AS

Over wat in Nederland literaire prijzen worden genoemd, is wellicht al te veel gezegd, maar blijkbaar niet genoeg, want het fenomeen bestaat nog altijd. Je zou verwachten, of hopen, dat literatuur of de literaire wereld zich niet met zoiets wezenlijk kinderachtigs zou bezighouden als het toekennen van prijzen, maar dan vergis je je dus. Het is volgens sommigen zelfs de enige manier waarop er nog op een zinnige manier over literatuur kan worden gepraat. Op de website van De Revisor laat Daan Stoffelsen (‘ik ben recensent, redacteur, jurylid, essayist’) zijn onafhankelijke licht schijnen over het belang van literaire prijzen in het algemeen en dat van de Boekenbon Literatuurprijs (waar Daan jurylid voor is) in het bijzonder.

Daan Stoffelsen schrijft proza dat tamelijk ondoordringbaar is. Hij schrijft zinnen als de volgende: ‘Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets [de Taalunie spelt Excelsheets met een hoofdletter, maar goed – AS] en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.’ Het is niet helemaal duidelijk wáár Daan precies aan meedoet, maar ik geloof dat hij het evalueren van het literaire jaar bedoelt. Meestal doet hij daar niet aan mee en soms doet hij daar wel aan mee, zoals wanneer hij bijvoorbeeld jurylid is van de Boekenbon Literatuurprijs.

Daan dicht aan dat lidmaatschap van de jury, of aan het evalueren van het literaire jaar door middel van (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists en prijswinnende boeken) – al die haakjes zijn van Daan; hij heeft een nogal nuancerende stijl – een bijzondere eigenschap toe. Dit ‘circuit’ corrigeert de waan van de dag: ‘Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.’ Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken.

Het frappeert altijd weer hoe juryleden van literaire prijzen zichzelf belangrijk maken. Of zichzelf als belangrijke personen beschouwen. Ik ken Daan persoonlijk, moet ik nu zeggen. Dat schrijft hij namelijk zelf in een ander stukje op de website van De Revisor: ‘Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur.’ Ik heb Daan inderdaad weleens gesproken, en dan maakt hij zichzelf helemaal niet zo belangrijk. Maar wat we wel moeten begrijpen is dit: een literaire jury kent niet zomaar een prijs toe, nee, die storten zich in een doortimmerd juryproces. Vlak na het bekend worden van de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, een longlist die door Daan mede is samengesteld (‘dat is het geheim van de jury’, klapt Daan uit de school van het doortimmerde juryproces, ‘je moet het eens worden’) deelt Daan dan ook mee: ‘Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof.’

Ik heb lang naar die zin en de context waarin die staat gekeken (en nagedacht over hoe goed ik Daan eigenlijk ken), maar ik geloof inderdaad dat Daan hier zichzelf en zijn medejuryleden lof toezwaait. Daar hebben ze toch even een puike longlist samengesteld! Een longlist die alle misstanden die in het verleden en in de waan van de dag en onder druk van de actualiteit zijn begaan mooi rechtzet. Natuurlijk, perfect wordt het nooit, dat begrijpt Daan ook wel. Daarom voegt hij eraan toe: ‘Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.’ Maar de kern blijft in tact: de jury heeft zijn werk uitmuntend gedaan en mooi corrigerend opgetreden.

Laat ik eens even helemaal teruggaan naar het begin van deze grote commerciële literaire prijzen. De eerste keer dat een dergelijke prijs in Nederland werd uitgereikt was in 1987: de AKO Literatuurprijs. Op de shortlist stonden H.C. ten Berge, J. Bernlef, Inez van Dullemen, Hermine de Graaf, Frans Kellendonk en J. Ritzerfeld (om alles enigszins te relativeren: wie leeft er nog van deze zes?). Voor zover literatuur een wedstrijd is en je belangrijke van minder belangrijke boeken kunt onderscheiden, was iedereen het er toen over eens dat Kellendonk met Mystiek lichaam het belangrijkste boek van de voorafgaande periode had geschreven. De jury trad echter fijn corrigerend op: de AKO Literatuurprijs 1987 ging naar J. Bernlef voor zijn roman Publiek geheim. Twee jaar later ging de prijs naar Brigitte Raskin voor haar roman Het koekoeksjong. Weer een jaar later werd Joost Niemöllers roman Wraak genomineerd.

Ik wil graag nog één keer Daan citeren: ‘Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren?’ Het is duidelijk: literaire jury’s gaan ons dat niet vertellen. Sterker nog, de keuze van een literaire jury toont ons júíst de waan van de dag. Boeken die morgen vergeten zijn, krijgen vandaag een prijs. Boeken die onthouden zullen worden, komen niet verder dan de shortlist, maar zelfs dat meestal niet. Wat al die shortlists en longlists wel laten zien zijn allerlei netwerkverbanden in de literaire wereld. Het is wellicht aardig om daar een andere keer wat uitgebreider op in te gaan. Nóg boeiender is het misschien om echt eens boeken te lezen, in plaats van er de hele tijd over te praten zonder ze gelezen te hebben. Dat laatste, praten over een boek zonder het te hebben gelezen, wérkelijk te hebben gelezen, gebeurt al genoeg in literaire jury’s. Dat verdient natuurlijk geen navolging. Het beste is het om al die door literaire jury’s samengestelde shortlists en longlists te negeren en je eigen smaak te volgen. Dat zorgt ervoor dat je minder bagger leest, bagger die morgen weer vergeten is.

AS

De meeste coronabesmettingen vinden op het moment in de huiselijke sfeer plaats, bijvoorbeeld tijdens familiebezoek. Hoewel ik niet geneigd ben aan een virus goddelijke of intentionele eigenschappen toe te kennen – een virus denkt niet na, het doet gewoon maar wat –, legt deze ontwikkeling wel iets bloot, maar eigenlijk wisten we al dat dit zo was, namelijk dat familie de pest is. Het is beter al die bloedverwanten te mijden. Doe je het niet voor jezelf, dan doe je het wel voor je vriend of vriendin, voor je partner zogezegd, ook al heb je die misschien nog niet. Het maakt overigens niet veel uit of je al een relatie hebt. De persoon met wie je de relatie al dan niet al bent aangegaan zal anders beweren, maar vanaf het eerste ogenblik van de kennismaking, zal hij of zij jouw familie haten, en jij die van hem of haar. Dat is zeg maar een biologische wet.

Ik kan hier vele voorbeelden uit romans geven. Zonen die vaders uitschelden, moeders die dochters naar het leven staan, een oom die zich aan zijn kleine nichtje vergrijpt, een schoonmoeder die optreedt als stokebrand in een aanvankelijk goed huwelijk, en zo voort en zo verder. Je zou kunnen tegenwerpen dat dit allemaal in romans gebeurt, in literaire fictie, en dat het slechts verzinsels zijn. Een Nederlandse romanschrijver legde onlangs op tv uit dat het decor het belangrijkst is in een boek. Je zou daar gemakkelijk de volgende conclusie aan kunnen verbinden: wil je het een beetje overzichtelijk houden, dan zorg je ervoor dat dit decor niet te groot wordt, en dus laat je de leden uit één familie elkaar naar het leven staan. Zoiets. (De Nederlandse romanschrijver in kwestie maakt het zich overigens over het algemeen nog eenvoudiger: zijn decor is gewoon een stad in Italië, en daar brengt hij het ene cliché na het andere over te berde – goed om zich heen kijken ho maar!)

Dat familie er is om te haten zou op die manier geredeneerd zuiver een literaire strategie zijn. Maar zo werkt het natuurlijk niet in de praktijk. Ook in werkelijkheid haten familieleden elkaar. Júíst in werkelijkheid, literaire fictie is slechts een uitlaatklep, zodat deze gevoelens zich kunnen ontladen.

Overigens is het nog steeds een taboe. Over het algemeen vindt men dat je familieleden niet mag haten. Het wordt als onbeleefd beschouwd kritiek op familie te hebben. En dat maakt familie zo gevaarlijk. Iedereen houdt de schijn op dat familieleden van je houden en dat jij van je familieleden houdt. Maar dat is natuurlijk niet zo. Je bent gewend aan ze, maar ze verzieken met hun verregaande bemoeizucht je leven. Ergernissen etteren onuitgesproken door. Allerlei duistere machtsverhoudingen treden niet aan de oppervlakte.

Het beste is afscheid van ze te nemen zodra het kan. Voor je het weet, ben je veranderd in iemand die het over zijn ‘moedertje’ heeft, daarmee verwijzend naar het seniele takkewijf dat als tachtigjarige nog steeds de hele boel manipuleert door het inzetten van emotionele chantage. Het eren van je vader en moeder is een van die christelijke waarden die om duistere redenen lastig uit te roeien zijn. Ook vanuit zuiver ethisch oogpunt is het goed om familieleden bij elkaar weg te halen. Mensen worden nooit rijk omdat ze hard werken, maar altijd óf omdat ze enorm veel geluk hebben óf omdat er geld in de familie zit. Dat is natuurlijk niet bijzonder eerlijk.

Ik herinner me dat een van de zonen van de grote Amerikaanse schrijver Saul Bellow hem een keer een brief schreef en om geld vroeg. Geruststellend deelde hij mee dat het een lening betrof. De zoon was toen een jaar of vijfentwintig. Hij vond dat hij recht had op dat geld omdat zijn vader nooit naar hem had omgekeken en op deze manier kon hij het een beetje goedmaken. Dat schreef hij ook allemaal in de brief. Hij kreeg een brief terug en daarin zette Bellow uiteen dat hij zijn zoon geen geld zou lenen. Hij voegde eraan toe dat zijn zoon zich maar eens moest afvragen wat hij, Saul, aan hém had gehad. Ik meen me te herinneren dat Saul Bellow schreef: ‘Er zit nog niet eens een goed romanpersonage in je. Zelfs als bijfiguur kan ik je niet gebruiken.’

Het is zaak bijtijds afscheid te nemen van familie. Een mooi moment daarvoor is wanneer je het huis uitgaat en bijvoorbeeld in Amsterdam gaat studeren. Pak dat afscheid zo drastisch mogelijk aan. Ga op kamers wonen, of in een studentenflat, of desnoods onder een brug, en laat je thuis niet meer zien, ook niet in de weekends met een tas vuile was. Die doe je gewoon zelf. Leef je eigen leven. Maak vrienden en vriendinnen, die worden je nieuwe familie, met als grote voordeel dat je die mensen zelf hebt uitgezocht en dat ze niet opeens herinneren kunnen ophalen aan de tijd dat je nog klein was en allerlei gênante dingen deed. Familie zie je gedurende de eerste achttien jaar van je bestaan, en dan is het wel weer mooi geweest.

Als het coronavirus ons iets leert, dan is het dat: familie is uiteindelijk slecht voor je. Bovendien wil ik ook weleens een roman lezen die niet over de moeder van de hoofdpersoon gaat, maar gewoon over zijn vriendin. Dat is voor iedereen leuker. Maar vooral voor de lezer. En daar doen we het allemaal voor.

AS

Vrijwel alle kranten die op de kwestie ingaan schrijven dat er al langer geruchten gingen, maar bij ons thuis was sprake van wel meer dan geruchten: soms maakte de mobiele telefoon van mijn vrouw om drie uur ’s nachts, bijvoorbeeld net op het moment dat wij de liefde lagen te bedrijven, een geluid. Ik weet niet hoe ik het anders moet omschrijven, ik heb zelf geen mobiele telefoon. Ik hecht eraan dit expliciet te vermelden, volgens mij pleit dit me op voorhand van van alles en nog wat vrij. Maar goed: er klonk dus een geluid midden in de nacht, en even later liet mijn vrouw me lezen wat er op het schermpje stond: ‘Schatje, komende zaterdag wordt je boek in de krant besproken. Vijf sterren. Maakt dat je blij? Liefs.’

Dat is, hoe zal ik het zeggen, best wel een raar berichtje. Misschien moet ik dit hier langzaam laten indalen bij iedereen voordat we verder met zijn allen onze gedachten laten gaan over de stand van zaken van de literaire kritiek in Nederland in het algemeen en de stand van zaken van het bedrijven van literaire kritiek door de persoon die dit berichtje verstuurde in het bijzonder, en kan ik dat doen door een alinea te vullen met iets wat ons allen gelukkig stemt. Daar gaan we.

Wat ik aan literatuur belangrijk vind is sfeer: een fraai decor, personages, of zeg maar gerust mensen, die bewegen in en door een bepaalde atmosfeer en stofdeeltjes (ja, ik probeer ook maar van alles om de stemming goed te houden). Personages, of zeg maar gerust mensen, die kortom léven en die genieten van de lucht die ze op hun huid voelen of van de adem van een ander die ze in hun gezicht voelen blazen. Een raam dat frisse lucht binnenlaat. Een gordijn dat wordt opengeschoven. Het maanlicht dat naar binnen valt. De gedempte kleurschakeringen die hierdoor op het bed en op de muren ontstaan. De aangename warmte.

Gaat het met iedereen weer een beetje? Dan kan ik misschien een stapje verder zetten. Een in het duister oplichtend schermpje van een telefoon kan er op een bepaalde manier wel bij horen, vind ik, dat past fraai in het beschreven tafereel: een lichtje in de verder donkere nacht, op het maanlicht dat de kamer binnenstroomt na, een lichtje van een telefoonschermpje dat bijdraagt aan de schoonheid van het ogenblik. Ja, ik weet ook wel dat dit lichtje spoedig dooft, maar zo is het leven, en dat is eveneens fijn: aan alles komt een eind. Dat zorgt ervoor dat je meer geniet van wat je hebt, al is het dan maar gedurende een korte tijdsspanne.

En als ik het dan toch heb over dat alles wel of niet snel voorbijgaat: mijn vrouw en ik kennen de literaire criticus al behoorlijk lang. Voor de duidelijkheid en om een dreigend misverstand voor te zijn: mijn vrouw schrijft geen boeken, nog niet althans. Ik hoop dat ze ooit haar memoires zal schrijven (tenminste, dat zeg ik nú zonder kennis te hebben van wat daarin zou komen te staan). Wat ze wél doet: ze redigeert boeken en de boeken die ze redigeert worden soms besproken door de criticus die we dus al vrij lange tijd kennen. Misschien is het dus helemaal niet gek dat hij haar een dergelijk berichtje stuurt. Of stuurde, moet ik inmiddels zeggen, want hij is op non-actief gezet, dat is niemand binnen de literaire wereld, en misschien zelfs wel een beetje daarbuiten, ontgaan.

Ik stel voor dat we hier weer even met zijn allen kalm ademhalen: het is namelijk natuurlijk wél gek, maar wat ik hier vertel gaat nog veel gekker worden, dus als ik dit al meteen gek noem, dan weet ik niet welke woorden ik straks moet gebruiken om de diepte van de waanzin aan te geven waarin we hoe dan ook zullen belanden met deze criticus en in deze literaire wereld.

Hij is op non-actief gezet, schreef ik, maar dat wil geenszins zeggen dat hij ook echt weg is. Doeschka Meijsing schreef in 1998 al over deze criticus (in De Groene Amsterdammer) dat hij niet weg zou gaan, dat hij nooit weg zou gaan; hij kijkt als iemand tegen hem zegt ‘zou jij niet eens weggaan’ gewoon de lucht in. Ze vergelijkt hem met de kikkerlakei die Alice de weg verspert: ‘Al de tijd dat hij aan het woord was, keek hij de lucht in, en dit achtte Alice stellig ongemanierd.’ (Ik ben een biografie over Lewis Carroll aan het lezen, vandaar deze belangstelling.)

Goed. Een andere keer, een andere nacht, een donderdagnacht denk ik, dezelfde vrouw en dezelfde man (ik). Haar mobieltje maakt een geluid en licht op op het nachtkastje dat aan de rand van ons bed staat, aan haar kant. Er komt een berichtje binnen van de criticus. Mijn vrouw laat het me na het door ons bedrijven van de liefde lezen. Er staat: ‘Schatje, komende zaterdag kraak ik het boek van [en daar staat mijn naam]. Maar wij blijven toch wel vrienden, hè? Kusje.’

Ik ben schrijver, ik sta boven kritiek, ik ben een stoïcijn. ‘Iets om naar uit te kijken,’ zeg ik. Ik tuur naar ons raam, naar het gordijn dat een beetje is opengeschoven, we wonen zo hoog en zo ver van ze vandaan dat de buren waarschijnlijk niet echt bij ons naar binnen kunnen kijken. Het maanlicht schijnt onze kamer in.

De zaterdag erop stond inderdaad de recensie in de krant, twee sterren meen ik me te herinneren. De roman in kwestie was mijn overal elders lovend besproken roman Maans stilte (zelfs van Pieter Waterdrinker kreeg ik een berichtje dat hij het een mooi boek vond; echt waar, ik lieg hier niets). Het is een roman waarin een MeToo-kwestie een rol speelt. Dat laatste berichtje van de criticus dat ik hier citeerde en dat mijn vrouw dus midden in de nacht kreeg was ik vergeten. Of ik had het verdrongen. Maar onlangs schoot het me weer te binnen. Om precies te zijn: het schoot me zojuist te binnen, terwijl ik dit stuk zit te schrijven. Zo zie je maar weer dat schrijven goed voor je is: allerlei zaken die je was vergeten keren terug in je geheugen.

AS

In een tijd waarin dankzij het coronavirus geen enkel festival doorgaat omdat we ons niet meer dicht op elkaar gepakt met zijn allen in één ruimte mogen bevinden – en dat wíllen we ook niet, want we willen niet ziek worden of anderen ziek maken, al wil ik voor mijn bejaarde schoonmoeder graag een uitzondering maken, maar die overleeft helaas altijd alles (ze is het type dat glas vermorzelt met haar tanden en ratten wurgt met haar handen, om met mijn lievelingsschrijver P.G. Wodehouse te spreken, of hoe was het ook alweer, de hele dag zit ik maar met boeken om me heen, heerlijk) –, wordt nu doorgepakt en adviseren subsidieraadgeefcommissies dat veel van die podia überhaupt overbodig zijn. Ik vind dat ze daar gelijk in hebben, zeker als die optredens de suggestie wekken dat ze iets verheffends bieden of met literatuur te maken hebben. Of iets verheffends bieden omdát ze met literatuur te maken hebben.

De wijze van argumenteren van die adviescommissies is misschien niet altijd even elegant. Ze hebben het vaak over verbinding en het tegengaan van uitsluiting. Ze hebben het kortom over van alles en nog wat, behalve over kunst. En bij de hier en daar geconstateerde belangenverstrengeling van commissieleden (mensen die in de culturele sector hun brood verdienen zijn doorgaans, zeker als ze zich aan de organisatiekant ervan bevinden, waar trouwens ook het meeste geld valt te verdienen, halve criminelen) kun je ook enkele treffende kanttekeningen plaatsen. Maar, wees eerlijk, en dat is waar het immers om gaat, hebt u ooit een literair festival bezocht dat, zeg maar, ook maar een béétje leuk of interessant was? Nee, je begeeft je er per definitie tussen krankzinnigen, hypocrieten, megalomanen en narcisten. Daar bestaat het publiek uit en de mensen die optreden zijn van hetzelfde laken een pak.

Literatuur hoort in stilte te worden genoten, thuis, en bijvoorbeeld niet aan de rand van het zwembad of liggend op het strand, en er moet zéker niet naar worden gelúísterd, onder geen enkel beding, zelfs al zou God Zélf de Bijbel inclusief alle apocriefe evangeliën komen voordragen. (Voordragen, het woord alleen al zorgt ervoor dat het me zwart voor ogen wordt.) Stel: je zit rustig thuis, en de telefoon gaat, en toch al zuchtend sta je op om die aan te nemen, en aan de andere kant klinkt een stem en die begint, ja, wat is het, een gedicht voor te lezen – dan wil je immers subiet dood? Er is zó veel rumoer rondom literatuur dat de literatuur zelf eronder dreigt te bezwijken, wat zeg ik, al bezweken is! Literaire festivals hebben nooit wérkelijk iets met literatuur te maken, evenmin als dat het geval is met literaire evenementen in, ik zeg maar wat, boekwinkels. Ook boekwinkels lijken trouwens verzamelplaatsen te zijn voor halvegaren, of waren, moet ik tot mijn opluchting zeggen, want er mogen er inmiddels nog maar twee tegelijk naar binnen. Ik zou zeggen: ook hier zou kunnen worden doorgepakt: wat is er precies tegen dat we onze boeken uitsluitend nog via de post bestellen?

Maar terug naar mijn hoofdonderwerp: literaire festivals zijn zelden alleen literaire festivals, want de organisatoren begrijpen zelf ook dat het dan een wel erg duffe boel zou worden. Het zijn, zoals bijvoorbeeld het Crossing Border Festival in Den Haag dat is, of was moet ik inmiddels gelukkig schrijven, want dankzij de wijsheid van de subsidieadviescommissie zal dit festival van de agenda worden geschrapt, gecombineerde festivals waar ook lekker veel popmuziek geprogrammeerd staat. Bands op een podium, daar valt iets voor te zeggen, dat is logisch, dat snap je. De langspeelplaat is indertijd uitgevonden omdat het nu eenmaal niet mogelijk is de hele band van je voorkeur voortdurend in je huiskamer te laten optreden. Hoe anders is dat met de literatuur! Een boek is niet ontwikkeld als alternatief voor de optredende schrijver. Het is andersom: de optredende schrijver is een alternatief voor het boek dat je in alle rust, en met de daarbij passende concentratie, en tegen een schappelijk bedrag aangeschaft (dat boek bedoel ik, dat is dus veel goedkoper dan zo’n takkeduur of, zoals ze in Den Haag zeggen, kankerduur kaartje van een festival), thuis tot je kunt nemen. Je moet er niet aan denken dat, ik noem maar iemand, Pieter Waterdrinker zijn nieuwe boek bij je op de bank zittend komt voorlezen.

Dat is over het algemeen het probleem van die gecombineerde festivals: niemand die werkelijk van lezen houdt zit erop te wachten dat de auteur van wie hij of zij het boek zou willen lezen dat boek ook komt vóórlezen. Dus de mensen die zogenaamd voor de literatuur naar die festivals gaan, houden in werkelijkheid in het geheel niet van literatuur. Ze houden van mensen die voorlezen. Nu is dat al een apart slag mensen. Mensen die ervan houden te worden voorgelezen, hoe oud zijn die precies? We hebben het kortom over kleuters of over fysiek volwassen mensen die geestelijk nooit uit hun kleutertijd zijn gekomen. En zelfs de kleuter die graag wordt voorgelezen kunnen we niet beschouwen als het prettigste type kleuter. Kleine kinderen die met plezier worden voorgelezen zijn over het algemeen nogal achterbaks.

Goed. Je stapt dus de zaal in waar de literatuur plaatsvindt, wordt voorgelezen, of hoe zeg je dat? De verstandige mensen staan allemaal in de zaal waar de band optreedt. Je bevindt je al met al tussen achterbakse, geestelijk onvolgroeide boomers en je luistert naar een of andere aansteller die niet tevreden is dat je zijn boek thuis leest, maar die je ook er nog eens uit wil voorlezen. Is dit cultuur? Is dit verheffend? Is dit literatuur? Nee, dit is de hel. De hel is een literair festival. Goed dat ze worden afgeschaft.

AS

De bel ging en in de tijd vóór we in quarantaine zaten leverde dat al de nodige paniek op, maar nu vlogen we meteen alle kanten uit. Het was ook zo’n raar tijdstip: net voor het eten. Maar daar bleek het juist om te doen te zijn, dat eten. Ik drukte – ja, je bent de man in huis of niet – na even diep te hebben ingeademd en mijn vrouw en mijn dochter tot kalmte te hebben gemaand op het knopje waarmee beneden de deur openging en met veel kabaal kwam een zwaarlijvige gestalte de trap op stommelen, onder de arm hield hij een plastic tas geklemd.

‘Ik ben je plaatselijke boekhandelaar!’ riep hij uit. ‘Ik heb je oproep op Twitter gezien en ik kom mee-eten! Support your local!’ Wat had ik nu weer op Twitter geplaatst? Ik herinnerde me het weer. Een grapje over boekhandelaren die we te eten zouden geven omdat ze het zo moeilijk hadden. Dat was dus niet handig geweest. ‘Anderhalve meter!’ riep ik op mijn beurt uit. ‘Ja, rustig maar,’ antwoordde de boekhandelaar. ‘Ik ben op de hoogte van de voorschriften.’ Hij kwam inderdaad keurig op tijd tot stilstand, nog zwaar nahijgend van het beklimmen van de traptreden. ‘Hoe hoog woon jij wel niet?’ vroeg hij toen hij weer kon praten. Hij keek met enig dedain om zich heen. ‘Wat een armetierige zooi. Nou, mag ik nog naar binnen, of hoe zit dat?’

Even later zat hij bij ons aan tafel. ‘Dat gaat precies,’ zei hij. Ik bekeek hem nog eens goed. Hij had een artistieke baret op zijn hoofd, droeg een oranjekleurige bril en had kleren aan die niet direct in de richting van grote armoede wezen. Hij had een gebruind gelaat; dat verried veel zonovergoten vakanties in het buitenland.

‘Wat veel boeken hebben jullie,’ had hij verzucht toen hij was gaan zitten. ‘Een breed assortiment, een gevarieerd aanbod. Dat kunnen wij ons in de winkel niet permitteren. Daar houden we alleen nog maar de bestsellers op voorraad. Ja, als je iets anders wilt, dan kun je dat wel bestellen. Je moet met je tijd meegaan, hè! Wij leveren bestellingen op maat. Bestel je bij ons een bepaald boek, dan sturen we je dát boek op en niet een ander boek. Je hebt het gegarandeerd binnen vier maanden binnen. Mooi persoonlijk kaartje van je lokale boekhandelaar erbij. Een boekenlegger van de winkel. Een euro of vijfentwintig verzendkosten. Ja, de kachel moet ook roken. Helemaal top!’ Hij keek even paniekerig om zich heen. ‘O ja, dat zou ik bijna vergeten. Het verrassingsboekenpakket!’ Hij had de plastic tas die hij even kwijt leek te zijn weer in de smiezen gekregen, pakte die en zette die op tafel. ‘Afgestemd op de persoonlijke voorkeuren van de boekhandelaar, de klant bedoel ik. Niet verlegen zijn, pak maar.’

In de plastic tas bleken drie boeken te zitten. Ilja Leonard Pfeijffer, Manon Uphoff en Pieter Waterdrinker. ‘Geheimtips,’ zei de boekhandelaar samenzweerderig. ‘Weleens van gehoord? We raden ze aan iedereen aan. We luisteren naar wat de klant wil en dan komen we toch telkens weer uit bij Ilja Leonard Pfeijffer. Perfect systeem. Dat is net even dat persoonlijke stukje advies dat je van je plaatselijke boekhandelaar krijgt.’ Hij pakte uit een broekzak een papiertje. ‘De factuur. Drie romans. Door mij bij jou thuisbezorgd. Plus wat extra in rekening gebracht om de stenen boekhandel overeind te houden, zonder welke, mooi gezegd, zonder welke… waar was ik, ja, zonder welke immers het straatbeeld totaal zou verarmen. Leve de cultuur! Dat is honderdvijftig euro.’ Hij zweeg even en zei toen: ‘Waar blijft het eten?’

Ik had al aan mijn dochter, die de schalen en borden nu op tafel begon te zetten, stiekem in de keuken uitgelegd dat hij de plaatselijke boekhandelaar was, ook wel ‘de boekhandelaar van om de hoek’ genoemd, en dat we hem met respect moesten bejegenen. ‘Hij verkeert in zwaar weer,’ had ik gezegd. ‘Het water staat hem aan de lippen. Als je denkt dat ze het in de zorg moeilijk hebben, denk dan nog een keer. Het is onbegrijpelijk dat er niet elke dag door de mensen op balkons voor de plaatselijke boekhandelaar wordt gezongen en geklapt. Helden! Dat zijn het!’ Mijn vrouw begon de boekhandelaar op te scheppen. ‘Hoeveel wil je?’ vroeg ze (ze tutoyeerde hem; ze is redactrice en zit dus ook in het boekenvak). ‘Minstens veertig procent,’ antwoordde de boekhandelaar. Hij nam een slok van zijn wijn. ‘Hm… dat kan beter… Wat verdien jij eigenlijk?’ vroeg hij aan mij. ‘Tien procent, hè, per verkocht boek. Ik vraag me trouwens af waar ze jouw boeken verkopen. Bij mij komt die rotzooi er niet in. Maar goed, dat moet je natuurlijk zelf weten, dat je literatuur schrijft.’ Hij trok een vies gezicht. Het was niet helemaal duidelijk of dat met de wijn of met het woord ‘literatuur’ te maken had.

Plotseling had hij een stapel systeemkaartjes voor zich liggen en die begon hij druk te beschrijven. Daarna legde hij ze een voor een bij de schalen met eten. ‘Meeslepende aardappels. Je persoonlijke tip van je plaatselijke boekhandelaar,’ schreef hij er op een. ‘Doperwten die je leven veranderen’, ‘ontroerend’ (dat sloeg op de sla), ‘deze veganworstjes raken me, écht!’ ‘Dat hoeft niet, met die kaartjes,’ zei ik. ‘O, macht der gewoonte,’ zei de boekhandelaar. ‘Kom, vertel eens,’ zei hij, nadat hij een boek uit onze kasten had geplukt. ‘Wat is dit?’ ‘Een boek,’ zei ik. ‘Jammer, niet alle pagina’s zijn helemaal bedrukt.’ ‘Het is een dichtbundel,’ zei ik. ‘O,’ zei de boekhandelaar. ‘Een dichtbundel. Nee, dat zegt me niks. Of ja, vroeger hadden we die wel in de winkel. Maar die raakten we aan de straatstenen niet kwijt. Zijn we mee gestopt. Smakelijke voortzetting, hè!’

AS

Archief