AS

Grijp ik er een gemiddelde krant bij, zeg NRC Weekend, dan constateer ik dat het daarin vaak over allerlei kwesties gaat die met het belang van lezen te maken hebben. In de genoemde krant werd op 10 november 2018 in de kop boven de column van Harald Merckelbach, hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit van Maastricht, de volgende vraag gesteld: ‘Waarom zou je überhaupt boeken lezen?’ Die vraag wordt in het stuk zelf herhaald, en daarachter staat: ‘Grofweg is 70% van wat je leest binnen een dag al niet meer uit het geheugen oproepbaar.’ Want je ‘stuit al snel op al die problemen – vervaging, verval, interferentie – waarover geheugenpsychologen praten zodra ze het over het moeras van de vergetelheid hebben’.

Je leest een boek, maar wat je hebt gelezen ben je ook weer snel voor het grootste deel kwijt. Dat moeras van de vergetelheid is trouwens een sterk beeld – ik zie dat heel erg voor me – ik heb even het gevoel dat ik in een fantasyroman ben beland.

Toch doe je het allemaal niet voor niets, lezen. Merckelbach somt de voordelen overzichtelijk op. Lezen verbetert je taalvaardigheid. Lezen, en dan vooral van literaire fictie (romans, verhalenbundels) ‘bevordert het vermogen om je op het standpunt van anderen te stellen’. Merckelbach lijkt hier ook even van te schrikken, want hij laat er meteen op volgen: ‘Dat is althans wat Amerikaanse, maar ook Nederlandse wetenschappers vonden’. (Ik heb nog een tijd over dat ‘maar ook Nederlandse wetenschappers’ zitten nadenken. Maakt dat de zaak sterker of juist zwakker?) Lezen stelt je in staat om gepaste afstand te houden van de waan van de dag. Lees je Tolstoj, dan raak je minder snel van slag als er ergens ‘in het geding’ staat; je weet gewoon wat de schrijver met die drie woorden bedoelt; je valt niet van je stoel (of uit bed, zie verderop) van verbazing. De slotzin van Merckelbachs column is prachtig. Hier komt die, het woordje ‘ze’ verwijst naar studenten die Tolstoj hebben gelezen: ‘Misschien nog belangrijker, ze weten wat het betekent als iemand de oren spitst als een oud garnizoenspaard dat de signaaltrompet ten aanval hoort blazen, ofschoon ze zoiets nooit met eigen ogen zagen.’ Ik vind alles hier fraai aan. Ik stel me er direct concreet de praktische bruikbaarheid en situatie bij voor waarin dat gebeurt.

Merckelbach legt allerlei linken tussen lezen en de maatschappelijke bruikbaarheid ervan. Dat doen leesbevorderaars altijd. Dat is nog eens iets anders dan wat Mikita Brottman schrijft in The Solitary Vice. Zij vergelijkt lezen met masturberen. Ze stelt dat je beide activiteiten meestal alleen doet, privé, vaak ’s avonds in bed (ik zei het!), voordat je in slaap valt. Je kunt het het beste doen als je niet met iets anders bezig bent, want het eist je volledige aandacht op. Je moet het niet overhaast doen, en je hebt er fantasie en een zeker voorstellingsvermogen voor nodig – die twee dingen zijn niet per se precies hetzelfde. Beide activiteiten (lezen en masturberen, en dan niet tegelijkertijd geloof ik) kunnen zó opwindend zijn dat mensen er verslaafd aan raken en, zoals dat met verslavingen het geval is, je er ook weer moeilijk van kunt afkicken. Begin je er eenmaal aan, dan is het iets wat je, voordat je er erg in hebt, je hele leven doet. Vaak krijg je er voor het eerst op school over te horen. Beide activiteiten worden aangemoedigd door eenzaamheid, in het bijzonder als je vroeg naar bed wordt gestuurd. Tegenwoordig wordt er wel anders tegen masturbatie aangekeken dan vroeger. Masturbatie wordt niet meer als levensbedreigend beschouwd. Het is een manier om je eigen lichaam en verlangens te leren kennen; spanningen kun je weg masturberen. Je kunt in een heel andere wereld belanden; de ‘echte’ wereld kun je een tijdje vergeten.

Masturberen en lezen (en in het verlengde daarvan ook schrijven) kunnen als gesloten systemen worden opgevat. Is het erg dat het gesloten systemen zijn? Is het erg dat masturberen, lezen en schrijven vormen van escapisme zijn en dat je je van de werkelijkheid vandaan een traject droomt ergens anders naartoe? Is er een weg terug? Is er een weg terug naar het leven zelf?

Merckelbach noemt onderzoek – nu ja, hij verwijst er zo’n beetje vaag naar – dat zou aantonen dat lezers beter in staat zijn andermans emoties te herkennen dan niet-lezers. Het heeft zelfs onmiddellijk effect als je voordat je met iemand gaat praten eerst een roman leest in plaats van iets anders: ‘Degenen die even daarvoor literaire fictie hadden gelezen deden dat [het herkennen van andermans emoties] beter dan degenen die zich over non-fictie hadden gebogen.’

Ik weet het niet. Is het woord ‘autisme’ al gevallen? In een inleiding bij een boek met vertaalde teksten van Roland Barthes lees ik dat schrijven vanuit het autisme van de eigen verbeelding het produceren van iets is wat anderen doet lezen, denken en terugschrijven: ‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact treden met een gemeenschap van anderen.’ Dat is te vergelijken met modern masturberen: door te schrijven vanuit een autistische grondhouding leer je jezelf beter kennen en daar krijg je positieve reacties op van anderen. Zo klauter je omhoog uit het moeras van de vergetelheid en maak je vrienden. Je schrijft of leest boeken niet om daar zomaar van te genieten, maar om je kennissenkring te vergroten. Voor je het weet meld je je aan bij een leesclub. Fijn! Dat wil zeggen, ik aarzel nog even.

AS

Mensen die boeken lezen – romans, verhalenbundels, poëzie – komen vaak nogal vervelend over. Over het algemeen valt er geen zinnig gesprek met hen te voeren. Ze beginnen al spoedig te zwetsen over de boeken die ze hebben gelezen, vertellen het ‘verhaal’ (meestal helemaal verkeerd) na; al is het nóg erger wanneer ze zeggen dat je dit of dat boek moet lezen om de taal. Ze zeggen dan krankzinnige dingen als: ‘Het is de taal, de aandacht voor het woord, waardoor je deze roman verslindt.’ Mag iemand die dat zegt eigenlijk nog wel iets opmerken over de taal (‘de aandacht voor het woord’) van wat dan ook? Dit voorbeeld verzin ik niet, maar komt uit een recensie die een van de boekverkopers van Athenaeum Boekhandel schreef, de recensie staat op de site van de winkel. Daarna volgen – en dat is ook standaard – voorbeelden van die taal uit de juist hierom zo gewaardeerde roman. Het ene citaat is nog verschrikkelijker dan het andere. ‘Jij en ik herhaalden dezelfde woorden bijna dagelijks, als gebeden of bezweringen (ik hou van je, je bent zo mooi), zodat de taal die we hadden asymmetrisch sleet: net een standbeeld dat begint te glimmen waar het vaak wordt aangeraakt (het hoofd, de handen, de punt van de voet), terwijl het elders bedekt raakt met een donker patina.’

Dus iemand heeft een boek gelezen en begint daarover te vertellen – erover te ouwehoeren kun je beter zeggen – hij of zij raadt het je aan. Jíj moet dat boek lezen. Die persoon komt nauwelijks uit zijn woorden en ziet er doorgaans heel dom uit. Van het lezen van boeken krijg je blijkbaar een imbeciele uitdrukking op je gezicht. Hij of zij vertelt ook nog eens het verhaal verkeerd na en levert er citaten bij met rare woorden en chaotische metaforen, en die vertelt jóú dan dat je dat kutboek moet lezen. Waarom? Waarom zeggen ze dat tegen mij?

Ik was een keer op een receptie. Er ging een man tegenover me staan. Hij zei: ‘Jij bent recensent, hè?’ (Dat was ik toen nog, al noemde ik mezelf niet graag zo.) ‘Weet je wát je eens moet lezen? Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn. Ja, daar heb ik echt van genoten. Wat is lezen heerlijk!’ Ik had dat boek allang gelezen. Er is niks aan. Het is een slecht boek. Het is een boek dat raar in elkaar zit. Het is een ijdel boek. Ik heb me kapot verveeld. Kun je dat op zo’n moment zeggen tegen die man? Ik kwam in een boekhandel – nee, niet Athenaeum, een andere – en ik probeerde rustig naar de boeken te kijken. Probeer dat eens, rustig naar boeken kijken in een boekhandel! Maar goed. Opeens stond er een vrouw voor mijn neus. De boekverkoopster. Ze hield een boek omhoog. ‘Heb je dit al gelezen? Dit moet je eens proberen. Dat is zó mooi!’ Het was een boek van Auke Hulst. Ik had het al gelezen. Ik had het zelfs al in de krant besproken. Eén ster.

(Even tussendoor. Dat ‘mooi’ of ‘zó mooi’, dat is ook heel erg. Frans Kellendonk: ‘Toegepast op kunst is mooi een kwalijk woord. Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch. De beoordelaar die mooi zegt – “héél mooi” of “mooi”, met zuinige nadruk – laat blijken dat het kunstwerk hem van harte koud laat.’ Die laatste stap van Kellendonk klopt natuurlijk niet helemaal. Want de meeste mensen die het woord ‘mooi’ in de mond nemen menen het oprecht; ze worden ‘geraakt’ door de schoonheid van het boek. Wat het allemaal nog erger maakt. Het zijn dezelfde mensen die een boek ‘verslinden’ om de taal ervan, ‘de aandacht voor het woord’, ‘de punt van de voet’ van een standbeeld die gladder wordt als je die punt vaak aanraakt.)

Al met al heb ik moeite met het concept dat andere mensen boeken lezen. Dat ze dat doen, en de resultaten daarvan, vind ik weinig bemoedigend. Ze lezen die boeken, ze raden je die aan, en dat terwijl ze er heel dom uitzien. Kortom, ze zijn niet bijzonder opgeknapt van het lezen van een boek. Ze zijn door het proces van het lezen ervan heen gegaan, maar ze zijn er niet beter uit tevoorschijn gekomen. Misschien zagen ze er vóór het lezen van het boek ook al dom uit, maar ze hebben geen stappen vooruit gezet. Ze lezen misschien wel tientallen boeken per jaar, en dan staan ze nog met Auke Hulst voor je neus te zwaaien. Ze zéggen nooit iets zinnigs. En laat je zien dat Auke Hulst (of Stefan Hertmans of wie dan ook) niet kan schrijven – je slaat het boek open, je gaat het samen lezen, je wijst ze op belabberde passages – dan ontkennen ze alles gewoon. Ze blijven koppig zeggen dat het wél mooi is.

Kees van Kooten op tv. Hij ‘draagt’ zijn eigen werk ‘voor’. Er is een boekje verschenen. Ik heb het hier. Kees van Kooten, Sterk verdund. Ik blader erin. Het is verschrikkelijk. Melig. Stom. Lollig. Aanstellerig. Oubollig. Oppervlakkig. Slecht geschreven. Niet leuk. Het zal niet lang meer duren of iemand raadt het me aan. Of geeft het me cadeau. (Dan heb ik er twee.) Zegt daarbij iets over de taal. De aandacht voor het woord. Ja, zo wordt er niet meer geschreven, tegenwoordig. Nou, misschien door Stefan Hertmans. Of door Auke Hulst. Kees van Kooten. Hou nou toch op. In wat voor land leef ik precies?

AS

Doe mee aan de Kerstprijsvraag en win een bak mirre.

Tijdens het schrijven luister ik graag naar het album One-Trick Pony van Paul Simon (dat heb ik gemeen met Michel Houellebecq). Ik ben Feyenoordsupporter. ’s Nachts droom ik van een man die in een kelder achter mij staat met zijn broek afgestroopt tot op zijn enkels. Er zijn kortom wel een paar dingetjes misgegaan in mijn jeugd. Ik ben geboren en opgegroeid in de Rembrandtstraat in de Schilderswijk in Den Haag. Mijn vader was een op medische gronden afgekeurde groenteboer die met behoud van uitkering een illegaal denksportcafé (dammen en klaverjassen) uitbaatte in de voormalige groentewinkel. Kon ik niet slapen, dan kreeg ik van mijn moeder een literfles cola mee zodat ik die in bed fijn leeg kon drinken. Nadat mijn vader was gestorven, meldde zich op de dag van de begrafenis al óp de begraafplaats een man bij me die zei dat hij vierduizend euro van mijn vader kreeg. Nu ontving hij die graag van mij, deelde hij me mee. Hoe gingen we dit zo snel mogelijk oplossen?

Er kwamen die dag nog enkele schuldeisers naar me toe. Ik herkende ze aan de tatoeages, de schakelarmbanden en de bakkebaarden. Mijn vader bleek geen begrafenisverzekering te hebben afgesloten; die kosten kwamen erbij. Mijn erfenis bestond al met al uit een negatief bedrag van enkele tienduizenden euro’s. We hebben het hier vanzelfsprekend over zwart geld – het was niet de bedoeling dat we er met z’n allen op de een of andere manier legaal uit zouden komen. Of dat ik zou betwijfelen dat mijn vader die bedragen inderdaad schuldig was aan deze lui. Er meldden zich ook mannen die het voor mijn vader en mij opnamen en die wel iets konden regelen voor me. Ze zeiden dat we ook andere wegen konden bewandelen dan gewoon maar te betalen. Die vroegen veel minder geld aan mij. Ze waren goedkoper. Moet ik nog iets vertellen over mijn jeugd?

Inmiddels is de begrafenis van mijn vader een paar jaren geleden en ik vertel over de dag dat ik een wc in een keurig restaurant in Amsterdam-Oost verliet. Ik dacht eraan hoe vervelend ik mannen als Jan Terlouw, Adriaan van Dis en uitgever Joost Nijsen vond. En nog steeds vind, moet ik zeggen. Dat heb ik aan mijn jeugd te danken: ik kan niet tegen achterbaks gedrag. Authenticiteit wordt op prijs gesteld. De genoemde ‘heren’ zijn drie mannen die het enorm achter hun ellebogen hebben. Ze zeggen dit, maar ze doen dat. En iedereen trapt erin. Ik stond een keer met Joost Nijsen te praten met een jonge vrouw. Ze was een van de organisatoren van een literaire bijeenkomst waar zowel Joost Nijsen als ik een praatje moest houden. We hadden het met de vrouw over hoelang we iets moesten zeggen en wie er na wie sprak; dat soort zaken. De vrouw liep na ons gesprek weg, tevreden dat ze alles had geregeld. Joost wendde zich tot mij en zei: ‘Kleine tietjes, maar geile tietjes.’ Dat niveau. Zelfs de mannen uit mijn jeugd zeiden dat soort dingen niet, waren niet zo schijnheilig. Die knepen de kat wel, maar niet in het donker. Die schoten die dieren voor iedereen zichtbaar dood als ze daar zin in hadden. Het is mijn woord tegen Joost, maar er zullen wel meer mensen zijn die dergelijke ervaringen met hem hebben.

Maar het geval Joost staat niet op zichzelf. De hele Nederlandse literatuur is vergeven van deze verderfelijke mentaliteit. Jan Terlouw die Griet Op de Beeck tijdens een etentje schalks op schoot trekt. Griet die aan het kirren slaat. Jan Terlouw die parkeerwachters schoffeert. Met die dure auto van hem. Ik was die parkeerwachter. Of dat dacht hij. Toen bleek dat ik net als hij te gast was in de radiostudio die boven de parkeergarage zat, begon hij met me te slijmen. Adriaan van Dis die mensen te lijf gaat omdat ze die boeken van hem niet goed vinden. Adriaan van Dis die een literaire prijs wint. En nóg een literaire prijs. En nog één. Waarom? Zijn de echte schrijvers op? Of mogen die niet meedoen? Mag je tegenwoordig alleen meedoen als je bekend bent van de tv?

Ik was gevraagd om in een literaire jury plaats te nemen, vandaar dat ik me in dat restaurant bevond. En misschien dat ik daarom aan Terlouw, Van Dis en Nijsen dacht. Ik vroeg me af wat deze mensen met literatuur te maken hadden. Je kwam ze tegen op het Boekenbal, er werd hun gezag toegekend, ze werden opgevoerd als mensen die veel deden voor de leesbevordering van ándere mensen. Ze brachten arme debielen aan het lezen, mensen uit achterstandswijken, mensen zoals ik vroeger. Ze werkten samen met de CPNB. Dat was een stichting die ook mensen aan het lezen bracht. Niet met moeilijke boeken, maar met toegankelijke boeken. Maar die toegankelijke boeken waren evenzogoed voortreffelijk, hield de CPNB ons voor. Murat Isik en Jan Siebelink, dat waren ook schrijvers, zo deelde de CPNB mee in persberichten. Echt wel! Iedereen begreep hun boeken. Die gingen over opgroeien in de Bijlmer of in een christelijk gezin. Waarom was ik ooit gaan lezen? En nu ik las, waarom moest ik dan opeens Murat Isik gaan lezen? Dat was een mislukte Charles Dickens. Dickens las ik al op mijn twaalfde. Ik kon beter Dickens blijven lezen. Waarom moest iemand die troep van Isik lezen? Of wie had je allemaal nog meer? Tommy Wieringa. Pieter Waterdrinker.

Ik liep naar mijn mede-juryleden toe. Die hadden het over Arnon Grunberg. Of beter gezegd, ik hoorde ze de hele tijd ‘Arnon’ zeggen. ‘Arnon’ dit en ‘Arnon’ dat. Stuk voor stuk kenden ze Arnon persoonlijk. Arnon stuurde mailtjes naar hen; Arnon hield van hen. Arnon deed niet eens mee aan deze prijs! Het was een prijs die zou worden toegekend aan de beste amateurverhalenschrijver van Amsterdam-Oost. Maar ik had de indruk dat mijn mede-juryleden het oneerlijk vonden dat de prijs niet naar Arnon kon gaan. De Nederlandse literatuur en alles wat ermee te maken heeft, is een compleet gekkenhuis. Ik ben blij dat ik er in Propria Cures verslag van heb mogen doen.

AS

En opeens vroeg ik me af waarom ik eigenlijk was gaan lezen, alles eraan stond me plotseling tegen. Het had in mijn geval ook niet gehoeven, ik groeide op in een gezin waar het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder zeer laag stond aangeschreven. Het werd aangemoedigd om níét te lezen. Het enige boek dat weleens werd opengeslagen was de bijbel, een van de slechtst geschreven boeken die ik ken.

Ik was de enige in mijn omgeving die op een kwade dag écht aan het lezen sloeg. Waarom? Voor mij was lezen niet een manier om mijn leven te verrijken, of om me beter te kunnen inleven in anderen, of om dingen te weten te komen, of om een beter taalgevoel te ontwikkelen, daar had ik nog allemaal niet van gehoord, die onzin zouden ze me later proberen wijs te maken, nee, aan mijn lezen lag geen enkele positieve beweegreden ten grondslag: het was een vorm van escapisme, een ordinair vluchten uit het leven dat me dreigde te overspoelen. De oliedomme zomergast Pieter Waterdrinker schijnt in dat oliedomme programma Zomergasten te hebben gezegd dat tussen de kaften van een boek het volledige bestaan zit, rare beeldspraak, maar dat is wat er precies níét zit. Tussen de kaften van een boek wordt áls er al iets gebeurt het volledige bestaan doodgedrukt (of een mug). Dat was precies wat me zo in boeken aansprak. De volledige zinloosheid ervan. Het negatieve. De duisternis. Welcome to the dark side.

Na het lezen van een paar boeken was ik volkomen vervreemd van de mensen – mijn vader, mijn moeder, mijn zussen, mijn ooms en tantes – die me omringden. Ik begreep hen niet meer en zij begrepen mij niet meer. Zíj stonden volop in het leven; ik bewoog me er zo’n beetje naast. Zij déden de hele dag gewoon wat ze moesten doen, ik dacht de hele tijd bij alles wat ik deed na. En niet bepaald op een opbouwende manier. Het lezen van romans zorgt ervoor dat je een volkomen paranoïde wereldbeeld ontwikkelt. In literaire fictie staat iedereen elkaar de hele dag naar het leven, zijn complotten de norm, graaft elk personage eindeloos in zijn of haar verleden totdat niets meer daarover vaststaat behalve dat men in zijn of haar jeugd misbruikt blijkt te zijn én in literaire fictie heeft letterlijk elk personage een geestelijke afwijking, een complex, een klap van de molen en dientengevolge een visie op de wereld die niets met de werkelijkheid te maken heeft.

Over literaire fictie wordt gezegd dat ze je ogen opent, maar ze sluit die juist. Literatuur is slecht voor je. Een boek is geen vitaminepil, zoals leesbevorderingsfanaten je proberen wijs te maken, een pil die goed voor je zou zijn, iets gezonds, iets waar je een beter mens van wordt. Dat is lezen dus niet. Het is gif dat in hoog tempo je zenuwstelsel aantast, wegvreet en vernietigt. Je bevindt je binnen de kortste keren nadat je bent gaan lezen in de diepste ellende. Vanaf het moment dat je begint met het lezen van literaire fictie, sta je er alleen voor. Ja, je hebt je ‘papieren vriendjes’, de personages, maar aan die lui heb je niets, ze bestaan niet, bovendien zijn ze allemaal gek.

Het lijkt er misschien op dat je zodra je een roman of verhalenbundel openslaat toetreedt tot een heerlijke gemeenschap van lezers, en in zekere zin is dat ook zo, er bestáát een gemeenschap van lezers, maar al snel ontdek je dat die gemeenschap niet zo heerlijk is, maar uitsluitend uit idioten bestaat. Het schijnt moeilijk te zijn voor lezers om niet een soort religieus gedrag te vertonen. Zíj lezen en ze willen ook dat anderen lezen. Ze hebben een missie, ze verrichten zendingswerk. En als je al een lezer bént, dan willen ze dat je hetzelfde leest als zij lezen. Ze raden je boeken aan, ze dringen je boeken op, ze proberen je boeken in je handen te proppen. Het zijn altijd slechte boeken, zeker als het een boekhandelaar is die je adviseert. Luister nooit naar je plaatselijke boekhandelaar, lees die domme kaartjes met aanbevelingen niet die ze op boeken leggen, negeer hun top tienen, kom liever helemaal niet in een boekhandel zolang daar nog levend personeel rondloopt. Nog nooit heeft iemand me een boekentip gegeven waar ik wat aan had. Ze staan voor je neus en zeggen dat je De acht bergen van Paolo Cognetti moet lezen of De heilige Rita van Tommy Wieringa. Openingszin: ‘Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.’ Het ene boek is nog verschrikkelijker dan het andere. Het lezen van een roman is als naast Paul Krüzen staan die een bijl boven zijn hoofd heft. Tweede zin: ‘De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar.’ En dat alleen maar door het heffen van de bijl! Literatuur in Nederland, dat zijn Pieter Waterdrinker en Tommy Wieringa. Wil je over de grens lezen, dan krijg je Italiaanse kitsch aangesmeerd.

Geld verdienen, aantrekkelijk, gezond en populair zijn, een gelukkig en liefdevol gezinsleven hebben – ik heb het allemaal opgegeven voor lezen. In Nederland is er zelfs een stichting die lezen propageert: de CPNB. In een van haar uitingen schrijft deze stichting dat lezen ‘immers’ (let op dat immers) leidt ‘tot meer begrip voor de ander en daarmee tot een hechtere samenleving’. Hoe onwaar is dat! In The Solitary Vice (een boek tegen lezen) merkt Mikita Brottman op: ‘Hitler was a great reader, after all, and so was the Unabomber.’ Mijn advies: denk goed na alvorens je lid wordt van een leesclubje. Je begeeft je al snel tussen onfrisse types. De lezer draagt door zijn asociale gedrag per definitie een ongewenst steentje bij aan de ondergang van de wereld. Lezen haalt de innerlijke Hitler in je naar boven. Volgende keer schrijf ik iets over mijn favoriete boeken.

AS

Liever schrijven dan lezen? Doe mee aan de KOLOMKOMPETITIE.

Het roer moet om, zoveel is wel duidelijk. Ik heb een leeftijd bereikt waarop je je op een bepaalde manier moet zien te verhouden tot de dood. Je kunt de dood ontkennen, je kunt de dood accepteren, je kunt er kapot van zijn, en je kunt er je voordeel mee proberen te doen.

Hoe gaan andere schrijvers van mijn leeftijd om met het grote sterven? Inmiddels zijn er al heel wat collega’s tussenuit gepiept, maar die interesseren me nu niet: de overlevenden zijn belangrijker. Dat vinden ze zelf meestal ook. En dus kiezen ze vrijwel onveranderlijk voor de laatste optie: de ander gaat dood en die gebeurtenis grijpen ze aan om zelf eens flink een nummertje te gaan staan shinen, zodat ze de verkoopcijfers van hun eigen boeken kunnen opstuwen.

Bij de begrafenis van de dichter Menno Wigman was een van de sprekers de bekende kitschschrijver Tommy Wieringa (‘de Konsalik van de Lage Landen’). Meteen aan het begin van zijn toespraak – Tommy heeft een stem die je algauw het woord toespraak te binnen doet schieten als je probeert te bedenken waar je nu eigenlijk naar zit te luisteren, dat heeft hij gemeen met grote wereldleiders uit het verleden – maakte Tommy duidelijk dat we hier niet waren om afscheid te nemen van Menno, maar dat we met zijn allen naar begraafplaats Zorgvlied waren gekomen om naar Tommy te luisteren.

Het is niet mijn gewoonte om begrafenissprekers te recenseren, maar als er zo duidelijk sprake is van een optreden kan dat wel, vind ik. Tommy krijgt voor zijn act vijf sterren. Wat hij zei was op zijn eigen manier zo volkomen aangrijpend, en dat was al het geval nog vóórdat hij in feite iets had gezegd. De visuele performance mocht er van het begin af aan zijn. We zagen een goed gesoigneerde man van middelbare leeftijd die rechtop probeerde te staan maar die tegelijkertijd gebukt ging onder een groot leed, een diep verdriet, een niet te dragen verlies. Opeens haalde hij ergens van tussen en uit zijn indrukwekkende kleding een leesbril tevoorschijn. Het vel papier dat plotseling voor hem lag streek hij nog eens lekker recht. Vervolgens keek hij de zaal in naar al die mensen, zíjn publiek, een enorme menigte die zich tot ver buiten de aula uitstrekte en die aangaf hoe populair Tommy inmiddels was geworden. Tommy schraapte zijn keel en stak van wal.

Het was verbluffend. Tommy had het over een vliegreis die hij maakte, een smartphone die overging (mag dat in een vliegtuig, vroeg ik me af, maar ik geef meteen toe dat ik nooit in zo’n ding zit), en hoe hij de piloot ertoe wist te bewegen het vliegtuig rechtsomkeert te laten maken. Helaas was hij net te laat om erbij te zijn op het moment dat Menno zijn laatste adem uitblies. Tommy pakte daarom maar door naar de vriendschap die hij voelde voor Menno: Menno had mooie sokophouders gehad. Menno had misschien wel lid mogen worden van het eetclubje waar Tommy voorzitter van was, en waarvan slechts mensen lid mochten worden die goed genoeg waren om enigszins in de schaduw van Tommy te kunnen staan, maar helaas voor Menno was Menno te vroeg gestorven om dat punt echt aan de orde te kunnen stellen. En misschien was het fijn als hij met die mooie stem van hem nu tot slot een gedicht voorlas van, even kijken, o ja, van Menno dus.

Tommy zag deze poëzie duidelijk voor het eerst, maar hij sloeg zich er geweldig doorheen. ‘Mooie dingen, allemaal mooie dingen,’ las hij hardop, en daarna keek hij op dramatisch verantwoorde wijze naar ons. Toen het gedicht klaar was, maakte Tommy een kleine buiging; hij ging bescheiden weer op zijn stoel zitten op de eerste rij tussen de gewone mensen.

Blijkbaar waren er ook talentenjagers van de CPNB bij dit spectaculaire nummer aanwezig geweest, want een ruime maand later mocht Tommy deze show nog eens opvoeren, maar dan tijdens het Boekenbal. Tommy dacht er later in zijn column voor het Haarlems Dagblad met genoegen aan terug: ‘Toen ik op het podium de onlangs gestorven dichter Menno Wigman herdacht en een gedicht van hem voorlas…’ Ja, wat een triomf! Iedereen had tijdens het Boekenbal enorm hard geapplaudisseerd voor Tommy. Zelfs waren er drie donkere dames aanwezig geweest die zich op Twitter hadden geërgerd: ‘Een andere witte man aan het woord over een… jawel een witmang… #Boekenbal #HalloWitteMensen’. Tommy kon er snedig over opmerken: ‘Menno Witmang – hij had er zelf vast hartelijk om moeten lachen. Het was jammer dat de vrouwen op hun smartphones huidskleur zaten af te vinken in plaats van naar mijn mooie stem te luisteren.’

Het roer moet om, schreef ik al, er valt veel meer succes te behalen dan ik nu doe met het herdenken van doden die ik nauwelijks heb gekend. De volgende keer vertel ik over de persoonlijke band die ik had met Philip Roth.

AS

Archief