AS

Het schrijven van een roman is tegenwoordig gelukkig een tamelijk obscure bezigheid geworden. Schrijf je niet op wat iedereen vindt en wat iedereen evengoed zélf zou kunnen opschrijven, zaken die zo voor de hand liggen dat een groot publiek denkt dat het intelligent is wat er wordt opgemerkt omdat ieder afzonderlijk lid van dat grote publiek het zelf ook had kunnen bedenken, dan bereik je nooit een substantieel leespubliek, en kun je dus lekker je gang gaan.

Ik heb het nu niet over praktische zaken als over hoe je je geld moet verdienen en hoe je tijd kunt vrijmaken om sowieso aan schrijven toe te komen. Het schrijven van literaire fictie is een nogal particulier gebeuren geworden, waarvan het resultaat nauwelijks nog ergens terug te vinden is, in elk geval niet in de betere boekhandel. Die heeft zich toegelegd op de verkoop van kerstkaarten en het werk van Ilja Leonard Pfeijffer – wat ongeveer hetzelfde is, behalve dan dat de boeken van de laatste niet bijzonder praktisch te gebruiken zijn als kerstkaart (ze komen de brievenbus niet door).

Zittend achter mijn computer of – nog beter – gebogen over mijn geheime schrift schrijf ik over zaken waar in feite niemand iets over wil weten of die in elk geval de sfeer behoorlijk zouden verzieken als ze in de openbaarheid zouden komen. Dat komen ze dan ook niet. Geheel conform de opdracht van de literaire schrijver wijs ik mijn lezers en mezelf op onze zwakheden, onze misdadige inslag en onze hypocriete gedragingen. En dan niet op zo’n manier als Pfeijffer en de andere kerstkaartenschrijvers doen, nee, het is de bedoeling dat je écht onder ogen ziet wat er mis is aan de mens – en dan hebben we het dus niet over zwaarlijvigheid of massatoerisme of de ondergang van het onderwijs of de dood van je kapper.

Uiteindelijk verschijnen er van mij wel degelijk boeken, maar die willen boekhandelaren liever niet in hun winkel leggen, want daar moet het wel een beetje gezellig blijven. Sommige boekhandelaren gaan zelfs een stap verder en proberen andere boekhandelaren ervan te overtuigen dat ze mijn boeken evenmin moeten inslaan. En enkele boekhandelaren van díé groep voeren zelfs campagne op sociale media om mijn werk in diskrediet te brengen. Het is werkelijk een eigenaardige situatie waarin ik ben beland. Plaatst iemand – een gewone, oprechte lezer – op Twitter de mededeling dat hij van mijn nieuwste boek heeft genoten, dan is er in elk geval één boekhandelaar die daar standaard meteen op reageert met het woordje ‘niet’. Je hebt er niet van genoten, wil hij daar mee zeggen, waarmee deze boekhandelaar niet alleen de aanval op mij en mijn boeken heeft geopend, maar ook op mijn lezers. Terwijl je die toch zou moeten bewonderen, want op de een of andere manier zijn ze erin geslaagd een boek van mij aan te schaffen. Aan de gemiddelde boekhandelaar zal dat niet liggen – ik vrees dat ik het grootste deel van mijn verkoop te danken heb aan de Blauwe Reus, oftewel bol.com.

Maar ook daar ben ik niet veilig voor ‘fysieke’ boekhandelaren. Die deinzen er namelijk niet voor terug zogenoemde ‘recensies’ te plaatsen op de daartoe bestemde ruimte op de website van bol.com. Deze fysieke boekhandelaren zijn weliswaar tégen de internetgigant, maar als het ze zo uitkomt proberen ze wel via diezelfde internetgigant auteurs te beschadigen. Het is al met al een fris volkje, die boekhandelaren. Met geestdrift delen ze één ster uit, anoniem, maar soms ook gewoon brutaal onder eigen naam.

Ik heb me al vaker verbaasd over deze beroepsgroep. Binnenkort begin ik aan een onderzoek naar het gedrag van boekhandelaren in de Tweede Wereldoorlog, volgens mij is daar nog weinig over bekend. Waren er toen eigenlijk boekhandels en zo ja, wat deden de uitbaters daarvan in die roerige tijd? Ik heb wel een donkerbruin vermoeden. Met de gretigheid waarmee ze nu de boeken van Telegraaf-auteur Pieter Waterdrinker opstapelen en het meer op Italië gerichte werk van Ilja Leonard Pfeijffer in de etalage tonen, waren ze toen vermoedelijk voortdurend in de weer met het fijn dikke boek van de van oorsprong Oostenrijkse auteur A. Hitler. Zouden ze toen ook kaartjes op die boeken hebben gelegd met aanbevelingen als: ‘Meeslepend’, ‘Dit is een boek dat je raakt’, ‘Een mokerslag’ en ‘Bij uitstek zinnenprikkelende treinlectuur’?

Maar terug naar nu. Het is geen oorlog meer. De moderne ondernemer hoeft geen lid meer te zijn van de NSB, hij kan gewoon VVD stemmen. De boekhandelaren plaatsen weleens foto’s van zichzelf of van hun spulletjes op Twitter en Facebook en Instagram. Dan hebben ze zich bijvoorbeeld in hun ‘zondagmiddagbubbel’ lekker geïnstalleerd in de woonkamer van hun eigen Villa Berghof, omringd door wat ze nu weer eens lekker een beetje gaan ‘aanlezen’ – met een lekkere schnaps erbij. Over welke moderne schrijvers hebben we het dan? Bomans. Biesheuvel. Maar weer eens een stukkie Waterdrinker. Muziek van vroeger op de achtergrond. De wandeling door de bossen is achter de rug. De laarzen zijn gepoetst. Morgen wacht weer een zware dag in de winkel. Kerstkaarten verkopen. Überhaupt een mooi feest, kerst. Cadeaus onder de boom. Allemaal boeken. Of beter nog: iedereen hetzelfde boek. Eén land, één volk, één boek. Ja, die kant moet het op. Net als in de oorlog. Lukt dat, dan doe je toch iets goed als boekhandelaar. Maar eerst nog even naar de computer. Waar kan ik die Storm – mooie naam eigenlijk wel, jammer – nu weer eens één ster gaan geven? Nee, gewoon één ster, niet zó’n ster, daar maken we liever geen grappen over. We blijven altijd een beschaafde boekhandelaar.

AS

Officieel zijn schrijvers individualisten. Ze doen hun werk in eenzaamheid. Ze trekken zich van niets of niemand iets aan. Ze houden niet van massa’s, publiek, medestanders, gelovigen, lezers, vrienden, familieleden, collega’s, juryleden, boekhandelaren, televisiemedewerkers, mensen die ze nog van vroeger van school kennen, buren, Facebookvrienden, volgers op Twitter… Schrijvers willen geen aandacht, ze willen niet op een voetstuk worden gehesen, ze willen geen volgelingen, ze hebben een afkeer van complimenten, ze gaan nooit taarten brengen naar boekhandelaren omdat die zich zo goed inzetten voor de verkoop van hun boek, ze schrijven geen bedankbriefjes aan recensenten, ze nemen het niet op voor andere schrijvers en willen ook niet dat andere schrijvers het voor hen opnemen, ze willen geen maffiabaas zijn. Schrijvers zijn schrijvers. Punt.

Waar ze wel rekening mee houden – en dit is op een bepaalde manier vreemd want schrijvers zijn doorgaans handelaren in fictie – is de waarheid. Die hebben ze dan ook in pacht. Schrijvers wéten hoe het zit. Er gaat geen dag voorbij of de volgende zin uit Orwells Nineteen Eighty-Four (in het Nederlands 1984 getiteld; ja, we zijn echt wel een achterlijk land), of een zin die erop lijkt, schiet door het hoofd van de schrijver: ‘Was hij dan de enige die in het bezit van een geheugen was?’ Eerlijk doet een schrijver zijn werk, niets ontziend, gespeend van ijdelheid. Een schrijver staat weleens voor de spiegel, maar dat doet hij niet om te constateren hoe knap hij vandaag weer is, nee, hij kijkt in de spiegel omdat hij ook de waarheid over zichzelf onder ogen moet zien. Conclusie: het valt allemaal weer niet mee.

Op Twitter kreeg ik in juni een persoonlijk bericht van Peter Middendorp. Ik ken Peter al vrij lang. Hij zit – zát, moet ik inmiddels zeggen, zie verderop – bij dezelfde uitgever als die van mijn boeken, Prometheus, en we hebben zelfs samen (heel kort) in de redactie van een literair tijdschrift gezeten. In zijn berichtje feliciteerde hij me met mijn ‘geweldige nieuwe boek’. Hij had er weer erg van genoten. ‘Je klapt er flink op.’ Vervolgens vroeg Peter waarom ik Tommy zo te grazen neem als hij voorleest bij Menno. Peter benadrukte dat hij geen verhaal kwam halen, maar dat hij gewoon nieuwsgierig was. Dat kan, iedereen is soms nieuwsgierig.

Het gaat om een stuk van mij dat eerder in Propria Cures heeft gestaan en dat ik vervolgens heb opgenomen in Het horrortheater van de Nederlandse literatuur. Ik ga het dan ook niet hier herhalen, maar het gaat hierom: ik beschrijf in dat boek precies en waarheidsgetrouw wat er tijdens de begrafenis van Menno Wigman gebeurde. Tommy heeft de dubieuze hoofdrol in dat stuk, en Tommy is niet die handpop uit Sesamstraat maar de, en laat ik nu maar eens niet moeilijk doen, ‘schrijver’ Tommy Wieringa (sorry, daar kwamen toch aanhalingstekens om het woord schrijver). Zijn boeken worden doorgaans uitgegeven door De Bezige Bij. Over deze Tommy heeft Peter het dus. (Het blijft een rare naam voor een volwassen man, Tommy.)

Het is zomer, het is mooi weer, wij hebben een balkon en ’s ochtends kun je er heerlijk in de zon zitten. Ik ben in Londen geweest, in Hampstead, ik heb daar over de Heath gelopen en ik heb geposeerd voor een foto waarop ik voor een huis sta aan de voet van Parliament Hill. In dat huis heeft George Orwell een tijdje gewoond. Het is de gewoonte om te zeggen dat Nineteen Eighty-Four misschien wel een belangrijke roman is, maar geen goede roman – dat laatste moet ik echt tegenspreken, het is wel degelijk een goede roman. Boven de deur van het huis hing een camera. Het is allemaal heel toepasselijk. Ik mompelde voor me uit: ‘Ben ik dan de enige die in het bezit van een geheugen is?’

Ik legde in een berichtje dat ik terugstuurde aan Peter uit waarom ik over Tommy had geschreven. Dat was een tikkeltje overdreven, vond ik, want de rol van Tommy is in Het horrortheater volkomen duidelijk, daar zit geen woord Chinees bij. Peter rondde ons chatgesprekje op Twitter af met de opmerking dat het nooit leuk is om te lezen dat een vriend wordt aangevallen, daar bedoelde hij dus weer Tommy mee: ‘Maar je boek vond ik weer heel mooi. Je zegt ook een boel rake dingen.’ All’s Well That Ends Well, meende ik, blijkbaar zat ik met mijn hoofd al in Londen.

Op de dag dat bekend werd dat Peter Middendorp van Prometheus naar De Bezige Bij overstapte, het was een fraaie zonnige dag later in diezelfde junimaand, verscheen in de Volkskrant een column van Peters hand over mijn boek, het boek waar hij me dus twee weken eerder over had laten weten dat er ‘een boel rake dingen’ in worden gezegd en dat het ‘weer heel mooi’ is. Maar nu schreef hij: ‘Het wordt bozer, botter, lomper en gemener – ik zou hem willen toefluisteren: “Mond dicht, Arie, je ziel staat open”.’ Hij eindigt de column met een Russisch mopje over een arme, hongerende boer, die op een dag bezoek krijgt van een goede fee. Hij mag één wens doen. ‘De boer denkt even na en wenst dan dat de enige geit van de buurman doodgaat.’

Iets later was ik in Londen. Ik stond bij het huis waar Orwell had gewoond. En ik dacht aan Peter. Ik hoop voor hem dat hij gelukkig is in de armen van Grote Broer Tommy Wieringa.

AS

 

Beroepsgroepen zijn tot nu toe het favoriete onderwerp in mijn stukken hier. Het gaat me niet om individuen, of om enkele personen, of om afzonderlijke figuren – nu ja, op een enkeling na dan, echte eikels, types als de ‘uitgever’ Joost Nijsen of de ‘schrijver’ Tommy Wieringa of de ‘politicus’ Jan Terlouw – nee, waar ik mijn pijlen op richt zijn mensen die in een bepaalde branche zijn beland en daar prompt gecorrumpeerd raken, rare dingen gaan doen, macht krijgen en die misbruiken, meningen gaan lopen verkondigen die ontzettend fout zijn, uitspraken doen die zogenaamd door wetenschappelijk onderzoek worden bevestigd maar die in feite nergens op slaan, die zich verplaatsen in anderen niet omdat ze zo in die anderen geïnteresseerd zijn maar omdat ze die ander iets willen aansmeren, het gaat mij kortom om boekhandelaren.

Nee, dat is ook weer niet waar. Want op zichzelf is het niet zo dat je omdat je een boekhandelaar bent meteen ook maar een slecht mens bent of wordt. Je treft slechte mensen eveneens aan op de universiteit, in het onderwijs in het algemeen, in de media, bij kranten en tijdschriften, bij radio en tv; ik heb het realiseer ik me over mensen die iets hoog hebben te houden. Mensen die voor anderen denken, die doen alsof ze het goed met de medemens voorhebben. De redenering luidt: ik geef ze een goed boek, ik leer ze iets, ik schrijf iets voor hen op waar ze iets aan hebben, ik vertel een leuk verhaal voor de mensen op radio en tv, ik draag bij aan een betere wereld…

Eigenlijk moet ik hier een lange stilte laten vallen, want eerlijk gezegd kan ik al die rotkoppen niet meer horen of zien. En op momenten van zwakte vraag ik me af of het aan míj ligt, maar die ogenblikken gaan weer snel voorbij zodra ik Margriet van der Linden zich zo enorm zie aanstellen op tv, Mieke van der Weij op de radio hoor met dat zogenaamd slimme toontje van haar, of als ik zo’n slecht geschreven gedicht of schijnbaar warmmenselijke en invoelende maar in werkelijkheid stuitend onbeschofte tweet lees van de voormalige dichteres des vaderlands Ester Naomi Perquin, of wanneer ik een stuk lees van de ‘taalkundige’ Marc van Oostendorp, die soms ook iets over literatuur te zeggen meent te hebben, of als ik willekeurig de verontwaardiging omdat hij niet meteen naar de mond wordt gepraat van welke boekhandelaar dan ook moet aanhoren – boekhandelaren zijn, heb ik gemerkt, sneller beledigd dan mensen die afkomstig zijn uit een trotse niet-westerse cultuur, en dat wil dus wat zeggen.

Nu ik in het voorafgaande enkele namen heb laten vallen, lijkt het misschien of het me wél om personen gaat, maar dat is niet het geval. Ik verbaas me oprecht over de mechanismen die achter dit gedrag schuilgaan. Ik verwonder me over wat dit gedrag veroorzaakt; hoe het komt dat iemand dergelijke opvattingen heeft, die uitingen doet; waar iemand het recht vandaan meent te halen om zo knotsgek te doen.

Sommigen van deze mensen heb ik in het echt gezien, kén ik, ik heb met hen gepraat, ik heb ze een hand gegeven, nu ja, ik ben met hen omgegaan zoals beschaafde mensen met elkaar om horen te gaan, en ze vielen me niet meteen op als slecht (in de niet mis te verstane betekenis wat slechte mensen zijn en hoe die zich gedragen en wat ze denken), maar dat zijn ze dus wel. Je draait je om en ze doen iets onbegrijpelijks. Ze stellen zich aan, zeggen iets over je dat nergens op slaat, laten zich iets over anderen ontvallen, ze weten dat het onjuist is, of ze zouden het kunnen weten, maar ze kunnen het niet laten.

Waarschijnlijk vinden ze zichzelf niet slecht. Ik weet niet precies hoe dat werkt bij opportunisten en ik ben me er heel goed van bewust dat ik mezelf nu op een hogere trede plaats en dat ik de indruk wek dat ik vind ik meer moreel besef heb dan de genoemde personen en dat ik van mezelf vind dat ik geen opportunist ben. En dat is ook zo. Ik zal me nooit tot het gedrag van deze mensen verlagen: wat je zegt of schrijft moet wáár zijn, op een bepaalde manier moet het zelfs waar zijn wanneer je fictie schrijft. Hoe komt het dan dat sommige mensen de waarheid met een korreltje zout nemen en andere mensen niet, en dat iedereen vindt dat hij of zij gelijk heeft?

Het moet iets te maken hebben met de behoefte te willen pleasen. Je komt in een bepaalde positie, je staat boeken te verkopen in een winkel, je presenteert op radio of tv een programma, je wordt dichter of dichteres des vaderlands of je hebt een baan aan de universiteit, en vervolgens verdedig je die functie. En je ziet dat mensen je er prompt om waarderen. Je gooit er nog wat stoplappen uit… en mensen waarderen je nog meer. Je vertelt een leugentje omdat je je daarmee kunt profileren, omdat je daarmee overtuigend de indruk kunt wekken dat je een goed mens bent, en het werkt. Je schrijft een slecht gedicht, maar wel met een boodschap die zo leeg is dat vrijwel iedereen erachter kan staan, en je merkt dat je populariteit stijgt. Je neemt het op een armetierige wijze op voor de kunst, en je wordt omarmd. Je bent dichter of dichteres des vaderlands en je vindt dat zelf een volkomen normale functie. Iemand moet het doen. Dus doe jij het. En daar gaat je integriteit. Ja, ik denk dat het zo werkt. Dat moet haast wel. Hoe kan het anders dat slechte mensen dergelijke functies vervullen? Ze zijn toch niet slecht en daarom krijgen ze een dergelijke functie? Het moet wel zo zijn dat ze het in die functie worden. Zullen we gewoon stoppen met zoiets stoms als dichter des vaderlands? Volgens mij is dat beter voor de mensheid. En daarna schaffen we tv af. Of in elk geval praatprogramma’s. Het is een begin.

AS

Er valt iets voor te zeggen dat schrijvers zijn gaan schrijven omdat ze niet zo goed kunnen praten. In de praktijk valt dat wel mee – veel schrijvers kunnen heus wel een mop of een anekdote vertellen – en dat is misschien de reden dat veel lezers denken dat schrijvers die goed kunnen praten de beste schrijvers zijn. Vervolgens menen ze dat de lezers die naar die pratende schrijvers luisteren de beste lezers zijn en prompt gaan ze naar optredens van schrijvers in bijvoorbeeld boekhandels, bibliotheken en kleine of grotere theaterzalen. Wie of wat wordt het slachtoffer van deze hele onzinnige constructie? Het boek. Dat is in feite niet meer nodig, maar de naar de pratende schrijvers luisterende lezers kopen het vaak nog wel – met een handtekening en zelfs een persoonlijke opdracht van de schrijver erin, even een persoonlijk contactmoment – en het blijft een leuk hebbedingetje, zo’n boek.

Op deze manier raakt wel steeds verder uit zicht wat literatuur is of zou kunnen zijn. Wanneer een schrijver praat, zegt hij meestal dingen waar zijn publiek het mee eens is. Die mensen zitten er immers bij, en je bent schrijver, je wilt niet met ze op de vuist. Bovendien heb je iets te verkopen. De praktijk heeft uitgewezen dat de schrijver die tijdens zo’n optreden de meeste stoplappen te berde brengt, het succesvolst is. Kan de schrijver goed acteren, dan zit hij of zij helemaal geramd. Dit heeft de weg geopend voor types als Adriaan van Dis en Annejet van der Zijl en Ilja Leonard Pfeijffer. Met treffend gebrachte meningen over kolonialisme, ontsnappen in de wereld van een boek omdat het echte leven te hard voor ze is en de nadelen van massatoerisme weten ze enorm te scoren. Ook hebben ze een act: het zijn nette types die ook wel iets leuk geks hebben.

Met dat gekke kun je trouwens rustig een beetje overdrijven: een traan in de ooghoek van de oudere man, of zelfs een complete huilbui met hysterisch snikken (J.M.A. of Maarten Biesheuvel, ik vergeet altijd van welke auteursnaam hij nu weer gebruikmaakt, Kees van Kooten) – ze gooien het er gewoon in (of uit). Ik denk dat ik zojuist met Kees van Kooten wel de irritantste pratende ‘schrijver’ heb genoemd. Daar krijg je gratis een heel pakket maniertjes, stemmetjes, mal voorlezen, voordragen uit je hoofd en slechte smaak bij. Ik heb trouwens ook nooit van Van Kooten en De Bie gehouden, maar dit onder ons: wat was dat toch altijd kleinburgerlijke shit. (Later heb ik Wim de Bie een beetje leren kennen; dat is een erg aardige man, dat wil ik even gezegd hebben.)

Ik merk dat ik het alleen maar over oude mensen heb, en dat is nog iets wat opvalt: de pratende schrijver is vaak oud, dan wordt hij leuk gevonden. Er wordt de oudere schrijver wijsheid toegedicht. Dit heeft te maken met al die clichés die eruit komen. Die herkent iedereen, of zoiets had men zelf ook al wel bedacht, en wat je zélf bedenkt, moet wel intelligent zijn, nietwaar? Het is niet de bedoeling dat de pratende schrijver iets zegt waar je van opkijkt. Ze bewandelen allen hetzelfde uitgesleten pad.

Voor de duidelijkheid: alle namen die tot nu toe in dit stuk zijn gevallen zijn namen van slechte schrijvers. Of nog duidelijker: er zit geen enkele goede schrijver tussen. Nee, ook niet een beetje goed. Over smaak valt wel degelijk te twisten, natuurlijk, maar het zijn stuk voor stuk schrijvers die dingen opschrijven die iedereen allang weet, die niets vernieuwends doen met de vorm, die niet als een intieme vriend iets in je oor fluisteren, die geen spannend verhaal vertellen, die niet de literatuur een stap vooruit helpen – samengevat: hebben we het over schrijven, écht schrijven, dan kunnen deze lui er allemaal geen klote van, het zijn oplichters. (Pff… dat is eruit.) Hun schrijven voegt niets toe aan wat ze overal al tegen het ‘publiek’ zitten te kleppen – het enige voordeel van als je ze leest, is dat je die bloedirritante koppen niet ziet. Behalve natuurlijk als je het boek omdraait. Ze staan trouwens tegenwoordig vaak ook al op de voorkant afgebeeld, dat is bijvoorbeeld het geval bij de meest oubollige reeks die op het moment wordt uitgegeven: Gedundrukt door Van Oorschot, met al die nostalgische nepauteurs, maar daarover een andere keer meer. Goed, het is nóg een reden om het maar helemaal nooit meer te doen, die onzin lezen, omdat je dan die koppen op de voor- of achterkant ook krijgt.

De kletsmajoorschrijvers zijn ook anders zodra er geen publiek bij is. Soms bezoek ik zo’n avondje waar ze optreden. Een tijdje terug was ik toeschouwer in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Onder de titel De Indië Monologen was daar een theateravond. Ik heb zelf een Indisch verleden (ik ben geboren en opgegroeid in Den Haag) en mijn goede vriend Gustaaf Peek trad op. Hij vertelde dat hij zich ’s middags tijdens de repetitie liet ontvallen dat ik zou komen kijken. Adriaan van Dis, die eveneens een monoloog zou afsteken (ik heb hem gezien: stemmetjes, suffe anekdotes, old school racisme – we werden weer op het hele pakket getrakteerd), stak daarop de stok die hij bij zich had (hij is oud, hè) recht voor zich uit alsof het een mitrailleur was, maakte geluiden alsof hij het wapen afschoot en zei: ‘Kijk, dát doen we met Arie Storm!’ Het schuim dat rond zijn lippen was verschenen, liet er geen twijfel over bestaan: hier was een man in actie gekomen die zich tot zijn laatste snik tegen het vrije woord zal verzetten.

AS

Er is veel dat mij tegenstaat aan de Stichting CPNB – om precies te zijn: alles. Maar het voornaamste is wel dat ze mensen die van lezen houden op allerlei manieren proberen ervan af te brengen. Ik heb er hard voor moeten vechten om te mogen lezen, om zo vaak te mogen lezen als ik wil, om ook het boek te lezen dat ik wil, en ik kan wel zeggen dat lezen mijn grootste hartstocht is. Die voor mij levensreddende bezigheid wil ik me niet laten afpakken door een stel analfabetische patjepeeërs. Voor de duidelijkheid: ik heb het dus over de mensen die bij de CPNB werken.

Er zijn dagen dat ik niet aan de CPNB denk; die dagen zijn er niet tijdens de Boekenweek. Een dag een boekhandel niet bezocht, is een dag niet geleefd zoals we allemaal weten, maar het is nu eenmaal niet te doen, bij een boekhandel naar binnen gaan tijdens de Boekenweek. Alles is stuitend aan die week. Het geschenk, het goedkoop te verkrijgen ‘essay’, het vieren van het boek, het bal, de aandacht voor het boek op tv tijdens die verschrikkelijke week, de opportunisten die ook hun graantje mee willen pikken, het thema, de hysterische boekhandelaren, de lelijke versieringen in de winkel – vergeet ik nog iets? Ja, Job Jan Altena, ‘senior pr-adviseur en persvoorlichter @cpnb’, zoals hij in zijn biografietje op Twitter zichzelf omschrijft.

Het is inderdaad een iets, deze Job Jan Altena, want ik kan me niet voorstellen dat er een mens schuilgaat achter dit account. Dat er een machine aan het werk is, kun je alleen al afleiden aan het feit dat in elke tweet die ‘Job Jan Altena’ de wereld instuurt minstens één taalfout zit. Hier moet sprake zijn van een niet zo lekker functionerend computerprogramma. Bovendien wordt elke tweet machinaal afgesloten door het nogal stompzinnige #eenboekkanzoveeldoen. Het voordeel van zo’n aan elkaar geschreven hashtag is natuurlijk wel weer dat ‘Job Jan Altena’ niet hoeft te beslissen of het nu ‘zoveel’ of ‘zo veel’ is – al had ik het programma ook nog wel in staat gezien om ken te schrijven in plaats van kan.

Om ‘Job Jan Altena’ een enigszins menselijk gezicht te geven twittert het – tussen allerlei debiele opmerkingen over literatuur door (zo twitterde het programma op 17 maart nogal onsmakelijk ‘Wolkers leeft ;)’ – soms ook iets persoonlijks. Op 9 maart schreef de machine: ‘Engels, Spaans, Duits… Maar onmogelijk om je als klant in het Nederlands verstaanbaar te maken. Zo gaat winkelen in Amsterdam er al een tijdje aan toe, maar ik word daar steeds onvriendelijke en recalcitranter van. Ben ik de enige?! #eenboekkanzoveeldoen’ Let op, het gaat hier lang goed, maar dan wordt er toch nog gestruikeld over het moeilijke woord ‘onvriendelijker’. Dit is trouwens wel een onderwerp dat ‘Job Jan Altena’ uit het hart gegrepen is: het is inderdaad heel moeilijk voor dit programma om zich in het Nederlands verstaanbaar te maken.

Wat ik naast al het andere tegen de CPNB heb, is dat ze alles zo kinderachtig weten te maken. Het is een infantiele instelling. Dat blijkt al uit het thema dat ze elk jaar weten te verzinnen. Maar dit jaar is dat wel erg problematisch. De moeder wordt centraal gesteld. Weliswaar door allerlei mannen, maar goed, ze benadrukken de menselijke kant. Nu heb ik zelf een verschrikkelijke moeder, maar laat ik het persoonlijke erbuiten houden. In literaire fictie gaat het nooit om moeders of om mensen in het algemeen. In een roman is sprake van, en nu komt een lastig woord, personages. Personages bestaan niet echt. Dat is een soort basisregel. Een personage uit een roman kom je nooit in het echt tegen. Het zijn geen mensen. Leg dat nu maar eens uit aan de Stichting CPNB. Dat is niet te doen.

Op de website die de CPNB speciaal voor de Boekenweek heeft gemaakt wordt het thema uitgelegd: ‘Iedereen heeft een moeder, hartverwarmend en zorgzaam, streng of afwezig.’ En ik staar naar dat laatste woord. Afwezig. En opeens alles valt op zijn plek. Plotseling voel ik de pijn van ‘Job Jan Altena’, het leed van dit ‘iets’, van dit computerprogramma. Je kunt dat gerust een perspectiefwisseling noemen, een verrassende doorbraak in mijn denken.

‘Job Jan Altena’ heeft geen moeder, nooit gehad ook, hooguit is ‘Job Jan Altena’ aangesloten op een moedercomputer, maar dat is nog steeds niet zo’n warmbloedig wezen van vlees en bloed, een vrouw, met haar nukken en grillen, een schepsel zoals al die schrijvers die nu op tv en in kranten verschijnen er een hebben of hebben gehad. Iemand die het gezin bij elkaar hield. Die dapper was. Zogenaamd onderdanig, maar ondertussen. Dat hele kotsidee kortom van een moeder, waardoor wij – afgezien van het feit dat ze ook niet kunnen schrijven – nooit meer een boek van Tommy Wieringa, Murat Isik, Arnon Grunberg en noem al die moederschrijvers maar op, serieus kunnen nemen. Maar dat hele gevoel van het hebben van een moeder mist ‘Job Jan Altena’.

Ik zit hier inmiddels met tranen in mijn ogen. Ik check nog eens de timeline van ‘Job Jan Altena’. Een uur geleden plaatste ‘Job Jan Altena’ dit: ‘Mn hart slaat over!’ Ach. ‘Job Jan Altena’ meent een teken van leven bij zichzelf te hebben bespeurd. Een echt teken van leven! Hij denkt dat hij een hart heeft! Wie helpt hem uit de droom? Er bestaat geen Job Jan Altena. ‘Job Jan Altena’ bestaat alleen tussen aanhalingstekens. Denk deze Boekenweek aan hem (het). Schenk hem/het desnoods je moeder (die van mij mag ‘Job Jan Altena’ sowieso hebben). Snik. #eenboekkanzoveeldoen Ik snap de hashtag. Het is pure wanhoop.

AS

Archief