TD

Ferdinand Grapperhaus houdt van boeken en dieren. Dat eerste weet ik omdat hij enkele maanden geleden (in maand twee van het jaar 0 CE, corona era) een straattaalwoordenboek kocht bij Van Rossum in de Beethovenstraat. Inderdaad de beste plek om, als onderdeel van een etnografische veldstudie, je te verdiepen in de communicatiemiddelen van de homo Amstelodamum minorum. Op strooptocht in het Vondelpark, begeleid door twee dienaren in uniform (de etymologische herkomst van dat woord – dinar – laat zien dat het gerechtvaardigd is om te spreken over de hoeren van justitie), sprak hij enkele dames aan op hun coronachillgedrag. Uit de articulatie van de woorden chickies en chillen blijkt dat Grapperhaus’ taalgevoel meer gelijkenissen kent met Hij was maar ’n neger van Zangeres Zonder Naam dan met de shanksongs uit de Smib en van 73 De Pijp. 

Grapperhaus’ liefde voor dieren komt tot uitdrukking in zijn vriendschap met Mai Spijkers, de man die de rat van de grachtengordel wordt genoemd. Dat dit een onnauwkeurige vergelijking is weet iedereen die ooit een aflevering van de tekenfilmserie Kim Possible heeft gezien: met zijn enorm uitstekende slagtanden en glimmende kraaloogjes heeft Spijkers meer weg van een naakte molrat dan van de beesten die tussen de bergen afvalzakken beneden mijn raam krioelen. En kan je eigenlijk wel over amicaliteit spreken als je niet wordt uitgenodigd voor de bruiloft van je beste? Maar dit stuk gaat niet, ik herhaal: níet, over de bruiloft van Ferdinand Grapperhaus; sommige botten zijn zo afgekloven dat zelfs de meest uitgehongerde hyena er niet op wil sabbelen. (Oké, één gedachtespinsel. Wie laat zijn tweede huwelijk in hemelsnaam afsluiten met Ankie Broekers-Knol als ambtenaar van de burgerlijke stand, de staatssecretaris voor deportaties, die voor kinderen in Griekse vluchtelingenkampen, die op dit moment een life acting rollplay van The Hunger Games opvoeren, geen ‘ad-hoc-oplossingen maar structurele oplossingen’ wil en ze daarom op die eilanden naar de pleuris laat gaan? Als ik een van de kinderen van Grapperhaus was zou ik snel een extra levensverzekering voor mijn pa en stiefmoeder afsluiten, want er is maar één structurele maatregel die genomen kan worden om ervoor te zorgen dat het getrouwd stel in voor- en tegenspoed bij elkaar kan blijven.)

De passie van Grapperhaus voor Mai Spijkers en boeken vond zijn culminatie in het in 2017 uitgegeven boek Rafels aan de rechtsstaat. Nou wil ik het niet over de precieze letter van het werk hebben (het is weer een samenraapsel van columns, aangevuld met losse flodders en enkele natte breinscheetjes, bijeengehouden met een kartonnetje en Pritt Stiftlijm, uitgegeven door Prometheus), maar over de geest van het boek. Ambteloze Grapperhaus was bang voor de afbraak van de rechtsstaat, bang voor ondermijning, hij vreesde voor een almachtige overheid ten opzichte van de burger. ‘Daarom is er een door de samenleving erkende, neutrale overheid nodig die iedereen [let u op, íedereen] beschermt tegen andere burgers en tegen haar eigen macht.’ Hier sprak de hoogleraar en bezorgde advocaat, en zeg nou zelf: welke jurist (met uitzondering van wat rechtse roeptoeters die uit de Leidse kloonmachine komen) is het niet eens met de bescherming van individuen tegen een almachtige overheid? 

Wie noemt u? Touché, het antwoord ‘Carl Schmitt’ had ik niet verwacht. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat dit komt doordat de directe gevolgen van zijn vriend-vijandonderscheid in rook zijn opgegaan. Nazi-Duitsland was zo’n plek waar geen rechtsstaat was, waar minderheden werden vervolgd en advocaten niet vrijuit hun werk konden doen. Maar gelukkig wonen wij in Nederland, waar de confrères van Grapperhaus worden beschermd door een minister van Justitie die voor de advocatuur opkomt. Of zoals onze minister het zelf zei op de herdenkingsbijeenkomst na de moord op Derk Wiersum: ‘En van een advocaat blijf je ook af. Zonder advocaat, geen recht. Zonder advocaat, geen rechtvaardigheid.’

Wie deze opmerking leest krijgt het gevoel dat Grapperhaus wat akelige gesprekken op zijn ministerie gaat voeren. Het waren namelijk zíjn officieren van justitie die bevel hebben gegeven voor het schaduwen van advocaten Nico Meijering en Leon van Kleef. In de zoektocht naar Ridouan T. – een tot nu toe onschuldige medeburger met een blanco strafblad dat je enkel met een zonnebril kan bekijken – is opeens alles geoorloofd; dat hij de meest gezochte man van het land is, is blijkbaar een gegronde reden om banaliteiten als rechten opzij te schuiven. ‘Een overheid die iedereen beschermt tegen haar eigen macht’: een schitterende tegeltjeswijsheid die bij Grapperhaus op zijn deurmat staat.

Ja ja, die Ridouan lijkt ook mij niet echt een lekkere jongen, maar ik vind dat ik bij mijn dealer niet te ver over zijn schouder moet kijken. Wie deze zaak echter afdoet als een incident is als een dagelijkse hoerenloper die zegt dat hij enkel voor de mooie lichtjes over de Ruysdaelkade flaneert. In 2014 werden de luistervinken van Zoetermeer – in de volksmond beter bekend als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst – betrapt op het aftappen van advocaten van het kantoor Prakken d’Oliveira. Uiteraard ben ik in deze zaak vooringenomen, want een potje toepen in de Erehemel met de twee naamgevers van dit kantoor wordt een stuk gezelliger als ik hen geen verbale novitsjok onder hun neus schuif. De advocaten stapten naar de rechter en die gaf de veiligheidsdienst een oorvijg waarna ik had verwacht dat Ronald Plasterk (als minister verantwoordelijk) kwijnend en zwijgend in een hoek van de kamer zou zitten. Dit soort stasistreken horen niet in Nederland thuis, zo maakte de zittende magistraat duidelijk. En wat deed ome Roon? Hij stelde hoger beroep in…

Ieder medium blafte tegen Grapperhaus over wat de tweede mooiste dag van zijn leven had moeten worden, maar liep trouw aan zijn leiband zodra hij de woorden orde en tucht in zijn mond nam en met een knuppel in de hand probeerde af te dwingen dat u en ik voor vijftig jaar minstens veertig uur per week voor een manager gaan werken om op een eerlijke manier de kost te verdienen. Deze zaak stinkt. Rot begint aan de kop, niet aan de staart. 

TD

Mensen met een mening over Philip Huff zijn te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant heb je mensen die deze bedelende beunhaas willen opsluiten voor verstoring van de openbare orde en aan de andere kant staat een groep analfabeten. Aangezien u dit leest heet ik u van harte welkom in de eerste groep. Huff is de aanvoerder van de meute scharrelaars en sjacheraars in de Nederlandse letteren die zichzelf schrijver noemen. Het is tijd voor een afrekening.

Dat Huff zo lang door kon gaan met zijn afperspraktijken komt doordat hij Italiaanse technieken hanteert: wie kritiek heeft wordt publiekelijk met leugens aan de digitale schandpaal genageld. Mijn geliefde mederedacteur AS kan hier over meepraten. (Ik ga hier alvast bekennen dat ik geen contract heb bij Querido, dat ik niet getrouwd ben met de vrouw van AS, dat ik niet het buitenechtelijke kind ben van AS, dat ik niet geadopteerd ben door AS, dat ik niet zijn schoonzoon ben en dat dit laatste wel anders was als het aan mij had gelegen; ik vind AS gewoon een beregeile vent, vooral als hij rode vlekken in zijn nek krijgt als ik overenthousiast vraag naar zijn favoriete passage in Reves De taal der liefde.) 

Huff is een rancuneuze lul die het niet trok dat hij tweemaal één ster kreeg in recensies in Het Parool en daarom een stuk schreef in Hollands Maandblad waarin de hij integriteit van recensenten in twijfel ging trekken. Nou is onlangs gebleken dat bij een recensent daar redenen voor waren, maar in plaats van dat Huff zijn morele geblaat dáártegen richtte, wist hij niet hoe snel hij de zaak moest afleiden door weer zijn eigen kruistocht tegen AS te voeren. Dat hijzelf geen enkele moeite heeft om wekelijks zijn tong tussen de billetjes van Joost de Vries te halen kan men afdoen als hypocriet, maar dat is wel erg makkelijk. Zo schreef Huff in Hollands Maandblad in een online addendum dat ‘De Vries hem nog nooit heeft gerecenseerd’. Dat deze knullen het wel erg gezellig hebben met hun negenenzestigfellatio lezen we regelmatig terug in De Groene. Joost zorgt ervoor dat Huff nog ergens zijn stukken kwijt kan en is daarbij niet de beroerdste om, tussen het fysiek bevredigen door, een van Huffs boeken te prijzen als een boek dat ‘zo mooi romantisch en tegelijk melancholisch het studentenbestaan’ beschrijft. 

Gelukkig heb ik nog nooit een boek van Huff gelezen. Ik heb weleens Niemand in de stad uit de kast gepakt op een huisfeestje, het opengeslagen, de pagina’s gescand, snel het boek teruggezet en bedacht dat ik die verspilde secondes van mijn leven nooit meer terugkrijg. ‘En nu heb ik haar kutvocht geproefd. De bacteriën zijn binnen.’ Dit waren de elf imbecielste woorden die u in dit stuk zal aantreffen. Het kostte me vijf glazen stolichnaya om mijn hersencellen met een precisiebombardement te doden. 

Maar de moloch Huff is moeilijk tot stilstand te brengen. Gelukkig is er al enkele jaren geen boek meer van hem verschenen (waarover zo dadelijk meer). De laatste jaren heeft hij zijn bakens verzet naar het televisiescherm. In ieder praatprogramma komt hij opdraven als “jonge schrijver” om clichématige verhalen af te steken over een generatie en een beroepsgroep waar hij niet toe behoort. Voor het onvolprezen VPRO Mondo deed hij een oproep om gezellig samen De pest van Camus te lezen: ‘Als schrijven het communiceren van gedachten en gevoelens is, en je doet dat met een boek, dan doe je dat natuurlijk ook met de individuele zinnen in dat boek.’ Waarom iemand deze ontsnapte zwakzinnige voor een camera zet is mij geheel onduidelijk, maar ik vind het vooral getuigen van weinig empathie bij een redactie dat ze deze man niet tegen zichzelf in bescherming nemen. In Dreamschool stelt Huff dat hij ‘het gevoel heeft dat de camera’s invloed hebben op hoe we ons gedragen’. Ik dacht dat zijn gedrag veroorzaakt werd door een noma-infectie in zijn kasplantenkop, maar voor dit moment gun ik hem het voordeel van de twijfel. 

De reden dat Huff zo vaak voor een camera wordt getrokken is het feit dat hij zichzelf presenteert als schrijver. Een van de karakteristieken van schrijver zijn is dat de persoon boeken schrijft. Een op het oog sluitende logica, maar we hebben eerder gezien dat voor talkshowtroubadoers, zoals Joost Zwagerman, deze universele wet niet lijkt te gelden. En het is toeval dat ik een van PC’s gevallen knuffelklootzakken noem, want Huff heeft wel wat weg van de Zwaag. Een liefde voor het Letterenfonds, bijvoorbeeld.

In 2016 kondigde Huff een transfer aan van De Bezige Bij naar Das Mag. ‘Daniël & Toine hebben me al eerder gevraagd om een boek met hen te maken. Dat lijkt me heel leuk’, kondigde hij op Twitter aan. We zijn inmiddels een kleine vier jaar verder en nog steeds is er geen boek. Ik pluis iedere prospectus uit om te lezen waarover Huff zal schrijven. Zal het gaan over een man van middelbare leeftijd die schrijver is, afwisselend in Amsterdam en New York woont, geconfronteerd wordt met zijn middelmatigheid en zich verliest in drank en pillen? Maar tot nu toe heerste stilte in de Staalstraat. Ik toog naar de Gaeper en liep daar een van de jonge pr-stagiaires van Das Mag tegen het lijf. Na twee breezers vertrouwde ze me boven een glas canei toe dat er van Huff ‘helaas momenteel niets gepland staat’. 

Die helaas laat ik helemaal aan mijn kleine blonde vriendin, er verschijnen genoeg andere slechte boeken om kapot te recenseren. Het gaat mij om die 15.000 euro subsidie die Huff in 2016 van het Letterenfonds heeft gekregen voor een boek dat niet gaat verschijnen. Begrijp mij niet verkeerd, ik ben voorstander van cultuursubsidies en wil niet het hele land een grote Brabantse varkensschuur wordt. Al krijgen wij geen cent voor het maken van dit blad en lopen wij als redacteuren eerst langs de Pels om te zien of er een gulle bekende zit voordat we op het terras durven plaats te nemen, we zijn niet rancuneus. Ik gun Philip Huff vrij veel, een grote spiegel waarvoor hij zich kan aftrekken en op een zonnige dag gonorroe toe.

Huff kan dus plaatsnemen op de graaistrafbank, er is een plek vrij tussen Klaas Dijkhoff en Theo Hiddema. Borgsom? 15.000 harde knaken, graag over te maken naar NL50INGB0002903882. Beschouwen wij het als zwijggeld en kunnen we ons weer gaan bezatten in de kroeg. We praten dan helemaal nergens meer over. 

TD

Iedereen heeft levensvragen. Zo stelt een vriend van me, als hij te veel bruine rum heeft gedronken, altijd de vraag wie de op een na beste voetballer aller tijden is: Messi of Ronaldo? Een ander vraagt wie beter zijn: de Stones of de Beatles? Antwoord: Led Zeppelin natuurlijk. Ik las ooit in een fanblad dat Robert Plant in zijn wilde jaren de tentakels van een octopus in de kut van een groupie liet glijden en dat zij, dankzij de zuignapjes van het weekdier, een groter stembereik kreeg dan de frontman van de band. Ik daarentegen vraag me af of mensen dom zijn, of slecht. Is het onkunde of doortraptheid? Deze vraag, waarvan de antwoorden een dialectische relatie hebben, is eindelijk opgelost, er is een synthese ontstaan, ik kan vredig sterven. Ik stel u voor: Agneta Fischer, hoogleraar sociale psychologie en decaan van de Faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen.

Leidinggeven aan de grootste faculteit van continentaal Europa is best een zware baan – medewerkers die willen besluiten over hun eigen tijdsindeling, studenten die een tentenkamp op de campus organiseren – dus de voorganger van Fischer, Hans Brug, besloot bijna twee jaar geleden een rustig heenkomen te zoeken in de bossen van Bilthoven. Directeur worden van een saai en rustig instituut als het RIVM leek hem wel wat, wat kon hem nou overkomen? Dankzij het helderziende talent van Brug zit die faculteit (gehuisvest in het lelijkste gebouw van Amsterdam, en dan reken ik die quasikitschmeuk in de Houthavens mee) dus opgescheept met een manager die binnen de psychologie (het kleuterklasje van de menswetenschap) ook nog gespecialiseerd is in sociale psychologie (de incontinentiehoek in de kleuterklas, naast de deur van het lokaal). Good old Freud aan de cocaïne kon op een namiddag makkelijker een oorzakelijk verband aantonen tussen agorafobie en een bezemkast dan tien van die laaielichters tussen vlees en moord in hun hele carrière bij elkaar.

Fischer besloot om in een interne mail haar mening te geven over het online surveillancesysteem dat de faculteit gebruikt om toezicht te houden bij thuistentamens. Nou is het natuurlijk zo dat iedere zichzelf respecterende studie sowieso geen tentamens afneemt: voor blokken verwijs ik naar het hierboven beschreven basisschoolhok. En uiteraard is het makkelijk om grappen te maken over het feit dat de voormalige collega van Diederik Stapel zich druk maakt om de bestrijding van fraude, en daarom doe ik dat niet. Fischer heeft menig maal met hem samengewerkt, vaardigheden van hem geleerd en de universiteit mag blij zijn dat ze zo’n inventieve en creatieve benadering van complexe problemen zoals niet-significante resultaten heeft. Nee, het gaat mij om de infantiele boodschap waaruit blijkt dat het glazen plafond soms zo slecht nog niet is.

‘Nu ben ik nooit zo onder de indruk van de strijd voor voldoende privacy door mensen die hun hele leven op Instagram, Facebook, Twitter of Whatsapp zetten, dan wel een g-mail account hebben, of Google docs of Google maps gebruiken,’ schrijft ze. Het is nog niet heel lang geleden dat de universiteit haar eigen studentenmailsysteem heeft uitbesteed aan een bekend internetbedrijf uit Sillicon Valley waarvan de naam bestaat uit zes letters en begint met een G. ‘Het gaat dus blijkbaar toch meer om het gevoel. Jouw kamer – meest intieme plek op de wereld – wordt gefilmd en vreemden kunnen zien wat voor B-kwaliteit boeken, ranzige posters en opmerkelijke snuisterijen je hebt. Dat kan je allemaal afdekken met een groot laken natuurlijk, maar misschien moet je laten zien dat je je moeder daar niet onder hebt verstopt.’ Na het lezen van zo’n tekst vraag ik me af hoe Fischer hoogleraar is geworden. Waarschijnlijk heeft ze haar leerstoel gekregen, gratis bij aankoop van een Billy en een Benno in de Ikea, maar is ze verdwaald geraakt in de handleiding van het knutselpakket. Ik fantaseer over het plaatsen van een camera in de meest intieme ruimtes van mevrouw Fischer (haar slaap- en woonkamer die zijn ingericht volgens de nieuwste Zweedse catalogus, haar hoofd) om uiteindelijk teleurgesteld te beseffen dat er niets te zien zal zijn; slechts leegte, leegte die ademt.

Ik zie Fischer tachtig jaar terug voor me, in dezelfde buurt als waar nu ook haar kantoor is. Ze is diender van de gemeenteadministratie en aan haar loket staat een man, een onbetrouwbaar sujet, die boos is over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer. ‘Ja, meneer Cohen, u kunt wel klagen dat er een J achter uw naam staat in het register, maar ik ben niet onder de indruk van mensen van uw soort die klagen over hun privacy. Wie zie ik iedere vrijdagavond samenklitten rond de sjoel? Precies. En die dikke slierten langs uw hoofd, daarmee loopt u toch ook over straat? Ja, vertrouwen is inderdaad goed meneer Cohen, maar controle is toch beter.’

TD

Er zijn van die mensen die pleiten voor meer straatrumoer: dat zijn idioten die nog nooit wakker zijn geworden van het geluid van een slijptol die stoepstenen doormidden klieft afgewisseld met de aankondiging van de nieuwste hit op 100% NL. Ik stikte liever in de geur van mijn eigen bierzweet dan naar dit lawaai te luisteren en deed mijn raam dicht. Nog erger dan de herrie van de werkende klasse (ja, zij wél) is het popiejopie geschreeuw in de literatuur. Het hele huis gebarricadeerd, stalen platen achter de ramen gelast, oude spiraalbodems tegen de voor- en achterdeur geschroefd, versterkt met bouwstempels die waren achtergelaten op een bouwplaats, én nog stond daar het platte vermaak in mijn woonkamer. Hoe? Dankzij een fikse schouderduw van het machtige judolijf van Peter Buwalda die mijn kleine wereld wilde onderdompelen in de stinkende geur van zaad en de straat. Maar dit stuk gaat niet over hem. Of toch wel? Ik snap het zelf ook niet meer.

Martijn Simons schreef het boek De Hollandse droom. Tenminste, zijn naam staat op de kaft, maar misschien is dat een stijlfiguur van een onbetrouwbare verteller. Ergens heb ik het vermoeden dat het personage Simons – of moet ik schrijven “Simons” – een ingehuurde acteur is met als doel om het werk van Buwalda beter te laten lijken. Want in De Hollandse droom is op zijn minst (en in tegenstelling tot schrijver/acteur/personage Simons heb ik wel gevoel voor understatement) de hand van de schrijver van Bonita Avenue te herkennen, maar dan wel als een persiflage van het echte werk. Alcoholarm bier, VVD-racisme om stemmen te winnen bij de Forumjugend: allemaal slappe aftreksels met als onbedoeld effect dat het verlangen naar het origineel toeneemt. In deze moeilijke tijden zijn uitgeverijen tot alles bereid om maar boeken te verkopen.

Hoofdpersonen in De Hollandse droom? De familie Keller: pater familias Rudolf, vrouw Marloes en onhandelbaar kroost Bram en Evi. Rudolf Keller is magistraat, heeft een schitterende carrière bij de rechtbank in Amsterdam en is lid van de PvdA. (Het boek speelt zich af in 2009, toen had die partij nog leden.) Hij wordt gevraagd voor een ministerspost. Siem Sigerius, een van de hoofdpersonen in Bonita Avenue, heeft ook een cv waar je u tegen zegt en wordt – hé, die zag ik niet aankomen – ook gevraagd om minister te worden. Beide mannen blaken van het zelfvertrouwen, hebben een fantastisch lichaam en plegen seksuele escapades met de vriendinnen van hun dochters. De Hollandse droom draait om het uiteenvallen van de familie Keller, een degeneratie die vooral wordt bewerkstelligd door ongelukkige samenlopen van omstandigheden en leugens. De familieleden hebben zo hun geheimpjes voor elkaar – buiten de deur neuken, een ghb-verslaving, opa zat bij de SS – en proberen dit web van postmoderne waarheden in stand te houden. Dat klinkt wel erg als Bonita Avenue; ‘want wat weten we van elkaar?’ is de hoofdzin van het boek van Buwalda.

Oké, ik hoor u zeggen dat dat toeval kan zijn – bestaat zoiets als toeval eigenlijk wel? – maar dat wordt lastiger vol te houden als – toevallig – toeval ook een steeds terugkerend motief is, net als in Bonita Avenue. ‘Een muntje opgooien om je leven naar de verdoemenis te helpen’: Simons. Siem Sigerius in Bonita Avenue: hoogleraar wiskunde en constant bezig met het tarten van het noodlot. 

Het laaghangend fruit laat ik maar even voor wat het is (de ghb-trips van Evi Keller zijn een parodie op de psychoses van Aaron Bever bij Buwalda, de criminele zonen en de gemanipuleerde rechtszaken in beide boeken lijken misschien toch een beetje op elkaar, de ongelukkige zelfmoord – oeps, spoiler alert – van Keller is een echo van die van Siem Sigerius), want ook op vlak van woordenschat is Simons wel erg bedreven in leentjebuur. Waar Buwalda de Tzumprijs kreeg voor de zin ‘hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, “dreven” in plaats van “straten”, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen,’ heb ik het vermoeden dat Simons’ beschrijving van Kanaleneiland als ‘zelfmoordwijk’ niet in aanmerking gaat komen voor de originaliteitsprijs.

Is er dan helemaal niets authentieks aan dat boek van Simons (of wie er dan ook achter die naam schuil gaat)? Waar Buwalda inspiratie zocht in Bataille om seks in zijn boeken via de achterdeur naar binnen te brengen, wendde Simons zich tot science fiction. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers in dit genre, dus er is weinig concurrentie, maar toch is de kwaliteit waarmee Simons zich tot koning te midden van zijn collega’s weet te kronen verbluffend. Rudolf Keller ontmoet zijn toekomstige partner in het voorjaar van 1975 (p. 56). Het is liefde op het eerste gezicht, etc. etc., en na enkele maanden (mei 1975) blijkt dat Marloes zwanger is (p.75). Condoom gescheurd, ongelukje, kan de beste overkomen (aan double Dutch deed men in de jaren 70 niet). Dat het échte liefde is blijkt uit het feit dat het stel besluit samen te blijven en onmiddellijk het burgerlijke pad op te slaan. Bijvoorbeeld door rijlessen te nemen, zo lezen we op pagina 35. In het jaar 1980, om precies te zijn. Ingenieus! Door zo met tijd te spelen en de hoofdpersonen door de jaren te laten reizen plaatst Simons een kritische noot bij het idee van lineaire tijd dat het denken van carrièrejagers domineert. 

En dat hier geen sprake is van een pijnlijke misser, zien we verderop in het boek. Evi belt in een waantoestand haar vader. ‘… dat ze hem uitgerekend op zaterdagavond om kwart over vier ’s nachts probeert te bereiken’ (p. 203). Rudolf vermoedt dat zijn dochter op het Utrechtse Zandpad is en neemt de auto ernaartoe: ‘Hoewel het een doordeweekse avond is, moet hij achterin de rij aanschuiven nadat hij […] linksaf de kade aan het Zandpad op draaide’ (p. 209). Mensen met een drugsverslaving weten inderdaad vaak niet welke dag van de week het is; hier laat Simons een ongekend sterk staaltje show, don’t tell zien.

Sommige mensen zullen beweren dat Simons met deze literaire ingrepen zich vertilt. Ik zie er wel toekomst in: laat die great Dutch novels over dinosauriërsbescherming ten tijde van het kabinet Thieme-V maar komen!

TD

Martijn Simons, De Hollandse droom. Lebowski, € 21,99.

Ik verveel me. Sinds ik gedwongen thuis zit heb ik het vloerkleed in mijn kamer ontdaan van de wintervacht die ik de afgelopen jaren met toewijding heb laten ontstaan, heb ik alle boeken van Peter Buwalda gelezen, ruk ik zo veel dat de bloedstriemen zich rond mijn eikel ophopen, wandel ik ’s avonds naar vrienden toe om hun lastig te vallen met onzinnige gesprekken (‘je grijze haren beginnen wel echt door te zetten’), kijk ik iedere dag een James Bondfilm, steel ik accu’s van elektrische bakfietsen om mijn wietkwekerij draaiende te kunnen houden en sport ik twee keer per dag een half uur op mijn roeimachine die ik op dag drie van quarantaine heb besteld via decathlon.nl (BN drinkt een sixpack per dag, ik train de mijne). En natuurlijk heb ik in de tussentijd mijn debuutroman en twee verhalenbundels afgemaakt, maar dat is zó niet bijzonder dat het eigenlijk niet het vermelden waard is.

Uiteindelijk stortte ik me maar op datgene wat ik eigenlijk altijd al doe. Het is geen hobby, meer een natuurlijke manier van transporteren. Ik heb het natuurlijk over fietsen, een bezigheid die ervoor heeft gezorgd dat mijn fragiele masculiniteit in mijn jeugd in de knop is gesmoord. Het dorp waar ik ben opgegroeid mag dan wel ruim zevenhonderd jaar stadsrechten hebben, ik had tijdens mijn puberteit die heerlijke privileges graag ingeruild voor een directe busverbinding met mijn school. Ik kon mekkeren zo veel ik wilde, maar mijn ouders hadden geen medelijden en lieten hun enige zoon vijftien kilometer door de regen over de dijk fietsen. ‘Je weet waar de regenpakken liggen’, was het enige dat ik te horen kreeg. Gekleed in kleuren die normaal alleen in lavalampen te zien zijn trotseerde ik de buien om de rest van de dag met soppende sokken door de school te slenteren. 

Op paaszondag besloot ik een fietstocht te ondernemen op mijn stadsfiets. Het is een barrel: hij rammelt, heeft geen versnellingen, maar wel een lichte slag in het voorwiel, dus hij is perfect om de korte afstand universiteit-redactiehok-kroeg-huis mee af te leggen. Ik heb hem afgelopen jaar van mijn vrienden gekregen voor mijn verjaardag – ik ben ze daar oprecht dankbaar voor – maar ik zou iedereen willen ontraden om een fiets te kopen via cheapassbikes.nl. Ga naar de verslaafden in de Voetboogstraat: met hun trillende handen kunnen ze tenminste geen verroeste moeren en schroeven zilverkleurig spuiten. Voor de tocht door de wildernis (alles ten noorden van Amsterdam) had ik alle noodzakelijk spullen in mijn tas gedaan – zak krentenbollen, anderhalve liter water, PC – om twee weken te kunnen overleven. 

Ik was niet de enige die op het idee was gekomen om een rondje te doen. Op het stuk dijk tussen Amsterdam-Noord en Monnickendam krioelde het van de paren wielrenners. Ik had korte tijd de hoop dat wielrenners extra vatbaar waren voor corona, want het peloton was behoorlijk uitgedund. Nou heb ik dus niets tegen fietsen (ook niet voor, het is gewoon iets dat iedere Nederlander doet), maar bij de meeste amateurwielrenners heb ik de hoop dat ze Bjorg Lambrecht achterna gaan, met hun hoofd over het asfalt schuren en een bloedrode finishlijn trekken. Er is een explosie van wielrenwaanzin uitgebroken waardoor iedere mannelijke yup de behoefte heeft gekregen om in het spoor van Tom Dumoulin te treden. Het zijn geen echte liefhebbers; het zijn pseudonationalisten die kosmopolitisch zijn in hun dagelijkse boodschappen (eten uit Afrika, ramen uit het afhaalluik van de Japanner), maar collectief individueel al járenlang fan zijn van Mathieu van der Poel, sinds hij een keer als eerste over de streep kwam. 

Het uniform van deze knotjeskudde is duidelijk: een racefiets van minstens twee ruggen met dertig versnellingen, een wielrenoutfit van Jumbo-Visma of Sunweb, extra voedselrepen, gelletjes om de kuiten mee in te smeren en een teamwagen met de vriendin van de kopman achter het stuur die de eerste afvallers na twintig kilometer opveegt. Op een feestje herken je de peletonproleet doordat hij om de enkele minuten moet praten over ‘waaieretappes’, ‘rode lantaarns’, ‘buiten- dan wel binnenblad’ en de ‘chasse patate’, maar als je hem vragen stelt over simsonsetjes gaat zijn zorgvuldig opgebouwde imago als fietsfuturist naar de filistijnen. Hij probeert een kopie van Fausto Coppi te zijn, maar deze vleselijke paper jam is door geen machinemonteur noch dopingarts te herstellen. 

Na Monnickendam zag ik minder wielrenners, toen ik voorbij Volendam was nog enkele, maar op de laatste kilometers richting Hoorn had ik eindelijk het wegdek eindelijk voor mij. Vreemd was dat natuurlijk niet: een mooiweerwielrenner draait slechts z’n rondjes om op Strava indruk te kunnen maken op de hardloopmeiden die iedere week een rondje Wertheimpark joggen. Op de IJsselmeerdijk kreeg ik van enkele Waterlandse binnenvetters vanuit hun moestuin wat bemoedigende knikjes, iets wat ik enkel kan toeschrijven aan mijn middelmatige en fantasieloze voorkomen; een H&M-paspop heeft een originelere kledingsmaak.

Toen ik wachtte bij een verkeerslicht in Heerhugowaard, kwam er een dure racefiets naast me staan. Ik herkende de redacteur van De Groene eerst niet, maar de bleke boomstammen die onder zijn strakke wielrenoutfit uitstaken verraadden hem. Ik zag aan zijn blik dat hij wist wie ik was, maar hij zei niets. Bij groen vertrok hij snel en ik zag hoe een dikke rol van zijn zitvlak om de achterkant van zijn zadel plooide. Enkele minuten later haalde ik hem in; pretentie is voor sprinters, doortrappers zeiken niet. Het was nog maar zestig kilometer naar Amsterdam. 

TD

Archief