TD

Mijn tante is met een Poolse man getrouwd en het was hij, oom Adam, die mij mijn eerste glas wodka gaf. Ik was zeven jaar oud en verlangde naar deze vrucht van de verboden boom. Grote mensen dronken wodka en ik voelde me een heuse meneer – kinderlijke zelfoverschatting gaat vaak voorbij, behalve als je Özcan heet – dus ik drong aan, jengelde, zeurde op de verjaardag van Adam totdat hij een glaasje met de afdruk van de heilige Sebastiaan erop voor mij neerzette. ‘Een cadeau van een grote man aan een andere grote man’, zei hij met een grijns op zijn gezicht.

Hoe dit afliep hoef ik verder niet uit te leggen. Ik kan dat wel proberen, maar dan verval ik waarschijnlijk in clichés over kinderen en alcohol.* Deze gebeurtenis (en vele andere activiteiten waarbij ik werd ondergedompeld in de Poolse cultuur) hebben mij drie wijze lessen geleerd. Ten eerste: Polen houden van cadeaus (geven en krijgen), ten tweede: ik houd van Polen, en, tot slot: Polen en ik houden van drank.

Op mijn dertiende had ik een zomerbaantje in een kas waar perkplanten werden gepoot. De enige reden dat ik dit werk deed was omdat mijn moeder me ertoe verplichtte zodat zij in de vakantie niet de hele tijd een hyperactieve puber in huis had. Om vier uur ging mijn wekker, om vijf uur stond ik aan de lopende band petunia’s en begonia’s te stekken en om deze geestdodende activiteit dragelijker te maken gingen de waterflesjes van mijn Poolse collega’s van hand tot hand, zodat iedereen grinnikend en lichtelijk verdoofd om half tien ’s ochtends koffiepauze had. Als mijn moeder had geweten dat zij de basis zouden leggen voor mijn alcoholmisbruik, mijn vroegtijdig ingetreden geheugenverlies en mijn buitenechtelijke, niet-erkende dochter had ze waarschijnlijk toch voor ritalin of een postnatale abortus gekozen.  

Polen delen alles. Hun drank, en ook hun land, ze delen alles met iedereen: Duitsers, Russen, Oostenrijkers, iedereen mag een stuk Polen hebben. Behalve Joden, homo’s en andere minderheden, maar laat ik de Nederlandse gewoonte om altijd iets irritants, iets zuurs te moeten zeggen achterwege houden. De toezichthouder in de kas had die gewoonte wel; Maarten heette hij, een gierige klootzak die niet snitchte bij de baas, maar wel als zwijggeld iedere week een fles van Jan – mijn collega die mij het meest onder zijn hoeden nam – eiste.  

Enkele weken geleden hield Jan een feestje en ik was uitgenodigd. Op de fiets naar het afgelegen adres in Aalsmeer dat hij aan mij had doorgegeven verheugde ik me al op de zelfgestookte wodka. Hoewel ik weet dat zelfgemaakte drank gevaarlijk kan zijn, knijp ik bij Jan en zijn vrienden graag een oogje toe. Ik kwam aan op het adres dat hij had doorgegeven en ik keek verbaasd rond. Er stonden oude caravans die ooit wit waren, maar nu werden gedomineerd door groene en zwarte schimmelvlekken. Tussen de caravans stond een overwoekerd huis, een sloopkeet waaruit stroboscooplicht en teknobeats kwamen.

‘Welkom, welkom, goed dat je er bent.’ Ik was de drempel nog niet over of de eerste fles wodka en een cilinder Tyskie werden in mijn handen gedrukt. ‘Oude gewoontes slijten niet’, dacht ik en nam een teug uit de fles. De woonkamer annex keuken stond vol met mannen van midden dertig die dansten alsof ze een vliegtuig waren: armen gespreid en klaar om naar de vertrekbaan te taxiën. 

‘Met hoeveel woon je hier?’ schreeuwde ik in Jans oor. ‘Eenentwintig. We hebben geluk dat een collega terug naar Polen moest voor de begrafenis van zijn oma. Daardoor is er nu een stapelbed half bezet.’ Een rondleiding door het huis maakte mij duidelijk dat niet iedere Pool een loodgieter of klusjesman is. Tweeëntwintig slaapplekken in een kamer waar een gebrek aan isolatiemateriaal ervoor zorgde dat airconditioning niet nodig was. Waar ooit een trapleuning zat waren nu alleen nog gaten in de muur waar insecten uit krioelden. Het was een pand dat geen ander doel kon hebben dan deze Poolse bollenpartizanen huisvesten. 

Na enkele glazen wodka veranderde ik van een muurbloem in een superpool, ik sloeg mijn vleugels uit en nam bezit van de dansvloer. Onbekende mannen sloeg mij op mijn schouders en omhelsden me, het was ware verbroedering zoals alleen alcohol dat kan doen. ‘Fuck Otto’, schreeuwde de kale man naast me. ‘Fuck Otto’, riepen anderen terug. De muziek van Mr. Polska beukte uit de speakers, maar deze mannen kwamen er bovenuit met hun oerkreet. 

‘Wie de fuck is Otto’, vroeg ik aan Jan toen we buiten meer spiritus gingen halen. ‘De huisbaas, de werkgever, het uitzendbureau. Otto is alles; God, en nog veel meer.’ Jan nam een grote slok. ‘En het ergste is dat hij goede vriendjes is met die Klaas Dijkhoff van jullie. Hij geeft die lul kaartjes voor PSV en wij maar tussen de ratten leven.’

‘Maar dat is godverdomme corruptie!’ Het Poolse spraakwater deed wat hij altijd bij me doet. ‘Nee, bij ons in Polen had dat corruptie geheten. In Afrika ook; of in Brussel, daarom heet die stad ook klein-Congo. Hier, in Nederland’ en Jan pakte me vast, als een vader die zijn zoon een les wilde meegeven, ‘noemen we dat investeren.’ Ik knikte en kotste over hem heen. De Poolse cultuur was me toch teveel geworden. 

TD

* Murat Isik, Wees onzichtbaar, (Amsterdam, 2017), 5.

Als witte man heb ik een ontzettend zwaar leven. Vrouwen verwachten dat ik over een bijna onuitputtelijke hoeveelheid kennis beschik, maar ze worden boos als ik iets van mijn wijsheid met ze deel. Ook word ik door vrouwen vaak geobjectificeerd; zo werd ik afgelopen zomer – het was zeer warm – nagefloten toen ik in mijn speedo in het Wertheimpark Een Circusjongen van Reve lag te lezen. En alsof dat nog niet genoeg was, hoorde ik vorige week van een vriend dat ik, in de koffiepauze van een kunstgeschiedeniscollege door een groepje vrouwen, werd vergeleken met de David van Michelangelo, maar dan met sexappeal.

Laat ik er niet omheen draaien: ik snap niks van vrouwen, ik wil niks van vrouwen, ik val niet op vrouwen. Na mijn negen maanden durende snuffelstage in de baarmoeder van mijn moeder heb ik besloten om de rest van mijn leven zo ver mogelijk uit de buurt van iedere vulva te blijven. Noem me een reetridder, anusarcheoloog, kringspierkolonel, ik vind het allemaal prima, zolang ik maar niet iedere maand met een gevulde mooncup in mijn hand hoef te proosten op het wonder der vrouwelijkheid.

De laatste tijd kreeg ik toch het verlangen om meer te leren over de vrouw. Niet op een seksuele manier – ik heb de stellige overtuiging dat geen vrouw zo goed kan pijpen als een man (waarschijnlijk is dit ook een vorm van mansplaining) – maar juist over het biologische bestaan. Wat gebeurt er in zo’n baarmoeder? Wat zorgt ervoor dat vrouwen praten over hun emoties en hun menstruatiecycli, terwijl mannen enkel bij een potje crackertrekken hun ware seksuele inborst durven te tonen?

Gelukkig waren Athenaeum en De Revisor zo vriendelijk om voor mij een instapmodel vrouw te regelen. Daan Borrel, sterke vrouw, spontaan en absoluut niet beschaamd om de meest bloederige details van haar venusheuvel met mij te delen. Een avondje met haar zou mij inwijden in alle rituelen die onderdeel zijn van behoren tot het vruchtbaarste geslacht. Op dinsdagavond klopte ik op de deur van de boekhandel. Een vrouw liep vanachter de balie naar de deur om deze open te maken. ‘Kom je voor de lezing? Loop dan maar door.’ Ik kreeg het gevoel dat ik een heksensabbat betrad. Om me voor te bereiden op deze avond had ik door de Malleus Maleficarum heen gebladerd; ik wist nu dat dikke vrouwen niet konden vliegen en dat zaad van mannen een essentieel onderdeel is van vruchtbaarheidstoverdranken.

Eenmaal op mijn plek op een van de stoelen in de zaal, keek ik rond en zag dat mannen ver in de minderheid waren. Er waren meer potten dan in een groenteconservenfabriek en er zaten enkele vrouwen in het publiek voor wie ongesteldheid een verlangen vormde naar een tijd waarin ze – in de natuurlijke cycli der dingen – nog wel een rol hadden. De mannen die er waren hielden ook van piemels; mijn gaydar sloeg aan als een geigerteller bij Tsjernobyl. Ik zag ook die rode vamp van de boekhandel zitten, ik lachte naar hem maar hij was te druk bezig met zichzelf bijschenken met witte wijn om mij te zien. Jammer, want op Grindr kan hij zijn promiscuïteit – in de vorm van uitvergrote dickpics – jegens mij met moeite onderdrukken.

De ster van de avond nam haar plek in. ‘Is dat Borrel?’, schoot er door mijn hoofd. Daar zat niet zomaar een vrouw; op de stoel resideerde een bulldozer die iedere uiting van fragiele mannelijkheid plat zou walsen. Ik pakte mijn aantekenblok uit mijn tas om alle wijsheid die deze muze zou verkondigen als een tampon op te kunnen zuigen.

Na afloop van het praatje was ik best tevreden. Zo leerde ik dat billen een uitingsplaats zijn van emoties. Nee, het gaat niet over winden of scheten; billen (ja, billen) zwellen op bij emoties. En ik kwam erachter dat het stralende middelpunt van Borrels heelal haar eigen hemellichaam is. ‘Ik wil andermans werk niet lezen als dat over een menstruatiecyclus gaat’, heb ik geciteerd. Ik had altijd al het vermoeden dat vrouwen niet solidair zijn – ze kennen immers geen broederschap – maar deze opmerking gaf wel de indruk dat teveel vrouwen in een ruimte gemakkelijk in een bloedbad kan ontaarden. De belangrijkste les van Borrel was dat vrouwen gestaag de wereld overnemen. ‘In het Westen worden vrouwen massaal in slaap gehouden door de pil. Er komt bevrijding aan, we gaan weer één worden met de natuur.’

Met een blik bier in mijn hand liep ik na afloop door de boekwinkel. Borrel kwam naar me toen en drukte haar boek in mijn hand. ‘Mijn nummer staat voorin. Jij mag de openingszet doen, maar daarna zet ik je schaakmat.’ Ik voelde me als een hertje in het nauw gedreven. Borrel had een extra knoopje van haar broekpak opengemaakt en liet duidelijk merken dat als zij haar oog op iets of iemand had laten vallen, zij dat ook zou krijgen. ‘Ik val op mannen, dus ik denk niet dat het iets wordt.’ Ze kijkt me ongelovig aan. ‘Dat is een fase, daar kom je wel overheen.’ Misschien heeft ze wel gelijk en staan vrouwen dichter bij de natuur. En wat kan een man daarover weten? Ik houd van kunst en kitsch, ik ben een cultuurmens.

TD

Daan Borrel, Jaar van het nieuwe verhaal. De Bezige Bij, € 21,99.

Archief