TD

Een recensie beginnen met het citaat van dat ene zinnetje uit de Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte is niet alleen een cliché, het zou in een bespreking van De wondergrijsaard van Onno Blom ook de plank behoorlijk misslaan. Hoewel de lanterfanter van de Leidsekade zichzelf als een held uit een Griekse tragedie zag, lezen zijn boeken toch meer als het werk van een laatbloeiende puber die, net verlost van zijn clearasilkop, tijdens zijn eerste jaar politicologie, filosofie of aanverwante studie een introductie tot een tekst van Plato, Machiavelli, Nietzsche of andere dode witte man die neerkeek op de vrouwtjes vanwege hun aangeboren drang tot hysterie las, en daar zo van onder de indruk was dat hij een essay van vijfhonderd pagina’s tikte waarin hij vaak woorden als ressentiment, übermensch, virtu en Fortuna, Koning-Filosoof gebruikte (vooral in een context waaruit bleek dat hij de concepten niet echt begrepen had en er enkel óver had gelezen in middelmatige Nederlandstalige handboeken die stamden uit de jaren zeventig en dito modieuze spelling bezaten in plaats van de originele werken in het oud-Grieks, Renaissance-Italiaans of Duits te bestuderen) en dat de bravoure waarmee hij zijn inconsequente denkkader aan de man bracht zo hypnotiserend was voor de onbenullige toehoorders, die zelf nooit een boek opensloegen, dat ze meegezogen werden in de draaikolk van orakelgebrabbel, hocus pocus en blablabla met als gevolg dat de ijdele kwast tevoorschijn kwam als het slimste jochie van de werkgroep, terwijl hij, toen hij na zijn optreden zich uit de voeten maakte, zijn publiek in opperste staat van verwarring achterliet. Als een klucht dus. 

Over die dooie ik ga het hier niet hebben. De afgelopen weken heeft u in iedere andere krant, ander tijdschrift of, als u een teeveekijker bent, op een van de spaarzame niet-pornokanalen wel wat mee kunnen krijgen over het leven van de teckelteef. En begrijp mij niet verkeerd: ik houd van teckels, vooral ruwharige; later, als ik wat groter woon, krijgt zo’n wandelende worst op pantoffels bij mij onderdak, ik noem hem dan Kolonel; niet omdat ik een militarist ben, van oorlog of uniformen houd, nee, vanwege de snor. Kolonel bromsnor. Maar terug naar de klucht. Weet u wat erger is dan een klucht? Een klucht over een klucht. Kluchtkwadraat. En dat is misschien wel de beste beschrijving die ik van Onno Blom kan geven.

Op de flaptekst van De wondergrijsaard wordt dr. Blom voorgesteld aan de hand van zijn indrukwekkendste pennenvrucht: zijn Wolkersbiografie, het proefschrift waarmee hij ‘een rel ontketende’. En de films van Harvey Weinstein zorgden voor ophef. Misschien herinnert u zich nog dat na tien jaar noeste arbeid Bloms beoogde proefschrift door de promotiecommissie terug naar de tekentafel werd gestuurd? En dat vervolgens, geheel volgens Irakese, Libische of anderszins autoritaire wijze, door de decaan een nieuwe promotiecommissie, vol met jaknikkers en net-niet gepensioneerden die niets meer te verliezen hadden, werd samengesteld? Deze affaire is redelijk uitgekauwd, maar tot nu toe heeft een persoon de dans ontsprongen: Mark Rutgers, de decaan van de Leidse geesteswetenschappenfaculteit én het lafhartigste en meest kleurloze weekdier dat ik ken. Nou nou, zal u misschien denken, moet dat zo? Ja, want mijn haat is niet professioneel; het is persoonlijk. Deze ruggengraatloze minkukkel stond erbij toen ik, tijdens de inzage van zíjn tentamen, nadat ik zijn vrouwelijke co-docent erop had gewezen dat ze niet de daadwerkelijke maar aangepaste vragen besprak, door haar voor leugenaar werd uitgemaakt, een verdraaiing van de waarheid die ik met het papieren tentamen in de hand kon ontkrachten. Rutgers haalde zijn schouders op.

In NRC van 11 november 2017 blikten Rutgers en Willem Otterspeer, Bloms promotor en schrijver van de mislukte WFH-biografie, op een succesvolle show terug. Ze vonden het toch nodig om hun opmerkelijke stappen rondom de opstelling van de opponenten goed te praten. ‘Ook die tweede commissie was kwalitatief goed. Je wordt altijd door je peers getoetst hè,’ zei Rutgers. ‘Ik ken het ook uit het verleden, de sociale wetenschappen en de linguïstiek in de jaren tachtig. Toen wist je: je moet echt niet iemand uit het andere kamp in je commissie hebben, want dat geeft alleen maar ellende.’ Dat niemand zin heeft in gefit op de vierkante millimeter is begrijpelijk, maar Rutgers tuigt hier een metershoge stropop op met als enige doel zijn achterlijkheid en onbekwaamheid te maskeren. Sta mij toe.

Op 13 juni 2014 verdedigde Benno Netelenbos, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, in de Agnietenkapel zijn proefschrift Four Faces of Political Legitimacy. Het boek is een kloeke baksteen (veel Weber, Habermas, etc.) en dus handig om bij iemand de ruiten mee in te gooien. In de promotiecommissie zaten onder andere Willem Schinkel en, u raadt het al, Mark Rutgers. Ik zat in de zaal: het is altijd leuk om te zien dat de docent die jou laat zweten tijdens een tentamen nog harder kan transpireren dan jijzelf. De bijdrage van Rutgers aan het duel is mij niet bijgebleven, die van Schinkel des te meer. ‘Dear candidate. I read your book, especially the part about Niklas Luhmann, and I strongly disagree with you.’ Wat volgde was een kwartier academisch spektakel dat nog het best te vergelijken was met de Olympische turnfinale: geen idee wat ze doen, maar het ziet er indrukwekkend uit. Resultaat? Een uur later werd doctor B. Netelenbos door alle aanwezigen gefeliciteerd voor zijn promotie cum laude.

Schinkel, de grootste raaskaller van Rotterdam, de man die om de ondoordringbaarheid van zijn betonproza ook wel Heidegger aan de Maas wordt genoemd, gaf zijn tegenstander na vijftien minuten verbaal rollebollen, waarna ze – nog steeds – hartstochtelijk van mening verschilden, het predicaat met lof. Nee, ik snap wel waarom Rutgers voor Blom iedere drempel, zelfs die van vijf millimeter hoog, op het bij zijn geboorte al aangelegde pad richting het doctoraat heeft platgewalst. Blommetje komt uit een Leidse professorenfamilie en moest en zou promoveren. Het was een noodzaak. Noodzaak? Halszaak! En dan scheelt het natuurlijk als de lijntjes kort zijn en paps hier en daar wat handjes, al dan niet gevuld met een envelop met onderzoeksgeld, kan schudden. 

Literair Nederland was te lui om, in de klucht over de commissie, eens uit te zoeken wie de rol van fluisteraar achter de troon speelde. Wie het etterspoor volgt, ziet hoe smerig incestueus de hele bende was. En dat was pas de eerste klucht. De aanloop naar de grote shitshow die plaatsvond op 19 oktober. Blom moest en zou promoveren op dít boek op de tiende sterfdag van Wolkers en niets – gebrek aan kwaliteit, bijvoorbeeld – mocht daarbij in de weg staan. Niet verrassend dat de laatste stelling van Bloms proefschrift dan ook was dat hij ‘promoveert voor zijn vader’. Hier hengelt iemand wel erg opzichtig naar een aai over de bol van zijn verwekker, een stukje erkenning en genegenheid van de man die hij enkel op zondag zag en die hem, als dertienjarige jongen, vooral inprentte dat papa erg teleurgesteld was in zijn gemiddelde van 8,2. Dit lijkt een freudiaanse analyse, eindelijk een makkelijk stukkie tekst op de sofa, maar daar ga ik maar niet aan beginnen. Want dat is theorie. Wetenschap. Methodologie. Ik wil dat onnozele Onno dit ook kan begrijpen. 

We zijn bijna bij het boekje, ik wil slechts nog één stelling van Blom presenteren. Waarom? Ik kan wel zeggen dat het een pedante idioot is wiens enige talent is om in de buurt te zijn van bekende Nederlanders op het moment dat ze de hoek omgaan (dit is een waarschuwing!), maar waarom zou ik u dat in godsnaam uit gaan leggen als de fopdoctor het zelf kan tonen? Stelling 8: ‘Klikspaan heeft anderhalve eeuw na dato nog altijd gelijk: “Het bestaan van Leiden hangt aan een haar: de Academie; snijdt het af, Leiden is weg.”’ Tien jaar lang, iedere dag, pakte Onno de trein van Leiden naar Gouda, of van Leiden naar Deventer, van Leiden naar Amersfoort, naar Dordrecht, Apeldoorn, Zwolle, Roermond, noem maar op, ging op een terras aan het marktplein van de provinciestad zitten, dronk twee pilsjes, at een tosti kaas-tomaat en ging weer naar de Sleutelstad om uiteindelijk tot de conclusie te komen: ‘Ja, die studentjes maken zo’n stad wel gezellig.’

En dan nu zijn nieuwste meesterwerk. De wondergrijsaard van Dr. No Blom is een hagiografisch stuk, geschreven in de beste stalinistisch-realistische stijl, dat zelfs door de redactie van Granma, het foldertje van de Partido Comunista de Cuba, als te schaamteloze pravdapropaganda zou worden weggezet. Natuurlijk is het moeilijk om een boek te schrijven met een ijzeren logica van 1+1=2 als de persoon om wie het gaat op iedere willekeurige rekensom antwoord met ‘Auschwitz!’. Maar Blom heeft er geen moeite mee om als labknaapje op te treden van deze pyrrusproducent. ‘De alchemist in Mulisch kon er een bewijs in zien: zijn schrijverij stokte, want zijn oeuvre vormde een volmaakte as, paste precies tussen de “a” van archibald strohalm en de “s” van Siegfried.’ Tsja. Als Mulisch’ laatste boek Xandra’s natte poes had geheten was er een perfecte ax ontstaan, wat in fonetisch Engels een bijl is, wat toevallig ook onderdeel was van de Romeinse fasces, het gereedschap waarvan het woord fascisme is afgeleid, en laat dat nou het heliocentrische middelpunt zijn geweest in het leven van Harry “40-45” Mulisch. Of als zijn laatste boek een autobiografie getiteld Baviaan, brulaap, bullebak was geweest, was er geen centrale as ontstaan, maar ab, waarmee Nostradamus met zijn grote neus had geroken dat er tien jaar na zijn dood een pandemie zou zijn waarover Ab Osterhaus in talkshows met een glas rode wijn bij de hand zou oreren. Als Harry nog had geleefd had Ab vast bij zijn jongensclubje gemogen.

Mulisch is niet de enige fröbelfilosoof die aan het woord komt in De wondergrijsaard. Kleine Connie gaf Blom inzage in haar dagboeken. Vijf dagen voordat Harry zijn eeuwige pijp aan Maarten gaf schreef ze: ‘In de schemerige kamer ligt Harry de soevereine dood te sterven die hij altijd in zich had. Ik maak de stomme fout te dicht bij hem te gaan zitten, waardoor hij me niet kan zien.’ In die goede tijd ontkurkte Connie nog twee flessen merlot bij het ontbijt, lunchte ze met White Russians, kwam om vier uur de pastis op tafel en snoepte ze, terwijl ze in haar doorzichtige nachtjapon naar de lege plek naast haar in bed keek, nog snel vijf lepels advocaat naar binnen om een goede nachtrust te garanderen. En dat had zijn effect op haar gedachtespinsels. Ik heb Hobbes erbij gepakt, en Schmitt, Benjamin en Agamben afgestoft (spreekwoordelijk dan, want Schmitt lees ik iedere week op zondag ter voorbereiding van mijn nog te plegen staatsgreep, de uitnodiging komt tijdig uw kant op), en kan in al hun werken niets vinden over een soeverein met een hersentumor. Die knobbel in Mulisch’ kankerkop legde de man om, hij was de laatste maanden een slaaf van zijn gezwel. Gelukkig is Palmen tegenwoordig weer van de drank af.

De enige goede woorden in het boek komen van Blom noch van Mulisch. Hugo Claus is de vent in het verhaal. Mulisch was een zielenpoot die, terwijl zijn vriend aan het dementeren was, achterlijke opmerkingen aan het maken was over het volschijten van zijn onderbroek. ‘Toen ik twee was, droeg ik een luier. Waarom kan dat niet opnieuw?’ De gedachtegang van een eeuwige peuter. Nee, doe mij maar Claus. De mooiste vrouwen, het beste oeuvre. En toen het niet meer ging, hij kon geen hij zei van hij zij meer onderscheiden, maakte hij er zelf een eind aan, wet of geen wet. ‘Ni Dieu, ni maître,’ besloot hij zijn afscheidsbrief. Sommige schrijvers zijn slechts een vertoning; Claus was koning. 

TD

Onno Blom, De wondergrijsaard, De Bezige Bij, € 21,99

Iedere persoon heeft macabere hobby’s, maar iedereen bedrijft die op zijn eigen manier. Zo spraak ik laatst een jongeman in de kroeg die zich, zo vertelde hij, naast zijn studie belastingrecht, heeft gestort op het verzamelen van Stolpersteine. Hij was speciaal zijn master aan de UvA gaan doen, omdat in de buurt van Tilburg geen jodentegels te vinden zijn; de katholieken in het zuiden hadden geen Duitse aanwijzingen nodig om hun gebied shoahschoon te krijgen. Over mijn oudoom met een voorliefde voor gegrilde geitenplacenta ga ik het hier niet hebben: als ik hem vroeg wat hij in de pan legde werd hij altijd sikkeneurig en schotelde mij de zwart aangebakken moederkoek met enkele spruiten van eigen land, vergezeld door drie-en-een-halve kruimige Frieslanders voor waarna hij mij dreigend meedeelde dat ik pas van tafel mocht als ik alles naar binnen had gewerkt. Misschien verklaart dit mijn obsessie met rouwadvertenties.

Als ik op zaterdagmorgen thuiskom of opsta, ga ik met een halve liter peppeccino of cappuccino erbij, naargelang het aantal uren nachtrust, NRC Handelsblad lezen. Ik kijk of Wieringa minstens eenmaal de namen Baudet of Trump laat vallen (dat doet hij) en verzeker me ervan dat de krant van rede en vrijheid nog steeds een alcoholist met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis van de straat en uit de kroeg houdt door hem een plekkie achterop de opiniekatern aan te bieden, waarna ik uiteindelijk bij de pagina’s aankom waar het mij om te doen is. De laatste maanden zijn er meer doodsberichten bij gekomen en kan mijn geluk niet op. Het is heerlijk om met een taalkundige scalpel door de omlijnde berichten te gaan. Zo moet je wel een enorme koloniale kater hebben als je vermeld dat je overleden familielid in 1947 in Jakarta is geboren. En krijg je subtiele inzichten in de bras-, bral- en neukpartijen binnen het LSC van de jaren 50 door de jaarclubherinneringen aan het heengegane lid. 

Dit weekend was het alsof de God van het dodenrijk mij wilde belonen, want nadat ik de krant had doorgewerkt, zag ik dat mijn huisgenoot De Gids op de keukentafel had laten liggen. Normaal lees ik dat blad niet, het is zo saai, zo voorspelbaar, het wordt ongevraagd bij ons thuis bezorgd met De Groene Amsterdammer. En net als bij medicijnen leest inderdaad niemand de bijsluiter. Enfin, het zwarte goud uit m’n percolator had zijn werk gedaan, ik was wakker en wilde weleens weer een poging wagen. Blader, blader, gaap, gaap. (Ik ga u maar niet vervelen met een inhoudelijke bespreking van het meeste dat ik daar aantrof, want anders ligt uw hoofd zo dadelijk ook op dit blad en vangt dit extrachloorhoudende papier uw speeksel op.) Ik nam nog maar een slok koffie. Blader, blader, gaap, ga.. hé! Een essay over de dood van de ironie! Ik wist dat De Gids een doods blad was, maar ik had niet verwacht dat het ruimte zou maken voor het beieren van de doodsklokken voor mijn favoriete stijlmiddel. Eens kijken wat Lise Evers, de troubadour van het verdrietige nieuws, te melden heeft.

Natuurlijk noemt ze Gerard Reve, ome Gerard die zijn laatste levensjaren sleet met hunkeren naar de koorknaapjes van Machelen. En wie nog meer? Ons! Ja natuurlijk, de vaandeldragers van de voorhoede van de avant-garde van de ironie kunnen in zó’n vernieuwend essay niet onbesproken blijven. Evers keuvelt wat over dat gedichtje dat Reve ooit voor dit blad schreef, vertrekt vervolgens naar de stranden van Tanger omdat onze homoseksuele held zich daar te goed deed aan jongentjes die zich voor 75 centen in hun kontjes lieten nemen om uiteindelijk, via een kronkelige omweg langs Theo van Gogh en GeenStijl, bij retteketet Baudet aan te komen. ‘Wie ironie als stijlmiddel hanteert laat de deur naar de ontkenning graag op een kier. De racistische ironicus wenst niet in het openbaar als racist te worden ontmaskerd, maar heeft tegelijkertijd als doel door gelijkgestemden te worden herkend.’ Zo die zit. En wat is de stoot waarmee Evers de lezer – ik, u – tegen het canvas slaat? ‘Van Reve leren we dat de goede verstaander niet diegene is die lacht, maar diegene die de woorden precies begrijpt zoals ze aan ons worden voorgeschoteld.’ 

Een langgerekte geeuw, dat was het resultaat van dit probeersel. Uitgeput na deze marathon van circustrucjes waarvoor een kind van vijf op zomercursus in Drenthe zich nog zou schamen ging ik op mijn bank liggen. Ik dommelde, zakte weg en schrok wakker, knikkebolde en zag Gerard Reve in een roze konijnenpak, versierd met een snoezig, wit pluizenbolletje, met een rieten mand om zijn rechterarm, door mijn huis hupsen, terwijl hij in alle hoeken, nissen en donkere gaten chocolade-eieren verstopte. ‘Maar Gerard, als jij die eitjes verstopt en ik ze niet vind, zijn ze er dan wel?’ Hij liep op mij af en ontblootte zijn geslepen hoektanden. ‘Zal ik jou eens een geheime opening laten zien waarin ik alles laat verdwijnen?’ Een diabolische lach ontsnapte uit zijn muil en galmde nog na in mijn oren toen ik mijn ogen opende en zag dat ik helemaal alleen in mijn kamer was.

De God van de Nederlandse letteren wilde mij wat vertellen, dat was wel duidelijk. Want waarom was Hij anders aan mij verschijnen in een droom? Was het paapse symboliek, decadente krullendraaierij, ging het over barokke versieringen? Waarom deed Reve mij denken aan Ab Normaal? Het zal wel iets met dat ergerniswekkende stuk van Evers te maken hebben, dacht ik. Het kwam me zo bekend voor. Dat is ook niet vreemd voor een tekst met de originaliteit van een Youp-column, maar toch, het voelde umheimisch, ongemakkelijk. 

Ik zocht maar eens op wat Coen Peppelenbos over het betreffende essay schreef. ‘Nu is het niet de eerste keer dat de ironie en het racisme van Reve aan de kaak wordt gesteld. Harry Mulisch deed het bijvoorbeeld al veertien jaar voor de geboorte van Lise Evers in het pamflet Het ironische van de ironie. Merkwaardig genoeg ontbreekt dat pamflet in het artikel.’ Gelukkig weet ik dat Coen tot de parochie van Sint-Sebastiaan behoort, anders zou ik het smerig vinden dat hij geilt op de leeftijd van deze onnozele deerne. Daarnaast is het duidelijk dat de hoofdredacteur van ons aller geliefdste weblog in Groningen huist. Nieuwerwetse trends komen pas laat door in het Noorden: heroïne is nog steeds drug nummer één, de oude binnenstad staat grotendeels nog overeind doordat de Stadjers hadden gezien dat Hoog Catharijne en de nieuwe Weesperstraat kolossale mislukkingen waren. Nieuwe boeken doen er veertig jaar over om door te dringen tot het wingewest, dus blijft Peppelenbos schaduwgevechten uit de vorige eeuw uitventen. 

Mijn gedachten dwaalden weer af, naar Reve op het strand, struinend door de steegjes van de kasba, verdwalend, zoekend naar een weg uit het doolhof… Eureka! Ik stond op, liep naar mijn boekenkast en pakte De minaret van Bagdad van Michiel Leezenberg van de plank. Reve, Reve, waar sta je, Reve? En daar las ik het, op pagina 149, hij fulmineerde over de Marokkaanse jongentjes: ‘Allen zijn prostituees, maar de schakering is groot. Echte prostituutsie [sic] zou je het niet kunnen noemen, het is meer een bijverdienste.’ Zo, dat heeft die Evers eens origineel bedacht, dat verhaal over de Grote Volksschrijver en zijn tripjes naar Tanger. En plotsklaps bedacht ik me in welke literaire etalage ik de kralenketting Reve-PC-Van Gogh eerder heb zien liggen. Merijn Oudenampsen reeg deze polemische parels aaneen in zijn boek De conservatieve revolte. ‘Maar er is ook een institutionele relatie tussen Reve, Hermans, Van Gogh en GeenStijl: ze hebben allemaal banden met het door studenten gerunde, satirische literaire tijdschrift Propria Cures, beroemd en berucht omdat veel schrijvers en journalisten er hun carrière zijn begonnen.’ En het is niet alleen in dit boek dat Oudenampsen deze boodschap verkondigde: hij deed het ook al in De Groene in 2013 en in hetzelfde blad werd zijn betoog nog eens aangehaald door Coen van de Ven in 2019. Het is geen knip-en-plakwerk van Evers, maar voor een postmoderne pastiche rijmt het toch iets te veel.

Lise Evers is historicus en schrijft essays, zo staat boven haar stuk in De Gids. Ze schreef ook voor DW B, op de website van het blad staat dat ze promovendus is aan de Universiteit van Amsterdam. Door de academie wordt plagiaat gedefinieerd als ‘het gebruik maken dan wel overnemen van andermans teksten, gegevens of ideeën zonder volledige en correcte bronvermelding’. Ik denk dat iemand wat heeft uit te leggen. 

TD

Ferdinand Grapperhaus houdt van boeken en dieren. Dat eerste weet ik omdat hij enkele maanden geleden (in maand twee van het jaar 0 CE, corona era) een straattaalwoordenboek kocht bij Van Rossum in de Beethovenstraat. Inderdaad de beste plek om, als onderdeel van een etnografische veldstudie, je te verdiepen in de communicatiemiddelen van de homo Amstelodamum minorum. Op strooptocht in het Vondelpark, begeleid door twee dienaren in uniform (de etymologische herkomst van dat woord – dinar – laat zien dat het gerechtvaardigd is om te spreken over de hoeren van justitie), sprak hij enkele dames aan op hun coronachillgedrag. Uit de articulatie van de woorden chickies en chillen blijkt dat Grapperhaus’ taalgevoel meer gelijkenissen kent met Hij was maar ’n neger van Zangeres Zonder Naam dan met de shanksongs uit de Smib en van 73 De Pijp. 

Grapperhaus’ liefde voor dieren komt tot uitdrukking in zijn vriendschap met Mai Spijkers, de man die de rat van de grachtengordel wordt genoemd. Dat dit een onnauwkeurige vergelijking is weet iedereen die ooit een aflevering van de tekenfilmserie Kim Possible heeft gezien: met zijn enorm uitstekende slagtanden en glimmende kraaloogjes heeft Spijkers meer weg van een naakte molrat dan van de beesten die tussen de bergen afvalzakken beneden mijn raam krioelen. En kan je eigenlijk wel over amicaliteit spreken als je niet wordt uitgenodigd voor de bruiloft van je beste? Maar dit stuk gaat niet, ik herhaal: níet, over de bruiloft van Ferdinand Grapperhaus; sommige botten zijn zo afgekloven dat zelfs de meest uitgehongerde hyena er niet op wil sabbelen. (Oké, één gedachtespinsel. Wie laat zijn tweede huwelijk in hemelsnaam afsluiten met Ankie Broekers-Knol als ambtenaar van de burgerlijke stand, de staatssecretaris voor deportaties, die voor kinderen in Griekse vluchtelingenkampen, die op dit moment een life acting rollplay van The Hunger Games opvoeren, geen ‘ad-hoc-oplossingen maar structurele oplossingen’ wil en ze daarom op die eilanden naar de pleuris laat gaan? Als ik een van de kinderen van Grapperhaus was zou ik snel een extra levensverzekering voor mijn pa en stiefmoeder afsluiten, want er is maar één structurele maatregel die genomen kan worden om ervoor te zorgen dat het getrouwd stel in voor- en tegenspoed bij elkaar kan blijven.)

De passie van Grapperhaus voor Mai Spijkers en boeken vond zijn culminatie in het in 2017 uitgegeven boek Rafels aan de rechtsstaat. Nou wil ik het niet over de precieze letter van het werk hebben (het is weer een samenraapsel van columns, aangevuld met losse flodders en enkele natte breinscheetjes, bijeengehouden met een kartonnetje en Pritt Stiftlijm, uitgegeven door Prometheus), maar over de geest van het boek. Ambteloze Grapperhaus was bang voor de afbraak van de rechtsstaat, bang voor ondermijning, hij vreesde voor een almachtige overheid ten opzichte van de burger. ‘Daarom is er een door de samenleving erkende, neutrale overheid nodig die iedereen [let u op, íedereen] beschermt tegen andere burgers en tegen haar eigen macht.’ Hier sprak de hoogleraar en bezorgde advocaat, en zeg nou zelf: welke jurist (met uitzondering van wat rechtse roeptoeters die uit de Leidse kloonmachine komen) is het niet eens met de bescherming van individuen tegen een almachtige overheid? 

Wie noemt u? Touché, het antwoord ‘Carl Schmitt’ had ik niet verwacht. Maar ik heb het donkerbruine vermoeden dat dit komt doordat de directe gevolgen van zijn vriend-vijandonderscheid in rook zijn opgegaan. Nazi-Duitsland was zo’n plek waar geen rechtsstaat was, waar minderheden werden vervolgd en advocaten niet vrijuit hun werk konden doen. Maar gelukkig wonen wij in Nederland, waar de confrères van Grapperhaus worden beschermd door een minister van Justitie die voor de advocatuur opkomt. Of zoals onze minister het zelf zei op de herdenkingsbijeenkomst na de moord op Derk Wiersum: ‘En van een advocaat blijf je ook af. Zonder advocaat, geen recht. Zonder advocaat, geen rechtvaardigheid.’

Wie deze opmerking leest krijgt het gevoel dat Grapperhaus wat akelige gesprekken op zijn ministerie gaat voeren. Het waren namelijk zíjn officieren van justitie die bevel hebben gegeven voor het schaduwen van advocaten Nico Meijering en Leon van Kleef. In de zoektocht naar Ridouan T. – een tot nu toe onschuldige medeburger met een blanco strafblad dat je enkel met een zonnebril kan bekijken – is opeens alles geoorloofd; dat hij de meest gezochte man van het land is, is blijkbaar een gegronde reden om banaliteiten als rechten opzij te schuiven. ‘Een overheid die iedereen beschermt tegen haar eigen macht’: een schitterende tegeltjeswijsheid die bij Grapperhaus op zijn deurmat staat.

Ja ja, die Ridouan lijkt ook mij niet echt een lekkere jongen, maar ik vind dat ik bij mijn dealer niet te ver over zijn schouder moet kijken. Wie deze zaak echter afdoet als een incident is als een dagelijkse hoerenloper die zegt dat hij enkel voor de mooie lichtjes over de Ruysdaelkade flaneert. In 2014 werden de luistervinken van Zoetermeer – in de volksmond beter bekend als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst – betrapt op het aftappen van advocaten van het kantoor Prakken d’Oliveira. Uiteraard ben ik in deze zaak vooringenomen, want een potje toepen in de Erehemel met de twee naamgevers van dit kantoor wordt een stuk gezelliger als ik hen geen verbale novitsjok onder hun neus schuif. De advocaten stapten naar de rechter en die gaf de veiligheidsdienst een oorvijg waarna ik had verwacht dat Ronald Plasterk (als minister verantwoordelijk) kwijnend en zwijgend in een hoek van de kamer zou zitten. Dit soort stasistreken horen niet in Nederland thuis, zo maakte de zittende magistraat duidelijk. En wat deed ome Roon? Hij stelde hoger beroep in…

Ieder medium blafte tegen Grapperhaus over wat de tweede mooiste dag van zijn leven had moeten worden, maar liep trouw aan zijn leiband zodra hij de woorden orde en tucht in zijn mond nam en met een knuppel in de hand probeerde af te dwingen dat u en ik voor vijftig jaar minstens veertig uur per week voor een manager gaan werken om op een eerlijke manier de kost te verdienen. Deze zaak stinkt. Rot begint aan de kop, niet aan de staart. 

TD

Mensen met een mening over Philip Huff zijn te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant heb je mensen die deze bedelende beunhaas willen opsluiten voor verstoring van de openbare orde en aan de andere kant staat een groep analfabeten. Aangezien u dit leest heet ik u van harte welkom in de eerste groep. Huff is de aanvoerder van de meute scharrelaars en sjacheraars in de Nederlandse letteren die zichzelf schrijver noemen. Het is tijd voor een afrekening.

Dat Huff zo lang door kon gaan met zijn afperspraktijken komt doordat hij Italiaanse technieken hanteert: wie kritiek heeft wordt publiekelijk met leugens aan de digitale schandpaal genageld. Mijn geliefde mederedacteur AS kan hier over meepraten. (Ik ga hier alvast bekennen dat ik geen contract heb bij Querido, dat ik niet getrouwd ben met de vrouw van AS, dat ik niet het buitenechtelijke kind ben van AS, dat ik niet geadopteerd ben door AS, dat ik niet zijn schoonzoon ben en dat dit laatste wel anders was als het aan mij had gelegen; ik vind AS gewoon een beregeile vent, vooral als hij rode vlekken in zijn nek krijgt als ik overenthousiast vraag naar zijn favoriete passage in Reves De taal der liefde.) 

Huff is een rancuneuze lul die het niet trok dat hij tweemaal één ster kreeg in recensies in Het Parool en daarom een stuk schreef in Hollands Maandblad waarin de hij integriteit van recensenten in twijfel ging trekken. Nou is onlangs gebleken dat bij een recensent daar redenen voor waren, maar in plaats van dat Huff zijn morele geblaat dáártegen richtte, wist hij niet hoe snel hij de zaak moest afleiden door weer zijn eigen kruistocht tegen AS te voeren. Dat hijzelf geen enkele moeite heeft om wekelijks zijn tong tussen de billetjes van Joost de Vries te halen kan men afdoen als hypocriet, maar dat is wel erg makkelijk. Zo schreef Huff in Hollands Maandblad in een online addendum dat ‘De Vries hem nog nooit heeft gerecenseerd’. Dat deze knullen het wel erg gezellig hebben met hun negenenzestigfellatio lezen we regelmatig terug in De Groene. Joost zorgt ervoor dat Huff nog ergens zijn stukken kwijt kan en is daarbij niet de beroerdste om, tussen het fysiek bevredigen door, een van Huffs boeken te prijzen als een boek dat ‘zo mooi romantisch en tegelijk melancholisch het studentenbestaan’ beschrijft. 

Gelukkig heb ik nog nooit een boek van Huff gelezen. Ik heb weleens Niemand in de stad uit de kast gepakt op een huisfeestje, het opengeslagen, de pagina’s gescand, snel het boek teruggezet en bedacht dat ik die verspilde secondes van mijn leven nooit meer terugkrijg. ‘En nu heb ik haar kutvocht geproefd. De bacteriën zijn binnen.’ Dit waren de elf imbecielste woorden die u in dit stuk zal aantreffen. Het kostte me vijf glazen stolichnaya om mijn hersencellen met een precisiebombardement te doden. 

Maar de moloch Huff is moeilijk tot stilstand te brengen. Gelukkig is er al enkele jaren geen boek meer van hem verschenen (waarover zo dadelijk meer). De laatste jaren heeft hij zijn bakens verzet naar het televisiescherm. In ieder praatprogramma komt hij opdraven als “jonge schrijver” om clichématige verhalen af te steken over een generatie en een beroepsgroep waar hij niet toe behoort. Voor het onvolprezen VPRO Mondo deed hij een oproep om gezellig samen De pest van Camus te lezen: ‘Als schrijven het communiceren van gedachten en gevoelens is, en je doet dat met een boek, dan doe je dat natuurlijk ook met de individuele zinnen in dat boek.’ Waarom iemand deze ontsnapte zwakzinnige voor een camera zet is mij geheel onduidelijk, maar ik vind het vooral getuigen van weinig empathie bij een redactie dat ze deze man niet tegen zichzelf in bescherming nemen. In Dreamschool stelt Huff dat hij ‘het gevoel heeft dat de camera’s invloed hebben op hoe we ons gedragen’. Ik dacht dat zijn gedrag veroorzaakt werd door een noma-infectie in zijn kasplantenkop, maar voor dit moment gun ik hem het voordeel van de twijfel. 

De reden dat Huff zo vaak voor een camera wordt getrokken is het feit dat hij zichzelf presenteert als schrijver. Een van de karakteristieken van schrijver zijn is dat de persoon boeken schrijft. Een op het oog sluitende logica, maar we hebben eerder gezien dat voor talkshowtroubadoers, zoals Joost Zwagerman, deze universele wet niet lijkt te gelden. En het is toeval dat ik een van PC’s gevallen knuffelklootzakken noem, want Huff heeft wel wat weg van de Zwaag. Een liefde voor het Letterenfonds, bijvoorbeeld.

In 2016 kondigde Huff een transfer aan van De Bezige Bij naar Das Mag. ‘Daniël & Toine hebben me al eerder gevraagd om een boek met hen te maken. Dat lijkt me heel leuk’, kondigde hij op Twitter aan. We zijn inmiddels een kleine vier jaar verder en nog steeds is er geen boek. Ik pluis iedere prospectus uit om te lezen waarover Huff zal schrijven. Zal het gaan over een man van middelbare leeftijd die schrijver is, afwisselend in Amsterdam en New York woont, geconfronteerd wordt met zijn middelmatigheid en zich verliest in drank en pillen? Maar tot nu toe heerste stilte in de Staalstraat. Ik toog naar de Gaeper en liep daar een van de jonge pr-stagiaires van Das Mag tegen het lijf. Na twee breezers vertrouwde ze me boven een glas canei toe dat er van Huff ‘helaas momenteel niets gepland staat’. 

Die helaas laat ik helemaal aan mijn kleine blonde vriendin, er verschijnen genoeg andere slechte boeken om kapot te recenseren. Het gaat mij om die 15.000 euro subsidie die Huff in 2016 van het Letterenfonds heeft gekregen voor een boek dat niet gaat verschijnen. Begrijp mij niet verkeerd, ik ben voorstander van cultuursubsidies en wil niet het hele land een grote Brabantse varkensschuur wordt. Al krijgen wij geen cent voor het maken van dit blad en lopen wij als redacteuren eerst langs de Pels om te zien of er een gulle bekende zit voordat we op het terras durven plaats te nemen, we zijn niet rancuneus. Ik gun Philip Huff vrij veel, een grote spiegel waarvoor hij zich kan aftrekken en op een zonnige dag gonorroe toe.

Huff kan dus plaatsnemen op de graaistrafbank, er is een plek vrij tussen Klaas Dijkhoff en Theo Hiddema. Borgsom? 15.000 harde knaken, graag over te maken naar NL50INGB0002903882. Beschouwen wij het als zwijggeld en kunnen we ons weer gaan bezatten in de kroeg. We praten dan helemaal nergens meer over. 

TD

Iedereen heeft levensvragen. Zo stelt een vriend van me, als hij te veel bruine rum heeft gedronken, altijd de vraag wie de op een na beste voetballer aller tijden is: Messi of Ronaldo? Een ander vraagt wie beter zijn: de Stones of de Beatles? Antwoord: Led Zeppelin natuurlijk. Ik las ooit in een fanblad dat Robert Plant in zijn wilde jaren de tentakels van een octopus in de kut van een groupie liet glijden en dat zij, dankzij de zuignapjes van het weekdier, een groter stembereik kreeg dan de frontman van de band. Ik daarentegen vraag me af of mensen dom zijn, of slecht. Is het onkunde of doortraptheid? Deze vraag, waarvan de antwoorden een dialectische relatie hebben, is eindelijk opgelost, er is een synthese ontstaan, ik kan vredig sterven. Ik stel u voor: Agneta Fischer, hoogleraar sociale psychologie en decaan van de Faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen.

Leidinggeven aan de grootste faculteit van continentaal Europa is best een zware baan – medewerkers die willen besluiten over hun eigen tijdsindeling, studenten die een tentenkamp op de campus organiseren – dus de voorganger van Fischer, Hans Brug, besloot bijna twee jaar geleden een rustig heenkomen te zoeken in de bossen van Bilthoven. Directeur worden van een saai en rustig instituut als het RIVM leek hem wel wat, wat kon hem nou overkomen? Dankzij het helderziende talent van Brug zit die faculteit (gehuisvest in het lelijkste gebouw van Amsterdam, en dan reken ik die quasikitschmeuk in de Houthavens mee) dus opgescheept met een manager die binnen de psychologie (het kleuterklasje van de menswetenschap) ook nog gespecialiseerd is in sociale psychologie (de incontinentiehoek in de kleuterklas, naast de deur van het lokaal). Good old Freud aan de cocaïne kon op een namiddag makkelijker een oorzakelijk verband aantonen tussen agorafobie en een bezemkast dan tien van die laaielichters tussen vlees en moord in hun hele carrière bij elkaar.

Fischer besloot om in een interne mail haar mening te geven over het online surveillancesysteem dat de faculteit gebruikt om toezicht te houden bij thuistentamens. Nou is het natuurlijk zo dat iedere zichzelf respecterende studie sowieso geen tentamens afneemt: voor blokken verwijs ik naar het hierboven beschreven basisschoolhok. En uiteraard is het makkelijk om grappen te maken over het feit dat de voormalige collega van Diederik Stapel zich druk maakt om de bestrijding van fraude, en daarom doe ik dat niet. Fischer heeft menig maal met hem samengewerkt, vaardigheden van hem geleerd en de universiteit mag blij zijn dat ze zo’n inventieve en creatieve benadering van complexe problemen zoals niet-significante resultaten heeft. Nee, het gaat mij om de infantiele boodschap waaruit blijkt dat het glazen plafond soms zo slecht nog niet is.

‘Nu ben ik nooit zo onder de indruk van de strijd voor voldoende privacy door mensen die hun hele leven op Instagram, Facebook, Twitter of Whatsapp zetten, dan wel een g-mail account hebben, of Google docs of Google maps gebruiken,’ schrijft ze. Het is nog niet heel lang geleden dat de universiteit haar eigen studentenmailsysteem heeft uitbesteed aan een bekend internetbedrijf uit Sillicon Valley waarvan de naam bestaat uit zes letters en begint met een G. ‘Het gaat dus blijkbaar toch meer om het gevoel. Jouw kamer – meest intieme plek op de wereld – wordt gefilmd en vreemden kunnen zien wat voor B-kwaliteit boeken, ranzige posters en opmerkelijke snuisterijen je hebt. Dat kan je allemaal afdekken met een groot laken natuurlijk, maar misschien moet je laten zien dat je je moeder daar niet onder hebt verstopt.’ Na het lezen van zo’n tekst vraag ik me af hoe Fischer hoogleraar is geworden. Waarschijnlijk heeft ze haar leerstoel gekregen, gratis bij aankoop van een Billy en een Benno in de Ikea, maar is ze verdwaald geraakt in de handleiding van het knutselpakket. Ik fantaseer over het plaatsen van een camera in de meest intieme ruimtes van mevrouw Fischer (haar slaap- en woonkamer die zijn ingericht volgens de nieuwste Zweedse catalogus, haar hoofd) om uiteindelijk teleurgesteld te beseffen dat er niets te zien zal zijn; slechts leegte, leegte die ademt.

Ik zie Fischer tachtig jaar terug voor me, in dezelfde buurt als waar nu ook haar kantoor is. Ze is diender van de gemeenteadministratie en aan haar loket staat een man, een onbetrouwbaar sujet, die boos is over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer. ‘Ja, meneer Cohen, u kunt wel klagen dat er een J achter uw naam staat in het register, maar ik ben niet onder de indruk van mensen van uw soort die klagen over hun privacy. Wie zie ik iedere vrijdagavond samenklitten rond de sjoel? Precies. En die dikke slierten langs uw hoofd, daarmee loopt u toch ook over straat? Ja, vertrouwen is inderdaad goed meneer Cohen, maar controle is toch beter.’

TD

Archief