AS

Er zijn allerlei cursussen en opleidingen die je op pad kunnen helpen schrijver te worden. Om schrijver te worden, en dat is een punt dat bij de meeste van die cursussen wel wordt meegenomen, moet je schrijven, daar kun je eigenlijk niet omheen. Dus krijg je allerlei tips over hoe je dat dient aan te pakken. Maar dan zijn we eigenlijk al een stap te ver, want er wordt daarbij van uitgegaan dat je iets zou kunnen hebben aan die adviezen; dat schrijven net als het bakken van een taart iets is wat je kunt leren. Een verstandig mens begrijpt op voorhand dat je niets aan die tips hebt, maar je hebt nu eenmaal iets nodig om een cursus een cursus te kunnen noemen. De optimistische gedachte bij mensen die schrijver willen zijn (maar die liever niet schrijven) overheerst dat als je eenmaal een cursus hebt gevolgd, daarna het schrijverschap vanzelf volgt.

Ik heb best wel lang over deze problematiek nagedacht, ook omdat ik zélf schrijflessen heb gegeven. Je zou dus kunnen zeggen dat ik boter op mijn hoofd heb. Tip: vermijd vaste uitdrukkingen als boter op je hoofd hebben, ze maken een tekst clichématig. Vervolgtip: gebruik soms juist wel een vaste uitdrukking, want iedereen weet meteen waar je het over hebt; het is eigenlijk geen cliché, maar idioom.

Soms spreek ik met andere schrijvers over schrijven. Ik ben daar niet dol op, maar soms gebeurt dat gewoon, en eigenlijk gebeurt dat het vaakst als die andere schrijver voordat hij of zij publiceerde een cursus heeft gevolgd waarin hij of zij de kneepjes van het vak onderwezen kreeg. Daar zijn ze meestal niet helemaal fris uitgekomen, uit die cursussen. Voor je het weet praten ze met je over hoe personages zich moeten ontwikkelen, over de drijfveren die je aan personages moet meegeven en wat het verschil is tussen een plot en een verhaal. Onzinnige kwesties waarover ze hebben geleerd na te denken en erover te praten op de opleiding.

Dit zijn tevens de schrijvers die versie na versie van hun ‘boek’ schrijven. Dat is altijd een teken van gebrek aan talent – een beetje schrijver schrijft het allemaal in één keer op. Ben je inmiddels bezig met je vierde versie, gooi dan liever de hele boel het raam uit, en jezelf erbij. Dat is mijn tip. Deze mensen werken ook vaak met ‘proeflezers’ of ‘meelezers’. Daarmee zijn we definitief in de hel van het amateurisme beland. Om een uitstapje naar de schilderkunst te maken: Rembrandt vroeg toch zeker ook niet aan zijn buurman/goede vriend/tante/collega op kantoor/echtgenote of die even wilde meekijken of het al een beetje ergens op sloeg, evenmin stelde hij de vraag of die ‘proefkijker’ of ‘meekijker’ op de continuïteit wilde letten, zelf raakte hij in de drift van het schilderen immers weleens de weg kwijt. Ja, Woody Allen (om een uitstapje te maken naar wéér een andere kunstvorm) neemt wellicht jonge meisjes mee naar de filmset, maar dat heeft er weer niks mee te maken.

Op Twitter kwam ik opeens het hoofd van een langharige schrijver tegen, een man, en het was niet Ilja Leonard Pfeijffer. In het kader van een project dat door Rosanne Y. Hertzberger was gelanceerd zou hij ons in een filmpje tips gaan geven voor het schrijven van een kort verhaal. Dat project van Hertzberger werd gevangen onder de noemer #zevenkunsten. Het is de bedoeling dat haar volgers zich elke maand met een ander ‘kunstje’ gaan bezighouden: het maken van een foto, het schrijven van een sonnet of liedje, het maken van een tekening. In april 2021 zijn de volgers van Hertzberger op die manier inmiddels aangekomen bij het schrijven van een essay, en de boel wordt in mei afgerond met het maken van ‘een werk met kunstvorm naar keuze (van opera tot borduurwerk)’. Marja Pruis reageerde op Twitter met de opmerkingen ‘vind t heel vreemd dit’, ‘ik snap t initiatief niet. Zo gek naïef’ en ‘Ik voel me heel zuur, zo stom als ik het vind. Alsof iedereen maar een kunstje kan beoefenen’.

Ik haalde diep adem en dacht aan een andere tweet, van Hertzberger: ‘Ik heb zoveel zin in dit gestoorde plannetje. Even buiten de comfort zone, iets nieuws en ongemakkelijks doen. Mijn hoofd door elkaar schudden. Iets maken zonder automatisme.’ (Haar columns schrijft ze blijkbaar op de automatische piloot.) Wilde ik mijn hoofd door elkaar laten schudden? Ik waagde het erop, ik klikte het filmpje aan.

Het hoofd met het lange grijs haar erop en ernaast en eromheen begon te spreken. Met zichtbare tegenzin begon het adviezen te geven. Gebruik meerdere personages. Plan niet alles vooraf. Werk niet met overgevoelige personages. Het duurde allemaal niet meer dan twee minuten, deze cursus. Maar gelukkig was er een vervolg van ongeveer dezelfde lengte. Daar gingen we weer.

Het is een kort verhaal dus je hoofdpersonage mag onsympathiek zijn, je zit er godzijdank slechts kort mee opgescheept. Laat als je het verder ook niet meer weet iemand binnenkomen met een revolver. Onthul op het laatst niet dat de hoofdpersoon een hond is of een zeepaardje, en als het dan toch een van die twee moet zijn, kies dan voor het zeepaardje. Als je het verhaal afhebt, haal dan de eerste en de laatste alinea weg.

Zuchtend waren we aan het eind van de cursus beland. In december leren we hoe je een foto maakt (knip de zijkanten eraf). En zo begeven we ons in rap tempo naar de ultieme cursus: hoe leg ik een goede lus in een touw als ik zelfmoord wil plegen? (Is het touw tien meter, snij het dan eerst doormidden.) In deze coronatijd staan ons vast nog vele leuke cursussen te wachten. Op dit moment twittert Rosanne de favoriete verhalenbundels van Tommy Wieringa. Doe er je voordeel mee!

AS

Over wat in Nederland literaire prijzen worden genoemd, is wellicht al te veel gezegd, maar blijkbaar niet genoeg, want het fenomeen bestaat nog altijd. Je zou verwachten, of hopen, dat literatuur of de literaire wereld zich niet met zoiets wezenlijk kinderachtigs zou bezighouden als het toekennen van prijzen, maar dan vergis je je dus. Het is volgens sommigen zelfs de enige manier waarop er nog op een zinnige manier over literatuur kan worden gepraat. Op de website van De Revisor laat Daan Stoffelsen (‘ik ben recensent, redacteur, jurylid, essayist’) zijn onafhankelijke licht schijnen over het belang van literaire prijzen in het algemeen en dat van de Boekenbon Literatuurprijs (waar Daan jurylid voor is) in het bijzonder.

Daan Stoffelsen schrijft proza dat tamelijk ondoordringbaar is. Hij schrijft zinnen als de volgende: ‘Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets [de Taalunie spelt Excelsheets met een hoofdletter, maar goed – AS] en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.’ Het is niet helemaal duidelijk wáár Daan precies aan meedoet, maar ik geloof dat hij het evalueren van het literaire jaar bedoelt. Meestal doet hij daar niet aan mee en soms doet hij daar wel aan mee, zoals wanneer hij bijvoorbeeld jurylid is van de Boekenbon Literatuurprijs.

Daan dicht aan dat lidmaatschap van de jury, of aan het evalueren van het literaire jaar door middel van (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists en prijswinnende boeken) – al die haakjes zijn van Daan; hij heeft een nogal nuancerende stijl – een bijzondere eigenschap toe. Dit ‘circuit’ corrigeert de waan van de dag: ‘Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.’ Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken.

Het frappeert altijd weer hoe juryleden van literaire prijzen zichzelf belangrijk maken. Of zichzelf als belangrijke personen beschouwen. Ik ken Daan persoonlijk, moet ik nu zeggen. Dat schrijft hij namelijk zelf in een ander stukje op de website van De Revisor: ‘Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur.’ Ik heb Daan inderdaad weleens gesproken, en dan maakt hij zichzelf helemaal niet zo belangrijk. Maar wat we wel moeten begrijpen is dit: een literaire jury kent niet zomaar een prijs toe, nee, die storten zich in een doortimmerd juryproces. Vlak na het bekend worden van de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, een longlist die door Daan mede is samengesteld (‘dat is het geheim van de jury’, klapt Daan uit de school van het doortimmerde juryproces, ‘je moet het eens worden’) deelt Daan dan ook mee: ‘Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof.’

Ik heb lang naar die zin en de context waarin die staat gekeken (en nagedacht over hoe goed ik Daan eigenlijk ken), maar ik geloof inderdaad dat Daan hier zichzelf en zijn medejuryleden lof toezwaait. Daar hebben ze toch even een puike longlist samengesteld! Een longlist die alle misstanden die in het verleden en in de waan van de dag en onder druk van de actualiteit zijn begaan mooi rechtzet. Natuurlijk, perfect wordt het nooit, dat begrijpt Daan ook wel. Daarom voegt hij eraan toe: ‘Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.’ Maar de kern blijft in tact: de jury heeft zijn werk uitmuntend gedaan en mooi corrigerend opgetreden.

Laat ik eens even helemaal teruggaan naar het begin van deze grote commerciële literaire prijzen. De eerste keer dat een dergelijke prijs in Nederland werd uitgereikt was in 1987: de AKO Literatuurprijs. Op de shortlist stonden H.C. ten Berge, J. Bernlef, Inez van Dullemen, Hermine de Graaf, Frans Kellendonk en J. Ritzerfeld (om alles enigszins te relativeren: wie leeft er nog van deze zes?). Voor zover literatuur een wedstrijd is en je belangrijke van minder belangrijke boeken kunt onderscheiden, was iedereen het er toen over eens dat Kellendonk met Mystiek lichaam het belangrijkste boek van de voorafgaande periode had geschreven. De jury trad echter fijn corrigerend op: de AKO Literatuurprijs 1987 ging naar J. Bernlef voor zijn roman Publiek geheim. Twee jaar later ging de prijs naar Brigitte Raskin voor haar roman Het koekoeksjong. Weer een jaar later werd Joost Niemöllers roman Wraak genomineerd.

Ik wil graag nog één keer Daan citeren: ‘Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren?’ Het is duidelijk: literaire jury’s gaan ons dat niet vertellen. Sterker nog, de keuze van een literaire jury toont ons júíst de waan van de dag. Boeken die morgen vergeten zijn, krijgen vandaag een prijs. Boeken die onthouden zullen worden, komen niet verder dan de shortlist, maar zelfs dat meestal niet. Wat al die shortlists en longlists wel laten zien zijn allerlei netwerkverbanden in de literaire wereld. Het is wellicht aardig om daar een andere keer wat uitgebreider op in te gaan. Nóg boeiender is het misschien om echt eens boeken te lezen, in plaats van er de hele tijd over te praten zonder ze gelezen te hebben. Dat laatste, praten over een boek zonder het te hebben gelezen, wérkelijk te hebben gelezen, gebeurt al genoeg in literaire jury’s. Dat verdient natuurlijk geen navolging. Het beste is het om al die door literaire jury’s samengestelde shortlists en longlists te negeren en je eigen smaak te volgen. Dat zorgt ervoor dat je minder bagger leest, bagger die morgen weer vergeten is.

AS

De meeste coronabesmettingen vinden op het moment in de huiselijke sfeer plaats, bijvoorbeeld tijdens familiebezoek. Hoewel ik niet geneigd ben aan een virus goddelijke of intentionele eigenschappen toe te kennen – een virus denkt niet na, het doet gewoon maar wat –, legt deze ontwikkeling wel iets bloot, maar eigenlijk wisten we al dat dit zo was, namelijk dat familie de pest is. Het is beter al die bloedverwanten te mijden. Doe je het niet voor jezelf, dan doe je het wel voor je vriend of vriendin, voor je partner zogezegd, ook al heb je die misschien nog niet. Het maakt overigens niet veel uit of je al een relatie hebt. De persoon met wie je de relatie al dan niet al bent aangegaan zal anders beweren, maar vanaf het eerste ogenblik van de kennismaking, zal hij of zij jouw familie haten, en jij die van hem of haar. Dat is zeg maar een biologische wet.

Ik kan hier vele voorbeelden uit romans geven. Zonen die vaders uitschelden, moeders die dochters naar het leven staan, een oom die zich aan zijn kleine nichtje vergrijpt, een schoonmoeder die optreedt als stokebrand in een aanvankelijk goed huwelijk, en zo voort en zo verder. Je zou kunnen tegenwerpen dat dit allemaal in romans gebeurt, in literaire fictie, en dat het slechts verzinsels zijn. Een Nederlandse romanschrijver legde onlangs op tv uit dat het decor het belangrijkst is in een boek. Je zou daar gemakkelijk de volgende conclusie aan kunnen verbinden: wil je het een beetje overzichtelijk houden, dan zorg je ervoor dat dit decor niet te groot wordt, en dus laat je de leden uit één familie elkaar naar het leven staan. Zoiets. (De Nederlandse romanschrijver in kwestie maakt het zich overigens over het algemeen nog eenvoudiger: zijn decor is gewoon een stad in Italië, en daar brengt hij het ene cliché na het andere over te berde – goed om zich heen kijken ho maar!)

Dat familie er is om te haten zou op die manier geredeneerd zuiver een literaire strategie zijn. Maar zo werkt het natuurlijk niet in de praktijk. Ook in werkelijkheid haten familieleden elkaar. Júíst in werkelijkheid, literaire fictie is slechts een uitlaatklep, zodat deze gevoelens zich kunnen ontladen.

Overigens is het nog steeds een taboe. Over het algemeen vindt men dat je familieleden niet mag haten. Het wordt als onbeleefd beschouwd kritiek op familie te hebben. En dat maakt familie zo gevaarlijk. Iedereen houdt de schijn op dat familieleden van je houden en dat jij van je familieleden houdt. Maar dat is natuurlijk niet zo. Je bent gewend aan ze, maar ze verzieken met hun verregaande bemoeizucht je leven. Ergernissen etteren onuitgesproken door. Allerlei duistere machtsverhoudingen treden niet aan de oppervlakte.

Het beste is afscheid van ze te nemen zodra het kan. Voor je het weet, ben je veranderd in iemand die het over zijn ‘moedertje’ heeft, daarmee verwijzend naar het seniele takkewijf dat als tachtigjarige nog steeds de hele boel manipuleert door het inzetten van emotionele chantage. Het eren van je vader en moeder is een van die christelijke waarden die om duistere redenen lastig uit te roeien zijn. Ook vanuit zuiver ethisch oogpunt is het goed om familieleden bij elkaar weg te halen. Mensen worden nooit rijk omdat ze hard werken, maar altijd óf omdat ze enorm veel geluk hebben óf omdat er geld in de familie zit. Dat is natuurlijk niet bijzonder eerlijk.

Ik herinner me dat een van de zonen van de grote Amerikaanse schrijver Saul Bellow hem een keer een brief schreef en om geld vroeg. Geruststellend deelde hij mee dat het een lening betrof. De zoon was toen een jaar of vijfentwintig. Hij vond dat hij recht had op dat geld omdat zijn vader nooit naar hem had omgekeken en op deze manier kon hij het een beetje goedmaken. Dat schreef hij ook allemaal in de brief. Hij kreeg een brief terug en daarin zette Bellow uiteen dat hij zijn zoon geen geld zou lenen. Hij voegde eraan toe dat zijn zoon zich maar eens moest afvragen wat hij, Saul, aan hém had gehad. Ik meen me te herinneren dat Saul Bellow schreef: ‘Er zit nog niet eens een goed romanpersonage in je. Zelfs als bijfiguur kan ik je niet gebruiken.’

Het is zaak bijtijds afscheid te nemen van familie. Een mooi moment daarvoor is wanneer je het huis uitgaat en bijvoorbeeld in Amsterdam gaat studeren. Pak dat afscheid zo drastisch mogelijk aan. Ga op kamers wonen, of in een studentenflat, of desnoods onder een brug, en laat je thuis niet meer zien, ook niet in de weekends met een tas vuile was. Die doe je gewoon zelf. Leef je eigen leven. Maak vrienden en vriendinnen, die worden je nieuwe familie, met als grote voordeel dat je die mensen zelf hebt uitgezocht en dat ze niet opeens herinneren kunnen ophalen aan de tijd dat je nog klein was en allerlei gênante dingen deed. Familie zie je gedurende de eerste achttien jaar van je bestaan, en dan is het wel weer mooi geweest.

Als het coronavirus ons iets leert, dan is het dat: familie is uiteindelijk slecht voor je. Bovendien wil ik ook weleens een roman lezen die niet over de moeder van de hoofdpersoon gaat, maar gewoon over zijn vriendin. Dat is voor iedereen leuker. Maar vooral voor de lezer. En daar doen we het allemaal voor.

AS

Vrijwel alle kranten die op de kwestie ingaan schrijven dat er al langer geruchten gingen, maar bij ons thuis was sprake van wel meer dan geruchten: soms maakte de mobiele telefoon van mijn vrouw om drie uur ’s nachts, bijvoorbeeld net op het moment dat wij de liefde lagen te bedrijven, een geluid. Ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven, ik heb zelf geen mobiele telefoon. Ik hecht eraan dit expliciet te vermelden, volgens mij pleit dit me op voorhand van van alles en nog wat vrij. Maar goed: er klonk dus een geluid midden in de nacht, en even later liet mijn vrouw me lezen wat er op het schermpje stond: ‘Schatje, komende zaterdag wordt je boek in de krant besproken. Vijf sterren. Maakt dat je blij? Liefs.’

Dat is, hoe zal ik het zeggen, best wel een raar berichtje. Misschien moet ik dit hier langzaam laten indalen bij iedereen voordat we verder met zijn allen onze gedachten laten gaan over de stand van zaken van de literaire kritiek in Nederland in het algemeen en de stand van zaken van het bedrijven van literaire kritiek door de persoon die dit berichtje verstuurde in het bijzonder, en kan ik dat doen door een alinea te vullen met iets wat ons allen gelukkig stemt. Daar gaan we.

Wat ik aan literatuur belangrijk vind is sfeer: een fraai decor, personages, of zeg maar gerust mensen, die bewegen in en door een bepaalde atmosfeer en stofdeeltjes (ja, ik probeer ook maar van alles om de stemming goed te houden). Personages, of zeg maar gerust mensen, die kortom léven en die genieten van de lucht die ze op hun huid voelen of van de adem van een ander die ze in hun gezicht voelen blazen. Een raam dat frisse lucht binnenlaat. Een gordijn dat wordt opengeschoven. Het maanlicht dat naar binnen valt. De gedempte kleurschakeringen die hierdoor op het bed en op de muren ontstaan. De aangename warmte.

Gaat het met iedereen weer een beetje? Dan kan ik misschien een stapje verder zetten. Een in het duister oplichtend schermpje van een telefoon kan er op een bepaalde manier wel bij horen, vind ik, dat past fraai in het beschreven tafereel: een lichtje in de verder donkere nacht, op het maanlicht dat de kamer binnenstroomt na, een lichtje van een telefoonschermpje dat bijdraagt aan de schoonheid van het ogenblik. Ja, ik weet ook wel dat dit lichtje spoedig dooft, maar zo is het leven, en dat is eveneens fijn: aan alles komt een eind. Dat zorgt ervoor dat je meer geniet van wat je hebt, al is het dan maar gedurende een korte tijdsspanne.

En als ik het dan toch heb over dat alles wel of niet snel voorbijgaat: mijn vrouw en ik kennen de literaire criticus al behoorlijk lang. Voor de duidelijkheid en om een dreigend misverstand voor te zijn: mijn vrouw schrijft geen boeken, nog niet althans. Ik hoop dat ze ooit haar memoires zal schrijven (tenminste, dat zeg ik nú zonder kennis te hebben van wat daarin zou komen te staan). Wat ze wél doet: ze redigeert boeken en de boeken die ze redigeert worden soms besproken door de criticus die we dus al vrij lange tijd kennen. Misschien is het dus helemaal niet gek dat hij haar een dergelijk berichtje stuurt. Of stuurde, moet ik inmiddels zeggen, want hij is op non-actief gezet, dat is niemand binnen de literaire wereld, en misschien zelfs wel een beetje daarbuiten, ontgaan.

Ik stel voor dat we hier weer even met zijn allen kalm ademhalen: het is namelijk natuurlijk wél gek, maar wat ik hier vertel gaat nog veel gekker worden, dus als ik dit al meteen gek noem, dan weet ik niet welke woorden ik straks moet gebruiken om de diepte van de waanzin aan te geven waarin we hoe dan ook zullen belanden met deze criticus en in deze literaire wereld.

Hij is op non-actief gezet, schreef ik, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook echt weg is. Doeschka Meijsing schreef in 1998 al over deze criticus (in De Groene Amsterdammer) dat hij niet weg zou gaan, dat hij nooit weg zou gaan; hij kijkt als iemand tegen hem zegt ‘zou jij niet eens weggaan’ gewoon de lucht in. Ze vergelijkt hem met de kikkerlakei die Alice de weg verspert: ‘Al de tijd dat hij aan het woord was, keek hij de lucht in, en dit achtte Alice stellig ongemanierd.’ (Ik ben een biografie over Lewis Carroll aan het lezen, vandaar deze belangstelling.)

Goed. Een andere keer, een andere nacht, een donderdagnacht denk ik, dezelfde vrouw en dezelfde man (ik). Haar mobieltje maakt een geluid en licht op op het nachtkastje dat aan de rand van ons bed staat, aan haar kant. Er komt een berichtje binnen van de criticus. Mijn vrouw laat het me na het door ons bedrijven van de liefde lezen. Er staat: ‘Schatje, komende zaterdag kraak ik het boek van [en daar staat mijn naam]. Maar wij blijven toch wel vrienden, hè? Kusje.’

Ik ben schrijver, ik sta boven kritiek, ik ben een stoïcijn. ‘Iets om naar uit te kijken,’ zeg ik. Ik tuur naar ons raam, naar het gordijn dat een beetje is opengeschoven, we wonen zo hoog en zo ver van ze vandaan dat de buren waarschijnlijk niet echt bij ons naar binnen kunnen kijken. Het maanlicht schijnt onze kamer in.

De zaterdag erop stond inderdaad de recensie in de krant, twee sterren meen ik me te herinneren. De roman in kwestie was mijn overal elders lovend besproken roman Maans stilte (zelfs van Pieter Waterdrinker kreeg ik een berichtje dat hij het een mooi boek vond; echt waar, ik lieg hier niets). Het is een roman waarin een MeToo-kwestie een rol speelt. Dat laatste berichtje van de criticus dat ik hier citeerde en dat mijn vrouw dus midden in de nacht kreeg was ik vergeten. Of ik had het verdrongen. Maar onlangs schoot het me weer te binnen. Om precies te zijn: het schoot me zojuist te binnen, terwijl ik dit stuk zit te schrijven. Zo zie je maar weer dat schrijven goed voor je is: allerlei zaken die je was vergeten keren terug in je geheugen.

AS

In een tijd waarin dankzij het coronavirus geen enkel festival doorgaat omdat we ons niet meer dicht op elkaar gepakt met zijn allen in één ruimte mogen bevinden – en dat wíllen we ook niet, want we willen niet ziek worden of anderen ziek maken, al wil ik voor mijn bejaarde schoonmoeder graag een uitzondering maken, maar die overleeft helaas altijd alles (ze is het type dat glas vermorzelt met haar tanden en ratten wurgt met haar handen, om met mijn lievelingsschrijver P.G. Wodehouse te spreken, of hoe was het ook alweer, de hele dag zit ik maar met boeken om me heen, heerlijk) –, wordt nu doorgepakt en adviseren subsidieraadgeefcommissies dat veel van die podia überhaupt overbodig zijn. Ik vind dat ze daar gelijk in hebben, zeker als die optredens de suggestie wekken dat ze iets verheffends bieden of met literatuur te maken hebben. Of iets verheffends bieden omdát ze met literatuur te maken hebben.

De wijze van argumenteren van die adviescommissies is misschien niet altijd even elegant. Ze hebben het vaak over verbinding en het tegengaan van uitsluiting. Ze hebben het kortom over van alles en nog wat, behalve over kunst. En bij de hier en daar geconstateerde belangenverstrengeling van commissieleden (mensen die in de culturele sector hun brood verdienen zijn doorgaans, zeker als ze zich aan de organisatiekant ervan bevinden, waar trouwens ook het meeste geld valt te verdienen, halve criminelen) kun je ook enkele treffende kanttekeningen plaatsen. Maar, wees eerlijk, en dat is waar het immers om gaat, hebt u ooit een literair festival bezocht dat, zeg maar, ook maar een béétje leuk of interessant was? Nee, je begeeft je er per definitie tussen krankzinnigen, hypocrieten, megalomanen en narcisten. Daar bestaat het publiek uit en de mensen die optreden zijn van hetzelfde laken een pak.

Literatuur hoort in stilte te worden genoten, thuis, en bijvoorbeeld niet aan de rand van het zwembad of liggend op het strand, en er moet zéker niet naar worden gelúísterd, onder geen enkel beding, zelfs al zou God Zélf de Bijbel inclusief alle apocriefe evangeliën komen voordragen. (Voordragen, het woord alleen al zorgt ervoor dat het me zwart voor ogen wordt.) Stel: je zit rustig thuis, en de telefoon gaat, en toch al zuchtend sta je op om die aan te nemen, en aan de andere kant klinkt een stem en die begint, ja, wat is het, een gedicht voor te lezen – dan wil je immers subiet dood? Er is zó veel rumoer rondom literatuur dat de literatuur zelf eronder dreigt te bezwijken, wat zeg ik, al bezweken is! Literaire festivals hebben nooit wérkelijk iets met literatuur te maken, evenmin als dat het geval is met literaire evenementen in, ik zeg maar wat, boekwinkels. Ook boekwinkels lijken trouwens verzamelplaatsen te zijn voor halvegaren, of waren, moet ik tot mijn opluchting zeggen, want er mogen er inmiddels nog maar twee tegelijk naar binnen. Ik zou zeggen: ook hier zou kunnen worden doorgepakt: wat is er precies tegen dat we onze boeken uitsluitend nog via de post bestellen?

Maar terug naar mijn hoofdonderwerp: literaire festivals zijn zelden alleen literaire festivals, want de organisatoren begrijpen zelf ook dat het dan een wel erg duffe boel zou worden. Het zijn, zoals bijvoorbeeld het Crossing Border Festival in Den Haag dat is, of was moet ik inmiddels gelukkig schrijven, want dankzij de wijsheid van de subsidieadviescommissie zal dit festival van de agenda worden geschrapt, gecombineerde festivals waar ook lekker veel popmuziek geprogrammeerd staat. Bands op een podium, daar valt iets voor te zeggen, dat is logisch, dat snap je. De langspeelplaat is indertijd uitgevonden omdat het nu eenmaal niet mogelijk is de hele band van je voorkeur voortdurend in je huiskamer te laten optreden. Hoe anders is dat met de literatuur! Een boek is niet ontwikkeld als alternatief voor de optredende schrijver. Het is andersom: de optredende schrijver is een alternatief voor het boek dat je in alle rust, en met de daarbij passende concentratie, en tegen een schappelijk bedrag aangeschaft (dat boek bedoel ik, dat is dus veel goedkoper dan zo’n takkeduur of, zoals ze in Den Haag zeggen, kankerduur kaartje van een festival), thuis tot je kunt nemen. Je moet er niet aan denken dat, ik noem maar iemand, Pieter Waterdrinker zijn nieuwe boek bij je op de bank zittend komt voorlezen.

Dat is over het algemeen het probleem van die gecombineerde festivals: niemand die werkelijk van lezen houdt zit erop te wachten dat de auteur van wie hij of zij het boek zou willen lezen dat boek ook komt vóórlezen. Dus de mensen die zogenaamd voor de literatuur naar die festivals gaan, houden in werkelijkheid in het geheel niet van literatuur. Ze houden van mensen die voorlezen. Nu is dat al een apart slag mensen. Mensen die ervan houden te worden voorgelezen, hoe oud zijn die precies? We hebben het kortom over kleuters of over fysiek volwassen mensen die geestelijk nooit uit hun kleutertijd zijn gekomen. En zelfs de kleuter die graag wordt voorgelezen kunnen we niet beschouwen als het prettigste type kleuter. Kleine kinderen die met plezier worden voorgelezen zijn over het algemeen nogal achterbaks.

Goed. Je stapt dus de zaal in waar de literatuur plaatsvindt, wordt voorgelezen, of hoe zeg je dat? De verstandige mensen staan allemaal in de zaal waar de band optreedt. Je bevindt je al met al tussen achterbakse, geestelijk onvolgroeide boomers en je luistert naar een of andere aansteller die niet tevreden is dat je zijn boek thuis leest, maar die je ook er nog eens uit wil voorlezen. Is dit cultuur? Is dit verheffend? Is dit literatuur? Nee, dit is de hel. De hel is een literair festival. Goed dat ze worden afgeschaft.

AS

Archief