TD

Keine Krimi schreiben, leerde ik tijdens mijn introductiecollege geschiedenis. Het verleden is al gebeurd, dus een werkstuk hoeft niet spannend te zijn; de afloop is immers bekend. Waarom stopte universitair docent Patrick Dassen van de Universiteit Leiden zijn boek De Weimarrepubliek dan toch zo vol met detectivetopoi? Zullen de lezers het zien? Weten ze van de losse stukjes een puzzel te maken? U wilt echter geen Cluedo spelen of een spannende speurtocht: u wilt antwoorden. Laat ik ze direct geven: Dassen jatte het werk van een oud-student van hem en presenteert het als eigen werk. Ik ben in dezen officier, rechter en beul van dienst: laat de bewijzen maar komen.

De Weimarrepubliek kwam in het najaar van 2021 uit: een kloeke 765 pagina’s waarin Dassen vooral uitblinkt in het samenvatten van bestaande handboeken. Korte tijdlijn: 1918 – hè kut, oorlog verloren; 1923 – vijf miljard mark voor twee braadworsten; 1929 – Kurt Tucholsky schrijft een slecht boek; 1933 – Hitler gaat op de koffie bij Hindenburg, vindt de koekjes niet lekker, maar accepteert toch het Rijkskanselierschap. Eigenlijk heeft Dassen twee originele bijdragen in De Weimarrepubliek. Allereerst is hij ontzettend bedreven in het stellen van ‘wat-als’-vragen. Wat als Walther Rathenau niet was vermoord? Wat als Friedrich Ebert niet zo jong was gestorven? Met geschiedschrijving heeft het helaas weinig te maken, maar dergelijke overpeinzingen passen prima bij aanverwante disciplines als – ik doe een greep – wichelroedelopen, astrologie en theologie aan de Faculteit voor Infantiele Vragen.

Dan de andere originele bijdrage: de Abelpapers. In 1934 schreef Theodor Abel vanuit New York een wedstrijd uit: deelnemers moesten het beste essay schrijven waarin ze uitleggen waarom ze vóór 1933 NSDAP-lid werden. (Ziet u Kaag nog voor zich in de D66-documentaire? ‘Wie zíjn die mensen’, vroeg ze zich af bij de leden van de hedendaagse bruine partij. Pure luiheid, gewoon een schrijfwedstrijd beginnen, dan krijg je het antwoord.) Er bestaan nog een kleine 600 inzendingen en voor zijn boek bestudeerde Dassen er 75: 60 van mannen, 15 van vrouwen. De Frauen komen later van pas, we focussen ons hier enkel op de mannen, laat ik het houden op macht der gewoonte. 60 essays is tien procent, niet veel, maar je kunt misschien toch nog wat over de populatie zeggen. Maar hoe komt Dassen eigenlijk aan zijn selectie?

Achterin het notenapparaat zit het antwoord verscholen. ‘De selectie van de zestig auteurs van de Abelpapers is, om praktische redenen, mede bepaald door de Bachelor-scriptie van een ex-student van mij: Jesse Oude Egberink, Het ware socialisme uit 2019’, schrijft hij in noot 107 op pagina 522. (Nee, geen schothagelmethode dit nummer, het is sniperwerk.) Drie noten later veegt Dassen zijn oud-student weer rustig onder het tapijt: ‘De mate van representativiteit wordt nog verkleind doordat ikzelf weer een selectie heb gemaakt (ca. 10%) van het totale aantal Abelpapers.’

Mede bepaald? En dan even later zeggen dat jijzelf de selectie hebt gemaakt? Dat is hetzelfde als zeggen dat je een beetje zwanger bent. Laten we de scriptie van Oude Egberink erbij pakken. Wat denkt u? Precies dezelfde zestig papers. Dat kan natuurlijk toeval zijn, het voordeel van de twijfel. Nog even voor de tijdlijn: de scriptie komt uit het 2019, De Weimarrepubliek uit 2021.

In de Engelbewaarder is Oude Egberink niet verbaasd dat hij zijn scriptie terug ziet in het boek van zijn oud-docent. Hij heeft dagenlang alle paperassen doorgespit en ziet nu Dassen met de eer ervandoor gaan. ‘Zo gaat dat toch altijd?’, is zijn kinderlijk naïeve antwoord. Na afloop van de babbel boven de koffie aan de Kloveniersburgwal mailt hij toch even Dassen over het voorval – Oude Egberink is zelfs zo vriendelijk om de reactie aan mij door te sturen.

Dassen: ‘Ik geef in mijn boek (op p. 722, in n. 107) duidelijk aan dat ik me bij mijn selectie van de Abelpapers heb gebaseerd op jouw selectie.’ Mede schreef je, Patrick. “Mede.”

‘Dat was een pragmatische keuze van mij – want dan hoefde ik die selectie niet meer zelf te maken (van de bijna 600 papers). Dat zou een complexe en tijdrovende bezigheid zijn geweest.’ Wat fijn als je zelf je hoofd in de strop steekt.

‘Ik ben vanaf het begin van mijn college (en daarna) volstrekt open geweest: ik weet nog goed dat ik heel expliciet aangaf dat ik ook wilde profiteren van de bevindingen van mijn studenten – van de discussies tijdens de colleges, van de werkstukken en ook van eventuele BA-scripties (zoals die van jou). Ik heb toen expliciet de vergelijking gemaakt met een docent in een laboratorium, die ook gebruik kan maken van de metingen van zijn studenten – maar, uiteraard, altijd door alles heel zorgvuldig te controleren.’ Toe, trek het touw maar verder aan.

‘Het lijkt me alleen maar een pluspunt wanneer studenten iets doen wat daadwerkelijk opgepakt wordt door docenten, en dat dat zelfs verwerkt wordt in een boek.’ Hier heb je een complimentje, en nou optyfen.

‘Waar ik misschien ben tekortgeschoten is dat ik je niet op de hoogte heb gebracht van het feit dat ik je scriptie voor mijn boek heb gebruikt. Toen je je scriptie schreef (voorjaar 2019), was ik nog niet op het idee gekomen dat ik jouw scriptie en vooral selectie zou gaan gebruiken.’ De academische variant op ‘stuur me maar een tikkie’.

‘Ik heb van mijn versie van de Abelpapers een volkomen eigen verhaal gemaakt, Ik wijk in mijn boek in talloze opzichten af van jouw scriptie: qua analyse, stijl, methode, thema’s, maar ook qua cijfers. […] Vandaar dat onze bevindingen vaak vrij sterk uiteen lopen (al komen de grote lijnen wel overeen, zoals het belang van de Volksgemeinschaft of het anticommunisme, maar dat is niet zo vreemd natuurlijk, want die grote lijnen zijn duidelijk).’ Dassen scheurt zo hard uit wanneer hij deze paradox uitperst, hij kan met geen hechting meer aan elkaar genaaid worden.

Voor het proces-verbaal: Dassen geeft toe dat hij het bronnencorpus van zijn ex-student heeft gejat en dat hij dat intentioneel deed – als onderzoeker aan een universiteit heb je immers betere dingen te doen dan onderzoek. Maar dan die grote woorden over het eigen verhaal: hoe zwaar zijn die als ze op de weegschaal worden gelegd? Laten we de proef maar op de som nemen.

We beginnen met de overgenomen citaten, de krenten uit de pap die Dassen herkauwt.

‘Vier Jahre Fronterlebnis bedeuteten vier Jahre treue Kameradschaft. Ob Arbeiter oder Künstler, ob arm oder reich, gleichgültig welcher Konfession einer angehörte, jeder stand für den anderen ein bis zum Tode’ (p. 26), citeert Oude Egberink soldaat Hans Muller.

Dassen op pagina 525: ‘“Vier jaren frontervaring betekenden vier jaren trouwe kameraadschap”, schreef Hans Müller. “Of men nu arbeider was of kunstenaar, arm of rijk, het maakte niet uit welk geloof iemand had, ieder stond tot de dood voor de ander in.”’

Oude Egberink noemt ook Carl Koch in zijn scriptie: ‘Als ich bei Kriegsende von Mazedonien her in die Heimat zurückkehrte und die Soldatenrade und deren treiben sah, war ich ganz empört, dass einige wenige Deserteure und Juden das Vaterland verraten hatten, sodass mir schien, die vielen großen Opfer und vor allen Dingen die vielen toten für unser Vaterland umsonst gefallen waren.’ (p. 33-34) Zes regels verderop parafraseert hij de oud-soldaat Ferdinand Adler: ‘Even belangrijk in het verraad waren de marxisten; als zij niet samen met de joden een dolkstoot van achter uit hadden gedeeld, was de oorlog nooit verloren.’

Wat weet Dassen hiervan te maken? ‘Zo schreef Carl Koch dat hij volledig verrast was toen hij van het front in Duitsland terugkeerde: “Toen ik aan het einde van de oorlog uit Macedonië thuiskwam en de bedrijvigheid van de soldatenraden zag, was ik enorm verontwaardigd dat enkele deserteurs en Joden het vaderland hadden verraden, zodat het mij voorkwam dat de grote offers en vooral de doden voor ons vaderland niet voor niets waren geweest.” De ex-soldaat Ferdinand Adler (1872) en zijn kameraden waren zeer verbaasd geweest dat in Duitsland een revolutie was uitgebroken. “Wij zouden de oorlog nooit hebben verloren wanneer de dolkstoot door Jodendom, marxisten en vrijmetselaars niet van achter was gekomen.”’ (p. 182)

Hoe groot is de kans dat bij toeval twee dezelfde personen, met identieke citaten, achter elkaar worden opgevoerd in een tekst? Ik zie eerder Roel van Velzen een worstelwedstrijd met een gorilla winnen dan dat deze kralen aselect uit een vaas rollen.

Oude Egberink voert Max Reimann op, een ambtenaar uit Berlijn, die schreef: ‘In staatlichen Auftrage musste ich hier Kontrollen über die Lieferungen der Reparationskohlen nach Italien, Polen und die Tschecho-Slowakei durchführen und lernte aus eigener Anschauung den Wahnsinn und die Brutalität kennen, mit der Unser deutsches Volk ausgeplündert wurde.’ Enkele regels verder komt Oskar Klunkusch ten tonele, hij was boos over het Verdrag van Versailles en ‘benadrukte dat Danzig een Duitse stad was, en hoe pijnlijk de Abtrennung [scheiding, TD] van Duitsland voor hem en zijn familie was’. (p.44)

Dassen had ook nog een rolletje voor Reimann weggelegd. ‘En Max Reimann (1900), die begin jaren twintig de kolentransporten vanuit Noord-Silezië richting Italië, Polen en Tsjecho-Slowakije moest controleren, scheef over de “waanzin en bruutheid waarmee ons Duitse volk werd geplunderd”. Voor Oskar Klinkusch was het pijnlijk dat zijn geboortestad Danzig, ondanks protesten, als gevolg van het Verdrag van Versailles werd afgescheiden van het vaderland.’ (p. 536)

Oude Egberink over de bezetting van het Rijnland: ‘De dan nog jonge Heinrich Mayer vertelde hoe hij de bezetting door de Fransen beleefde: “Da kam die erste Anordnung, die meine Eltern betraf: Wir hatten binnen acht Stunden die Wohnung zu räumen. Eine halbe Stunde vor der abgelaufenen Frist wussten wir noch nicht, wohin mit unseren Sachen. Da musste denn eine leerstehende Wohnung in der Stadt als Notwohnung bezogen werden. So mussten in den meisten Fällen zwei Familien in einer Wohnung untergebracht werden, bis wieder genügend Wohnungen vorhanden waren.”’ Drie regels later gaat hij verder: ‘Doordat hun vrijheid werd ontnomen ontwikkelden veel mensen sterk nationalistische gevoelens. Sommige jonge leden die in die tijd nog op school zaten, vertelden dat de hele school nationalistisch werd door de bezetting. Zo schreef één iemand dat zijn hele klas met zwart-witrode vlaggen naar school kwam.’ (p. 38) Die ene persoon luisterde naar de naam Horst Herzberg.

Dit is geen Krimi, dus u voelt al aan wat er gaat komen. Dassen: ‘Heinrich Mayer (geb. 1902) bijvoorbeeld, auteur van een Abelpaper, herinnerde zich: “Toen kwam het eerste bevel dat mijn ouders betrof: we moesten binnen acht uur de woning ontruimen. Een half uur voor de afgelopen termijn wisten we nog niet waar we met onze spullen naartoe moesten. Een leegstaande woning in de stad moest als noodwoning worden betrokken. Zo moesten in de meeste gevallen twee gezinnen in één woning worden ondergebracht, totdat er weer voldoende woningen waren.” En Horst Herzberg schreef dat met de bezetter “botsing op botsing volgde. Hier en daar verdween een Franse soldaat of Marokkaan. […] Door de bezetting werden wij jongens natuurlijk enthousiast voor al het nationale. Wij droegen wit-zwart-rode linten [kleur van de vlag van het Keizerrijk, PD] in het knoopsgat.”’ (p. 222)

En wat schrijft Oude Egberink over de Führer? ‘Bijna in alle essays wordt er wel even over Adolf Hitler gesproken. De mannen prezen Hitler […]. Zo schreef één iemand dat hij alles zou uitvoeren wat de Führer hem opdroeg, “denn es gibt keinen größeren und besseren Menschen als er”. […] Meerdere mannen gaven aan dat zij zich voelde aangesproken door de persoon Hitler omdat hij – in tegenstelling tot de meeste andere politici – heel dicht bij het volk stond. Hitler was nota bene zelf “ein Mann aus dem Volke”. (p. 45-46) Deze twee mannen waren Fritz Fischer en Arthur Hessler. Als uitsmijter komt Oude Egberink hierna nog met blokcitaat van maar liefst elf regels uit het Abelpaper van Georg Zeidier.

Dassen: ‘Welke rol speelde Adolf Hitler in de Abelpapers? Er is bijna geen levensbeschrijving waarin hij niet werd genoemd, en bijna steeds werd hij, niet heel verrassend, uitbundig geprezen. Zo kende Fritz Fischer “geen grotere en betere mens” dan Hitler. […] Opvallend is dat velen het prettig vonden dat Hitler een “eenvoudige man uit het volk” was, zoals zijzelf en niet zover van hen afstond als de meeste andere politieke leiders.’ (p. 538). Hierachter hangt Dassen nog een noot waarin hij verwijst naar Hessler. O ja, ook naar Zeidier, want dat alinealange citaat gebruikte Dassen al enkele pagina’s ervoor, op bladzijde 518.

Wat gek: Dassen heeft geheel toevallig dezelfde personen met dezelfde informatie in dezelfde volgorde opgevoerd. Maar geloof hem absoluut als hij zegt dat hij een eigen verhaal van het ongevraagd geleende materiaal heeft gemaakt. Want de cijfers van Dassen ‘wijken af’ van de scriptie. O ja?

Oude Egberink: ‘In totaal werd het Verdrag van Versailles dus acht keer expliciet genoemd en daarmee kan worden geconcludeerd dat het geen heel groot thema meer was voor de bestudeerde NSDAP-leden. Bovendien noemden de meeste mannen het verdrag slechts terloops. Uiteraard kunnen de gevolgen van het verdrag zoals de regionale kwesties, de bezetting van het Rijnland en de economische gevolgen niet worden onderschat, hier werd in de brieven dan ook uitgebreid over gesproken.’

Dassen: ‘Het Verdrag van Versailles werd, als bron van woede, minder vaak (expliciet) genoemd dan men wellicht zou verwachten, namelijk in ongeveer één op de acht levensverhalen. Maar de donkere schaduw van het verdrag was wel degelijk voelbaar, soms ook in indirecte zin, bijvoorbeeld waar het ging om de gehate bezetting van het Ruhrgebied of de hyperinflatie.’ (p. 536). Het snoepgoed zit verstopt in de noten: ‘het gaat om acht expliciete verwijzingen’, weet Dassen dan opeens exact.

Bovenstaande kan natuurlijk allemaal toeval zijn, het lot doet soms gekke dingen, al wil ik mijn voorhuid erom verwedden dat de kans groter is dat Himmler morgen bondskanselier wordt dan dat Dassen dit allemaal zelf heeft bedacht.

Nog ééntje dan. Willi Barth uit het Rijnland was geen fan van het Franse black, blanc, beur, om het subtiel te zeggen. In zijn Abelpaper schrijft hij: ‘Sämtliche Privathäuser wurden mit Einquartierung belegt, Neger, Marokkaner und Arraber wurden in Schulen und öffentliche Gebäuden untergebracht. An den Ortsaugängen und Strassenkreuzungen wurden Passkontrollen eingerichtet. Mit den farbigen Kolonialtruppen trieben wir allerlei Allotria. Die Kerle waren seh dumm, dass Vorzeigen einer alten Zeitung genügte vollkomen als Ausweis. Gefährlich was es nachts für Frauen und Mädchen. Rassenschande und Vergewaltigungen sind in Langen leider genug vorgekommen.’

Oude Egberink is een intellectuele hoogvlieger bij windkracht nul, dus wat maakt hij ervan? ‘Sämtliche Privathäuser wurden mit Einquartierung belegt, Neger, Marokkaner und Araber wurden in Schulen und öffentlichen Gebäuden untergebracht. Die Kerle waren sehr dumm, dass vorzeigen einer alten Zeitung genügte vollkommen als Ausweis. […] Gefährlich war es nachts für Frauen und Mädchen. Rassenschande und Vergewaltigungen sind in Langen leider genug vorgekommen.’ (p. 39) Hij knipt in het citaat en zet de haken op de verkeerde plek – tussen ‘Ausweis’ en ‘Gefährlich’ is niets weggehaald. Dom, maar geen erfzonde.

Andermans fouten overnemen is wel dom, én een academische erfzonde. Dassen: ‘“Alle privéhuizen werden gereserveerd voor inkwartiering”, schreef Willi Barth (geb. 1906) in een Abelpaper. “Negers, Marokkanen en Arabieren werden in scholen en openbare gebouwen ondergebracht. Aan de uitgangen en kruisingen van de straat werden pascontroles uitgevoerd. De kerels waren heel dom, het tonen van een oude krant als bewijs was al voldoende. […] ’s Nachts was het gevaarlijk voor vrouwen en meisjes. Helaas zijn in Langen rassenschande en verkrachting genoeg voorgekomen.”’ (p. 223) Dassen heeft naar het origineel gekeken, en tegelijkertijd de fout van zijn ex-student overgenomen. Toeval? Ook na al het bovenstaande?

Naast de citaten rijdt het hoofdstuk over de Abelpapers in De Weimarrepubliek grote delen over hetzelfde spoor als de scriptie van Oude Egberink: dezelfde argumenten, zelfs dezelfde sub-argumenten in dezelfde volgorde. Het belangrijkste argument van Oude Egberink waarom nazi’s nazi’s waren is Volksgemeinschaft, het joviale Duitse eenheidsgevoel waarvoor ze later beloond zijn met 45 jaar twee Duitslanden. Waaruit bestaat Oude Egberinks argument? Het gevoel van kameraadschap, het overstijgen van klassentegenstellingen en de aandacht die de NSDAP had voor de arbeider. Dassen? Hij begint met het belang van kameraadschap en vervolgt dat ‘het verdwijnen van de verschillende klassen of geloof het tweede element [was] dat door de auteurs in verband werd gebracht met de Volksgemeinschaft’. (p.524-525) Wat is bij hem de derde reden? ‘Een derde element dat in verband met de Volksgemeinschaft werd genoemd was de aandacht voor de kleine man en de betrokkenheid bij het lot van de arbeiders.’ (p. 525)

Om het af te leren. In De Weimarrepubliek besteedt Dassen ook enkele pagina’s aandacht aan de positie van de vrouw in deze jaren. Daarvoor gebruikt hij 15 Abelpapers van vrouwen (daar zijn ze dan, saved the best for last). Deze heeft hij dus niet overgenomen van Oude Egberink. Chapeau Dassen, goed gedaan, je kunt het wel! In totaal gebruikt Dassen dus 75 papers. Achterin het boek zit een lijst (p. 583), hoeveel staan daar? 60: enkel de papers van mannen. De lijst is chronologisch noch alfabetisch. Hij is vooral een kopie van Oude Egberinks lijst. Voegt Dassen toch iets eigens toe aan zijn boek, is ‘ie alsnog te druk met kopiëren van andermans werk.

Wat hanteert de Universiteit Leiden als definitie van plagiaat? ‘In het algemeen wordt onder plagiaat verstaan dat je woorden, gedachten, analyses, redeneringen, afbeeldingen, technieken, computerprogramma’s enz. die van een ander afkomstig zijn bedoeld of onbedoeld presenteert als eigen werk. […] Maar ook het parafraseren van andermans teksten, bijvoorbeeld door enkele woorden te vervangen door synoniemen en een paar zinnen te verwisselen is plagiaat. Zelfs als je een redenering of analyse van een ander in eigen woorden navertelt zonder daaraan iets nieuws toe te voegen, kan er sprake zijn van plagiaat; je doet het dan immers voorkomen alsof je de redenering zelf hebt bedacht, terwijl dat niet waar is.’ Ik krijg het gevoel dat Dassen dit meer als afvinklijst heeft gebruikt dan als waarschuwing. Schrijvend aan zijn boek heeft Dassen de scriptie ernaast gehouden, als geheugensteun en inspiratiebron. Zijn ego was te groot om zijn oud-student als coauteur op te geven, dus nam hij flinke stukken uit diens scriptie over en vertrouwde op de goedgelovigheid van de Nederlandse lezer. Als de historici in Leiden Dassen niet gaan berispen, is een geschiedenisdiploma enkel nog nuttig als inpakpapier van de haring op 3 oktober.

Waarom dit ellenlange epistel in PC? Waar zijn de grappen, kwinkslagen, drogredenen, willekeurige doodsverwensingen? Omdat dit het enige blad is dat schijt heeft aan reputaties, andere maken zich vooral zorgen om de goede vrede. Eigenlijk schreef ik een recensie voor De Reactor (met mezelf verhoeren heb ik geen probleem), maar die redactie wil liever positieve recensies. De redactie van De Reactor, die bestaat uit doctoren, wannabe doctoren, etc., ziet er geen probleem in om hun stelende collega uit de wind te houden – debat werkt volgens hen beter met gesloten ramen, de muffe lucht wordt voor lief genomen.

Is het dan niet iets voor het respectabele NRC? Die krant hing Joost de Vries buiten voor enkele vergeten aanhalingstekens, kielhaalde Dymph van den Boom voor haar jatwerk, die moet hier wel interesse in hebben. Michel Krielaars kon het helaas niet in de boekenbijlage plaatsen, want er was al een recensie van De Weimarrepubliek geweest. Van zijn hand, welteverstaan. ‘Gezien de huidige mondiale chaos is het een hoogst actueel boek, dat leest als een voortreffelijk geschreven politieke thriller, gebaseerd op een berg aan nieuw historisch onderzoek, dagboeken, brieven en de Abelpapers.’ Blijkt die berg bij nader inzien van ijs te zijn en in de Kalahariwoestijn te staan: op het eerste oog indrukwekkend, maar gesmolten bij de eerste lichtstralen.

Dan de wetenschapsredactie van NRC? Als ik het voorleg aan Bart Funnekotter ziet hij inderdaad hoe Dassen aan de haal gaat met het werk van zijn student. Hijzelf had het boek in december 2021 tot boek van de maand gekozen bij OVT, zette het in zijn lijstje van beste publicaties uit 2021 en noemde De Weimarrepubliek in oktober 2022 bij OVT ‘een prachtig boek’, terwijl hij sinds mei 2022 wist dat delen geplagieerd zijn. Gelukkig won De Weimarrepubliek niet de Libris Geschiedenis Prijs, al wist het wel tot de shortlist door te dringen. Funnekotter negeert de stank uit het riool, hopend dat de voorbijgangers niets ruiken.

Zo klonken de drogredenen van de verschillende redacties: te Leids voor Amsterdam, en ach: de student vindt het toch niet erg? Dat academische mores anders zijn maakt niet veel indruk op krantenjongens. Oxford, het Camp Nou van de academies, definieert plagiaat als ‘presenting someone else’s work or ideas as your own, with or without their consent, by incorporating it into your work without full acknowledgement’. Veel Engels, en geen woord Spaans: ook na (achteraf) instemmen is gappen van werk tegen de regels.

Uiteindelijk stond een artikel klaar, volgens alle journalistieke mores: hoor en wederhoor, externe hoogleraren geraadpleegd (variërend van ‘slordig’ tot ‘hartstikke hard plagiaat’), maar toen stortte het waakvarken van Dassen zich op de bom. Menno Hartman, uitgever van Van Oorschot, redacteur van Dassen, laatste drager van oililysjaals, kwam met een clusterbom aan dreigementen, smoesjes en drogredenen. ‘Het is geen Stapel’, bulderde hij tegen mij aan de telefoon. Dat hij het verschil tussen verzonnen data en gerausjt werk niet snapt is aan hem; met een dreinende kleuter is het lastig discussiëren. Of Hartman het bewijsmateriaal wilde inzien? ‘Hoef ik niet’, hing vervolgens op en ging weer in de spiegel kijken.

Als een dief in de nacht probeert Dassen ertussenuit te knijpen. In de vijfde, herziende druk uit oktober 2022 smeert hij een bijenkorf vol honing over het gezicht van Oude Egberink. Opeens is ‘mede’ verdwenen en heeft hij het over de ‘uitstekende en goed onderbouwde’ scriptie. En dat ‘ikzelf weer een selectie heb gemaakt’ is geneutraliseerd tot ‘er hier weer een selectie is gemaakt’ – dan ben je een zielige gluiperd. Denkt u dat Dassen ergens – in het voorwoord, de inleiding, waar dan ook – aangeeft wat hij heeft aangepast? Natuurlijk niet. Hij weet verdomde goed dat hij fout zit, past in het geniep enkele woorden aan hoopt dat niemand het ziet.

Wat deze incomplete correctie een lachwekkende miskleun maakt is dat Dassen deze vingerafdruk weet dankzij mij: ik had hem erop gewezen tijdens hoor en wederhoor. De andere bewijzen (de identieke citaten, de overschrijffouten, de onvolledige lijst van Abelpapers) had ik niet voorgelegd – alle bovenstaande fouten staan ook in de herziende druk. Maar u kunt de resterende puzzelstukjes bij elkaar leggen, samen vormen die het woord ‘academische berisping’.

Dat was hem dan. Eens zien wat de integriteitscommissie in Leiden ervan maakt. Wat u bovenal niet moet vergeten zijn de naam en het adres van de gelegenheid die deze dief maakt. Menno Hartman, Herengracht 613. Het maakt hem niet uit of de boeken die hij uitgeeft bij elkaar geplunderd zijn, hij dekt zijn spaarvarkentje wel toe. Mocht u om de hoek van het Rembrandtplein zijn en over de gracht lopen, denk dan: hier zit Van Oorschot, handelaar in gestolen ideeën.

TD

Stromboli, een van de vele klassiekers van Nederlandse bestverkopende auteur Saskia Noort, is verfilmd. Een vraaggesprek over Foucault, literatuur, vrouwen en Connie Palmen. ‘Leon de Winter is natuurlijk een totale gek.’

In Stromboli zien we vrij veel thema’s met een filosofisch karakter. Freuds ideeën over seksualiteit zien we terugkomen, in de film zit een scene met het biechthokje, ik moet daarbij denken aan het werk van de late Foucault. Door welke filosoof bent u geïnspireerd voor uw werk?
‘Ik ben niet echt door een filosoof geïnspireerd, als ik eerlijk ben. Waar ik dan mijn ideeën vandaan haal? Van mezelf. Nee, serieus… Uiteraard heb ik zelf de nodige retraites gedaan: daar heb je allerlei spirituele gesprekken met mensen, maar het is niet zo dat ik de hele tijd filosofische boeken lees.’

Tussen het boek en de film bestaan enkele doch grote verschillen. Denkt u dat een verfilming van een boek – hoe goed zij ook is – recht kan doen aan de artistieke creatie van de auteur?
‘Ik denk dat je beide niet kan vergelijken, hoewel de film recht doet aan het boek. Dat wat ik wil vertellen met mijn boek, wordt ook in de film verteld. Dat vind ik erg mooi. In mijn boek zitten twee verhalen, in de film heeft Michiel van Erp gekozen voor één verhaal. Je hebt natuurlijk het verhaal van de scheiding, de moeder die uit een huwelijk stapt en over wie allerlei seksistische vooroordelen de ronde doen. En daarnaast het verhaal waarin zij op zoek gaat naar de waarheid over hoe ze verder moet. Ik snap dat de filmmakers het eerste deel eruit hebben gehaald.’

In Stromboli staan trauma en de omgang ermee centraal. Het idee van Stromboli – de mens is een berg waarin het vanbinnen borrelt en spuwt – vind ik een mooie metafoor. Ook zien we in uw werk het idee van beschaving als een vernislaag terug. U schraapt dat weg en probeert te kijken naar wat de echte drijfveren zijn; veelal geweld en seks. Deze thema’s doen mij denken aan het werk van Arnon Grunberg. Als ik u de vrouwelijke Arnon Grunberg noem, wat is dan uw reactie? En wat vindt u van zijn werk?
‘Dan ben ik zeer vereerd. Ik vind Grunbergs werk práchtig. Niet alles, eerlijk gezegd. Maar ik voel me vooral vereerd. Ik denk dat andere mensen verbaasd reageren, maar ik neem dit compliment aan.’

Dat brengt ons bij een persoon die verbaasd kan reageren. Eerst een citaat uit Stromboli. ‘De LINDA. vond het “zo herkenbaar, zo ontroerend – de liefde spat ervan af”, maar Connie Palmen zei in DWDD: “Karel deelt het bed met het Paard van Troje. Zij is de ondergang van de Nederlandse literatuur.”’ In één zin: wie of wat is Connie Palmen voor u?
‘Connie Palmen was – en is nog steeds – een literaire heldin. Ik ben ietsjes jonger dan Connie Palmen en zeker in het begin was ik een grote fan – ik ben nog steeds fan, overigens. Ik heb ook al haar boeken gelezen. Maar ik was wel geschrokken van haar reactie op het Boekenbal.’

In 2009 maakte Palmen zichzelf onsterfelijk door kacheltjelam voor de camera haar collega’s Noort, Kluun en Heleen van Royen ‘stelletje nietsnutten’ te noemen. In een eerder interview in Het Parool noemde Noort deze actie ‘een messteek in mijn rug’.
‘Natuurlijk ben ik daar mee bezig geweest. In Stromboli zijn Karel en Sara ook schrijvers. Sara wordt steeds bekender met haar columns, terwijl Karel symbool staat voor de traditionele literaire wereld (hij drinkt veel en schrijft al jarenlang geen romans meer, TD).’

Dit ene bijzinnetje over Connie Palmen is een kleine polemische aanval. U bent niet de eerste die dit doet. De groten der aarden deden het: Philip Roth, Arie Storm. Een reactie blijft niet vaak uit. Vreest u niet de toorn van Palmen in haar volgende Grote Literaire Roman – tenminste, als die er ooit gaat komen?
‘O nou, als ze dat doet, ben ik alleen maar blij. Ik zou dat fantastisch vinden. Natuurlijk! Die opmerkingen op het Boekenbal vond ik toen niet leuk, maar het was natuurlijk a) een eer, en b) het heeft mij zo veel air time opgeleverd. Inderdaad, ook extra lezers. Ik zal het je zeggen: ik en mijn boek kwamen hiervoor niet bij De Wereld Draait Door aan tafel. Maar als Connie Palmen er wat over zegt wel. Dan is er polemiek – dat vinden ze interessanter dan gewoon een boek. Ik deel hier inderdaad een tik uit, dat vind ik ook wel leuk. Ik denk niet dat zij dat heel erg vindt, maar we gaan het meemaken. Ze gaat het zeker niet lezen, want ze leest mijn boeken niet.’

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: zij of hij heeft een punt?
‘Er is weleens iets geschreven waarbij ik dacht: ja… Wat was het ook alweer? Iets grammaticaals, een terugkerende zinsbouw. Met die kritiek was ik blij, al hoor ik dat liever van mijn redacteur dan als mijn boek al af is. Ik kan heel goed tegen kritiek, vooral als die inhoudelijk is: als iemand schrijft dat ik veel clichés gebruik, dan ga ik daar zeker op letten.’

Wat is uw guilty pleasure?
‘Reality tv. Nee, geen Big Brother of Utopia, die programma’s vind ik stom. Ik houd liever van The Real Housewives Beverly Hills of Married at First Sight Australia. Nederlanders zijn heel slecht in reality tv, daarom kijk ik liever Angelsaksische.’

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
‘Zo… Even denken. Dat is een boek van Ammaniti (Nicolò, TD). Italiaanse schrijver. Ik haal je op, ik neem je mee. Ik houd erg van Italiaanse schrijvers.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog gelezen?
‘Dan denk ik aan Jonathan Franzen. Welk boek? Allemaal. Die laatste heb ik ook niet gelezen, ben de titel kwijt…’

Crossroads…
‘Nee, ik bedoel die daarvoor…’

Freedom, Purity, The Corrections…
‘Freedom, die ja. Is er een Nederlands boek dat over honderd jaar nog gelezen wordt? Ik houd het maar hier bij.’

Welk boek ligt momenteel naast uw bed?
‘Dat is… een boek van… Ow wat erg, ik weet al die namen niet. Hij heet Dave Nicholls…? Dave Nicholls… Ja, dat is hem. Hij heeft Wij geschreven. En het boek op mijn nachtkasje heet Onze jonge jaren… Maar het kan ook anders heten. Ik ben er nog niet in begonnen, maar het ligt wel op mijn nachtkastje. Er liggen wel meer boeken – heel veel. Ik krijg altijd veel boeken opgestuurd en dan vragen ze een week later: heb je het al uit?’

Welke Nederlandse schrijver is naar uw idee het meest onderschat?
‘Welke Nederlandse auteur is het meest onderschat? Nou, ik!’ Na een kort lachintermezzo: ‘Ik vind onderschat een moeilijk woord; welke schrijver verdient een groter publiek, denk ik dan. En dat is Manon Uphoff. Natuurlijk Vallen is als vliegen, maar dat is slechts één boek – ik vind al haar boeken goed. En eigenlijk vind ik alle vrouwelijke auteurs, met uitzondering van Connie Palmen, onderschat. Ja, ook vrouwen als Nina Polak en Mensje van Keulen en Marja Pruis. Jij noemt het sisterhood… Ik vind hen allemaal onderschat – zij staan niet in de Bestseller Top60 en dat komt mede doordat serieuze media liever schrijven over het zoveelste boek van Herman Brusselmans. Met onderschat bedoel ik niet dat ze niet serieus genomen worden als literair auteur, maar mensen gaan eraan voorbij als ze wordt gevraagd: wat vind je de tien beste titels. Altijd hoor je dan Van der Heijden of Grunberg, Harry Mulisch… Dan krijg je misschien nog Connie Palmen, maar voor de rest zijn het allemaal mannen. Ik vind dat wij erg slecht omgaan met onze vrouwelijke literaire auteurs in Nederland.’

Hebt u verborgen talenten? En, als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
‘Journalist, maar goed, dat ben ik ook. Misschien zou ik wel vastgoedspecialist zijn. Niet per se als makelaar: ik denk eerder aan opkopen, flippen en doorverkopen.’

“Ik ben Saskia Noort, makelaar in pandjes en woon in Bergen…”
‘Ik denk niet dat ik per se een hele goede designer ben, maar wel dat ik goed kan inschatten welk huis veel winst gaat opleveren. Pandjesmakelaar, ja, dat zou ik wel goed kunnen. Beetje die Selling Sunset-achtige bezigheid.’

Er staat een tafeltje klaar langs de Seine, met twee kaarsen op een rood geblokt kleed. Obers in jacquet staan klaar. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u uitnodigen voor een diner à deux?
‘Ik denk Knausgård… Toch weer een man, hé? Ik zou eigenlijk een vrouw moeten zeggen. Toch ga ik voor hem, ik vind die trilogie van hem fascinerend, het is allemaal biografisch.’

Welke klassieker hebt u tot uw grote schaamte nog nooit gelezen?
Direct: ‘Oorlog en vrede. Ik weet eigenlijk ook niet of ik het wil lezen. Maar het is zo’n boek waar iedereen over begint en dan denk ik: ik heb het niet gelezen… Soms denk ik: ik ga op vakantie en dat ga ik het helemaal lezen, maar dan wil ik het toch niet lezen. Het voelt dan als huiswerk.’

Tolstoi of Dostojewski?
‘Beetje lastig, want ik heb Tolstoi dus nog niet gelezen. Dus ik denk dat ik dan voor hem kies, dan kan ik dat gaan lezen.’

Pier Paolo Pasolini of Reiner Werner Fassbinder?
‘Pasolini.’

Jessica Durlacher of Leon de Winter?
‘O my god! Jessica Durlacher. Niet alleen uit sisterhood, hoor… Leon de Winter is natuurlijk een totale gek, met zijn meningen. Ik vind het bizar dat die man nog een podium krijgt. Maar ik vind het ook gek dat zij nog met hem is. Ik kies dan dus voor Jessica.’

Dan Brown of John Grisham?
‘John Grisham.’

W.F. Hermans, Gerard Reve of Harry Mulisch?’
‘Oehh…’

Met het pistool op de borst.
‘Nou, niet Reve. Ik vind De avonden saai, verschrikkelijk. Maar mijn ouders vonden het prachtig. En nog steeds moeten die arme kinderen dat kutboek lezen op school… Het is geen kutboek, maar wel saai. Uit deze drie kies ik dan toch Harry Mulisch.’

Jonathan Franzen of Jennifer Egan?
‘Ik weet niet wie die laatste is. A Visit from the Goon Squad? The Candy House? Wordt zij gezien als vrouwelijke schrijfster van The Great American Novel? Zegt mij niets. Dus ik kies haar, want Franzen heb ik al gelezen.’

Sigmund Freud of Carl Jung?
‘Freud, denk ik. Hoewel hij ook inmiddels totaal achterhaald is. En hij is seksistisch… Toch ik kies voor hem.’

Nou, dat was hem dan.
‘En waar komt dit eigenlijk in?’

Propria Cures.
‘Aha, oké.’

Nieuws: de #feestgate gaat door. Zojuist is er een nieuwe bres geslagen in de verdedigingswal van Femke Fataal. Om even het geheugen op te frissen: Halsema had Lennart Booij (werkt niet voor een fooi) tot partyplanner van het volksfeest ‘Amsterdam 750 jaar’ gepromoveerd. Booij declareerde € 10.000 (excl. BTW) per maand voor 20 uur per week, vanaf 1 februari 2020 tot 31 januari 2022. De maanden waarin hij petanquete in de Provence buiten beschouwing gelaten, schraapte hij zo €210.000 binnen. Door publicaties van uw favoriete studentenblad stond Booij, over wie natuurlijk niet onvermeld kan blijven dat hij mentor was van de Graaier des Vaderlands Sywert van L., zo snel buiten dat zijn schaduw nog binnen was.

In de slag om de Stopera gooide de burgemeester de ene na de andere ambtenaar voor de bus. Iemand had Booij het verkeerde contract voorgelegd, dus daar stond dan wel dat hij maximaal 24 maanden (maal 10.000 is, 240.000, dus boven de Europese aanbestedingsnorm) zou werken, maar het ging om de intentie. Personeel & Organisatie had zitten slapen toen het contract eindigde en Booij schaamteloos facturen bleef sturen. De manager leadbuyer had beter moeten opletten. En haar junior-woordvoerder, Marloe Boon, die in een zeer eerlijk antwoord aan dit blad had gezegd dat Booij tot oktober 2025 zou blijven, heeft het politieke equivalent van een Azteeks zonneoffer ondergaan: inmiddels is ze woordvoerder van de Lenin van GroenLinks, Rutger Groot Wassink. Al valt hij wel mee, als je eerst onder de knoet van Halsema zat.

De burgemeester trok zich terug achter haar politieke Maginotlinie: er was een afspraak met Booij dat hij tot de verkiezingen zou blijven en na het plebisciet zou een nieuwe (of de oude) Volkskommissar het brood-en-spelenfestijn in 2025 organiseren. Daar bleef zij op hameren en als de Duitse stoottroepen tijdens de slag bij Verdun liep de oppositie in de personen van Johnas van Lammeren en Annabel Nanninga zich stuk op deze muur. Een uitputtingsslag (zestien uur raadsdebat), maar Halsema hield stand.

Om voor de laatste keer een oorlogsmetafoor te gebruiken: de WOB is de journalistieke tank of atoomboom. Het breekijzer om een doorbraak mee te forceren. 330 pagina’s gelakte documenten ploften 20 mei 14:20 in ons postvakje. Een race tegen de klok, want de betaalde kranten wilden zo snel mogelijk deze groene WOB-weide kaalvreten.

Waar haalde Marloe Boon het idee vandaan dat Booij tot oktober 2025 zou blijven? Had ze een kater, tripte ze alsof ze een paddoplantage naar binnen had geschrokt? Het antwoord is duidelijk: Lennart Booij dacht dat hij tot oktober 2025 zou blijven. ‘Lennart Booij is gevraagd om tot en met 27 oktober 2025 betrokken te zijn bij Amsterdam750, als extern programmadirecteur’: zo staat het in de mail van 26 januari. De man die met Halsema had afgesproken tot aan de verkiezingen op zijn stoel te zitten. Deze mail van Marloe aan mij was door hen samen opgesteld, blijkt uit de WOB. Hij was voorgelegd aan Peter Teesink – de gemeentesecretaris had niet de behoefte om hem te corrigeren. Niemand begon over die zogenaamde afspraak. Als die had bestaan hadden daar twee partijen van geweten: de gemeente, in de persoon van Halsema, Teesink, iemand die een mooie handtekening of ferme handdruk kan geven, én Booij. En laat de laatste nou van niets weten.

Het WOB-web was deze keer wijd uitgeworpen. Alle documenten over de aanstelling van Booij vanaf september tot 25 februari werden naar boven gevist. Nergens ook maar één letter over een afspraak dat Booij tot het nieuwe college zou blijven. Niet in de mails, niet in de appjes. Zijn ze in de Stopera vergeten deze afspraak mee te sturen? Of bestond hij enkel in het hoofd van Halsema? Eens kijken wat haar nieuwe verdedigingslinie zal zijn.   

Er zijn meer reuzenpanda’s in Nederland dan CDA’ers in de Stopera. Waar de bewoners van Ouwehands Dierenpark Xing Ya en Wu Wen er zelfs in zijn geslaagd zich te reproduceren (wie Fan Xing wil bewonderen moet snel wezen, hij gaat later dit jaar naar China; er is in dit land immers alleen ruimte voor échte vluchtelingen), is Diederik Boomsma de laatste bekokstovende christenhond van Amsterdam. Als u hem in de politieke jachtarena wil spotten, moet u ook snel zijn: na woensdag is hij vertrokken.

Boomsma is strenger in de leer dan Xing en Wu, want in tegenstelling tot deze falende beesten weet hij al vijfhonderdachtentwintig maanden – and still counting! – zijn seksuele onthouding vol te houden. Of dat aan zijn diepe overtuiging ligt dat het zaad zondig is (Romeinen 3:10-11), of aan de camouflageoutfit, bestaand uit zwarte schoenpoets rondom zijn ogen en veertig kilo babi pangang onder zijn giletje, laat ik hier in het midden; zoek zijn foto maar op. Maar wees eerlijk tegen uzelf: als u langer dan dertig seconden twijfelt tussen onderkinplooien en lippen, verdwijnt ook bij u de lust.

Er is in Nederland ook een groep die vele gelijkenissen heeft met deze troeteldieren en dat zijn homoseksuelen. Homo’s zijn de panda’s van de politiek: in de natuur halen ze met hun klauwen vals uit, ze hebben een knuffelachtig imago bij het grotere publiek dankzij hun malle trekjes, en ze planten zich niet voort. Zelfs bij de christendemocraten zijn ze sinds enkele jaren in de ban van de troetelnichten. Ze moeten wel normaal doen en niet met een tangaslip en roze boa op een boot staan, maar buiten deze niet-principiële bezwaren – het blijft een politieke partij – probeert het CDA haar doodsstrijd nog nét iets te verlengen door een onverwachts electoraat aan te boren.

In het verkiezingsprogramma voor de gemeenteraadsverkiezingen schrijft de partij het volgende: ‘Wij staan voor een stad waar iedereen zichtbaar zichzelf mag zijn. We dragen met trots uit dat wij een Regenbooggemeente zijn en zetten ons in voor een veilige en inclusieve omgeving voor LHBTQI+-personen, op straat, in het onderwijs, bij sportverenigingen en op de werkvloer. We tolereren geweld en discriminatie tegen LHBTQI+-personen niet.’ Van zoveel billenlikkerij bij de homo’s in de stad wordt zelfs wijlen Pim Fortuyn misselijk. Waar is de tijd gebleven dat het CDA aids een beroepsziekte vond? Dat de enige geschikte darkroom uit zes planken bestaat?

Gelukkig toont Boomsma dat hij het grootste talent van een christendemocraat bezit: twee tongen. Eén om te paaien, één om uit te delen. Naast lijsttrekker is Boomsma ook penningmeester van de Europese mini-denktank Center for European Renewal. Diederik let niet alleen op de centjes, maar heeft de organisatie ook in huis gehaald – letterlijk: zijn huisadres is het statutaire inschrijfadres. Wat is het voor ’n club? Een groep mannen die hun jeugdtrauma’s over liefdesafwijzingen en teleurstellingen van zich af lult en de schuld voor zijn falen bij vrouwen/ migranten/links/bomen/Foucault legt. Kortom: ze zijn conservatief. Dat blijkt ook uit de voorzitter, Andras Lanczi, bedrijfspoedel van Victor Orbán, huisintellectueel van Fidesz, de antihomopartij wier Europarlementslid József Szájer in december 2020 te midden van een bukake werd betrapt.

Hoe denkt dit clubje over modieuze LHBTQIAHGVNSHVDSD+-issues? ‘The family is the foundation of society. Families grow from the union of man and woman in marriage, who support each other and welcome the hopeful task of raising their children to become mature adults, able in their turn to embrace the vocation of parenthood. The family as a social institution must always be upheld.’ Omdat verongelijkte refobendes weten dat ze niemand meer angst inboezemen met verwijzingen naar een boek van een sedimentair volk van tweeduizend jaar geleden, laten ze dat tegenwoordig achterwege. Ze beroepen zich op een natuurlijke orde, wijzen erop dat de enige missie missionair is, stellen dat acht kinderen een mooi minimaal streefgetal is, en meer altijd beter.

Wat hierboven staat over het kerngezin – ‘Families grow from the union of man and woman in marriage’ – is, op zijn zachtst gezegd, in tegenspraak met het CDA-verkiezingsprogramma. Amsterdam moet een Regenbooggemeente zijn die geen homohuwelijken sluit? De partij staat op voor inclusie van homo’s, maar ze mogen niet trouwen? Dergelijke tegenstrijdigheden zijn voor de gewone lezer opzienbarend, maar u moet daarbij niet vergeten dat de partij jarenlang devoot wegliep met een boek waarin een dertiger met een midlifecrisis kon toveren.

(Laat ik duidelijk zijn: natuurlijk moet het homohuwelijk verdwijnen. Het heterohuwelijk ook. Als de u rest van uw leven met uw labradoedel wilt spenderen kan dat natuurlijk, er hoeft geen ambtenaar aan te pas te komen. Alleen een gek laat zijn liefde beoordelen door de staat, het koudste monster van allemaal.)

Diederik Boomsma staat op een tweesprong. Als hij naar links gaat, verliest hij zijn geliefde mannenbroeders in zwart en krijtstreep. Naar rechts, die in roze en leer. Gelukkig hoeft hij niet te kiezen. De electorale neutronen die boven de stad zweven ontloopt hij niet.

Kim van Keken en Dieuwertje Kuijpers brachten in oktober hun binnengehaalde buit naar de afslag genaamd Vrij Nederland. Waar had dit duo onderzoeksjournalisten op gevist? Verhalen over nepotisme en vriendjespolitiek van reclamebureau en grachtengordelcarrousel BKB. Resultaat? Wat scholletjes, klein grut over BKB-baby’s en een enkele vette zalm in de vorm van een onderhandseklus van Bussemaker toen ze nog minister van Onderwijs was. Jet zit al enkele jaren veilig op een leerstoel in Leiden, dus zij glipte door de mazen van de ophef. Als Van Keken en Kuijpers hun hengels wat beter hadden afgesteld hadden ze boven water kunnen krijgen dat Femke Halsema vanuit de Stopera tot op de dag van vandaag Lennart Booij honderdduizenden euro’s geeft voor het organiseren van een feestje. Let’s get the party started!

Dat die hele BKB-club meer stinkt dan zeven kilo paling die drie jaar fermenteert boven het systeemplafond wordt duidelijk als we haar track record erbij pakken. In 2007 mocht de club, bestaand uit oud-PvdA’ers, van PvdA’er Bert Koenders een feestje van €750.000 organiseren. Een paar salonsocialisten die elkaar tonnen toeschuiven, zo kennen we de oude arbeiderspartij. Hoeveel mensen kwamen op het festival af? 5000. 150 euro subsidie per bezoeker. Wie trad er op? Marco Borsato. Die had het vast ook gratis gedaan als hij in de tienertent had gestaan.

BKB heeft een groter spoor van corruptie achter zich hangen dan een lekkende olietanker. Waarom kregen Van Keken en Kuijpers dan zo weinig boven tafel? Omdat Booij (de ene B, de andere B is gestikt in zijn laatste verzonnen verhaal) in 2011 solo ging. En wie enkel bij Take That in de cd-bak zoekt, mist het oeuvre van Robbie Williams. Public Relevance heet Booij’s bedrijf; wat doet het zoal? ‘Door strategische moderatie, strategisch advies, creatieve interventies of specifieke (digitale) vormen komen heldere waarden naar boven, borrelen nieuwe ideeën op en ontwikkelen we samen een scherp beeld van uw publieke relevantie.’ Juist ja. Dan ben je toch een ongelofelijke sneuneus als je in deze marketingspeak trapt. Op de slicke website staan klanten als de gemeente Amsterdam en enkele ministeries. Dus: tjop tjop, hier komt de WOB.

Zoals Lucebert zei is alles van waarde WOB-baar, dus ik vroeg in Den Haag en bij de Stopera naar Public Relevance. Overal hetzelfde antwoord: we willen je best helpen, maar we kennen dat hele bedrijf niet. Na wat speurwerk werd duidelijk dat die hele BKB-garde een kerstboom van bv’tjes heeft opgetuigd om belasting te ontwijken en nieuwsgierigen op afstand te houden. Vizier bijgesteld, de vraag uitgebreid. En het resultaat mag er wezen.

Ons mooie Mokum bestaat in 2025 750 jaar. Hieperdepiep hoera! Wie is de voorzitter van het feestcomité? Inderdaad, ene Lennart Booij. Programmadirecteur heet dat in ambtelijk jargon. Waarom deze man de geschikte kandidaat is staat enkele alinea’s hierboven. Eerder waargemaakt falen is een garantie voor meer werk voor de bobo’s en beunhazen onder de Concertgebouwgraaiers. Hoeveel mag Booij iedere maand bijschrijven? €10.000 exclusief BTW. Jaarlijks dus €145.200. Best netjes voor tweeëneenhalve dag borrelen, brainen met je benen op tafel en scrummaster spelen.

U leest het goed: met een parttime baan graait Booij bijna evenveel bij elkaar als Halsema (ook net geen 1,5 ton), al moet zij daarvoor minstens het dubbele aantal uren draaien. De schaamteloze zelfverrijking van grachtengordelgrut wordt enkel overtroffen door de schijnheiligheid die je tegemoet walmt als ze hun bek optrekken over duurzaamheid, inclusiviteit of een ander inhoudsloos modewoord.

De zaak is echter nog leuker dan dat ’ie voorkomt. In overleg tussen Peter Teesink, de gemeentesecretaris, en Halsema is begin 2020 besloten dat er geen vacature hoeft te komen voor de goedbetaalde functie van commissaris feestbeest. Dan kunnen we prima binnenskamers regelen, zo dachten ze. Dat dit niet helemaal de bedoeling is wisten zij ook wel; alles boven de 214.000 moet openbaar worden aanbesteed. Op de Stopera werd een list bedacht. Booij zou slechts voor negen maanden worden ingehuurd, zodat het bedrag ruim onder de norm zou blijven. Of zoals de geanonimiseerde manager Leadbuyer Personeel aan Teesink schreef (ik houd zoveel van de WOB): ‘Uitgaand van 9 maanden komt het dan op 90k euro. Daarvoor moet een afwijking worden ingevuld die ik dan goedkeur. De motivatie waarom voor deze rechtstreekse constructie wordt gekozen is belangrijk voor het nageslacht en wordt dus vastgelegd.’ Hoe motiveert Teesink het besluit? Die Booij is zo’n topper, want hij heeft een ‘goed netwerk in Amsterdam’ en deze kennis is ‘schaars’. Dit is wel een erg magere poging om vriendjespolitiek toe te dekken.

En steeds als je denkt dat je alle cadeautjes dankbaar hebt uitgepakt blijkt er nog meer in de zak te zitten. Op de offerte die Booij in januari 2020 stuurt staat dat hij iedere maand 10k declareert, tot en met oktober 2020. ‘Bij voorziene overschrijding wordt vooraf melding gemaakt en toestemming gevraagd aan de Gemeentesecretaris.’ In mijn WOB-net tref ik inderdaad de facturen aan van februari 2020 tot en met oktober 2020, maar ook die van november 2020 tot en met november 2021. Hier gaan dus een paar dingen mis. Booij is helemaal geen negen maanden ingehuurd, hij heeft al 23 maanden (€278.300) gedeclareerd[Kleine correctie: een AT5-journalist die geen vijf jaar over zijn introductievak Statistiek deed wees mij erop dat hij in die periode 19 maanden had gedeclareerd; Booij moest natuurlijk ook zijn bijeengeschraapte centen kunnen uitgeven tijdens zijn vakantiemaanden. In totaal krijg hij € 229.900] en de kassa rinkelt door. Is hier toestemming voor gevraagd aan de gemeentesecretaris? Geen idee, maar als het zo zou zijn, had dit formulier in de WOB moeten zitten. Quod non. Het heeft er eerder alle schijn van dat de top van de ambtelijke piramide – hallo Teesink, hallo Halsema – hun eigen boekhouder om de tuin heeft geleid om zo een flinke zak dukaten aan een makker te schenken. En navraag bij de gemeente en Booij zelf (waar gaat het heen met de ongecheckte roddels?) levert op dat Booij nog tot 27 oktober 2025 op zijn stoel blijft zitten. Een simpele rekensom [1 december 2021 tot en met oktober 2025] maakt dat de voorzitter van het partypolitbureau dus nog €556.600 568.700 mag opstrijken de komende jaren. Totaal: €834.900 798.600 voor een bijbaantje om een jubileum te organiseren. Het enige feestbeest dat van deze teringzooi beter wordt is Booij zelf.

Naast dit kankergezwel van corruptie hangen er nog meer kleptocratische kuchjes rondom Amsterdam 750 jaar. Afgelopen oktober werd in De Balie het Vrijdenkersfestival gehouden, onderdeel van het feestgedruis van de gemeente. Waarom ging Amsterdam 750 jaar niet in zee met Pakhuis de Zwijger? De Rode Hoed? Felix Meritis? De laatste keer dat bij die laatste plek enige vorm van opwinding was stonden de tanks van Chroesjtsjov in Boedapest om de Magyaren tot de orde te roepen. Die podia kunnen ook wel hulp gebruiken van de gemeente. De perswoordvoerder van de gemeente mailt dat De Balie ‘in het profiel past’ en dat daarom voor die locatie is gekozen. Dat is van het niveau dat de reden dat je met je vriendin gaat is omdat ze een hartslag heeft. Meer plausibele verklaring is dat Booij kind aan huis in Albrechts clubhuis is en daar flink schnabbelt: zo werd Booij onder andere dezelfde maand door De Balie ingehuurd om een avond aan elkaar te lullen. Helemaal prima, totdat Booij op een zak belastinggeld zit en dat gebruikt om zijn andere opdrachtgever te verrijken. Jij geeft klus aan mij, ik geef klus aan jou. Als we allemaal aan onszelf denken, wordt er aan iedereen gedacht. Wie denkt dat dit puriteinse muggenzifterij is, moet bedenken dat Booij als lid van de Raad voor Cultuur (hoeveel bijbanen kan je hebben?) niet mocht meepraten over subsidie voor De Balie of andere podia. Blijkbaar hanteert de gemeente Amsterdam andere integriteitsstandaarden dan de Raad. Zo bezien had Robert Mugabe meer integriteit in zijn teelbal dan deze konkelende kliek bij elkaar.

Het duurt nog ruim drie jaar tot deze graaifuif is afgelopen. Dat kan sneller. Binnenkort een uitzwaaifeestje voor Halsema en Booij?

TD

Nog even over dat horroressay van Mathieu Segers. In het vorige nummer serveerde ik de beste knul af door tweemaal te drukken op zijn onwelriekende open wonden. Goed onderwerp, abominabel wollig geschreven en van een niveau dat verraadt dat het opgeklopteluchtproza vooral diende om af te leiden van een gebrek aan steekhoudende argumenten. Deze week is de uitdaging groter, en toch ook weer niet. Want de harige en uitgekotste gnocchi Ilja Pfeijffer is zo achterlijk dat hij het meest gelezen essay van het moment bijna woordelijk overschrijft. Iemand moet deze pseudo-Italiaanse baggerput dempen. Vooruit dan.

Het stuk van Pfeijffer verscheen 1 december op de website van HP/De Tijd met de titel ‘Het coronabeleid kan geen dag langer worden toevertrouwd aan deze demissionaire regering’. Als u het wilt lezen, moet u zich haasten: als het kolossale cokehart van Tom Kellerhuis ermee ophoudt is er niemand die het hoofdredacteurschap overneemt en gaat de pagina op zwart. Ten overvloede: Segers verscheen in De Groene van 18 november. Tijd voor essayexegese. 

Goed. We gaan beginnen. Eerst de kleine punten. Segers gaat in zijn essay te raden bij de semiotiek. ‘Een leider van een land is als een “teken van een teken” om met Umberto Eco te spreken’, schreef hij, en verderop ging hij verder in op de betekenis van tekens. Pfeijffer? ‘Ik vrees voor de tekenen, die niet te negeren zijn.’ 

Akkoord, niet echt overtuigend. Teken is immers geen vreemd woord om te gebruiken, het is geen, even denken, betonmolen, puddingbroodje of contrastvloeistof, of een andere willekeurige samenstelling. Zo’n woord zou opvallen. Zoals dat laatste woord deed bij Segers. ‘De woekerende ziekte fungeerde als een contrastvloeistof die de zwakke plekken in het lichaam van de Nederlandse staat en maatschappij deed oplichten.’ Tot welke poëzie inspireerde deze zin Pfeijffer? ‘Het virus werkt als een contrastvloeistof, die de zwakke plekken in het organisme zichtbaar maakt.’ 

Segers grootste bezwaar tegen de Nederlandse politiek was dat ze geen moer geeft om intenties, maar enkel naar het resultaat van beleid kijkt. ‘Uiteindelijk leidt dit onherroepelijk tot wat omschreven kan worden als een “politiek van gevolgen”.’ Wat maakt Pfeijffer van deze zin? ‘Het is een bestuursstijl die zich concentreert op de onmiddellijke effecten van beleid zonder zich te interesseren voor de oorzaken van problemen.’ 

Hier ontwikkelt zich voor Pfeijffer toch wel een probleem. Inspiratie opdoen in deze en gene roman, daar een pastiche van maken: helemaal prima als Joost Zwagerman je inspirator is. Maar het bijna woordelijk overschrijven van andermans werk of de ideeën van een ander gebruiken om je ego, dat te groot is om in het Colosseum te passen, en je kitschkarakter op te kalefateren is, hoe je het ook wendt of keert, diefstal. Plagiaat. Pfeijffers essay is een kopie van andermans koppie. En het hoeft ook niet het einde van zijn carrière te betekenen: Joost de Vries propt, na zijn kopieerkunst, nog steeds iedere week zijn nog steeds uitdijende reet in zijn redacteursstoel bij De Groene. 

Is er mogelijk een verband tussen de omvang van beide drillbillen en hun overschrijfneigingen? Dat durf ik niet te zeggen. Laat ik ondertussen maar doorgaan met mijn Turnitintruc. Segers heeft de dodelijk saaie mening – en dat zegt de huishistoricus – dat weinig kennis van het verleden zorgt voor problemen in het heden. ‘Het geheugen wordt een last bij de beleving van het heden, en de eenvoudige conclusies die aan die beleving verbonden kunnen worden.’ Gaap. Pfeijffer opent synoniemen.net en schrijft dezelfde Maarten van Rossemmening op. ‘Het is de stijl die de problemen van vandaag hoopt op te lossen zonder zich te laten afleiden door gisteren of morgen.’

Segers stelt dat ‘de Italiaanse pers het heeft over de Nederlandse staat als “vijand van zijn eigen burgers”’. Wat maakt de klucht van de zelfbenoemde tientoncasanova ervan? ‘De overheid heeft zich opgesteld als vijand van het volk.’ Segers heeft het verderop over ‘politiek pragmatisme’ en ‘rationele beleid’, Pfeijffer over ‘nuchter, pragmatisch en bewust onideologische kortetermijnbeleid’. 

Volgens mij begint u ook een lijn te herkennen. Classicus Pfeijffer schrijft vaker andermans werk over dan een chronisch spijbelende gymnasiast latijnengrieks.com. Maar iedere klassieketalendocent had natuurlijk zijn methoden om liegende en bedriegende lapzwansen te ontmaskeren: ga op zoek naar de fout in de vertaling. Heeft de scholier in kwestie die ook overgeschreven, dan klapt de val dicht. Zoals ik de vorige keer schreef weet de sukkelige Segers niet wat utilisme is, hij verzette zich tegen de ‘niet-ethiek’ van individueel gewin en genot. Pfeijffer snapt tenminste dat dit wel ethische posities zijn, hij noemt het ‘individualisme en concurrentiestrijd’. Segers pleit voor meer ‘kwaliteit van sociale relaties’, een frase die leest alsof je zesendertig mariakaakjes zonder water in één minuut naar binnen schrokt. Pfeijffer maakt hem iets eleganter, hij heeft het over ‘altruïsme en solidariteit’. 

Zelfs de oplossing van de voorgestelde problemen neemt Pfeijffer van Segers over. De laatste concludeerde dat ‘het Nederlandse zelfbeeld en de leidende politicus toe zijn aan correctie’, Pfeijffer versimpelt dat naar ‘de enige hoop voor Nederland is een radicale trendbreuk’. Ik kan nog meer voorbeelden tonen –  het zijn er te veel en ik zit aan het maximum van mijn aantal woorden – maar u snapt het punt. Pfeijffer is een jattende rat. En hij is dit jaar de hoofdgast op het Boekenbal en schrijft dat weggeefprulletje. Het zou me niks verbazen als het boekenweekgeschenk, in navolging van dat van Wolkers, Siebelink of Reve, Augustuswarmte, Tas met teleurstellingen of De derde jongen heet. Als HP/De Tijd en de CPNB een beetje zelfrespect hebben, gooien ze deze klaplopende, afgeschminkte clown linea recta op straat of van een burg af. In Genua schijnt een mooie hoge te staan.

TD

U zult wel denken: is september niet te vroeg om te zeiken over kerstliedjes? Moeten niet eerst de truffelpepernoten de winkel uit, de boom worden opgetuigd en uw aanstaande ex, na een twistgesprek over het gebruik van de bordeauxrode servetten of de geërfde zilverkleurige met goudafgezette randen tijdens het diner, afgetuigd? Het zal allemaal wel: mijn blad, mijn ergernissen. Mijn gal komt omhoog door de klassieker ‘De herders lagen bij nachte’, een leugenachtig propagandalied dat enkel overtroffen wordt door René Frogers ‘Een eigen huis’, en dan specifiek door één frase: ‘daar hoorden ze d’engelen zingen’. Engelen zingt niet, hij schreeuwt, raaskalt, blaft door een megafoon heen, terwijl hij deze niet nodig heeft, want met zijn volume is hij in staat om de voorspelde aardbeving onder Istanbul in gang te zetten. Wat zegt u? Heeft dat kerstnummer niets met Ewald Engelen te maken? Verrek, wat scherp! Maar laten we het nu toch maar even over hem hebben.

U kunt deze man kennen van zijn columns in De Groene Amsterdammer waarin hij tweewekelijks een tirade houdt over de hoogopgeleide elite die dit land naar de knoppen helpt. Dat het anonieme twitteraccount @Peter1456891 dezelfde mening eropna houdt en daarmee in een beweging de stelling van prof. dr. E. R (die R staat voor Rombaut. Rombaut! Blijkbaar is gekte genetisch overdraagbaar!) Engelen ondergraaft, deert hem niet. Er is ook een kans dat u hem kent omdat u een seminarium in financiële geografie, zijn zelfgecreëerde vakgebied, bij hem volgt, hoewel hierbij moet worden opgemerkt dat de kans groter is dat u in de Bilderdijkstraat wordt aangereden door een noordelijke witte neushoorn dan dat u daadwerkelijk onderwijs van Engelen krijgt. Onderwijs geven is voor aio’s, de kneusjescolonne waarvan iedereen drie dagen gratis arbeid moet verrichten omdat overuren uitbetalen een gewoonte was die met Den Uyl mee het graf in ging, de verdrukte arbeiders waarover hij iedere keer dezelfde opgefokte column uitbraakt, en daar staat deze hoogleraar ver boven.

Wat doet Rombaut dan voor die ruim € 8000, – per maand? Twitteren dat Ernst Kuipers een enkeltje concentratiekamp moet krijgen. Foto’s uploaden van het uitzicht over de Nederrijn van zijn villa in Heveadorp. En af en toe een boekje schrijven. Zo kwam dit voorjaar Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer uit, een schotschrift waarin Engelen laat zien dat een weerlegging van zijn stelling door een zelf aangedragen tegenvoorbeeld niet betekent dat zijn hypothese onwaar is, maar dat hij juist harder moet schreeuwen en zijn toevlucht moet nemen tot hyperbolen en metaforen om zo een letterkots op te boeren waarvan zijn lezers hun gezicht afwenden. Voorbeeld. Alles in Nederland – en dan bedoelt Engelen ook echt alles, hij fulmineert over ‘een door drank, drugs en seks doordrenkte “belevenisindustrie”, bestaand uit exotische vakanties, festivals en extreme sportevenementen’ – is de schuld van hoogopgeleiden. En wij altijd maar grollen over de dozijnen media en cultuur-meisjes die de universiteit ieder jaar de werkloosheid intrapt; blijken ze in werkelijkheid de wereld te besturen! Hoogopgeleiden zijn volgens Engelen dus een samenklittende groep die mbo’ers negeert. Prima stelling, al is het niet de mijne, want ik scheld de minifascisten in reflecterend uniform die een kruispunt proberen te overheersen consequent uit, dus het verwijt dat ik de diplomalozen niet zie staan, glijdt geheel van mij af.

Het wordt lachwekkend als Engelen verderop in zijn boek tekeer gaat tegen het curriculum van de universiteit. Studenten moeten worden opgeleid tot ‘waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, die steeds op zoek zijn naar de achterkant van het gelijk, die zich niet met een kluitje het riet in laten sturen’. De studenten die dát kunnen, dat zijn wel goede lui. Dus alle hoogopgeleiden zijn fout, maar de goedopgeleide hoogopgeleiden zijn goed, zegt prof. dr. Engelen. Het is een menukaart met Schrödingers kat op een toastje als amuse, een liegende Kretenzer als hoofdgerecht en als toetje een tirade uit Wappiestan over het falende ICT-beleid van de rijksoverheid die tegelijkertijd dankzij een vaccinatieprogramma een chip bij ieder burger inbrengt om zo bloed en DNA af te tappen. 

Staat er dan geen goede zin in het hele boek? ‘Wie zich overschreeuwt verraadt zijn eigen onzekerheid, zo luidt de ijzeren wet van de psychologische overcompensatie.’ Inderdaad, Ewald, inderdaad.

Eigenlijk wilde ik hier zijn boekje laten rusten, verder gaan met de rest van zijn onzin, maar ik kan het niet. Ik ben een diabetisch kind in een snoepwinkel en prop me vol. Wat denkt u van deze? ‘In al zijn geschriften wijst Max Weber op de keerzijde van voortschrijdende technische rationaliteit. Hoe meer waarden, affecten, emoties en het mysterie van God en Schepping uit ons dagelijks leven verdwijnen, hoe meer wij ons gevangen weten in een stalen kooi van bureaucratische afhankelijkheden. […] Het staal van de bureaucratische kooi is koud vergeleken met de warmte van de naastenzorg die kerk en gemeenschap vóór de intrede van het individualisme en het secularisme van de Verlichting bood.’ Bij dit tromgeroffel zie ik mistige Thüringens bossen opdoemen, waartussen Engelen in de ochtend met behulp van twee paarden zijn akker bewerkt en daarna trouw met zijn fokvrouw, die is gedecoreerd met het Ehrenkreuz der Deutschen Mutter, en hun acht kinderen – Günter, Parsifal, Friedrich, Gunnhildr, Freya, Heinrich, Baldr en Reinhard – naar de dagelijkse rundfunktoespraak van de Führer luistert. Vergeleken met dit geblaat is Andreas Kinneging de bedrijfspoedel van RuPaul.

De pamflettenprofessor heeft de laatste jaren niet stilgezeten. In 2016 verscheen De mythe van de gemaakte vrouw: nieuw licht op het feminisme, zijn interpretatie van Simone de Beauvoirs De tweede sekse. Ik zou nu een lollige of snedige opmerking kunnen maken over wat feminisme te maken heeft met financiële geografie, of een absurdistische vergelijking maken tussen muterende zeepaardjes en geobstipeerde darmen, maar ik ben nederig, ken mijn grenzen: het valt allemaal in het niets bij Engelens koeterwaalse redeneringen van hierboven. Vorig jaar verscheen er nog een heus wetenschappelijk paper van hem, wat hem daarvoor voor het laatst in 2017 was gelukt. ‘What comes after the pandemic? A ten-point platform for foundational renewal’, gepubliceerd op een obscure, zelfbeheerde wordpress-website, geen enkel peer-reviewed tijdschrift had de behoefte om deze zesduizend woorden af te drukken. Mocht u zich zorgen maken om de werkdruk van de hoogleraar, dan stel ik u graag gerust: met drieëndertig man schreven ze dit artikel. Dat komt neer op een kleine honderdtachtig woorden de neus, dus als ik deze nutteloze zin even in deze alinea fiets, bevat ze er meer dan Engelen, als we ervan uitgaan dat hij überhaupt iets heeft gedaan, heeft bijgedragen aan zijn enige publicatie uit 2020.

Twee pamfletjes, een paar honderd woorden in een niet-gepubliceerd paper en een enkele boekrecensie hier en daar. Dat is de oogst van vijf jaar je eigen leerstoel managen. Het is niet erg dat Engelen nog luier is dan een zesdejaars rechtenstudent die voorafgaand aan zijn studie al verzekerd is van een plek in de maatschap van zijn vader. Ook niet dat hij op boekentour ging met Marianne Thieme en dat hij voor haar zijn vrouw en kinderen in de steek liet. Engelen schreeuwt en eist zuiverheid, is manisch en manicheïstisch. Hij laat geen ruimte voor de menselijke smet, de eeuwige hypocrisie, het geploeter over de akker van onwetendheid. Maar wie zuiverheid wil moet boven de schoorsteen van Treblinka hangen, het ruikt naar verschroeid mensenvlees. 

‘Alleen in naam is de Nederlandse universiteit een meritocratie; in de praktijk is ze een reservaat van verwende academici’, schreef een hoogleraar eens. ‘Nog altijd worden medewerkers getolereerd die zich met minimale inspanning van hun academische verplichtingen kwijten. Nog steeds staan Nederlandse universiteiten het toe dat medewerkers maandenlang niet op het werk verschijnen’, bulderde hij. ‘Loop voor de grap eens een faculteit binnen. Wat ziet u? Lege gangen, lege kamers, doofstomme computers. De Nederlandse academicus werkt immers thuis; de (schamele) investeringen van werkgever in gebouw, organisatie en infrastructuur ten spijt. Het zijn de vele indicaties van misbruikte collectieve generositeit (goudgerande arbeidscontracten, “spookprofessoren”, snoepreisjes) die de directe aanleiding zijn geweest om academici te dwingen meer rekenschap af te leggen over de besteding van wat uiteindelijk publieke middelen zijn.’ Allemaal misstanden aan de Nederlandse academie! Wat moeten we doen met deze luilakken? ‘Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!’ Was getekend: Ewald Rombaut Engelen. 

Dus Ewald, beste makker, wees consequent. Wees een vent en hang je toga aan de wilgen. En jezelf erbij. 

TD

Het is moeilijk kiezen tussen De Grote Twee van de Nederlandse literatuur. Als je aan het eind van de ochtend wakker wordt met een hoofd dat voelt alsof een tuinkabouter met een klophamer de binnenkant bewerkt en naast je een veulen, loops en lekker, ligt, snap je Reve wel. Na dagen gedisciplineerd en ascetisch doorwer­ken, waarbij je paginanummers in voetnoten invoegt, nauwgezet andermans werk controleert, op zoek naar die ene fout, hoe klein ook, om hem daarmee om de oren te slaan en weg te zetten als dilet­tant, als poseur, dan voel je je toch meer Hermans.

Op 29 januari 1988 verscheen een es­say van W.F. Hermans in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Een kleine drieduizend woordjes. Kom daar heden ten dage nog maar eens om. Wij moeten het doen met de stukken van ‘schrijver’ Philip Huff, die Sylvia Witte­man de maat neemt over seksisme. Nou voel ik niet de behoefte om die Magnum White op pootjes te verdedigen, maar dat Huffs oeuvre, bestaand uit verhalen over Praagse sletten en strakke kutjes, eerder doet denken aan kechs dan aan Bechdel moge duidelijk zijn.

Hermans’ stuk ging over het laatste Mul­tatuli-jaar. In 1987 was Eduard Douwes Dekker honderd jaar dood. Een stand­beeld van hem op de Torensluis werd onthuld door Beatrix, dat was het hoog­tepunt van de viering. En hoe voorzag Hermans dat het in de toekomst zou gaan? ‘Hoogstens zal er ergens een saai praatje door een saaie professor wor­den gehouden voor een publiek van vijftig studenten die nog tentamen bij hem moeten doen. Niemand zal Mul­tatuli meer voor zijn plezier lezen, nie­mand ambieert meer iets nieuws over de schrijver aan het licht te brengen. Zelfs een standbeeld hoeft niet meer te wor­den opgericht voor hem.’ Noem het pes­simisme, noem het cynisme, noem het realisme: een voorspellende gave had de geoloog wel.

2020 was het eerstvolgende Multatuli-jaar. Hoewel dit jubileum een beetje was ondergesneeuwd door de meest in­vloedrijke Chinese uitvinding sinds het buskruit, waren er toch enkele feeste­lijke activiteiten. Op de website van het Multatuli Genootschap – kan je een van Nederlands belangrijkste schrijvers beter eren dan met de Engelse ziekte? – staan ze allemaal netjes op een rij. Wat heeft de Vereniging ten Behoeve van de Conservatie van de Erfenis van Neerlands Groôtste Schrijver, onder leiding van prof. dr. drs. ing. Elsbeth Etty, hoogle­raar in de knip-en-plakkunde en Brezj­nev van het recensentencorps, voor ons in petto?

Op 17 februari onthulde Prins Pils een gedenksteen in de Nieuwe Kerk, waar­bij het Genootschap trots vermeldt dat de slippendragers van Blauw Bloed er een reportage over maakten.

Op 2 maart was er in de bibliotheek van Culemborg een Multatuli-gala en een schrijfwedstrijd. Om de Saïdjah en Adin­da-bokaal in ontvangst te nemen moest de winnaar 250 woorden achter elkaar zetten.

Op 6 maart vertegenwoordigden Elsbeth Etty en Dik van der Meulen het bestuur van het Multatuli Genootschap op het Boekenbal.

Op 7 maart was ‘de Jaarvergadering van het Multatuli Genootschap in de Eggert­zaal van De Nieuwe Kerk die in het te­ken staat van Eduard Douwes Dekkers 200ste geboortejaar’.

Op 9 maart praat Özcan Akyol over Edu­ard Douwes Dekker in zijn televisiepro­gramma Dwarse Denkers.

Op 11 maart gaf Dik van der Meulen een lezing bij de Volksuniversiteit Wagenin­gen.

Bovenstaande activiteiten waren alle­maal voordat er een pandemie in Neder­land losbrak. Tijdens carnaval hoste men nog door de binnenstad van Den Bosch, de treinen stonden iedere morgen nog stampvol forensen, de enige corona die we toen kenden was dat smerige mais­bier. En wat kreeg het Multatuligenoot­schap voor elkaar? Een avond met Van der Meulen voor drie zelfgebreide truien in Wageningen en Etty die verschijnt op een borrel in de Stadsschouwburg die ze zelf niet organiseert.

Gelukkig stopte daarna de wereld met draaien. Geen vliegtuigen meer in de lucht, knooppunt Hoevelaken was nog nooit zo verlaten. Gansch het raderwerk staat stil als de Chinese laboratoriumarm het wil. Dit is een teken, dacht Etty. Dit is het moment om te herpakken. De eerste drie maanden waren een proef, een try out, nu gaat het echte werk beginnen. Nu hebben we de tijd om een grandioos pro­gramma in elkaar te zetten, een festival voor Multatuli. Ik ben zo nieuwsgierig als een kind de dag voor zijn verjaardag, wat hebben ze allemaal georganiseerd?

Van 2 maart tot 29 mei was de ‘Multatuli tentoonstelling [sic] “ik wil gelezen wor­den” in de Erfgoedvitrine in de Universi­teitsbibliotheek van de VU’. Helaas was de bibliotheek gesloten vanwege corona.

Van 15 juni tot 1 september kon ieder­een, let op: iedereen, via de VU meedoen aan een project voor een nieuwe, experi­mentele uitgave van de Max Havelaar. Zo ontstond een handgeschreven lock­down-editie. Gelukkig zijn er ook vlogs van gemaakt, die staan op YouTube.

Op 13 december werd het boekje Mul­tatuli en Marx in Brummen van Elsbeth Etty, uitgegeven door De Geiten Pers ge­presenteerd in Hotel het Oude Postkan­toor te Brummen.

Hoe zouden we deze festiviteiten kunnen samenvatten? Er was een expositie in een gesloten gebouw, een lezing in een nep-academie, een verplichte jaarlijks terugkerende vergadering van het Ge­nootschap, er verscheen een boekje van achtentwintig pagina’s dat, volgens de website van het Genootschap, verkrijg­baar zou zijn bij een ‘groot aantal boekwinkels in het land’, maar waarvan ze bij Athenaeum nog nooit hebben gehoord, er was een schrijfwedstrijd met maar liefst veertien deelnemers, een groeps­verkrachting van Multatuli’s bekendste werk, alias ‘experimentele uitgave’, met het toelatingsbeleid van Bevrijdingsdag­festival en een potpourri van uitgebraak­te woorden als resultaat.

2021 is het W.F. Hermansjaar. Geluk­kig heeft hij al die mooie straat naast de OBA. Ik verwacht niet veel van de feestelijkheden, maar de lage lat van het Multatuli-jaar wordt nog net ge­haald. Ik kijk met grote schrik vooruit naar 2045, als hij vijftig jaar dood is.

TD

Ons equivalent van rokjesdag is blotebuikendag. Waar die kut­kluivers zich opgeilen aan bleke benen die in allerijl met slash and burn in cultuur zijn gebracht, maar toch even vruchtbaar blij­ven als de Kalahariwoestijn, hoeven wij ons nergens zorgen om te maken. Als de trekvogels terugkeren van overwinteren, trekken mannen, zich niets aantrekkend van onze geile blikken, hun kleren uit en zo komen wij aan ons trekken. Het maakt dan ook niet uit hoe ze eruit zien. Coronakwabben die over de rand van z’n skinny jeans draperen? Lekker om vast te pakken als hij op zijn knieën voor je zit. Dad bod? Zeventienjarige knapen stromen zijn inbox binnen, azend op de lijfelijke geneugten die ze hun hele jeugd heb­ben gemist. Blokjesbuik? In Barry’s bukkakebar zou hij het middel­punt van alle aandacht zijn geweest, ware het niet dat de heropening misschien niet doorgaat, want de tent zit nu op zwart zaad. Gaan de knoopjes open, dan gaat bij ons de knop om. Het jachtseizoen is dit jaar echter geannuleerd.

Ik had met mijn vriend R. afgesproken om afgelopen zondag te wandelen in het Vondelpark. Een goede keuze, bleek al snel. Het aanbod was groter dan op een willekeurige wet market in China en de kans op overdrachtelijke ziektes ook, maar zittend op een bankje met een Mannenliefde in de hand met uitzicht op de hengstenheide was dit de enige ma­nier om als bankhanghomo nog iets van het weekend te maken. Samen met R. genoot ik van ons uitzicht. Voor de oe­feningen was het onnodig, maar de ont­blote honkhunks, die aan de dames toon­den dat tepels die lager hangen dan het middenrif een keuze is, werkten zich uit de naad met haken en elastieken waar­mee ze in club Church niet hadden mis­staan. De joggers in tanktop kwamen rechtstreeks uit de folder van Circuitfes­tival. Ik nam een slok, voelde mijn kruis opzwellen en legde hem links. De zon. De lente. Ik ben zondig, dacht ik. En dat voelt godverdomme goed.

Er viel een schaduw over me heen en mijn uitzicht werd geblokkeerd. Borrel met buikbaby en Blokkertassen. Sinds ze vorig jaar op het Boekenbal agressief de zaal uitbeende nadat ik wederom had uit­gelegd dat ik resistent was voor het va­ginavirus, had ik haar niet meer gezien. Ook niet gesproken. Ze was uit mijn le­ven verdwenen.

‘Wat heb je allemaal in die oranje bood­schappentassen zitten?’, vroeg R. toen hij naar de uitpuilende buidels keek. ‘Mijn oude slipjes met maanstonde­bloed, bezemstelen om ze aan te hangen, ballonnen, pannen. Je weet wel, de stan­daard demonstratiebenodigdheden.’ Ze had mij nog geen seconde aangekeken. ‘Alles wat een moeder nodig heeft om haar kroos te beschermen.’

Ze wreef over haar bolle buik met een maniakale grijns op haar gezicht. ‘Weet je nog dat ik van de zomer, na die lezing in de week van de Gay Pride, sprak over zelfbeminnen? Ik heb daarna een zes we­ken durende taoïsmecursus gedaan met zeven andere meiden in een opgeknapt klooster in Bhutan. Ik leerde al mijn cha­kra’s kennen door dagelijks negen uur te zoemen.’ ‘Was het een online cursus?’ Haar blik verraadde dat ik vooral mijn mond moest houden. ‘Mediteren, in con­tact komen met de kosmos, leren dat er meer is dan vleselijke lust en oppervlak­kig vermaak.’ Weer die priemende ogen, alsof ze die van mij met een passer uit wil­de steken. ‘Het heeft mij zó geïnspireerd, zó in aanraking gebracht met mijn diepere ik, ik voel dat ik op moet komen voor de gezondheid van mijn ongeborene.’

R. kuchte. ‘Dus jij gaat koffiedrinken op het Museumplein?’ ‘Nee, geen cafe­ïne voor mij, dat vertroebelt mijn inner­lijk oog, ik consumeer enkel nog pure producten die in het wild te vinden zijn: paddenstoelen en boomwortels en meer giften van Gaia.’ Ik nam een teug, bier smaakte nog nooit zo goed. ‘Ik kwam via een sjamaan in Thimpu in contact met andere vrouwen in deze stad die ook weer één willen worden met de natuur en met hen ga ik straks op die verdorven plek een bloedoffer brengen en moederkoek­jes eten. En natuurlijk op pannen slaan, om de kwade geesten weg te jagen.’ ‘Kan dat nog wel? Moederkoek bedoel ik. Na de negerzoen, zigeunerschnitzel, joden­koek…’ ‘Aan die patriarchale pikpraat van jou heb ik geen behoefte.’

Weer keek ze me met gefronste wenk­brauwen aan, de zwarte weduwe in haar klom omhoog. ‘Als queervrouw ben ik op zoek naar zuiverheid, eenheid. Terwijl jij,’ haar wipneusje ging de lucht in en ze inhaleerde de bloesemvolle lucht, ‘je li­chaam vergiftigt en bezoedelt.’ Voordat ik op haar onheuse bejegening kon rea­geren, greep R. in. ‘Daan, jij laat jezelf toch wel vaccineren? Ik hoor steeds va­ker verhalen van… laat ik het zo zeggen, hoogopgeleide en verstandige vrouwen die zo’n prik weigeren.’

‘En wat heeft mijn opleiding hiermee te maken?’ Ze wilde geen antwoord op die vraag. ‘Zoals ik al zei wil ik voor mijn kleine alleen natuurlijke producten, dus die chemische rotzooi komt niet mijn li­chaam in. Ze proberen je afhankelijk te maken, angst te zaaien, terwijl ik geloof dat mijn tempel een holistisch geheel is: alles staat met elkaar in verbinding en die circulatie moet je niet doorbreken. En zo is moeder natuur ook: ze reinigt zichzelf. Kijk om je heen: polio is toch ook ver­dwenen.’ Ik rommelde wat in mijn rug­zak, pakte mijn volgend speciaalbiertje. Vrouwen, ik zal ze nooit begrijpen.

Ze pakte haar actiezakken op. ‘Leuk je weer gesproken te hebben,’ zei ze tegen R. Ze negeerde mij en wandelde weg. Op de achterkant van haar T-shirt had ze een hart geschilderd: zelfbeminnen is de re­volutie, stond eromheen. ‘Weet je waar ik zin in heb?’ vroeg ik aan R. terwijl ik me uitrekte en naar de jongens met be­haarde bast keek die een frisbee over­gooiden. ‘Om weer eens goed volgespo­ten te worden. Zaad of AstraZeneca, dat maakt mij niet uit. Ik wil het allemaal. En eigenlijk nu. Spuit mij maar vol.’

TD

Dat het Nederlandse mediaveld een incestueus rattennest is wist u natuurlijk al. Afgelopen week werd dit nogmaals in uw gezicht gespuugd door de winstcijfers van DPG. 178 miljoen euro mocht de Vlaamse familie Van Thillo afgelopen jaar bijschrijven, mede mogelijk gemaakt door alle clickbait van de Onbetrouwbare Mannetjes in de Volkskrant, Holmans hetzes in Het Parool, Eus’ opgeboerde snackbarhap in Algemeen Dagblad en Euphemenico’s tweedagelijkse poging om de evolutionaire kloof tussen mens en gorilla te overbruggen in Trouw. Wilt u ontsnappen uit de klauwen van de Vlaamse leeuw? Kansloos. Mediahuis, de andere oligopolist met een hoofdkantoor aan de Schelde, bezit NRC en de Duklander Courant. Maakte in 2020 bijna 59 miljoen winst. En wat strijkt een freelancer bij deze kranten op? 14,5 cent per woord. En dat na een opslag van meer dan tien procent. Die Belgen mogen zich dan in 1830 hebben afgescheiden, de gierigheid hebben ze zich in minder dan 200 jaar goed eigen gemaakt.

Maar we moeten niet doen alsof al het kwaad bij Zundert het land binnenkomt. Het baantjes toeschuiven in letteren­land is endemisch. Neem Femke van der Laan: met haar column in Het Parool heeft ze meer geld opgehaald dan Eber­hard in zijn leven erdoorheen pafte. En wat is haar talent? Trouwen met een ter­minale vent. Dan is er ook het prinsesjeslegioen. Natascha van Weezel is op de bagagedrager van haar vader krantenkolommen binnengereden en verdedigt haar stellingen alsof het joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoe­ver zijn. Charlotte Remarque wandelde door de door huisgenoot Papa opgezet­te deuren de Volkskrantredactie binnen. Als Alma Mathijsen niet de dochter van Marita was geweest had u haar enkel ge­kend als de kassière van de Albert He­ijn op de Westerstraat die u, na meerde­re malen de muntjes op de toonbank te hebben gelegd, altijd te veel of te weinig wisselgeld geeft. En hoe Jessica Kuiten­brouwer – inderdaad, u kent haar van… – afgelopen zomer aan een dagelijkse column in de Amsterdamse middagkrant kwam blijft in het ongewisse, maar het helpt wel als je de dochter van mediage­rontocraat Jan Kuitenbrouwer bent.

En als u denkt dat ik een seksist ben en enkel vrouwen onder handen neem, wijs ik u op het platonisch partnerschap Joost de Vries en Philip Huff. Die laatste haalt zelfrespect uit de 23 pandapuntenzegels die hij in zijn open relatie bij elkaar heeft gesprokkeld. Joost schuift Philip op­drachten van De Groene toe om de arme jongen van de bedelstaf te redden. Om u in herinnering te brengen: Huff ontving € 15.000, – voor een boek dat niet gaat verschijnen. (Mocht u denken: dat weet ik al, dat klopt. U weet het, ik weet het, Huff weet het. Die laatste las het in zijn jongeschrijversappgroep. Hij snapte niet waarom ze hem, nou altijd hem, moes­ten hebben bij PC. Ik schrijf het punt van de onterechte letterensubsidie nogmaals op, want het zou zonde zijn als dit soort nieuwtjes uit het publieke geheugen ver­dwijnen. Trouwens Philip, waarom heb jij je Wikipediapagina aangepast? Om­dat daarop verwezen werd naar een ne­gatieve recensie? Omdat je, aldus Jopie in zijn nieuwste boek, ‘een bepaalde re­censent van Het Parool haat’? 19 maart 2021, 23:58. Het is beter om dronken uit de buurt van je smartphone te blijven!) En Joost, ach arme Joost, wil zich vooral intellectueel voelen, dus omringt hij zich met Flippie’s om de Tiger Woods van de midgetgolfbaan te zijn. En als het tegen­deel het geval is, als hij geconfronteerd wordt met een artikel dat hem niet be­valt, zoals een waarin zijn vriendin een ‘dom gansje’ wordt genoemd door een Europarlementariër en de auteur de­zes dat slechts opschrijft, verklaart hij de boodschapper tot persona non grata. Maar wel in stijl, dus achter zijn rug om.

(Ik wil het toch ook voor De Vries op­nemen, want om zo vaak te kakken wor­den gezet om je intellectuele impotentie – in dit blad, in NRC, eigenlijk overal waarvoor hij niet schrijft – is niet leuk. Altijd maar die verwijten van plagiaat of voorspelbaarheid. In De Groene van 24 februari kwam De Vries met een verras­send en nieuw inzicht: Chinezen die protesteren tegen de bezetting van Nepal. Misschien had ik deze daad van agres­sie tussen de kaalscheercampagne op de Oeigoeren en strijd om de benoeming van Panchen lama gemist, maar ik heb het gevoel dat De Vries minder hoog­dravende boeken moet lezen en in plaats daarvan beter Netflix kan opstarten. Ik kan die ene film met Brad Pitt van harte aanbevelen.)

Genoeg gekankerd. Er is één medium in Nederland dat opstaat tegen deze kringvingercapriolen: De Correspondent. Zij doet niet mee aan de waan van de dag, creëert geen ophef of lokt lezers met doortrapte reclameslogans. ‘Wij kijken niet naar het sensationele, maar naar het fundamentele,’ staat in het oprichtings­manifest. Stelling 9: ‘We stellen de jour­nalistiek altijd boven financieel gewin.’ Zo ziet u maar: De Correspondent is an­ders. Beter dan de rest.

Wie de stapel boeken die De Correspon­dent de laatste jaren op de markt heeft gedumpt bekijkt, ziet op iedere flap de een na de andere schrijver of journalist de loftrompet opsteken. ‘Thalia Verkade is er zo eentje die verder graaft waar an­deren ophouden, en uiteindelijk met de meest prachtige en vooral verrassende ontdekkingen en inzichten weer boven­komt,’ complimenteert Joris Luyendijk de schrijfster van Het recht van de snel­ste. Maar het is nogal wiedes dat Luyen­dijk het goed vond, want de Correspon­dentstukken waaruit het boek bestaat zijn onder zijn neus als editor-at-large bij het medium gepubliceerd. Ziet u het voor zich, een redacteur die een boek van een collega, al dan niet terecht, de grond inboort? Dat zou niet goed zijn voor de verkoop, dus gebeurt het niet.

Op dezelfde kaft pronkt, naast een af­beelding van een schildpad, een sticker met de tekst ‘Dit boek laat je anders kij­ken’ van reptiel Arjen van Veelen, die zelf ook op de loonlijst van De Corres­pondent staat. Van Veelens boek Ameri­kanen lopen niet – toevallig ook uitge­bracht door De Correspondent – werd ook met niets anders lovende blurbs uitgebracht. ‘Wat kan een witte Neder­lander mij over mijn geboorteland ver­tellen? Meer dan ik dacht.’ Clarice Gar­gard. ‘Een van de heerlijkste pennen van Nederland.’ David Van Reybrouck. En voor welk medium schreven deze twee? Inderdaad. En voor Jesse Frederiks nieuwste bij De Correspondent, Zo had­den we het niet bedoeld, is good old Luy­endijk weer afgestoft om als smeerolie in de verkoopmachine te dienen.

Steeds minder stoelen, maar meer men­sen die met het spel meedoen. En ieder­een buigt en is lief, rukt iedere dag alle dons uit een kussen om het in een andere anus te stoppen. Ik ben blij als ik weer naar Parijs kan, het schijnt aan de Ave­nue Niel goed toeven te zijn.

TD

De meeste stadsbewoners hebben geen tuin en, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, kiezen daar bewust voor. Geen gekloot met een grasmaaier met dieselmotor die de binnentuin laat ruiken als de Nigerdelta, niet op de knietjes om met een aardap­pelmesje de woekerende paardenbloemen tussen de antracietgrijze tegels uit te peuteren: minder buitenruimte zorgt voor meer rust. Het grootste voordeel van de urbane ophokplicht is dat je geen last hebt van ongedierte dat van perken houdt: ratten en wespen en ander krioelend gespuis. En mollen niet te vergeten. Voor deze tun­nelterroristen moet je klemmen zetten om ze uit te roeien, want als je te laat bent krijg je kurumutanten zoals Hans Moll.

Om te illustreren dat zijn bijziendheid hem al vanaf zijn geboorte parten speelt is het goed om te weten dat de naakte rat in 1947 of ’48 op Java werd gebo­ren. Of, zoals hij het zelf zegt, ‘Bata­via’. Wilt u weten waar dat ligt? Neem de KLM-vlucht naar Petrograd, stap dan op het vliegveld over op de trein richting Zweinstein, check uit bij station Duck­stad, pak buslijn 313 richting de Efte­ling, maar verlaat deze bij de halte tus­sen Fata Morgana en Droomvlucht, ren om het amfibievoertuig naar Danzig te halen, waarop u tijdens de overtocht kan genieten van het uitzicht op Carthago en Narnia, begin aan uw zeven weken du­rende wandeltocht naar El Dorado, be­klim de Simeliberg, wacht tot een arend u oppikt en die zal u, eindelijk, afzetten in Batavia. Het onderkruipsel verborg zich in zijn mollenbunker om de realiteit van de veranderende wereld niet te hoe­ven aanschouwen.

In zijn Propria Curesperiode ging het wat beter met Hans. Erik van Muiswin­kel leerde de spijtpinda andere liedjes dan Terang Bulan en Beatrijs Ritsema verborg de pot Inproba sambal brandal voordat Hans amok ging maken over de kookkunsten van de gastvrouw. Helaas bleek Moll Oost-Indisch doof voor de beschavingsboodschap die zijn mederedacteuren hem probeerde bij te bren­gen, gebrekkig leervermogen is gewoon de aard van het beestje. Moll ging na PC bij Folia werken, tegelijkertijd met Boudewijn Büch, een medefantast. Een redactie als proefdierlaboratorium met tropische hallucinanten, toen kon dat nog aan een universiteit. En als u denkt dat met het vergeten universiteitsvod de lat op de grond was gelegd en Moll dus niet lager kon zakken, dan vergeet u de aard van het beestje. Tegenwoordig pent Moll zijn tempoe doeloetirades voor On­gehoord Nederland, ThePostOnline, Ve­ren of Lood en De Blauwe Tijger. Inder­daad, gestichten voor gezonken geesten. En als het allemaal nog niet erg genoeg was voor Hans kreeg hij dankzij een zon­nesteek ook nog een Napoleoncomplex. Sommige mensen zit het gewoon niet mee.

De Federatie Indische Nederlanders is het meest tragische legioen van het Ne­derlandse verzet. Zeventig jaar na de on­afhankelijkheidsproclamatie bedachten enkele nazaten van NSB’er Van Heutsz om de wapens op te pakken tegen Soe­karno en Hatta, niet wetende dat de bles­suretijd al was afgelopen, het licht uit was en iedereen verder was gegaan met zijn leven. Zodra iets over de dekolonisa­tieoorlog wordt opgerakeld – de moord­partijen van Westerling, de brandende kampongs, de standrechtelijke execu­ties – springen de leden van FIN in de houding, staan ze subiet paraat. Alsof hun dat in het Maleisisch was bevolen. Meteen beginnen ze de opbrengsten van driehonderdvijftig jaar oranje-blanje-bleu in de archipel op te ratelen: onder­wijs, gezondheidszorg, infrastructuur. Ik moet ze op dit punt gelijk geven, die Birmaspoorlijn is een technisch hoog­standje dat enkel tot stand kon komen door hartstochtelijke toewijding van de bouwers. Nou klinkt FIN manhaftiger dan ze is, want met zes man op het Ma­lieveld, waarvan bij de helft de oogleden als een klamboe over de pupillen hangen en de fitste infanterist bijna 75 is, maak je geen indruk op een bevolking van bij­na 270 miljoen. En u voelt al aankomen wie voor de troepen uitkruipt. Inderdaad, majoor Moll, met een vaandel van het telaatgeborenenlegioen in zijn klauwen waarop trots hun motto staat: ‘Een an­dere generatie, een andere aanpak’. Juist.

FIN is een stichting én een vereniging met standplaats Amsterdam, zo zegt ze zelf. Daar staan in een garagebox de rol­lators van het Korps Bejaarde Troepen, al zullen ze daar niets aan hebben in de sawa’s van Sulawesi. Mollie is voorzit­ter van het stichtingsbestuur en bemoeit zich niet met die andere club. Daar zijn genoeg mensen voor, want deze kongsi’s behartigen de belangen van álle Indische – pardon ik bedoel Indonesische, benoe­men is belangrijk – Nederlanders. Waar­om beide broederschappen van Javajan­kers statutair op het huisadres van Hans in Duivendrecht staan ingeschreven is een raadsel. Behalve als je ziet dat de meeste bestuursleden meer dubbelfunc­ties bezitten dan een VVD-senator. Met een Twitteraccount met trollenleger is het makkelijk jezelf groter voordoen dan je bent. Hopelijk leert FIN dat dit geen goede tactiek is voor een veldslag in de offline wereld.

Maar waar houdt het naoorlogse verzet zich allemaal mee bezig? Eisen dat een disclaimer komt bij de film De Oost. Moll: ‘FIN vreest echter dat de film een onjuist en eenzijdig beeld geeft van de situatie in Nederlands-Indië. Een dis­claimer zou dit kunnen ondervangen.’ Wil bijziende Hans nou bij een fictiefilm een… trigger warning? Omdat het an­ders kwetsend is voor zijn niet-bestaande achterban? Zoals hij met zijn degradatie van Champions League naar Topklasse in stukjesland heeft laten zien, is Moll ook hier niet te beroerd om lager te gaan dan waarvoor we hem mogelijk hadden gehouden. Want wat deed hij nadat Het Parool een ingezonden brief had ge­plaatst waarin gerept werd over oorlogs­misdaden in Indonesië? Hij stapte naar de politie. Om aangifte te doen wegens aanzetten tot haat en discriminatie. Een oud-redacteur van PC. Op het bureau om anderen voor de rechter te dagen.

Dit brengt me bij Bol Kerrebijn, resident van rattenrustplaats Bronbeek en prote­gé van Moll. In David Van Reybroucks Revolusi komt hij aan het woord. ‘Fu­silleren, ik had er geen last van. Als er mensen moesten worden doodgescho­ten, na onderzoek of weet ik veel wat, zei de commandant: “Ik zoek een vrij­williger.” Anderen zeiden: “Ik doe het niet”, maar ik zei: “Oké als het moet.” Zo was ik grootgebracht op dat internaat in Sukabumi: sterk loyaal. Ik wou de eigen mensen niet belasten. Zo’n type ben ik: zo hard dat ik er niet mee zat. Ze kwa­men uit Banyuwangi, daar was de recht­spraak. Een hele colonne met gestraften. Op het emplacement hadden we een goe­derenwagon als gevangenis staan. Het gebeurde altijd ’s nachts. En dan ga ik niet vragen of hij veroordeeld is, daar heb ik geen interesse in, daar werd niet over gesproken. Ik heb nooit proble­men gehad met degenen die… ze deden me niks. Kennelijk beoordeelden ze me op de juiste manier. Hij wist op de een of andere wijze dat hij er niet onderuit kwam. De put was door andere gevangen gegraven. Wat moet ik tegen zo’n vent zeggen? Ik zie hem als misdadiger. Hij staat in de put. Ik vraag hem: “Moet je nog bidden? Ben je erg gelovig?” Oké. “En je kleding? Want als je dadelijk dood bent, die kleren die je aanhebt, die gaan naar die spion, hoor.” Zo praat ik met hem. Als een spion iemand aangeeft, is hij uit op eigen gewin. “Zonde om die kleren kapot te schieten,” zeg ik tegen die vent. Nou, dat begreep hij wel. Hemd uit. “Pak maar, neem maar.” Ik gebruik­te een Owen, 9 millimeter, een volauto­maat. Ik had er geen moeite mee, ik wou alleen maar uitvoeren. Nee, geen gena­deschot in de nek, gewoon een roffel tus­sen de ribben. We spraken er niet meer over. Het kwam niet in het verslag, ge­woon een summiere briefing. Een beetje laf, denk ik soms, maar ik stond op het laagste niveau van uitvoering, daar is geen discussie meer.’

Kerrebijn is niet de beul van Bergen-Bel­sen, noch de sadist van Sachsenhausen. Hij was een Nederlandse militair met na­zitrekken in de gordel van smaragd. Naar Neurenbergnormen een oorlogsmisdadi­ger. En voor het Tokiotribunaal had hij ook niet veel kans gemaakt. En hij was niet alleen, denk aan de SS’ers op Sula­wesi, Westerling met zijn kompanen. Ei­genlijk alle slachters onder het bevel van Simon Spoor (zijn de initialen toeval?) zouden het zwarte, met runen verfraai­de uniform in de oostelijke Lebensraum niet hebben misstaan.

Dus Hansje, beschimmelde pindakaas­vlek op het standbeeld van Poncke Prin­cen, wat ga je doen? Durf je het aan om je oude krant voor de rechter te dagen? Of kruip je, zoals het een mol betaamt, terug in het donkere hol waar je vandaan komt?

TD

D66 is de familie Van Oranje onder de politieke partijen. Ga maar na: ze hebben allebei kroonjuwelen om hun positie in de Hofstad te behouden, houden het land bijeen en doen alsof ze luisteren naar de mening van Henk en Ingrid, maar lachen ze daarna achter hun rug om uit. Samen zijn ze de maïzena van het huis van Thorbecke. Van zolderkamercommunisten tot PVV-pooiers, van Jan Roos tot Thijs Kleinpaste, van Esther Voet tot Abdelkader Benali, de partij van Van Mierlo weet een burgeroorlog in Nederland
te voorkomen door alle nijd naar zichzelf toe te trekken. Ze pacificeert de polder door als sadomasochist in een worstenbroodjekostuum voor de Jumbo te patrouilleren, tegenover elke verwijt van racisme te benadrukken dat kolonialisme mensen ook kansen heeft opgeleverd en Zoomers aan te spreken op de gebrekkige Wifi in de McDonald’s waarvandaan ze hun colleges proberen te volgen. Maar de belangrijkste overeenkomst tussen D66 en de Koninklijke familie is hun opvallend declaratiepatroon.

Dit keer hoefden we niet Jan Dijkgraaf op pad te sturen om de vuilniszakken van de Excellenties te bemachtigen. Na een knipoog naar de blonde secretaresse op het partijkantoor aan de Lange Houtstraat gingen de klappers open, Rob Jetten was na drie Chablis en een nudie van meeloper III bereid om al zijn collega’s te verraden en voor het diepere speurwerk ben ik onze betalende lezers zeer dankbaar, omdat zij mogelijk maakten dat ik op de Haagse Waldorpstraat, met bundeltjes flappen in mijn achterzak, de
duisterste facturen buit kon maken. Op de oude tippelzone leerde ik twee levenswijsheden: alles is te koop, en politici en sekswerkers naaien je altijd. En natuurlijk kan het helpen als in enkele Haagse torens oude studievrinden werken. Maar ik heb beloofd om daar niets over zeggen. Bij dezen.

Goed, bij wie te beginnen? Menno Snel, de prins Friso van de bewindslieden. Door een lawine bedolven en daardoor te vroeg heengegaan zelf een crisis te creëren. De oud-staatssecretaris van Financiën had waarschijnlijk nooit kopjes koffie op het vliegveld gedeclareerd, noch de jaarlijkse inleg bij zijn hockey- of tennisclub, de bijlesklasjes van zijn kinderen, hotelovernachtingen waar hij zijn minnaressen alle hoeken van het bed liet zien, de föhn die in Brussel vergeten was. Hij declareerde geen rooie cent. En waarom? Menno Snel was integer. Bewaakte de schatkist. Hij zag erop toe dat alle belasting die wij in de kroeg bij elkaar zopen goed terecht kwam, was de ultieme loyale dienaar van de Staat. Sinds Hugo Brandt Corstius Onno Ruding voor Eichmann uitmaakte getuigt het niet meer van authenticiteit om een regent de lijfspreuk Meine Ehre heißt Treu toe te schrijven. Maar voor Snel, die leiding gaf aan de Belastingdienst, maak ik graag een uitzondering. Hij gaf loyaal leiding aan een dodelijk efficiënt systeem en in zijn puriteinse visie was er geen ruimte voor onnodige luxe of levensgenot. Ook niet voor nodigheden, genot of leven. Maar dat terzijde.

Voor de Koninklijke familie zijn haar paleizen rustoorden waar vanuit ze de alledaagse drukte van vakantieplanningen, Nibud-trainingen en feestjes met andere aristocraten die de valbijl hebben vermeden, achter zich kunnen laten. En het favoriete optrekje van Willem is Paleis het Loo, het vorstelijk voorkomen dat wordt omringd door een Veluws natuurgebied waar hij gesubsidieerd zwijntjes afknalt. De bewindslieden van D66 hoeven de Haagse kaasstolp niet uit om hun sociëteit, waar ze zich laten fêteren door collega- politici, lobbyisten en journalisten, te bezoeken. Zij hebben daarvoor Nieuwspoort, de politieke huiskamer aan de Lange Poten. In een roemrucht verleden de doorzakplek na de nacht van Schmelzer, tegenwoordig een grand café met de ambiance van een uitvaartcentrum en de inrichting van een Van der Valk. De klandizie bestaat voornamelijk uit doden bij wie de zwiep van de zeis van magere Hein nog niet is doorgedrongen. Jos Heijmans krijgt aan de toog het gevoel dat hij nog leeft en Ton Elias kluift op voorspraak
van pluimveelobbyist Henny de Haan kippetjes met Kamerleden. Maar blijkbaar vertoeven enkele D66’ers er ook nog graag. Waar gewone stervelingen, studenten zoals u en ik, enkel onze pik kunnen aftrekken, hebben de leden van de kleurlooste partij van Nederland er geen moeite mee om de contributie van hun Haagse honk naar ons door te schuiven. Ingrid van Engelshoven, Wouter Koolmees, Kajsa Ollongren, Stientje van Veldhoven (wees gerust, u bent niet de enige die haar niet kent, verderop wordt ze geïntroduceerd), Alexandra van Huffelen (de enige heks die de tram verkiest boven de bezemsteel): de neus hebben ze over de jaren 2018-2020 € 934,12 lidmaatschapsgeld gedeclareerd. Met dit jaar erbij komt de som uit op €1272,92. Een kleine 300 piek per jaar. Dat dit prima uit het ministersalaris van € 170.910 betaald kan worden, gaat er bij deze excellenties niet in.

Nu kunt u denken: drie meier, waar zeik je over? U snuift dit iedere vrijdag in De Groene Vlinder op en stuurt de rekening naar uw kantoor: Allen & Overy, KPMG, Pels Rijcken, noem maar op. Het is onderdeel van uw tertiaire arbeidsvoorwaarden. Als student beschouw ik boeken als primaire behoefte voor mijn baan, maar die rekening kan ik niet naar DUO sturen. Daar komt bij dat als u voor de derde maal statistiek moet volgen en dat vak enkel in april en mei wordt aangeboden, u voor het gehele jaar collegegeld moet betalen. Dit soort bureaucratische regels gelden niet voor bovengenoemde bestuurders, wier kans om na de verkiezingen opnieuw tot het kabinet toe te treden even groot is als dat Geert Wilders de Sacharovprijs krijgt voor zijn inzet voor universele mensenrechten.
D66, de partij die preekt over principes als gelijkheid en gelijke kansen, laat zien dat iedereen in gelijke mate de kans heeft om kosten te declareren. Het scheelt wel als je je eigen bonnetjes kan goedkeuren.

Dat politici weten dat dit soort declaraties vooral voorkomen in een bananenrepubliek zien we ook doordat velen het niet doen. Sint-Snel, bijvoorbeeld, betaalde de toelage uit eigen zak, of was geen lid: in de nabijheid van mensen verkeren was niet zijn sterkste punt. Maar ook kleptocratie-expert Sigrid Kaag voelde er niets voor om haar contributie aan de soos uit de staatskas te trekken. Waarom? Geen idee. Principes kunnen het in ieder geval niet zijn geweest. Maar daarover later meer, het zoetst komt als laatst.

De belichaming van de stuivergraaimentaliteit in het Oranjehuis was natuurlijk prinses Christina. Tenminste, voordat ze gecremeerd werd. Tijdens haar leven bevrijdde ze zich zo snel mogelijk van iedere verplichting die hoort bij uit de kut van koningin kruipen, maar stond wel met haar bedelnap vooraan toen de mogelijkheid zich voordeed om via Noordeinde de fiscus te ontduiken. Verkankerd in ziel en lichaam besloot ze in terminale toestand nog een zeldzame Rubens te verkopen; die prenten zijn immer moeilijk ongezien over te dragen als een belastinginspecteur met zijn neus erbovenop staat. Stientje van Veldhoven is de Christina van het kabinet. Waar ze vandaan komt weet niemand, opeens was ze er gewoon. Blijkbaar had ze haar Kamercorvee succesvol afgerond en dus recht op promotie. Als staatssecretaris én minister van Milieu was zij onder andere verantwoordelijk voor fietsbeleid, circulaire economie en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Een door kernenergie aangedreven OV-fiets? En ik dacht dat Elon Musk soms overambitieus was met zijn transportrevolutie. Maar de bonnetjes, daar waren we. Stientje biedt waarschijnlijk haar AH-pannenzegels voor € 0,50 per stuk aan op Marktplaats en springt voor een aankomende trein als ze tussen de rails iets ziet glinsteren. Geen idee of het waar is, maar het zou me niets verbazen. Waar ik dit op baseer? Op het bonnetje waarop staat dat ze € 5,56 heeft uitgegeven bij de hippe koffiezaak Planeta Smaku in Katowice, Polen. Tijdens de Klimaattop in 2018 was Van Veldhoven vooral in de weer met brownies, worteltaart en macarons. Of de polen smelten maakte haar niet uit, zolang haar plak cake in de gesmolten chocolade werd gedompeld.

Als dit een enkele valse noot in haar gierigheidscredo was geweest dan zou er niet veel aan de hand zijn. Maar iedere keer dat Stientje op het wereldtoneel mag verschijnen, doet ze haar best om te voldoen aan de karikatuur van de Nederlandse krent. In New York bij de Verenigde Naties in 2018, waar ze eindelijk met de grote mensen mocht voetballen, heeft ze ook in de bedrijfskantine geluncht. Met een bruin plastic dienblad in haar handen stond ze in de rij voor de kassa. Vlak voor ze aan de buurt was stond ze voor de koelkast, waarbij haar hand twijfelend tussen de beker yoghurtdrink en eenpersoonspak melk heen en weer ging. Uiteindelijk werd het koffie, een pistoletje met zweetkaas en appelsap. Kosten? € 11,75. Greep ze met haar grijpgrage handen uit de staatskas. Helsinki 2019? € 11,30 voor koffie in café Finlandia. Beuzelaar Van Veldhoven laat haar persoonlijke assistent ordners met paperassen aanleggen om het futielste bedrag te kunnen declareren.

Stientjes motto is: wie het kleine niet declareert, is het grote niet weerd. En wie een groeiende moedervlek laat zitten, moet niet vreemd opkijken als hij straks terminaal is. Dus toen alle staatssecretarissen op Prinsjesdag 2020 niet fysiek aanwezig konden zijn bij de Troonrede, mochten de reservespelers van het kabinet een dag bij haar op bezoek. ‘Van Veldhoven heeft haar collega’s uitgenodigd bij het Museum Bescherming bevolking/ Bunkercomplex Overvoorde in Rijswijk voor een rondleiding. Samen gaan de bewindslieden daar lunchen en de troonrede kijken,’ stond in Algemeen Dagblad. Een dagje weg met collega’s, niet omdat het moet, maar omdat het leuk is. En wie mocht de rekening van € 438,- betalen? Exact. Dus terwijl de eigenaar van lokale kroeg tijdens de Troontrede te horen kreeg dat hij meer vet op de botten had moeten hebben, blijft Van Veldhoven dezelfde uitbater uitmelken. Had hij maar een ander beroep moeten uitkiezen;
politicus of zo.

Sinds het verscheiden van Bernhard is de rol van bad boy bij de Oranjes vacant. In de Trêveszaal wordt deze positie met verve vervuld door Ingrid van Engelshoven, overdag bekend als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar ’s nachts, als de grootste verleider van allemaal roept, verandert ze in minister van Feesten en Partijen. Ze struint alle borrels, concerten en optredens van het land af en doet zich daarop tegoed aan de glazen rood. Merlot bij voorkeur, want net als haar verre voorganger Halbe Zijlstra, ontbeert ze smaak. Zo toog ze ieder jaar naar Parijs om aanwezig te zijn op ‘Le Boekenbal’, maar moest daar de aanwezigen vertellen dat er dit jaar – helaas, ze kon er niets aan doen – wéér geen extra geld was voor de cultuursector. Een lovende speech kon er gelukkig wel van af. En daarna snel terug naar de wijn, om de volgende morgen, ondanks de halve strip aspirines, met zeulende hoofdpijn de Thalys terug naar Nederland te nemen. Ook Oerol en Noorderslag mochten zich met haar aanwezigheid verblijden,
waarbij Van Engelshoven, nadat ze helaas moest vertellen dat Noorderslag het voortaan zonder subsidie moet doen (‘Er is gewoon geen geld meer,’ verzuchtte ze voordat ze een bierdouche kreeg), tot in de late uurtjes op de dansvloer of in de buurt van de bar te vinden was, waarna ze zwalkend en uitgeput een vergoed hotelbed opzocht.

Net zoals studenten houdt de minister van Hoger Onderwijs van uitslapen. Het enige verschil is dat velen om fysiek college te kunnen volgen vroeg uit bed moeten, omdat een kamer in de binnenstad onbetaalbaar is. Ingrid van Engelshoven heeft daar gelukkig geen last van: zij boekt gewoon een hotelletje in de buurt. Want voor half tien ’s ochtends in Amsterdam aanwezig zijn is ondragelijk voor een inwoner van Den Haag. Dan moet je om, eens zien, acht uur de deur uit! Dat vindt Ingrid zielig voor haar persoonlijke chauffeur. Dus toen ze bij het Topontbijt in The College Hotel aan de Roelof Hartstraat op Internationale Vrouwendag in 2019 aanwezig wilde zijn, móest ze wel daar overnachten, ze had haar schoonheidsslaapje nodig, al kostte het € 174,53. Niet voor haar, uiteraard. Ik hoop dat ze wat heeft opgestoken van Henk Otten en Jort Kelder die haar tussen de croissants en de verse jus door het belang van vrouwen aan de top uitlegden.

Het is best te begrijpen dat, als de minister op maandagmorgen in Vlissingen moet zijn, ze de avond ervoor afreist en een nacht blijft tukken. Maastricht, ook prima te begrijpen. West-Friesland, net boven Amsterdam, is een ander verhaal. Op zondag 6 oktober 2019 bezocht Ingrid de vier uur durende opera Così Fan Tutte in onze stad. Dodelijk vermoeiend, dat begrijp ik, maar gelukkig was het om 18:00 afgelopen. Snel de klaarstaande BMW in en misschien was ze thuis voordat Tom Egberts de eerste aftrap aankondigde. Maar ze wilde nog één glas van die voortreffelijke Franse Merlot die ze in de Stopera hebben. En nog één. Eéntje, toe, alsjeblieft. Gelukkig kon ze voor € 136,- in haar vertrouwde suite in The College Hotel haar roes uitslapen en was ze de volgende dag brak, maar op tijd aanwezig in Wognum. Hoe ze het best haar kater kan verbergen heeft ze
geleerd van Mediavrouw, het communicatiebureau dat ze in het begin van haar ministerschap in de arm nam. ‘De functie maakt jou niet, maar jij maakt wel de functie,’ is het motto van het bedrijf. Voor € 925,- kreeg ze mediatraining en leerde ze dat de keuze voor een vrouw in een toppositie draait om kwaliteit, niet om geslacht. Tijd dat iemand haar gaat vertellen dat zij de uitzondering is.

Kajsa Ollongren en Wouter Koolmees zijn de neef en nicht van het staatshoofd die op Koningsdag meelopen in de parade, maar waarvan de toeschouwers geen idee hebben hoe ze normaliter de dag doorkomen. Waarschijnlijk met iets hips of technisch: ze zijn blokchainmanager of huisjesmelker, misschien ambassadeur van een NGO die in Togo aan 60 kindertjes in een klaslokaal zonder verlichting of boeken vertelt dat ze hun best moeten doen en dat ze dan alles kunnen worden. Deze paradox is wat D66 zo’n unieke partij maakt. Zo schafte jonkvrouw Ollongren, voorstander van directe democratie en meer betrokkenheid van burgers in de politiek, het raadgevend referendum af. In haar declaratiegedrag komt dit patroon ook terug. Iedere keer als deze klimaatbewuste minister het vliegtuig pakt, vraagt ze ook de VIP-service op het vliegveld aan. Een echte democraat blijft natuurlijk uit de buurt van het gepeupel. Kosten per keer? Ruim € 300,-. Tegelijkertijd heeft ze ook een abonnement op Privium waarmee ze op Schiphol de incheckrij mag overslaan. Precies, net zoals in Disneyland. Daarvoor declareert Ollongren € 260,-. Alsof je met een Tesla van de zaak ook nog de benzinerekening naar je baas stuurt.

Deze discrepantie, tussen iedereen tolereren zolang je als D66’er niet met andersdenkenden hoeft om te gaan, zien we ook terug bij Koolmees. Als minister van Integratie bezocht hij in juni 2018 VluchtelingenWerk in Utrecht en aansluitend een sociale top bij het Syrisch restaurant Syr. (Even serieus, een sociale top? Is dat een homo die spuugt voordat hij ‘m erin ramt?) Zo liet Koolmees voor de bühne zien dat hij écht betrokken is bij het welkom laten voelen van vluchtelingen. Vooral het veinzen van empathie is belangrijk, want reële betrokkenheid is niet de bedoeling. Hoe ging het eraan
toe in Syr? Schoof Koolmees zijn shakshuka op het bord van de buren? Vouwde hij falafel op in z’n servet en dumpte het in de wc? Geen idee. De rekening van € 851,14 bij Jools Meat and Eat, ‘cateringservice met passie’ (barf) op dezelfde dag als het restaurantbezoek suggereert dat Ottolenghi de enige levantijn is die hij zijn eten toevertrouwt. Maar zijn imago van sympathieke vent die geeft om Syriërs heeft Koolmees met een foto in de toko toch mooi weten te creëren.

Blijft over Koningin Kaag, de vorstin van D66. Ze staat in een aardig rijtje: Anna Paulowna, Maxima Zorreguieta, allemaal uit verre oorden geïmporteerd om het voortbestaan van de bloedlijn te garanderen. Het enige nadeel van de import is dat de dames dezelfde heerlijkheden verwachtten als in hun thuisland. De Kaagmeister heeft het voor elkaar gekregen om in de twee jaar dat ze als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de wereld overvloog voor ruim achtentwintigduizend euro aan VIP-services op allerhande vliegvelden te declareren. Het enige voordeel van corona: het heeft een modaal halfjaarsalaris gescheeld aan dit soort rekeningen. Overal wilde ze een koelie die haar handtas droeg, de koninklijke aankomst- en vertrekloge waar ze niet gestoord zou worden door het plebs, drie chocolaatjes (allemaal wit) op haar luxueuze stoel en een fles San Pellegrino extraordinaire ernaast. En dat niet enkel voor intercontinentale vluchten, ook op haar vluchten naar Parijs, Bremen, Krakau, Dublin, Wenen, Geneve en Zurich wilde ze de rust waar ze meende recht op te hebben. Want een half uur met Mark, Maarten of Mohammed voor de incheckbalie staan, daar is deze diplomate wier blauw bloed door d’aderen vloeit te goed voor.

Veel van het bovenstaande is een kwestie van moraal of principes, een clusterbom waarmee je een leeg merk als D66 schade kan berokkenen. De partij moet bij een splitsing kiezen tussen hooggestemde idealen en de modderige praktijk, waarna ze besluiteloos het ravijn inrijdt. Eigen belang voorop stellen en schijt hebben aan de kiezers is hufterig en onfatsoenlijk, precies de idealen waarvoor Van Mierlo de politiek inging. Maar het is pas echt smullen zodra de Haagse mores worden overtreden. En dan heb ik het niet over de IPhone-oplader die Kaag in Yangon kocht voor 42 dollar, een gevalletje zonnebril van Wouter Bos: een brommende vlieg, irritant maar niet meer dan dat. Om Sigrid Kaag op weg te helpen naar het Torentje moest ze van haar snobstatus afkomen, in de markt gezet worden. En het is daar waar bureau Speak to Inspire om de hoek kwam kijken. Bij dit Amsterdamse communicatiebedrijf volgde Kaag in de lente van 2020 een driedaagse presentatiecoaching met lessen als ‘Speech in a Day’, ‘Inspirerend presenteren’, ‘Storytelling’ en ‘Presenteren als een TEDtalk’. Alles om haar als een authentieke en gewone politica neer te zetten. Kosten: € 4407,28. Gedeclareerd bij het ministerie. En daar gaat de sneaker wringen.

‘Voor enkele uitgaven – voornamelijk in de persoonlijke representatieve sfeer – geldt dat zij geheel voor rekening van de bewindspersoon komen,’ zo staat in het Handboek voor bewindspersonen. ‘Hieronder vallen bijvoorbeeld de huur en aanschaf van extra kleding (bijvoorbeeld voor Prinsjesdag), uitgaven voor persoonlijke verzorging, kleine ontvangsten thuis en partijgerelateerde activiteiten.’ Is mediatraining voor de lijsttrekker
een partijgerelateerde activiteit? Daan Bonenkamp, hoofdvoorlichter van D66, heeft daar wel een mening over. ‘Wij hebben geen D66-campagnemedewerkers op het ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. Het ministerie is van en voor ambtenaren,’ zei hij verontwaardigd toen CDA-lijsttrekker Hoekstra een campagnemedewerker een ministerie-ausweis had gegeven. Waarom zou je immers toegang moeten hebben, als je ook de rekeningen kan mailen?

De spindokters van Kaag zullen dit gaan bagatelliseren en vertellen dat het écht nodig was voor haar ministerschap en benadrukken dat Kaag de cursus volgde voordat ze aankondigde om lijsttrekker te worden. Geloofwaardig is het niet, maar oké, voor deze keer krijgen ze het voordeel van de twijfel. De jongens met een strippenkaart van de Ace & Tate juichen, handenklappen. Ze vergeten enkel de Kaagblockbuster van de NPO waarin ze spelen. Daarin vertelde Kaag zelf dat ze vorig jaar februari, precies de week voordat haar lessen bij Speak to Inspire begonnen, erover nadacht om lijsttrekker te worden. Ze heeft zelf haar hoofd op het hakblok gelegd, het was slechts wachten totdat iemand het vonnis zou vinden.

‘Het lijdt geen twijfel, dat ik zeer slecht ben,’ schreef Reve in Een Circusjongen. D66 daarentegen is de partij van optimisme, integriteit en geloof in menselijke rechtvaardigheid. Misschien wilde u zelfs Kaag uw stem gunnen, ongeacht de vluchtelingen die in Moria creperen of ons land overspoelen, belastingen die te hoog of te laag zijn, de bijstandsuitkering die te ruimhartig of te karig is, klimaatverandering die te snel of te langzaam gaat, privacyinbreuk die te ver of niet ver genoeg gaat. U had een door nuance verdampte mening, bonafide en solide. D66 als Volvo van de politiek. Blijkt die tweedehands autohandelaar u toch te hebben opgelicht.

TD

Kan u de geëvolueerde versies van Charmander, Bulbasaur en Squirtle uit uw hoofd opdreunen? Weet u wat bonkers zijn en hoeveel kleintjes één bonker waard is? Gefeliciteerd. De kans is groot dat wij in dezelfde jaren rondom een stoeptegel op het schoolplein hurkten om glazen balletjes in het gat te wippen; wij kunnen samen hebben geknikkerd. En dat geeft u het privilege om mij bij mijn voornaam aan te spreken, mij te tutoyeren – teuntoyeren, zo u wilt.

Als PC een blad van onze oosterburen was geweest had dit niet gekund. En dat komt niet doordat satire en humor even zeldzaam zijn als een Duitse weigerambtenaar. In de Bondsrepubliek houden ze van respect, gezag en orde, daarom spreken ze daar van Herr Doktor, Herr SS-Obersturmfüher en Herr Professor. Het is allemaal rigide en star en biedt geen ruimte voor maatwerk, dus ik vind mijn knikkernorm beter.

Ronit Palache heeft niet met Renate Rubinstein geknikkerd. Het is daarom verwonderlijk dat ze in de inleiding van Bange mensen stellen geen vragen Rubinstein steeds Renate noemt. (Waar ik verwonderlijk zei bedoel ik achterlijk, stop de tijd.) Dit soort pre-puberale jovialiteit moet Palache maar bewaren voor haar kleuterjuf. (Even terzijde: wat een kankerkleuterjuf moet zij hebben gehad. In een interview met Jannetje Koelewijn zegt Palache dat ze de eerste zin van Niets te verliezen en toch bang práchtig vindt. Komt de eerste zin: ‘Maandag. Kloten. Man weg. Koffers gepakt. Verdwenen. Moest nog wel even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest.’ Die rekentoets op de Pabo stelt inderdaad niet veel voor.)

Als ik een cultuurpessimist was geweest, een Burkerukker, had ik dit biggetjesgedrag verklaard door te wijzen op de wagenwijd openstaande deuren van de hedendaagse universiteit en te stellen dat Herr Professor studenten geen mores meer leert. Maar Palache heeft gelukkig nog nooit een universiteit van binnen gezien, dus daar kan het niet aan liggen. Nul studiepunten behaald aan een academie, maar ze heeft wel een promotieplek aan de Universiteit van Amsterdam gekregen. Na een ‘geleerd gesprek’ met Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws. Noemen ze de creditcard van papa tegenwoordig zo? Je zal maar één van de zeshonderd (ik herhaal: zeshonderd) sollicitanten zijn geweest aan de Faculteit der Geesteswetenschappen die smeekten om één van de vijf promotieplekken. Met in je ene hand het diploma van je dubbele onderzoeksmaster cum laude en in de andere een algemene afwijzingsbrief. En een huppelkut haalt haar talenten uit haar bh en mag de rij overslaan.

Wat er tijdens een ‘geleerd gesprek’ is besproken blijft binnenskamers, dus ik grijp naar de publieke middelen om de hersenkronkels van Palache te doorgronden. Twee inleidingen van bloemlezingen, een van Ischa Meijer en een van Rubinstein, dat is wat op haar palmares staat. En slaat het ergens op? Ik bladerde door de inleiding, zag veel jaartallen, namen en ander Wikipediamateriaal. Maar het is oneerlijk om haar hier op af te rekenen. Op pagina veertien begon ik te lezen. Serieus lezen. De eerste zin verbaasde me, een beetje. Misschien ben ik gewoon wat te naïef voor deze wereld. Wat was er aan de hand? Palache schrijft dat Rubinstein, excuses ‘Renate’, zich inschreef ‘voor de studie PSF’. PSF? Wat is dat? Gelukkig wordt de zin begeleid door een asterisk, onderaan de pagina staat: ‘De Politiek-Sociale Faculteit (PSF), later Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) en thans Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen.’ Even voor de volledigheid: de aanhalingstekens in de vorige zin komen van mijn hand, in het boek zijn ze niet te vinden. Wat dat betekent voelt u misschien wel aankomen.

Goed. Wat valt op aan deze zin? Misschien had de auteur aan een universiteit kunnen leren dat een faculteit geen studie is. Je schrijft je in aan een faculteit of voor een studie. Beste Ronit, een contaminatie heet dat. Moeilijk woord, ik begrijp het, maar onthoud het, want het kan je later nog van pas komen. (Ik weet dat ik je niet mag tutoyeren, maar soms ben ik een stoute jongen.) Op het woord ‘thans’ kom ik zo terug. Want een zin kan nog zo veel opsmuk bevatten om een beetje goed voor de dag te komen, hij is vergelijkbaar met het gezicht van Palache: als je de aangebrachte tierelantijntjes er afschraapt blijft er weinig over. Die Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen klinkt als een faculteit waar mijn studie (politicologie) onder zou vallen. Dat deed hij ook, tot begin deze eeuw. Sindsdien is het de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Begrijp me niet verkeerd, hoe het vroeger was lijkt mij veel leuker: geen psychologen en andere neuronazi’s, dat moest een feest zijn. Hoe komt Palache dan aan het woord ‘thans’, een ouderwetse edoch opvallende formulering; een woord dat enkel bejaarden gebruiken. En dat klopt ook, want Joop Ellemers was al 67 of 68 toen hij deze frase woord voor woord als openingszin in een bijdrage in de Sociologische Gids in 1998 schreef. Slechts één willekeurige zin van de inleiding gelezen en die is jatwerk. In Mattheüs 7:7 staat ‘zoekt en gij zult vinden’. Zoek niet en u krijgt de misbaksels van Ronit.

Voor het letterlijk overnemen van andermans werk zonder bronvermelding bestaat een woord. U kent het, want u studeert of hebt gestudeerd en weet dat knip-en-plakwerk niet de academische maatstaf is. Ik ken het: ik heb bijna 500 studiepunten verzameld aan deze en gene universiteit en in iedere studiehandleiding van een vak staat dat het niet de bedoeling is om andermans stukken te kopiëren. Mijn studenten kennen het, want als zij dit in hun werkstukken doen, stuur ik ze naar de examencommissie die ze zal berispen voor fraude en mogelijk van de universiteit verwijderen. Palache heeft echter nog nooit van plagiaat gehoord, maar dat kan ik haar ook niet kwalijk nemen, ze heeft immers niet gestudeerd: zij hult zich in een doorschijnende mantel van onwetendheid, het perfecte kledingstuk om domheid publiekelijk mee te verbergen. En zo zien we dat Shylocks pond vlees gelijk over haar beide side boobs is verdeeld. Misschien moet professor Zwiep even nadenken of de prijs van dertig zilverlingen voor een promotieplek niet te laag was nu ze daarvoor een handelaar in andermans werk heeft binnengehaald. Voor een informatief gesprek kan ze Jan Six bellen.

TD

De effecten van inteelt zijn fysiologisch zichtbaar. Hoewel zijn Korsakovkop wel voort kan komen uit een met drank overladen interfamilaire wippartij, is Willem-Alexander geen Habsburger. Hij mist zo’n centenbakkie onder zijn bakkes. Sinds kort is er ook een Leids ledemaat, dat is ontstaan na jarenlange endogamie in het Kamerling Onnes Gebouw: de Cliteurklit. Dit hypersensitieve genotsknobbeltje bestaat niet enkel bij de feminiene soort; mannelijke eunuchen die zich in de kringen van de sekteleider begeven bezitten haar ook. De kittelaar zwelt op zodra de mogelijkheid tot een discussie over het deporteren van mohammedanen, Roma, joden, Sinti, homoseksuelen, Arabieren, parlementariërs, Inuit, cultuurmarxisten, Afrikanen, journalisten, Chris Aalberts (valt in meerdere categorieën, maar verdient een eervolle vermelding), gehandicapten of andere groepen die per ongeluk het beleid van ontmenselijking, opsluiting en deportatie bezitters zijn ontlopen, zich aandient. En mocht dit naar de mening van de bezitter te lang duren, als er een minuut of vijf niet is getweet over hoe laat de treinen gaan rijden, dan draaien ze zelf maar aan de knoppen. Alles om de zuivering van de boreale broederschap met deutsche Pünktlichkeit te voltooien.            

Ik begin dit stuk met een belofte. De naam Baudet zal u hier, buiten deze zin, niet aantreffen. Na de afgelopen we­ken willen we niets meer over die derde­rangs Razzie-winnende dilettant horen. Maar het waren wel dagen waarin ie­dere journaaluitzending mij liet huilen. Een dementerende KiKa-clown met uit­gezaaide botkanker geeft op één avond betere duiding dan Arjan Noorlander in zijn hele leven heeft gedaan. De gehele goegemeente van stukjestikkers en plof­kapdragers waande zich op het Neuren­berg-tribunaal: jarenlang actief meege­daan aan de adoratie van een spijtknor die qua infantiliteit en aandachtsgeil­heid enkel Gordon voor moet laten gaan, maar zodra de dag des oordeels aanbrak spontaan geheugenverlies hebben. Ja­renlang ging het volgens hetzelfde lied­je – het Geuzenlied, welteverstaan: wat zou hij hebben bedoeld toen hij zei dat hij ‘Europa dominant blank wilde hou­den’? Lelieblank? Roomblank? Geen idee, maar daar gingen de onderzoeks­journalisten uitgebreid over soebatten in de kantine van Nieuwspoort tijdens een dinertje. Met blanke vla toe.      

Maar ik ben de slechtste niet. Beste jour­nalisten van Nederland, ik doe het u één keer voor. Net zoals Romario bij PSV heb ik geen zin om steeds te moeten ver­dedigen, ik sta in het veld om doelpunten te maken. Omdat het journalistenrapaille meer laat passeren dan de verdediging van VVV-Venlo zal ik naar het voorbeeld van Marco Materazzi eenmaal laten zien hoe je met gestrekt been de bal én de man tegelijk pakt.   

Tijdens mijn mislukte snuffelstage onder de vleugels van Eric Smit (als vegeta­riër is het moeilijk leven te midden van kannibalen) heb ik van de grote meester één ding geleerd: follow the money. ‘Wie betaalt bepaalt’, zoals Ted van Leeuwen voor de camera’s van PowNews uitlegde. Of in de woorden van Ava Addams, mijn favoriete pornoster: ‘It’s not about the dress, but what’s underneath the dress.’ Het WOB-verzoek met de bonnetjes en facturen van de Leidse rechtenfaculteit liet even op zich wachten, maar het was de maanden duimendraaien waard.

Herinnert u zich de ronkende kop ‘Ach­ter islamisering zit een plan’? Het is al­weer een kleine vier jaar geleden dat de nazijournalist met duckface voor het Algemeen Dagblad Machteld Zee in­terviewde. Zij was op dat moment de nieuwste Cliteurkloon, een voorma­lige “linkse” vrouw (want ze stemde ooit D66, de partij die uit de stemwijzer komt nadat je op dertig stellingen hebt gereageerd met ‘geen mening’) die nu het licht had gezien over de islam. Een bekeerling – Paulus op weg naar Lei­den – die na twee dagen in een sharia­rechtbank te hebben rondgehangen rond­trompetterde dat de Arabieren ons onder de voet zouden lopen. Allemaal dankzij een al aanwezige vijfde colonne. En het allerergste was natuurlijk dat alle me­dia angstvallig om het onderwerp islam heenliepen. Nooit werd er geschreven over kopvoddentaks of de Mohammed­cartoons, Wilders bestond blijkbaar nog niet. En dat allemaal dankzij de zichzelf hatende mainstreammedia. Of zoiets. Alle journalisten, van Hassan Bahara in de Volkskrant tot Nikki Sterkenburg in Elsevier tot Rudy Bouma in Nieuwsuur, hingen aan haar lippen om haar Proto­collen van de Wijzen van Mekka als een fanatieke jongeling tot zich te nemen. Binnen haar vakgebied werd Zee echter uitgelachen omdat ze het niveau van de ballenbak nog niet was ontstegen. Maar die criticasters werden snel de mond ge­snoerd, want de feiten mogen dat wel zo zijn dat Zee nog minder dagen aan haar proefschrift werkte dan een parttime-werkende vrouw met zwangerschapsver­lof, dat betekende nog niet dat ze geen gelijk had. Want moslims! Islam! Zand­bak! Vrijheid van meningsuiting is een groot goed, maar je mag niemand uit Leiden ermee confronteren.           

En dat terwijl er toch zeker ruimte was voor een gezonde argwaan. Want wat was dat voor ’n organisatie, die Stichting Agnosticisme en Meritocratie die haar proefschrift had gefinancierd? Niemand, maar dan ook niemand, stelde de vraag. Echt niemand? Nou, oké, één persoon. Ere wie ere toekomt. Peter Breedveld en de commentaarsectie van Frontaal Naakt deden in 2015 al datgene waarvoor ie­dere journalist betaald wordt: onderzoek. Want dan had iedereen in het land gewe­ten dat Zee betaald werd door niemand minder dan Peter Visser, een man van 270 miljoen, als we de laatste lijst van Sander Schimmelpennick mogen gelo­ven. Bij de meeste lezers zal de naam van deze mediaschuwe man geen belle­tje doen rinkelen, maar zegt Egeria pri­vate equity u iets? Het sprinkhanenfonds dat het nodig vond om, als eigenaar van NRC Media, zichzelf in 2012 een divi­dend uit te keren van € 12,5 miljoen bij een winst van 4,7? Als deze man ge­schenken brengt, moet u zeker wantrou­wend zijn.           

En dat blijkt ook wel uit het contract dat de stichting A&M met de Universiteit Leiden heeft afgesloten. Al kan men niet zeggen dat Visser gierig is. € 342.966,- voor een promotietraject van vier jaar is een redelijke boterham. Maar de rest van de overeenkomst is even flexibel als een leasecontract bij Wehkamp. Twee pun­ten uit het contract springen in het oog. Allereerst: ‘Na afronding van het on­derzoek heeft de stichting het recht om, bij voorkeur in samenwerking met de promovendus en/of promotor en copro­motor, de resultaten van het onderzoek toegankelijk te maken voor een breder publiek, middels een aparte (boek)pu­blicatie. De stichting heeft recht op 50% van de eventuele royalty’s die hieruit voortvloeien.’ Visser hengelt hier een mooie return on investment binnen. Ten tweede: ‘In alle publicaties die uit dit on­derzoek voortvloeien, zal melding wor­den gemaakt dat het onderzoek met een subsidie van de stichting tot stand is ge­komen.’ Om Van Leeuwen nog eens aan te halen: wie betaalt, bepaalt. Zo is het bij Vitesse en zo is het in Leiden. En het is best netjes om bij onderzoek op be­stelling de aanvrager te noemen. Ook al blijft dat slechts bij afspraken.         

Het proefschrift van Zee is tweemaal als boek verschenen, eenmaal in het Engels bij Eleven International Publishing in Den Haag met als titel Choosing Sha­ria? en ook nog als pamfletterig aftreksel bij het gerenommeerde Querido in onze stad. Vooral bij de uitgeverij op de We­teringschans deden ze weinig moeite om het hijgerige hetsetoonje onder controle te houden. ‘Of zijn we al op weg naar een shariastaat?’ staat er op de achterflap. Over tweehonderd meter bij Zeewolde rechtsaf en dan heeft u uw eindbestem­ming, Allahs winkelparadijs, bereikt. En Heilige identiteiten wordt op die plek aangeprezen door Afshin Ellian en Paul Cliteur. Waar de leerling verschijnt, ver­schijnt de meester.            

Maar denkt u dat in beide boeken iets staat over Stichting Agnosticisme en Meritocratie, zoals contractueel is afge­sproken? Niets. Noppes. Nada. Niente. Wat laks van zo’n uitgeverij, kan u den­ken, maar dan moesten ze er wel van we­ten. En Eleven, een onderdeel van uitge­verij Boom, wist van niets. Zee had de uitgeverij niets verteld, ook al was ze dat contractueel verplicht. Dat het geld van de verkoop van haar boeken naar een derde partij vloeide wist Eleven niet. Dat de derde partij in haar statuten bij de Ka­mer van Koophandel heeft opgegeven dat ze een stichting is die expliciet ide­ële doelen nastreeft, wist ze niet. Selma Hoedt, Zee’s redacteur bij Eleven, vindt ‘dat het gemeld moet worden in een pu­blicatie als het extern gefinancierd on­derzoek is’. Maar dan moet een uitgever dat wel weten. Het is fijn om je auteurs te kunnen vertrouwen.    

De situatie bij Eleven was erg, maar ge­lukkig weet Patricia de Groot van Que­rido het nog bonter te maken. Meerdere malen belde ik haar en sprak haar voice­mail in, ik mailde, alles met de medede­ling dat ik enkele vragen had over het boek van Zee. Radiostilte. Ik gooide het laatste middel in de strijd: ik verzocht de vriendelijke perswoordvoerder aan haar door te geven dat ik op zoek was naar De Groot en dat ik het gevoel had dat ze mij ontweek. De goedaardigheid zelve Kasper Bockweg zei dat hij haar niet kon dwingen om met mij te praten, maar ‘dat hij het wel zou doorgeven’. Waarna wij binnen één uur een bitsige mail van Pa­tricia ontvingen met de vraag wie van de redactie met haar over Heilige iden­titeiten van Machteld Zee wilde praten. Verheugd mailde ik terug dat ik blij was dat mijn berichten van de maand ervoor binnen waren gekomen: ik had de naam van Zee noch de titel van het boek aan Bockweg verteld.       

Ik legde haar dezelfde vragen voor: wist ze van die stichting A&M, hoezo staat dit niet in het boek, wist ze van de ro­yalty’s die moesten worden doorbetaald? Gelukkig voor mij was koningin De Groot, hoeder van schrijvers als Uphoff, Lieske en Roosenboom, in een gulle bui en blafte ze me toe dat ze het te druk heeft om met dit soort kinderachtige vra­gen lastig gevallen te worden. ‘Ook heb ik geen bemoeienis gehad met het proef­schrift: Heilige identiteiten is immers geen handelseditie van het proefschrift.’ Ik vind het bijzonder dat een vrouw als Patricia de Groot redacteur kán zijn bij zo’n uitgeverij. Een van de basale voor­waarden om daar te werken is – lijkt mij – dat je kunt lezen. Niet al te onredelijk, toch? Nou, speciaal voor Patricia komt ‘ie nog een keer: ‘Dit boek is gebaseerd op mijn proefschrift… enz.’ Pagina 165. In het boek dat ze zelf heeft geredigeerd. En daarnaast staat in het contract tussen de stichting en de Universiteit Leiden dat in ‘alle publicaties die uit dit onder­zoek voortvloeien’ melding zal worden gemaakt dat de stichting van Peter Vis­ser de financier was van het onderzoek. Zelfs na het tonen van de documenten zegt De Groot dat ze van niets weet. Ich habe es nicht gewußt. Emanuel Que­rido zou zich omdraaien in zijn graf als hij ziet dat de hedendaagse oproepen tot razzia’s en pogroms uit zijn uitgeverij komen. Gelukkig voor Patricia de Groot heeft hij Sobibor via de schoorsteen ver­laten.   

Nou, dit is onderzoeksjournalistiek die bijna vijf jaar op de plank is blijven lig­gen. Niemand – bijna niemand – inte­resseerde zich voor een dubieus proef­schriftje dat was gefinancierd door een vage stichting. En de uitgeverijen? Die konden goed scoren met rellerige pam­fletjes met ronkende teksten op de ach­terflap. Patricia de Groot ging over lijken om de open haard te laten stoken. En nu wast ze haar handen in onschuld en pro­beert de 4 mei-lezing van Grunberg aan iedere boekhandel te slijten. Voor Joden, tegen moslims, het verkoopt en dat is waar het om gaat. Maar gelukkig voor haar was zij niet de enige wegkijker toen de bruine boodschap aan de man werd gebracht.           

Op het adres Sarphatikade 12, het kan­toor van Egeria en dus het kantoor van Peter Visser, staan 109 rechtspersonen ingeschreven: bv’s, nv’s, stichtingen, etc. Maar één trok mijn bijzondere aan­dacht. Stichting Werkelijkheid in Per­spectief. Tegenwoordig zijn we dankzij VirusWaarheid, De Andere Krant, On­gehoord Nederland en nog meer van dit soort ongein wel gewend geraakt aan im­beciel hoofdlettergebruik, maar het went nooit. Wie zitten er achter de Werkelijk­heid? Oud-stalinist en provocateur pur sang Meindert Fennema, de kortstzitten­de PC-redacteur aller tijden én de enige die ooit verantwoordelijk is gehouden voor meewerken aan genocide Frits Bol­kestein, en, verrassing, Paul Cliteur. Het opvallende van deze locatie is dat het kantoor van Bolkestein aan de overkant van de straat zit. Hoezo wil Visser, de man van 270 miljoen, hen op zijn kan­toor hebben? Daarover later meer. Het doel van stichting WiP? Nee, niet neu­ken. Wel debatteren over ‘maatschappe­lijk relevante onderwerpen’. Dat klinkt interessant! En wat hadden ze zoal in gedachten? Aha, het precieze percentage moslims dat gedeporteerd moet worden. Dat zou niet mijn eerste keuze zijn ge­weest.

Natuurlijk gaat het hier over het ‘hoe­veel-moeten-we-er-deporteren’-debat in De Balie van januari 2017. The revo­lution will not be televised, de nieuwe Wannseeconferentie wel gelivestreamd. En weer had de halve Leidse rechtenfa­culteit, aangevuld met enkele Vlaamse collaborateurs, zich naar hun salon aan het Kleine Gartmanplantsoen verplaatst om te keuvelen of men nou moest begin­nen met de beroepsmoslims of de on­herkenbare. Als die laatste uit het straat­beeld zouden verdwijnen zou het minder opvallen. De heugelijke reden voor deze festiviteit, aaneengepraat door Cliteur-knaapje Geerten Waling, was het ver­schijnen van het boek Waarom haten ze ons dat met medewerking van WiP was uitgegeven bij De Blauwe Tijger, de tan­deloze vlooienbal die sinds dit jaar in de belangstelling staat van de AIVD van­wege het verspreiden van complotthe­orieën. Zelf vinden ze dat ze de werke­lijkheid slechts in een ander perspectief zetten. Ik zie het grijze triumviraat in­stemmend knikken.

Er waren enkele mensen met licht ethi­sche bezwaren tegen de deportatietom­bola die bij De Balie werd opgevoerd. Yoeri Albrecht, schildknaap van zijn ei­gen vrije woord, snapte alle ophef niet. ‘Mensen die woedend zijn dat meningen en opvattingen de ruimte geeft waar ze het niet mee eens zijn. Steeds weer ver­bazend.’ Vanuit dit perspectief is het in­derdaad vreemd dat Anne Frank zich niet bij het hoofdkantoor van de Gestapo meldde om een debat aan te gaan. Toen de Egyptische Mona Eltahawy vorig jaar niet zo zin had om aan de witwasprak­tijk van Albrecht mee te werken, veran­derde hij spontaan in een deuger. ‘Ik heb na die middag de stichting Werkelijkheid in Perspectief niet meer teruggevraagd’, kreunde hij verongelijkt tegen Hassan Bahara in een Volkskrantinterview dat op 27 april verscheen. Blijkbaar had Ba­hara zin in Koningsnacht, want controle­ren of dit klopte deed hij niet. Albrechts motto is ‘mijn meningen zijn feiten’. Ook al kloppen ze niet. Want op 20 fe­bruari 2018 had WiP weer een avondvul­lend programma in De Balie met als titel ‘Op naar een duurzaam migratiebeleid’ waarin een commandant van de marine b.d. kon fantaseren over hoeveel fregat­ten voor de Libische kust moesten liggen om van ieder migrantenschip een onder­zeeër te maken en Jan van de Beek – de Alfred Rosenberg van FvD – zijn zuive­ringsvoorstellen weer aan de man kon brengen. Ik dacht dat Shells omarming van het begrip duurzaam wel het meest vervreemdende was dat ik ooit had ge­zien, maar gelukkig blijft De Balie mij verbazen. Judith Sargentini mocht gedu­rende de avond als schaamlap dienen om het donkerbruine randje te verbergen.

(Dat zij hier niet blij mee was heeft ze mij later onder vier ogen toevertrouwd. ‘En het domme gansje van De Balie dat het allemaal organiseerde, was dat de dochter van Chris Rutenfrans?’ Ik dacht terug aan de bewuste middag van dat twistgesprek. Ik maakte voor het gevogelte koffie ((jaja, de barman luis­tert goed én onthoudt veel)) en hoorde verbaasd dat Van de Beek zou spreken. ‘Maar die man is een idioot. Hij noemt zelfs hedendaagse nakomelingen van Asjkenazische joden die in de negen­tiende eeuw naar Nederland kwamen nog migranten!’ Waarop het pluimvee antwoordde dat ze zijn proefschrift ‘erg interessant vond’. ‘Ja, mevrouw Sargen­tini,’ bevestigde ik schoorvoetend, ‘het is inderdaad de dochter van…’ Dat Ruten­frans en Laffe Vink hun kleine jihad uit­vochten in Letter & Geest weet iedereen, maar weet u wie onder de indruk van deze buikhuiscriminoloog en zijn doch­ter was? Het is, zucht, Paul Cliteur.)

De prangende vraag die overblijft is of Peter Visser de geadopteerde Kochbroer is. Hij deelde promotieplekken uit, zorg­de voor de huisvesting van fascistische babbelclubs, dus alle seinen staan wel op bruin. Maar helaas had Visser het te druk met het beheren van het vermogen van de familie Brenninkmeijer om te re­ageren op vragen van de auteur. (Ja, er is serieus een poging tot wederhoor ge­weest. Carnaval valt vroeg dit jaar.) Wie wel off the record wilden praten waren enkele “ervaringsdeskundigen”, mensen die met de abacus van Visser te maken hebben gehad. Want uiteindelijk lijkt de man op de penningmeester van de post­duivenvereniging in Diemen-Noord: al­les draait om geld. De pech voor hem is dat hij ook het bijbehorende charisma heeft. Dat stak de man van 270 mil­joen. Munten zijn te hard om te eten en te koud om bij te slapen. Dus om voor tuinfeestjes uitgenodigd te worden, bij dames in het gevlei te komen en om voor meer aangezien te worden dan slechts een spreadsheetmanager, ging Visser met wisselgeld rondstrooien. Mecenas hier, krantenbaron daar. En Cliteur, Bol­kestein en Fennema namen hem in ruil daarvoor op sleeptouw. Het scheelde sowieso voor Visser dat die laatste er­bij was: iedereen is welbespraakter dan Meindert. Dus geen fascismefascinatie, maar de decolletés van de dirndls waren het die van hem de pinautomaat van de Spenglerepigonen maakte.   

Dit hele verhaal is slechts één vertakking van de hele stamboom van de intellectu­ele Reichswehr. Ik had hetzelfde verhaal ook kunnen schrijven over het ministe­rie van Binnenlandse Zaken: zij vond het nodig om Cliteur en trawanten in 2018 € 45.000, – subsidie toe te schuiven voor een rapport én een congres over ‘geslo­ten gemeenschappen in een open samen­leving’. ‘De democratische samenleving kan worden ondermijnd’, zo schrijven ze in het rapport. Het is alsof Raymond Westerling de Excessennota opstelt. En dit verhaal ging over Cliteur, maar zijn frankensteinrattensoldaten die nu van het zinkend schip afspringen blijven overal opduiken. Eva Vlaardingenbroek. Geer­ten Waling. Diederik Boomsma. Anna­bel Nanninga. Bastiaan Rijpkema. Af­shin Ellian. Raisa Blommestijn. Andreas Kinneging. Gert Jan Geling. (Van die laatste heeft u nooit gehoord, maar het zal mij niets verbazen als hij binnenkort komt spreken in De Balie of een column in een kutkrant krijgt.) En dan vergeet ik er vast nog wat te noemen. We kijken naar de figuren op een draaimolen zon­der een blik op de motor te werpen.  

En Machteld Zee? Die werkt tegenwoor­dig bij de politie in Den Haag. Waar­schijnlijk was ze teleurgesteld dat ze niet was uitgenodigd om lid te worden van de WhatsAppgroep ‘Marokkanenverdel­gers’. Het zou een vernieuwde vorm van valorisatie van haar proefschrift zijn.

Ik denk niet dat iedere journalist in Ne­derland een bruinhemd is. Wel dat er veel luie en incapabele nitwits rondlopen die werk verwarren met hobbyisme. En die te graag meehuilen met de wolven die de Heimat missen. Maar nu weten ze eindelijk weer hoe het moet. Kan ik weer stukjes over de open relatie van Philip Huff gaan schrijven.       

TD

Een recensie beginnen met het citaat van dat ene zinnetje uit de Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte is niet alleen een cliché, het zou in een bespreking van De wondergrijsaard van Onno Blom ook de plank behoorlijk misslaan. Hoewel de lanterfanter van de Leidsekade zichzelf als een held uit een Griekse tragedie zag, lezen zijn boeken toch meer als het werk van een laatbloeiende puber die, net verlost van zijn clearasilkop, tijdens zijn eerste jaar politicologie, filosofie of aanverwante studie een introductie tot een tekst van Plato, Machiavelli, Nietzsche of andere dode witte man die neerkeek op de vrouwtjes vanwege hun aangeboren drang tot hysterie las, en daar zo van onder de indruk was dat hij een essay van vijfhonderd pagina’s tikte waarin hij vaak woorden als ressentiment, übermensch, virtu en Fortuna, Koning-Filosoof gebruikte (vooral in een context waaruit bleek dat hij de concepten niet echt begrepen had en er enkel óver had gelezen in middelmatige Nederlandstalige handboeken die stamden uit de jaren zeventig en dito modieuze spelling bezaten in plaats van de originele werken in het oud-Grieks, Renaissance-Italiaans of Duits te bestuderen) en dat de bravoure waarmee hij zijn inconsequente denkkader aan de man bracht zo hypnotiserend was voor de onbenullige toehoorders, die zelf nooit een boek opensloegen, dat ze meegezogen werden in de draaikolk van orakelgebrabbel, hocus pocus en blablabla met als gevolg dat de ijdele kwast tevoorschijn kwam als het slimste jochie van de werkgroep, terwijl hij, toen hij na zijn optreden zich uit de voeten maakte, zijn publiek in opperste staat van verwarring achterliet. Als een klucht dus. 

Over die dooie ik ga het hier niet hebben. De afgelopen weken heeft u in iedere andere krant, ander tijdschrift of, als u een teeveekijker bent, op een van de spaarzame niet-pornokanalen wel wat mee kunnen krijgen over het leven van de teckelteef. En begrijp mij niet verkeerd: ik houd van teckels, vooral ruwharige; later, als ik wat groter woon, krijgt zo’n wandelende worst op pantoffels bij mij onderdak, ik noem hem dan Kolonel; niet omdat ik een militarist ben, van oorlog of uniformen houd, nee, vanwege de snor. Kolonel bromsnor. Maar terug naar de klucht. Weet u wat erger is dan een klucht? Een klucht over een klucht. Kluchtkwadraat. En dat is misschien wel de beste beschrijving die ik van Onno Blom kan geven.

Op de flaptekst van De wondergrijsaard wordt dr. Blom voorgesteld aan de hand van zijn indrukwekkendste pennenvrucht: zijn Wolkersbiografie, het proefschrift waarmee hij ‘een rel ontketende’. En de films van Harvey Weinstein zorgden voor ophef. Misschien herinnert u zich nog dat na tien jaar noeste arbeid Bloms beoogde proefschrift door de promotiecommissie terug naar de tekentafel werd gestuurd? En dat vervolgens, geheel volgens Irakese, Libische of anderszins autoritaire wijze, door de decaan een nieuwe promotiecommissie, vol met jaknikkers en net-niet gepensioneerden die niets meer te verliezen hadden, werd samengesteld? Deze affaire is redelijk uitgekauwd, maar tot nu toe heeft een persoon de dans ontsprongen: Mark Rutgers, de decaan van de Leidse geesteswetenschappenfaculteit én het lafhartigste en meest kleurloze weekdier dat ik ken. Nou nou, zal u misschien denken, moet dat zo? Ja, want mijn haat is niet professioneel; het is persoonlijk. Deze ruggengraatloze minkukkel stond erbij toen ik, tijdens de inzage van zíjn tentamen, nadat ik zijn vrouwelijke co-docent erop had gewezen dat ze niet de daadwerkelijke maar aangepaste vragen besprak, door haar voor leugenaar werd uitgemaakt, een verdraaiing van de waarheid die ik met het papieren tentamen in de hand kon ontkrachten. Rutgers haalde zijn schouders op.

In NRC van 11 november 2017 blikten Rutgers en Willem Otterspeer, Bloms promotor en schrijver van de mislukte WFH-biografie, op een succesvolle show terug. Ze vonden het toch nodig om hun opmerkelijke stappen rondom de opstelling van de opponenten goed te praten. ‘Ook die tweede commissie was kwalitatief goed. Je wordt altijd door je peers getoetst hè,’ zei Rutgers. ‘Ik ken het ook uit het verleden, de sociale wetenschappen en de linguïstiek in de jaren tachtig. Toen wist je: je moet echt niet iemand uit het andere kamp in je commissie hebben, want dat geeft alleen maar ellende.’ Dat niemand zin heeft in gefit op de vierkante millimeter is begrijpelijk, maar Rutgers tuigt hier een metershoge stropop op met als enige doel zijn achterlijkheid en onbekwaamheid te maskeren. Sta mij toe.

Op 13 juni 2014 verdedigde Benno Netelenbos, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, in de Agnietenkapel zijn proefschrift Four Faces of Political Legitimacy. Het boek is een kloeke baksteen (veel Weber, Habermas, etc.) en dus handig om bij iemand de ruiten mee in te gooien. In de promotiecommissie zaten onder andere Willem Schinkel en, u raadt het al, Mark Rutgers. Ik zat in de zaal: het is altijd leuk om te zien dat de docent die jou laat zweten tijdens een tentamen nog harder kan transpireren dan jijzelf. De bijdrage van Rutgers aan het duel is mij niet bijgebleven, die van Schinkel des te meer. ‘Dear candidate. I read your book, especially the part about Niklas Luhmann, and I strongly disagree with you.’ Wat volgde was een kwartier academisch spektakel dat nog het best te vergelijken was met de Olympische turnfinale: geen idee wat ze doen, maar het ziet er indrukwekkend uit. Resultaat? Een uur later werd doctor B. Netelenbos door alle aanwezigen gefeliciteerd voor zijn promotie cum laude.

Schinkel, de grootste raaskaller van Rotterdam, de man die om de ondoordringbaarheid van zijn betonproza ook wel Heidegger aan de Maas wordt genoemd, gaf zijn tegenstander na vijftien minuten verbaal rollebollen, waarna ze – nog steeds – hartstochtelijk van mening verschilden, het predicaat met lof. Nee, ik snap wel waarom Rutgers voor Blom iedere drempel, zelfs die van vijf millimeter hoog, op het bij zijn geboorte al aangelegde pad richting het doctoraat heeft platgewalst. Blommetje komt uit een Leidse professorenfamilie en moest en zou promoveren. Het was een noodzaak. Noodzaak? Halszaak! En dan scheelt het natuurlijk als de lijntjes kort zijn en paps hier en daar wat handjes, al dan niet gevuld met een envelop met onderzoeksgeld, kan schudden. 

Literair Nederland was te lui om, in de klucht over de commissie, eens uit te zoeken wie de rol van fluisteraar achter de troon speelde. Wie het etterspoor volgt, ziet hoe smerig incestueus de hele bende was. En dat was pas de eerste klucht. De aanloop naar de grote shitshow die plaatsvond op 19 oktober. Blom moest en zou promoveren op dít boek op de tiende sterfdag van Wolkers en niets – gebrek aan kwaliteit, bijvoorbeeld – mocht daarbij in de weg staan. Niet verrassend dat de laatste stelling van Bloms proefschrift dan ook was dat hij ‘promoveert voor zijn vader’. Hier hengelt iemand wel erg opzichtig naar een aai over de bol van zijn verwekker, een stukje erkenning en genegenheid van de man die hij enkel op zondag zag en die hem, als dertienjarige jongen, vooral inprentte dat papa erg teleurgesteld was in zijn gemiddelde van 8,2. Dit lijkt een freudiaanse analyse, eindelijk een makkelijk stukkie tekst op de sofa, maar daar ga ik maar niet aan beginnen. Want dat is theorie. Wetenschap. Methodologie. Ik wil dat onnozele Onno dit ook kan begrijpen. 

We zijn bijna bij het boekje, ik wil slechts nog één stelling van Blom presenteren. Waarom? Ik kan wel zeggen dat het een pedante idioot is wiens enige talent is om in de buurt te zijn van bekende Nederlanders op het moment dat ze de hoek omgaan (dit is een waarschuwing!), maar waarom zou ik u dat in godsnaam uit gaan leggen als de fopdoctor het zelf kan tonen? Stelling 8: ‘Klikspaan heeft anderhalve eeuw na dato nog altijd gelijk: “Het bestaan van Leiden hangt aan een haar: de Academie; snijdt het af, Leiden is weg.”’ Tien jaar lang, iedere dag, pakte Onno de trein van Leiden naar Gouda, of van Leiden naar Deventer, van Leiden naar Amersfoort, naar Dordrecht, Apeldoorn, Zwolle, Roermond, noem maar op, ging op een terras aan het marktplein van de provinciestad zitten, dronk twee pilsjes, at een tosti kaas-tomaat en ging weer naar de Sleutelstad om uiteindelijk tot de conclusie te komen: ‘Ja, die studentjes maken zo’n stad wel gezellig.’

En dan nu zijn nieuwste meesterwerk. De wondergrijsaard van Dr. No Blom is een hagiografisch stuk, geschreven in de beste stalinistisch-realistische stijl, dat zelfs door de redactie van Granma, het foldertje van de Partido Comunista de Cuba, als te schaamteloze pravdapropaganda zou worden weggezet. Natuurlijk is het moeilijk om een boek te schrijven met een ijzeren logica van 1+1=2 als de persoon om wie het gaat op iedere willekeurige rekensom antwoord met ‘Auschwitz!’. Maar Blom heeft er geen moeite mee om als labknaapje op te treden van deze pyrrusproducent. ‘De alchemist in Mulisch kon er een bewijs in zien: zijn schrijverij stokte, want zijn oeuvre vormde een volmaakte as, paste precies tussen de “a” van archibald strohalm en de “s” van Siegfried.’ Tsja. Als Mulisch’ laatste boek Xandra’s natte poes had geheten was er een perfecte ax ontstaan, wat in fonetisch Engels een bijl is, wat toevallig ook onderdeel was van de Romeinse fasces, het gereedschap waarvan het woord fascisme is afgeleid, en laat dat nou het heliocentrische middelpunt zijn geweest in het leven van Harry “40-45” Mulisch. Of als zijn laatste boek een autobiografie getiteld Baviaan, brulaap, bullebak was geweest, was er geen centrale as ontstaan, maar ab, waarmee Nostradamus met zijn grote neus had geroken dat er tien jaar na zijn dood een pandemie zou zijn waarover Ab Osterhaus in talkshows met een glas rode wijn bij de hand zou oreren. Als Harry nog had geleefd had Ab vast bij zijn jongensclubje gemogen.

Mulisch is niet de enige fröbelfilosoof die aan het woord komt in De wondergrijsaard. Kleine Connie gaf Blom inzage in haar dagboeken. Vijf dagen voordat Harry zijn eeuwige pijp aan Maarten gaf schreef ze: ‘In de schemerige kamer ligt Harry de soevereine dood te sterven die hij altijd in zich had. Ik maak de stomme fout te dicht bij hem te gaan zitten, waardoor hij me niet kan zien.’ In die goede tijd ontkurkte Connie nog twee flessen merlot bij het ontbijt, lunchte ze met White Russians, kwam om vier uur de pastis op tafel en snoepte ze, terwijl ze in haar doorzichtige nachtjapon naar de lege plek naast haar in bed keek, nog snel vijf lepels advocaat naar binnen om een goede nachtrust te garanderen. En dat had zijn effect op haar gedachtespinsels. Ik heb Hobbes erbij gepakt, en Schmitt, Benjamin en Agamben afgestoft (spreekwoordelijk dan, want Schmitt lees ik iedere week op zondag ter voorbereiding van mijn nog te plegen staatsgreep, de uitnodiging komt tijdig uw kant op), en kan in al hun werken niets vinden over een soeverein met een hersentumor. Die knobbel in Mulisch’ kankerkop legde de man om, hij was de laatste maanden een slaaf van zijn gezwel. Gelukkig is Palmen tegenwoordig weer van de drank af.

De enige goede woorden in het boek komen van Blom noch van Mulisch. Hugo Claus is de vent in het verhaal. Mulisch was een zielenpoot die, terwijl zijn vriend aan het dementeren was, achterlijke opmerkingen aan het maken was over het volschijten van zijn onderbroek. ‘Toen ik twee was, droeg ik een luier. Waarom kan dat niet opnieuw?’ De gedachtegang van een eeuwige peuter. Nee, doe mij maar Claus. De mooiste vrouwen, het beste oeuvre. En toen het niet meer ging, hij kon geen hij zei van hij zij meer onderscheiden, maakte hij er zelf een eind aan, wet of geen wet. ‘Ni Dieu, ni maître,’ besloot hij zijn afscheidsbrief. Sommige schrijvers zijn slechts een vertoning; Claus was koning. 

TD

Onno Blom, De wondergrijsaard, De Bezige Bij, € 21,99

Iedere persoon heeft macabere hobby’s, maar iedereen bedrijft die op zijn eigen manier. Zo spraak ik laatst een jongeman in de kroeg die zich, zo vertelde hij, naast zijn studie belastingrecht, heeft gestort op het verzamelen van Stolpersteine. Hij was speciaal zijn master aan de UvA gaan doen, omdat in de buurt van Tilburg geen jodentegels te vinden zijn; de katholieken in het zuiden hadden geen Duitse aanwijzingen nodig om hun gebied shoahschoon te krijgen. Over mijn oudoom met een voorliefde voor gegrilde geitenplacenta ga ik het hier niet hebben: als ik hem vroeg wat hij in de pan legde werd hij altijd sikkeneurig en schotelde mij de zwart aangebakken moederkoek met enkele spruiten van eigen land, vergezeld door drie-en-een-halve kruimige Frieslanders voor waarna hij mij dreigend meedeelde dat ik pas van tafel mocht als ik alles naar binnen had gewerkt. Misschien verklaart dit mijn obsessie met rouwadvertenties.

Als ik op zaterdagmorgen thuiskom of opsta, ga ik met een halve liter peppeccino of cappuccino erbij, naargelang het aantal uren nachtrust, NRC Handelsblad lezen. Ik kijk of Wieringa minstens eenmaal de namen Baudet of Trump laat vallen (dat doet hij) en verzeker me ervan dat de krant van rede en vrijheid nog steeds een alcoholist met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis van de straat en uit de kroeg houdt door hem een plekkie achterop de opiniekatern aan te bieden, waarna ik uiteindelijk bij de pagina’s aankom waar het mij om te doen is. De laatste maanden zijn er meer doodsberichten bij gekomen en kan mijn geluk niet op. Het is heerlijk om met een taalkundige scalpel door de omlijnde berichten te gaan. Zo moet je wel een enorme koloniale kater hebben als je vermeld dat je overleden familielid in 1947 in Jakarta is geboren. En krijg je subtiele inzichten in de bras-, bral- en neukpartijen binnen het LSC van de jaren 50 door de jaarclubherinneringen aan het heengegane lid. 

Dit weekend was het alsof de God van het dodenrijk mij wilde belonen, want nadat ik de krant had doorgewerkt, zag ik dat mijn huisgenoot De Gids op de keukentafel had laten liggen. Normaal lees ik dat blad niet, het is zo saai, zo voorspelbaar, het wordt ongevraagd bij ons thuis bezorgd met De Groene Amsterdammer. En net als bij medicijnen leest inderdaad niemand de bijsluiter. Enfin, het zwarte goud uit m’n percolator had zijn werk gedaan, ik was wakker en wilde weleens weer een poging wagen. Blader, blader, gaap, gaap. (Ik ga u maar niet vervelen met een inhoudelijke bespreking van het meeste dat ik daar aantrof, want anders ligt uw hoofd zo dadelijk ook op dit blad en vangt dit extrachloorhoudende papier uw speeksel op.) Ik nam nog maar een slok koffie. Blader, blader, gaap, ga.. hé! Een essay over de dood van de ironie! Ik wist dat De Gids een doods blad was, maar ik had niet verwacht dat het ruimte zou maken voor het beieren van de doodsklokken voor mijn favoriete stijlmiddel. Eens kijken wat Lise Evers, de troubadour van het verdrietige nieuws, te melden heeft.

Natuurlijk noemt ze Gerard Reve, ome Gerard die zijn laatste levensjaren sleet met hunkeren naar de koorknaapjes van Machelen. En wie nog meer? Ons! Ja natuurlijk, de vaandeldragers van de voorhoede van de avant-garde van de ironie kunnen in zó’n vernieuwend essay niet onbesproken blijven. Evers keuvelt wat over dat gedichtje dat Reve ooit voor dit blad schreef, vertrekt vervolgens naar de stranden van Tanger omdat onze homoseksuele held zich daar te goed deed aan jongentjes die zich voor 75 centen in hun kontjes lieten nemen om uiteindelijk, via een kronkelige omweg langs Theo van Gogh en GeenStijl, bij retteketet Baudet aan te komen. ‘Wie ironie als stijlmiddel hanteert laat de deur naar de ontkenning graag op een kier. De racistische ironicus wenst niet in het openbaar als racist te worden ontmaskerd, maar heeft tegelijkertijd als doel door gelijkgestemden te worden herkend.’ Zo die zit. En wat is de stoot waarmee Evers de lezer – ik, u – tegen het canvas slaat? ‘Van Reve leren we dat de goede verstaander niet diegene is die lacht, maar diegene die de woorden precies begrijpt zoals ze aan ons worden voorgeschoteld.’ 

Een langgerekte geeuw, dat was het resultaat van dit probeersel. Uitgeput na deze marathon van circustrucjes waarvoor een kind van vijf op zomercursus in Drenthe zich nog zou schamen ging ik op mijn bank liggen. Ik dommelde, zakte weg en schrok wakker, knikkebolde en zag Gerard Reve in een roze konijnenpak, versierd met een snoezig, wit pluizenbolletje, met een rieten mand om zijn rechterarm, door mijn huis hupsen, terwijl hij in alle hoeken, nissen en donkere gaten chocolade-eieren verstopte. ‘Maar Gerard, als jij die eitjes verstopt en ik ze niet vind, zijn ze er dan wel?’ Hij liep op mij af en ontblootte zijn geslepen hoektanden. ‘Zal ik jou eens een geheime opening laten zien waarin ik alles laat verdwijnen?’ Een diabolische lach ontsnapte uit zijn muil en galmde nog na in mijn oren toen ik mijn ogen opende en zag dat ik helemaal alleen in mijn kamer was.

De God van de Nederlandse letteren wilde mij wat vertellen, dat was wel duidelijk. Want waarom was Hij anders aan mij verschijnen in een droom? Was het paapse symboliek, decadente krullendraaierij, ging het over barokke versieringen? Waarom deed Reve mij denken aan Ab Normaal? Het zal wel iets met dat ergerniswekkende stuk van Evers te maken hebben, dacht ik. Het kwam me zo bekend voor. Dat is ook niet vreemd voor een tekst met de originaliteit van een Youp-column, maar toch, het voelde umheimisch, ongemakkelijk. 

Ik zocht maar eens op wat Coen Peppelenbos over het betreffende essay schreef. ‘Nu is het niet de eerste keer dat de ironie en het racisme van Reve aan de kaak wordt gesteld. Harry Mulisch deed het bijvoorbeeld al veertien jaar voor de geboorte van Lise Evers in het pamflet Het ironische van de ironie. Merkwaardig genoeg ontbreekt dat pamflet in het artikel.’ Gelukkig weet ik dat Coen tot de parochie van Sint-Sebastiaan behoort, anders zou ik het smerig vinden dat hij geilt op de leeftijd van deze onnozele deerne. Daarnaast is het duidelijk dat de hoofdredacteur van ons aller geliefdste weblog in Groningen huist. Nieuwerwetse trends komen pas laat door in het Noorden: heroïne is nog steeds drug nummer één, de oude binnenstad staat grotendeels nog overeind doordat de Stadjers hadden gezien dat Hoog Catharijne en de nieuwe Weesperstraat kolossale mislukkingen waren. Nieuwe boeken doen er veertig jaar over om door te dringen tot het wingewest, dus blijft Peppelenbos schaduwgevechten uit de vorige eeuw uitventen. 

Mijn gedachten dwaalden weer af, naar Reve op het strand, struinend door de steegjes van de kasba, verdwalend, zoekend naar een weg uit het doolhof… Eureka! Ik stond op, liep naar mijn boekenkast en pakte De minaret van Bagdad van Michiel Leezenberg van de plank. Reve, Reve, waar sta je, Reve? En daar las ik het, op pagina 149, hij fulmineerde over de Marokkaanse jongentjes: ‘Allen zijn prostituees, maar de schakering is groot. Echte prostituutsie [sic] zou je het niet kunnen noemen, het is meer een bijverdienste.’ Zo, dat heeft die Evers eens origineel bedacht, dat verhaal over de Grote Volksschrijver en zijn tripjes naar Tanger. En plotsklaps bedacht ik me in welke literaire etalage ik de kralenketting Reve-PC-Van Gogh eerder heb zien liggen. Merijn Oudenampsen reeg deze polemische parels aaneen in zijn boek De conservatieve revolte. ‘Maar er is ook een institutionele relatie tussen Reve, Hermans, Van Gogh en GeenStijl: ze hebben allemaal banden met het door studenten gerunde, satirische literaire tijdschrift Propria Cures, beroemd en berucht omdat veel schrijvers en journalisten er hun carrière zijn begonnen.’ En het is niet alleen in dit boek dat Oudenampsen deze boodschap verkondigde: hij deed het ook al in De Groene in 2013 en in hetzelfde blad werd zijn betoog nog eens aangehaald door Coen van de Ven in 2019. Het is geen knip-en-plakwerk van Evers, maar voor een postmoderne pastiche rijmt het toch iets te veel.

Lise Evers is historicus en schrijft essays, zo staat boven haar stuk in De Gids. Ze schreef ook voor DW B, op de website van het blad staat dat ze promovendus is aan de Universiteit van Amsterdam. Door de academie wordt plagiaat gedefinieerd als ‘het gebruik maken dan wel overnemen van andermans teksten, gegevens of ideeën zonder volledige en correcte bronvermelding’. Ik denk dat iemand wat heeft uit te leggen. 

TD

Ferdinand Grapperhaus houdt van boeken en dieren. Dat eerste weet ik omdat hij enkele maanden geleden (in maand twee van het jaar 0 CE, corona era) een straattaalwoordenboek kocht bij Van Rossum in de Beethovenstraat. Inderdaad de beste plek om, als onderdeel van een etnografische veldstudie, je te verdiepen in de communicatiemiddelen van de homo Amstelodamum minorum. Op strooptocht in het Vondelpark, begeleid door twee dienaren in uniform (de etymologische herkomst van dat woord – dinar – laat zien dat het gerechtvaardigd is om te spreken over de hoeren van justitie), sprak hij enkele dames aan op hun coronachillgedrag. Uit de articulatie van de woorden chickies en chillen blijkt dat Grapperhaus’ taalgevoel meer gelijkenissen kent met Hij was maar ’n neger van Zangeres Zonder Naam dan met de shanksongs uit de Smib en van 73 De Pijp. 

Grapperhaus’ liefde voor dieren komt tot uitdrukking in zijn vriendschap met Mai Spijkers, de man die de rat van de grachtengordel wordt genoemd. Dat dit een onnauwkeurige vergelijking is weet iedereen die ooit een aflevering van de tekenfilmserie Kim Possible heeft gezien: met zijn enorm uitstekende slagtanden en glimmende kraaloogjes heeft Spijkers meer weg van een naakte molrat dan van de beesten die tussen de bergen afvalzakken beneden mijn raam krioelen. En kan je eigenlijk wel over amicaliteit spreken als je niet wordt uitgenodigd voor de bruiloft van je beste? Maar dit stuk gaat niet, ik herhaal: níet, over de bruiloft van Ferdinand Grapperhaus; sommige botten zijn zo afgekloven dat zelfs de meest uitgehongerde hyena er niet op wil sabbelen. (Oké, één gedachtespinsel. Wie laat zijn tweede huwelijk in hemelsnaam afsluiten met Ankie Broekers-Knol als ambtenaar van de burgerlijke stand, de staatssecretaris voor deportaties, die voor kinderen in Griekse vluchtelingenkampen, die op dit moment een life acting rollplay van The Hunger Games opvoeren, geen ‘ad-hoc-oplossingen maar structurele oplossingen’ wil en ze daarom op die eilanden naar de pleuris laat gaan? Als ik een van de kinderen van Grapperhaus was zou ik snel een extra levensverzekering voor mijn pa en stiefmoeder afsluiten, want er is maar één structurele maatregel die genomen kan worden om ervoor te zorgen dat het getrouwd stel in voor- en tegenspoed bij elkaar kan blijven.)

De passie van Grapperhaus voor Mai Spijkers en boeken vond zijn culminatie in het in 2017 uitgegeven boek Rafels aan de rechtsstaat. Nou wil ik het niet over de precieze letter van het werk hebben (het is weer een samenraapsel van columns, aangevuld met losse flodders en enkele natte breinscheetjes, bijeengehouden met een kartonnetje en Pritt Stiftlijm, uitgegeven door Prometheus), maar over de geest van het boek. Ambteloze Grapperhaus was bang voor de afbraak van de rechtsstaat, bang voor ondermijning, hij vreesde voor een almachtige overheid ten opzichte van de burger. ‘Daarom is er een door de samenleving erkende, neutrale overheid nodig die iedereen [let u op, íedereen] beschermt tegen andere burgers en tegen haar eigen macht.’ Hier sprak de hoogleraar en bezorgde advocaat, en zeg nou zelf: welke jurist (met uitzondering van wat rechtse roeptoeters die uit de Leidse kloonmachine komen) is het niet eens met de bescherming van individuen tegen een almachtige overheid? 

Wie noemt u? Touché, het antwoord ‘Carl Schmitt’ had ik niet verwacht. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat dit komt doordat de directe gevolgen van zijn vriend-vijandonderscheid in rook zijn opgegaan. Nazi-Duitsland was zo’n plek waar geen rechtsstaat was, waar minderheden werden vervolgd en advocaten niet vrijuit hun werk konden doen. Maar gelukkig wonen wij in Nederland, waar de confrères van Grapperhaus worden beschermd door een minister van Justitie die voor de advocatuur opkomt. Of zoals onze minister het zelf zei op de herdenkingsbijeenkomst na de moord op Derk Wiersum: ‘En van een advocaat blijf je ook af. Zonder advocaat, geen recht. Zonder advocaat, geen rechtvaardigheid.’

Wie deze opmerking leest krijgt het gevoel dat Grapperhaus wat akelige gesprekken op zijn ministerie gaat voeren. Het waren namelijk zíjn officieren van justitie die bevel hebben gegeven voor het schaduwen van advocaten Nico Meijering en Leon van Kleef. In de zoektocht naar Ridouan T. – een tot nu toe onschuldige medeburger met een blanco strafblad dat je enkel met een zonnebril kan bekijken – is opeens alles geoorloofd; dat hij de meest gezochte man van het land is, is blijkbaar een gegronde reden om banaliteiten als rechten opzij te schuiven. ‘Een overheid die iedereen beschermt tegen haar eigen macht’: een schitterende tegeltjeswijsheid die bij Grapperhaus op zijn deurmat staat.

Ja ja, die Ridouan lijkt ook mij niet echt een lekkere jongen, maar ik vind dat ik bij mijn dealer niet te ver over zijn schouder moet kijken. Wie deze zaak echter afdoet als een incident is als een dagelijkse hoerenloper die zegt dat hij enkel voor de mooie lichtjes over de Ruysdaelkade flaneert. In 2014 werden de luistervinken van Zoetermeer – in de volksmond beter bekend als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst – betrapt op het aftappen van advocaten van het kantoor Prakken d’Oliveira. Uiteraard ben ik in deze zaak vooringenomen, want een potje toepen in de Erehemel met de twee naamgevers van dit kantoor wordt een stuk gezelliger als ik hen geen verbale novitsjok onder hun neus schuif. De advocaten stapten naar de rechter en die gaf de veiligheidsdienst een oorvijg waarna ik had verwacht dat Ronald Plasterk (als minister verantwoordelijk) kwijnend en zwijgend in een hoek van de kamer zou zitten. Dit soort stasistreken horen niet in Nederland thuis, zo maakte de zittende magistraat duidelijk. En wat deed ome Roon? Hij stelde hoger beroep in…

Ieder medium blafte tegen Grapperhaus over wat de tweede mooiste dag van zijn leven had moeten worden, maar liep trouw aan zijn leiband zodra hij de woorden orde en tucht in zijn mond nam en met een knuppel in de hand probeerde af te dwingen dat u en ik voor vijftig jaar minstens veertig uur per week voor een manager gaan werken om op een eerlijke manier de kost te verdienen. Deze zaak stinkt. Rot begint aan de kop, niet aan de staart. 

TD

Mensen met een mening over Philip Huff zijn te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant heb je mensen die deze bedelende beunhaas willen opsluiten voor verstoring van de openbare orde en aan de andere kant staat een groep analfabeten. Aangezien u dit leest heet ik u van harte welkom in de eerste groep. Huff is de aanvoerder van de meute scharrelaars en sjacheraars in de Nederlandse letteren die zichzelf schrijver noemen. Het is tijd voor een afrekening.

Dat Huff zo lang door kon gaan met zijn afperspraktijken komt doordat hij Italiaanse technieken hanteert: wie kritiek heeft wordt publiekelijk met leugens aan de digitale schandpaal genageld. Mijn geliefde mederedacteur AS kan hier over meepraten. (Ik ga hier alvast bekennen dat ik geen contract heb bij Querido, dat ik niet getrouwd ben met de vrouw van AS, dat ik niet het buitenechtelijke kind ben van AS, dat ik niet geadopteerd ben door AS, dat ik niet zijn schoonzoon ben en dat dit laatste wel anders was als het aan mij had gelegen; ik vind AS gewoon een beregeile vent, vooral als hij rode vlekken in zijn nek krijgt als ik overenthousiast vraag naar zijn favoriete passage in Reves De taal der liefde.) 

Huff is een rancuneuze lul die het niet trok dat hij tweemaal één ster kreeg in recensies in Het Parool en daarom een stuk schreef in Hollands Maandblad waarin de hij integriteit van recensenten in twijfel ging trekken. Nou is onlangs gebleken dat bij een recensent daar redenen voor waren, maar in plaats van dat Huff zijn morele geblaat dáártegen richtte, wist hij niet hoe snel hij de zaak moest afleiden door weer zijn eigen kruistocht tegen AS te voeren. Dat hijzelf geen enkele moeite heeft om wekelijks zijn tong tussen de billetjes van Joost de Vries te halen kan men afdoen als hypocriet, maar dat is wel erg makkelijk. Zo schreef Huff in Hollands Maandblad in een online addendum dat ‘De Vries hem nog nooit heeft gerecenseerd’. Dat deze knullen het wel erg gezellig hebben met hun negenenzestigfellatio lezen we regelmatig terug in De Groene. Joost zorgt ervoor dat Huff nog ergens zijn stukken kwijt kan en is daarbij niet de beroerdste om, tussen het fysiek bevredigen door, een van Huffs boeken te prijzen als een boek dat ‘zo mooi romantisch en tegelijk melancholisch het studentenbestaan’ beschrijft. 

Gelukkig heb ik nog nooit een boek van Huff gelezen. Ik heb weleens Niemand in de stad uit de kast gepakt op een huisfeestje, het opengeslagen, de pagina’s gescand, snel het boek teruggezet en bedacht dat ik die verspilde secondes van mijn leven nooit meer terugkrijg. ‘En nu heb ik haar kutvocht geproefd. De bacteriën zijn binnen.’ Dit waren de elf imbecielste woorden die u in dit stuk zal aantreffen. Het kostte me vijf glazen stolichnaya om mijn hersencellen met een precisiebombardement te doden. 

Maar de moloch Huff is moeilijk tot stilstand te brengen. Gelukkig is er al enkele jaren geen boek meer van hem verschenen (waarover zo dadelijk meer). De laatste jaren heeft hij zijn bakens verzet naar het televisiescherm. In ieder praatprogramma komt hij opdraven als “jonge schrijver” om clichématige verhalen af te steken over een generatie en een beroepsgroep waar hij niet toe behoort. Voor het onvolprezen VPRO Mondo deed hij een oproep om gezellig samen De pest van Camus te lezen: ‘Als schrijven het communiceren van gedachten en gevoelens is, en je doet dat met een boek, dan doe je dat natuurlijk ook met de individuele zinnen in dat boek.’ Waarom iemand deze ontsnapte zwakzinnige voor een camera zet is mij geheel onduidelijk, maar ik vind het vooral getuigen van weinig empathie bij een redactie dat ze deze man niet tegen zichzelf in bescherming nemen. In Dreamschool stelt Huff dat hij ‘het gevoel heeft dat de camera’s invloed hebben op hoe we ons gedragen’. Ik dacht dat zijn gedrag veroorzaakt werd door een noma-infectie in zijn kasplantenkop, maar voor dit moment gun ik hem het voordeel van de twijfel. 

De reden dat Huff zo vaak voor een camera wordt getrokken is het feit dat hij zichzelf presenteert als schrijver. Een van de karakteristieken van schrijver zijn is dat de persoon boeken schrijft. Een op het oog sluitende logica, maar we hebben eerder gezien dat voor talkshowtroubadoers, zoals Joost Zwagerman, deze universele wet niet lijkt te gelden. En het is toeval dat ik een van PC’s gevallen knuffelklootzakken noem, want Huff heeft wel wat weg van de Zwaag. Een liefde voor het Letterenfonds, bijvoorbeeld.

In 2016 kondigde Huff een transfer aan van De Bezige Bij naar Das Mag. ‘Daniël & Toine hebben me al eerder gevraagd om een boek met hen te maken. Dat lijkt me heel leuk’, kondigde hij op Twitter aan. We zijn inmiddels een kleine vier jaar verder en nog steeds is er geen boek. Ik pluis iedere prospectus uit om te lezen waarover Huff zal schrijven. Zal het gaan over een man van middelbare leeftijd die schrijver is, afwisselend in Amsterdam en New York woont, geconfronteerd wordt met zijn middelmatigheid en zich verliest in drank en pillen? Maar tot nu toe heerste stilte in de Staalstraat. Ik toog naar de Gaeper en liep daar een van de jonge pr-stagiaires van Das Mag tegen het lijf. Na twee breezers vertrouwde ze me boven een glas canei toe dat er van Huff ‘helaas momenteel niets gepland staat’. 

Die helaas laat ik helemaal aan mijn kleine blonde vriendin, er verschijnen genoeg andere slechte boeken om kapot te recenseren. Het gaat mij om die 15.000 euro subsidie die Huff in 2016 van het Letterenfonds heeft gekregen voor een boek dat niet gaat verschijnen. Begrijp mij niet verkeerd, ik ben voorstander van cultuursubsidies en wil niet het hele land een grote Brabantse varkensschuur wordt. Al krijgen wij geen cent voor het maken van dit blad en lopen wij als redacteuren eerst langs de Pels om te zien of er een gulle bekende zit voordat we op het terras durven plaats te nemen, we zijn niet rancuneus. Ik gun Philip Huff vrij veel, een grote spiegel waarvoor hij zich kan aftrekken en op een zonnige dag gonorroe toe.

Huff kan dus plaatsnemen op de graaistrafbank, er is een plek vrij tussen Klaas Dijkhoff en Theo Hiddema. Borgsom? 15.000 harde knaken, graag over te maken naar NL50INGB0002903882. Beschouwen wij het als zwijggeld en kunnen we ons weer gaan bezatten in de kroeg. We praten dan helemaal nergens meer over. 

TD

Iedereen heeft levensvragen. Zo stelt een vriend van me, als hij te veel bruine rum heeft gedronken, altijd de vraag wie de op een na beste voetballer aller tijden is: Messi of Ronaldo? Een ander vraagt wie beter zijn: de Stones of de Beatles? Antwoord: Led Zeppelin natuurlijk. Ik las ooit in een fanblad dat Robert Plant in zijn wilde jaren de tentakels van een octopus in de kut van een groupie liet glijden en dat zij, dankzij de zuignapjes van het weekdier, een groter stembereik kreeg dan de frontman van de band. Ik daarentegen vraag me af of mensen dom zijn, of slecht. Is het onkunde of doortraptheid? Deze vraag, waarvan de antwoorden een dialectische relatie hebben, is eindelijk opgelost, er is een synthese ontstaan, ik kan vredig sterven. Ik stel u voor: Agneta Fischer, hoogleraar sociale psychologie en decaan van de Faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen.

Leidinggeven aan de grootste faculteit van continentaal Europa is best een zware baan – medewerkers die willen besluiten over hun eigen tijdsindeling, studenten die een tentenkamp op de campus organiseren – dus de voorganger van Fischer, Hans Brug, besloot bijna twee jaar geleden een rustig heenkomen te zoeken in de bossen van Bilthoven. Directeur worden van een saai en rustig instituut als het RIVM leek hem wel wat, wat kon hem nou overkomen? Dankzij het helderziende talent van Brug zit die faculteit (gehuisvest in het lelijkste gebouw van Amsterdam, en dan reken ik die quasikitschmeuk in de Houthavens mee) dus opgescheept met een manager die binnen de psychologie (het kleuterklasje van de menswetenschap) ook nog gespecialiseerd is in sociale psychologie (de incontinentiehoek in de kleuterklas, naast de deur van het lokaal). Good old Freud aan de cocaïne kon op een namiddag makkelijker een oorzakelijk verband aantonen tussen agorafobie en een bezemkast dan tien van die laaielichters tussen vlees en moord in hun hele carrière bij elkaar.

Fischer besloot om in een interne mail haar mening te geven over het online surveillancesysteem dat de faculteit gebruikt om toezicht te houden bij thuistentamens. Nou is het natuurlijk zo dat iedere zichzelf respecterende studie sowieso geen tentamens afneemt: voor blokken verwijs ik naar het hierboven beschreven basisschoolhok. En uiteraard is het makkelijk om grappen te maken over het feit dat de voormalige collega van Diederik Stapel zich druk maakt om de bestrijding van fraude, en daarom doe ik dat niet. Fischer heeft menig maal met hem samengewerkt, vaardigheden van hem geleerd en de universiteit mag blij zijn dat ze zo’n inventieve en creatieve benadering van complexe problemen zoals niet-significante resultaten heeft. Nee, het gaat mij om de infantiele boodschap waaruit blijkt dat het glazen plafond soms zo slecht nog niet is.

‘Nu ben ik nooit zo onder de indruk van de strijd voor voldoende privacy door mensen die hun hele leven op Instagram, Facebook, Twitter of Whatsapp zetten, dan wel een g-mail account hebben, of Google docs of Google maps gebruiken,’ schrijft ze. Het is nog niet heel lang geleden dat de universiteit haar eigen studentenmailsysteem heeft uitbesteed aan een bekend internetbedrijf uit Sillicon Valley waarvan de naam bestaat uit zes letters en begint met een G. ‘Het gaat dus blijkbaar toch meer om het gevoel. Jouw kamer – meest intieme plek op de wereld – wordt gefilmd en vreemden kunnen zien wat voor B-kwaliteit boeken, ranzige posters en opmerkelijke snuisterijen je hebt. Dat kan je allemaal afdekken met een groot laken natuurlijk, maar misschien moet je laten zien dat je je moeder daar niet onder hebt verstopt.’ Na het lezen van zo’n tekst vraag ik me af hoe Fischer hoogleraar is geworden. Waarschijnlijk heeft ze haar leerstoel gekregen, gratis bij aankoop van een Billy en een Benno in de Ikea, maar is ze verdwaald geraakt in de handleiding van het knutselpakket. Ik fantaseer over het plaatsen van een camera in de meest intieme ruimtes van mevrouw Fischer (haar slaap- en woonkamer die zijn ingericht volgens de nieuwste Zweedse catalogus, haar hoofd) om uiteindelijk teleurgesteld te beseffen dat er niets te zien zal zijn; slechts leegte, leegte die ademt.

Ik zie Fischer tachtig jaar terug voor me, in dezelfde buurt als waar nu ook haar kantoor is. Ze is diender van de gemeenteadministratie en aan haar loket staat een man, een onbetrouwbaar sujet, die boos is over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer. ‘Ja, meneer Cohen, u kunt wel klagen dat er een J achter uw naam staat in het register, maar ik ben niet onder de indruk van mensen van uw soort die klagen over hun privacy. Wie zie ik iedere vrijdagavond samenklitten rond de sjoel? Precies. En die dikke slierten langs uw hoofd, daarmee loopt u toch ook over straat? Ja, vertrouwen is inderdaad goed meneer Cohen, maar controle is toch beter.’

TD

Er zijn van die mensen die pleiten voor meer straatrumoer: dat zijn idioten die nog nooit wakker zijn geworden van het geluid van een slijptol die stoepstenen doormidden klieft afgewisseld met de aankondiging van de nieuwste hit op 100% NL. Ik stikte liever in de geur van mijn eigen bierzweet dan naar dit lawaai te luisteren en deed mijn raam dicht. Nog erger dan de herrie van de werkende klasse (ja, zij wél) is het popiejopie geschreeuw in de literatuur. Het hele huis gebarricadeerd, stalen platen achter de ramen gelast, oude spiraalbodems tegen de voor- en achterdeur geschroefd, versterkt met bouwstempels die waren achtergelaten op een bouwplaats, én nog stond daar het platte vermaak in mijn woonkamer. Hoe? Dankzij een fikse schouderduw van het machtige judolijf van Peter Buwalda die mijn kleine wereld wilde onderdompelen in de stinkende geur van zaad en de straat. Maar dit stuk gaat niet over hem. Of toch wel? Ik snap het zelf ook niet meer.

Martijn Simons schreef het boek De Hollandse droom. Tenminste, zijn naam staat op de kaft, maar misschien is dat een stijlfiguur van een onbetrouwbare verteller. Ergens heb ik het vermoeden dat het personage Simons – of moet ik schrijven “Simons” – een ingehuurde acteur is met als doel om het werk van Buwalda beter te laten lijken. Want in De Hollandse droom is op zijn minst (en in tegenstelling tot schrijver/acteur/personage Simons heb ik wel gevoel voor understatement) de hand van de schrijver van Bonita Avenue te herkennen, maar dan wel als een persiflage van het echte werk. Alcoholarm bier, VVD-racisme om stemmen te winnen bij de Forumjugend: allemaal slappe aftreksels met als onbedoeld effect dat het verlangen naar het origineel toeneemt. In deze moeilijke tijden zijn uitgeverijen tot alles bereid om maar boeken te verkopen.

Hoofdpersonen in De Hollandse droom? De familie Keller: pater familias Rudolf, vrouw Marloes en onhandelbaar kroost Bram en Evi. Rudolf Keller is magistraat, heeft een schitterende carrière bij de rechtbank in Amsterdam en is lid van de PvdA. (Het boek speelt zich af in 2009, toen had die partij nog leden.) Hij wordt gevraagd voor een ministerspost. Siem Sigerius, een van de hoofdpersonen in Bonita Avenue, heeft ook een cv waar je u tegen zegt en wordt – hé, die zag ik niet aankomen – ook gevraagd om minister te worden. Beide mannen blaken van het zelfvertrouwen, hebben een fantastisch lichaam en plegen seksuele escapades met de vriendinnen van hun dochters. De Hollandse droom draait om het uiteenvallen van de familie Keller, een degeneratie die vooral wordt bewerkstelligd door ongelukkige samenlopen van omstandigheden en leugens. De familieleden hebben zo hun geheimpjes voor elkaar – buiten de deur neuken, een ghb-verslaving, opa zat bij de SS – en proberen dit web van postmoderne waarheden in stand te houden. Dat klinkt wel erg als Bonita Avenue; ‘want wat weten we van elkaar?’ is de hoofdzin van het boek van Buwalda.

Oké, ik hoor u zeggen dat dat toeval kan zijn – bestaat zoiets als toeval eigenlijk wel? – maar dat wordt lastiger vol te houden als – toevallig – toeval ook een steeds terugkerend motief is, net als in Bonita Avenue. ‘Een muntje opgooien om je leven naar de verdoemenis te helpen’: Simons. Siem Sigerius in Bonita Avenue: hoogleraar wiskunde en constant bezig met het tarten van het noodlot. 

Het laaghangend fruit laat ik maar even voor wat het is (de ghb-trips van Evi Keller zijn een parodie op de psychoses van Aaron Bever bij Buwalda, de criminele zonen en de gemanipuleerde rechtszaken in beide boeken lijken misschien toch een beetje op elkaar, de ongelukkige zelfmoord – oeps, spoiler alert – van Keller is een echo van die van Siem Sigerius), want ook op vlak van woordenschat is Simons wel erg bedreven in leentjebuur. Waar Buwalda de Tzumprijs kreeg voor de zin ‘hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, “dreven” in plaats van “straten”, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen,’ heb ik het vermoeden dat Simons’ beschrijving van Kanaleneiland als ‘zelfmoordwijk’ niet in aanmerking gaat komen voor de originaliteitsprijs.

Is er dan helemaal niets authentieks aan dat boek van Simons (of wie er dan ook achter die naam schuil gaat)? Waar Buwalda inspiratie zocht in Bataille om seks in zijn boeken via de achterdeur naar binnen te brengen, wendde Simons zich tot science fiction. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers in dit genre, dus er is weinig concurrentie, maar toch is de kwaliteit waarmee Simons zich tot koning te midden van zijn collega’s weet te kronen verbluffend. Rudolf Keller ontmoet zijn toekomstige partner in het voorjaar van 1975 (p. 56). Het is liefde op het eerste gezicht, etc. etc., en na enkele maanden (mei 1975) blijkt dat Marloes zwanger is (p.75). Condoom gescheurd, ongelukje, kan de beste overkomen (aan double Dutch deed men in de jaren 70 niet). Dat het échte liefde is blijkt uit het feit dat het stel besluit samen te blijven en onmiddellijk het burgerlijke pad op te slaan. Bijvoorbeeld door rijlessen te nemen, zo lezen we op pagina 35. In het jaar 1980, om precies te zijn. Ingenieus! Door zo met tijd te spelen en de hoofdpersonen door de jaren te laten reizen plaatst Simons een kritische noot bij het idee van lineaire tijd dat het denken van carrièrejagers domineert. 

En dat hier geen sprake is van een pijnlijke misser, zien we verderop in het boek. Evi belt in een waantoestand haar vader. ‘… dat ze hem uitgerekend op zaterdagavond om kwart over vier ’s nachts probeert te bereiken’ (p. 203). Rudolf vermoedt dat zijn dochter op het Utrechtse Zandpad is en neemt de auto ernaartoe: ‘Hoewel het een doordeweekse avond is, moet hij achterin de rij aanschuiven nadat hij […] linksaf de kade aan het Zandpad op draaide’ (p. 209). Mensen met een drugsverslaving weten inderdaad vaak niet welke dag van de week het is; hier laat Simons een ongekend sterk staaltje show, don’t tell zien.

Sommige mensen zullen beweren dat Simons met deze literaire ingrepen zich vertilt. Ik zie er wel toekomst in: laat die great Dutch novels over dinosauriërsbescherming ten tijde van het kabinet Thieme-V maar komen!

TD

Martijn Simons, De Hollandse droom. Lebowski, € 21,99.

Archief