AS

Er is veel dat mij tegenstaat aan de Stichting CPNB – om precies te zijn: alles. Maar het voornaamste is wel dat ze mensen die van lezen houden op allerlei manieren proberen ervan af te brengen. Ik heb er hard voor moeten vechten om te mogen lezen, om zo vaak te mogen lezen als ik wil, om ook het boek te lezen dat ik wil, en ik kan wel zeggen dat lezen mijn grootste hartstocht is. Die voor mij levensreddende bezigheid wil ik me niet laten afpakken door een stel analfabetische patjepeeërs. Voor de duidelijkheid: ik heb het dus over de mensen die bij de CPNB werken.

Er zijn dagen dat ik niet aan de CPNB denk; die dagen zijn er niet tijdens de Boekenweek. Een dag een boekhandel niet bezocht, is een dag niet geleefd zoals we allemaal weten, maar het is nu eenmaal niet te doen, bij een boekhandel naar binnen gaan tijdens de Boekenweek. Alles is stuitend aan die week. Het geschenk, het goedkoop te verkrijgen ‘essay’, het vieren van het boek, het bal, de aandacht voor het boek op tv tijdens die verschrikkelijke week, de opportunisten die ook hun graantje mee willen pikken, het thema, de hysterische boekhandelaren, de lelijke versieringen in de winkel – vergeet ik nog iets? Ja, Job Jan Altena, ‘senior pr-adviseur en persvoorlichter @cpnb’, zoals hij in zijn biografietje op Twitter zichzelf omschrijft.

Het is inderdaad een iets, deze Job Jan Altena, want ik kan me niet voorstellen dat er een mens schuilgaat achter dit account. Dat er een machine aan het werk is, kun je alleen al afleiden aan het feit dat in elke tweet die ‘Job Jan Altena’ de wereld instuurt minstens één taalfout zit. Hier moet sprake zijn van een niet zo lekker functionerend computerprogramma. Bovendien wordt elke tweet machinaal afgesloten door het nogal stompzinnige #eenboekkanzoveeldoen. Het voordeel van zo’n aan elkaar geschreven hashtag is natuurlijk wel weer dat ‘Job Jan Altena’ niet hoeft te beslissen of het nu ‘zoveel’ of ‘zo veel’ is – al had ik het programma ook nog wel in staat gezien om ken te schrijven in plaats van kan.

Om ‘Job Jan Altena’ een enigszins menselijk gezicht te geven twittert het – tussen allerlei debiele opmerkingen over literatuur door (zo twitterde het programma op 17 maart nogal onsmakelijk ‘Wolkers leeft ;)’ – soms ook iets persoonlijks. Op 9 maart schreef de machine: ‘Engels, Spaans, Duits… Maar onmogelijk om je als klant in het Nederlands verstaanbaar te maken. Zo gaat winkelen in Amsterdam er al een tijdje aan toe, maar ik word daar steeds onvriendelijke en recalcitranter van. Ben ik de enige?! #eenboekkanzoveeldoen’ Let op, het gaat hier lang goed, maar dan wordt er toch nog gestruikeld over het moeilijke woord ‘onvriendelijker’. Dit is trouwens wel een onderwerp dat ‘Job Jan Altena’ uit het hart gegrepen is: het is inderdaad heel moeilijk voor dit programma om zich in het Nederlands verstaanbaar te maken.

Wat ik naast al het andere tegen de CPNB heb, is dat ze alles zo kinderachtig weten te maken. Het is een infantiele instelling. Dat blijkt al uit het thema dat ze elk jaar weten te verzinnen. Maar dit jaar is dat wel erg problematisch. De moeder wordt centraal gesteld. Weliswaar door allerlei mannen, maar goed, ze benadrukken de menselijke kant. Nu heb ik zelf een verschrikkelijke moeder, maar laat ik het persoonlijke erbuiten houden. In literaire fictie gaat het nooit om moeders of om mensen in het algemeen. In een roman is sprake van, en nu komt een lastig woord, personages. Personages bestaan niet echt. Dat is een soort basisregel. Een personage uit een roman kom je nooit in het echt tegen. Het zijn geen mensen. Leg dat nu maar eens uit aan de Stichting CPNB. Dat is niet te doen.

Op de website die de CPNB speciaal voor de Boekenweek heeft gemaakt wordt het thema uitgelegd: ‘Iedereen heeft een moeder, hartverwarmend en zorgzaam, streng of afwezig.’ En ik staar naar dat laatste woord. Afwezig. En opeens alles valt op zijn plek. Plotseling voel ik de pijn van ‘Job Jan Altena’, het leed van dit ‘iets’, van dit computerprogramma. Je kunt dat gerust een perspectiefwisseling noemen, een verrassende doorbraak in mijn denken.

‘Job Jan Altena’ heeft geen moeder, nooit gehad ook, hooguit is ‘Job Jan Altena’ aangesloten op een moedercomputer, maar dat is nog steeds niet zo’n warmbloedig wezen van vlees en bloed, een vrouw, met haar nukken en grillen, een schepsel zoals al die schrijvers die nu op tv en in kranten verschijnen er een hebben of hebben gehad. Iemand die het gezin bij elkaar hield. Die dapper was. Zogenaamd onderdanig, maar ondertussen. Dat hele kotsidee kortom van een moeder, waardoor wij – afgezien van het feit dat ze ook niet kunnen schrijven – nooit meer een boek van Tommy Wieringa, Murat Isik, Arnon Grunberg en noem al die moederschrijvers maar op, serieus kunnen nemen. Maar dat hele gevoel van het hebben van een moeder mist ‘Job Jan Altena’.

Ik zit hier inmiddels met tranen in mijn ogen. Ik check nog eens de timeline van ‘Job Jan Altena’. Een uur geleden plaatste ‘Job Jan Altena’ dit: ‘Mn hart slaat over!’ Ach. ‘Job Jan Altena’ meent een teken van leven bij zichzelf te hebben bespeurd. Een echt teken van leven! Hij denkt dat hij een hart heeft! Wie helpt hem uit de droom? Er bestaat geen Job Jan Altena. ‘Job Jan Altena’ bestaat alleen tussen aanhalingstekens. Denk deze Boekenweek aan hem (het). Schenk hem/het desnoods je moeder (die van mij mag ‘Job Jan Altena’ sowieso hebben). Snik. #eenboekkanzoveeldoen Ik snap de hashtag. Het is pure wanhoop.

AS

Wat is de naarste beroepsgroep: die van de boekverkopers, die van de schrijvers of die van de vertalers? ‘Vertalers worden vaak vergeten, maar nog meer vergeten worden hun emoties,’ lees ik in het tijdschrift over vertalen, Filter. Het Nederlands klinkt al meteen alsof die zin vertaald is uit Alice’s Adventures in Wonderland & Through the Looking-Glass and What Alice Found There, maar zo klinken vertalers altijd wanneer ze voor de verandering zélf hun zegje doen. Ik ken geen vertaler die eens een keer normaal kan doen; nul (0) dus. Nu ja, goed, eentje dan, ze woont bij mij om de hoek en in de omgang valt ze reuze mee. Zoals je ook weleens een boekverkoper met gevoel voor humor tegen het lijf loopt. (Waar?) Of een schrijver die zich niet aanstelt. (Dank u.)

Samengevat: vertalers zijn altijd helemaal gek, en vaak ook nog eens op een leuke manier, wat het allemaal nog veel erger maakt. Ze zijn niet te harden. Ze zijn verward, hebben een zure trek om de mond en lijken telkens als je ze in het wild ziet steevast in huilen te kunnen uitbarsten. Vaak doen ze dat ook. Ze worden ook altijd onderbetaald. En dat zeggen ze de hele tijd. Het zijn kortom geen mensen die je er op een feestje bij wilt hebben.

Het is onvermijdelijk, deze hele ellende mondt uit in een prijs: de Europese Literatuurprijs. De longlist (twintig romans) is er net van bekendgemaakt. En daar gaan we weer. Dit lees je op de website: ‘De titels zijn geselecteerd door een twaalftal onafhankelijk opererende boekhandels als de beste, hedendaagse Europese romans die vorig jaar in het Nederlands zijn verschenen.’ Rare komma. Twaalftal. Onafhankelijk. Opererende. Boekhandels. Daar is een gek op een toetsenbord losgelaten. Meteen erop volgt de lijst, inderdaad: de te verwachten bagger. Zoals een van de boekhandelaren zelf wist te melden op Twitter: ‘Tromroffel… het is weer een prachtige lijst geworden! Morgen vindt u deze 20 Europese titels weer mooi bij elkaar op een tafel in de boekhandel!’

Dat is dus voor de zoveelste keer boeken op tafel leggen, mooi bij elkaar, kaartjes erbij, daar iets opschrijven (‘meeslepend’, ‘ontroerend’, ‘pijnlijk en ook heel mooi’) – ja, een boekhandelaar heeft het tegenwoordig niet zo eenvoudig. Gelukkig is de redding nabij: ‘In een Europa dat soms verdeeld lijkt, laten deze twintig romans zien hoe wij verbonden worden door een gedeelde geschiedenis, en het verlangen naar schoonheid en liefde.’ De Europese Kitschprijs, dat zou een betere naam zijn.

Je moet met je vertaalde roman dus eerst langs dat ‘twaalftal’ (wat betékent dat; zijn het er nu twaalf of elf of dertien of ongeveer twaalf als die mensen van Boekhandel Blokker uit Heemstede tijdens de vergadering ook even willen opletten?), goed, je moet dus langs die mafkezen, sorry, langs die onafhankelijk opererende boekhandels komen en dan maakt een deskundige jury onder leiding van – even de adem inhouden – Anna Enquist het af.

‘Vijf van deze schrijvers mocht ik interviewen voor @parool. De meeste andere boeken heb ik gelezen. Hels moeilijk kiezen dit!’ Dat twitterde (o, daar gaat mijn baan) mijn huidige chef boeken bij Het Parool. Ook al iemand die het moeilijk heeft. Het ís helemaal niet moeilijk, en zeker niet héls moeilijk kiezen. Er zit om precies te zijn één goed boek bij, dat van Marías (en die heeft ook wel betere geschreven). Zoals tot nu toe elk jaar is gebeurd, zal de jury koersvast afstevenen op de slechtste roman die erbij zit. Dat líjkt misschien alsnog een lastige keuze, maar dat klusje kunnen we Enquist wel toevertrouwen.

Het is altijd weer een goed idee om boekhandelaren een prijs te laten organiseren, dan weet je tenminste zeker dat de wansmaak regeert. En dat er nog iets aan vastzit. Deze prijs is ook bedoeld om de vertalers in het zonnetje te zetten, want zoals ze bij het tijdschrift Filter al constateerden: die dreigen vaak, met hun emoties en al, te worden vergeten.

Mijn god, wat worden die vertalers vaak vergeten! Je kunt de straat niet op of je struikelt over ze. Wat heb je allemaal niet? De Martinus Nijhoffprijs, de Europese Kitschprijs dus, de Vertaalengel en Vertaalduivel – o, nee, die laatste twee delen de vertalers zélf uit (heb ik al gezegd dat ze gek zijn?). ‘De vertaalduivel heeft een speels en prikkelend karakter en is bedoeld als uitnodiging om iets te doen of na te laten in het belang van het vertaalvak en/of de vertaler,’ leggen ze uit. Speels. Prikkelend. En/of. Levend of dood. Koffie of thee. Gekookt of gebraden.

Het is nog niet genoeg. ‘Wilt u meer horen over de romans op de longlist? Nieuwe Europese auteurs ontdekken? En de schaduwkunstenaars achter deze romans ontmoeten? Kom dan naar de Vertalersgeluktournee.’ Ik zat me lang af te vragen wie die schaduwkunstenaars in vredesnaam waren. En toen begreep ik het: dat zijn die vertalers! Die gaan naar boekhandels om daar voor eeuwig en altijd het eventuele plezier dat je al aan zo’n boek zou kunnen beleven (toegegeven, die kans is klein) definitief de nek om te draaien. Een schrijver in een, ik zeg maar wat, cultuurhatend (dank je, Tessa!) programma als DWDD over zijn roman horen praten is al erg, maar een vertaler allerlei dingen horen uitleggen over zijn vertaling is nóg erger. Bij het horen of lezen van het woord ‘vertalersgeluk’ hoeft een belangstellende lezer al niet meer.

In Nederland wordt over het algemeen zeer slecht vertaald. Dat wordt heel precies gevangen door dat truttige woord ‘vertalersgeluk’. Soms hebben ze een woord uit het Roemeens of het Bulgaars of het Engels goed, maar je kunt dat geen verdienste noemen. Het is pure mazzel.

AS

Leuk is het niet, maar we moeten het weer over het fascisme hebben, opdat we niet vergeten. Het is immers januari en de Boekenweek en het boekenbal naderen snel. Elk jaar zijn dit terroristische activiteiten waar je u tegen zegt, maar elk jaar ben je ook weer blij dat je het allemaal achter de rug hebt en nog leeft. Je schudt het van je af, je veegt de braakselresten van je schoenen, je gooit de geschenken en de goedkope Boekenweekessays de deur uit want die waren immers ook deze keer waardeloos. Kortom: je probeert het te vergeten en over te gaan tot de orde van de dag. Maar dat is niet goed, dat is de verkeerde instelling: zo blijft dat tuig aan de macht.

Je leest na die (ruime) week vol tumult eens een boek, een goed boek, en dat is wat de CPNB in de kaart speelt: wederom kunnen ze omdat jij niet oplet een programma samenstellen waarin vredelievende mensen worden beledigd, goede schrijvers in het gezicht worden gespuugd, volksartiesten optreden, iedereen die van literatuur houdt voor rotte vis wordt uitgescholden en pogingen worden ondernomen nietsvermoedende mensen leesbagger in de maag te splitsen. De Boekenweek is het feest van de boekennazi’s, de mensen met een zwak moreel kompas, de pr-fundamentalisten, de strijd tegen de elite, het vieren van de wansmaak en het oplichten van de consument.

Ik was eerlijk gezegd echt even vergeten dat het eraan zat te komen, maar tóén ik het me herinnerde – ik werd wakker, er scheen een vreemd januarilicht de kamer in, het sneeuwde – had ik ook meteen knallende koppijn. Er schoot me tevens te binnen dat er de afgelopen dagen wel erg veel pakketten waren bezorgd, telkens kwam er een jurk uit zo’n pakket voor mijn vrouw, haar boekenbaljurk, verschillende boekenbaljurken, zodat ze kon kiezen. Ze is redactrice bij een uitgeverij. De lezer weet het misschien nog: toen ik voor Het Parool (vroeger een verzetskrant, nu al lang niet meer) net verschenen Nederlandse literatuur recenseerde, gaf ik de romans die zij had geredigeerd immer vijf sterren. Voor haar is het boekenbal het feest van het jaar.

Maar ik dwaal af. Hoe zat het ook weer? Na spijkerharde onderhandelingen stuurde op 17 juli 2018 de CPNB een persbericht de wereld in waarin werd gesteld dat een gezamenlijke oplossing, die ook daadwerkelijk was gevonden, een positieve wending geeft aan de discussie over de Boekenweek. Waar was een oplossing voor gevonden? De CPNB was vrouwonvriendelijk bezig geweest: in het kader van het thema ‘De moeder de vrouw’ hadden twee mannen de opdracht gekregen Het Geschenk en Het Essay te schrijven (namelijk een schrijver, Jan Siebelink, en Murat Isik). Er was vervolgens een protestpetitie opgesteld die door meer dan zevenhonderd vrouwen, en ook mannen, ‘schrijvers’ en ‘mensen’ uit het ‘boekenvak’, was ondertekend. (Ik geloof dat inmiddels elk woord in de voorafgaande pakweg drie zinnen tussen aanhalingstekens kan worden geplaatst, maar laat ik me enigszins inhouden en me beperken tot de moeder de vrouw, schrijvers, mensen en boekenvak.) De boze schrijfsters gingen bij de CPNB op bezoek, en inderdaad, ze sleepten er aardig wat publiciteit en werk voor zichzelf uit. De CPNB deelde in het persbericht mee dat met de opstellers van de petitie samenwerking zal worden gezocht om in boekhandel, bibliotheek en in de media, het thema van alle kanten te belichten (gaap, maar dit terzijde).

Wie zaten er achter deze actie tegen de CPNB, wie waren de opstellers van de petitie? Om een groot Nederlands romanschrijver te citeren, dit zijn de namen: Wiljan van den Akker (hé! maar we gaan nu verder met alleen vrouwen), Babs Gons, Sanneke van Hassel, Tjitske Jansen, Esther Jansma, Jannah Loontjens, Eva Meijer, Christine Otten, Roos van Rijswijk, Fleur Speet, Florence Tonk en Manon Uphoff. Niet een gezelschap om direct gezellig met z’n allen in één kamer te zetten, en dat kwam ook uit: binnen de kortste keren hadden ze ruzie. Waarom moest er nu weer een man bij die ook nog eens de partner was van een van de vrouwen? En wie van dit gezelschap moesten er nu precies met de CPNB onderhandelen? Wat deed Fleur Speet nou weer voor die camera? Waarom drukte Manon Uphoff zich zo onbegrijpelijk uit? Wat had Tjitske Jansen precies tegen allochtonen? Waarom nam Roos de hele tijd die kuthond van haar mee? En waarom was Jannah Loontjens zo snel tevreden met wát dan ook er uit die onderhandelingen zou rollen? Wie wás Babs Gons eigenlijk? Moesten ze zich met z’n allen niet iets harder opstellen?

Gelukkig was er één ding dat de actievoerders – actievoersters eigenlijk – weer fluks aaneensmeedde zodat ze alsnog één front konden maken en pal konden staan: de behoefte om te netwerken. De CPNB hoefde maar een beetje over hun rug te aaien en te zeggen dat er nog heel wat leuke opdrachten uit konden rollen voor de opstellers van de petitie en het pleit was beslecht. Je kon hier wel van een overwinning spreken. Wat Jannah Loontjens dan ook prompt als eerste deed via Twitter en Facebook.

Het is altijd griezelig om opportunisten openlijk aan het werk te zien. Het is geen pretje. Toch moeten we ernaar kijken; misstanden moeten worden gesignaleerd. Maar welke vrijwilliger gaat in vredesnaam dat essay van Murat Isik lezen?

AS

Grijp ik er een gemiddelde krant bij, zeg NRC Weekend, dan constateer ik dat het daarin vaak over allerlei kwesties gaat die met het belang van lezen te maken hebben. In de genoemde krant werd op 10 november 2018 in de kop boven de column van Harald Merckelbach, hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit van Maastricht, de volgende vraag gesteld: ‘Waarom zou je überhaupt boeken lezen?’ Die vraag wordt in het stuk zelf herhaald, en daarachter staat: ‘Grofweg is 70% van wat je leest binnen een dag al niet meer uit het geheugen oproepbaar.’ Want je ‘stuit al snel op al die problemen – vervaging, verval, interferentie – waarover geheugenpsychologen praten zodra ze het over het moeras van de vergetelheid hebben’.

Je leest een boek, maar wat je hebt gelezen ben je ook weer snel voor het grootste deel kwijt. Dat moeras van de vergetelheid is trouwens een sterk beeld – ik zie dat heel erg voor me – ik heb even het gevoel dat ik in een fantasyroman ben beland.

Toch doe je het allemaal niet voor niets, lezen. Merckelbach somt de voordelen overzichtelijk op. Lezen verbetert je taalvaardigheid. Lezen, en dan vooral van literaire fictie (romans, verhalenbundels) ‘bevordert het vermogen om je op het standpunt van anderen te stellen’. Merckelbach lijkt hier ook even van te schrikken, want hij laat er meteen op volgen: ‘Dat is althans wat Amerikaanse, maar ook Nederlandse wetenschappers vonden’. (Ik heb nog een tijd over dat ‘maar ook Nederlandse wetenschappers’ zitten nadenken. Maakt dat de zaak sterker of juist zwakker?) Lezen stelt je in staat om gepaste afstand te houden van de waan van de dag. Lees je Tolstoj, dan raak je minder snel van slag als er ergens ‘in het geding’ staat; je weet gewoon wat de schrijver met die drie woorden bedoelt; je valt niet van je stoel (of uit bed, zie verderop) van verbazing. De slotzin van Merckelbachs column is prachtig. Hier komt die, het woordje ‘ze’ verwijst naar studenten die Tolstoj hebben gelezen: ‘Misschien nog belangrijker, ze weten wat het betekent als iemand de oren spitst als een oud garnizoenspaard dat de signaaltrompet ten aanval hoort blazen, ofschoon ze zoiets nooit met eigen ogen zagen.’ Ik vind alles hier fraai aan. Ik stel me er direct concreet de praktische bruikbaarheid en situatie bij voor waarin dat gebeurt.

Merckelbach legt allerlei linken tussen lezen en de maatschappelijke bruikbaarheid ervan. Dat doen leesbevorderaars altijd. Dat is nog eens iets anders dan wat Mikita Brottman schrijft in The Solitary Vice. Zij vergelijkt lezen met masturberen. Ze stelt dat je beide activiteiten meestal alleen doet, privé, vaak ’s avonds in bed (ik zei het!), voordat je in slaap valt. Je kunt het het beste doen als je niet met iets anders bezig bent, want het eist je volledige aandacht op. Je moet het niet overhaast doen, en je hebt er fantasie en een zeker voorstellingsvermogen voor nodig – die twee dingen zijn niet per se precies hetzelfde. Beide activiteiten (lezen en masturberen, en dan niet tegelijkertijd geloof ik) kunnen zó opwindend zijn dat mensen er verslaafd aan raken en, zoals dat met verslavingen het geval is, je er ook weer moeilijk van kunt afkicken. Begin je er eenmaal aan, dan is het iets wat je, voordat je er erg in hebt, je hele leven doet. Vaak krijg je er voor het eerst op school over te horen. Beide activiteiten worden aangemoedigd door eenzaamheid, in het bijzonder als je vroeg naar bed wordt gestuurd. Tegenwoordig wordt er wel anders tegen masturbatie aangekeken dan vroeger. Masturbatie wordt niet meer als levensbedreigend beschouwd. Het is een manier om je eigen lichaam en verlangens te leren kennen; spanningen kun je weg masturberen. Je kunt in een heel andere wereld belanden; de ‘echte’ wereld kun je een tijdje vergeten.

Masturberen en lezen (en in het verlengde daarvan ook schrijven) kunnen als gesloten systemen worden opgevat. Is het erg dat het gesloten systemen zijn? Is het erg dat masturberen, lezen en schrijven vormen van escapisme zijn en dat je je van de werkelijkheid vandaan een traject droomt ergens anders naartoe? Is er een weg terug? Is er een weg terug naar het leven zelf?

Merckelbach noemt onderzoek – nu ja, hij verwijst er zo’n beetje vaag naar – dat zou aantonen dat lezers beter in staat zijn andermans emoties te herkennen dan niet-lezers. Het heeft zelfs onmiddellijk effect als je voordat je met iemand gaat praten eerst een roman leest in plaats van iets anders: ‘Degenen die even daarvoor literaire fictie hadden gelezen deden dat [het herkennen van andermans emoties] beter dan degenen die zich over non-fictie hadden gebogen.’

Ik weet het niet. Is het woord ‘autisme’ al gevallen? In een inleiding bij een boek met vertaalde teksten van Roland Barthes lees ik dat schrijven vanuit het autisme van de eigen verbeelding het produceren van iets is wat anderen doet lezen, denken en terugschrijven: ‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact treden met een gemeenschap van anderen.’ Dat is te vergelijken met modern masturberen: door te schrijven vanuit een autistische grondhouding leer je jezelf beter kennen en daar krijg je positieve reacties op van anderen. Zo klauter je omhoog uit het moeras van de vergetelheid en maak je vrienden. Je schrijft of leest boeken niet om daar zomaar van te genieten, maar om je kennissenkring te vergroten. Voor je het weet meld je je aan bij een leesclub. Fijn! Dat wil zeggen, ik aarzel nog even.

AS

Mensen die boeken lezen – romans, verhalenbundels, poëzie – komen vaak nogal vervelend over. Over het algemeen valt er geen zinnig gesprek met hen te voeren. Ze beginnen al spoedig te zwetsen over de boeken die ze hebben gelezen, vertellen het ‘verhaal’ (meestal helemaal verkeerd) na; al is het nóg erger wanneer ze zeggen dat je dit of dat boek moet lezen om de taal. Ze zeggen dan krankzinnige dingen als: ‘Het is de taal, de aandacht voor het woord, waardoor je deze roman verslindt.’ Mag iemand die dat zegt eigenlijk nog wel iets opmerken over de taal (‘de aandacht voor het woord’) van wat dan ook? Dit voorbeeld verzin ik niet, maar komt uit een recensie die een van de boekverkopers van Athenaeum Boekhandel schreef, de recensie staat op de site van de winkel. Daarna volgen – en dat is ook standaard – voorbeelden van die taal uit de juist hierom zo gewaardeerde roman. Het ene citaat is nog verschrikkelijker dan het andere. ‘Jij en ik herhaalden dezelfde woorden bijna dagelijks, als gebeden of bezweringen (ik hou van je, je bent zo mooi), zodat de taal die we hadden asymmetrisch sleet: net een standbeeld dat begint te glimmen waar het vaak wordt aangeraakt (het hoofd, de handen, de punt van de voet), terwijl het elders bedekt raakt met een donker patina.’

Dus iemand heeft een boek gelezen en begint daarover te vertellen – erover te ouwehoeren kun je beter zeggen – hij of zij raadt het je aan. Jíj moet dat boek lezen. Die persoon komt nauwelijks uit zijn woorden en ziet er doorgaans heel dom uit. Van het lezen van boeken krijg je blijkbaar een imbeciele uitdrukking op je gezicht. Hij of zij vertelt ook nog eens het verhaal verkeerd na en levert er citaten bij met rare woorden en chaotische metaforen, en die vertelt jóú dan dat je dat kutboek moet lezen. Waarom? Waarom zeggen ze dat tegen mij?

Ik was een keer op een receptie. Er ging een man tegenover me staan. Hij zei: ‘Jij bent recensent, hè?’ (Dat was ik toen nog, al noemde ik mezelf niet graag zo.) ‘Weet je wát je eens moet lezen? Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn. Ja, daar heb ik echt van genoten. Wat is lezen heerlijk!’ Ik had dat boek allang gelezen. Er is niks aan. Het is een slecht boek. Het is een boek dat raar in elkaar zit. Het is een ijdel boek. Ik heb me kapot verveeld. Kun je dat op zo’n moment zeggen tegen die man? Ik kwam in een boekhandel – nee, niet Athenaeum, een andere – en ik probeerde rustig naar de boeken te kijken. Probeer dat eens, rustig naar boeken kijken in een boekhandel! Maar goed. Opeens stond er een vrouw voor mijn neus. De boekverkoopster. Ze hield een boek omhoog. ‘Heb je dit al gelezen? Dit moet je eens proberen. Dat is zó mooi!’ Het was een boek van Auke Hulst. Ik had het al gelezen. Ik had het zelfs al in de krant besproken. Eén ster.

(Even tussendoor. Dat ‘mooi’ of ‘zó mooi’, dat is ook heel erg. Frans Kellendonk: ‘Toegepast op kunst is mooi een kwalijk woord. Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch. De beoordelaar die mooi zegt – “héél mooi” of “mooi”, met zuinige nadruk – laat blijken dat het kunstwerk hem van harte koud laat.’ Die laatste stap van Kellendonk klopt natuurlijk niet helemaal. Want de meeste mensen die het woord ‘mooi’ in de mond nemen menen het oprecht; ze worden ‘geraakt’ door de schoonheid van het boek. Wat het allemaal nog erger maakt. Het zijn dezelfde mensen die een boek ‘verslinden’ om de taal ervan, ‘de aandacht voor het woord’, ‘de punt van de voet’ van een standbeeld die gladder wordt als je die punt vaak aanraakt.)

Al met al heb ik moeite met het concept dat andere mensen boeken lezen. Dat ze dat doen, en de resultaten daarvan, vind ik weinig bemoedigend. Ze lezen die boeken, ze raden je die aan, en dat terwijl ze er heel dom uitzien. Kortom, ze zijn niet bijzonder opgeknapt van het lezen van een boek. Ze zijn door het proces van het lezen ervan heen gegaan, maar ze zijn er niet beter uit tevoorschijn gekomen. Misschien zagen ze er vóór het lezen van het boek ook al dom uit, maar ze hebben geen stappen vooruit gezet. Ze lezen misschien wel tientallen boeken per jaar, en dan staan ze nog met Auke Hulst voor je neus te zwaaien. Ze zéggen nooit iets zinnigs. En laat je zien dat Auke Hulst (of Stefan Hertmans of wie dan ook) niet kan schrijven – je slaat het boek open, je gaat het samen lezen, je wijst ze op belabberde passages – dan ontkennen ze alles gewoon. Ze blijven koppig zeggen dat het wél mooi is.

Kees van Kooten op tv. Hij ‘draagt’ zijn eigen werk ‘voor’. Er is een boekje verschenen. Ik heb het hier. Kees van Kooten, Sterk verdund. Ik blader erin. Het is verschrikkelijk. Melig. Stom. Lollig. Aanstellerig. Oubollig. Oppervlakkig. Slecht geschreven. Niet leuk. Het zal niet lang meer duren of iemand raadt het me aan. Of geeft het me cadeau. (Dan heb ik er twee.) Zegt daarbij iets over de taal. De aandacht voor het woord. Ja, zo wordt er niet meer geschreven, tegenwoordig. Nou, misschien door Stefan Hertmans. Of door Auke Hulst. Kees van Kooten. Hou nou toch op. In wat voor land leef ik precies?

AS

Doe mee aan de Kerstprijsvraag en win een bak mirre.

Archief