TD

U zult wel denken: is september niet te vroeg om te zeiken over kerstliedjes? Moeten niet eerst de truffelpepernoten de winkel uit, de boom worden opgetuigd en uw aanstaande ex, na een twistgesprek over het gebruik van de bordeauxrode servetten of de geërfde zilverkleurige met goudafgezette randen tijdens het diner, afgetuigd? Het zal allemaal wel: mijn blad, mijn ergernissen. Mijn gal komt omhoog door de klassieker ‘De herders lagen bij nachte’, een leugenachtig propagandalied dat enkel overtroffen wordt door René Frogers ‘Een eigen huis’, en dan specifiek door één frase: ‘daar hoorden ze d’engelen zingen’. Engelen zingt niet, hij schreeuwt, raaskalt, blaft door een megafoon heen, terwijl hij deze niet nodig heeft, want met zijn volume is hij in staat om de voorspelde aardbeving onder Istanbul in gang te zetten. Wat zegt u? Heeft dat kerstnummer niets met Ewald Engelen te maken? Verrek, wat scherp! Maar laten we het nu toch maar even over hem hebben.

U kunt deze man kennen van zijn columns in De Groene Amsterdammer waarin hij tweewekelijks een tirade houdt over de hoogopgeleide elite die dit land naar de knoppen helpt. Dat het anonieme twitteraccount @Peter1456891 dezelfde mening eropna houdt en daarmee in een beweging de stelling van prof. dr. E. R (die R staat voor Rombaut. Rombaut! Blijkbaar is gekte genetisch overdraagbaar!) Engelen ondergraaft, deert hem niet. Er is ook een kans dat u hem kent omdat u een seminarium in financiële geografie, zijn zelfgecreëerde vakgebied, bij hem volgt, hoewel hierbij moet worden opgemerkt dat de kans groter is dat u in de Bilderdijkstraat wordt aangereden door een noordelijke witte neushoorn dan dat u daadwerkelijk onderwijs van Engelen krijgt. Onderwijs geven is voor aio’s, de kneusjescolonne waarvan iedereen drie dagen gratis arbeid moet verrichten omdat overuren uitbetalen een gewoonte was die met Den Uyl mee het graf in ging, de verdrukte arbeiders waarover hij iedere keer dezelfde opgefokte column uitbraakt, en daar staat deze hoogleraar ver boven.

Wat doet Rombaut dan voor die ruim € 8000, – per maand? Twitteren dat Ernst Kuipers een enkeltje concentratiekamp moet krijgen. Foto’s uploaden van het uitzicht over de Nederrijn van zijn villa in Heveadorp. En af en toe een boekje schrijven. Zo kwam dit voorjaar Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer uit, een schotschrift waarin Engelen laat zien dat een weerlegging van zijn stelling door een zelf aangedragen tegenvoorbeeld niet betekent dat zijn hypothese onwaar is, maar dat hij juist harder moet schreeuwen en zijn toevlucht moet nemen tot hyperbolen en metaforen om zo een letterkots op te boeren waarvan zijn lezers hun gezicht afwenden. Voorbeeld. Alles in Nederland – en dan bedoelt Engelen ook echt alles, hij fulmineert over ‘een door drank, drugs en seks doordrenkte “belevenisindustrie”, bestaand uit exotische vakanties, festivals en extreme sportevenementen’ – is de schuld van hoogopgeleiden. En wij altijd maar grollen over de dozijnen media en cultuur-meisjes die de universiteit ieder jaar de werkloosheid intrapt; blijken ze in werkelijkheid de wereld te besturen! Hoogopgeleiden zijn volgens Engelen dus een samenklittende groep die mbo’ers negeert. Prima stelling, al is het niet de mijne, want ik scheld de minifascisten in reflecterend uniform die een kruispunt proberen te overheersen consequent uit, dus het verwijt dat ik de diplomalozen niet zie staan, glijdt geheel van mij af.

Het wordt lachwekkend als Engelen verderop in zijn boek tekeer gaat tegen het curriculum van de universiteit. Studenten moeten worden opgeleid tot ‘waarheidssprekers die zijn geoefend in het leveren van fundamentele maatschappijkritiek, die steeds op zoek zijn naar de achterkant van het gelijk, die zich niet met een kluitje het riet in laten sturen’. De studenten die dát kunnen, dat zijn wel goede lui. Dus alle hoogopgeleiden zijn fout, maar de goedopgeleide hoogopgeleiden zijn goed, zegt prof. dr. Engelen. Het is een menukaart met Schrödingers kat op een toastje als amuse, een liegende Kretenzer als hoofdgerecht en als toetje een tirade uit Wappiestan over het falende ICT-beleid van de rijksoverheid die tegelijkertijd dankzij een vaccinatieprogramma een chip bij ieder burger inbrengt om zo bloed en DNA af te tappen. 

Staat er dan geen goede zin in het hele boek? ‘Wie zich overschreeuwt verraadt zijn eigen onzekerheid, zo luidt de ijzeren wet van de psychologische overcompensatie.’ Inderdaad, Ewald, inderdaad.

Eigenlijk wilde ik hier zijn boekje laten rusten, verder gaan met de rest van zijn onzin, maar ik kan het niet. Ik ben een diabetisch kind in een snoepwinkel en prop me vol. Wat denkt u van deze? ‘In al zijn geschriften wijst Max Weber op de keerzijde van voortschrijdende technische rationaliteit. Hoe meer waarden, affecten, emoties en het mysterie van God en Schepping uit ons dagelijks leven verdwijnen, hoe meer wij ons gevangen weten in een stalen kooi van bureaucratische afhankelijkheden. […] Het staal van de bureaucratische kooi is koud vergeleken met de warmte van de naastenzorg die kerk en gemeenschap vóór de intrede van het individualisme en het secularisme van de Verlichting bood.’ Bij dit tromgeroffel zie ik mistige Thüringens bossen opdoemen, waartussen Engelen in de ochtend met behulp van twee paarden zijn akker bewerkt en daarna trouw met zijn fokvrouw, die is gedecoreerd met het Ehrenkreuz der Deutschen Mutter, en hun acht kinderen – Günter, Parsifal, Friedrich, Gunnhildr, Freya, Heinrich, Baldr en Reinhard – naar de dagelijkse rundfunktoespraak van de Führer luistert. Vergeleken met dit geblaat is Andreas Kinneging de bedrijfspoedel van RuPaul.

De pamflettenprofessor heeft de laatste jaren niet stilgezeten. In 2016 verscheen De mythe van de gemaakte vrouw: nieuw licht op het feminisme, zijn interpretatie van Simone de Beauvoirs De tweede sekse. Ik zou nu een lollige of snedige opmerking kunnen maken over wat feminisme te maken heeft met financiële geografie, of een absurdistische vergelijking maken tussen muterende zeepaardjes en geobstipeerde darmen, maar ik ben nederig, ken mijn grenzen: het valt allemaal in het niets bij Engelens koeterwaalse redeneringen van hierboven. Vorig jaar verscheen er nog een heus wetenschappelijk paper van hem, wat hem daarvoor voor het laatst in 2017 was gelukt. ‘What comes after the pandemic? A ten-point platform for foundational renewal’, gepubliceerd op een obscure, zelfbeheerde wordpress-website, geen enkel peer-reviewed tijdschrift had de behoefte om deze zesduizend woorden af te drukken. Mocht u zich zorgen maken om de werkdruk van de hoogleraar, dan stel ik u graag gerust: met drieëndertig man schreven ze dit artikel. Dat komt neer op een kleine honderdtachtig woorden de neus, dus als ik deze nutteloze zin even in deze alinea fiets, bevat ze er meer dan Engelen, als we ervan uitgaan dat hij überhaupt iets heeft gedaan, heeft bijgedragen aan zijn enige publicatie uit 2020.

Twee pamfletjes, een paar honderd woorden in een niet-gepubliceerd paper en een enkele boekrecensie hier en daar. Dat is de oogst van vijf jaar je eigen leerstoel managen. Het is niet erg dat Engelen nog luier is dan een zesdejaars rechtenstudent die voorafgaand aan zijn studie al verzekerd is van een plek in de maatschap van zijn vader. Ook niet dat hij op boekentour ging met Marianne Thieme en dat hij voor haar zijn vrouw en kinderen in de steek liet. Engelen schreeuwt en eist zuiverheid, is manisch en manicheïstisch. Hij laat geen ruimte voor de menselijke smet, de eeuwige hypocrisie, het geploeter over de akker van onwetendheid. Maar wie zuiverheid wil moet boven de schoorsteen van Treblinka hangen, het ruikt naar verschroeid mensenvlees. 

‘Alleen in naam is de Nederlandse universiteit een meritocratie; in de praktijk is ze een reservaat van verwende academici’, schreef een hoogleraar eens. ‘Nog altijd worden medewerkers getolereerd die zich met minimale inspanning van hun academische verplichtingen kwijten. Nog steeds staan Nederlandse universiteiten het toe dat medewerkers maandenlang niet op het werk verschijnen’, bulderde hij. ‘Loop voor de grap eens een faculteit binnen. Wat ziet u? Lege gangen, lege kamers, doofstomme computers. De Nederlandse academicus werkt immers thuis; de (schamele) investeringen van werkgever in gebouw, organisatie en infrastructuur ten spijt. Het zijn de vele indicaties van misbruikte collectieve generositeit (goudgerande arbeidscontracten, “spookprofessoren”, snoepreisjes) die de directe aanleiding zijn geweest om academici te dwingen meer rekenschap af te leggen over de besteding van wat uiteindelijk publieke middelen zijn.’ Allemaal misstanden aan de Nederlandse academie! Wat moeten we doen met deze luilakken? ‘Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!’ Was getekend: Ewald Rombaut Engelen. 

Dus Ewald, beste makker, wees consequent. Wees een vent en hang je toga aan de wilgen. En jezelf erbij. 

TD

Het is moeilijk kiezen tussen De Grote Twee van de Nederlandse literatuur. Als je aan het eind van de ochtend wakker wordt met een hoofd dat voelt alsof een tuinkabouter met een klophamer de binnenkant bewerkt en naast je een veulen, loops en lekker, ligt, snap je Reve wel. Na dagen gedisciplineerd en ascetisch doorwer­ken, waarbij je paginanummers in voetnoten invoegt, nauwgezet andermans werk controleert, op zoek naar die ene fout, hoe klein ook, om hem daarmee om de oren te slaan en weg te zetten als dilet­tant, als poseur, dan voel je je toch meer Hermans.

Op 29 januari 1988 verscheen een es­say van W.F. Hermans in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Een kleine drieduizend woordjes. Kom daar heden ten dage nog maar eens om. Wij moeten het doen met de stukken van ‘schrijver’ Philip Huff, die Sylvia Witte­man de maat neemt over seksisme. Nou voel ik niet de behoefte om die Magnum White op pootjes te verdedigen, maar dat Huffs oeuvre, bestaand uit verhalen over Praagse sletten en strakke kutjes, eerder doet denken aan kechs dan aan Bechdel moge duidelijk zijn.

Hermans’ stuk ging over het laatste Mul­tatuli-jaar. In 1987 was Eduard Douwes Dekker honderd jaar dood. Een stand­beeld van hem op de Torensluis werd onthuld door Beatrix, dat was het hoog­tepunt van de viering. En hoe voorzag Hermans dat het in de toekomst zou gaan? ‘Hoogstens zal er ergens een saai praatje door een saaie professor wor­den gehouden voor een publiek van vijftig studenten die nog tentamen bij hem moeten doen. Niemand zal Mul­tatuli meer voor zijn plezier lezen, nie­mand ambieert meer iets nieuws over de schrijver aan het licht te brengen. Zelfs een standbeeld hoeft niet meer te wor­den opgericht voor hem.’ Noem het pes­simisme, noem het cynisme, noem het realisme: een voorspellende gave had de geoloog wel.

2020 was het eerstvolgende Multatuli-jaar. Hoewel dit jubileum een beetje was ondergesneeuwd door de meest in­vloedrijke Chinese uitvinding sinds het buskruit, waren er toch enkele feeste­lijke activiteiten. Op de website van het Multatuli Genootschap – kan je een van Nederlands belangrijkste schrijvers beter eren dan met de Engelse ziekte? – staan ze allemaal netjes op een rij. Wat heeft de Vereniging ten Behoeve van de Conservatie van de Erfenis van Neerlands Groôtste Schrijver, onder leiding van prof. dr. drs. ing. Elsbeth Etty, hoogle­raar in de knip-en-plakkunde en Brezj­nev van het recensentencorps, voor ons in petto?

Op 17 februari onthulde Prins Pils een gedenksteen in de Nieuwe Kerk, waar­bij het Genootschap trots vermeldt dat de slippendragers van Blauw Bloed er een reportage over maakten.

Op 2 maart was er in de bibliotheek van Culemborg een Multatuli-gala en een schrijfwedstrijd. Om de Saïdjah en Adin­da-bokaal in ontvangst te nemen moest de winnaar 250 woorden achter elkaar zetten.

Op 6 maart vertegenwoordigden Elsbeth Etty en Dik van der Meulen het bestuur van het Multatuli Genootschap op het Boekenbal.

Op 7 maart was ‘de Jaarvergadering van het Multatuli Genootschap in de Eggert­zaal van De Nieuwe Kerk die in het te­ken staat van Eduard Douwes Dekkers 200ste geboortejaar’.

Op 9 maart praat Özcan Akyol over Edu­ard Douwes Dekker in zijn televisiepro­gramma Dwarse Denkers.

Op 11 maart gaf Dik van der Meulen een lezing bij de Volksuniversiteit Wagenin­gen.

Bovenstaande activiteiten waren alle­maal voordat er een pandemie in Neder­land losbrak. Tijdens carnaval hoste men nog door de binnenstad van Den Bosch, de treinen stonden iedere morgen nog stampvol forensen, de enige corona die we toen kenden was dat smerige mais­bier. En wat kreeg het Multatuligenoot­schap voor elkaar? Een avond met Van der Meulen voor drie zelfgebreide truien in Wageningen en Etty die verschijnt op een borrel in de Stadsschouwburg die ze zelf niet organiseert.

Gelukkig stopte daarna de wereld met draaien. Geen vliegtuigen meer in de lucht, knooppunt Hoevelaken was nog nooit zo verlaten. Gansch het raderwerk staat stil als de Chinese laboratoriumarm het wil. Dit is een teken, dacht Etty. Dit is het moment om te herpakken. De eerste drie maanden waren een proef, een try out, nu gaat het echte werk beginnen. Nu hebben we de tijd om een grandioos pro­gramma in elkaar te zetten, een festival voor Multatuli. Ik ben zo nieuwsgierig als een kind de dag voor zijn verjaardag, wat hebben ze allemaal georganiseerd?

Van 2 maart tot 29 mei was de ‘Multatuli tentoonstelling [sic] “ik wil gelezen wor­den” in de Erfgoedvitrine in de Universi­teitsbibliotheek van de VU’. Helaas was de bibliotheek gesloten vanwege corona.

Van 15 juni tot 1 september kon ieder­een, let op: iedereen, via de VU meedoen aan een project voor een nieuwe, experi­mentele uitgave van de Max Havelaar. Zo ontstond een handgeschreven lock­down-editie. Gelukkig zijn er ook vlogs van gemaakt, die staan op YouTube.

Op 13 december werd het boekje Mul­tatuli en Marx in Brummen van Elsbeth Etty, uitgegeven door De Geiten Pers ge­presenteerd in Hotel het Oude Postkan­toor te Brummen.

Hoe zouden we deze festiviteiten kunnen samenvatten? Er was een expositie in een gesloten gebouw, een lezing in een nep-academie, een verplichte jaarlijks terugkerende vergadering van het Ge­nootschap, er verscheen een boekje van achtentwintig pagina’s dat, volgens de website van het Genootschap, verkrijg­baar zou zijn bij een ‘groot aantal boekwinkels in het land’, maar waarvan ze bij Athenaeum nog nooit hebben gehoord, er was een schrijfwedstrijd met maar liefst veertien deelnemers, een groeps­verkrachting van Multatuli’s bekendste werk, alias ‘experimentele uitgave’, met het toelatingsbeleid van Bevrijdingsdag­festival en een potpourri van uitgebraak­te woorden als resultaat.

2021 is het W.F. Hermansjaar. Geluk­kig heeft hij al die mooie straat naast de OBA. Ik verwacht niet veel van de feestelijkheden, maar de lage lat van het Multatuli-jaar wordt nog net ge­haald. Ik kijk met grote schrik vooruit naar 2045, als hij vijftig jaar dood is.

TD

Ons equivalent van rokjesdag is blotebuikendag. Waar die kut­kluivers zich opgeilen aan bleke benen die in allerijl met slash and burn in cultuur zijn gebracht, maar toch even vruchtbaar blij­ven als de Kalahariwoestijn, hoeven wij ons nergens zorgen om te maken. Als de trekvogels terugkeren van overwinteren, trekken mannen, zich niets aantrekkend van onze geile blikken, hun kleren uit en zo komen wij aan ons trekken. Het maakt dan ook niet uit hoe ze eruit zien. Coronakwabben die over de rand van z’n skinny jeans draperen? Lekker om vast te pakken als hij op zijn knieën voor je zit. Dad bod? Zeventienjarige knapen stromen zijn inbox binnen, azend op de lijfelijke geneugten die ze hun hele jeugd heb­ben gemist. Blokjesbuik? In Barry’s bukkakebar zou hij het middel­punt van alle aandacht zijn geweest, ware het niet dat de heropening misschien niet doorgaat, want de tent zit nu op zwart zaad. Gaan de knoopjes open, dan gaat bij ons de knop om. Het jachtseizoen is dit jaar echter geannuleerd.

Ik had met mijn vriend R. afgesproken om afgelopen zondag te wandelen in het Vondelpark. Een goede keuze, bleek al snel. Het aanbod was groter dan op een willekeurige wet market in China en de kans op overdrachtelijke ziektes ook, maar zittend op een bankje met een Mannenliefde in de hand met uitzicht op de hengstenheide was dit de enige ma­nier om als bankhanghomo nog iets van het weekend te maken. Samen met R. genoot ik van ons uitzicht. Voor de oe­feningen was het onnodig, maar de ont­blote honkhunks, die aan de dames toon­den dat tepels die lager hangen dan het middenrif een keuze is, werkten zich uit de naad met haken en elastieken waar­mee ze in club Church niet hadden mis­staan. De joggers in tanktop kwamen rechtstreeks uit de folder van Circuitfes­tival. Ik nam een slok, voelde mijn kruis opzwellen en legde hem links. De zon. De lente. Ik ben zondig, dacht ik. En dat voelt godverdomme goed.

Er viel een schaduw over me heen en mijn uitzicht werd geblokkeerd. Borrel met buikbaby en Blokkertassen. Sinds ze vorig jaar op het Boekenbal agressief de zaal uitbeende nadat ik wederom had uit­gelegd dat ik resistent was voor het va­ginavirus, had ik haar niet meer gezien. Ook niet gesproken. Ze was uit mijn le­ven verdwenen.

‘Wat heb je allemaal in die oranje bood­schappentassen zitten?’, vroeg R. toen hij naar de uitpuilende buidels keek. ‘Mijn oude slipjes met maanstonde­bloed, bezemstelen om ze aan te hangen, ballonnen, pannen. Je weet wel, de stan­daard demonstratiebenodigdheden.’ Ze had mij nog geen seconde aangekeken. ‘Alles wat een moeder nodig heeft om haar kroos te beschermen.’

Ze wreef over haar bolle buik met een maniakale grijns op haar gezicht. ‘Weet je nog dat ik van de zomer, na die lezing in de week van de Gay Pride, sprak over zelfbeminnen? Ik heb daarna een zes we­ken durende taoïsmecursus gedaan met zeven andere meiden in een opgeknapt klooster in Bhutan. Ik leerde al mijn cha­kra’s kennen door dagelijks negen uur te zoemen.’ ‘Was het een online cursus?’ Haar blik verraadde dat ik vooral mijn mond moest houden. ‘Mediteren, in con­tact komen met de kosmos, leren dat er meer is dan vleselijke lust en oppervlak­kig vermaak.’ Weer die priemende ogen, alsof ze die van mij met een passer uit wil­de steken. ‘Het heeft mij zó geïnspireerd, zó in aanraking gebracht met mijn diepere ik, ik voel dat ik op moet komen voor de gezondheid van mijn ongeborene.’

R. kuchte. ‘Dus jij gaat koffiedrinken op het Museumplein?’ ‘Nee, geen cafe­ïne voor mij, dat vertroebelt mijn inner­lijk oog, ik consumeer enkel nog pure producten die in het wild te vinden zijn: paddenstoelen en boomwortels en meer giften van Gaia.’ Ik nam een teug, bier smaakte nog nooit zo goed. ‘Ik kwam via een sjamaan in Thimpu in contact met andere vrouwen in deze stad die ook weer één willen worden met de natuur en met hen ga ik straks op die verdorven plek een bloedoffer brengen en moederkoek­jes eten. En natuurlijk op pannen slaan, om de kwade geesten weg te jagen.’ ‘Kan dat nog wel? Moederkoek bedoel ik. Na de negerzoen, zigeunerschnitzel, joden­koek…’ ‘Aan die patriarchale pikpraat van jou heb ik geen behoefte.’

Weer keek ze me met gefronste wenk­brauwen aan, de zwarte weduwe in haar klom omhoog. ‘Als queervrouw ben ik op zoek naar zuiverheid, eenheid. Terwijl jij,’ haar wipneusje ging de lucht in en ze inhaleerde de bloesemvolle lucht, ‘je li­chaam vergiftigt en bezoedelt.’ Voordat ik op haar onheuse bejegening kon rea­geren, greep R. in. ‘Daan, jij laat jezelf toch wel vaccineren? Ik hoor steeds va­ker verhalen van… laat ik het zo zeggen, hoogopgeleide en verstandige vrouwen die zo’n prik weigeren.’

‘En wat heeft mijn opleiding hiermee te maken?’ Ze wilde geen antwoord op die vraag. ‘Zoals ik al zei wil ik voor mijn kleine alleen natuurlijke producten, dus die chemische rotzooi komt niet mijn li­chaam in. Ze proberen je afhankelijk te maken, angst te zaaien, terwijl ik geloof dat mijn tempel een holistisch geheel is: alles staat met elkaar in verbinding en die circulatie moet je niet doorbreken. En zo is moeder natuur ook: ze reinigt zichzelf. Kijk om je heen: polio is toch ook ver­dwenen.’ Ik rommelde wat in mijn rug­zak, pakte mijn volgend speciaalbiertje. Vrouwen, ik zal ze nooit begrijpen.

Ze pakte haar actiezakken op. ‘Leuk je weer gesproken te hebben,’ zei ze tegen R. Ze negeerde mij en wandelde weg. Op de achterkant van haar T-shirt had ze een hart geschilderd: zelfbeminnen is de re­volutie, stond eromheen. ‘Weet je waar ik zin in heb?’ vroeg ik aan R. terwijl ik me uitrekte en naar de jongens met be­haarde bast keek die een frisbee over­gooiden. ‘Om weer eens goed volgespo­ten te worden. Zaad of AstraZeneca, dat maakt mij niet uit. Ik wil het allemaal. En eigenlijk nu. Spuit mij maar vol.’

TD

Dat het Nederlandse mediaveld een incestueus rattennest is wist u natuurlijk al. Afgelopen week werd dit nogmaals in uw gezicht gespuugd door de winstcijfers van DPG. 178 miljoen euro mocht de Vlaamse familie Van Thillo afgelopen jaar bijschrijven, mede mogelijk gemaakt door alle clickbait van de Onbetrouwbare Mannetjes in de Volkskrant, Holmans hetzes in Het Parool, Eus’ opgeboerde snackbarhap in Algemeen Dagblad en Euphemenico’s tweedagelijkse poging om de evolutionaire kloof tussen mens en gorilla te overbruggen in Trouw. Wilt u ontsnappen uit de klauwen van de Vlaamse leeuw? Kansloos. Mediahuis, de andere oligopolist met een hoofdkantoor aan de Schelde, bezit NRC en de Duklander Courant. Maakte in 2020 bijna 59 miljoen winst. En wat strijkt een freelancer bij deze kranten op? 14,5 cent per woord. En dat na een opslag van meer dan tien procent. Die Belgen mogen zich dan in 1830 hebben afgescheiden, de gierigheid hebben ze zich in minder dan 200 jaar goed eigen gemaakt.

Maar we moeten niet doen alsof al het kwaad bij Zundert het land binnenkomt. Het baantjes toeschuiven in letteren­land is endemisch. Neem Femke van der Laan: met haar column in Het Parool heeft ze meer geld opgehaald dan Eber­hard in zijn leven erdoorheen pafte. En wat is haar talent? Trouwen met een ter­minale vent. Dan is er ook het prinsesjeslegioen. Natascha van Weezel is op de bagagedrager van haar vader krantenkolommen binnengereden en verdedigt haar stellingen alsof het joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoe­ver zijn. Charlotte Remarque wandelde door de door huisgenoot Papa opgezet­te deuren de Volkskrantredactie binnen. Als Alma Mathijsen niet de dochter van Marita was geweest had u haar enkel ge­kend als de kassière van de Albert He­ijn op de Westerstraat die u, na meerde­re malen de muntjes op de toonbank te hebben gelegd, altijd te veel of te weinig wisselgeld geeft. En hoe Jessica Kuiten­brouwer – inderdaad, u kent haar van… – afgelopen zomer aan een dagelijkse column in de Amsterdamse middagkrant kwam blijft in het ongewisse, maar het helpt wel als je de dochter van mediage­rontocraat Jan Kuitenbrouwer bent.

En als u denkt dat ik een seksist ben en enkel vrouwen onder handen neem, wijs ik u op het platonisch partnerschap Joost de Vries en Philip Huff. Die laatste haalt zelfrespect uit de 23 pandapuntenzegels die hij in zijn open relatie bij elkaar heeft gesprokkeld. Joost schuift Philip op­drachten van De Groene toe om de arme jongen van de bedelstaf te redden. Om u in herinnering te brengen: Huff ontving € 15.000, – voor een boek dat niet gaat verschijnen. (Mocht u denken: dat weet ik al, dat klopt. U weet het, ik weet het, Huff weet het. Die laatste las het in zijn jongeschrijversappgroep. Hij snapte niet waarom ze hem, nou altijd hem, moes­ten hebben bij PC. Ik schrijf het punt van de onterechte letterensubsidie nogmaals op, want het zou zonde zijn als dit soort nieuwtjes uit het publieke geheugen ver­dwijnen. Trouwens Philip, waarom heb jij je Wikipediapagina aangepast? Om­dat daarop verwezen werd naar een ne­gatieve recensie? Omdat je, aldus Jopie in zijn nieuwste boek, ‘een bepaalde re­censent van Het Parool haat’? 19 maart 2021, 23:58. Het is beter om dronken uit de buurt van je smartphone te blijven!) En Joost, ach arme Joost, wil zich vooral intellectueel voelen, dus omringt hij zich met Flippie’s om de Tiger Woods van de midgetgolfbaan te zijn. En als het tegen­deel het geval is, als hij geconfronteerd wordt met een artikel dat hem niet be­valt, zoals een waarin zijn vriendin een ‘dom gansje’ wordt genoemd door een Europarlementariër en de auteur de­zes dat slechts opschrijft, verklaart hij de boodschapper tot persona non grata. Maar wel in stijl, dus achter zijn rug om.

(Ik wil het toch ook voor De Vries op­nemen, want om zo vaak te kakken wor­den gezet om je intellectuele impotentie – in dit blad, in NRC, eigenlijk overal waarvoor hij niet schrijft – is niet leuk. Altijd maar die verwijten van plagiaat of voorspelbaarheid. In De Groene van 24 februari kwam De Vries met een verras­send en nieuw inzicht: Chinezen die protesteren tegen de bezetting van Nepal. Misschien had ik deze daad van agres­sie tussen de kaalscheercampagne op de Oeigoeren en strijd om de benoeming van Panchen lama gemist, maar ik heb het gevoel dat De Vries minder hoog­dravende boeken moet lezen en in plaats daarvan beter Netflix kan opstarten. Ik kan die ene film met Brad Pitt van harte aanbevelen.)

Genoeg gekankerd. Er is één medium in Nederland dat opstaat tegen deze kringvingercapriolen: De Correspondent. Zij doet niet mee aan de waan van de dag, creëert geen ophef of lokt lezers met doortrapte reclameslogans. ‘Wij kijken niet naar het sensationele, maar naar het fundamentele,’ staat in het oprichtings­manifest. Stelling 9: ‘We stellen de jour­nalistiek altijd boven financieel gewin.’ Zo ziet u maar: De Correspondent is an­ders. Beter dan de rest.

Wie de stapel boeken die De Correspon­dent de laatste jaren op de markt heeft gedumpt bekijkt, ziet op iedere flap de een na de andere schrijver of journalist de loftrompet opsteken. ‘Thalia Verkade is er zo eentje die verder graaft waar an­deren ophouden, en uiteindelijk met de meest prachtige en vooral verrassende ontdekkingen en inzichten weer boven­komt,’ complimenteert Joris Luyendijk de schrijfster van Het recht van de snel­ste. Maar het is nogal wiedes dat Luyen­dijk het goed vond, want de Correspon­dentstukken waaruit het boek bestaat zijn onder zijn neus als editor-at-large bij het medium gepubliceerd. Ziet u het voor zich, een redacteur die een boek van een collega, al dan niet terecht, de grond inboort? Dat zou niet goed zijn voor de verkoop, dus gebeurt het niet.

Op dezelfde kaft pronkt, naast een af­beelding van een schildpad, een sticker met de tekst ‘Dit boek laat je anders kij­ken’ van reptiel Arjen van Veelen, die zelf ook op de loonlijst van De Corres­pondent staat. Van Veelens boek Ameri­kanen lopen niet – toevallig ook uitge­bracht door De Correspondent – werd ook met niets anders lovende blurbs uitgebracht. ‘Wat kan een witte Neder­lander mij over mijn geboorteland ver­tellen? Meer dan ik dacht.’ Clarice Gar­gard. ‘Een van de heerlijkste pennen van Nederland.’ David Van Reybrouck. En voor welk medium schreven deze twee? Inderdaad. En voor Jesse Frederiks nieuwste bij De Correspondent, Zo had­den we het niet bedoeld, is good old Luy­endijk weer afgestoft om als smeerolie in de verkoopmachine te dienen.

Steeds minder stoelen, maar meer men­sen die met het spel meedoen. En ieder­een buigt en is lief, rukt iedere dag alle dons uit een kussen om het in een andere anus te stoppen. Ik ben blij als ik weer naar Parijs kan, het schijnt aan de Ave­nue Niel goed toeven te zijn.

TD

De meeste stadsbewoners hebben geen tuin en, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, kiezen daar bewust voor. Geen gekloot met een grasmaaier met dieselmotor die de binnentuin laat ruiken als de Nigerdelta, niet op de knietjes om met een aardap­pelmesje de woekerende paardenbloemen tussen de antracietgrijze tegels uit te peuteren: minder buitenruimte zorgt voor meer rust. Het grootste voordeel van de urbane ophokplicht is dat je geen last hebt van ongedierte dat van perken houdt: ratten en wespen en ander krioelend gespuis. En mollen niet te vergeten. Voor deze tun­nelterroristen moet je klemmen zetten om ze uit te roeien, want als je te laat bent krijg je kurumutanten zoals Hans Moll.

Om te illustreren dat zijn bijziendheid hem al vanaf zijn geboorte parten speelt is het goed om te weten dat de naakte rat in 1947 of ’48 op Java werd gebo­ren. Of, zoals hij het zelf zegt, ‘Bata­via’. Wilt u weten waar dat ligt? Neem de KLM-vlucht naar Petrograd, stap dan op het vliegveld over op de trein richting Zweinstein, check uit bij station Duck­stad, pak buslijn 313 richting de Efte­ling, maar verlaat deze bij de halte tus­sen Fata Morgana en Droomvlucht, ren om het amfibievoertuig naar Danzig te halen, waarop u tijdens de overtocht kan genieten van het uitzicht op Carthago en Narnia, begin aan uw zeven weken du­rende wandeltocht naar El Dorado, be­klim de Simeliberg, wacht tot een arend u oppikt en die zal u, eindelijk, afzetten in Batavia. Het onderkruipsel verborg zich in zijn mollenbunker om de realiteit van de veranderende wereld niet te hoe­ven aanschouwen.

In zijn Propria Curesperiode ging het wat beter met Hans. Erik van Muiswin­kel leerde de spijtpinda andere liedjes dan Terang Bulan en Beatrijs Ritsema verborg de pot Inproba sambal brandal voordat Hans amok ging maken over de kookkunsten van de gastvrouw. Helaas bleek Moll Oost-Indisch doof voor de beschavingsboodschap die zijn mederedacteuren hem probeerde bij te bren­gen, gebrekkig leervermogen is gewoon de aard van het beestje. Moll ging na PC bij Folia werken, tegelijkertijd met Boudewijn Büch, een medefantast. Een redactie als proefdierlaboratorium met tropische hallucinanten, toen kon dat nog aan een universiteit. En als u denkt dat met het vergeten universiteitsvod de lat op de grond was gelegd en Moll dus niet lager kon zakken, dan vergeet u de aard van het beestje. Tegenwoordig pent Moll zijn tempoe doeloetirades voor On­gehoord Nederland, ThePostOnline, Ve­ren of Lood en De Blauwe Tijger. Inder­daad, gestichten voor gezonken geesten. En als het allemaal nog niet erg genoeg was voor Hans kreeg hij dankzij een zon­nesteek ook nog een Napoleoncomplex. Sommige mensen zit het gewoon niet mee.

De Federatie Indische Nederlanders is het meest tragische legioen van het Ne­derlandse verzet. Zeventig jaar na de on­afhankelijkheidsproclamatie bedachten enkele nazaten van NSB’er Van Heutsz om de wapens op te pakken tegen Soe­karno en Hatta, niet wetende dat de bles­suretijd al was afgelopen, het licht uit was en iedereen verder was gegaan met zijn leven. Zodra iets over de dekolonisa­tieoorlog wordt opgerakeld – de moord­partijen van Westerling, de brandende kampongs, de standrechtelijke execu­ties – springen de leden van FIN in de houding, staan ze subiet paraat. Alsof hun dat in het Maleisisch was bevolen. Meteen beginnen ze de opbrengsten van driehonderdvijftig jaar oranje-blanje-bleu in de archipel op te ratelen: onder­wijs, gezondheidszorg, infrastructuur. Ik moet ze op dit punt gelijk geven, die Birmaspoorlijn is een technisch hoog­standje dat enkel tot stand kon komen door hartstochtelijke toewijding van de bouwers. Nou klinkt FIN manhaftiger dan ze is, want met zes man op het Ma­lieveld, waarvan bij de helft de oogleden als een klamboe over de pupillen hangen en de fitste infanterist bijna 75 is, maak je geen indruk op een bevolking van bij­na 270 miljoen. En u voelt al aankomen wie voor de troepen uitkruipt. Inderdaad, majoor Moll, met een vaandel van het telaatgeborenenlegioen in zijn klauwen waarop trots hun motto staat: ‘Een an­dere generatie, een andere aanpak’. Juist.

FIN is een stichting én een vereniging met standplaats Amsterdam, zo zegt ze zelf. Daar staan in een garagebox de rol­lators van het Korps Bejaarde Troepen, al zullen ze daar niets aan hebben in de sawa’s van Sulawesi. Mollie is voorzit­ter van het stichtingsbestuur en bemoeit zich niet met die andere club. Daar zijn genoeg mensen voor, want deze kongsi’s behartigen de belangen van álle Indische – pardon ik bedoel Indonesische, benoe­men is belangrijk – Nederlanders. Waar­om beide broederschappen van Javajan­kers statutair op het huisadres van Hans in Duivendrecht staan ingeschreven is een raadsel. Behalve als je ziet dat de meeste bestuursleden meer dubbelfunc­ties bezitten dan een VVD-senator. Met een Twitteraccount met trollenleger is het makkelijk jezelf groter voordoen dan je bent. Hopelijk leert FIN dat dit geen goede tactiek is voor een veldslag in de offline wereld.

Maar waar houdt het naoorlogse verzet zich allemaal mee bezig? Eisen dat een disclaimer komt bij de film De Oost. Moll: ‘FIN vreest echter dat de film een onjuist en eenzijdig beeld geeft van de situatie in Nederlands-Indië. Een dis­claimer zou dit kunnen ondervangen.’ Wil bijziende Hans nou bij een fictiefilm een… trigger warning? Omdat het an­ders kwetsend is voor zijn niet-bestaande achterban? Zoals hij met zijn degradatie van Champions League naar Topklasse in stukjesland heeft laten zien, is Moll ook hier niet te beroerd om lager te gaan dan waarvoor we hem mogelijk hadden gehouden. Want wat deed hij nadat Het Parool een ingezonden brief had ge­plaatst waarin gerept werd over oorlogs­misdaden in Indonesië? Hij stapte naar de politie. Om aangifte te doen wegens aanzetten tot haat en discriminatie. Een oud-redacteur van PC. Op het bureau om anderen voor de rechter te dagen.

Dit brengt me bij Bol Kerrebijn, resident van rattenrustplaats Bronbeek en prote­gé van Moll. In David Van Reybroucks Revolusi komt hij aan het woord. ‘Fu­silleren, ik had er geen last van. Als er mensen moesten worden doodgescho­ten, na onderzoek of weet ik veel wat, zei de commandant: “Ik zoek een vrij­williger.” Anderen zeiden: “Ik doe het niet”, maar ik zei: “Oké als het moet.” Zo was ik grootgebracht op dat internaat in Sukabumi: sterk loyaal. Ik wou de eigen mensen niet belasten. Zo’n type ben ik: zo hard dat ik er niet mee zat. Ze kwa­men uit Banyuwangi, daar was de recht­spraak. Een hele colonne met gestraften. Op het emplacement hadden we een goe­derenwagon als gevangenis staan. Het gebeurde altijd ’s nachts. En dan ga ik niet vragen of hij veroordeeld is, daar heb ik geen interesse in, daar werd niet over gesproken. Ik heb nooit proble­men gehad met degenen die… ze deden me niks. Kennelijk beoordeelden ze me op de juiste manier. Hij wist op de een of andere wijze dat hij er niet onderuit kwam. De put was door andere gevangen gegraven. Wat moet ik tegen zo’n vent zeggen? Ik zie hem als misdadiger. Hij staat in de put. Ik vraag hem: “Moet je nog bidden? Ben je erg gelovig?” Oké. “En je kleding? Want als je dadelijk dood bent, die kleren die je aanhebt, die gaan naar die spion, hoor.” Zo praat ik met hem. Als een spion iemand aangeeft, is hij uit op eigen gewin. “Zonde om die kleren kapot te schieten,” zeg ik tegen die vent. Nou, dat begreep hij wel. Hemd uit. “Pak maar, neem maar.” Ik gebruik­te een Owen, 9 millimeter, een volauto­maat. Ik had er geen moeite mee, ik wou alleen maar uitvoeren. Nee, geen gena­deschot in de nek, gewoon een roffel tus­sen de ribben. We spraken er niet meer over. Het kwam niet in het verslag, ge­woon een summiere briefing. Een beetje laf, denk ik soms, maar ik stond op het laagste niveau van uitvoering, daar is geen discussie meer.’

Kerrebijn is niet de beul van Bergen-Bel­sen, noch de sadist van Sachsenhausen. Hij was een Nederlandse militair met na­zitrekken in de gordel van smaragd. Naar Neurenbergnormen een oorlogsmisdadi­ger. En voor het Tokiotribunaal had hij ook niet veel kans gemaakt. En hij was niet alleen, denk aan de SS’ers op Sula­wesi, Westerling met zijn kompanen. Ei­genlijk alle slachters onder het bevel van Simon Spoor (zijn de initialen toeval?) zouden het zwarte, met runen verfraai­de uniform in de oostelijke Lebensraum niet hebben misstaan.

Dus Hansje, beschimmelde pindakaas­vlek op het standbeeld van Poncke Prin­cen, wat ga je doen? Durf je het aan om je oude krant voor de rechter te dagen? Of kruip je, zoals het een mol betaamt, terug in het donkere hol waar je vandaan komt?

TD

Archief