TD

D66 is de familie Van Oranje onder de politieke partijen. Ga maar na: ze hebben allebei kroonjuwelen om hun positie in de Hofstad te behouden, houden het land bijeen en doen alsof ze luisteren naar de mening van Henk en Ingrid, maar lachen ze daarna achter hun rug om uit. Samen zijn ze de maïzena van het huis van Thorbecke. Van zolderkamercommunisten tot PVV-pooiers, van Jan Roos tot Thijs Kleinpaste, van Esther Voet tot Abdelkader Benali, de partij van Van Mierlo weet een burgeroorlog in Nederland
te voorkomen door alle nijd naar zichzelf toe te trekken. Ze pacificeert de polder door als sadomasochist in een worstenbroodjekostuum voor de Jumbo te patrouilleren, tegenover elke verwijt van racisme te benadrukken dat kolonialisme mensen ook kansen heeft opgeleverd en Zoomers aan te spreken op de gebrekkige Wifi in de McDonald’s waarvandaan ze hun colleges proberen te volgen. Maar de belangrijkste overeenkomst tussen D66 en de Koninklijke familie is hun opvallend declaratiepatroon.

Dit keer hoefden we niet Jan Dijkgraaf op pad te sturen om de vuilniszakken van de Excellenties te bemachtigen. Na een knipoog naar de blonde secretaresse op het partijkantoor aan de Lange Houtstraat gingen de klappers open, Rob Jetten was na drie Chablis en een nudie van meeloper III bereid om al zijn collega’s te verraden en voor het diepere speurwerk ben ik onze betalende lezers zeer dankbaar, omdat zij mogelijk maakten dat ik op de Haagse Waldorpstraat, met bundeltjes flappen in mijn achterzak, de
duisterste facturen buit kon maken. Op de oude tippelzone leerde ik twee levenswijsheden: alles is te koop, en politici en sekswerkers naaien je altijd. En natuurlijk kan het helpen als in enkele Haagse torens oude studievrinden werken. Maar ik heb beloofd om daar niets over zeggen. Bij dezen.

Goed, bij wie te beginnen? Menno Snel, de prins Friso van de bewindslieden. Door een lawine bedolven en daardoor te vroeg heengegaan zelf een crisis te creëren. De oud-staatssecretaris van Financiën had waarschijnlijk nooit kopjes koffie op het vliegveld gedeclareerd, noch de jaarlijkse inleg bij zijn hockey- of tennisclub, de bijlesklasjes van zijn kinderen, hotelovernachtingen waar hij zijn minnaressen alle hoeken van het bed liet zien, de föhn die in Brussel vergeten was. Hij declareerde geen rooie cent. En waarom? Menno Snel was integer. Bewaakte de schatkist. Hij zag erop toe dat alle belasting die wij in de kroeg bij elkaar zopen goed terecht kwam, was de ultieme loyale dienaar van de Staat. Sinds Hugo Brandt Corstius Onno Ruding voor Eichmann uitmaakte getuigt het niet meer van authenticiteit om een regent de lijfspreuk Meine Ehre heißt Treu toe te schrijven. Maar voor Snel, die leiding gaf aan de Belastingdienst, maak ik graag een uitzondering. Hij gaf loyaal leiding aan een dodelijk efficiënt systeem en in zijn puriteinse visie was er geen ruimte voor onnodige luxe of levensgenot. Ook niet voor nodigheden, genot of leven. Maar dat terzijde.

Voor de Koninklijke familie zijn haar paleizen rustoorden waar vanuit ze de alledaagse drukte van vakantieplanningen, Nibud-trainingen en feestjes met andere aristocraten die de valbijl hebben vermeden, achter zich kunnen laten. En het favoriete optrekje van Willem is Paleis het Loo, het vorstelijk voorkomen dat wordt omringd door een Veluws natuurgebied waar hij gesubsidieerd zwijntjes afknalt. De bewindslieden van D66 hoeven de Haagse kaasstolp niet uit om hun sociëteit, waar ze zich laten fêteren door collega- politici, lobbyisten en journalisten, te bezoeken. Zij hebben daarvoor Nieuwspoort, de politieke huiskamer aan de Lange Poten. In een roemrucht verleden de doorzakplek na de nacht van Schmelzer, tegenwoordig een grand café met de ambiance van een uitvaartcentrum en de inrichting van een Van der Valk. De klandizie bestaat voornamelijk uit doden bij wie de zwiep van de zeis van magere Hein nog niet is doorgedrongen. Jos Heijmans krijgt aan de toog het gevoel dat hij nog leeft en Ton Elias kluift op voorspraak
van pluimveelobbyist Henny de Haan kippetjes met Kamerleden. Maar blijkbaar vertoeven enkele D66’ers er ook nog graag. Waar gewone stervelingen, studenten zoals u en ik, enkel onze pik kunnen aftrekken, hebben de leden van de kleurlooste partij van Nederland er geen moeite mee om de contributie van hun Haagse honk naar ons door te schuiven. Ingrid van Engelshoven, Wouter Koolmees, Kajsa Ollongren, Stientje van Veldhoven (wees gerust, u bent niet de enige die haar niet kent, verderop wordt ze geïntroduceerd), Alexandra van Huffelen (de enige heks die de tram verkiest boven de bezemsteel): de neus hebben ze over de jaren 2018-2020 € 934,12 lidmaatschapsgeld gedeclareerd. Met dit jaar erbij komt de som uit op €1272,92. Een kleine 300 piek per jaar. Dat dit prima uit het ministersalaris van € 170.910 betaald kan worden, gaat er bij deze excellenties niet in.

Nu kunt u denken: drie meier, waar zeik je over? U snuift dit iedere vrijdag in De Groene Vlinder op en stuurt de rekening naar uw kantoor: Allen & Overy, KPMG, Pels Rijcken, noem maar op. Het is onderdeel van uw tertiaire arbeidsvoorwaarden. Als student beschouw ik boeken als primaire behoefte voor mijn baan, maar die rekening kan ik niet naar DUO sturen. Daar komt bij dat als u voor de derde maal statistiek moet volgen en dat vak enkel in april en mei wordt aangeboden, u voor het gehele jaar collegegeld moet betalen. Dit soort bureaucratische regels gelden niet voor bovengenoemde bestuurders, wier kans om na de verkiezingen opnieuw tot het kabinet toe te treden even groot is als dat Geert Wilders de Sacharovprijs krijgt voor zijn inzet voor universele mensenrechten.
D66, de partij die preekt over principes als gelijkheid en gelijke kansen, laat zien dat iedereen in gelijke mate de kans heeft om kosten te declareren. Het scheelt wel als je je eigen bonnetjes kan goedkeuren.

Dat politici weten dat dit soort declaraties vooral voorkomen in een bananenrepubliek zien we ook doordat velen het niet doen. Sint-Snel, bijvoorbeeld, betaalde de toelage uit eigen zak, of was geen lid: in de nabijheid van mensen verkeren was niet zijn sterkste punt. Maar ook kleptocratie-expert Sigrid Kaag voelde er niets voor om haar contributie aan de soos uit de staatskas te trekken. Waarom? Geen idee. Principes kunnen het in ieder geval niet zijn geweest. Maar daarover later meer, het zoetst komt als laatst.

De belichaming van de stuivergraaimentaliteit in het Oranjehuis was natuurlijk prinses Christina. Tenminste, voordat ze gecremeerd werd. Tijdens haar leven bevrijdde ze zich zo snel mogelijk van iedere verplichting die hoort bij uit de kut van koningin kruipen, maar stond wel met haar bedelnap vooraan toen de mogelijkheid zich voordeed om via Noordeinde de fiscus te ontduiken. Verkankerd in ziel en lichaam besloot ze in terminale toestand nog een zeldzame Rubens te verkopen; die prenten zijn immer moeilijk ongezien over te dragen als een belastinginspecteur met zijn neus erbovenop staat. Stientje van Veldhoven is de Christina van het kabinet. Waar ze vandaan komt weet niemand, opeens was ze er gewoon. Blijkbaar had ze haar Kamercorvee succesvol afgerond en dus recht op promotie. Als staatssecretaris én minister van Milieu was zij onder andere verantwoordelijk voor fietsbeleid, circulaire economie en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Een door kernenergie aangedreven OV-fiets? En ik dacht dat Elon Musk soms overambitieus was met zijn transportrevolutie. Maar de bonnetjes, daar waren we. Stientje biedt waarschijnlijk haar AH-pannenzegels voor € 0,50 per stuk aan op Marktplaats en springt voor een aankomende trein als ze tussen de rails iets ziet glinsteren. Geen idee of het waar is, maar het zou me niets verbazen. Waar ik dit op baseer? Op het bonnetje waarop staat dat ze € 5,56 heeft uitgegeven bij de hippe koffiezaak Planeta Smaku in Katowice, Polen. Tijdens de Klimaattop in 2018 was Van Veldhoven vooral in de weer met brownies, worteltaart en macarons. Of de polen smelten maakte haar niet uit, zolang haar plak cake in de gesmolten chocolade werd gedompeld.

Als dit een enkele valse noot in haar gierigheidscredo was geweest dan zou er niet veel aan de hand zijn. Maar iedere keer dat Stientje op het wereldtoneel mag verschijnen, doet ze haar best om te voldoen aan de karikatuur van de Nederlandse krent. In New York bij de Verenigde Naties in 2018, waar ze eindelijk met de grote mensen mocht voetballen, heeft ze ook in de bedrijfskantine geluncht. Met een bruin plastic dienblad in haar handen stond ze in de rij voor de kassa. Vlak voor ze aan de buurt was stond ze voor de koelkast, waarbij haar hand twijfelend tussen de beker yoghurtdrink en eenpersoonspak melk heen en weer ging. Uiteindelijk werd het koffie, een pistoletje met zweetkaas en appelsap. Kosten? € 11,75. Greep ze met haar grijpgrage handen uit de staatskas. Helsinki 2019? € 11,30 voor koffie in café Finlandia. Beuzelaar Van Veldhoven laat haar persoonlijke assistent ordners met paperassen aanleggen om het futielste bedrag te kunnen declareren.

Stientjes motto is: wie het kleine niet declareert, is het grote niet weert. En wie een groeiende moedervlek laat zitten, moet niet vreemd opkijken als hij straks terminaal is. Dus toen alle staatssecretarissen op Prinsjesdag 2020 niet fysiek aanwezig konden zijn bij de Troonrede, mochten de reservespelers van het kabinet een dag bij haar op bezoek. ‘Van Veldhoven heeft haar collega’s uitgenodigd bij het Museum Bescherming bevolking/ Bunkercomplex Overvoorde in Rijswijk voor een rondleiding. Samen gaan de bewindslieden daar lunchen en de troonrede kijken,’ stond in Algemeen Dagblad. Een dagje weg met collega’s, niet omdat het moet, maar omdat het leuk is. En wie mocht de rekening van € 438,- betalen? Exact. Dus terwijl de eigenaar van lokale kroeg tijdens de Troontrede te horen kreeg dat hij meer vet op de botten had moeten hebben, blijft Van Veldhoven dezelfde uitbater uitmelken. Had hij maar een ander beroep moeten uitkiezen;
politicus of zo.

Sinds het verscheiden van Bernhard is de rol van bad boy bij de Oranjes vacant. In de Trêveszaal wordt deze positie met verve vervuld door Ingrid van Engelshoven, overdag bekend als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar ’s nachts, als de grootste verleider van allemaal roept, verandert ze in minister van Feesten en Partijen. Ze struint alle borrels, concerten en optredens van het land af en doet zich daarop tegoed aan de glazen rood. Merlot bij voorkeur, want net als haar verre voorganger Halbe Zijlstra, ontbeert ze smaak. Zo toog ze ieder jaar naar Parijs om aanwezig te zijn op ‘Le Boekenbal’, maar moest daar de aanwezigen vertellen dat er dit jaar – helaas, ze kon er niets aan doen – wéér geen extra geld was voor de cultuursector. Een lovende speech kon er gelukkig wel van af. En daarna snel terug naar de wijn, om de volgende morgen, ondanks de halve strip aspirines, met zeulende hoofdpijn de Thalys terug naar Nederland te nemen. Ook Oerol en Noorderslag mochten zich met haar aanwezigheid verblijden,
waarbij Van Engelshoven, nadat ze helaas moest vertellen dat Noorderslag het voortaan zonder subsidie moet doen (‘Er is gewoon geen geld meer,’ verzuchtte ze voordat ze een bierdouche kreeg), tot in de late uurtjes op de dansvloer of in de buurt van de bar te vinden was, waarna ze zwalkend en uitgeput een vergoed hotelbed opzocht.

Net zoals studenten houdt de minister van Hoger Onderwijs van uitslapen. Het enige verschil is dat velen om fysiek college te kunnen volgen vroeg uit bed moeten, omdat een kamer in de binnenstad onbetaalbaar is. Ingrid van Engelshoven heeft daar gelukkig geen last van: zij boekt gewoon een hotelletje in de buurt. Want voor half tien ’s ochtends in Amsterdam aanwezig zijn is ondragelijk voor een inwoner van Den Haag. Dan moet je om, eens zien, acht uur de deur uit! Dat vindt Ingrid zielig voor haar persoonlijke chauffeur. Dus toen ze bij het Topontbijt in The College Hotel aan de Roelof Hartstraat op Internationale Vrouwendag in 2019 aanwezig wilde zijn, móest ze wel daar overnachten, ze had haar schoonheidsslaapje nodig, al kostte het € 174,53. Niet voor haar, uiteraard. Ik hoop dat ze wat heeft opgestoken van Henk Otten en Jort Kelder die haar tussen de croissants en de verse jus door het belang van vrouwen aan de top uitlegden.

Het is best te begrijpen dat, als de minister op maandagmorgen in Vlissingen moet zijn, ze de avond ervoor afreist en een nacht blijft tukken. Maastricht, ook prima te begrijpen. West-Friesland, net boven Amsterdam, is een ander verhaal. Op zondag 6 oktober 2019 bezocht Ingrid de vier uur durende opera Così Fan Tutte in onze stad. Dodelijk vermoeiend, dat begrijp ik, maar gelukkig was het om 18:00 afgelopen. Snel de klaarstaande BMW in en misschien was ze thuis voordat Tom Egberts de eerste aftrap aankondigde. Maar ze wilde nog één glas van die voortreffelijke Franse Merlot die ze in de Stopera hebben. En nog één. Eéntje, toe, alsjeblieft. Gelukkig kon ze voor € 136,- in haar vertrouwde suite in The College Hotel haar roes uitslapen en was ze de volgende dag brak, maar op tijd aanwezig in Wognum. Hoe ze het best haar kater kan verbergen heeft ze
geleerd van Mediavrouw, het communicatiebureau dat ze in het begin van haar ministerschap in de arm nam. ‘De functie maakt jou niet, maar jij maakt wel de functie,’ is het motto van het bedrijf. Voor € 925,- kreeg ze mediatraining en leerde ze dat de keuze voor een vrouw in een toppositie draait om kwaliteit, niet om geslacht. Tijd dat iemand haar gaat vertellen dat zij de uitzondering is.

Kajsa Ollongren en Wouter Koolmees zijn de neef en nicht van het staatshoofd die op Koningsdag meelopen in de parade, maar waarvan de toeschouwers geen idee hebben hoe ze normaliter de dag doorkomen. Waarschijnlijk met iets hips of technisch: ze zijn blokchainmanager of huisjesmelker, misschien ambassadeur van een NGO die in Togo aan 60 kindertjes in een klaslokaal zonder verlichting of boeken vertelt dat ze hun best moeten doen en dat ze dan alles kunnen worden. Deze paradox is wat D66 zo’n unieke partij maakt. Zo schafte jonkvrouw Ollongren, voorstander van directe democratie en meer betrokkenheid van burgers in de politiek, het raadgevend referendum af. In haar declaratiegedrag komt dit patroon ook terug. Iedere keer als deze klimaatbewuste minister het vliegtuig pakt, vraagt ze ook de VIP-service op het vliegveld aan. Een echte democraat blijft natuurlijk uit de buurt van het gepeupel. Kosten per keer? Ruim € 300,-. Tegelijkertijd heeft ze ook een abonnement op Privium waarmee ze op Schiphol de incheckrij mag overslaan. Precies, net zoals in Disneyland. Daarvoor declareert Ollongren € 260,-. Alsof je met een Tesla van de zaak ook nog de benzinerekening naar je baas stuurt.

Deze discrepantie, tussen iedereen tolereren zolang je als D66’er niet met andersdenkenden hoeft om te gaan, zien we ook terug bij Koolmees. Als minister van Integratie bezocht hij in juni 2018 VluchtelingenWerk in Utrecht en aansluitend een sociale top bij het Syrisch restaurant Syr. (Even serieus, een sociale top? Is dat een homo die spuugt voordat hij ‘m erin ramt?) Zo liet Koolmees voor de bühne zien dat hij écht betrokken is bij het welkom laten voelen van vluchtelingen. Vooral het veinzen van empathie is belangrijk, want reële betrokkenheid is niet de bedoeling. Hoe ging het eraan
toe in Syr? Schoof Koolmees zijn shakshuka op het bord van de buren? Vouwde hij falafel op in z’n servet en dumpte het in de wc? Geen idee. De rekening van € 851,14 bij Jools Meat and Eat, ‘cateringservice met passie’ (barf) op dezelfde dag als het restaurantbezoek suggereert dat Ottolenghi de enige levantijn is die hij zijn eten toevertrouwt. Maar zijn imago van sympathieke vent die geeft om Syriërs heeft Koolmees met een foto in de toko toch mooi weten te creëren.

Blijft over Koningin Kaag, de vorstin van D66. Ze staat in een aardig rijtje: Anna Paulowna, Maxima Zorreguieta, allemaal uit verre oorden geïmporteerd om het voortbestaan van de bloedlijn te garanderen. Het enige nadeel van de import is dat de dames dezelfde heerlijkheden verwachtten als in hun thuisland. De Kaagmeister heeft het voor elkaar gekregen om in de twee jaar dat ze als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de wereld overvloog voor ruim achtentwintigduizend euro aan VIP-services op allerhande vliegvelden te declareren. Het enige voordeel van corona: het heeft een modaal halfjaarsalaris gescheeld aan dit soort rekeningen. Overal wilde ze een koelie die haar handtas droeg, de koninklijke aankomst- en vertrekloge waar ze niet gestoord zou worden door het plebs, drie chocolaatjes (allemaal wit) op haar luxueuze stoel en een fles San Pellegrino extraordinaire ernaast. En dat niet enkel voor intercontinentale vluchten, ook op haar vluchten naar Parijs, Bremen, Krakau, Dublin, Wenen, Geneve en Zurich wilde ze de rust waar ze meende recht op te hebben. Want een half uur met Mark, Maarten of Mohammed voor de incheckbalie staan, daar is deze diplomate wier blauw bloed door d’aderen vloeit te goed voor.

Veel van het bovenstaande is een kwestie van moraal of principes, een clusterbom waarmee je een leeg merk als D66 schade kan berokkenen. De partij moet bij een splitsing kiezen tussen hooggestemde idealen en de modderige praktijk, waarna ze besluiteloos het ravijn inrijdt. Eigen belang voorop stellen en schijt hebben aan de kiezers is hufterig en onfatsoenlijk, precies de idealen waarvoor Van Mierlo de politiek inging. Maar het is pas echt smullen zodra de Haagse mores worden overtreden. En dan heb ik het niet over de IPhone-oplader die Kaag in Yangon kocht voor 42 dollar, een gevalletje zonnebril van Wouter Bos: een brommende vlieg, irritant maar niet meer dan dat. Om Sigrid Kaag op weg te helpen naar het Torentje moest ze van haar snobstatus afkomen, in de markt gezet worden. En het is daar waar bureau Speak to Inspire om de hoek kwam kijken. Bij dit Amsterdamse communicatiebedrijf volgde Kaag in de lente van 2020 een driedaagse presentatiecoaching met lessen als ‘Speech in a Day’, ‘Inspirerend presenteren’, ‘Storytelling’ en ‘Presenteren als een TEDtalk’. Alles om haar als een authentieke en gewone politica neer te zetten. Kosten: € 4407,28. Gedeclareerd bij het ministerie. En daar gaat de sneaker wringen.

‘Voor enkele uitgaven – voornamelijk in de persoonlijke representatieve sfeer – geldt dat zij geheel voor rekening van de bewindspersoon komen,’ zo staat in het Handboek voor bewindspersonen. ‘Hieronder vallen bijvoorbeeld de huur en aanschaf van extra kleding (bijvoorbeeld voor Prinsjesdag), uitgaven voor persoonlijke verzorging, kleine ontvangsten thuis en partijgerelateerde activiteiten.’ Is mediatraining voor de lijsttrekker
een partijgerelateerde activiteit? Daan Bonenkamp, hoofdvoorlichter van D66, heeft daar wel een mening over. ‘Wij hebben geen D66-campagnemedewerkers op het ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. Het ministerie is van en voor ambtenaren,’ zei hij verontwaardigd toen CDA-lijsttrekker Hoekstra een campagnemedewerker een ministerie-ausweis had gegeven. Waarom zou je immers toegang moeten hebben, als je ook de rekeningen kan mailen?

De spindokters van Kaag zullen dit gaan bagatelliseren en vertellen dat het écht nodig was voor haar ministerschap en benadrukken dat Kaag de cursus volgde voordat ze aankondigde om lijsttrekker te worden. Geloofwaardig is het niet, maar oké, voor deze keer krijgen ze het voordeel van de twijfel. De jongens met een strippenkaart van de Ace & Tate juichen, handenklappen. Ze vergeten enkel de Kaagblockbuster van de NPO waarin ze spelen. Daarin vertelde Kaag zelf dat ze vorig jaar februari, precies de week voordat haar lessen bij Speak to Inspire begonnen, erover nadacht om lijsttrekker te worden. Ze heeft zelf haar hoofd op het hakblok gelegd, het was slechts wachten totdat iemand het vonnis zou vinden.

‘Het lijdt geen twijfel, dat ik zeer slecht ben,’ schreef Reve in Een Circusjongen. D66 daarentegen is de partij van optimisme, integriteit en geloof in menselijke rechtvaardigheid. Misschien wilde u zelfs Kaag uw stem gunnen, ongeacht de vluchtelingen die in Moria creperen of ons land overspoelen, belastingen die te hoog of te laag zijn, de bijstandsuitkering die te ruimhartig of te karig is, klimaatverandering die te snel of te langzaam gaat, privacyinbreuk die te ver of niet ver genoeg gaat. U had een door nuance verdampte mening, bonafide en solide. D66 als Volvo van de politiek. Blijkt die tweedehands autohandelaar u toch te hebben opgelicht.

TD

Kan u de geëvolueerde versies van Charmander, Bulbasaur en Squirtle uit uw hoofd opdreunen? Weet u wat bonkers zijn en hoeveel kleintjes één bonker waard is? Gefeliciteerd. De kans is groot dat wij in dezelfde jaren rondom een stoeptegel op het schoolplein hurkten om glazen balletjes in het gat te wippen; wij kunnen samen hebben geknikkerd. En dat geeft u het privilege om mij bij mijn voornaam aan te spreken, mij te tutoyeren – teuntoyeren, zo u wilt.

Als PC een blad van onze oosterburen was geweest had dit niet gekund. En dat komt niet doordat satire en humor even zeldzaam zijn als een Duitse weigerambtenaar. In de Bondsrepubliek houden ze van respect, gezag en orde, daarom spreken ze daar van Herr Doktor, Herr SS-Obersturmfüher en Herr Professor. Het is allemaal rigide en star en biedt geen ruimte voor maatwerk, dus ik vind mijn knikkernorm beter.

Ronit Palache heeft niet met Renate Rubinstein geknikkerd. Het is daarom verwonderlijk dat ze in de inleiding van Bange mensen stellen geen vragen Rubinstein steeds Renate noemt. (Waar ik verwonderlijk zei bedoel ik achterlijk, stop de tijd.) Dit soort pre-puberale jovialiteit moet Palache maar bewaren voor haar kleuterjuf. (Even terzijde: wat een kankerkleuterjuf moet zij hebben gehad. In een interview met Jannetje Koelewijn zegt Palache dat ze de eerste zin van Niets te verliezen en toch bang práchtig vindt. Komt de eerste zin: ‘Maandag. Kloten. Man weg. Koffers gepakt. Verdwenen. Moest nog wel even zeggen dat-ie tien jaar ongelukkig was geweest.’ Die rekentoets op de Pabo stelt inderdaad niet veel voor.)

Als ik een cultuurpessimist was geweest, een Burkerukker, had ik dit biggetjesgedrag verklaard door te wijzen op de wagenwijd openstaande deuren van de hedendaagse universiteit en te stellen dat Herr Professor studenten geen mores meer leert. Maar Palache heeft gelukkig nog nooit een universiteit van binnen gezien, dus daar kan het niet aan liggen. Nul studiepunten behaald aan een academie, maar ze heeft wel een promotieplek aan de Universiteit van Amsterdam gekregen. Na een ‘geleerd gesprek’ met Irene Zwiep, hoogleraar Hebreeuws. Noemen ze de creditcard van papa tegenwoordig zo? Je zal maar één van de zeshonderd (ik herhaal: zeshonderd) sollicitanten zijn geweest aan de Faculteit der Geesteswetenschappen die smeekten om één van de vijf promotieplekken. Met in je ene hand het diploma van je dubbele onderzoeksmaster cum laude en in de andere een algemene afwijzingsbrief. En een huppelkut haalt haar talenten uit haar bh en mag de rij overslaan.

Wat er tijdens een ‘geleerd gesprek’ is besproken blijft binnenskamers, dus ik grijp naar de publieke middelen om de hersenkronkels van Palache te doorgronden. Twee inleidingen van bloemlezingen, een van Ischa Meijer en een van Rubinstein, dat is wat op haar palmares staat. En slaat het ergens op? Ik bladerde door de inleiding, zag veel jaartallen, namen en ander Wikipediamateriaal. Maar het is oneerlijk om haar hier op af te rekenen. Op pagina veertien begon ik te lezen. Serieus lezen. De eerste zin verbaasde me, een beetje. Misschien ben ik gewoon wat te naïef voor deze wereld. Wat was er aan de hand? Palache schrijft dat Rubinstein, excuses ‘Renate’, zich inschreef ‘voor de studie PSF’. PSF? Wat is dat? Gelukkig wordt de zin begeleid door een asterisk, onderaan de pagina staat: ‘De Politiek-Sociale Faculteit (PSF), later Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) en thans Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen.’ Even voor de volledigheid: de aanhalingstekens in de vorige zin komen van mijn hand, in het boek zijn ze niet te vinden. Wat dat betekent voelt u misschien wel aankomen.

Goed. Wat valt op aan deze zin? Misschien had de auteur aan een universiteit kunnen leren dat een faculteit geen studie is. Je schrijft je in aan een faculteit of voor een studie. Beste Ronit, een contaminatie heet dat. Moeilijk woord, ik begrijp het, maar onthoud het, want het kan je later nog van pas komen. (Ik weet dat ik je niet mag tutoyeren, maar soms ben ik een stoute jongen.) Op het woord ‘thans’ kom ik zo terug. Want een zin kan nog zo veel opsmuk bevatten om een beetje goed voor de dag te komen, hij is vergelijkbaar met het gezicht van Palache: als je de aangebrachte tierelantijntjes er afschraapt blijft er weinig over. Die Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen klinkt als een faculteit waar mijn studie (politicologie) onder zou vallen. Dat deed hij ook, tot begin deze eeuw. Sindsdien is het de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Begrijp me niet verkeerd, hoe het vroeger was lijkt mij veel leuker: geen psychologen en andere neuronazi’s, dat moest een feest zijn. Hoe komt Palache dan aan het woord ‘thans’, een ouderwetse edoch opvallende formulering; een woord dat enkel bejaarden gebruiken. En dat klopt ook, want Joop Ellemers was al 67 of 68 toen hij deze frase woord voor woord als openingszin in een bijdrage in de Sociologische Gids in 1998 schreef. Slechts één willekeurige zin van de inleiding gelezen en die is jatwerk. In Mattheüs 7:7 staat ‘zoekt en gij zult vinden’. Zoek niet en u krijgt de misbaksels van Ronit.

Voor het letterlijk overnemen van andermans werk zonder bronvermelding bestaat een woord. U kent het, want u studeert of hebt gestudeerd en weet dat knip-en-plakwerk niet de academische maatstaf is. Ik ken het: ik heb bijna 500 studiepunten verzameld aan deze en gene universiteit en in iedere studiehandleiding van een vak staat dat het niet de bedoeling is om andermans stukken te kopiëren. Mijn studenten kennen het, want als zij dit in hun werkstukken doen, stuur ik ze naar de examencommissie die ze zal berispen voor fraude en mogelijk van de universiteit verwijderen. Palache heeft echter nog nooit van plagiaat gehoord, maar dat kan ik haar ook niet kwalijk nemen, ze heeft immers niet gestudeerd: zij hult zich in een doorschijnende mantel van onwetendheid, het perfecte kledingstuk om domheid publiekelijk mee te verbergen. En zo zien we dat Shylocks pond vlees gelijk over haar beide side boobs is verdeeld. Misschien moet professor Zwiep even nadenken of de prijs van dertig zilverlingen voor een promotieplek niet te laag was nu ze daarvoor een handelaar in andermans werk heeft binnengehaald. Voor een informatief gesprek kan ze Jan Six bellen.

TD

De effecten van inteelt zijn fysiologisch zichtbaar. Hoewel zijn Korsakovkop wel voort kan komen uit een met drank overladen interfamilaire wippartij, is Willem-Alexander geen Habsburger. Hij mist zo’n centenbakkie onder zijn bakkes. Sinds kort is er ook een Leids ledemaat, dat is ontstaan na jarenlange endogamie in het Kamerling Onnes Gebouw: de Cliteurklit. Dit hypersensitieve genotsknobbeltje bestaat niet enkel bij de feminiene soort; mannelijke eunuchen die zich in de kringen van de sekteleider begeven bezitten haar ook. De kittelaar zwelt op zodra de mogelijkheid tot een discussie over het deporteren van mohammedanen, Roma, joden, Sinti, homoseksuelen, Arabieren, parlementariërs, Inuit, cultuurmarxisten, Afrikanen, journalisten, Chris Aalberts (valt in meerdere categorieën, maar verdient een eervolle vermelding), gehandicapten of andere groepen die per ongeluk het beleid van ontmenselijking, opsluiting en deportatie bezitters zijn ontlopen, zich aandient. En mocht dit naar de mening van de bezitter te lang duren, als er een minuut of vijf niet is getweet over hoe laat de treinen gaan rijden, dan draaien ze zelf maar aan de knoppen. Alles om de zuivering van de boreale broederschap met deutsche Pünktlichkeit te voltooien.            

Ik begin dit stuk met een belofte. De naam Baudet zal u hier, buiten deze zin, niet aantreffen. Na de afgelopen we­ken willen we niets meer over die derde­rangs Razzie-winnende dilettant horen. Maar het waren wel dagen waarin ie­dere journaaluitzending mij liet huilen. Een dementerende KiKa-clown met uit­gezaaide botkanker geeft op één avond betere duiding dan Arjan Noorlander in zijn hele leven heeft gedaan. De gehele goegemeente van stukjestikkers en plof­kapdragers waande zich op het Neuren­berg-tribunaal: jarenlang actief meege­daan aan de adoratie van een spijtknor die qua infantiliteit en aandachtsgeil­heid enkel Gordon voor moet laten gaan, maar zodra de dag des oordeels aanbrak spontaan geheugenverlies hebben. Ja­renlang ging het volgens hetzelfde lied­je – het Geuzenlied, welteverstaan: wat zou hij hebben bedoeld toen hij zei dat hij ‘Europa dominant blank wilde hou­den’? Lelieblank? Roomblank? Geen idee, maar daar gingen de onderzoeks­journalisten uitgebreid over soebatten in de kantine van Nieuwspoort tijdens een dinertje. Met blanke vla toe.      

Maar ik ben de slechtste niet. Beste jour­nalisten van Nederland, ik doe het u één keer voor. Net zoals Romario bij PSV heb ik geen zin om steeds te moeten ver­dedigen, ik sta in het veld om doelpunten te maken. Omdat het journalistenrapaille meer laat passeren dan de verdediging van VVV-Venlo zal ik naar het voorbeeld van Marco Materazzi eenmaal laten zien hoe je met gestrekt been de bal én de man tegelijk pakt.   

Tijdens mijn mislukte snuffelstage onder de vleugels van Eric Smit (als vegeta­riër is het moeilijk leven te midden van kannibalen) heb ik van de grote meester één ding geleerd: follow the money. ‘Wie betaalt bepaalt’, zoals Ted van Leeuwen voor de camera’s van PowNews uitlegde. Of in de woorden van Ava Addams, mijn favoriete pornoster: ‘It’s not about the dress, but what’s underneath the dress.’ Het WOB-verzoek met de bonnetjes en facturen van de Leidse rechtenfaculteit liet even op zich wachten, maar het was de maanden duimendraaien waard.

Herinnert u zich de ronkende kop ‘Ach­ter islamisering zit een plan’? Het is al­weer een kleine vier jaar geleden dat de nazijournalist met duckface voor het Algemeen Dagblad Machteld Zee in­terviewde. Zij was op dat moment de nieuwste Cliteurkloon, een voorma­lige “linkse” vrouw (want ze stemde ooit D66, de partij die uit de stemwijzer komt nadat je op dertig stellingen hebt gereageerd met ‘geen mening’) die nu het licht had gezien over de islam. Een bekeerling – Paulus op weg naar Lei­den – die na twee dagen in een sharia­rechtbank te hebben rondgehangen rond­trompetterde dat de Arabieren ons onder de voet zouden lopen. Allemaal dankzij een al aanwezige vijfde colonne. En het allerergste was natuurlijk dat alle me­dia angstvallig om het onderwerp islam heenliepen. Nooit werd er geschreven over kopvoddentaks of de Mohammed­cartoons, Wilders bestond blijkbaar nog niet. En dat allemaal dankzij de zichzelf hatende mainstreammedia. Of zoiets. Alle journalisten, van Hassan Bahara in de Volkskrant tot Nikki Sterkenburg in Elsevier tot Rudy Bouma in Nieuwsuur, hingen aan haar lippen om haar Proto­collen van de Wijzen van Mekka als een fanatieke jongeling tot zich te nemen. Binnen haar vakgebied werd Zee echter uitgelachen omdat ze het niveau van de ballenbak nog niet was ontstegen. Maar die criticasters werden snel de mond ge­snoerd, want de feiten mogen dat wel zo zijn dat Zee nog minder dagen aan haar proefschrift werkte dan een parttime-werkende vrouw met zwangerschapsver­lof, dat betekende nog niet dat ze geen gelijk had. Want moslims! Islam! Zand­bak! Vrijheid van meningsuiting is een groot goed, maar je mag niemand uit Leiden ermee confronteren.           

En dat terwijl er toch zeker ruimte was voor een gezonde argwaan. Want wat was dat voor ’n organisatie, die Stichting Agnosticisme en Meritocratie die haar proefschrift had gefinancierd? Niemand, maar dan ook niemand, stelde de vraag. Echt niemand? Nou, oké, één persoon. Ere wie ere toekomt. Peter Breedveld en de commentaarsectie van Frontaal Naakt deden in 2015 al datgene waarvoor ie­dere journalist betaald wordt: onderzoek. Want dan had iedereen in het land gewe­ten dat Zee betaald werd door niemand minder dan Peter Visser, een man van 270 miljoen, als we de laatste lijst van Sander Schimmelpennick mogen gelo­ven. Bij de meeste lezers zal de naam van deze mediaschuwe man geen belle­tje doen rinkelen, maar zegt Egeria pri­vate equity u iets? Het sprinkhanenfonds dat het nodig vond om, als eigenaar van NRC Media, zichzelf in 2012 een divi­dend uit te keren van € 12,5 miljoen bij een winst van 4,7? Als deze man ge­schenken brengt, moet u zeker wantrou­wend zijn.           

En dat blijkt ook wel uit het contract dat de stichting A&M met de Universiteit Leiden heeft afgesloten. Al kan men niet zeggen dat Visser gierig is. € 342.966,- voor een promotietraject van vier jaar is een redelijke boterham. Maar de rest van de overeenkomst is even flexibel als een leasecontract bij Wehkamp. Twee pun­ten uit het contract springen in het oog. Allereerst: ‘Na afronding van het on­derzoek heeft de stichting het recht om, bij voorkeur in samenwerking met de promovendus en/of promotor en copro­motor, de resultaten van het onderzoek toegankelijk te maken voor een breder publiek, middels een aparte (boek)pu­blicatie. De stichting heeft recht op 50% van de eventuele royalty’s die hieruit voortvloeien.’ Visser hengelt hier een mooie return on investment binnen. Ten tweede: ‘In alle publicaties die uit dit on­derzoek voortvloeien, zal melding wor­den gemaakt dat het onderzoek met een subsidie van de stichting tot stand is ge­komen.’ Om Van Leeuwen nog eens aan te halen: wie betaalt, bepaalt. Zo is het bij Vitesse en zo is het in Leiden. En het is best netjes om bij onderzoek op be­stelling de aanvrager te noemen. Ook al blijft dat slechts bij afspraken.         

Het proefschrift van Zee is tweemaal als boek verschenen, eenmaal in het Engels bij Eleven International Publishing in Den Haag met als titel Choosing Sha­ria? en ook nog als pamfletterig aftreksel bij het gerenommeerde Querido in onze stad. Vooral bij de uitgeverij op de We­teringschans deden ze weinig moeite om het hijgerige hetsetoonje onder controle te houden. ‘Of zijn we al op weg naar een shariastaat?’ staat er op de achterflap. Over tweehonderd meter bij Zeewolde rechtsaf en dan heeft u uw eindbestem­ming, Allahs winkelparadijs, bereikt. En Heilige identiteiten wordt op die plek aangeprezen door Afshin Ellian en Paul Cliteur. Waar de leerling verschijnt, ver­schijnt de meester.            

Maar denkt u dat in beide boeken iets staat over Stichting Agnosticisme en Meritocratie, zoals contractueel is afge­sproken? Niets. Noppes. Nada. Niente. Wat laks van zo’n uitgeverij, kan u den­ken, maar dan moesten ze er wel van we­ten. En Eleven, een onderdeel van uitge­verij Boom, wist van niets. Zee had de uitgeverij niets verteld, ook al was ze dat contractueel verplicht. Dat het geld van de verkoop van haar boeken naar een derde partij vloeide wist Eleven niet. Dat de derde partij in haar statuten bij de Ka­mer van Koophandel heeft opgegeven dat ze een stichting is die expliciet ide­ële doelen nastreeft, wist ze niet. Selma Hoedt, Zee’s redacteur bij Eleven, vindt ‘dat het gemeld moet worden in een pu­blicatie als het extern gefinancierd on­derzoek is’. Maar dan moet een uitgever dat wel weten. Het is fijn om je auteurs te kunnen vertrouwen.    

De situatie bij Eleven was erg, maar ge­lukkig weet Patricia de Groot van Que­rido het nog bonter te maken. Meerdere malen belde ik haar en sprak haar voice­mail in, ik mailde, alles met de medede­ling dat ik enkele vragen had over het boek van Zee. Radiostilte. Ik gooide het laatste middel in de strijd: ik verzocht de vriendelijke perswoordvoerder aan haar door te geven dat ik op zoek was naar De Groot en dat ik het gevoel had dat ze mij ontweek. De goedaardigheid zelve Kasper Bockweg zei dat hij haar niet kon dwingen om met mij te praten, maar ‘dat hij het wel zou doorgeven’. Waarna wij binnen één uur een bitsige mail van Pa­tricia ontvingen met de vraag wie van de redactie met haar over Heilige iden­titeiten van Machteld Zee wilde praten. Verheugd mailde ik terug dat ik blij was dat mijn berichten van de maand ervoor binnen waren gekomen: ik had de naam van Zee noch de titel van het boek aan Bockweg verteld.       

Ik legde haar dezelfde vragen voor: wist ze van die stichting A&M, hoezo staat dit niet in het boek, wist ze van de ro­yalty’s die moesten worden doorbetaald? Gelukkig voor mij was koningin De Groot, hoeder van schrijvers als Uphoff, Lieske en Roosenboom, in een gulle bui en blafte ze me toe dat ze het te druk heeft om met dit soort kinderachtige vra­gen lastig gevallen te worden. ‘Ook heb ik geen bemoeienis gehad met het proef­schrift: Heilige identiteiten is immers geen handelseditie van het proefschrift.’ Ik vind het bijzonder dat een vrouw als Patricia de Groot redacteur kán zijn bij zo’n uitgeverij. Een van de basale voor­waarden om daar te werken is – lijkt mij – dat je kunt lezen. Niet al te onredelijk, toch? Nou, speciaal voor Patricia komt ‘ie nog een keer: ‘Dit boek is gebaseerd op mijn proefschrift… enz.’ Pagina 165. In het boek dat ze zelf heeft geredigeerd. En daarnaast staat in het contract tussen de stichting en de Universiteit Leiden dat in ‘alle publicaties die uit dit onder­zoek voortvloeien’ melding zal worden gemaakt dat de stichting van Peter Vis­ser de financier was van het onderzoek. Zelfs na het tonen van de documenten zegt De Groot dat ze van niets weet. Ich habe es nicht gewußt. Emanuel Que­rido zou zich omdraaien in zijn graf als hij ziet dat de hedendaagse oproepen tot razzia’s en pogroms uit zijn uitgeverij komen. Gelukkig voor Patricia de Groot heeft hij Sobibor via de schoorsteen ver­laten.   

Nou, dit is onderzoeksjournalistiek die bijna vijf jaar op de plank is blijven lig­gen. Niemand – bijna niemand – inte­resseerde zich voor een dubieus proef­schriftje dat was gefinancierd door een vage stichting. En de uitgeverijen? Die konden goed scoren met rellerige pam­fletjes met ronkende teksten op de ach­terflap. Patricia de Groot ging over lijken om de open haard te laten stoken. En nu wast ze haar handen in onschuld en pro­beert de 4 mei-lezing van Grunberg aan iedere boekhandel te slijten. Voor Joden, tegen moslims, het verkoopt en dat is waar het om gaat. Maar gelukkig voor haar was zij niet de enige wegkijker toen de bruine boodschap aan de man werd gebracht.           

Op het adres Sarphatikade 12, het kan­toor van Egeria en dus het kantoor van Peter Visser, staan 109 rechtspersonen ingeschreven: bv’s, nv’s, stichtingen, etc. Maar één trok mijn bijzondere aan­dacht. Stichting Werkelijkheid in Per­spectief. Tegenwoordig zijn we dankzij VirusWaarheid, De Andere Krant, On­gehoord Nederland en nog meer van dit soort ongein wel gewend geraakt aan im­beciel hoofdlettergebruik, maar het went nooit. Wie zitten er achter de Werkelijk­heid? Oud-stalinist en provocateur pur sang Meindert Fennema, de kortstzitten­de PC-redacteur aller tijden én de enige die ooit verantwoordelijk is gehouden voor meewerken aan genocide Frits Bol­kestein, en, verrassing, Paul Cliteur. Het opvallende van deze locatie is dat het kantoor van Bolkestein aan de overkant van de straat zit. Hoezo wil Visser, de man van 270 miljoen, hen op zijn kan­toor hebben? Daarover later meer. Het doel van stichting WiP? Nee, niet neu­ken. Wel debatteren over ‘maatschappe­lijk relevante onderwerpen’. Dat klinkt interessant! En wat hadden ze zoal in gedachten? Aha, het precieze percentage moslims dat gedeporteerd moet worden. Dat zou niet mijn eerste keuze zijn ge­weest.

Natuurlijk gaat het hier over het ‘hoe­veel-moeten-we-er-deporteren’-debat in De Balie van januari 2017. The revo­lution will not be televised, de nieuwe Wannseeconferentie wel gelivestreamd. En weer had de halve Leidse rechtenfa­culteit, aangevuld met enkele Vlaamse collaborateurs, zich naar hun salon aan het Kleine Gartmanplantsoen verplaatst om te keuvelen of men nou moest begin­nen met de beroepsmoslims of de on­herkenbare. Als die laatste uit het straat­beeld zouden verdwijnen zou het minder opvallen. De heugelijke reden voor deze festiviteit, aaneengepraat door Cliteur-knaapje Geerten Waling, was het ver­schijnen van het boek Waarom haten ze ons dat met medewerking van WiP was uitgegeven bij De Blauwe Tijger, de tan­deloze vlooienbal die sinds dit jaar in de belangstelling staat van de AIVD van­wege het verspreiden van complotthe­orieën. Zelf vinden ze dat ze de werke­lijkheid slechts in een ander perspectief zetten. Ik zie het grijze triumviraat in­stemmend knikken.

Er waren enkele mensen met licht ethi­sche bezwaren tegen de deportatietom­bola die bij De Balie werd opgevoerd. Yoeri Albrecht, schildknaap van zijn ei­gen vrije woord, snapte alle ophef niet. ‘Mensen die woedend zijn dat meningen en opvattingen de ruimte geeft waar ze het niet mee eens zijn. Steeds weer ver­bazend.’ Vanuit dit perspectief is het in­derdaad vreemd dat Anne Frank zich niet bij het hoofdkantoor van de Gestapo meldde om een debat aan te gaan. Toen de Egyptische Mona Eltahawy vorig jaar niet zo zin had om aan de witwasprak­tijk van Albrecht mee te werken, veran­derde hij spontaan in een deuger. ‘Ik heb na die middag de stichting Werkelijkheid in Perspectief niet meer teruggevraagd’, kreunde hij verongelijkt tegen Hassan Bahara in een Volkskrantinterview dat op 27 april verscheen. Blijkbaar had Ba­hara zin in Koningsnacht, want controle­ren of dit klopte deed hij niet. Albrechts motto is ‘mijn meningen zijn feiten’. Ook al kloppen ze niet. Want op 20 fe­bruari 2018 had WiP weer een avondvul­lend programma in De Balie met als titel ‘Op naar een duurzaam migratiebeleid’ waarin een commandant van de marine b.d. kon fantaseren over hoeveel fregat­ten voor de Libische kust moesten liggen om van ieder migrantenschip een onder­zeeër te maken en Jan van de Beek – de Alfred Rosenberg van FvD – zijn zuive­ringsvoorstellen weer aan de man kon brengen. Ik dacht dat Shells omarming van het begrip duurzaam wel het meest vervreemdende was dat ik ooit had ge­zien, maar gelukkig blijft De Balie mij verbazen. Judith Sargentini mocht gedu­rende de avond als schaamlap dienen om het donkerbruine randje te verbergen.

(Dat zij hier niet blij mee was heeft ze mij later onder vier ogen toevertrouwd. ‘En het domme gansje van De Balie dat het allemaal organiseerde, was dat de dochter van Chris Rutenfrans?’ Ik dacht terug aan de bewuste middag van dat twistgesprek. Ik maakte voor het gevogelte koffie ((jaja, de barman luis­tert goed én onthoudt veel)) en hoorde verbaasd dat Van de Beek zou spreken. ‘Maar die man is een idioot. Hij noemt zelfs hedendaagse nakomelingen van Asjkenazische joden die in de negen­tiende eeuw naar Nederland kwamen nog migranten!’ Waarop het pluimvee antwoordde dat ze zijn proefschrift ‘erg interessant vond’. ‘Ja, mevrouw Sargen­tini,’ bevestigde ik schoorvoetend, ‘het is inderdaad de dochter van…’ Dat Ruten­frans en Laffe Vink hun kleine jihad uit­vochten in Letter & Geest weet iedereen, maar weet u wie onder de indruk van deze buikhuiscriminoloog en zijn doch­ter was? Het is, zucht, Paul Cliteur.)

De prangende vraag die overblijft is of Peter Visser de geadopteerde Kochbroer is. Hij deelde promotieplekken uit, zorg­de voor de huisvesting van fascistische babbelclubs, dus alle seinen staan wel op bruin. Maar helaas had Visser het te druk met het beheren van het vermogen van de familie Brenninkmeijer om te re­ageren op vragen van de auteur. (Ja, er is serieus een poging tot wederhoor ge­weest. Carnaval valt vroeg dit jaar.) Wie wel off the record wilden praten waren enkele “ervaringsdeskundigen”, mensen die met de abacus van Visser te maken hebben gehad. Want uiteindelijk lijkt de man op de penningmeester van de post­duivenvereniging in Diemen-Noord: al­les draait om geld. De pech voor hem is dat hij ook het bijbehorende charisma heeft. Dat stak de man van 270 mil­joen. Munten zijn te hard om te eten en te koud om bij te slapen. Dus om voor tuinfeestjes uitgenodigd te worden, bij dames in het gevlei te komen en om voor meer aangezien te worden dan slechts een spreadsheetmanager, ging Visser met wisselgeld rondstrooien. Mecenas hier, krantenbaron daar. En Cliteur, Bol­kestein en Fennema namen hem in ruil daarvoor op sleeptouw. Het scheelde sowieso voor Visser dat die laatste er­bij was: iedereen is welbespraakter dan Meindert. Dus geen fascismefascinatie, maar de decolletés van de dirndls waren het die van hem de pinautomaat van de Spenglerepigonen maakte.   

Dit hele verhaal is slechts één vertakking van de hele stamboom van de intellectu­ele Reichswehr. Ik had hetzelfde verhaal ook kunnen schrijven over het ministe­rie van Binnenlandse Zaken: zij vond het nodig om Cliteur en trawanten in 2018 € 45.000, – subsidie toe te schuiven voor een rapport én een congres over ‘geslo­ten gemeenschappen in een open samen­leving’. ‘De democratische samenleving kan worden ondermijnd’, zo schrijven ze in het rapport. Het is alsof Raymond Westerling de Excessennota opstelt. En dit verhaal ging over Cliteur, maar zijn frankensteinrattensoldaten die nu van het zinkend schip afspringen blijven overal opduiken. Eva Vlaardingenbroek. Geer­ten Waling. Diederik Boomsma. Anna­bel Nanninga. Bastiaan Rijpkema. Af­shin Ellian. Raisa Blommestijn. Andreas Kinneging. Gert Jan Geling. (Van die laatste heeft u nooit gehoord, maar het zal mij niets verbazen als hij binnenkort komt spreken in De Balie of een column in een kutkrant krijgt.) En dan vergeet ik er vast nog wat te noemen. We kijken naar de figuren op een draaimolen zon­der een blik op de motor te werpen.  

En Machteld Zee? Die werkt tegenwoor­dig bij de politie in Den Haag. Waar­schijnlijk was ze teleurgesteld dat ze niet was uitgenodigd om lid te worden van de WhatsAppgroep ‘Marokkanenverdel­gers’. Het zou een vernieuwde vorm van valorisatie van haar proefschrift zijn.

Ik denk niet dat iedere journalist in Ne­derland een bruinhemd is. Wel dat er veel luie en incapabele nitwits rondlopen die werk verwarren met hobbyisme. En die te graag meehuilen met de wolven die de Heimat missen. Maar nu weten ze eindelijk weer hoe het moet. Kan ik weer stukjes over de open relatie van Philip Huff gaan schrijven.       

TD

Een recensie beginnen met het citaat van dat ene zinnetje uit de Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte is niet alleen een cliché, het zou in een bespreking van De wondergrijsaard van Onno Blom ook de plank behoorlijk misslaan. Hoewel de lanterfanter van de Leidsekade zichzelf als een held uit een Griekse tragedie zag, lezen zijn boeken toch meer als het werk van een laatbloeiende puber die, net verlost van zijn clearasilkop, tijdens zijn eerste jaar politicologie, filosofie of aanverwante studie een introductie tot een tekst van Plato, Machiavelli, Nietzsche of andere dode witte man die neerkeek op de vrouwtjes vanwege hun aangeboren drang tot hysterie las, en daar zo van onder de indruk was dat hij een essay van vijfhonderd pagina’s tikte waarin hij vaak woorden als ressentiment, übermensch, virtu en Fortuna, Koning-Filosoof gebruikte (vooral in een context waaruit bleek dat hij de concepten niet echt begrepen had en er enkel óver had gelezen in middelmatige Nederlandstalige handboeken die stamden uit de jaren zeventig en dito modieuze spelling bezaten in plaats van de originele werken in het oud-Grieks, Renaissance-Italiaans of Duits te bestuderen) en dat de bravoure waarmee hij zijn inconsequente denkkader aan de man bracht zo hypnotiserend was voor de onbenullige toehoorders, die zelf nooit een boek opensloegen, dat ze meegezogen werden in de draaikolk van orakelgebrabbel, hocus pocus en blablabla met als gevolg dat de ijdele kwast tevoorschijn kwam als het slimste jochie van de werkgroep, terwijl hij, toen hij na zijn optreden zich uit de voeten maakte, zijn publiek in opperste staat van verwarring achterliet. Als een klucht dus. 

Over die dooie ik ga het hier niet hebben. De afgelopen weken heeft u in iedere andere krant, ander tijdschrift of, als u een teeveekijker bent, op een van de spaarzame niet-pornokanalen wel wat mee kunnen krijgen over het leven van de teckelteef. En begrijp mij niet verkeerd: ik houd van teckels, vooral ruwharige; later, als ik wat groter woon, krijgt zo’n wandelende worst op pantoffels bij mij onderdak, ik noem hem dan Kolonel; niet omdat ik een militarist ben, van oorlog of uniformen houd, nee, vanwege de snor. Kolonel bromsnor. Maar terug naar de klucht. Weet u wat erger is dan een klucht? Een klucht over een klucht. Kluchtkwadraat. En dat is misschien wel de beste beschrijving die ik van Onno Blom kan geven.

Op de flaptekst van De wondergrijsaard wordt dr. Blom voorgesteld aan de hand van zijn indrukwekkendste pennenvrucht: zijn Wolkersbiografie, het proefschrift waarmee hij ‘een rel ontketende’. En de films van Harvey Weinstein zorgden voor ophef. Misschien herinnert u zich nog dat na tien jaar noeste arbeid Bloms beoogde proefschrift door de promotiecommissie terug naar de tekentafel werd gestuurd? En dat vervolgens, geheel volgens Irakese, Libische of anderszins autoritaire wijze, door de decaan een nieuwe promotiecommissie, vol met jaknikkers en net-niet gepensioneerden die niets meer te verliezen hadden, werd samengesteld? Deze affaire is redelijk uitgekauwd, maar tot nu toe heeft een persoon de dans ontsprongen: Mark Rutgers, de decaan van de Leidse geesteswetenschappenfaculteit én het lafhartigste en meest kleurloze weekdier dat ik ken. Nou nou, zal u misschien denken, moet dat zo? Ja, want mijn haat is niet professioneel; het is persoonlijk. Deze ruggengraatloze minkukkel stond erbij toen ik, tijdens de inzage van zíjn tentamen, nadat ik zijn vrouwelijke co-docent erop had gewezen dat ze niet de daadwerkelijke maar aangepaste vragen besprak, door haar voor leugenaar werd uitgemaakt, een verdraaiing van de waarheid die ik met het papieren tentamen in de hand kon ontkrachten. Rutgers haalde zijn schouders op.

In NRC van 11 november 2017 blikten Rutgers en Willem Otterspeer, Bloms promotor en schrijver van de mislukte WFH-biografie, op een succesvolle show terug. Ze vonden het toch nodig om hun opmerkelijke stappen rondom de opstelling van de opponenten goed te praten. ‘Ook die tweede commissie was kwalitatief goed. Je wordt altijd door je peers getoetst hè,’ zei Rutgers. ‘Ik ken het ook uit het verleden, de sociale wetenschappen en de linguïstiek in de jaren tachtig. Toen wist je: je moet echt niet iemand uit het andere kamp in je commissie hebben, want dat geeft alleen maar ellende.’ Dat niemand zin heeft in gefit op de vierkante millimeter is begrijpelijk, maar Rutgers tuigt hier een metershoge stropop op met als enige doel zijn achterlijkheid en onbekwaamheid te maskeren. Sta mij toe.

Op 13 juni 2014 verdedigde Benno Netelenbos, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, in de Agnietenkapel zijn proefschrift Four Faces of Political Legitimacy. Het boek is een kloeke baksteen (veel Weber, Habermas, etc.) en dus handig om bij iemand de ruiten mee in te gooien. In de promotiecommissie zaten onder andere Willem Schinkel en, u raadt het al, Mark Rutgers. Ik zat in de zaal: het is altijd leuk om te zien dat de docent die jou laat zweten tijdens een tentamen nog harder kan transpireren dan jijzelf. De bijdrage van Rutgers aan het duel is mij niet bijgebleven, die van Schinkel des te meer. ‘Dear candidate. I read your book, especially the part about Niklas Luhmann, and I strongly disagree with you.’ Wat volgde was een kwartier academisch spektakel dat nog het best te vergelijken was met de Olympische turnfinale: geen idee wat ze doen, maar het ziet er indrukwekkend uit. Resultaat? Een uur later werd doctor B. Netelenbos door alle aanwezigen gefeliciteerd voor zijn promotie cum laude.

Schinkel, de grootste raaskaller van Rotterdam, de man die om de ondoordringbaarheid van zijn betonproza ook wel Heidegger aan de Maas wordt genoemd, gaf zijn tegenstander na vijftien minuten verbaal rollebollen, waarna ze – nog steeds – hartstochtelijk van mening verschilden, het predicaat met lof. Nee, ik snap wel waarom Rutgers voor Blom iedere drempel, zelfs die van vijf millimeter hoog, op het bij zijn geboorte al aangelegde pad richting het doctoraat heeft platgewalst. Blommetje komt uit een Leidse professorenfamilie en moest en zou promoveren. Het was een noodzaak. Noodzaak? Halszaak! En dan scheelt het natuurlijk als de lijntjes kort zijn en paps hier en daar wat handjes, al dan niet gevuld met een envelop met onderzoeksgeld, kan schudden. 

Literair Nederland was te lui om, in de klucht over de commissie, eens uit te zoeken wie de rol van fluisteraar achter de troon speelde. Wie het etterspoor volgt, ziet hoe smerig incestueus de hele bende was. En dat was pas de eerste klucht. De aanloop naar de grote shitshow die plaatsvond op 19 oktober. Blom moest en zou promoveren op dít boek op de tiende sterfdag van Wolkers en niets – gebrek aan kwaliteit, bijvoorbeeld – mocht daarbij in de weg staan. Niet verrassend dat de laatste stelling van Bloms proefschrift dan ook was dat hij ‘promoveert voor zijn vader’. Hier hengelt iemand wel erg opzichtig naar een aai over de bol van zijn verwekker, een stukje erkenning en genegenheid van de man die hij enkel op zondag zag en die hem, als dertienjarige jongen, vooral inprentte dat papa erg teleurgesteld was in zijn gemiddelde van 8,2. Dit lijkt een freudiaanse analyse, eindelijk een makkelijk stukkie tekst op de sofa, maar daar ga ik maar niet aan beginnen. Want dat is theorie. Wetenschap. Methodologie. Ik wil dat onnozele Onno dit ook kan begrijpen. 

We zijn bijna bij het boekje, ik wil slechts nog één stelling van Blom presenteren. Waarom? Ik kan wel zeggen dat het een pedante idioot is wiens enige talent is om in de buurt te zijn van bekende Nederlanders op het moment dat ze de hoek omgaan (dit is een waarschuwing!), maar waarom zou ik u dat in godsnaam uit gaan leggen als de fopdoctor het zelf kan tonen? Stelling 8: ‘Klikspaan heeft anderhalve eeuw na dato nog altijd gelijk: “Het bestaan van Leiden hangt aan een haar: de Academie; snijdt het af, Leiden is weg.”’ Tien jaar lang, iedere dag, pakte Onno de trein van Leiden naar Gouda, of van Leiden naar Deventer, van Leiden naar Amersfoort, naar Dordrecht, Apeldoorn, Zwolle, Roermond, noem maar op, ging op een terras aan het marktplein van de provinciestad zitten, dronk twee pilsjes, at een tosti kaas-tomaat en ging weer naar de Sleutelstad om uiteindelijk tot de conclusie te komen: ‘Ja, die studentjes maken zo’n stad wel gezellig.’

En dan nu zijn nieuwste meesterwerk. De wondergrijsaard van Dr. No Blom is een hagiografisch stuk, geschreven in de beste stalinistisch-realistische stijl, dat zelfs door de redactie van Granma, het foldertje van de Partido Comunista de Cuba, als te schaamteloze pravdapropaganda zou worden weggezet. Natuurlijk is het moeilijk om een boek te schrijven met een ijzeren logica van 1+1=2 als de persoon om wie het gaat op iedere willekeurige rekensom antwoord met ‘Auschwitz!’. Maar Blom heeft er geen moeite mee om als labknaapje op te treden van deze pyrrusproducent. ‘De alchemist in Mulisch kon er een bewijs in zien: zijn schrijverij stokte, want zijn oeuvre vormde een volmaakte as, paste precies tussen de “a” van archibald strohalm en de “s” van Siegfried.’ Tsja. Als Mulisch’ laatste boek Xandra’s natte poes had geheten was er een perfecte ax ontstaan, wat in fonetisch Engels een bijl is, wat toevallig ook onderdeel was van de Romeinse fasces, het gereedschap waarvan het woord fascisme is afgeleid, en laat dat nou het heliocentrische middelpunt zijn geweest in het leven van Harry “40-45” Mulisch. Of als zijn laatste boek een autobiografie getiteld Baviaan, brulaap, bullebak was geweest, was er geen centrale as ontstaan, maar ab, waarmee Nostradamus met zijn grote neus had geroken dat er tien jaar na zijn dood een pandemie zou zijn waarover Ab Osterhaus in talkshows met een glas rode wijn bij de hand zou oreren. Als Harry nog had geleefd had Ab vast bij zijn jongensclubje gemogen.

Mulisch is niet de enige fröbelfilosoof die aan het woord komt in De wondergrijsaard. Kleine Connie gaf Blom inzage in haar dagboeken. Vijf dagen voordat Harry zijn eeuwige pijp aan Maarten gaf schreef ze: ‘In de schemerige kamer ligt Harry de soevereine dood te sterven die hij altijd in zich had. Ik maak de stomme fout te dicht bij hem te gaan zitten, waardoor hij me niet kan zien.’ In die goede tijd ontkurkte Connie nog twee flessen merlot bij het ontbijt, lunchte ze met White Russians, kwam om vier uur de pastis op tafel en snoepte ze, terwijl ze in haar doorzichtige nachtjapon naar de lege plek naast haar in bed keek, nog snel vijf lepels advocaat naar binnen om een goede nachtrust te garanderen. En dat had zijn effect op haar gedachtespinsels. Ik heb Hobbes erbij gepakt, en Schmitt, Benjamin en Agamben afgestoft (spreekwoordelijk dan, want Schmitt lees ik iedere week op zondag ter voorbereiding van mijn nog te plegen staatsgreep, de uitnodiging komt tijdig uw kant op), en kan in al hun werken niets vinden over een soeverein met een hersentumor. Die knobbel in Mulisch’ kankerkop legde de man om, hij was de laatste maanden een slaaf van zijn gezwel. Gelukkig is Palmen tegenwoordig weer van de drank af.

De enige goede woorden in het boek komen van Blom noch van Mulisch. Hugo Claus is de vent in het verhaal. Mulisch was een zielenpoot die, terwijl zijn vriend aan het dementeren was, achterlijke opmerkingen aan het maken was over het volschijten van zijn onderbroek. ‘Toen ik twee was, droeg ik een luier. Waarom kan dat niet opnieuw?’ De gedachtegang van een eeuwige peuter. Nee, doe mij maar Claus. De mooiste vrouwen, het beste oeuvre. En toen het niet meer ging, hij kon geen hij zei van hij zij meer onderscheiden, maakte hij er zelf een eind aan, wet of geen wet. ‘Ni Dieu, ni maître,’ besloot hij zijn afscheidsbrief. Sommige schrijvers zijn slechts een vertoning; Claus was koning. 

TD

Onno Blom, De wondergrijsaard, De Bezige Bij, € 21,99

Iedere persoon heeft macabere hobby’s, maar iedereen bedrijft die op zijn eigen manier. Zo spraak ik laatst een jongeman in de kroeg die zich, zo vertelde hij, naast zijn studie belastingrecht, heeft gestort op het verzamelen van Stolpersteine. Hij was speciaal zijn master aan de UvA gaan doen, omdat in de buurt van Tilburg geen jodentegels te vinden zijn; de katholieken in het zuiden hadden geen Duitse aanwijzingen nodig om hun gebied shoahschoon te krijgen. Over mijn oudoom met een voorliefde voor gegrilde geitenplacenta ga ik het hier niet hebben: als ik hem vroeg wat hij in de pan legde werd hij altijd sikkeneurig en schotelde mij de zwart aangebakken moederkoek met enkele spruiten van eigen land, vergezeld door drie-en-een-halve kruimige Frieslanders voor waarna hij mij dreigend meedeelde dat ik pas van tafel mocht als ik alles naar binnen had gewerkt. Misschien verklaart dit mijn obsessie met rouwadvertenties.

Als ik op zaterdagmorgen thuiskom of opsta, ga ik met een halve liter peppeccino of cappuccino erbij, naargelang het aantal uren nachtrust, NRC Handelsblad lezen. Ik kijk of Wieringa minstens eenmaal de namen Baudet of Trump laat vallen (dat doet hij) en verzeker me ervan dat de krant van rede en vrijheid nog steeds een alcoholist met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis van de straat en uit de kroeg houdt door hem een plekkie achterop de opiniekatern aan te bieden, waarna ik uiteindelijk bij de pagina’s aankom waar het mij om te doen is. De laatste maanden zijn er meer doodsberichten bij gekomen en kan mijn geluk niet op. Het is heerlijk om met een taalkundige scalpel door de omlijnde berichten te gaan. Zo moet je wel een enorme koloniale kater hebben als je vermeld dat je overleden familielid in 1947 in Jakarta is geboren. En krijg je subtiele inzichten in de bras-, bral- en neukpartijen binnen het LSC van de jaren 50 door de jaarclubherinneringen aan het heengegane lid. 

Dit weekend was het alsof de God van het dodenrijk mij wilde belonen, want nadat ik de krant had doorgewerkt, zag ik dat mijn huisgenoot De Gids op de keukentafel had laten liggen. Normaal lees ik dat blad niet, het is zo saai, zo voorspelbaar, het wordt ongevraagd bij ons thuis bezorgd met De Groene Amsterdammer. En net als bij medicijnen leest inderdaad niemand de bijsluiter. Enfin, het zwarte goud uit m’n percolator had zijn werk gedaan, ik was wakker en wilde weleens weer een poging wagen. Blader, blader, gaap, gaap. (Ik ga u maar niet vervelen met een inhoudelijke bespreking van het meeste dat ik daar aantrof, want anders ligt uw hoofd zo dadelijk ook op dit blad en vangt dit extrachloorhoudende papier uw speeksel op.) Ik nam nog maar een slok koffie. Blader, blader, gaap, ga.. hé! Een essay over de dood van de ironie! Ik wist dat De Gids een doods blad was, maar ik had niet verwacht dat het ruimte zou maken voor het beieren van de doodsklokken voor mijn favoriete stijlmiddel. Eens kijken wat Lise Evers, de troubadour van het verdrietige nieuws, te melden heeft.

Natuurlijk noemt ze Gerard Reve, ome Gerard die zijn laatste levensjaren sleet met hunkeren naar de koorknaapjes van Machelen. En wie nog meer? Ons! Ja natuurlijk, de vaandeldragers van de voorhoede van de avant-garde van de ironie kunnen in zó’n vernieuwend essay niet onbesproken blijven. Evers keuvelt wat over dat gedichtje dat Reve ooit voor dit blad schreef, vertrekt vervolgens naar de stranden van Tanger omdat onze homoseksuele held zich daar te goed deed aan jongentjes die zich voor 75 centen in hun kontjes lieten nemen om uiteindelijk, via een kronkelige omweg langs Theo van Gogh en GeenStijl, bij retteketet Baudet aan te komen. ‘Wie ironie als stijlmiddel hanteert laat de deur naar de ontkenning graag op een kier. De racistische ironicus wenst niet in het openbaar als racist te worden ontmaskerd, maar heeft tegelijkertijd als doel door gelijkgestemden te worden herkend.’ Zo die zit. En wat is de stoot waarmee Evers de lezer – ik, u – tegen het canvas slaat? ‘Van Reve leren we dat de goede verstaander niet diegene is die lacht, maar diegene die de woorden precies begrijpt zoals ze aan ons worden voorgeschoteld.’ 

Een langgerekte geeuw, dat was het resultaat van dit probeersel. Uitgeput na deze marathon van circustrucjes waarvoor een kind van vijf op zomercursus in Drenthe zich nog zou schamen ging ik op mijn bank liggen. Ik dommelde, zakte weg en schrok wakker, knikkebolde en zag Gerard Reve in een roze konijnenpak, versierd met een snoezig, wit pluizenbolletje, met een rieten mand om zijn rechterarm, door mijn huis hupsen, terwijl hij in alle hoeken, nissen en donkere gaten chocolade-eieren verstopte. ‘Maar Gerard, als jij die eitjes verstopt en ik ze niet vind, zijn ze er dan wel?’ Hij liep op mij af en ontblootte zijn geslepen hoektanden. ‘Zal ik jou eens een geheime opening laten zien waarin ik alles laat verdwijnen?’ Een diabolische lach ontsnapte uit zijn muil en galmde nog na in mijn oren toen ik mijn ogen opende en zag dat ik helemaal alleen in mijn kamer was.

De God van de Nederlandse letteren wilde mij wat vertellen, dat was wel duidelijk. Want waarom was Hij anders aan mij verschijnen in een droom? Was het paapse symboliek, decadente krullendraaierij, ging het over barokke versieringen? Waarom deed Reve mij denken aan Ab Normaal? Het zal wel iets met dat ergerniswekkende stuk van Evers te maken hebben, dacht ik. Het kwam me zo bekend voor. Dat is ook niet vreemd voor een tekst met de originaliteit van een Youp-column, maar toch, het voelde umheimisch, ongemakkelijk. 

Ik zocht maar eens op wat Coen Peppelenbos over het betreffende essay schreef. ‘Nu is het niet de eerste keer dat de ironie en het racisme van Reve aan de kaak wordt gesteld. Harry Mulisch deed het bijvoorbeeld al veertien jaar voor de geboorte van Lise Evers in het pamflet Het ironische van de ironie. Merkwaardig genoeg ontbreekt dat pamflet in het artikel.’ Gelukkig weet ik dat Coen tot de parochie van Sint-Sebastiaan behoort, anders zou ik het smerig vinden dat hij geilt op de leeftijd van deze onnozele deerne. Daarnaast is het duidelijk dat de hoofdredacteur van ons aller geliefdste weblog in Groningen huist. Nieuwerwetse trends komen pas laat door in het Noorden: heroïne is nog steeds drug nummer één, de oude binnenstad staat grotendeels nog overeind doordat de Stadjers hadden gezien dat Hoog Catharijne en de nieuwe Weesperstraat kolossale mislukkingen waren. Nieuwe boeken doen er veertig jaar over om door te dringen tot het wingewest, dus blijft Peppelenbos schaduwgevechten uit de vorige eeuw uitventen. 

Mijn gedachten dwaalden weer af, naar Reve op het strand, struinend door de steegjes van de kasba, verdwalend, zoekend naar een weg uit het doolhof… Eureka! Ik stond op, liep naar mijn boekenkast en pakte De minaret van Bagdad van Michiel Leezenberg van de plank. Reve, Reve, waar sta je, Reve? En daar las ik het, op pagina 149, hij fulmineerde over de Marokkaanse jongentjes: ‘Allen zijn prostituees, maar de schakering is groot. Echte prostituutsie [sic] zou je het niet kunnen noemen, het is meer een bijverdienste.’ Zo, dat heeft die Evers eens origineel bedacht, dat verhaal over de Grote Volksschrijver en zijn tripjes naar Tanger. En plotsklaps bedacht ik me in welke literaire etalage ik de kralenketting Reve-PC-Van Gogh eerder heb zien liggen. Merijn Oudenampsen reeg deze polemische parels aaneen in zijn boek De conservatieve revolte. ‘Maar er is ook een institutionele relatie tussen Reve, Hermans, Van Gogh en GeenStijl: ze hebben allemaal banden met het door studenten gerunde, satirische literaire tijdschrift Propria Cures, beroemd en berucht omdat veel schrijvers en journalisten er hun carrière zijn begonnen.’ En het is niet alleen in dit boek dat Oudenampsen deze boodschap verkondigde: hij deed het ook al in De Groene in 2013 en in hetzelfde blad werd zijn betoog nog eens aangehaald door Coen van de Ven in 2019. Het is geen knip-en-plakwerk van Evers, maar voor een postmoderne pastiche rijmt het toch iets te veel.

Lise Evers is historicus en schrijft essays, zo staat boven haar stuk in De Gids. Ze schreef ook voor DW B, op de website van het blad staat dat ze promovendus is aan de Universiteit van Amsterdam. Door de academie wordt plagiaat gedefinieerd als ‘het gebruik maken dan wel overnemen van andermans teksten, gegevens of ideeën zonder volledige en correcte bronvermelding’. Ik denk dat iemand wat heeft uit te leggen. 

TD

Archief