AS

Omdat de avondklok bijna inging en ik geen wetsovertreder wilde zijn, haastte ik me plotseling weg van de bijeenkomst van Propria Cures die had plaatsgevonden in het souterrain van De Groene Amsterdammer – het tijdschrift, De Groene bedoel ik, dat mijn jongste roman Schoonheidsdrift niet veel later zou opnemen in hun lijstje van beste boeken van de maand februari. Bij het verlaten van het gebouw stootte ik tot twee keer toe heel hard mijn hoofd tegen de betonnen omlijsting van het raam waaruit ik klom. Duizelig stond ik op de Amsterdamse gracht en zoals dat gaat in dit soort gevallen: ik dacht terug aan alle keren hiervoor dat ik bijna een schedelbasisfractuur had opgelopen en in elk geval op z’n minst een lichte hersenschudding bleek te hebben na mijn strapatsen. Kortom, ik werd teruggevoerd naar de jaren dat ik jong was (ik zit dit te tikken met lichte koppijn en een zeurende aandrang om over te geven).

Ik ben opgegroeid als enige jongen in een gezin met verder drie zussen. Op een gegeven moment deden alle drie de zussen mee aan een Nederlandstalige uitvoering van de bekende musical The Sound of Music. Mijn oudste zus had de rol van moeder-overste en ik herinner me nog goed dat ze thuis het lied repeteerde over hoe hoog de berg lijkt en hoe diep het dal en dat je de juiste paden moet volgen en je oog op je doel moet houden: ‘Hoe hoog de berg lijkt / hoe breed de stroom / laat je hart je leiden / vecht nu voor je droom’. Het drong tot me door waar ik de tekst van Amanda Gorman al van kende over, en ik hoop dat ik nu niet alle nuances verloren laat gaan in de vertaling (maar wat misschien op positieve wijze scheelt is dat ik mijn eigen jeugd erin meeneem), maar ik begreep zoals ik al zei waar die tekst van Gorman vandaan kwam over het beklimmen van een heuvel, of de heuvel (om precies te zijn) die wij moeten beklimmen – het was allemaal net als in die musical, dat had het team van Gorman, want er was de hele tijd sprake van een team en Gorman moesten we eigenlijk beschouwen als een soort actrice of een model, iemand die slechts sprak namens het team, die het team een gezicht gaf, toch maar handig bij elkaar gesampeld.

De Nederlandse vertaler, of vertalers (hier was misschien ook wel een team aan het werk geweest), van de musical, ik heb het nu weer over The Sound of Music, had, of hadden dus, er trouwens wel een beetje een zootje van gemaakt begreep ik tóén al, jaren geleden, toen mijn zussen hun nachtegaalkeeltjes in ons huis lieten klinken. In het bekende lied ‘Do-Re-Mi’ hadden ze van ‘Doe, a deer, a female deer’ een doos gemaakt waarop je ’n deksel doet, ‘Ray, a drop of golden sun’ was in een ree veranderd die je in het woud vindt en ‘Me, a name I call myself’ was Mier geworden, die steeds maar werken moet.

Het schrijven van poëzie, het beoefenen van de romankunst en het vertalen van dichtwerk of proza zijn alle drie zaken waar je ontspannen mee om moet gaan – we hebben het hier immers over kunst, over al met al niet iets essentieels, over, laten we het zeggen zoals het is, amusement – maar waar beslist het een en ander bij komt kijken. Er is intussen wel iets veranderd, en dat is de aandacht voor de vertaler.

Een van mijn lievelingsboeken is The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy (en de vervolgboeken ervan), geschreven door Douglas Adams, in het Nederlands vertaald als Het transgalactisch liftershandboek. En vertaald is in dit geval wel heel erg vertaald, want de hele boel begint in onze eigen Hollandse versie in het weidse landschap van de Wieringermeer, waar Hugo Veld woont, die eerder een huis had in Amsterdam, en waar zich ook een alien bevindt die Amro Bank heet (ja, en dit zeg ik zonder ironie, het is écht een goed boek). Op de achterkant wordt gesteld dat de vertaling virtuoos is, en dat wil ik best aannemen, maar waar ik op of in het boek dat in als ik het goed begrijp 2010 bij Boekerij (Meulenhoff) is verschenen ook kijk, nergens is de naam van die virtuoze vertaler(s) te vinden.

Tien jaar geleden was de vertaler nog niemand, en dan ook echt helemaal niemand. Kom daar nu nog eens om. Sylvia Witteman staat bijna levensgroot achter op haar vorig jaar verschenen vertaling (een zeer slechte vertaling, maar dit terzijde) van het boek van Sue Townsend over Adrian Mole – Sue zélf is geen velden of wegen te bekennen. De vertaler is een ster geworden, inclusief de bijpassende gespeelde bescheidenheid van de ster. Witteman: ‘Ik sta hier buiten. Dit is een beslissing van de uitgever. Ik heb geen enkele behoefte aan mijn tronie op welk boek dan ook.’ Wat ik zo raar vind aan rechtse mensen die tegen hypocrisie in het geweer zeggen te komen is dat ze zo vaak liegen, je ziet het bij Arthur van Amerongen, bij Pieter Waterdrinker en bij Sylvia Witteman. Dat geeft aan het woord hypocrisie een heel nieuwe dimensie.

Ik kom tot een samenvatting. In onze wereld is niets wat het lijkt dat het is. Gorman is geen dichter en degene die haar gedichten zou vertalen, Marieke Lucas Rijneveld, is geen vertaler. Van Amerongen, Waterdrinker en Witteman zijn niet oprecht. Wat ze wel allemaal zijn, zijn sterren – de sterren die mijn zussen even waren toen ze optraden in The Sound of Music. ‘Als de hond bijt, / als de bij steekt, zijn ze boos op mij. / Dan denk ik aan alles waar ik zo van hou / en ben ik meteen weer blij.’ Maar sterrendom en schrijven of vertalen gaan niet samen. Een schrijver of een vertaler hoort nooit een ster te zijn. Schrijvers zouden zich niet moeten bezighouden met succes, en lezers zouden daar ook hun hoofd niet over moeten breken. Lezen is een van de weinige dingen die we kunnen doen zonder dat we er rekening mee hoeven te houden wat het ons oplevert. Je doet het gewoon – en ik doe het bijna de hele dag. Dat wil zeggen, als ik niet schrijf of bijeenkomsten van mijn vrienden van Propria Cures bezoek.

AS

In dit land wordt onevenredig veel aandacht besteed aan politiek, of aan wat als politiek wordt beschouwd. Het wezen van een parlementaire democratie is dat je er weinig over hoort en dat je er geen last van hebt. De regering zou je kunnen vergelijken met een voetbalscheidsrechter: op het moment dat je de naam weet van de scheidsrechter, dan weet je dat er veel is misgegaan. Ken je de namen van enkele ministers, dan is het te laat, dan is het land hard op weg om naar de knoppen te gaan. Wij, burgers, stemmen eens in de vier jaar in het kader van de landelijke verkiezingen. In de vier tussenliggende jaren hopen we verder niks van die lui te horen, al was het maar omdat er nog nooit een politicus is geweest – in elk geval niet in ons land – die iets leuks heeft weten te zeggen. Dat is zijn of haar taak ook helemaal niet, dat is waar, maar laat ze dan ook niet aan het woord, laat ze niet onze avonden verpesten in talkshows op tv, maar laat ze gewoon hun bescheiden werkzaamheden verrichten.

Ik heb een keer tijdens een diner (avondeten) tegenover Hans van Mierlo gezeten. Ik zeg niet dat alle ellende in de wereld begonnen is met de oprichting van D’66 (later omgedoopt in D66), maar er is wel veel narigheid door D66 aan de wereld toegevoegd. Toen ik tegenover Van Mierlo zat, bleek Jan Wolkers zich ook in het restaurant te bevinden. Ik weet nog dat ik dacht: is Adriaan van Dis ook nog hier ergens, dan weet ik zeker dat ik me in de hel bevind. Van Dis was er niet, maar Van Mierlo dus wel, en die zei opeens: ‘Hé, daar heb je Jan Wolkers.’ Van Mierlo had hem dus ook gezien. Hij ging verder met: ‘Die heeft een keer gezegd dat het zo jammer is dat er in Nederland geen Lee Harvey Oswald is opgestaan om Van Mierlo, dat ben ik, dood te schieten.’ Daar had Van Mierlo het qua anekdote wat mij betrof bij mogen laten, maar hij keek werkelijk beteuterd voor zich uit, en om hem wat op te vrolijken, zei ik: ‘Dan vergeleek hij je toch mooi met John F. Kennedy.’ Dit leek Van Mierlo helemaal niet te bevallen. ‘Kennedy? Kennedy? Ik? Ik ben Hans van Mierlo.’ Hij schoof zijn stoel naar achteren en onder het uitroepen van de woorden ‘Ik ga het hem zeggen ook’, liep hij kwaad op Wolkers af.

Ik richtte me tot de tafeldame van Van Mierlo; ik heb – opgegroeid als ik ben in een gezin met drie zussen – altijd al beter met vrouwen kunnen opschieten dan met mannen. Een beetje verbaasd was ik over het feit dat er achter me geen geluiden klonken van oude mannen die stoelen omverwerpend elkaar te lijf gingen, over elkaar heen rollend door het restaurant, terwijl ze astmatisch en alcoholisch ademend bij elkaar de keel probeerden dicht te knijpen, dus ik draaide me om. Van Mierlo en Wolkers hadden elkaar weliswaar stevig vast, maar hier was sprake van liefde, ze omhelsden elkaar als de metromannen die ze in diepste wezen waren.

Zo ging het met politiek en literatuur in die tijd: dit was een wereld van mannen die zichzelf erg leuk vonden en die dit leuke herkenden in andere mannen. De meeste mensen stemden in die tijd dan ook niet op een politieke partij om de ideeën van die partij en kochten evenmin een roman om de verwachte inhoud ervan, nee, ze gingen voor leuke charismatische mannen. Wíj weten inmiddels dat charisma een ander woord is voor een fascistoïde levenshouding, maar in die tijd was dat nog niet algemeen bekend – terwijl we het in dit geval wel degelijk hebben over mannen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt. Van Hans van Mierlo naar Thierry Baudet is het overigens een kleine stap, alsof er geen jaren zijn verstreken.

Over het algemeen is het eenvoudig om in de politiek het kaf van het koren te scheiden. De volgende vuistregel kan daarbij behulpzaam zijn. Zit er in de afkorting van de naam van een politieke partij een D en is die D een hoofdletter en verwijst die D niet naar een lidwoord, dan heb je met een foute partij te maken. Moet een politieke partij in ons land in de naam van die partij benadrukken dat ze democratisch is, dan is ze dat nooit, zoals boeken die worden uitgegeven als literaire thrillers nooit literair zijn, en vaak niet eens thrillers, maar romans geschreven door Saskia Noort. Het is reclame, het is opsmuk, het is bluffen, het is een rad voor je ogen draaien, het is iets waardigheid verschaffen wat geen waardigheid heeft, maar het heeft nooit met wat die partijen echt nastreven of wat die boeken werkelijk zijn te maken. Partijen die naar het volk toekomen, die luisteren naar het volk, die vóór referenda zijn, die met de mensen in gesprek gaan en die gebukt gaan onder een ‘charismatische’ leider hebben een gebrek aan visie – zoals die zogenaamde literaire thrillers niet worden geschreven voor mensen die van lezen houden maar door mensen die van boeken verkopen houden.

Bij het uitbrengen van je stem op een politieke partij kun je je verder het best laten leiden door dit principe: heb je nog nooit van de lijsttrekker gehoord, heb je er geen flauw idee van hoe die eruitziet, kun je je kortom niet herinneren dat je hem of haar ooit op tv hebt gezien, dan kun je met een gerust hart het vakje achter zijn of haar naam rood maken. Het is eigenlijk hetzelfde als met het kopen van een goed boek: is het boek door de televisiegeile Adriaan van Dis geschreven (let op de hoofdletter D), dan weet je dat je bagger koopt. Zit er geen D in de naam van de auteur, dan zou het heel goed kunnen dat je een prima koop doet, behalve als de auteur Jan Wolkers of Saskia Noort heet. En voor onze eigen TD maak ik natuurlijk ook een uitzondering: wat een schrijver!

We zitten heel erg midden in de tweede golf van de CPNB-campagne #ikleesthuis en #kooplokaalookonline. Kortom, nog steeds maken uitgevers en lezers zich drukker om het overeind houden van die leuke plaatselijke boekhandel dan om het lot van schrijvers. Op social media werd een filmpje gepost waarop een boekhandelaar was te zien die zich als Sinterklaas had verkleed. Even zette hij zijn mijter af. Hij zei: ‘Schrik niet, ik ben het, uw lokale boekhandelaar.’ Naast hem was een enorme stapel boeken te zien. Geen enkele titel ervan had hij gelezen, maar hij raadde ze ons allemaal aan. Hij hield een boek in de lucht. ‘Kijk, Sonja Barend, dat is toch pure nostalgie. Heerlijk!’ Vervolgens werkte hij zich door de berg heen, flapteksten besprekend en wilde veronderstellingen uitend over wat er in al die interessante boeken zou kunnen staan. ‘Dat wil je toch allemaal lezen, mensen!’ Doe het dan, wil je hem toeschreeuwen, lees eens een boek! Misschien dat je dan ook niet naast zo’n stapel bagger zou gaan staan.

Het blijft een wonderlijk fenomeen: de lokale boekhandelaar als deskundige. Ze adviseren je boeken te lezen die ze zelden of nooit zelf hebben opengeslagen. Ze twitteren dat een bepaald boek een must-read is. Enkele maanden later posten ze een foto van datzelfde boek met de opmerking erbij dat ze het gaan lezen, tijdens de vakantie. Hoe konden ze het dan eerder aanraden? Wat zíjn dit voor mensen? Het komt er trouwens dan meestal ook niet van, op vakantie, druk als ze het hebben met het opmaken van hun armzalige centjes in dure lokale restaurants. Het zijn lokale boekverkopers, maar het blijven ondernemers. Lezen, dat is meer iets voor die idioten die in hun winkel komen en die je ondersteunen. Die lezen trouwens over het algemeen alleen maar onzin, want ze laten zich verrukt adviseren door hun lokale boekhandelaren – het is een vicieuze cirkel.

Laat ik het eens over mezelf hebben. Ik heb allemaal gedachten over literatuur, ik heb een eigen smaak, ik hou werkelijk van lezen, en binnen de kortste keren heb ik de aandrang nooit meer een boek te willen aanraken na een gesprekje met een boekhandelaar. Ik probeer hem of haar te ontlopen, ik probeer mijn oren te sluiten als ik bij de kassa af sta te rekenen, maar ze komen er toch altijd doorheen met hun boekentips, hun ‘deskundigheid’, hun grappige opmerkingen over titels, hun woordspelingen en hun eindeloze gelul. Uiteindelijk sta ik buiten met niet alleen het boek van míjn keuze, maar ook met het boek van hún keuze, dat ik heb gekocht omdat er werkelijk niet aan te ontkomen viel – ze zijn behoorlijk agressief, die lokale boekverkopers – en dat ik op straat meteen in een vuilcontainer kan smijten.

Corona heeft ons veel goeds gebracht, zoals dat we onze bezoeken aan de boekhandel kunnen beperken. We bestellen onze boeken lekker vanuit huis. Ik ben van goede wil (soms denk ik dat ik gek ben), dus ik besloot dat #kooplokaalookonline te doen. De ellende die vervolgens ontstond bleek nauwelijks te overzien. Het bestelde boek kwam laat. Er zat een briefje in van mijn lokale boekhandelaar. ‘Hallo! Wat fijn dat je dit boek hebt gekocht! We hebben nog meer prachtige boeken!’ Volgde een opsomming van boeken geschreven door bekende Nederlanders die kanker hebben gekregen, die uit de kast zijn gekomen of die in de overgang zitten – of die van alles tegelijk last hadden (of die bevriend waren met Anne Frank). Ik zette door. Ik deed nog een bestelling. Deze keer kocht ik Het meesterwerk van Émile Zola. Weer zat er een briefje van mijn lokale boekhandelaar bij: ‘Goede keuze, Arie. Een meesterwerk. Haha!’ En daar hield het niet mee op. In het boek bleek een foldertje te zitten van Schwob. ‘De mooiste boeken die u nog nooit heeft gelezen,’ las ik. Ik dacht dat het over mijn lokale boekhandelaar ging, die heeft de mooiste boeken ook nooit gelezen (hij heeft ze nog niet eens in huis, of in zijn winkel, om precies te zijn).

Wie of wat is Schwob? We hebben allemaal gehoord van Marcel Schwob (1867-1905), een Franse symbolistische schrijver. En nu komt het: zijn naam wordt misbruikt door een subsidieverstrekkende organisatie die – hou je vast, er volgt nu verschrikkelijk proza, want zo schrijven ze bij de subsidieverstrekkende organisatie Schwob – een ‘wereldkaart’ heeft laten ontstaan ‘die de landweggetjes en zijpaden van de vorige eeuw zichtbaar maakt’. Die landweggetjes en zijpaden zijn boeken – ik zeg het er maar even bij.

De meeste uitgevers hebben moeite met het uitgeven van literaire klassiekers, want die verkopen niet zo goed, ook omdat boekhandelaren ze liever niet in hun winkel aanbieden. Dat neemt maar ruimte in beslag waar ook een boek van Sonja Barend zou kunnen liggen. Zit er subsidie op een boek, dan verandert de zaak een beetje. Schwob zet in op ‘de pareltjes uit de wereldliteratuur in uitstekende vertalingen’. Pareltjes, het staat er; ‘uitstekende vertalingen’, ze schrijven het gewoon. En: ‘Door het hele land organiseren boekhandels leesclubs en lezingen met auteurs, vertalers en critici.’ Hier zien we hoe een corrupt netwerk wordt gecreëerd. Maar daarover de volgende keer meer.

Even terug naar hoe dit begon. Ik koop een roman geschreven door Émile Zola, toch niet echt een obscure schrijver. Ik wil dat boek hebben, alleen dat boek. Vervolgens krijg ik er allerlei gezwets bij, een flauwe grap, en reclame voor een organisatie die de markt voor het uitgeven van klassiekers volledig is gaan domineren, zodat de wérkelijk vergeten klassiekers geen kans meer krijgen en vergeten zullen blijven. Want zo werkt het in de praktijk: Schwob zorgt voor een enorme verschraling van het aanbod en vormt een aanslag op de leescultuur.

(wordt vervolgd)

AS

Er zijn allerlei cursussen en opleidingen die je op pad kunnen helpen schrijver te worden. Om schrijver te worden, en dat is een punt dat bij de meeste van die cursussen wel wordt meegenomen, moet je schrijven, daar kun je eigenlijk niet omheen. Dus krijg je allerlei tips over hoe je dat dient aan te pakken. Maar dan zijn we eigenlijk al een stap te ver, want er wordt daarbij van uitgegaan dat je iets zou kunnen hebben aan die adviezen; dat schrijven net als het bakken van een taart iets is wat je kunt leren. Een verstandig mens begrijpt op voorhand dat je niets aan die tips hebt, maar je hebt nu eenmaal iets nodig om een cursus een cursus te kunnen noemen. De optimistische gedachte bij mensen die schrijver willen zijn (maar die liever niet schrijven) overheerst dat als je eenmaal een cursus hebt gevolgd, daarna het schrijverschap vanzelf volgt.

Ik heb best wel lang over deze problematiek nagedacht, ook omdat ik zélf schrijflessen heb gegeven. Je zou dus kunnen zeggen dat ik boter op mijn hoofd heb. Tip: vermijd vaste uitdrukkingen als boter op je hoofd hebben, ze maken een tekst clichématig. Vervolgtip: gebruik soms juist wel een vaste uitdrukking, want iedereen weet meteen waar je het over hebt; het is eigenlijk geen cliché, maar idioom.

Soms spreek ik met andere schrijvers over schrijven. Ik ben daar niet dol op, maar soms gebeurt dat gewoon, en eigenlijk gebeurt dat het vaakst als die andere schrijver voordat hij of zij publiceerde een cursus heeft gevolgd waarin hij of zij de kneepjes van het vak onderwezen kreeg. Daar zijn ze meestal niet helemaal fris uitgekomen, uit die cursussen. Voor je het weet praten ze met je over hoe personages zich moeten ontwikkelen, over de drijfveren die je aan personages moet meegeven en wat het verschil is tussen een plot en een verhaal. Onzinnige kwesties waarover ze hebben geleerd na te denken en erover te praten op de opleiding.

Dit zijn tevens de schrijvers die versie na versie van hun ‘boek’ schrijven. Dat is altijd een teken van gebrek aan talent – een beetje schrijver schrijft het allemaal in één keer op. Ben je inmiddels bezig met je vierde versie, gooi dan liever de hele boel het raam uit, en jezelf erbij. Dat is mijn tip. Deze mensen werken ook vaak met ‘proeflezers’ of ‘meelezers’. Daarmee zijn we definitief in de hel van het amateurisme beland. Om een uitstapje naar de schilderkunst te maken: Rembrandt vroeg toch zeker ook niet aan zijn buurman/goede vriend/tante/collega op kantoor/echtgenote of die even wilde meekijken of het al een beetje ergens op sloeg, evenmin stelde hij de vraag of die ‘proefkijker’ of ‘meekijker’ op de continuïteit wilde letten, zelf raakte hij in de drift van het schilderen immers weleens de weg kwijt. Ja, Woody Allen (om een uitstapje te maken naar wéér een andere kunstvorm) neemt wellicht jonge meisjes mee naar de filmset, maar dat heeft er weer niks mee te maken.

Op Twitter kwam ik opeens het hoofd van een langharige schrijver tegen, een man, en het was niet Ilja Leonard Pfeijffer. In het kader van een project dat door Rosanne Y. Hertzberger was gelanceerd zou hij ons in een filmpje tips gaan geven voor het schrijven van een kort verhaal. Dat project van Hertzberger werd gevangen onder de noemer #zevenkunsten. Het is de bedoeling dat haar volgers zich elke maand met een ander ‘kunstje’ gaan bezighouden: het maken van een foto, het schrijven van een sonnet of liedje, het maken van een tekening. In april 2021 zijn de volgers van Hertzberger op die manier inmiddels aangekomen bij het schrijven van een essay, en de boel wordt in mei afgerond met het maken van ‘een werk met kunstvorm naar keuze (van opera tot borduurwerk)’. Marja Pruis reageerde op Twitter met de opmerkingen ‘vind t heel vreemd dit’, ‘ik snap t initiatief niet. Zo gek naïef’ en ‘Ik voel me heel zuur, zo stom als ik het vind. Alsof iedereen maar een kunstje kan beoefenen’.

Ik haalde diep adem en dacht aan een andere tweet, van Hertzberger: ‘Ik heb zoveel zin in dit gestoorde plannetje. Even buiten de comfort zone, iets nieuws en ongemakkelijks doen. Mijn hoofd door elkaar schudden. Iets maken zonder automatisme.’ (Haar columns schrijft ze blijkbaar op de automatische piloot.) Wilde ik mijn hoofd door elkaar laten schudden? Ik waagde het erop, ik klikte het filmpje aan.

Het hoofd met het lange grijs haar erop en ernaast en eromheen begon te spreken. Met zichtbare tegenzin begon het adviezen te geven. Gebruik meerdere personages. Plan niet alles vooraf. Werk niet met overgevoelige personages. Het duurde allemaal niet meer dan twee minuten, deze cursus. Maar gelukkig was er een vervolg van ongeveer dezelfde lengte. Daar gingen we weer.

Het is een kort verhaal dus je hoofdpersonage mag onsympathiek zijn, je zit er godzijdank slechts kort mee opgescheept. Laat als je het verder ook niet meer weet iemand binnenkomen met een revolver. Onthul op het laatst niet dat de hoofdpersoon een hond is of een zeepaardje, en als het dan toch een van die twee moet zijn, kies dan voor het zeepaardje. Als je het verhaal afhebt, haal dan de eerste en de laatste alinea weg.

Zuchtend waren we aan het eind van de cursus beland. In december leren we hoe je een foto maakt (knip de zijkanten eraf). En zo begeven we ons in rap tempo naar de ultieme cursus: hoe leg ik een goede lus in een touw als ik zelfmoord wil plegen? (Is het touw tien meter, snij het dan eerst doormidden.) In deze coronatijd staan ons vast nog vele leuke cursussen te wachten. Op dit moment twittert Rosanne de favoriete verhalenbundels van Tommy Wieringa. Doe er je voordeel mee!

AS

Over wat in Nederland literaire prijzen worden genoemd, is wellicht al te veel gezegd, maar blijkbaar niet genoeg, want het fenomeen bestaat nog altijd. Je zou verwachten, of hopen, dat literatuur of de literaire wereld zich niet met zoiets wezenlijk kinderachtigs zou bezighouden als het toekennen van prijzen, maar dan vergis je je dus. Het is volgens sommigen zelfs de enige manier waarop er nog op een zinnige manier over literatuur kan worden gepraat. Op de website van De Revisor laat Daan Stoffelsen (‘ik ben recensent, redacteur, jurylid, essayist’) zijn onafhankelijke licht schijnen over het belang van literaire prijzen in het algemeen en dat van de Boekenbon Literatuurprijs (waar Daan jurylid voor is) in het bijzonder.

Daan Stoffelsen schrijft proza dat tamelijk ondoordringbaar is. Hij schrijft zinnen als de volgende: ‘Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets [de Taalunie spelt Excelsheets met een hoofdletter, maar goed – AS] en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.’ Het is niet helemaal duidelijk wáár Daan precies aan meedoet, maar ik geloof dat hij het evalueren van het literaire jaar bedoelt. Meestal doet hij daar niet aan mee en soms doet hij daar wel aan mee, zoals wanneer hij bijvoorbeeld jurylid is van de Boekenbon Literatuurprijs.

Daan dicht aan dat lidmaatschap van de jury, of aan het evalueren van het literaire jaar door middel van (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists en prijswinnende boeken) – al die haakjes zijn van Daan; hij heeft een nogal nuancerende stijl – een bijzondere eigenschap toe. Dit ‘circuit’ corrigeert de waan van de dag: ‘Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.’ Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken.

Het frappeert altijd weer hoe juryleden van literaire prijzen zichzelf belangrijk maken. Of zichzelf als belangrijke personen beschouwen. Ik ken Daan persoonlijk, moet ik nu zeggen. Dat schrijft hij namelijk zelf in een ander stukje op de website van De Revisor: ‘Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur.’ Ik heb Daan inderdaad weleens gesproken, en dan maakt hij zichzelf helemaal niet zo belangrijk. Maar wat we wel moeten begrijpen is dit: een literaire jury kent niet zomaar een prijs toe, nee, die storten zich in een doortimmerd juryproces. Vlak na het bekend worden van de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, een longlist die door Daan mede is samengesteld (‘dat is het geheim van de jury’, klapt Daan uit de school van het doortimmerde juryproces, ‘je moet het eens worden’) deelt Daan dan ook mee: ‘Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof.’

Ik heb lang naar die zin en de context waarin die staat gekeken (en nagedacht over hoe goed ik Daan eigenlijk ken), maar ik geloof inderdaad dat Daan hier zichzelf en zijn medejuryleden lof toezwaait. Daar hebben ze toch even een puike longlist samengesteld! Een longlist die alle misstanden die in het verleden en in de waan van de dag en onder druk van de actualiteit zijn begaan mooi rechtzet. Natuurlijk, perfect wordt het nooit, dat begrijpt Daan ook wel. Daarom voegt hij eraan toe: ‘Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.’ Maar de kern blijft in tact: de jury heeft zijn werk uitmuntend gedaan en mooi corrigerend opgetreden.

Laat ik eens even helemaal teruggaan naar het begin van deze grote commerciële literaire prijzen. De eerste keer dat een dergelijke prijs in Nederland werd uitgereikt was in 1987: de AKO Literatuurprijs. Op de shortlist stonden H.C. ten Berge, J. Bernlef, Inez van Dullemen, Hermine de Graaf, Frans Kellendonk en J. Ritzerfeld (om alles enigszins te relativeren: wie leeft er nog van deze zes?). Voor zover literatuur een wedstrijd is en je belangrijke van minder belangrijke boeken kunt onderscheiden, was iedereen het er toen over eens dat Kellendonk met Mystiek lichaam het belangrijkste boek van de voorafgaande periode had geschreven. De jury trad echter fijn corrigerend op: de AKO Literatuurprijs 1987 ging naar J. Bernlef voor zijn roman Publiek geheim. Twee jaar later ging de prijs naar Brigitte Raskin voor haar roman Het koekoeksjong. Weer een jaar later werd Joost Niemöllers roman Wraak genomineerd.

Ik wil graag nog één keer Daan citeren: ‘Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren?’ Het is duidelijk: literaire jury’s gaan ons dat niet vertellen. Sterker nog, de keuze van een literaire jury toont ons júíst de waan van de dag. Boeken die morgen vergeten zijn, krijgen vandaag een prijs. Boeken die onthouden zullen worden, komen niet verder dan de shortlist, maar zelfs dat meestal niet. Wat al die shortlists en longlists wel laten zien zijn allerlei netwerkverbanden in de literaire wereld. Het is wellicht aardig om daar een andere keer wat uitgebreider op in te gaan. Nóg boeiender is het misschien om echt eens boeken te lezen, in plaats van er de hele tijd over te praten zonder ze gelezen te hebben. Dat laatste, praten over een boek zonder het te hebben gelezen, wérkelijk te hebben gelezen, gebeurt al genoeg in literaire jury’s. Dat verdient natuurlijk geen navolging. Het beste is het om al die door literaire jury’s samengestelde shortlists en longlists te negeren en je eigen smaak te volgen. Dat zorgt ervoor dat je minder bagger leest, bagger die morgen weer vergeten is.

AS

Archief