TD

Iedereen heeft levensvragen. Zo stelt een vriend van me, als hij te veel bruine rum heeft gedronken, altijd de vraag wie de op een na beste voetballer aller tijden is: Messi of Ronaldo? Een ander vraagt wie beter zijn: de Stones of de Beatles? Antwoord: Led Zeppelin natuurlijk. Ik las ooit in een fanblad dat Robert Plant in zijn wilde jaren de tentakels van een octopus in de kut van een groupie liet glijden en dat zij, dankzij de zuignapjes van het weekdier, een groter stembereik kreeg dan de frontman van de band. Ik daarentegen vraag me af of mensen dom zijn, of slecht. Is het onkunde of doortraptheid? Deze vraag, waarvan de antwoorden een dialectische relatie hebben, is eindelijk opgelost, er is een synthese ontstaan, ik kan vredig sterven. Ik stel u voor: Agneta Fischer, hoogleraar sociale psychologie en decaan van de Faculteit der Maatschappij- en gedragswetenschappen.

Leidinggeven aan de grootste faculteit van continentaal Europa is best een zware baan – medewerkers die willen besluiten over hun eigen tijdsindeling, studenten die een tentenkamp op de campus organiseren – dus de voorganger van Fischer, Hans Brug, besloot bijna twee jaar geleden een rustig heenkomen te zoeken in de bossen van Bilthoven. Directeur worden van een saai en rustig instituut als het RIVM leek hem wel wat, wat kon hem nou overkomen? Dankzij het helderziende talent van Brug zit die faculteit (gehuisvest in het lelijkste gebouw van Amsterdam, en dan reken ik die quasikitschmeuk in de Houthavens mee) dus opgescheept met een manager die binnen de psychologie (het kleuterklasje van de menswetenschap) ook nog gespecialiseerd is in sociale psychologie (de incontinentiehoek in de kleuterklas, naast de deur van het lokaal). Good old Freud aan de cocaïne kon op een namiddag makkelijker een oorzakelijk verband aantonen tussen agorafobie en een bezemkast dan tien van die laaielichters tussen vlees en moord in hun hele carrière bij elkaar.

Fischer besloot om in een interne mail haar mening te geven over het online surveillancesysteem dat de faculteit gebruikt om toezicht te houden bij thuistentamens. Nou is het natuurlijk zo dat iedere zichzelf respecterende studie sowieso geen tentamens afneemt: voor blokken verwijs ik naar het hierboven beschreven basisschoolhok. En uiteraard is het makkelijk om grappen te maken over het feit dat de voormalige collega van Diederik Stapel zich druk maakt om de bestrijding van fraude, en daarom doe ik dat niet. Fischer heeft menig maal met hem samengewerkt, vaardigheden van hem geleerd en de universiteit mag blij zijn dat ze zo’n inventieve en creatieve benadering van complexe problemen zoals niet-significante resultaten heeft. Nee, het gaat mij om de infantiele boodschap waaruit blijkt dat het glazen plafond soms zo slecht nog niet is.

‘Nu ben ik nooit zo onder de indruk van de strijd voor voldoende privacy door mensen die hun hele leven op Instagram, Facebook, Twitter of Whatsapp zetten, dan wel een g-mail account hebben, of Google docs of Google maps gebruiken,’ schrijft ze. Het is nog niet heel lang geleden dat de universiteit haar eigen studentenmailsysteem heeft uitbesteed aan een bekend internetbedrijf uit Sillicon Valley waarvan de naam bestaat uit zes letters en begint met een G. ‘Het gaat dus blijkbaar toch meer om het gevoel. Jouw kamer – meest intieme plek op de wereld – wordt gefilmd en vreemden kunnen zien wat voor B-kwaliteit boeken, ranzige posters en opmerkelijke snuisterijen je hebt. Dat kan je allemaal afdekken met een groot laken natuurlijk, maar misschien moet je laten zien dat je je moeder daar niet onder hebt verstopt.’ Na het lezen van zo’n tekst vraag ik me af hoe Fischer hoogleraar is geworden. Waarschijnlijk heeft ze haar leerstoel gekregen, gratis bij aankoop van een Billy en een Benno in de Ikea, maar is ze verdwaald geraakt in de handleiding van het knutselpakket. Ik fantaseer over het plaatsen van een camera in de meest intieme ruimtes van mevrouw Fischer (haar slaap- en woonkamer die zijn ingericht volgens de nieuwste Zweedse catalogus, haar hoofd) om uiteindelijk teleurgesteld te beseffen dat er niets te zien zal zijn; slechts leegte, leegte die ademt.

Ik zie Fischer tachtig jaar terug voor me, in dezelfde buurt als waar nu ook haar kantoor is. Ze is diender van de gemeenteadministratie en aan haar loket staat een man, een onbetrouwbaar sujet, die boos is over de schending van zijn persoonlijke levenssfeer. ‘Ja, meneer Cohen, u kunt wel klagen dat er een J achter uw naam staat in het register, maar ik ben niet onder de indruk van mensen van uw soort die klagen over hun privacy. Wie zie ik iedere vrijdagavond samenklitten rond de sjoel? Precies. En die dikke slierten langs uw hoofd, daarmee loopt u toch ook over straat? Ja, vertrouwen is inderdaad goed meneer Cohen, maar controle is toch beter.’

TD

Er zijn van die mensen die pleiten voor meer straatrumoer: dat zijn idioten die nog nooit wakker zijn geworden van het geluid van een slijptol die stoepstenen doormidden klieft afgewisseld met de aankondiging van de nieuwste hit op 100% NL. Ik stikte liever in de geur van mijn eigen bierzweet dan naar dit lawaai te luisteren en deed mijn raam dicht. Nog erger dan de herrie van de werkende klasse (ja, zij wél) is het popiejopie geschreeuw in de literatuur. Het hele huis gebarricadeerd, stalen platen achter de ramen gelast, oude spiraalbodems tegen de voor- en achterdeur geschroefd, versterkt met bouwstempels die waren achtergelaten op een bouwplaats, én nog stond daar het platte vermaak in mijn woonkamer. Hoe? Dankzij een fikse schouderduw van het machtige judolijf van Peter Buwalda die mijn kleine wereld wilde onderdompelen in de stinkende geur van zaad en de straat. Maar dit stuk gaat niet over hem. Of toch wel? Ik snap het zelf ook niet meer.

Martijn Simons schreef het boek De Hollandse droom. Tenminste, zijn naam staat op de kaft, maar misschien is dat een stijlfiguur van een onbetrouwbare verteller. Ergens heb ik het vermoeden dat het personage Simons – of moet ik schrijven “Simons” – een ingehuurde acteur is met als doel om het werk van Buwalda beter te laten lijken. Want in De Hollandse droom is op zijn minst (en in tegenstelling tot schrijver/acteur/personage Simons heb ik wel gevoel voor understatement) de hand van de schrijver van Bonita Avenue te herkennen, maar dan wel als een persiflage van het echte werk. Alcoholarm bier, VVD-racisme om stemmen te winnen bij de Forumjugend: allemaal slappe aftreksels met als onbedoeld effect dat het verlangen naar het origineel toeneemt. In deze moeilijke tijden zijn uitgeverijen tot alles bereid om maar boeken te verkopen.

Hoofdpersonen in De Hollandse droom? De familie Keller: pater familias Rudolf, vrouw Marloes en onhandelbaar kroost Bram en Evi. Rudolf Keller is magistraat, heeft een schitterende carrière bij de rechtbank in Amsterdam en is lid van de PvdA. (Het boek speelt zich af in 2009, toen had die partij nog leden.) Hij wordt gevraagd voor een ministerspost. Siem Sigerius, een van de hoofdpersonen in Bonita Avenue, heeft ook een cv waar je u tegen zegt en wordt – hé, die zag ik niet aankomen – ook gevraagd om minister te worden. Beide mannen blaken van het zelfvertrouwen, hebben een fantastisch lichaam en plegen seksuele escapades met de vriendinnen van hun dochters. De Hollandse droom draait om het uiteenvallen van de familie Keller, een degeneratie die vooral wordt bewerkstelligd door ongelukkige samenlopen van omstandigheden en leugens. De familieleden hebben zo hun geheimpjes voor elkaar – buiten de deur neuken, een ghb-verslaving, opa zat bij de SS – en proberen dit web van postmoderne waarheden in stand te houden. Dat klinkt wel erg als Bonita Avenue; ‘want wat weten we van elkaar?’ is de hoofdzin van het boek van Buwalda.

Oké, ik hoor u zeggen dat dat toeval kan zijn – bestaat zoiets als toeval eigenlijk wel? – maar dat wordt lastiger vol te houden als – toevallig – toeval ook een steeds terugkerend motief is, net als in Bonita Avenue. ‘Een muntje opgooien om je leven naar de verdoemenis te helpen’: Simons. Siem Sigerius in Bonita Avenue: hoogleraar wiskunde en constant bezig met het tarten van het noodlot. 

Het laaghangend fruit laat ik maar even voor wat het is (de ghb-trips van Evi Keller zijn een parodie op de psychoses van Aaron Bever bij Buwalda, de criminele zonen en de gemanipuleerde rechtszaken in beide boeken lijken misschien toch een beetje op elkaar, de ongelukkige zelfmoord – oeps, spoiler alert – van Keller is een echo van die van Siem Sigerius), want ook op vlak van woordenschat is Simons wel erg bedreven in leentjebuur. Waar Buwalda de Tzumprijs kreeg voor de zin ‘hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, “dreven” in plaats van “straten”, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen,’ heb ik het vermoeden dat Simons’ beschrijving van Kanaleneiland als ‘zelfmoordwijk’ niet in aanmerking gaat komen voor de originaliteitsprijs.

Is er dan helemaal niets authentieks aan dat boek van Simons (of wie er dan ook achter die naam schuil gaat)? Waar Buwalda inspiratie zocht in Bataille om seks in zijn boeken via de achterdeur naar binnen te brengen, wendde Simons zich tot science fiction. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers in dit genre, dus er is weinig concurrentie, maar toch is de kwaliteit waarmee Simons zich tot koning te midden van zijn collega’s weet te kronen verbluffend. Rudolf Keller ontmoet zijn toekomstige partner in het voorjaar van 1975 (p. 56). Het is liefde op het eerste gezicht, etc. etc., en na enkele maanden (mei 1975) blijkt dat Marloes zwanger is (p.75). Condoom gescheurd, ongelukje, kan de beste overkomen (aan double Dutch deed men in de jaren 70 niet). Dat het échte liefde is blijkt uit het feit dat het stel besluit samen te blijven en onmiddellijk het burgerlijke pad op te slaan. Bijvoorbeeld door rijlessen te nemen, zo lezen we op pagina 35. In het jaar 1980, om precies te zijn. Ingenieus! Door zo met tijd te spelen en de hoofdpersonen door de jaren te laten reizen plaatst Simons een kritische noot bij het idee van lineaire tijd dat het denken van carrièrejagers domineert. 

En dat hier geen sprake is van een pijnlijke misser, zien we verderop in het boek. Evi belt in een waantoestand haar vader. ‘… dat ze hem uitgerekend op zaterdagavond om kwart over vier ’s nachts probeert te bereiken’ (p. 203). Rudolf vermoedt dat zijn dochter op het Utrechtse Zandpad is en neemt de auto ernaartoe: ‘Hoewel het een doordeweekse avond is, moet hij achterin de rij aanschuiven nadat hij […] linksaf de kade aan het Zandpad op draaide’ (p. 209). Mensen met een drugsverslaving weten inderdaad vaak niet welke dag van de week het is; hier laat Simons een ongekend sterk staaltje show, don’t tell zien.

Sommige mensen zullen beweren dat Simons met deze literaire ingrepen zich vertilt. Ik zie er wel toekomst in: laat die great Dutch novels over dinosauriërsbescherming ten tijde van het kabinet Thieme-V maar komen!

TD

Martijn Simons, De Hollandse droom. Lebowski, € 21,99.

Ik verveel me. Sinds ik gedwongen thuis zit heb ik het vloerkleed in mijn kamer ontdaan van de wintervacht die ik de afgelopen jaren met toewijding heb laten ontstaan, heb ik alle boeken van Peter Buwalda gelezen, ruk ik zo veel dat de bloedstriemen zich rond mijn eikel ophopen, wandel ik ’s avonds naar vrienden toe om hun lastig te vallen met onzinnige gesprekken (‘je grijze haren beginnen wel echt door te zetten’), kijk ik iedere dag een James Bondfilm, steel ik accu’s van elektrische bakfietsen om mijn wietkwekerij draaiende te kunnen houden en sport ik twee keer per dag een half uur op mijn roeimachine die ik op dag drie van quarantaine heb besteld via decathlon.nl (BN drinkt een sixpack per dag, ik train de mijne). En natuurlijk heb ik in de tussentijd mijn debuutroman en twee verhalenbundels afgemaakt, maar dat is zó niet bijzonder dat het eigenlijk niet het vermelden waard is.

Uiteindelijk stortte ik me maar op datgene wat ik eigenlijk altijd al doe. Het is geen hobby, meer een natuurlijke manier van transporteren. Ik heb het natuurlijk over fietsen, een bezigheid die ervoor heeft gezorgd dat mijn fragiele masculiniteit in mijn jeugd in de knop is gesmoord. Het dorp waar ik ben opgegroeid mag dan wel ruim zevenhonderd jaar stadsrechten hebben, ik had tijdens mijn puberteit die heerlijke privileges graag ingeruild voor een directe busverbinding met mijn school. Ik kon mekkeren zo veel ik wilde, maar mijn ouders hadden geen medelijden en lieten hun enige zoon vijftien kilometer door de regen over de dijk fietsen. ‘Je weet waar de regenpakken liggen’, was het enige dat ik te horen kreeg. Gekleed in kleuren die normaal alleen in lavalampen te zien zijn trotseerde ik de buien om de rest van de dag met soppende sokken door de school te slenteren. 

Op paaszondag besloot ik een fietstocht te ondernemen op mijn stadsfiets. Het is een barrel: hij rammelt, heeft geen versnellingen, maar wel een lichte slag in het voorwiel, dus hij is perfect om de korte afstand universiteit-redactiehok-kroeg-huis mee af te leggen. Ik heb hem afgelopen jaar van mijn vrienden gekregen voor mijn verjaardag – ik ben ze daar oprecht dankbaar voor – maar ik zou iedereen willen ontraden om een fiets te kopen via cheapassbikes.nl. Ga naar de verslaafden in de Voetboogstraat: met hun trillende handen kunnen ze tenminste geen verroeste moeren en schroeven zilverkleurig spuiten. Voor de tocht door de wildernis (alles ten noorden van Amsterdam) had ik alle noodzakelijk spullen in mijn tas gedaan – zak krentenbollen, anderhalve liter water, PC – om twee weken te kunnen overleven. 

Ik was niet de enige die op het idee was gekomen om een rondje te doen. Op het stuk dijk tussen Amsterdam-Noord en Monnickendam krioelde het van de paren wielrenners. Ik had korte tijd de hoop dat wielrenners extra vatbaar waren voor corona, want het peloton was behoorlijk uitgedund. Nou heb ik dus niets tegen fietsen (ook niet voor, het is gewoon iets dat iedere Nederlander doet), maar bij de meeste amateurwielrenners heb ik de hoop dat ze Bjorg Lambrecht achterna gaan, met hun hoofd over het asfalt schuren en een bloedrode finishlijn trekken. Er is een explosie van wielrenwaanzin uitgebroken waardoor iedere mannelijke yup de behoefte heeft gekregen om in het spoor van Tom Dumoulin te treden. Het zijn geen echte liefhebbers; het zijn pseudonationalisten die kosmopolitisch zijn in hun dagelijkse boodschappen (eten uit Afrika, ramen uit het afhaalluik van de Japanner), maar collectief individueel al járenlang fan zijn van Mathieu van der Poel, sinds hij een keer als eerste over de streep kwam. 

Het uniform van deze knotjeskudde is duidelijk: een racefiets van minstens twee ruggen met dertig versnellingen, een wielrenoutfit van Jumbo-Visma of Sunweb, extra voedselrepen, gelletjes om de kuiten mee in te smeren en een teamwagen met de vriendin van de kopman achter het stuur die de eerste afvallers na twintig kilometer opveegt. Op een feestje herken je de peletonproleet doordat hij om de enkele minuten moet praten over ‘waaieretappes’, ‘rode lantaarns’, ‘buiten- dan wel binnenblad’ en de ‘chasse patate’, maar als je hem vragen stelt over simsonsetjes gaat zijn zorgvuldig opgebouwde imago als fietsfuturist naar de filistijnen. Hij probeert een kopie van Fausto Coppi te zijn, maar deze vleselijke paper jam is door geen machinemonteur noch dopingarts te herstellen. 

Na Monnickendam zag ik minder wielrenners, toen ik voorbij Volendam was nog enkele, maar op de laatste kilometers richting Hoorn had ik eindelijk het wegdek eindelijk voor mij. Vreemd was dat natuurlijk niet: een mooiweerwielrenner draait slechts z’n rondjes om op Strava indruk te kunnen maken op de hardloopmeiden die iedere week een rondje Wertheimpark joggen. Op de IJsselmeerdijk kreeg ik van enkele Waterlandse binnenvetters vanuit hun moestuin wat bemoedigende knikjes, iets wat ik enkel kan toeschrijven aan mijn middelmatige en fantasieloze voorkomen; een H&M-paspop heeft een originelere kledingsmaak.

Toen ik wachtte bij een verkeerslicht in Heerhugowaard, kwam er een dure racefiets naast me staan. Ik herkende de redacteur van De Groene eerst niet, maar de bleke boomstammen die onder zijn strakke wielrenoutfit uitstaken verraadden hem. Ik zag aan zijn blik dat hij wist wie ik was, maar hij zei niets. Bij groen vertrok hij snel en ik zag hoe een dikke rol van zijn zitvlak om de achterkant van zijn zadel plooide. Enkele minuten later haalde ik hem in; pretentie is voor sprinters, doortrappers zeiken niet. Het was nog maar zestig kilometer naar Amsterdam. 

TD

Mijn tante is met een Poolse man getrouwd en het was hij, oom Adam, die mij mijn eerste glas wodka gaf. Ik was zeven jaar oud en verlangde naar deze vrucht van de verboden boom. Grote mensen dronken wodka en ik voelde me een heuse meneer – kinderlijke zelfoverschatting gaat vaak voorbij, behalve als je Özcan heet – dus ik drong aan, jengelde, zeurde op de verjaardag van Adam totdat hij een glaasje met de afdruk van de heilige Sebastiaan erop voor mij neerzette. ‘Een cadeau van een grote man aan een andere grote man’, zei hij met een grijns op zijn gezicht.

Hoe dit afliep hoef ik verder niet uit te leggen. Ik kan dat wel proberen, maar dan verval ik waarschijnlijk in clichés over kinderen en alcohol.* Deze gebeurtenis (en vele andere activiteiten waarbij ik werd ondergedompeld in de Poolse cultuur) hebben mij drie wijze lessen geleerd. Ten eerste: Polen houden van cadeaus (geven en krijgen), ten tweede: ik houd van Polen, en, tot slot: Polen en ik houden van drank.

Op mijn dertiende had ik een zomerbaantje in een kas waar perkplanten werden gepoot. De enige reden dat ik dit werk deed was omdat mijn moeder me ertoe verplichtte zodat zij in de vakantie niet de hele tijd een hyperactieve puber in huis had. Om vier uur ging mijn wekker, om vijf uur stond ik aan de lopende band petunia’s en begonia’s te stekken en om deze geestdodende activiteit dragelijker te maken gingen de waterflesjes van mijn Poolse collega’s van hand tot hand, zodat iedereen grinnikend en lichtelijk verdoofd om half tien ’s ochtends koffiepauze had. Als mijn moeder had geweten dat zij de basis zouden leggen voor mijn alcoholmisbruik, mijn vroegtijdig ingetreden geheugenverlies en mijn buitenechtelijke, niet-erkende dochter had ze waarschijnlijk toch voor ritalin of een postnatale abortus gekozen.  

Polen delen alles. Hun drank, en ook hun land, ze delen alles met iedereen: Duitsers, Russen, Oostenrijkers, iedereen mag een stuk Polen hebben. Behalve Joden, homo’s en andere minderheden, maar laat ik de Nederlandse gewoonte om altijd iets irritants, iets zuurs te moeten zeggen achterwege houden. De toezichthouder in de kas had die gewoonte wel; Maarten heette hij, een gierige klootzak die niet snitchte bij de baas, maar wel als zwijggeld iedere week een fles van Jan – mijn collega die mij het meest onder zijn hoeden nam – eiste.  

Enkele weken geleden hield Jan een feestje en ik was uitgenodigd. Op de fiets naar het afgelegen adres in Aalsmeer dat hij aan mij had doorgegeven verheugde ik me al op de zelfgestookte wodka. Hoewel ik weet dat zelfgemaakte drank gevaarlijk kan zijn, knijp ik bij Jan en zijn vrienden graag een oogje toe. Ik kwam aan op het adres dat hij had doorgegeven en ik keek verbaasd rond. Er stonden oude caravans die ooit wit waren, maar nu werden gedomineerd door groene en zwarte schimmelvlekken. Tussen de caravans stond een overwoekerd huis, een sloopkeet waaruit stroboscooplicht en teknobeats kwamen.

‘Welkom, welkom, goed dat je er bent.’ Ik was de drempel nog niet over of de eerste fles wodka en een cilinder Tyskie werden in mijn handen gedrukt. ‘Oude gewoontes slijten niet’, dacht ik en nam een teug uit de fles. De woonkamer annex keuken stond vol met mannen van midden dertig die dansten alsof ze een vliegtuig waren: armen gespreid en klaar om naar de vertrekbaan te taxiën. 

‘Met hoeveel woon je hier?’ schreeuwde ik in Jans oor. ‘Eenentwintig. We hebben geluk dat een collega terug naar Polen moest voor de begrafenis van zijn oma. Daardoor is er nu een stapelbed half bezet.’ Een rondleiding door het huis maakte mij duidelijk dat niet iedere Pool een loodgieter of klusjesman is. Tweeëntwintig slaapplekken in een kamer waar een gebrek aan isolatiemateriaal ervoor zorgde dat airconditioning niet nodig was. Waar ooit een trapleuning zat waren nu alleen nog gaten in de muur waar insecten uit krioelden. Het was een pand dat geen ander doel kon hebben dan deze Poolse bollenpartizanen huisvesten. 

Na enkele glazen wodka veranderde ik van een muurbloem in een superpool, ik sloeg mijn vleugels uit en nam bezit van de dansvloer. Onbekende mannen sloeg mij op mijn schouders en omhelsden me, het was ware verbroedering zoals alleen alcohol dat kan doen. ‘Fuck Otto’, schreeuwde de kale man naast me. ‘Fuck Otto’, riepen anderen terug. De muziek van Mr. Polska beukte uit de speakers, maar deze mannen kwamen er bovenuit met hun oerkreet. 

‘Wie de fuck is Otto’, vroeg ik aan Jan toen we buiten meer spiritus gingen halen. ‘De huisbaas, de werkgever, het uitzendbureau. Otto is alles; God, en nog veel meer.’ Jan nam een grote slok. ‘En het ergste is dat hij goede vriendjes is met die Klaas Dijkhoff van jullie. Hij geeft die lul kaartjes voor PSV en wij maar tussen de ratten leven.’

‘Maar dat is godverdomme corruptie!’ Het Poolse spraakwater deed wat hij altijd bij me doet. ‘Nee, bij ons in Polen had dat corruptie geheten. In Afrika ook; of in Brussel, daarom heet die stad ook klein-Congo. Hier, in Nederland’ en Jan pakte me vast, als een vader die zijn zoon een les wilde meegeven, ‘noemen we dat investeren.’ Ik knikte en kotste over hem heen. De Poolse cultuur was me toch teveel geworden. 

TD

* Murat Isik, Wees onzichtbaar, (Amsterdam, 2017), 5.

Als witte man heb ik een ontzettend zwaar leven. Vrouwen verwachten dat ik over een bijna onuitputtelijke hoeveelheid kennis beschik, maar ze worden boos als ik iets van mijn wijsheid met ze deel. Ook word ik door vrouwen vaak geobjectificeerd; zo werd ik afgelopen zomer – het was zeer warm – nagefloten toen ik in mijn speedo in het Wertheimpark Een Circusjongen van Reve lag te lezen. En alsof dat nog niet genoeg was, hoorde ik vorige week van een vriend dat ik, in de koffiepauze van een kunstgeschiedeniscollege door een groepje vrouwen, werd vergeleken met de David van Michelangelo, maar dan met sexappeal.

Laat ik er niet omheen draaien: ik snap niks van vrouwen, ik wil niks van vrouwen, ik val niet op vrouwen. Na mijn negen maanden durende snuffelstage in de baarmoeder van mijn moeder heb ik besloten om de rest van mijn leven zo ver mogelijk uit de buurt van iedere vulva te blijven. Noem me een reetridder, anusarcheoloog, kringspierkolonel, ik vind het allemaal prima, zolang ik maar niet iedere maand met een gevulde mooncup in mijn hand hoef te proosten op het wonder der vrouwelijkheid.

De laatste tijd kreeg ik toch het verlangen om meer te leren over de vrouw. Niet op een seksuele manier – ik heb de stellige overtuiging dat geen vrouw zo goed kan pijpen als een man (waarschijnlijk is dit ook een vorm van mansplaining) – maar juist over het biologische bestaan. Wat gebeurt er in zo’n baarmoeder? Wat zorgt ervoor dat vrouwen praten over hun emoties en hun menstruatiecycli, terwijl mannen enkel bij een potje crackertrekken hun ware seksuele inborst durven te tonen?

Gelukkig waren Athenaeum en De Revisor zo vriendelijk om voor mij een instapmodel vrouw te regelen. Daan Borrel, sterke vrouw, spontaan en absoluut niet beschaamd om de meest bloederige details van haar venusheuvel met mij te delen. Een avondje met haar zou mij inwijden in alle rituelen die onderdeel zijn van behoren tot het vruchtbaarste geslacht. Op dinsdagavond klopte ik op de deur van de boekhandel. Een vrouw liep vanachter de balie naar de deur om deze open te maken. ‘Kom je voor de lezing? Loop dan maar door.’ Ik kreeg het gevoel dat ik een heksensabbat betrad. Om me voor te bereiden op deze avond had ik door de Malleus Maleficarum heen gebladerd; ik wist nu dat dikke vrouwen niet konden vliegen en dat zaad van mannen een essentieel onderdeel is van vruchtbaarheidstoverdranken.

Eenmaal op mijn plek op een van de stoelen in de zaal, keek ik rond en zag dat mannen ver in de minderheid waren. Er waren meer potten dan in een groenteconservenfabriek en er zaten enkele vrouwen in het publiek voor wie ongesteldheid een verlangen vormde naar een tijd waarin ze – in de natuurlijke cycli der dingen – nog wel een rol hadden. De mannen die er waren hielden ook van piemels; mijn gaydar sloeg aan als een geigerteller bij Tsjernobyl. Ik zag ook die rode vamp van de boekhandel zitten, ik lachte naar hem maar hij was te druk bezig met zichzelf bijschenken met witte wijn om mij te zien. Jammer, want op Grindr kan hij zijn promiscuïteit – in de vorm van uitvergrote dickpics – jegens mij met moeite onderdrukken.

De ster van de avond nam haar plek in. ‘Is dat Borrel?’, schoot er door mijn hoofd. Daar zat niet zomaar een vrouw; op de stoel resideerde een bulldozer die iedere uiting van fragiele mannelijkheid plat zou walsen. Ik pakte mijn aantekenblok uit mijn tas om alle wijsheid die deze muze zou verkondigen als een tampon op te kunnen zuigen.

Na afloop van het praatje was ik best tevreden. Zo leerde ik dat billen een uitingsplaats zijn van emoties. Nee, het gaat niet over winden of scheten; billen (ja, billen) zwellen op bij emoties. En ik kwam erachter dat het stralende middelpunt van Borrels heelal haar eigen hemellichaam is. ‘Ik wil andermans werk niet lezen als dat over een menstruatiecyclus gaat’, heb ik geciteerd. Ik had altijd al het vermoeden dat vrouwen niet solidair zijn – ze kennen immers geen broederschap – maar deze opmerking gaf wel de indruk dat teveel vrouwen in een ruimte gemakkelijk in een bloedbad kan ontaarden. De belangrijkste les van Borrel was dat vrouwen gestaag de wereld overnemen. ‘In het Westen worden vrouwen massaal in slaap gehouden door de pil. Er komt bevrijding aan, we gaan weer één worden met de natuur.’

Met een blik bier in mijn hand liep ik na afloop door de boekwinkel. Borrel kwam naar me toen en drukte haar boek in mijn hand. ‘Mijn nummer staat voorin. Jij mag de openingszet doen, maar daarna zet ik je schaakmat.’ Ik voelde me als een hertje in het nauw gedreven. Borrel had een extra knoopje van haar broekpak opengemaakt en liet duidelijk merken dat als zij haar oog op iets of iemand had laten vallen, zij dat ook zou krijgen. ‘Ik val op mannen, dus ik denk niet dat het iets wordt.’ Ze kijkt me ongelovig aan. ‘Dat is een fase, daar kom je wel overheen.’ Misschien heeft ze wel gelijk en staan vrouwen dichter bij de natuur. En wat kan een man daarover weten? Ik houd van kunst en kitsch, ik ben een cultuurmens.

TD

Daan Borrel, Jaar van het nieuwe verhaal. De Bezige Bij, € 21,99.

Archief