Het kan geen krantenlezer ontgaan zijn dat het nieuwe televisieseizoen weer is begonnen. Ik heb geen televisie, ik snap niet waarom je zo’n bakbeest in je woonkamer zou willen terwijl je de meeste dingen ook gewoon op NPO Start terug kunt kijken. Ik nomineer de bedenker van de naam NPO Start hierbij meteen voor een divanbokaal. Als de site tijdens de zoveelste coronapersconferentie alweer overbelast is, net als jijzelf meteen vergeten is welke Zweedse detective jij als betalende NPO Plus-kijker vijf minuten geleden nog aan het kijken was en überhaupt elke vorm van gebruiksvriendelijkheid ontbeert kan je vanaf je luie stoel altijd nog heel hard ‘start’ roepen. Dat is zelfinzicht.

Ik zie online soms een flard van zo’n luchtig cultuurprogramma, een beetje zoals tv-mensen de krant lezen denk ik, want ik hoor nooit iets over een nieuwe krantenbijlage of column in het NOS Journaal, terwijl de kranten wel vol staan met voorbeschouwingen over nieuwe tv-programma’s, programma’s die na drie weken weer van de buis verdwijnen zodat er weer aanleiding is voor een tweede diepte-interview met een geflopte presentator of, als ’ie zelfs de zero-emission-levensstijl als verdienmodel niet ziet zitten, direct aan Fokke Obbema wordt overgeleverd. In zo’n cultuurprogramma gaat het dan over andere tv-programma’s of over mensen die misschien een keer een boek schreven maar nu mogen meepraten over virusbesmettingsgraden. Gratis kijkerstip: andersom zou verfrissender zijn: virusspecialisten die de aanstelling van docenten aan de Schrijversvakschool zouden bediscussiëren – ik begrijp dat ik daarmee driekwart van het ledenbestand van PC aanspreek dus ik hou me over de details op de vlakte.

Het enige tv-programma dat ik met regelmaat zie is het NOS Journaal. En dan niet het achtuurjournaal, de Rolls Roys onder de journaals, met loslopende presentatoren en ronde bewegende schermen, ook niet het tienuurjournaal, de betrouwbare snelle Volvo, nee, ik heb het over het middagjournaal. Een Dacia Logan, om in de autoparabels te blijven. Waarvan je elke keer opnieuw hoopt dat het toch een goede rit zal opleveren, al weet je dat ’ie niet harder kan dan vijftig, twee zachte banden heeft en de remmen het niet doen. Het geeft je een fijne blik in het brein van de NOS.

Ik heb ooit geleerd dat iedereen afbrandrecensies kan schrijven, dat zal niet elke PC-redacteur met me eens zijn (en zeker niet elke PC-lezer), maar ik wil hier hoe dan ook beginnen met een compliment aan de NOS. Ik vind het bewonderenswaardig dat er iedere dag rond één uur meerdere nieuwe journaals online klaar staan. Heel soms, op zaterdag, lukt het niet helemaal, dat klaarzetten, kan gebeuren. Misschien best vaak op zaterdag. Ik begrijp het wel, ik ga wel eens naar De Doffer op vrijdagavond en dan vergeet ik de volgende ochtend ook het vuilnis wel eens buiten te zetten. In dat zeldzame geval moet ik zaterdagmiddag zonder NOS-nieuws lunchen. Gelukkig is er dan nog het AT5-journaal, dat tegenwoordig door het leven gaat als ‘Amsterdam Vandaag’. Zodat je iedere dag van de week het nieuws van vandaag kunt kijken, zelfs als het al overmorgen is, en vandaag eergisteren. Dát had de NPO Start-copywriter moeten bedenken.

De dagen dat het NOS Journaal er wel is, hooguit een paar uur oud, begint het vaak met het nieuws dat de NOS belangrijk vindt. Het instorten van de kademuur van de Grimburgwal bijvoorbeeld, terwijl er in Groningen een aardbeving is geweest waar heel Amsterdam van zou kunnen instorten. Of iets met een Groeifonds. In elk geval een woord dat met Gr begint. Dionne Stax, die haar positie als presentator speciaal had gekregen om haar slechte uitspraak van de gr-klank te verbeteren, is inmiddels gepromoveerd naar een andere omroep, waardig opvolgster is AT5-coryfee Saïda Maggé, die het ouderwets heeft over een goeifonds en goningen. Fijn, zulke tradities, daar houden kijkers van. Soms is er dan een item over iets alarmerends in de economie. De jaarcijfers van Booking zijn alarmerend laag. Of de prognose voor de koopkracht is alarmerend. Dan komen er wat mensen die zeggen dat het echt heel erg is, en dan zien we een rode pijl naar beneden. Eg hoor, hoor je ze fluisteren achter hun desk.

En dan is er nog de stem van het volk. Sinds het vertrek van meesteres vox-popper Marga van Praag is het lang stil gebleven op de Nederlandse marktpleinen, gelukkig heeft de NOS daar ook een mooie vervanging voor gevonden: ze laten willekeurige Amerikanen bij een willekeurige bosbrand klagen over de staat van hun heg/auto/oprijlaan. Als het toevallig even niet brandt, dat kan, kan je ook altijd nog vakantiegangers nemen op een Grieks eiland. Daar wordt een mens blij van, zo’n herkenbare Amerikaan, steeds weer dezelfde, die overzichtelijke problemen heeft. Je kunt het wel elke dag over corona op Lesbos hebben, over een burgeroorlog in Centraal Afrika of over brand in Siberië, maar daar kom je de dag niet mee door, dat snappen ze wel bij de NOS.

Gelukkig is het dan alweer tijd voor ene Cindy (sorry andere Cindy) met het regionaal nieuws, of Gert met de sport. Hoe Cindy, de Journaalcindy dan, en Gert, verder heten, weet ik niet, gelukkig is dat wat ze vertellen zo irrelevant dat het me ook niet veel kan schelen. Voor de regionale omroep-verslaggevers die een reportage mogen insturen is het waarschijnlijk als een dagje meelopen op de middelbare school, dan maakt het ook niet zo veel uit of je de sommen in de natuurkundeklas wel snapt. En sport? Dat sla ik over. Dat er iemand een rondje wil rennen, of fietsen, desnoods met een hoop mensen achter een bal aan wil hollen en dat daar dan heel veel politie voor moet opdraven omdat de mensen die naar die hollende mensen kijken een middagje bushokjes en tegenstanders meppen als een middagje gezellig uit zien is tot daar aan toe. Ik heb zelf ook wel eens een touretappe gezien. Maar wat je daar verder nog voor zinnigs over zou moeten zeggen, vooraf, achteraf? Het weerbericht, dat is pas belangrijk.

JdW

Over wat in Nederland literaire prijzen worden genoemd, is wellicht al te veel gezegd, maar blijkbaar niet genoeg, want het fenomeen bestaat nog altijd. Je zou verwachten, of hopen, dat literatuur of de literaire wereld zich niet met zoiets wezenlijk kinderachtigs zou bezighouden als het toekennen van prijzen, maar dan vergis je je dus. Het is volgens sommigen zelfs de enige manier waarop er nog op een zinnige manier over literatuur kan worden gepraat. Op de website van De Revisor laat Daan Stoffelsen (‘ik ben recensent, redacteur, jurylid, essayist’) zijn onafhankelijke licht schijnen over het belang van literaire prijzen in het algemeen en dat van de Boekenbon Literatuurprijs (waar Daan jurylid voor is) in het bijzonder.

Daan Stoffelsen schrijft proza dat tamelijk ondoordringbaar is. Hij schrijft zinnen als de volgende: ‘Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets [de Taalunie spelt Excelsheets met een hoofdletter, maar goed – AS] en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.’ Het is niet helemaal duidelijk wáár Daan precies aan meedoet, maar ik geloof dat hij het evalueren van het literaire jaar bedoelt. Meestal doet hij daar niet aan mee en soms doet hij daar wel aan mee, zoals wanneer hij bijvoorbeeld jurylid is van de Boekenbon Literatuurprijs.

Daan dicht aan dat lidmaatschap van de jury, of aan het evalueren van het literaire jaar door middel van (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists en prijswinnende boeken) – al die haakjes zijn van Daan; hij heeft een nogal nuancerende stijl – een bijzondere eigenschap toe. Dit ‘circuit’ corrigeert de waan van de dag: ‘Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.’ Zo kun je er natuurlijk ook tegenaan kijken.

Het frappeert altijd weer hoe juryleden van literaire prijzen zichzelf belangrijk maken. Of zichzelf als belangrijke personen beschouwen. Ik ken Daan persoonlijk, moet ik nu zeggen. Dat schrijft hij namelijk zelf in een ander stukje op de website van De Revisor: ‘Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur.’ Ik heb Daan inderdaad weleens gesproken, en dan maakt hij zichzelf helemaal niet zo belangrijk. Maar wat we wel moeten begrijpen is dit: een literaire jury kent niet zomaar een prijs toe, nee, die storten zich in een doortimmerd juryproces. Vlak na het bekend worden van de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs, een longlist die door Daan mede is samengesteld (‘dat is het geheim van de jury’, klapt Daan uit de school van het doortimmerde juryproces, ‘je moet het eens worden’) deelt Daan dan ook mee: ‘Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof.’

Ik heb lang naar die zin en de context waarin die staat gekeken (en nagedacht over hoe goed ik Daan eigenlijk ken), maar ik geloof inderdaad dat Daan hier zichzelf en zijn medejuryleden lof toezwaait. Daar hebben ze toch even een puike longlist samengesteld! Een longlist die alle misstanden die in het verleden en in de waan van de dag en onder druk van de actualiteit zijn begaan mooi rechtzet. Natuurlijk, perfect wordt het nooit, dat begrijpt Daan ook wel. Daarom voegt hij eraan toe: ‘Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.’ Maar de kern blijft in tact: de jury heeft zijn werk uitmuntend gedaan en mooi corrigerend opgetreden.

Laat ik eens even helemaal teruggaan naar het begin van deze grote commerciële literaire prijzen. De eerste keer dat een dergelijke prijs in Nederland werd uitgereikt was in 1987: de AKO Literatuurprijs. Op de shortlist stonden H.C. ten Berge, J. Bernlef, Inez van Dullemen, Hermine de Graaf, Frans Kellendonk en J. Ritzerfeld (om alles enigszins te relativeren: wie leeft er nog van deze zes?). Voor zover literatuur een wedstrijd is en je belangrijke van minder belangrijke boeken kunt onderscheiden, was iedereen het er toen over eens dat Kellendonk met Mystiek lichaam het belangrijkste boek van de voorafgaande periode had geschreven. De jury trad echter fijn corrigerend op: de AKO Literatuurprijs 1987 ging naar J. Bernlef voor zijn roman Publiek geheim. Twee jaar later ging de prijs naar Brigitte Raskin voor haar roman Het koekoeksjong. Weer een jaar later werd Joost Niemöllers roman Wraak genomineerd.

Ik wil graag nog één keer Daan citeren: ‘Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren?’ Het is duidelijk: literaire jury’s gaan ons dat niet vertellen. Sterker nog, de keuze van een literaire jury toont ons júíst de waan van de dag. Boeken die morgen vergeten zijn, krijgen vandaag een prijs. Boeken die onthouden zullen worden, komen niet verder dan de shortlist, maar zelfs dat meestal niet. Wat al die shortlists en longlists wel laten zien zijn allerlei netwerkverbanden in de literaire wereld. Het is wellicht aardig om daar een andere keer wat uitgebreider op in te gaan. Nóg boeiender is het misschien om echt eens boeken te lezen, in plaats van er de hele tijd over te praten zonder ze gelezen te hebben. Dat laatste, praten over een boek zonder het te hebben gelezen, wérkelijk te hebben gelezen, gebeurt al genoeg in literaire jury’s. Dat verdient natuurlijk geen navolging. Het beste is het om al die door literaire jury’s samengestelde shortlists en longlists te negeren en je eigen smaak te volgen. Dat zorgt ervoor dat je minder bagger leest, bagger die morgen weer vergeten is.

AS

The greatest lesson in life is to know that even fools are right sometimes,’ zei Winston Churchill ooit. Nu zei hij wel meer, maar daar had die kale toch een puntje. Gekken hebben inderdaad soms gelijk – soms, maar meestal niet. Als, laten we zeggen, Emilie Sobels mij voorhoudt dat ik 600 euro moet uitgeven om tijdens The Self-Made Summit op 8 oktober tien uur in een pakhuis door te brengen om daar te leren hoe ik snel geld kan verdienen en hoe ik nou écht efficiënt met mijn tijd moet omgaan, dan heeft zij dus géén gelijk. 

Emilie Sobels is ondernemer, werkgever, vastgoedeigenaar, schrijver, ‘girl boss’, en nog belangrijker: self made. Het ideaal van de self made man, of woman voor mijn part, is zoals bekend allang niet meer voorbehouden aan protestantse Ieren die in de negentiende eeuw een katoenfabriek in Chicago optuigden of Italiaanse emigranten die zich Wall Street in wisten te vechten. Tegenwoordig ben je het al door een keer naar de Kamer van Koophandel op de De Ruijterkade te fietsen en onder het genot van een gratis beker automaatkoffie een handtekening te zetten. Sobels ziet het als haar persoonlijke missie om vrouwen te doen geloven dat iedere stap die zij zetten op het door de maatschappij voor sommigen zorgvuldig geplaveide pad van bestaanszekerheid een pure persoonlijke overwinning is. In The self-made guide, een boek dat in eerste instantie leest als reclamefolder voor de Summit – alleen al in het voorwoord noemt ze dit vrouwenvolksfeest vijf keer –, laat ze 21 vrouwen aan het woord die dingen zeggen als ‘grijze muisjes hebben geen carrière’ en ‘er is geen enkel excuus om stil te blijven staan’. Een legitiem excuus voor deze vrouwen zou zijn om eens stil te staan bij alle kwaadaardige onzin die ze er in hun geschifte ratrace naar de top uitkramen. 

Volgens Sobels is een van haar belangrijkste kwaliteiten als ondernemer dat ze goed kan delegeren. ‘Ik heb geen moeite met taken uit handen geven.’ Dat klopt: zo liet ze haar hele boek door een ghostwriter in elkaar zetten. Zij mag dan naar eigen zeggen self made zijn, haar boek is dat zeker niet. In plaats van hier ook nog maar enigszins geheimzinnig over te doen neemt ze de naam van deze ghostwriter doodleuk op in het colofon. Ook deze vrouw heeft immers een instagramaccount met boekpresentatiejurken te vullen, en als dat haar de slechtste ghostwriter ooit maakt, dan is dat maar zo. Sobels zal het allemaal niet kunnen rotten, die heeft het hele werk waarschijnlijk nog zo goed als voor niets kunnen laten optekenen door de notulist een gratis plek in één van haar vijf all female flexwerkpanden aan te bieden – Sobels’ core business, waar ze al met volle teugen reclame voor maakte in haar vorige bestseller. Een pas voor één dag aan een bureau met daarop een vetplant in het centrum van Amsterdam of een andere Nederlandse metropool kost 55 euro. Het is niet te geef, maar, dat moet ik toegeven, dan heb je ook gegarandeerd geen mannen om je heen. 

Natuurlijk wordt zo’n flexwerkplek goedkoper naarmate je er meer dagen gaat zitten – slechts een van de tekenen dat Sobels inderdaad een geniale zakenvrouw is. Bovendien: om geld te verdienen moet je volgens Sobels eerst geld uitgeven. En niet zo’n beetje ook. ‘Het is superspannend om investeringen te doen, maar je moet echt groter denken om groter te worden. Zo worden meisjes met dromen vrouwen met visie.’ Prachtig! En een uitstekend advies, mits je als meisje al een vader had met een in Wassenaar gevestigd consultancykantoor die kan lappen als je door dat eerste pand aan de Brouwersgracht te kopen toch net iets te groot hebt gedacht. Hier rept Sobels met geen woord over, maar rijke ouders is dan ook een lastig advies om in de praktijk toe te passen. Geen advies in ieder geval waar je, pak ’m beet, zo’n 600 euro voor zou neertellen. 

Maar waar dan wel voor? Volgens de website is The Self-Made Summit ‘een investering voor elke werkende vrouw. Naast de mooie sprekers, mogelijkheden tot zelfontwikkeling en geweldige aankleding behoor je in één klap tot een community van 500 vrouwen die overstromen van ambitie.’ Een community van 500 vrouwen, daar heeft zelfs de grootste zelfmoordterrorist nog geen recht op, en met een VIP-ticket (het duurste en het enige ticket dat, anders dan de website beweert, na doorklikken nog beschikbaar blijkt) laat je deze op de front row nog eens allemaal achter je. Aldaar valt te luisteren naar alle mooie sprekers, zoals Fabienne Chapot, founder van Fabienne Chapot, en ene Lucy Woesthoff, een andere lifestyleboekenauteur die als jonge twintiger in Londen werkzaam zou zijn geweest als pr-dame van The Rolling Stones. Over deze gouden tijden circuleren twee verhalen op het wereldwijde web: in het ene solliciteerde Woesthoff via een uitzendbureau naar de functie van pr-medewerker bij een muziekpromotor en werd ze direct aangenomen, in het andere begon ze daar als receptionist en werkte ze zich op tot ze uiteindelijk met Mick en de jongens mee op tour ging. Lies, liééés you dirty Jezebel! Maar met leugens of niet, zolang je jezelf maar als self made verkoopt kun je bij de Summit gewoon het podium op.  

Wie 600 euro voor dit alles nog steeds te duur vindt kan altijd beslissen dat het niet te duur is voor haar baas. Speciaal voor alle ongeletterde girl bosses biedt Sobels een brief van twee kantjes aan waarin alleen nog de naam van hun werkgever moet worden ingevuld. ‘Als je net zo enthousiast bent als ik over dit plan, zou ik ontzettend graag een ticket boeken nog voordat The Self-Made Summit is uitverkocht of de prijzen worden verhoogd.’ Als dreigen niet werkt, heb je als vrouw natuurlijk altijd nog een andere optie. ‘Lach een keer leuk of doe dat ene jurkje aan. Je hebt als vrouw eerder de gunfactor. Ik denk dat het juist een kracht is als je daar als vrouw gebruik van maakt,’ aldus Sobels in een interview met de NOS. Je hebt een kut, gebruik ’m dan ook! Dat is wat Sobels doet – helemaal zelf.

TS

Ferdinand Grapperhaus houdt van boeken en dieren. Dat eerste weet ik omdat hij enkele maanden geleden (in maand twee van het jaar 0 CE, corona era) een straattaalwoordenboek kocht bij Van Rossum in de Beethovenstraat. Inderdaad de beste plek om, als onderdeel van een etnografische veldstudie, je te verdiepen in de communicatiemiddelen van de homo Amstelodamum minorum. Op strooptocht in het Vondelpark, begeleid door twee dienaren in uniform (de etymologische herkomst van dat woord – dinar – laat zien dat het gerechtvaardigd is om te spreken over de hoeren van justitie), sprak hij enkele dames aan op hun coronachillgedrag. Uit de articulatie van de woorden chickies en chillen blijkt dat Grapperhaus’ taalgevoel meer gelijkenissen kent met Hij was maar ’n neger van Zangeres Zonder Naam dan met de shanksongs uit de Smib en van 73 De Pijp. 

Grapperhaus’ liefde voor dieren komt tot uitdrukking in zijn vriendschap met Mai Spijkers, de man die de rat van de grachtengordel wordt genoemd. Dat dit een onnauwkeurige vergelijking is weet iedereen die ooit een aflevering van de tekenfilmserie Kim Possible heeft gezien: met zijn enorm uitstekende slagtanden en glimmende kraaloogjes heeft Spijkers meer weg van een naakte molrat dan van de beesten die tussen de bergen afvalzakken beneden mijn raam krioelen. En kan je eigenlijk wel over amicaliteit spreken als je niet wordt uitgenodigd voor de bruiloft van je beste? Maar dit stuk gaat niet, ik herhaal: níet, over de bruiloft van Ferdinand Grapperhaus; sommige botten zijn zo afgekloven dat zelfs de meest uitgehongerde hyena er niet op wil sabbelen. (Oké, één gedachtespinsel. Wie laat zijn tweede huwelijk in hemelsnaam afsluiten met Ankie Broekers-Knol als ambtenaar van de burgerlijke stand, de staatssecretaris voor deportaties, die voor kinderen in Griekse vluchtelingenkampen, die op dit moment een life acting rollplay van The Hunger Games opvoeren, geen ‘ad-hoc-oplossingen maar structurele oplossingen’ wil en ze daarom op die eilanden naar de pleuris laat gaan? Als ik een van de kinderen van Grapperhaus was zou ik snel een extra levensverzekering voor mijn pa en stiefmoeder afsluiten, want er is maar één structurele maatregel die genomen kan worden om ervoor te zorgen dat het getrouwd stel in voor- en tegenspoed bij elkaar kan blijven.)

De passie van Grapperhaus voor Mai Spijkers en boeken vond zijn culminatie in het in 2017 uitgegeven boek Rafels aan de rechtsstaat. Nou wil ik het niet over de precieze letter van het werk hebben (het is weer een samenraapsel van columns, aangevuld met losse flodders en enkele natte breinscheetjes, bijeengehouden met een kartonnetje en Pritt Stiftlijm, uitgegeven door Prometheus), maar over de geest van het boek. Ambteloze Grapperhaus was bang voor de afbraak van de rechtsstaat, bang voor ondermijning, hij vreesde voor een almachtige overheid ten opzichte van de burger. ‘Daarom is er een door de samenleving erkende, neutrale overheid nodig die iedereen [let u op, íedereen] beschermt tegen andere burgers en tegen haar eigen macht.’ Hier sprak de hoogleraar en bezorgde advocaat, en zeg nou zelf: welke jurist (met uitzondering van wat rechtse roeptoeters die uit de Leidse kloonmachine komen) is het niet eens met de bescherming van individuen tegen een almachtige overheid? 

Wie noemt u? Touché, het antwoord ‘Carl Schmitt’ had ik niet verwacht. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat dit komt doordat de directe gevolgen van zijn vriend-vijandonderscheid in rook zijn opgegaan. Nazi-Duitsland was zo’n plek waar geen rechtsstaat was, waar minderheden werden vervolgd en advocaten niet vrijuit hun werk konden doen. Maar gelukkig wonen wij in Nederland, waar de confrères van Grapperhaus worden beschermd door een minister van Justitie die voor de advocatuur opkomt. Of zoals onze minister het zelf zei op de herdenkingsbijeenkomst na de moord op Derk Wiersum: ‘En van een advocaat blijf je ook af. Zonder advocaat, geen recht. Zonder advocaat, geen rechtvaardigheid.’

Wie deze opmerking leest krijgt het gevoel dat Grapperhaus wat akelige gesprekken op zijn ministerie gaat voeren. Het waren namelijk zíjn officieren van justitie die bevel hebben gegeven voor het schaduwen van advocaten Nico Meijering en Leon van Kleef. In de zoektocht naar Ridouan T. – een tot nu toe onschuldige medeburger met een blanco strafblad dat je enkel met een zonnebril kan bekijken – is opeens alles geoorloofd; dat hij de meest gezochte man van het land is, is blijkbaar een gegronde reden om banaliteiten als rechten opzij te schuiven. ‘Een overheid die iedereen beschermt tegen haar eigen macht’: een schitterende tegeltjeswijsheid die bij Grapperhaus op zijn deurmat staat.

Ja ja, die Ridouan lijkt ook mij niet echt een lekkere jongen, maar ik vind dat ik bij mijn dealer niet te ver over zijn schouder moet kijken. Wie deze zaak echter afdoet als een incident is als een dagelijkse hoerenloper die zegt dat hij enkel voor de mooie lichtjes over de Ruysdaelkade flaneert. In 2014 werden de luistervinken van Zoetermeer – in de volksmond beter bekend als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst – betrapt op het aftappen van advocaten van het kantoor Prakken d’Oliveira. Uiteraard ben ik in deze zaak vooringenomen, want een potje toepen in de Erehemel met de twee naamgevers van dit kantoor wordt een stuk gezelliger als ik hen geen verbale novitsjok onder hun neus schuif. De advocaten stapten naar de rechter en die gaf de veiligheidsdienst een oorvijg waarna ik had verwacht dat Ronald Plasterk (als minister verantwoordelijk) kwijnend en zwijgend in een hoek van de kamer zou zitten. Dit soort stasistreken horen niet in Nederland thuis, zo maakte de zittende magistraat duidelijk. En wat deed ome Roon? Hij stelde hoger beroep in…

Ieder medium blafte tegen Grapperhaus over wat de tweede mooiste dag van zijn leven had moeten worden, maar liep trouw aan zijn leiband zodra hij de woorden orde en tucht in zijn mond nam en met een knuppel in de hand probeerde af te dwingen dat u en ik voor vijftig jaar minstens veertig uur per week voor een manager gaan werken om op een eerlijke manier de kost te verdienen. Deze zaak stinkt. Rot begint aan de kop, niet aan de staart. 

TD

De meeste coronabesmettingen vinden op het moment in de huiselijke sfeer plaats, bijvoorbeeld tijdens familiebezoek. Hoewel ik niet geneigd ben aan een virus goddelijke of intentionele eigenschappen toe te kennen – een virus denkt niet na, het doet gewoon maar wat –, legt deze ontwikkeling wel iets bloot, maar eigenlijk wisten we al dat dit zo was, namelijk dat familie de pest is. Het is beter al die bloedverwanten te mijden. Doe je het niet voor jezelf, dan doe je het wel voor je vriend of vriendin, voor je partner zogezegd, ook al heb je die misschien nog niet. Het maakt overigens niet veel uit of je al een relatie hebt. De persoon met wie je de relatie al dan niet al bent aangegaan zal anders beweren, maar vanaf het eerste ogenblik van de kennismaking, zal hij of zij jouw familie haten, en jij die van hem of haar. Dat is zeg maar een biologische wet.

Ik kan hier vele voorbeelden uit romans geven. Zonen die vaders uitschelden, moeders die dochters naar het leven staan, een oom die zich aan zijn kleine nichtje vergrijpt, een schoonmoeder die optreedt als stokebrand in een aanvankelijk goed huwelijk, en zo voort en zo verder. Je zou kunnen tegenwerpen dat dit allemaal in romans gebeurt, in literaire fictie, en dat het slechts verzinsels zijn. Een Nederlandse romanschrijver legde onlangs op tv uit dat het decor het belangrijkst is in een boek. Je zou daar gemakkelijk de volgende conclusie aan kunnen verbinden: wil je het een beetje overzichtelijk houden, dan zorg je ervoor dat dit decor niet te groot wordt, en dus laat je de leden uit één familie elkaar naar het leven staan. Zoiets. (De Nederlandse romanschrijver in kwestie maakt het zich overigens over het algemeen nog eenvoudiger: zijn decor is gewoon een stad in Italië, en daar brengt hij het ene cliché na het andere over te berde – goed om zich heen kijken ho maar!)

Dat familie er is om te haten zou op die manier geredeneerd zuiver een literaire strategie zijn. Maar zo werkt het natuurlijk niet in de praktijk. Ook in werkelijkheid haten familieleden elkaar. Júíst in werkelijkheid, literaire fictie is slechts een uitlaatklep, zodat deze gevoelens zich kunnen ontladen.

Overigens is het nog steeds een taboe. Over het algemeen vindt men dat je familieleden niet mag haten. Het wordt als onbeleefd beschouwd kritiek op familie te hebben. En dat maakt familie zo gevaarlijk. Iedereen houdt de schijn op dat familieleden van je houden en dat jij van je familieleden houdt. Maar dat is natuurlijk niet zo. Je bent gewend aan ze, maar ze verzieken met hun verregaande bemoeizucht je leven. Ergernissen etteren onuitgesproken door. Allerlei duistere machtsverhoudingen treden niet aan de oppervlakte.

Het beste is afscheid van ze te nemen zodra het kan. Voor je het weet, ben je veranderd in iemand die het over zijn ‘moedertje’ heeft, daarmee verwijzend naar het seniele takkewijf dat als tachtigjarige nog steeds de hele boel manipuleert door het inzetten van emotionele chantage. Het eren van je vader en moeder is een van die christelijke waarden die om duistere redenen lastig uit te roeien zijn. Ook vanuit zuiver ethisch oogpunt is het goed om familieleden bij elkaar weg te halen. Mensen worden nooit rijk omdat ze hard werken, maar altijd óf omdat ze enorm veel geluk hebben óf omdat er geld in de familie zit. Dat is natuurlijk niet bijzonder eerlijk.

Ik herinner me dat een van de zonen van de grote Amerikaanse schrijver Saul Bellow hem een keer een brief schreef en om geld vroeg. Geruststellend deelde hij mee dat het een lening betrof. De zoon was toen een jaar of vijfentwintig. Hij vond dat hij recht had op dat geld omdat zijn vader nooit naar hem had omgekeken en op deze manier kon hij het een beetje goedmaken. Dat schreef hij ook allemaal in de brief. Hij kreeg een brief terug en daarin zette Bellow uiteen dat hij zijn zoon geen geld zou lenen. Hij voegde eraan toe dat zijn zoon zich maar eens moest afvragen wat hij, Saul, aan hém had gehad. Ik meen me te herinneren dat Saul Bellow schreef: ‘Er zit nog niet eens een goed romanpersonage in je. Zelfs als bijfiguur kan ik je niet gebruiken.’

Het is zaak bijtijds afscheid te nemen van familie. Een mooi moment daarvoor is wanneer je het huis uitgaat en bijvoorbeeld in Amsterdam gaat studeren. Pak dat afscheid zo drastisch mogelijk aan. Ga op kamers wonen, of in een studentenflat, of desnoods onder een brug, en laat je thuis niet meer zien, ook niet in de weekends met een tas vuile was. Die doe je gewoon zelf. Leef je eigen leven. Maak vrienden en vriendinnen, die worden je nieuwe familie, met als grote voordeel dat je die mensen zelf hebt uitgezocht en dat ze niet opeens herinneren kunnen ophalen aan de tijd dat je nog klein was en allerlei gênante dingen deed. Familie zie je gedurende de eerste achttien jaar van je bestaan, en dan is het wel weer mooi geweest.

Als het coronavirus ons iets leert, dan is het dat: familie is uiteindelijk slecht voor je. Bovendien wil ik ook weleens een roman lezen die niet over de moeder van de hoofdpersoon gaat, maar gewoon over zijn vriendin. Dat is voor iedereen leuker. Maar vooral voor de lezer. En daar doen we het allemaal voor.

AS

Archief