AS

Vrijwel alle kranten die op de kwestie ingaan schrijven dat er al langer geruchten gingen, maar bij ons thuis was sprake van wel meer dan geruchten: soms maakte de mobiele telefoon van mijn vrouw om drie uur ’s nachts, bijvoorbeeld net op het moment dat wij de liefde lagen te bedrijven, een geluid. Ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven, ik heb zelf geen mobiele telefoon. Ik hecht eraan dit expliciet te vermelden, volgens mij pleit dit me op voorhand van van alles en nog wat vrij. Maar goed: er klonk dus een geluid midden in de nacht, en even later liet mijn vrouw me lezen wat er op het schermpje stond: ‘Schatje, komende zaterdag wordt je boek in de krant besproken. Vijf sterren. Maakt dat je blij? Liefs.’

Dat is, hoe zal ik het zeggen, best wel een raar berichtje. Misschien moet ik dit hier langzaam laten indalen bij iedereen voordat we verder met zijn allen onze gedachten laten gaan over de stand van zaken van de literaire kritiek in Nederland in het algemeen en de stand van zaken van het bedrijven van literaire kritiek door de persoon die dit berichtje verstuurde in het bijzonder, en kan ik dat doen door een alinea te vullen met iets wat ons allen gelukkig stemt. Daar gaan we.

Wat ik aan literatuur belangrijk vind is sfeer: een fraai decor, personages, of zeg maar gerust mensen, die bewegen in en door een bepaalde atmosfeer en stofdeeltjes (ja, ik probeer ook maar van alles om de stemming goed te houden). Personages, of zeg maar gerust mensen, die kortom léven en die genieten van de lucht die ze op hun huid voelen of van de adem van een ander die ze in hun gezicht voelen blazen. Een raam dat frisse lucht binnenlaat. Een gordijn dat wordt opengeschoven. Het maanlicht dat naar binnen valt. De gedempte kleurschakeringen die hierdoor op het bed en op de muren ontstaan. De aangename warmte.

Gaat het met iedereen weer een beetje? Dan kan ik misschien een stapje verder zetten. Een in het duister oplichtend schermpje van een telefoon kan er op een bepaalde manier wel bij horen, vind ik, dat past fraai in het beschreven tafereel: een lichtje in de verder donkere nacht, op het maanlicht dat de kamer binnenstroomt na, een lichtje van een telefoonschermpje dat bijdraagt aan de schoonheid van het ogenblik. Ja, ik weet ook wel dat dit lichtje spoedig dooft, maar zo is het leven, en dat is eveneens fijn: aan alles komt een eind. Dat zorgt ervoor dat je meer geniet van wat je hebt, al is het dan maar gedurende een korte tijdsspanne.

En als ik het dan toch heb over dat alles wel of niet snel voorbijgaat: mijn vrouw en ik kennen de literaire criticus al behoorlijk lang. Voor de duidelijkheid en om een dreigend misverstand voor te zijn: mijn vrouw schrijft geen boeken, nog niet althans. Ik hoop dat ze ooit haar memoires zal schrijven (tenminste, dat zeg ik nú zonder kennis te hebben van wat daarin zou komen te staan). Wat ze wél doet: ze redigeert boeken en de boeken die ze redigeert worden soms besproken door de criticus die we dus al vrij lange tijd kennen. Misschien is het dus helemaal niet gek dat hij haar een dergelijk berichtje stuurt. Of stuurde, moet ik inmiddels zeggen, want hij is op non-actief gezet, dat is niemand binnen de literaire wereld, en misschien zelfs wel een beetje daarbuiten, ontgaan.

Ik stel voor dat we hier weer even met zijn allen kalm ademhalen: het is namelijk natuurlijk wél gek, maar wat ik hier vertel gaat nog veel gekker worden, dus als ik dit al meteen gek noem, dan weet ik niet welke woorden ik straks moet gebruiken om de diepte van de waanzin aan te geven waarin we hoe dan ook zullen belanden met deze criticus en in deze literaire wereld.

Hij is op non-actief gezet, schreef ik, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook echt weg is. Doeschka Meijsing schreef in 1998 al over deze criticus (in De Groene Amsterdammer) dat hij niet weg zou gaan, dat hij nooit weg zou gaan; hij kijkt als iemand tegen hem zegt ‘zou jij niet eens weggaan’ gewoon de lucht in. Ze vergelijkt hem met de kikkerlakei die Alice de weg verspert: ‘Al de tijd dat hij aan het woord was, keek hij de lucht in, en dit achtte Alice stellig ongemanierd.’ (Ik ben een biografie over Lewis Carroll aan het lezen, vandaar deze belangstelling.)

Goed. Een andere keer, een andere nacht, een donderdagnacht denk ik, dezelfde vrouw en dezelfde man (ik). Haar mobieltje maakt een geluid en licht op op het nachtkastje dat aan de rand van ons bed staat, aan haar kant. Er komt een berichtje binnen van de criticus. Mijn vrouw laat het me na het door ons bedrijven van de liefde lezen. Er staat: ‘Schatje, komende zaterdag kraak ik het boek van [en daar staat mijn naam]. Maar wij blijven toch wel vrienden, hè? Kusje.’

Ik ben schrijver, ik sta boven kritiek, ik ben een stoïcijn. ‘Iets om naar uit te kijken,’ zeg ik. Ik tuur naar ons raam, naar het gordijn dat een beetje is opengeschoven, we wonen zo hoog en zo ver van ze vandaan dat de buren waarschijnlijk niet echt bij ons naar binnen kunnen kijken. Het maanlicht schijnt onze kamer in.

De zaterdag erop stond inderdaad de recensie in de krant, twee sterren meen ik me te herinneren. De roman in kwestie was mijn overal elders lovend besproken roman Maans stilte (zelfs van Pieter Waterdrinker kreeg ik een berichtje dat hij het een mooi boek vond; echt waar, ik lieg hier niets). Het is een roman waarin een MeToo-kwestie een rol speelt. Dat laatste berichtje van de criticus dat ik hier citeerde en dat mijn vrouw dus midden in de nacht kreeg was ik vergeten. Of ik had het verdrongen. Maar onlangs schoot het me weer te binnen. Om precies te zijn: het schoot me zojuist te binnen, terwijl ik dit stuk zit te schrijven. Zo zie je maar weer dat schrijven goed voor je is: allerlei zaken die je was vergeten keren terug in je geheugen.

AS

In een tijd waarin dankzij het coronavirus geen enkel festival doorgaat omdat we ons niet meer dicht op elkaar gepakt met zijn allen in één ruimte mogen bevinden – en dat wíllen we ook niet, want we willen niet ziek worden of anderen ziek maken, al wil ik voor mijn bejaarde schoonmoeder graag een uitzondering maken, maar die overleeft helaas altijd alles (ze is het type dat glas vermorzelt met haar tanden en ratten wurgt met haar handen, om met mijn lievelingsschrijver P.G. Wodehouse te spreken, of hoe was het ook alweer, de hele dag zit ik maar met boeken om me heen, heerlijk) –, wordt nu doorgepakt en adviseren subsidieraadgeefcommissies dat veel van die podia überhaupt overbodig zijn. Ik vind dat ze daar gelijk in hebben, zeker als die optredens de suggestie wekken dat ze iets verheffends bieden of met literatuur te maken hebben. Of iets verheffends bieden omdát ze met literatuur te maken hebben.

De wijze van argumenteren van die adviescommissies is misschien niet altijd even elegant. Ze hebben het vaak over verbinding en het tegengaan van uitsluiting. Ze hebben het kortom over van alles en nog wat, behalve over kunst. En bij de hier en daar geconstateerde belangenverstrengeling van commissieleden (mensen die in de culturele sector hun brood verdienen zijn doorgaans, zeker als ze zich aan de organisatiekant ervan bevinden, waar trouwens ook het meeste geld valt te verdienen, halve criminelen) kun je ook enkele treffende kanttekeningen plaatsen. Maar, wees eerlijk, en dat is waar het immers om gaat, hebt u ooit een literair festival bezocht dat, zeg maar, ook maar een béétje leuk of interessant was? Nee, je begeeft je er per definitie tussen krankzinnigen, hypocrieten, megalomanen en narcisten. Daar bestaat het publiek uit en de mensen die optreden zijn van hetzelfde laken een pak.

Literatuur hoort in stilte te worden genoten, thuis, en bijvoorbeeld niet aan de rand van het zwembad of liggend op het strand, en er moet zéker niet naar worden gelúísterd, onder geen enkel beding, zelfs al zou God Zélf de Bijbel inclusief alle apocriefe evangeliën komen voordragen. (Voordragen, het woord alleen al zorgt ervoor dat het me zwart voor ogen wordt.) Stel: je zit rustig thuis, en de telefoon gaat, en toch al zuchtend sta je op om die aan te nemen, en aan de andere kant klinkt een stem en die begint, ja, wat is het, een gedicht voor te lezen – dan wil je immers subiet dood? Er is zó veel rumoer rondom literatuur dat de literatuur zelf eronder dreigt te bezwijken, wat zeg ik, al bezweken is! Literaire festivals hebben nooit wérkelijk iets met literatuur te maken, evenmin als dat het geval is met literaire evenementen in, ik zeg maar wat, boekwinkels. Ook boekwinkels lijken trouwens verzamelplaatsen te zijn voor halvegaren, of waren, moet ik tot mijn opluchting zeggen, want er mogen er inmiddels nog maar twee tegelijk naar binnen. Ik zou zeggen: ook hier zou kunnen worden doorgepakt: wat is er precies tegen dat we onze boeken uitsluitend nog via de post bestellen?

Maar terug naar mijn hoofdonderwerp: literaire festivals zijn zelden alleen literaire festivals, want de organisatoren begrijpen zelf ook dat het dan een wel erg duffe boel zou worden. Het zijn, zoals bijvoorbeeld het Crossing Border Festival in Den Haag dat is, of was moet ik inmiddels gelukkig schrijven, want dankzij de wijsheid van de subsidieadviescommissie zal dit festival van de agenda worden geschrapt, gecombineerde festivals waar ook lekker veel popmuziek geprogrammeerd staat. Bands op een podium, daar valt iets voor te zeggen, dat is logisch, dat snap je. De langspeelplaat is indertijd uitgevonden omdat het nu eenmaal niet mogelijk is de hele band van je voorkeur voortdurend in je huiskamer te laten optreden. Hoe anders is dat met de literatuur! Een boek is niet ontwikkeld als alternatief voor de optredende schrijver. Het is andersom: de optredende schrijver is een alternatief voor het boek dat je in alle rust, en met de daarbij passende concentratie, en tegen een schappelijk bedrag aangeschaft (dat boek bedoel ik, dat is dus veel goedkoper dan zo’n takkeduur of, zoals ze in Den Haag zeggen, kankerduur kaartje van een festival), thuis tot je kunt nemen. Je moet er niet aan denken dat, ik noem maar iemand, Pieter Waterdrinker zijn nieuwe boek bij je op de bank zittend komt voorlezen.

Dat is over het algemeen het probleem van die gecombineerde festivals: niemand die werkelijk van lezen houdt zit erop te wachten dat de auteur van wie hij of zij het boek zou willen lezen dat boek ook komt vóórlezen. Dus de mensen die zogenaamd voor de literatuur naar die festivals gaan, houden in werkelijkheid in het geheel niet van literatuur. Ze houden van mensen die voorlezen. Nu is dat al een apart slag mensen. Mensen die ervan houden te worden voorgelezen, hoe oud zijn die precies? We hebben het kortom over kleuters of over fysiek volwassen mensen die geestelijk nooit uit hun kleutertijd zijn gekomen. En zelfs de kleuter die graag wordt voorgelezen kunnen we niet beschouwen als het prettigste type kleuter. Kleine kinderen die met plezier worden voorgelezen zijn over het algemeen nogal achterbaks.

Goed. Je stapt dus de zaal in waar de literatuur plaatsvindt, wordt voorgelezen, of hoe zeg je dat? De verstandige mensen staan allemaal in de zaal waar de band optreedt. Je bevindt je al met al tussen achterbakse, geestelijk onvolgroeide boomers en je luistert naar een of andere aansteller die niet tevreden is dat je zijn boek thuis leest, maar die je ook er nog eens uit wil voorlezen. Is dit cultuur? Is dit verheffend? Is dit literatuur? Nee, dit is de hel. De hel is een literair festival. Goed dat ze worden afgeschaft.

AS

De bel ging en in de tijd vóór we in quarantaine zaten leverde dat al de nodige paniek op, maar nu vlogen we meteen alle kanten uit. Het was ook zo’n raar tijdstip: net voor het eten. Maar daar bleek het juist om te doen te zijn, dat eten. Ik drukte – ja, je bent de man in huis of niet – na even diep te hebben ingeademd en mijn vrouw en mijn dochter tot kalmte te hebben gemaand op het knopje waarmee beneden de deur openging en met veel kabaal kwam een zwaarlijvige gestalte de trap op stommelen, onder de arm hield hij een plastic tas geklemd.

‘Ik ben je plaatselijke boekhandelaar!’ riep hij uit. ‘Ik heb je oproep op Twitter gezien en ik kom mee-eten! Support your local!’ Wat had ik nu weer op Twitter geplaatst? Ik herinnerde me het weer. Een grapje over boekhandelaren die we te eten zouden geven omdat ze het zo moeilijk hadden. Dat was dus niet handig geweest. ‘Anderhalve meter!’ riep ik op mijn beurt uit. ‘Ja, rustig maar,’ antwoordde de boekhandelaar. ‘Ik ben op de hoogte van de voorschriften.’ Hij kwam inderdaad keurig op tijd tot stilstand, nog zwaar nahijgend van het beklimmen van de traptreden. ‘Hoe hoog woon jij wel niet?’ vroeg hij toen hij weer kon praten. Hij keek met enig dedain om zich heen. ‘Wat een armetierige zooi. Nou, mag ik nog naar binnen, of hoe zit dat?’

Even later zat hij bij ons aan tafel. ‘Dat gaat precies,’ zei hij. Ik bekeek hem nog eens goed. Hij had een artistieke baret op zijn hoofd, droeg een oranjekleurige bril en had kleren aan die niet direct in de richting van grote armoede wezen. Hij had een gebruind gelaat; dat verried veel zonovergoten vakanties in het buitenland.

‘Wat veel boeken hebben jullie,’ had hij verzucht toen hij was gaan zitten. ‘Een breed assortiment, een gevarieerd aanbod. Dat kunnen wij ons in de winkel niet permitteren. Daar houden we alleen nog maar de bestsellers op voorraad. Ja, als je iets anders wilt, dan kun je dat wel bestellen. Je moet met je tijd meegaan, hè! Wij leveren bestellingen op maat. Bestel je bij ons een bepaald boek, dan sturen we je dát boek op en niet een ander boek. Je hebt het gegarandeerd binnen vier maanden binnen. Mooi persoonlijk kaartje van je lokale boekhandelaar erbij. Een boekenlegger van de winkel. Een euro of vijfentwintig verzendkosten. Ja, de kachel moet ook roken. Helemaal top!’ Hij keek even paniekerig om zich heen. ‘O ja, dat zou ik bijna vergeten. Het verrassingsboekenpakket!’ Hij had de plastic tas die hij even kwijt leek te zijn weer in de smiezen gekregen, pakte die en zette die op tafel. ‘Afgestemd op de persoonlijke voorkeuren van de boekhandelaar, de klant bedoel ik. Niet verlegen zijn, pak maar.’

In de plastic tas bleken drie boeken te zitten. Ilja Leonard Pfeijffer, Manon Uphoff en Pieter Waterdrinker. ‘Geheimtips,’ zei de boekhandelaar samenzweerderig. ‘Weleens van gehoord? We raden ze aan iedereen aan. We luisteren naar wat de klant wil en dan komen we toch telkens weer uit bij Ilja Leonard Pfeijffer. Perfect systeem. Dat is net even dat persoonlijke stukje advies dat je van je plaatselijke boekhandelaar krijgt.’ Hij pakte uit een broekzak een papiertje. ‘De factuur. Drie romans. Door mij bij jou thuisbezorgd. Plus wat extra in rekening gebracht om de stenen boekhandel overeind te houden, zonder welke, mooi gezegd, zonder welke… waar was ik, ja, zonder welke immers het straatbeeld totaal zou verarmen. Leve de cultuur! Dat is honderdvijftig euro.’ Hij zweeg even en zei toen: ‘Waar blijft het eten?’

Ik had al aan mijn dochter, die de schalen en borden nu op tafel begon te zetten, stiekem in de keuken uitgelegd dat hij de plaatselijke boekhandelaar was, ook wel ‘de boekhandelaar van om de hoek’ genoemd, en dat we hem met respect moesten bejegenen. ‘Hij verkeert in zwaar weer,’ had ik gezegd. ‘Het water staat hem aan de lippen. Als je denkt dat ze het in de zorg moeilijk hebben, denk dan nog een keer. Het is onbegrijpelijk dat er niet elke dag door de mensen op balkons voor de plaatselijke boekhandelaar wordt gezongen en geklapt. Helden! Dat zijn het!’ Mijn vrouw begon de boekhandelaar op te scheppen. ‘Hoeveel wil je?’ vroeg ze (ze tutoyeerde hem; ze is redactrice en zit dus ook in het boekenvak). ‘Minstens veertig procent,’ antwoordde de boekhandelaar. Hij nam een slok van zijn wijn. ‘Hm… dat kan beter… Wat verdien jij eigenlijk?’ vroeg hij aan mij. ‘Tien procent, hè, per verkocht boek. Ik vraag me trouwens af waar ze jouw boeken verkopen. Bij mij komt die rotzooi er niet in. Maar goed, dat moet je natuurlijk zelf weten, dat je literatuur schrijft.’ Hij trok een vies gezicht. Het was niet helemaal duidelijk of dat met de wijn of met het woord ‘literatuur’ te maken had.

Plotseling had hij een stapel systeemkaartjes voor zich liggen en die begon hij druk te beschrijven. Daarna legde hij ze een voor een bij de schalen met eten. ‘Meeslepende aardappels. Je persoonlijke tip van je plaatselijke boekhandelaar,’ schreef hij er op een. ‘Doperwten die je leven veranderen’, ‘ontroerend’ (dat sloeg op de sla), ‘deze veganworstjes raken me, écht!’ ‘Dat hoeft niet, met die kaartjes,’ zei ik. ‘O, macht der gewoonte,’ zei de boekhandelaar. ‘Kom, vertel eens,’ zei hij, nadat hij een boek uit onze kasten had geplukt. ‘Wat is dit?’ ‘Een boek,’ zei ik. ‘Jammer, niet alle pagina’s zijn helemaal bedrukt.’ ‘Het is een dichtbundel,’ zei ik. ‘O,’ zei de boekhandelaar. ‘Een dichtbundel. Nee, dat zegt me niks. Of ja, vroeger hadden we die wel in de winkel. Maar die raakten we aan de straatstenen niet kwijt. Zijn we mee gestopt. Smakelijke voortzetting, hè!’

AS

Amsterdam, woensdag 8 april 2020. In hoeverre is de buitenwereld voor een schrijver, of laat ik maar gewoon zeggen voor mij, een inspiratiebron? Er zijn enkele plekken waar ik graag naartoe ga, en dat is nu niet meer mogelijk. Maar leidde dat weggaan toch al niet gewoon af van wat ik werkelijk moet doen, namelijk hier – thuis – zitten en schrijven en dat wat ik heb geschreven via de mail versturen zodat andere mensen er een boek of een artikel van kunnen maken die weer andere mensen nadat ze het boek of het tijdschrift waarin mijn artikel staat bij hun lokale boekhandel hebben besteld en hun postbode het voor de deur heeft gelegd of onderaan de trap heeft gedeponeerd waarbij elke fysieke nabijheid tussen postbode en die belangstellende lezers is vermeden op hun gemak thuis kunnen gaan zitten lezen? (Je zult maar geen tuin of balkon hebben waarin of waarop je op je gemak de voorafgaande enigszins ontsporende zin – maar op welk moment dat precies gebeurde valt moeilijk te zeggen – hebt kunnen lezen.)

Ik droom naar, ik droom heel naar, de laatste tijd. Wat vooral naar is, is dat ik zo vaak droom. Wees niet bang, ik ga mijn dromen hier niet navertellen, voor zover dat ook maar enigszins mogelijk zou zijn, want ze worden gekenmerkt door een diepe angst en niet zozeer door een helder te volgen sequentie van gebeurtenissen. Maar bovendien schijn je dat niet te mogen doen, je dromen navertellen (zoals je ook nooit een zin met het woord ‘maar’ mag beginnen), dat vindt iedereen heel vervelend, maar blijkbaar laat de hele situatie in quarantaine me niet onberoerd. Natuurlijk, ik kan nog wel een beetje naar buiten, als ik daar behoedzaam mee om zou springen, maar wat zou ik daar moeten doen? Cafés zijn dicht, de bioscoop is dicht, in een winkel kun je alleen onder allerlei beperkende voorwaarden naar binnen. De twee keer dat ik buiten ben geweest, mijn huis uit, gingen mensen ruzie met me maken. Een Marokkaan – die uiterst moeizaam zijn auto aan het inparkeren was – vond dat ik te lang naar hem keek en een bekakt wit stel meende dat ik de magazijntrolleys van een supermarkt niet goed had vastgezet alleen maar omdat ik (en ik meende daarmee een goede daad te verrichten) er een probeerde tegen te houden die op de stoep door de wind op drift was geraakt; hij dreigde tegen een geparkeerde auto aan te rollen. (Wat heb ik trouwens met auto’s te maken? Ik ben tegen auto’s en autobezitters; mensen die een auto hebben weten dat niet van zichzelf, maar ze zijn natuurlijk misdadigers, zoals ook mensen met een eigen huis dat zijn.) Ik mis buiten helemaal niet, toch droom ik over buiten. Blijkbaar mis ik wel íéts, maar is het lastig de vinger te leggen op wat dan precies. Ik moet denken aan de slotzinnen van Sabbaths theater van Philip Roth: ‘En hij kon het niet. Hij kon verdomme niet doodgaan. Hoe kon hij vertrekken? Hoe kon hij gaan? Alles wat hij haatte was hier.’

En zo is de dood verschenen in dit schrijven, en denk ik aan de dood, dan denk ik al snel aan Pieter Waterdrinker. Dat is niet omdat hij zo mooi over de dood zou schrijven – dat is niet het geval – maar omdat hij een, en misschien zelfs wel dé, vertegenwoordiger is van wat er mankeert aan veel ‘literatuur’ van onze tijd: die ‘literatuur’ is imitatie (vandaar de aanhalingstekens), en ook nog eens slechte imitatie. Pieter Waterdrinker is de Rumagtekstschijver van de Nederlandse literatuur. We kunnen het Pieter niet eens helemaal kwalijk nemen, want die doet met zijn beperkte verstandelijke vermogens op zijn door rancuneuze gevoelens voortgedreven wijze ook maar zijn opportunistische best. Nee, het zijn vooral zijn fans die je bijkans tot waanzin drijven met hun kritiekloze bewondering.

Pieter Waterdrinker manifesteert zich ook op Twitter. Hij bedreigt en beschimpt mensen, schijnbaar in het wilde weg maar altijd met een berekenend doel, om vervolgens weer als het hem commercieel zo uitkomt opeens iemand (een recensent, een boekhandelaar, iemand die hem vooruit kan helpen in de literaire wereld, een redacteur) buitenissig te complimenteren. Pieter is op Twitter een uitgesproken agressieve en dan weer plotseling liefdevolle ADHD’er. Hij heeft de ene belegen stoplap nog niet de wereld in geslingerd of daar volgt alweer een nieuwe clichématige verzuchting; wat dat betreft onderscheidt hij zich niet van nogal wat andere twitteraars.

Het vreselijkst is hij echter wanneer hij iets over Nabokov of Dostojevski of Reve opmerkt. Het is altijd feitenvrije kennis die hij met ons deelt. Hij vertelt bijvoorbeeld een anekdote over Reve, citeert uit zijn hoofd en prompt verkeerd, en wekt überhaupt niet de indruk dat hij ooit een boek van Reve heeft opengeslagen. Maar hij neemt het voor Reve op! Zijn fans denken ook echt dat hij het voor Reve opneemt, omdat zij evenmin ooit een boek van Reve hebben opengeslagen of weten waarover ze het hebben. Pieter gebruikt de literatuur van anderen zoals ze dat bij Ikea doen: die boeken staan in de toonzalen in de kast, het zijn fascinerende titels, maar dat is hun functie: ze staan in de kast. De literatuur is in de handen van Pieter en zijn fans volledig dood.

Een volgende keer vertel ik over die ochtend dat ik Pieter in de trein tegenkwam en hoe Pieter meteen in grote woede ontstak toen ik vriendelijk ‘Dag, Pieter’ zei. Gelukkig zitten we tegenwoordig allebei veilig binnen. Er is meer dan genoeg narigheid in de wereld, en ook al ruimschoots voldoende bij mij thuis.

AS

Het coronavirus haalt bij de mensen die, zoals dat zo lelijk heet, ‘in het boekenvak werken’ het slechtste naar boven. Ik weet dat het niet goed gaat met ‘de markt’, dat de ene stenen winkel na de andere voor altijd de deuren moet sluiten en dat uitgeverijen zich gedwongen zien op te gaan in grotere concerns waarna we nooit meer iets van die kleine sympathieke bedrijven, met hun grijpgrage seksistische uitgeefbaasjes aan het roer (die weggesluisd worden naar een minder belangrijke functie waar ze weliswaar hun MeToo- achtige activiteiten kunnen voortzetten maar minder op de voorgrond treden), horen, maar het aangrijpen van deze gezondheidscrisis om smakeloze reclamecampagnes op te zetten lijkt me niet de redding van de business. Laat het echter gerust aan de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) over om iets wat in beginsel zo smaakvol zou kunnen zijn – namelijk het lezen van een boek in alle rust thuis – te doen verworden tot een ranzige commerciële bezigheid.

En zo zaten we opeens op de sociale media opgescheept met #ikleesthuis – een hashtag die was bedacht door een publiciteitsgeile kinderboekenschrijfster en die werd omarmd door iedereen in de boekenbusiness die het fijn vindt een dansje uit te voeren op een nauwelijks afgekoeld lijk. (Of beter meervoud, lijken; het dodenaantal loopt nog altijd op.) Iedere in financiële paniek gebrachte uitgever en alle medewerkers van die uitgever begonnen de hashtag te gebruiken – de medewerkers deden dat min of meer gedwongen omdat als ze niet leuk mee zouden doen er werd gedreigd met ontslag – in een wanhopige poging de grootst mogelijke leesbagger aan de voor het virus beduchte man (vrouw/anders) te brengen. Goedwillende idioten begonnen in hun tweets eveneens gebruik te maken van #ikleesthuis, en de CPNB zorgde voor de nodige verkooptechnische ondersteuning in de vorm van beeldmateriaal (posters) en online banners: ‘Deze leesbevorderende campagne met het “thuislezen” roept mensen op naar hun (online) boekhandel te gaan.’

Op die manier was het begrip ‘thuislezen’ geboren, tussen aanhalingstekens, want als de CPNB het over lezen heeft, heeft ze het in werkelijkheid altijd over het verkopen van boeken en leesbevordering is ook al niet wat het woord lijkt te zijn: het is verkoopbevordering. Daarbij wordt niet geschroomd allerlei drogredeneringen in te zetten. Eveline Aendekerk, de directeur van de CPNB, legde uit dat boeken voor ‘een beetje troost, ontspanning en ontsnapping zorgen’. Ze liet dit volgen door de toverformule van onze tijd: ‘Maar boeken kunnen ook nu voor verbinding zorgen’, en die verbinding kan worden bereikt door ‘bijvoorbeeld’ (o, gruwel) ‘elkaar voor te lezen’. Waar dat ‘bijvoorbeeld’ op slaat is me onduidelijk, want wat kun je anders doen dan een boek lezen of voorlezen? Ja, je zou het kunnen verbranden, maar een gezellig kampvuurtje zal wel weer niet onder de definitie vallen van de CPNB van wat verbinding is. Ik lees trouwens altijd thuis, en nooit voor – ik hou niet van voorlezen of van voorgelezen worden, op de lagere school vond ik het al een verschrikking als de meester een boek pakte en met ons die troep deelde waarvan hij dacht dat het leuk of mooi was – en van verbinding moet ik ook niets hebben, ik ben al verbonden genoeg, ik lees juist om even niet verbonden te zijn.

Maar het gaat allemaal nog verder. Op de sociale media werden al snel filmpjes vertoond van ‘schrijvers’ (ook dit zet ik tussen aanhalingstekens, want ik zag dat de alom aanwezige Jaap Robben meteen in actie was gekomen) die boeken van ándere schrijvers (maar wel van hetzelfde uitgeefhuis natuurlijk) gingen zitten aanraden. Een perpetuum mobile van elkaar incestueus naar voren schuivende schrijvers ontstond. Zogenaamd spontaan, maar stuk voor stuk onder dezelfde noemer vallend: #ikleesthuis, en ertoe aangezet door hun uitgever. Iedereen, dat wil zeggen de gewone man en vrouw, las inmiddels op deze manier commercieel aangedreven en lijdend aan een enorm schuldgevoel thuis, behalve de medewerkers van de CPNB, want die begonnen prompt rancuneus na te trappen. Zo twitterde CPNB-medewerker Job Jan Altena: ‘Als ik niet nu moest thuiswerken, dan was het nu #ikleesthuis (in de zon).’ Ja, je hebt luiwammesen die lekker thuis zitten te lezen, die wérkelijk de godganse dag thuis zitten te lezen, of die elkaar verbindend aan het voorlezen zijn, en je hebt Job Jan Altena, geen klaploper, die doorwerkt, tot hij er dood bij neervalt.

Je hoopt dat zo’n coronacrisis ervoor zorgt dat de mensen een beetje meer stil zullen staan bij hun gedrag, dat er hier en daar wat reflectie zal optreden. Maar nee, daar hoeven we ons geen illusies over te maken: die lui van de CPNB blijven net zulke imbecielen als ze altijd al waren. Iets wat per definitie in eenzaamheid moet worden gedaan, lezen, moet van hen per se een groepsactiviteit worden onder een verbindende hashtag opdat de verkoop van boeken kan worden opgestuwd. Samen koopt men meer dan alleen. Maar voor een groep geldt: het niveau ervan is zo laag als de intelligentie van het domste lid ervan. Ik denk nu aan Philip Huff. Ook het televisieprogramma Mondo sloot zich namelijk met hun eigen thuismongool aan bij #ikleesthuis. In de Mondo Quarantaine Klassieke
Boekenclub begonnen ze onder leiding van Huff én Alma Mathijsen (het niveau stijgt…) met het lezen van De pest van Albert Camus: ‘Zij [Philip en Alma] geven aanwijzingen, leestips en opdrachten. Lees gezellig mee met Nadia Moussaid en alle anderen.’

Ik voorspel een voortgaande ontlezing door #ikleesthuis. De CPNB zal, in samenwerking met de VPRO die Mondo uitzendt, niet rusten voor het boek in het algemeen en het literaire boek in het bijzonder uit Nederland verdwenen zal zijn. Ik denk dat het ze gaat lukken en dat binnenkort ook de laatste (online) boekhandel de (digitale) deuren definitief dichtgooit.

AS

Archief