TD

Het is moeilijk kiezen tussen De Grote Twee van de Nederlandse literatuur. Als je aan het eind van de ochtend wakker wordt met een hoofd dat voelt alsof een tuinkabouter met een klophamer de binnenkant bewerkt en naast je een veulen, loops en lekker, ligt, snap je Reve wel. Na dagen gedisciplineerd en ascetisch doorwer­ken, waarbij je paginanummers in voetnoten invoegt, nauwgezet andermans werk controleert, op zoek naar die ene fout, hoe klein ook, om hem daarmee om de oren te slaan en weg te zetten als dilet­tant, als poseur, dan voel je je toch meer Hermans.

Op 29 januari 1988 verscheen een es­say van W.F. Hermans in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Een kleine drieduizend woordjes. Kom daar heden ten dage nog maar eens om. Wij moeten het doen met de stukken van ‘schrijver’ Philip Huff, die Sylvia Witte­man de maat neemt over seksisme. Nou voel ik niet de behoefte om die Magnum White op pootjes te verdedigen, maar dat Huffs oeuvre, bestaand uit verhalen over Praagse sletten en strakke kutjes, eerder doet denken aan kechs dan aan Bechdel moge duidelijk zijn.

Hermans’ stuk ging over het laatste Mul­tatuli-jaar. In 1987 was Eduard Douwes Dekker honderd jaar dood. Een stand­beeld van hem op de Torensluis werd onthuld door Beatrix, dat was het hoog­tepunt van de viering. En hoe voorzag Hermans dat het in de toekomst zou gaan? ‘Hoogstens zal er ergens een saai praatje door een saaie professor wor­den gehouden voor een publiek van vijftig studenten die nog tentamen bij hem moeten doen. Niemand zal Mul­tatuli meer voor zijn plezier lezen, nie­mand ambieert meer iets nieuws over de schrijver aan het licht te brengen. Zelfs een standbeeld hoeft niet meer te wor­den opgericht voor hem.’ Noem het pes­simisme, noem het cynisme, noem het realisme: een voorspellende gave had de geoloog wel.

2020 was het eerstvolgende Multatuli-jaar. Hoewel dit jubileum een beetje was ondergesneeuwd door de meest in­vloedrijke Chinese uitvinding sinds het buskruit, waren er toch enkele feeste­lijke activiteiten. Op de website van het Multatuli Genootschap – kan je een van Nederlands belangrijkste schrijvers beter eren dan met de Engelse ziekte? – staan ze allemaal netjes op een rij. Wat heeft de Vereniging ten Behoeve van de Conservatie van de Erfenis van Neerlands Groôtste Schrijver, onder leiding van prof. dr. drs. ing. Elsbeth Etty, hoogle­raar in de knip-en-plakkunde en Brezj­nev van het recensentencorps, voor ons in petto?

Op 17 februari onthulde Prins Pils een gedenksteen in de Nieuwe Kerk, waar­bij het Genootschap trots vermeldt dat de slippendragers van Blauw Bloed er een reportage over maakten.

Op 2 maart was er in de bibliotheek van Culemborg een Multatuli-gala en een schrijfwedstrijd. Om de Saïdjah en Adin­da-bokaal in ontvangst te nemen moest de winnaar 250 woorden achter elkaar zetten.

Op 6 maart vertegenwoordigden Elsbeth Etty en Dik van der Meulen het bestuur van het Multatuli Genootschap op het Boekenbal.

Op 7 maart was ‘de Jaarvergadering van het Multatuli Genootschap in de Eggert­zaal van De Nieuwe Kerk die in het te­ken staat van Eduard Douwes Dekkers 200ste geboortejaar’.

Op 9 maart praat Özcan Akyol over Edu­ard Douwes Dekker in zijn televisiepro­gramma Dwarse Denkers.

Op 11 maart gaf Dik van der Meulen een lezing bij de Volksuniversiteit Wagenin­gen.

Bovenstaande activiteiten waren alle­maal voordat er een pandemie in Neder­land losbrak. Tijdens carnaval hoste men nog door de binnenstad van Den Bosch, de treinen stonden iedere morgen nog stampvol forensen, de enige corona die we toen kenden was dat smerige mais­bier. En wat kreeg het Multatuligenoot­schap voor elkaar? Een avond met Van der Meulen voor drie zelfgebreide truien in Wageningen en Etty die verschijnt op een borrel in de Stadsschouwburg die ze zelf niet organiseert.

Gelukkig stopte daarna de wereld met draaien. Geen vliegtuigen meer in de lucht, knooppunt Hoevelaken was nog nooit zo verlaten. Gansch het raderwerk staat stil als de Chinese laboratoriumarm het wil. Dit is een teken, dacht Etty. Dit is het moment om te herpakken. De eerste drie maanden waren een proef, een try out, nu gaat het echte werk beginnen. Nu hebben we de tijd om een grandioos pro­gramma in elkaar te zetten, een festival voor Multatuli. Ik ben zo nieuwsgierig als een kind de dag voor zijn verjaardag, wat hebben ze allemaal georganiseerd?

Van 2 maart tot 29 mei was de ‘Multatuli tentoonstelling [sic] “ik wil gelezen wor­den” in de Erfgoedvitrine in de Universi­teitsbibliotheek van de VU’. Helaas was de bibliotheek gesloten vanwege corona.

Van 15 juni tot 1 september kon ieder­een, let op: iedereen, via de VU meedoen aan een project voor een nieuwe, experi­mentele uitgave van de Max Havelaar. Zo ontstond een handgeschreven lock­down-editie. Gelukkig zijn er ook vlogs van gemaakt, die staan op YouTube.

Op 13 december werd het boekje Mul­tatuli en Marx in Brummen van Elsbeth Etty, uitgegeven door De Geiten Pers ge­presenteerd in Hotel het Oude Postkan­toor te Brummen.

Hoe zouden we deze festiviteiten kunnen samenvatten? Er was een expositie in een gesloten gebouw, een lezing in een nep-academie, een verplichte jaarlijks terugkerende vergadering van het Ge­nootschap, er verscheen een boekje van achtentwintig pagina’s dat, volgens de website van het Genootschap, verkrijg­baar zou zijn bij een ‘groot aantal boekwinkels in het land’, maar waarvan ze bij Athenaeum nog nooit hebben gehoord, er was een schrijfwedstrijd met maar liefst veertien deelnemers, een groeps­verkrachting van Multatuli’s bekendste werk, alias ‘experimentele uitgave’, met het toelatingsbeleid van Bevrijdingsdag­festival en een potpourri van uitgebraak­te woorden als resultaat.

2021 is het W.F. Hermansjaar. Geluk­kig heeft hij al die mooie straat naast de OBA. Ik verwacht niet veel van de feestelijkheden, maar de lage lat van het Multatuli-jaar wordt nog net ge­haald. Ik kijk met grote schrik vooruit naar 2045, als hij vijftig jaar dood is.

TD

Ons equivalent van rokjesdag is blotebuikendag. Waar die kut­kluivers zich opgeilen aan bleke benen die in allerijl met slash and burn in cultuur zijn gebracht, maar toch even vruchtbaar blij­ven als de Kalahariwoestijn, hoeven wij ons nergens zorgen om te maken. Als de trekvogels terugkeren van overwinteren, trekken mannen, zich niets aantrekkend van onze geile blikken, hun kleren uit en zo komen wij aan ons trekken. Het maakt dan ook niet uit hoe ze eruit zien. Coronakwabben die over de rand van z’n skinny jeans draperen? Lekker om vast te pakken als hij op zijn knieën voor je zit. Dad bod? Zeventienjarige knapen stromen zijn inbox binnen, azend op de lijfelijke geneugten die ze hun hele jeugd heb­ben gemist. Blokjesbuik? In Barry’s bukkakebar zou hij het middel­punt van alle aandacht zijn geweest, ware het niet dat de heropening misschien niet doorgaat, want de tent zit nu op zwart zaad. Gaan de knoopjes open, dan gaat bij ons de knop om. Het jachtseizoen is dit jaar echter geannuleerd.

Ik had met mijn vriend R. afgesproken om afgelopen zondag te wandelen in het Vondelpark. Een goede keuze, bleek al snel. Het aanbod was groter dan op een willekeurige wet market in China en de kans op overdrachtelijke ziektes ook, maar zittend op een bankje met een Mannenliefde in de hand met uitzicht op de hengstenheide was dit de enige ma­nier om als bankhanghomo nog iets van het weekend te maken. Samen met R. genoot ik van ons uitzicht. Voor de oe­feningen was het onnodig, maar de ont­blote honkhunks, die aan de dames toon­den dat tepels die lager hangen dan het middenrif een keuze is, werkten zich uit de naad met haken en elastieken waar­mee ze in club Church niet hadden mis­staan. De joggers in tanktop kwamen rechtstreeks uit de folder van Circuitfes­tival. Ik nam een slok, voelde mijn kruis opzwellen en legde hem links. De zon. De lente. Ik ben zondig, dacht ik. En dat voelt godverdomme goed.

Er viel een schaduw over me heen en mijn uitzicht werd geblokkeerd. Borrel met buikbaby en Blokkertassen. Sinds ze vorig jaar op het Boekenbal agressief de zaal uitbeende nadat ik wederom had uit­gelegd dat ik resistent was voor het va­ginavirus, had ik haar niet meer gezien. Ook niet gesproken. Ze was uit mijn le­ven verdwenen.

‘Wat heb je allemaal in die oranje bood­schappentassen zitten?’, vroeg R. toen hij naar de uitpuilende buidels keek. ‘Mijn oude slipjes met maanstonde­bloed, bezemstelen om ze aan te hangen, ballonnen, pannen. Je weet wel, de stan­daard demonstratiebenodigdheden.’ Ze had mij nog geen seconde aangekeken. ‘Alles wat een moeder nodig heeft om haar kroos te beschermen.’

Ze wreef over haar bolle buik met een maniakale grijns op haar gezicht. ‘Weet je nog dat ik van de zomer, na die lezing in de week van de Gay Pride, sprak over zelfbeminnen? Ik heb daarna een zes we­ken durende taoïsmecursus gedaan met zeven andere meiden in een opgeknapt klooster in Bhutan. Ik leerde al mijn cha­kra’s kennen door dagelijks negen uur te zoemen.’ ‘Was het een online cursus?’ Haar blik verraadde dat ik vooral mijn mond moest houden. ‘Mediteren, in con­tact komen met de kosmos, leren dat er meer is dan vleselijke lust en oppervlak­kig vermaak.’ Weer die priemende ogen, alsof ze die van mij met een passer uit wil­de steken. ‘Het heeft mij zó geïnspireerd, zó in aanraking gebracht met mijn diepere ik, ik voel dat ik op moet komen voor de gezondheid van mijn ongeborene.’

R. kuchte. ‘Dus jij gaat koffiedrinken op het Museumplein?’ ‘Nee, geen cafe­ïne voor mij, dat vertroebelt mijn inner­lijk oog, ik consumeer enkel nog pure producten die in het wild te vinden zijn: paddenstoelen en boomwortels en meer giften van Gaia.’ Ik nam een teug, bier smaakte nog nooit zo goed. ‘Ik kwam via een sjamaan in Thimpu in contact met andere vrouwen in deze stad die ook weer één willen worden met de natuur en met hen ga ik straks op die verdorven plek een bloedoffer brengen en moederkoek­jes eten. En natuurlijk op pannen slaan, om de kwade geesten weg te jagen.’ ‘Kan dat nog wel? Moederkoek bedoel ik. Na de negerzoen, zigeunerschnitzel, joden­koek…’ ‘Aan die patriarchale pikpraat van jou heb ik geen behoefte.’

Weer keek ze me met gefronste wenk­brauwen aan, de zwarte weduwe in haar klom omhoog. ‘Als queervrouw ben ik op zoek naar zuiverheid, eenheid. Terwijl jij,’ haar wipneusje ging de lucht in en ze inhaleerde de bloesemvolle lucht, ‘je li­chaam vergiftigt en bezoedelt.’ Voordat ik op haar onheuse bejegening kon rea­geren, greep R. in. ‘Daan, jij laat jezelf toch wel vaccineren? Ik hoor steeds va­ker verhalen van… laat ik het zo zeggen, hoogopgeleide en verstandige vrouwen die zo’n prik weigeren.’

‘En wat heeft mijn opleiding hiermee te maken?’ Ze wilde geen antwoord op die vraag. ‘Zoals ik al zei wil ik voor mijn kleine alleen natuurlijke producten, dus die chemische rotzooi komt niet mijn li­chaam in. Ze proberen je afhankelijk te maken, angst te zaaien, terwijl ik geloof dat mijn tempel een holistisch geheel is: alles staat met elkaar in verbinding en die circulatie moet je niet doorbreken. En zo is moeder natuur ook: ze reinigt zichzelf. Kijk om je heen: polio is toch ook ver­dwenen.’ Ik rommelde wat in mijn rug­zak, pakte mijn volgend speciaalbiertje. Vrouwen, ik zal ze nooit begrijpen.

Ze pakte haar actiezakken op. ‘Leuk je weer gesproken te hebben,’ zei ze tegen R. Ze negeerde mij en wandelde weg. Op de achterkant van haar T-shirt had ze een hart geschilderd: zelfbeminnen is de re­volutie, stond eromheen. ‘Weet je waar ik zin in heb?’ vroeg ik aan R. terwijl ik me uitrekte en naar de jongens met be­haarde bast keek die een frisbee over­gooiden. ‘Om weer eens goed volgespo­ten te worden. Zaad of AstraZeneca, dat maakt mij niet uit. Ik wil het allemaal. En eigenlijk nu. Spuit mij maar vol.’

TD

Dat het Nederlandse mediaveld een incestueus rattennest is wist u natuurlijk al. Afgelopen week werd dit nogmaals in uw gezicht gespuugd door de winstcijfers van DPG. 178 miljoen euro mocht de Vlaamse familie Van Thillo afgelopen jaar bijschrijven, mede mogelijk gemaakt door alle clickbait van de Onbetrouwbare Mannetjes in de Volkskrant, Holmans hetzes in Het Parool, Eus’ opgeboerde snackbarhap in Algemeen Dagblad en Euphemenico’s tweedagelijkse poging om de evolutionaire kloof tussen mens en gorilla te overbruggen in Trouw. Wilt u ontsnappen uit de klauwen van de Vlaamse leeuw? Kansloos. Mediahuis, de andere oligopolist met een hoofdkantoor aan de Schelde, bezit NRC en de Duklander Courant. Maakte in 2020 bijna 59 miljoen winst. En wat strijkt een freelancer bij deze kranten op? 14,5 cent per woord. En dat na een opslag van meer dan tien procent. Die Belgen mogen zich dan in 1830 hebben afgescheiden, de gierigheid hebben ze zich in minder dan 200 jaar goed eigen gemaakt.

Maar we moeten niet doen alsof al het kwaad bij Zundert het land binnenkomt. Het baantjes toeschuiven in letteren­land is endemisch. Neem Femke van der Laan: met haar column in Het Parool heeft ze meer geld opgehaald dan Eber­hard in zijn leven erdoorheen pafte. En wat is haar talent? Trouwen met een ter­minale vent. Dan is er ook het prinsesjeslegioen. Natascha van Weezel is op de bagagedrager van haar vader krantenkolommen binnengereden en verdedigt haar stellingen alsof het joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoe­ver zijn. Charlotte Remarque wandelde door de door huisgenoot Papa opgezet­te deuren de Volkskrantredactie binnen. Als Alma Mathijsen niet de dochter van Marita was geweest had u haar enkel ge­kend als de kassière van de Albert He­ijn op de Westerstraat die u, na meerde­re malen de muntjes op de toonbank te hebben gelegd, altijd te veel of te weinig wisselgeld geeft. En hoe Jessica Kuiten­brouwer – inderdaad, u kent haar van… – afgelopen zomer aan een dagelijkse column in de Amsterdamse middagkrant kwam blijft in het ongewisse, maar het helpt wel als je de dochter van mediage­rontocraat Jan Kuitenbrouwer bent.

En als u denkt dat ik een seksist ben en enkel vrouwen onder handen neem, wijs ik u op het platonisch partnerschap Joost de Vries en Philip Huff. Die laatste haalt zelfrespect uit de 23 pandapuntenzegels die hij in zijn open relatie bij elkaar heeft gesprokkeld. Joost schuift Philip op­drachten van De Groene toe om de arme jongen van de bedelstaf te redden. Om u in herinnering te brengen: Huff ontving € 15.000, – voor een boek dat niet gaat verschijnen. (Mocht u denken: dat weet ik al, dat klopt. U weet het, ik weet het, Huff weet het. Die laatste las het in zijn jongeschrijversappgroep. Hij snapte niet waarom ze hem, nou altijd hem, moes­ten hebben bij PC. Ik schrijf het punt van de onterechte letterensubsidie nogmaals op, want het zou zonde zijn als dit soort nieuwtjes uit het publieke geheugen ver­dwijnen. Trouwens Philip, waarom heb jij je Wikipediapagina aangepast? Om­dat daarop verwezen werd naar een ne­gatieve recensie? Omdat je, aldus Jopie in zijn nieuwste boek, ‘een bepaalde re­censent van Het Parool haat’? 19 maart 2021, 23:58. Het is beter om dronken uit de buurt van je smartphone te blijven!) En Joost, ach arme Joost, wil zich vooral intellectueel voelen, dus omringt hij zich met Flippie’s om de Tiger Woods van de midgetgolfbaan te zijn. En als het tegen­deel het geval is, als hij geconfronteerd wordt met een artikel dat hem niet be­valt, zoals een waarin zijn vriendin een ‘dom gansje’ wordt genoemd door een Europarlementariër en de auteur de­zes dat slechts opschrijft, verklaart hij de boodschapper tot persona non grata. Maar wel in stijl, dus achter zijn rug om.

(Ik wil het toch ook voor De Vries op­nemen, want om zo vaak te kakken wor­den gezet om je intellectuele impotentie – in dit blad, in NRC, eigenlijk overal waarvoor hij niet schrijft – is niet leuk. Altijd maar die verwijten van plagiaat of voorspelbaarheid. In De Groene van 24 februari kwam De Vries met een verras­send en nieuw inzicht: Chinezen die protesteren tegen de bezetting van Nepal. Misschien had ik deze daad van agres­sie tussen de kaalscheercampagne op de Oeigoeren en strijd om de benoeming van Panchen lama gemist, maar ik heb het gevoel dat De Vries minder hoog­dravende boeken moet lezen en in plaats daarvan beter Netflix kan opstarten. Ik kan die ene film met Brad Pitt van harte aanbevelen.)

Genoeg gekankerd. Er is één medium in Nederland dat opstaat tegen deze kringvingercapriolen: De Correspondent. Zij doet niet mee aan de waan van de dag, creëert geen ophef of lokt lezers met doortrapte reclameslogans. ‘Wij kijken niet naar het sensationele, maar naar het fundamentele,’ staat in het oprichtings­manifest. Stelling 9: ‘We stellen de jour­nalistiek altijd boven financieel gewin.’ Zo ziet u maar: De Correspondent is an­ders. Beter dan de rest.

Wie de stapel boeken die De Correspon­dent de laatste jaren op de markt heeft gedumpt bekijkt, ziet op iedere flap de een na de andere schrijver of journalist de loftrompet opsteken. ‘Thalia Verkade is er zo eentje die verder graaft waar an­deren ophouden, en uiteindelijk met de meest prachtige en vooral verrassende ontdekkingen en inzichten weer boven­komt,’ complimenteert Joris Luyendijk de schrijfster van Het recht van de snel­ste. Maar het is nogal wiedes dat Luyen­dijk het goed vond, want de Correspon­dentstukken waaruit het boek bestaat zijn onder zijn neus als editor-at-large bij het medium gepubliceerd. Ziet u het voor zich, een redacteur die een boek van een collega, al dan niet terecht, de grond inboort? Dat zou niet goed zijn voor de verkoop, dus gebeurt het niet.

Op dezelfde kaft pronkt, naast een af­beelding van een schildpad, een sticker met de tekst ‘Dit boek laat je anders kij­ken’ van reptiel Arjen van Veelen, die zelf ook op de loonlijst van De Corres­pondent staat. Van Veelens boek Ameri­kanen lopen niet – toevallig ook uitge­bracht door De Correspondent – werd ook met niets anders lovende blurbs uitgebracht. ‘Wat kan een witte Neder­lander mij over mijn geboorteland ver­tellen? Meer dan ik dacht.’ Clarice Gar­gard. ‘Een van de heerlijkste pennen van Nederland.’ David Van Reybrouck. En voor welk medium schreven deze twee? Inderdaad. En voor Jesse Frederiks nieuwste bij De Correspondent, Zo had­den we het niet bedoeld, is good old Luy­endijk weer afgestoft om als smeerolie in de verkoopmachine te dienen.

Steeds minder stoelen, maar meer men­sen die met het spel meedoen. En ieder­een buigt en is lief, rukt iedere dag alle dons uit een kussen om het in een andere anus te stoppen. Ik ben blij als ik weer naar Parijs kan, het schijnt aan de Ave­nue Niel goed toeven te zijn.

TD

De meeste stadsbewoners hebben geen tuin en, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, kiezen daar bewust voor. Geen gekloot met een grasmaaier met dieselmotor die de binnentuin laat ruiken als de Nigerdelta, niet op de knietjes om met een aardap­pelmesje de woekerende paardenbloemen tussen de antracietgrijze tegels uit te peuteren: minder buitenruimte zorgt voor meer rust. Het grootste voordeel van de urbane ophokplicht is dat je geen last hebt van ongedierte dat van perken houdt: ratten en wespen en ander krioelend gespuis. En mollen niet te vergeten. Voor deze tun­nelterroristen moet je klemmen zetten om ze uit te roeien, want als je te laat bent krijg je kurumutanten zoals Hans Moll.

Om te illustreren dat zijn bijziendheid hem al vanaf zijn geboorte parten speelt is het goed om te weten dat de naakte rat in 1947 of ’48 op Java werd gebo­ren. Of, zoals hij het zelf zegt, ‘Bata­via’. Wilt u weten waar dat ligt? Neem de KLM-vlucht naar Petrograd, stap dan op het vliegveld over op de trein richting Zweinstein, check uit bij station Duck­stad, pak buslijn 313 richting de Efte­ling, maar verlaat deze bij de halte tus­sen Fata Morgana en Droomvlucht, ren om het amfibievoertuig naar Danzig te halen, waarop u tijdens de overtocht kan genieten van het uitzicht op Carthago en Narnia, begin aan uw zeven weken du­rende wandeltocht naar El Dorado, be­klim de Simeliberg, wacht tot een arend u oppikt en die zal u, eindelijk, afzetten in Batavia. Het onderkruipsel verborg zich in zijn mollenbunker om de realiteit van de veranderende wereld niet te hoe­ven aanschouwen.

In zijn Propria Curesperiode ging het wat beter met Hans. Erik van Muiswin­kel leerde de spijtpinda andere liedjes dan Terang Bulan en Beatrijs Ritsema verborg de pot Inproba sambal brandal voordat Hans amok ging maken over de kookkunsten van de gastvrouw. Helaas bleek Moll Oost-Indisch doof voor de beschavingsboodschap die zijn mederedacteuren hem probeerde bij te bren­gen, gebrekkig leervermogen is gewoon de aard van het beestje. Moll ging na PC bij Folia werken, tegelijkertijd met Boudewijn Büch, een medefantast. Een redactie als proefdierlaboratorium met tropische hallucinanten, toen kon dat nog aan een universiteit. En als u denkt dat met het vergeten universiteitsvod de lat op de grond was gelegd en Moll dus niet lager kon zakken, dan vergeet u de aard van het beestje. Tegenwoordig pent Moll zijn tempoe doeloetirades voor On­gehoord Nederland, ThePostOnline, Ve­ren of Lood en De Blauwe Tijger. Inder­daad, gestichten voor gezonken geesten. En als het allemaal nog niet erg genoeg was voor Hans kreeg hij dankzij een zon­nesteek ook nog een Napoleoncomplex. Sommige mensen zit het gewoon niet mee.

De Federatie Indische Nederlanders is het meest tragische legioen van het Ne­derlandse verzet. Zeventig jaar na de on­afhankelijkheidsproclamatie bedachten enkele nazaten van NSB’er Van Heutsz om de wapens op te pakken tegen Soe­karno en Hatta, niet wetende dat de bles­suretijd al was afgelopen, het licht uit was en iedereen verder was gegaan met zijn leven. Zodra iets over de dekolonisa­tieoorlog wordt opgerakeld – de moord­partijen van Westerling, de brandende kampongs, de standrechtelijke execu­ties – springen de leden van FIN in de houding, staan ze subiet paraat. Alsof hun dat in het Maleisisch was bevolen. Meteen beginnen ze de opbrengsten van driehonderdvijftig jaar oranje-blanje-bleu in de archipel op te ratelen: onder­wijs, gezondheidszorg, infrastructuur. Ik moet ze op dit punt gelijk geven, die Birmaspoorlijn is een technisch hoog­standje dat enkel tot stand kon komen door hartstochtelijke toewijding van de bouwers. Nou klinkt FIN manhaftiger dan ze is, want met zes man op het Ma­lieveld, waarvan bij de helft de oogleden als een klamboe over de pupillen hangen en de fitste infanterist bijna 75 is, maak je geen indruk op een bevolking van bij­na 270 miljoen. En u voelt al aankomen wie voor de troepen uitkruipt. Inderdaad, majoor Moll, met een vaandel van het telaatgeborenenlegioen in zijn klauwen waarop trots hun motto staat: ‘Een an­dere generatie, een andere aanpak’. Juist.

FIN is een stichting én een vereniging met standplaats Amsterdam, zo zegt ze zelf. Daar staan in een garagebox de rol­lators van het Korps Bejaarde Troepen, al zullen ze daar niets aan hebben in de sawa’s van Sulawesi. Mollie is voorzit­ter van het stichtingsbestuur en bemoeit zich niet met die andere club. Daar zijn genoeg mensen voor, want deze kongsi’s behartigen de belangen van álle Indische – pardon ik bedoel Indonesische, benoe­men is belangrijk – Nederlanders. Waar­om beide broederschappen van Javajan­kers statutair op het huisadres van Hans in Duivendrecht staan ingeschreven is een raadsel. Behalve als je ziet dat de meeste bestuursleden meer dubbelfunc­ties bezitten dan een VVD-senator. Met een Twitteraccount met trollenleger is het makkelijk jezelf groter voordoen dan je bent. Hopelijk leert FIN dat dit geen goede tactiek is voor een veldslag in de offline wereld.

Maar waar houdt het naoorlogse verzet zich allemaal mee bezig? Eisen dat een disclaimer komt bij de film De Oost. Moll: ‘FIN vreest echter dat de film een onjuist en eenzijdig beeld geeft van de situatie in Nederlands-Indië. Een dis­claimer zou dit kunnen ondervangen.’ Wil bijziende Hans nou bij een fictiefilm een… trigger warning? Omdat het an­ders kwetsend is voor zijn niet-bestaande achterban? Zoals hij met zijn degradatie van Champions League naar Topklasse in stukjesland heeft laten zien, is Moll ook hier niet te beroerd om lager te gaan dan waarvoor we hem mogelijk hadden gehouden. Want wat deed hij nadat Het Parool een ingezonden brief had ge­plaatst waarin gerept werd over oorlogs­misdaden in Indonesië? Hij stapte naar de politie. Om aangifte te doen wegens aanzetten tot haat en discriminatie. Een oud-redacteur van PC. Op het bureau om anderen voor de rechter te dagen.

Dit brengt me bij Bol Kerrebijn, resident van rattenrustplaats Bronbeek en prote­gé van Moll. In David Van Reybroucks Revolusi komt hij aan het woord. ‘Fu­silleren, ik had er geen last van. Als er mensen moesten worden doodgescho­ten, na onderzoek of weet ik veel wat, zei de commandant: “Ik zoek een vrij­williger.” Anderen zeiden: “Ik doe het niet”, maar ik zei: “Oké als het moet.” Zo was ik grootgebracht op dat internaat in Sukabumi: sterk loyaal. Ik wou de eigen mensen niet belasten. Zo’n type ben ik: zo hard dat ik er niet mee zat. Ze kwa­men uit Banyuwangi, daar was de recht­spraak. Een hele colonne met gestraften. Op het emplacement hadden we een goe­derenwagon als gevangenis staan. Het gebeurde altijd ’s nachts. En dan ga ik niet vragen of hij veroordeeld is, daar heb ik geen interesse in, daar werd niet over gesproken. Ik heb nooit proble­men gehad met degenen die… ze deden me niks. Kennelijk beoordeelden ze me op de juiste manier. Hij wist op de een of andere wijze dat hij er niet onderuit kwam. De put was door andere gevangen gegraven. Wat moet ik tegen zo’n vent zeggen? Ik zie hem als misdadiger. Hij staat in de put. Ik vraag hem: “Moet je nog bidden? Ben je erg gelovig?” Oké. “En je kleding? Want als je dadelijk dood bent, die kleren die je aanhebt, die gaan naar die spion, hoor.” Zo praat ik met hem. Als een spion iemand aangeeft, is hij uit op eigen gewin. “Zonde om die kleren kapot te schieten,” zeg ik tegen die vent. Nou, dat begreep hij wel. Hemd uit. “Pak maar, neem maar.” Ik gebruik­te een Owen, 9 millimeter, een volauto­maat. Ik had er geen moeite mee, ik wou alleen maar uitvoeren. Nee, geen gena­deschot in de nek, gewoon een roffel tus­sen de ribben. We spraken er niet meer over. Het kwam niet in het verslag, ge­woon een summiere briefing. Een beetje laf, denk ik soms, maar ik stond op het laagste niveau van uitvoering, daar is geen discussie meer.’

Kerrebijn is niet de beul van Bergen-Bel­sen, noch de sadist van Sachsenhausen. Hij was een Nederlandse militair met na­zitrekken in de gordel van smaragd. Naar Neurenbergnormen een oorlogsmisdadi­ger. En voor het Tokiotribunaal had hij ook niet veel kans gemaakt. En hij was niet alleen, denk aan de SS’ers op Sula­wesi, Westerling met zijn kompanen. Ei­genlijk alle slachters onder het bevel van Simon Spoor (zijn de initialen toeval?) zouden het zwarte, met runen verfraai­de uniform in de oostelijke Lebensraum niet hebben misstaan.

Dus Hansje, beschimmelde pindakaas­vlek op het standbeeld van Poncke Prin­cen, wat ga je doen? Durf je het aan om je oude krant voor de rechter te dagen? Of kruip je, zoals het een mol betaamt, terug in het donkere hol waar je vandaan komt?

TD

D66 is de familie Van Oranje onder de politieke partijen. Ga maar na: ze hebben allebei kroonjuwelen om hun positie in de Hofstad te behouden, houden het land bijeen en doen alsof ze luisteren naar de mening van Henk en Ingrid, maar lachen ze daarna achter hun rug om uit. Samen zijn ze de maïzena van het huis van Thorbecke. Van zolderkamercommunisten tot PVV-pooiers, van Jan Roos tot Thijs Kleinpaste, van Esther Voet tot Abdelkader Benali, de partij van Van Mierlo weet een burgeroorlog in Nederland
te voorkomen door alle nijd naar zichzelf toe te trekken. Ze pacificeert de polder door als sadomasochist in een worstenbroodjekostuum voor de Jumbo te patrouilleren, tegenover elke verwijt van racisme te benadrukken dat kolonialisme mensen ook kansen heeft opgeleverd en Zoomers aan te spreken op de gebrekkige Wifi in de McDonald’s waarvandaan ze hun colleges proberen te volgen. Maar de belangrijkste overeenkomst tussen D66 en de Koninklijke familie is hun opvallend declaratiepatroon.

Dit keer hoefden we niet Jan Dijkgraaf op pad te sturen om de vuilniszakken van de Excellenties te bemachtigen. Na een knipoog naar de blonde secretaresse op het partijkantoor aan de Lange Houtstraat gingen de klappers open, Rob Jetten was na drie Chablis en een nudie van meeloper III bereid om al zijn collega’s te verraden en voor het diepere speurwerk ben ik onze betalende lezers zeer dankbaar, omdat zij mogelijk maakten dat ik op de Haagse Waldorpstraat, met bundeltjes flappen in mijn achterzak, de
duisterste facturen buit kon maken. Op de oude tippelzone leerde ik twee levenswijsheden: alles is te koop, en politici en sekswerkers naaien je altijd. En natuurlijk kan het helpen als in enkele Haagse torens oude studievrinden werken. Maar ik heb beloofd om daar niets over zeggen. Bij dezen.

Goed, bij wie te beginnen? Menno Snel, de prins Friso van de bewindslieden. Door een lawine bedolven en daardoor te vroeg heengegaan zelf een crisis te creëren. De oud-staatssecretaris van Financiën had waarschijnlijk nooit kopjes koffie op het vliegveld gedeclareerd, noch de jaarlijkse inleg bij zijn hockey- of tennisclub, de bijlesklasjes van zijn kinderen, hotelovernachtingen waar hij zijn minnaressen alle hoeken van het bed liet zien, de föhn die in Brussel vergeten was. Hij declareerde geen rooie cent. En waarom? Menno Snel was integer. Bewaakte de schatkist. Hij zag erop toe dat alle belasting die wij in de kroeg bij elkaar zopen goed terecht kwam, was de ultieme loyale dienaar van de Staat. Sinds Hugo Brandt Corstius Onno Ruding voor Eichmann uitmaakte getuigt het niet meer van authenticiteit om een regent de lijfspreuk Meine Ehre heißt Treu toe te schrijven. Maar voor Snel, die leiding gaf aan de Belastingdienst, maak ik graag een uitzondering. Hij gaf loyaal leiding aan een dodelijk efficiënt systeem en in zijn puriteinse visie was er geen ruimte voor onnodige luxe of levensgenot. Ook niet voor nodigheden, genot of leven. Maar dat terzijde.

Voor de Koninklijke familie zijn haar paleizen rustoorden waar vanuit ze de alledaagse drukte van vakantieplanningen, Nibud-trainingen en feestjes met andere aristocraten die de valbijl hebben vermeden, achter zich kunnen laten. En het favoriete optrekje van Willem is Paleis het Loo, het vorstelijk voorkomen dat wordt omringd door een Veluws natuurgebied waar hij gesubsidieerd zwijntjes afknalt. De bewindslieden van D66 hoeven de Haagse kaasstolp niet uit om hun sociëteit, waar ze zich laten fêteren door collega- politici, lobbyisten en journalisten, te bezoeken. Zij hebben daarvoor Nieuwspoort, de politieke huiskamer aan de Lange Poten. In een roemrucht verleden de doorzakplek na de nacht van Schmelzer, tegenwoordig een grand café met de ambiance van een uitvaartcentrum en de inrichting van een Van der Valk. De klandizie bestaat voornamelijk uit doden bij wie de zwiep van de zeis van magere Hein nog niet is doorgedrongen. Jos Heijmans krijgt aan de toog het gevoel dat hij nog leeft en Ton Elias kluift op voorspraak
van pluimveelobbyist Henny de Haan kippetjes met Kamerleden. Maar blijkbaar vertoeven enkele D66’ers er ook nog graag. Waar gewone stervelingen, studenten zoals u en ik, enkel onze pik kunnen aftrekken, hebben de leden van de kleurlooste partij van Nederland er geen moeite mee om de contributie van hun Haagse honk naar ons door te schuiven. Ingrid van Engelshoven, Wouter Koolmees, Kajsa Ollongren, Stientje van Veldhoven (wees gerust, u bent niet de enige die haar niet kent, verderop wordt ze geïntroduceerd), Alexandra van Huffelen (de enige heks die de tram verkiest boven de bezemsteel): de neus hebben ze over de jaren 2018-2020 € 934,12 lidmaatschapsgeld gedeclareerd. Met dit jaar erbij komt de som uit op €1272,92. Een kleine 300 piek per jaar. Dat dit prima uit het ministersalaris van € 170.910 betaald kan worden, gaat er bij deze excellenties niet in.

Nu kunt u denken: drie meier, waar zeik je over? U snuift dit iedere vrijdag in De Groene Vlinder op en stuurt de rekening naar uw kantoor: Allen & Overy, KPMG, Pels Rijcken, noem maar op. Het is onderdeel van uw tertiaire arbeidsvoorwaarden. Als student beschouw ik boeken als primaire behoefte voor mijn baan, maar die rekening kan ik niet naar DUO sturen. Daar komt bij dat als u voor de derde maal statistiek moet volgen en dat vak enkel in april en mei wordt aangeboden, u voor het gehele jaar collegegeld moet betalen. Dit soort bureaucratische regels gelden niet voor bovengenoemde bestuurders, wier kans om na de verkiezingen opnieuw tot het kabinet toe te treden even groot is als dat Geert Wilders de Sacharovprijs krijgt voor zijn inzet voor universele mensenrechten.
D66, de partij die preekt over principes als gelijkheid en gelijke kansen, laat zien dat iedereen in gelijke mate de kans heeft om kosten te declareren. Het scheelt wel als je je eigen bonnetjes kan goedkeuren.

Dat politici weten dat dit soort declaraties vooral voorkomen in een bananenrepubliek zien we ook doordat velen het niet doen. Sint-Snel, bijvoorbeeld, betaalde de toelage uit eigen zak, of was geen lid: in de nabijheid van mensen verkeren was niet zijn sterkste punt. Maar ook kleptocratie-expert Sigrid Kaag voelde er niets voor om haar contributie aan de soos uit de staatskas te trekken. Waarom? Geen idee. Principes kunnen het in ieder geval niet zijn geweest. Maar daarover later meer, het zoetst komt als laatst.

De belichaming van de stuivergraaimentaliteit in het Oranjehuis was natuurlijk prinses Christina. Tenminste, voordat ze gecremeerd werd. Tijdens haar leven bevrijdde ze zich zo snel mogelijk van iedere verplichting die hoort bij uit de kut van koningin kruipen, maar stond wel met haar bedelnap vooraan toen de mogelijkheid zich voordeed om via Noordeinde de fiscus te ontduiken. Verkankerd in ziel en lichaam besloot ze in terminale toestand nog een zeldzame Rubens te verkopen; die prenten zijn immer moeilijk ongezien over te dragen als een belastinginspecteur met zijn neus erbovenop staat. Stientje van Veldhoven is de Christina van het kabinet. Waar ze vandaan komt weet niemand, opeens was ze er gewoon. Blijkbaar had ze haar Kamercorvee succesvol afgerond en dus recht op promotie. Als staatssecretaris én minister van Milieu was zij onder andere verantwoordelijk voor fietsbeleid, circulaire economie en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. Een door kernenergie aangedreven OV-fiets? En ik dacht dat Elon Musk soms overambitieus was met zijn transportrevolutie. Maar de bonnetjes, daar waren we. Stientje biedt waarschijnlijk haar AH-pannenzegels voor € 0,50 per stuk aan op Marktplaats en springt voor een aankomende trein als ze tussen de rails iets ziet glinsteren. Geen idee of het waar is, maar het zou me niets verbazen. Waar ik dit op baseer? Op het bonnetje waarop staat dat ze € 5,56 heeft uitgegeven bij de hippe koffiezaak Planeta Smaku in Katowice, Polen. Tijdens de Klimaattop in 2018 was Van Veldhoven vooral in de weer met brownies, worteltaart en macarons. Of de polen smelten maakte haar niet uit, zolang haar plak cake in de gesmolten chocolade werd gedompeld.

Als dit een enkele valse noot in haar gierigheidscredo was geweest dan zou er niet veel aan de hand zijn. Maar iedere keer dat Stientje op het wereldtoneel mag verschijnen, doet ze haar best om te voldoen aan de karikatuur van de Nederlandse krent. In New York bij de Verenigde Naties in 2018, waar ze eindelijk met de grote mensen mocht voetballen, heeft ze ook in de bedrijfskantine geluncht. Met een bruin plastic dienblad in haar handen stond ze in de rij voor de kassa. Vlak voor ze aan de buurt was stond ze voor de koelkast, waarbij haar hand twijfelend tussen de beker yoghurtdrink en eenpersoonspak melk heen en weer ging. Uiteindelijk werd het koffie, een pistoletje met zweetkaas en appelsap. Kosten? € 11,75. Greep ze met haar grijpgrage handen uit de staatskas. Helsinki 2019? € 11,30 voor koffie in café Finlandia. Beuzelaar Van Veldhoven laat haar persoonlijke assistent ordners met paperassen aanleggen om het futielste bedrag te kunnen declareren.

Stientjes motto is: wie het kleine niet declareert, is het grote niet weerd. En wie een groeiende moedervlek laat zitten, moet niet vreemd opkijken als hij straks terminaal is. Dus toen alle staatssecretarissen op Prinsjesdag 2020 niet fysiek aanwezig konden zijn bij de Troonrede, mochten de reservespelers van het kabinet een dag bij haar op bezoek. ‘Van Veldhoven heeft haar collega’s uitgenodigd bij het Museum Bescherming bevolking/ Bunkercomplex Overvoorde in Rijswijk voor een rondleiding. Samen gaan de bewindslieden daar lunchen en de troonrede kijken,’ stond in Algemeen Dagblad. Een dagje weg met collega’s, niet omdat het moet, maar omdat het leuk is. En wie mocht de rekening van € 438,- betalen? Exact. Dus terwijl de eigenaar van lokale kroeg tijdens de Troontrede te horen kreeg dat hij meer vet op de botten had moeten hebben, blijft Van Veldhoven dezelfde uitbater uitmelken. Had hij maar een ander beroep moeten uitkiezen;
politicus of zo.

Sinds het verscheiden van Bernhard is de rol van bad boy bij de Oranjes vacant. In de Trêveszaal wordt deze positie met verve vervuld door Ingrid van Engelshoven, overdag bekend als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar ’s nachts, als de grootste verleider van allemaal roept, verandert ze in minister van Feesten en Partijen. Ze struint alle borrels, concerten en optredens van het land af en doet zich daarop tegoed aan de glazen rood. Merlot bij voorkeur, want net als haar verre voorganger Halbe Zijlstra, ontbeert ze smaak. Zo toog ze ieder jaar naar Parijs om aanwezig te zijn op ‘Le Boekenbal’, maar moest daar de aanwezigen vertellen dat er dit jaar – helaas, ze kon er niets aan doen – wéér geen extra geld was voor de cultuursector. Een lovende speech kon er gelukkig wel van af. En daarna snel terug naar de wijn, om de volgende morgen, ondanks de halve strip aspirines, met zeulende hoofdpijn de Thalys terug naar Nederland te nemen. Ook Oerol en Noorderslag mochten zich met haar aanwezigheid verblijden,
waarbij Van Engelshoven, nadat ze helaas moest vertellen dat Noorderslag het voortaan zonder subsidie moet doen (‘Er is gewoon geen geld meer,’ verzuchtte ze voordat ze een bierdouche kreeg), tot in de late uurtjes op de dansvloer of in de buurt van de bar te vinden was, waarna ze zwalkend en uitgeput een vergoed hotelbed opzocht.

Net zoals studenten houdt de minister van Hoger Onderwijs van uitslapen. Het enige verschil is dat velen om fysiek college te kunnen volgen vroeg uit bed moeten, omdat een kamer in de binnenstad onbetaalbaar is. Ingrid van Engelshoven heeft daar gelukkig geen last van: zij boekt gewoon een hotelletje in de buurt. Want voor half tien ’s ochtends in Amsterdam aanwezig zijn is ondragelijk voor een inwoner van Den Haag. Dan moet je om, eens zien, acht uur de deur uit! Dat vindt Ingrid zielig voor haar persoonlijke chauffeur. Dus toen ze bij het Topontbijt in The College Hotel aan de Roelof Hartstraat op Internationale Vrouwendag in 2019 aanwezig wilde zijn, móest ze wel daar overnachten, ze had haar schoonheidsslaapje nodig, al kostte het € 174,53. Niet voor haar, uiteraard. Ik hoop dat ze wat heeft opgestoken van Henk Otten en Jort Kelder die haar tussen de croissants en de verse jus door het belang van vrouwen aan de top uitlegden.

Het is best te begrijpen dat, als de minister op maandagmorgen in Vlissingen moet zijn, ze de avond ervoor afreist en een nacht blijft tukken. Maastricht, ook prima te begrijpen. West-Friesland, net boven Amsterdam, is een ander verhaal. Op zondag 6 oktober 2019 bezocht Ingrid de vier uur durende opera Così Fan Tutte in onze stad. Dodelijk vermoeiend, dat begrijp ik, maar gelukkig was het om 18:00 afgelopen. Snel de klaarstaande BMW in en misschien was ze thuis voordat Tom Egberts de eerste aftrap aankondigde. Maar ze wilde nog één glas van die voortreffelijke Franse Merlot die ze in de Stopera hebben. En nog één. Eéntje, toe, alsjeblieft. Gelukkig kon ze voor € 136,- in haar vertrouwde suite in The College Hotel haar roes uitslapen en was ze de volgende dag brak, maar op tijd aanwezig in Wognum. Hoe ze het best haar kater kan verbergen heeft ze
geleerd van Mediavrouw, het communicatiebureau dat ze in het begin van haar ministerschap in de arm nam. ‘De functie maakt jou niet, maar jij maakt wel de functie,’ is het motto van het bedrijf. Voor € 925,- kreeg ze mediatraining en leerde ze dat de keuze voor een vrouw in een toppositie draait om kwaliteit, niet om geslacht. Tijd dat iemand haar gaat vertellen dat zij de uitzondering is.

Kajsa Ollongren en Wouter Koolmees zijn de neef en nicht van het staatshoofd die op Koningsdag meelopen in de parade, maar waarvan de toeschouwers geen idee hebben hoe ze normaliter de dag doorkomen. Waarschijnlijk met iets hips of technisch: ze zijn blokchainmanager of huisjesmelker, misschien ambassadeur van een NGO die in Togo aan 60 kindertjes in een klaslokaal zonder verlichting of boeken vertelt dat ze hun best moeten doen en dat ze dan alles kunnen worden. Deze paradox is wat D66 zo’n unieke partij maakt. Zo schafte jonkvrouw Ollongren, voorstander van directe democratie en meer betrokkenheid van burgers in de politiek, het raadgevend referendum af. In haar declaratiegedrag komt dit patroon ook terug. Iedere keer als deze klimaatbewuste minister het vliegtuig pakt, vraagt ze ook de VIP-service op het vliegveld aan. Een echte democraat blijft natuurlijk uit de buurt van het gepeupel. Kosten per keer? Ruim € 300,-. Tegelijkertijd heeft ze ook een abonnement op Privium waarmee ze op Schiphol de incheckrij mag overslaan. Precies, net zoals in Disneyland. Daarvoor declareert Ollongren € 260,-. Alsof je met een Tesla van de zaak ook nog de benzinerekening naar je baas stuurt.

Deze discrepantie, tussen iedereen tolereren zolang je als D66’er niet met andersdenkenden hoeft om te gaan, zien we ook terug bij Koolmees. Als minister van Integratie bezocht hij in juni 2018 VluchtelingenWerk in Utrecht en aansluitend een sociale top bij het Syrisch restaurant Syr. (Even serieus, een sociale top? Is dat een homo die spuugt voordat hij ‘m erin ramt?) Zo liet Koolmees voor de bühne zien dat hij écht betrokken is bij het welkom laten voelen van vluchtelingen. Vooral het veinzen van empathie is belangrijk, want reële betrokkenheid is niet de bedoeling. Hoe ging het eraan
toe in Syr? Schoof Koolmees zijn shakshuka op het bord van de buren? Vouwde hij falafel op in z’n servet en dumpte het in de wc? Geen idee. De rekening van € 851,14 bij Jools Meat and Eat, ‘cateringservice met passie’ (barf) op dezelfde dag als het restaurantbezoek suggereert dat Ottolenghi de enige levantijn is die hij zijn eten toevertrouwt. Maar zijn imago van sympathieke vent die geeft om Syriërs heeft Koolmees met een foto in de toko toch mooi weten te creëren.

Blijft over Koningin Kaag, de vorstin van D66. Ze staat in een aardig rijtje: Anna Paulowna, Maxima Zorreguieta, allemaal uit verre oorden geïmporteerd om het voortbestaan van de bloedlijn te garanderen. Het enige nadeel van de import is dat de dames dezelfde heerlijkheden verwachtten als in hun thuisland. De Kaagmeister heeft het voor elkaar gekregen om in de twee jaar dat ze als minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de wereld overvloog voor ruim achtentwintigduizend euro aan VIP-services op allerhande vliegvelden te declareren. Het enige voordeel van corona: het heeft een modaal halfjaarsalaris gescheeld aan dit soort rekeningen. Overal wilde ze een koelie die haar handtas droeg, de koninklijke aankomst- en vertrekloge waar ze niet gestoord zou worden door het plebs, drie chocolaatjes (allemaal wit) op haar luxueuze stoel en een fles San Pellegrino extraordinaire ernaast. En dat niet enkel voor intercontinentale vluchten, ook op haar vluchten naar Parijs, Bremen, Krakau, Dublin, Wenen, Geneve en Zurich wilde ze de rust waar ze meende recht op te hebben. Want een half uur met Mark, Maarten of Mohammed voor de incheckbalie staan, daar is deze diplomate wier blauw bloed door d’aderen vloeit te goed voor.

Veel van het bovenstaande is een kwestie van moraal of principes, een clusterbom waarmee je een leeg merk als D66 schade kan berokkenen. De partij moet bij een splitsing kiezen tussen hooggestemde idealen en de modderige praktijk, waarna ze besluiteloos het ravijn inrijdt. Eigen belang voorop stellen en schijt hebben aan de kiezers is hufterig en onfatsoenlijk, precies de idealen waarvoor Van Mierlo de politiek inging. Maar het is pas echt smullen zodra de Haagse mores worden overtreden. En dan heb ik het niet over de IPhone-oplader die Kaag in Yangon kocht voor 42 dollar, een gevalletje zonnebril van Wouter Bos: een brommende vlieg, irritant maar niet meer dan dat. Om Sigrid Kaag op weg te helpen naar het Torentje moest ze van haar snobstatus afkomen, in de markt gezet worden. En het is daar waar bureau Speak to Inspire om de hoek kwam kijken. Bij dit Amsterdamse communicatiebedrijf volgde Kaag in de lente van 2020 een driedaagse presentatiecoaching met lessen als ‘Speech in a Day’, ‘Inspirerend presenteren’, ‘Storytelling’ en ‘Presenteren als een TEDtalk’. Alles om haar als een authentieke en gewone politica neer te zetten. Kosten: € 4407,28. Gedeclareerd bij het ministerie. En daar gaat de sneaker wringen.

‘Voor enkele uitgaven – voornamelijk in de persoonlijke representatieve sfeer – geldt dat zij geheel voor rekening van de bewindspersoon komen,’ zo staat in het Handboek voor bewindspersonen. ‘Hieronder vallen bijvoorbeeld de huur en aanschaf van extra kleding (bijvoorbeeld voor Prinsjesdag), uitgaven voor persoonlijke verzorging, kleine ontvangsten thuis en partijgerelateerde activiteiten.’ Is mediatraining voor de lijsttrekker
een partijgerelateerde activiteit? Daan Bonenkamp, hoofdvoorlichter van D66, heeft daar wel een mening over. ‘Wij hebben geen D66-campagnemedewerkers op het ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. Het ministerie is van en voor ambtenaren,’ zei hij verontwaardigd toen CDA-lijsttrekker Hoekstra een campagnemedewerker een ministerie-ausweis had gegeven. Waarom zou je immers toegang moeten hebben, als je ook de rekeningen kan mailen?

De spindokters van Kaag zullen dit gaan bagatelliseren en vertellen dat het écht nodig was voor haar ministerschap en benadrukken dat Kaag de cursus volgde voordat ze aankondigde om lijsttrekker te worden. Geloofwaardig is het niet, maar oké, voor deze keer krijgen ze het voordeel van de twijfel. De jongens met een strippenkaart van de Ace & Tate juichen, handenklappen. Ze vergeten enkel de Kaagblockbuster van de NPO waarin ze spelen. Daarin vertelde Kaag zelf dat ze vorig jaar februari, precies de week voordat haar lessen bij Speak to Inspire begonnen, erover nadacht om lijsttrekker te worden. Ze heeft zelf haar hoofd op het hakblok gelegd, het was slechts wachten totdat iemand het vonnis zou vinden.

‘Het lijdt geen twijfel, dat ik zeer slecht ben,’ schreef Reve in Een Circusjongen. D66 daarentegen is de partij van optimisme, integriteit en geloof in menselijke rechtvaardigheid. Misschien wilde u zelfs Kaag uw stem gunnen, ongeacht de vluchtelingen die in Moria creperen of ons land overspoelen, belastingen die te hoog of te laag zijn, de bijstandsuitkering die te ruimhartig of te karig is, klimaatverandering die te snel of te langzaam gaat, privacyinbreuk die te ver of niet ver genoeg gaat. U had een door nuance verdampte mening, bonafide en solide. D66 als Volvo van de politiek. Blijkt die tweedehands autohandelaar u toch te hebben opgelicht.

TD

Archief