen dat een groot publiek denkt dat het intelligent is wat er wordt opgemerkt omdat ieder afzonderlijk lid van dat grote publiek het zelf ook had kunnen bedenken, dan bereik je nooit een substantieel leespubliek, en kun je dus lekker je gang gaan.

Ik heb het nu niet over praktische zaken als over hoe je je geld moet verdienen en hoe je tijd kunt vrijmaken om sowieso aan schrijven toe te komen. Het schrijven van literaire fictie is een nogal particulier gebeuren geworden, waarvan het resultaat nauwelijks nog ergens terug te vinden is, in elk geval niet in de betere boekhandel. Die heeft zich toegelegd op de verkoop van kerstkaarten en het werk van Ilja Leonard Pfeijffer – wat ongeveer hetzelfde is, behalve dan dat de boeken van de laatste niet bijzonder praktisch te gebruiken zijn als kerstkaart (ze komen de brievenbus niet door).

Zittend achter mijn computer of – nog beter – gebogen over mijn geheime schrift schrijf ik over zaken waar in feite niemand iets over wil weten of die in elk geval de sfeer behoorlijk zouden verzieken als ze in de openbaarheid zouden komen. Dat komen ze dan ook niet. Geheel conform de opdracht van de literaire schrijver wijs ik mijn lezers en mezelf op onze zwakheden, onze misdadige inslag en onze hypocriete gedragingen. En dan niet op zo’n manier als Pfeijffer en de andere kerstkaartenschrijvers doen, nee, het is de bedoeling dat je écht onder ogen ziet wat er mis is aan de mens – en dan hebben we het dus niet over zwaarlijvigheid of massatoerisme of de ondergang van het onderwijs of de dood van je kapper.

Uiteindelijk verschijnen er van mij wel degelijk boeken, maar die willen boekhandelaren liever niet in hun winkel leggen, want daar moet het wel een beetje gezellig blijven. Sommige boekhandelaren gaan zelfs een stap verder en proberen andere boekhandelaren ervan te overtuigen dat ze mijn boeken evenmin moeten inslaan. En enkele boekhandelaren van díé groep voeren zelfs campagne op sociale media om mijn werk in diskrediet te brengen. Het is werkelijk een eigenaardige situatie waarin ik ben beland. Plaatst iemand – een gewone, oprechte lezer – op Twitter de mededeling dat hij van mijn nieuwste boek heeft genoten, dan is er in elk geval één boekhandelaar die daar standaard meteen op reageert met het woordje ‘niet’. Je hebt er niet van genoten, wil hij daar mee zeggen, waarmee deze boekhandelaar niet alleen de aanval op mij en mijn boeken heeft geopend, maar ook op mijn lezers. Terwijl je die toch zou moeten bewonderen, want op de een of andere manier zijn ze erin geslaagd een boek van mij aan te schaffen. Aan de gemiddelde boekhandelaar zal dat niet liggen – ik vrees dat ik het grootste deel van mijn verkoop te danken heb aan de Blauwe Reus, oftewel bol.com.

Maar ook daar ben ik niet veilig voor ‘fysieke’ boekhandelaren. Die deinzen er namelijk niet voor terug zogenoemde ‘recensies’ te plaatsen op de daartoe bestemde ruimte op de website van bol.com. Deze fysieke boekhandelaren zijn weliswaar tégen de internetgigant, maar als het ze zo uitkomt proberen ze wel via diezelfde internetgigant auteurs te beschadigen. Het is al met al een fris volkje, die boekhandelaren. Met geestdrift delen ze één ster uit, anoniem, maar soms ook gewoon brutaal onder eigen naam.

Ik heb me al vaker verbaasd over deze beroepsgroep. Binnenkort begin ik aan een onderzoek naar het gedrag van boekhandelaren in de Tweede Wereldoorlog, volgens mij is daar nog weinig over bekend. Waren er toen eigenlijk boekhandels en zo ja, wat deden de uitbaters daarvan in die roerige tijd? Ik heb wel een donkerbruin vermoeden. Met de gretigheid waarmee ze nu de boeken van Telegraaf-auteur Pieter Waterdrinker opstapelen en het meer op Italië gerichte werk van Ilja Leonard Pfeijffer in de etalage tonen, waren ze toen vermoedelijk voortdurend in de weer met het fijn dikke boek van de van oorsprong Oostenrijkse auteur A. Hitler. Zouden ze toen ook kaartjes op die boeken hebben gelegd met aanbevelingen als: ‘Meeslepend’, ‘Dit is een boek dat je raakt’, ‘Een mokerslag’ en ‘Bij uitstek zinnenprikkelende treinlectuur’?

Maar terug naar nu. Het is geen oorlog meer. De moderne ondernemer hoeft geen lid meer te zijn van de NSB, hij kan gewoon VVD stemmen. De boekhandelaren plaatsen weleens foto’s van zichzelf of van hun spulletjes op Twitter en Facebook en Instagram. Dan hebben ze zich bijvoorbeeld in hun ‘zondagmiddagbubbel’ lekker geïnstalleerd in de woonkamer van hun eigen Villa Berghof, omringd door wat ze nu weer eens lekker een beetje gaan ‘aanlezen’ – met een lekkere schnaps erbij. Over welke moderne schrijvers hebben we het dan? Bomans. Biesheuvel. Maar weer eens een stukkie Waterdrinker. Muziek van vroeger op de achtergrond. De wandeling door de bossen is achter de rug. De laarzen zijn gepoetst. Morgen wacht weer een zware dag in de winkel. Kerstkaarten verkopen. Überhaupt een mooi feest, kerst. Cadeaus onder de boom. Allemaal boeken. Of beter nog: iedereen hetzelfde boek. Eén land, één volk, één boek. Ja, die kant moet het op. Net als in de oorlog. Lukt dat, dan doe je toch iets goed als boekhandelaar. Maar eerst nog even naar de computer. Waar kan ik die Storm – mooie naam eigenlijk wel, jammer – nu weer eens één ster gaan geven? Nee, gewoon één ster, niet zó’n ster, daar maken we liever geen grappen over. We blijven altijd een beschaafde boekhandelaar.

AS

Officieel zijn schrijvers individualisten. Ze doen hun werk in eenzaamheid. Ze trekken zich van niets of niemand iets aan. Ze houden niet van massa’s, publiek, medestanders, gelovigen, lezers, vrienden, familieleden, collega’s, juryleden, boekhandelaren, televisiemedewerkers, mensen die ze nog van vroeger van school kennen, buren, Facebookvrienden, volgers op Twitter… Schrijvers willen geen aandacht, ze willen niet op een voetstuk worden gehesen, ze willen geen volgelingen, ze hebben een afkeer van complimenten, ze gaan nooit taarten brengen naar boekhandelaren omdat die zich zo goed inzetten voor de verkoop van hun boek, ze schrijven geen bedankbriefjes aan recensenten, ze nemen het niet op voor andere schrijvers en willen ook niet dat andere schrijvers het voor hen opnemen, ze willen geen maffiabaas zijn. Schrijvers zijn schrijvers. Punt.

Waar ze wel rekening mee houden – en dit is op een bepaalde manier vreemd want schrijvers zijn doorgaans handelaren in fictie – is de waarheid. Die hebben ze dan ook in pacht. Schrijvers wéten hoe het zit. Er gaat geen dag voorbij of de volgende zin uit Orwells Nineteen Eighty-Four (in het Nederlands 1984 getiteld; ja, we zijn echt wel een achterlijk land), of een zin die erop lijkt, schiet door het hoofd van de schrijver: ‘Was hij dan de enige die in het bezit van een geheugen was?’ Eerlijk doet een schrijver zijn werk, niets ontziend, gespeend van ijdelheid. Een schrijver staat weleens voor de spiegel, maar dat doet hij niet om te constateren hoe knap hij vandaag weer is, nee, hij kijkt in de spiegel omdat hij ook de waarheid over zichzelf onder ogen moet zien. Conclusie: het valt allemaal weer niet mee.

Op Twitter kreeg ik in juni een persoonlijk bericht van Peter Middendorp. Ik ken Peter al vrij lang. Hij zit – zát, moet ik inmiddels zeggen, zie verderop – bij dezelfde uitgever als die van mijn boeken, Prometheus, en we hebben zelfs samen (heel kort) in de redactie van een literair tijdschrift gezeten. In zijn berichtje feliciteerde hij me met mijn ‘geweldige nieuwe boek’. Hij had er weer erg van genoten. ‘Je klapt er flink op.’ Vervolgens vroeg Peter waarom ik Tommy zo te grazen neem als hij voorleest bij Menno. Peter benadrukte dat hij geen verhaal kwam halen, maar dat hij gewoon nieuwsgierig was. Dat kan, iedereen is soms nieuwsgierig.

Het gaat om een stuk van mij dat eerder in Propria Cures heeft gestaan en dat ik vervolgens heb opgenomen in Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Ik ga het dan ook niet hier herhalen, maar het gaat hierom: ik beschrijf in dat boek precies en waarheidsgetrouw wat er tijdens de begrafenis van Menno Wigman gebeurde. Tommy heeft de dubieuze hoofdrol in dat stuk, en Tommy is niet die handpop uit Sesamstraat maar de, en laat ik nu maar eens niet moeilijk doen, ‘schrijver’ Tommy Wieringa (sorry, daar kwamen toch aanhalingstekens om het woord schrijver). Zijn boeken worden doorgaans uitgegeven door De Bezige Bij. Over deze Tommy heeft Peter het dus. (Het blijft een rare naam voor een volwassen man, Tommy.)

Het is zomer, het is mooi weer, wij hebben een balkon en ’s ochtends kun je er heerlijk in de zon zitten. Ik ben in Londen geweest, in Hampstead, ik heb daar over de Heath gelopen en ik heb geposeerd voor een foto waarop ik voor een huis sta aan de voet van Parliament Hill. In dat huis heeft George Orwell een tijdje gewoond. Het is de gewoonte om te zeggen dat Nineteen Eighty-Four misschien wel een belangrijke roman is, maar geen goede roman – dat laatste moet ik echt tegenspreken, het is wel degelijk een goede roman. Boven de deur van het huis hing een camera. Het is allemaal heel toepasselijk. Ik mompelde voor me uit: ‘Ben ik dan de enige die in het bezit van een geheugen is?’

Ik legde in een berichtje dat ik terugstuurde aan Peter uit waarom ik over Tommy had geschreven. Dat was een tikkeltje overdreven, vond ik, want de rol van Tommy is in Het horrortheater volkomen duidelijk, daar zit geen woord Chinees bij. Peter rondde ons chatgesprekje op Twitter af met de opmerking dat het nooit leuk is om te lezen dat een vriend wordt aangevallen, daar bedoelde hij dus weer Tommy mee: ‘Maar je boek vond ik weer heel mooi. Je zegt ook een boel rake dingen.’ All’s Well That Ends Well, meende ik, blijkbaar zat ik met mijn hoofd al in Londen.

Op de dag dat bekend werd dat Peter Middendorp van Prometheus naar De Bezige Bij overstapte, het was een fraaie zonnige dag later in diezelfde junimaand, verscheen in de Volkskrant een column van Peters hand over mijn boek, het boek waar hij me dus twee weken eerder over had laten weten dat er ‘een boel rake dingen’ in worden gezegd en dat het ‘weer heel mooi’ is. Maar nu schreef hij: ‘Het wordt bozer, botter, lomper en gemener – ik zou hem willen toefluisteren: “Mond dicht, Arie, je ziel staat open”.’ Hij eindigt de column met een Russisch mopje over een arme, hongerende boer, die op een dag bezoek krijgt van een goede fee. Hij mag één wens doen. ‘De boer denkt even na en wenst dan dat de enige geit van de buurman doodgaat.’

Iets later was ik in Londen. Ik stond bij het huis waar Orwell had gewoond. En ik dacht aan Peter. Ik hoop voor hem dat hij gelukkig is in de armen van Grote Broer Tommy Wieringa.

AS

Archief