Gastbijdrage

Hoi, dit artikel gaat jou ongeveer een half uur per dag opleveren. Jazeker, het is een zelfhulp-stuk. Voor jou, maar ook voor mij, want jij gaat vanaf nu sneller werken en daardoor hoef ik straks minder lang te wachten als ik een dokter of een advocaat nodig heb, of als ik ooit – God verhoede – achter jou in de rij sta bij een lopend buffet.

De crux, ik zeg het maar meteen, is dat je moet opschieten. Gewoon: altijd. Met alles. Als je nu alvast een beetje opschiet met lezen, heb je het in vier minuten uit – dat is best een investering, maar die verdient zich dus ruimschoots terug en op je sterfbed zul je zeggen: “Dag allemaal, ik heb veel fouten gemaakt in mijn leven, maar sinds die paar minuten Propria Cures lezen in 2021 heb ik in elk geval geen kostbare tijd meer verkloot.”

Veel zelfhulp-gelul gaat tegenwoordig over tot rust komen, effe de smartphone wegdoen, stilte opzoeken, jezelf terugvinden of juist verliezen door meditatie of andere vormen van niks doen – och jongens dat heerlijke Hollandse woord “niksen” doet het zo goed in Amerika, wat enig! – maar het tegendeel is waar: van opschieten word je veel en veel gelukkiger dan van niksen, al was het maar omdat je met opschieten af en toe iets gedáán krijgt.

En ik heb het dus niet over haast maken omdat je anders te laat komt of omdat het leven zo kort is – wat trouwens ook prima redenen zijn om op te schieten – ik heb het over opschieten omdat de wereld er gewoon veel mooier op wordt als je niet zo treuzelt. Sommige mensen snappen dat al, bewust of onbewust, maar in het algemeen heeft opschieten nog steeds een heel dubieuze naam. Als je bijvoorbeeld een groepje waggelende zombies inhaalt op een smalle stoep, vragen ze verwijtend: “heb je háást of zo?” – alsof haast een soort ziekte is, of een schande.

Dan kun je denken: nou en, maar het zegt álles over de status van opschieten in 2021. Het wordt geassocieerd met streberigheid, met voordringen zelfs. Ambtenaren die een beetje opschieten en het werk in de helft van de tijd doen, worden door hun collega’s beschouwd als een gevaar: wat doet die gek, straks moeten wij ook gaan opschieten! Traagheid is de norm. Je ziet het ook bij lopende buffetten: iedereen staat ongeduldig te wachten, maar zodra mensen zelf eindelijk aan de beurt zijn, komt er een soort natuurlijke rust over ze, en schieten ze onmiddellijk terug in hun trage basishouding: gezellig keuvelend alle aardappelkroketjes inspecteren en dan uiteindelijk toch voor de patat gaan.

Vroeger was dat anders. De Piramides van Gizeh zijn in een paar decennia uit de grond gestampt, het Paleis op de Dam is in ongeveer vier dagen gebouwd. Lekker vlot, zo ging dat toen. Nu is dat ondenkbaar: als tegenwoordig de lichtknopjes worden vervangen, gaat het hele Paleis vier maanden dicht en moeten de trams op de Dam tot diep in het volgende jaar omrijden.

Soms lees je dat deze generatie een goede oorlog nodig heeft. In oorlogstijd merk je weer hoeveel je kunt en durft, is de gedachte, en blijkt dat je dingen die normaal jaren kosten, best in een paar weken kunt regelen. Maar corona heeft bewezen dat zelfs dát niet meer werkt voor Nederland. Het was een crisis zonder weerga, duizenden doden, alles dicht, maar zelfs de meest basale maatregelen zoals mondkapjes uitdelen of een quarantaineplicht invoeren, bleken niet mogelijk zonder máánden geklooi en getreuzel. Van het toeslagen-schandaal tot de kabinetsformatie of de evacuatie van Kabul, bij álles merk je dat “tut-tut, rustig aan” de algemeen geldende mentaliteit is – en dat bijna iedereen het accepteert!

Het heeft, naast cultuur, ook met competentie te maken. Niet iedereen kán opschieten. Je moet er een beetje slim voor zijn, scherp, uitgeslapen – als domme mensen gaan opschieten, gebeuren er ongelukken. Maar ik heb het niet tegen domme mensen, ik heb het tegen jou. Jij bent slim genoeg om alles wat je doet zeker 30% sneller af te hebben dan nu. Echt waar. En tuurlijk, dan gaat er wel eens iets mis. Ik heb zelf bijvoorbeeld na de vorige alinea even snel de afwasmachine ingeruimd en daarbij in mijn haast een vol glas koude thee in de prullenbak gekieperd. Maar ook dát heb ik snel weer opgelost en uiteindelijk ben ik alsnog sneller klaar dan iemand die niet opschiet.

Je zult trouwens al snel merken dat je er beter in wordt. Je kunt het ook bewust trainen, maar je moet het dus vooral niet gaan zien als een trucje, als een soort extra “skill” die je in nood kunt toepassen. Integendeel: het gaat erom dat opschieten je primaire instelling moeten zijn, bij alles wat je doet. Een onbewuste basishouding, net als op het verkeer letten en blijven ademen. Gewoon bij alles denken: hoe kan dit zo snel mogelijk? – en dat dan doen. Het grote probleem van trage mensen is dat ze opschieten zien als noodgreep, als iets wat je pas doet als je te laat bent begonnen. Maar het is precies andersom: wie rustig aan kan doen, heeft blijkbaar te veel tijd genomen en heeft dus een inschattingsfout gemaakt.

En ik bedoel dus niet dat je de hele dag moet lopen draven, ik heb het vooral over beter plannen: als je in een nieuwe stad woont, blijf je de eerste jaren bij elk fietstochtje checken wat de kortste route is, rekening houdend met snel asfalt (mijd de grachten!) en slome stoplichten. In de supermarkt perfectioneer je je route en gebruik je de zelfscan-kassa of de zelfscanner – de gewone kassa is uitsluitend voor bejaarden zonder pinpas en wanhopige columnisten die nog een lollig maar o zo veelzeggend gesprek moeten opvangen tussen een Syrische vluchteling en de Jordanese kassamevrouw voor hun stukje van morgen.

Als je op kamers gaat en je moet klussen: nooit nooit nooit naar de Praxis. Los van het feit dat het een kutwinkel is waar niemand iets weet en waar de schroeven – als ze toevallig op voorraad zijn – drie euro voor een doosje van acht zijn, kost het ALTIJD meer tijd dan je denkt. En bij klussen is tijd nu eenmaal de belangrijkste factor. Als je iets nodig hebt, bestel je het online en ga je intussen verder met een andere klus. Op die manier kun je soms acht klusjes tegelijk half af hebben, maar dat is beter dan urenlang tussen de rottende lijken in de rij bij de bouwmarkt staan en daardoor twee weken doen over het ophangen van een boekenplank.

Dat geldt trouwens ook buiten de Praxis: geld is alleen maar interessant omdat je er tijd mee kunt kopen. Een taxi nemen is dus niet decadent, het laat juist zien dat je het leven – en dus de tijd – serieus neemt. Een verstandig mens deelt zijn tijd zo in dat hij zo veel mogelijk geld verdient, en geeft zijn geld zo uit dat hij zo veel mogelijk tijd bespaart. Ik bedoel dus ook zeker niet dat je dagen van 14 uur moet gaan maken: het gaat er juist om dat je tijd overhoudt door op te schieten.

Opschieten is heerlijk, alsof je een nieuwe versnelling op je fiets ontdekt die andere mensen niet hebben. Maar het is ook nodig om de verzorgingsstaat te redden, want onze productiviteit zal flink omhoog moeten. Opschieten moet weer een deugd worden, en tijdverspilling een zonde. Te laat komen zou ook veel zwaarder moeten worden bestraft, want je steelt in feite andermans tijd. Iemand laten wachten is diefstal, of eigenlijk vandalisme, en op zijn minst een grove belediging. Ik heb liever dat je stipt op tijd bent en mij de tering wenst dan dat je een kwartier te laat komt aankakken met een glimlach en een complimentje over mijn kapsel.

En misschien denk je nu nog steeds: o oké, interessante insteek, ik hou het in mijn achterhoofd maar ik wacht even op een podcast van de Guardian of een longread op de Correspondent, en dan haak ik wel aan als het Volkskrant Magazine erover schrijft, met foto’s van Jonathan die een lollige stopwatch in zijn hand heeft of zo, maar dat gaat niet gebeuren want ik heb geen tijd voor die onzin en jij ook niet. Dus gewoon nu beginnen met opschieten. Of laat mij erlangs, dat mag ook.

Jonathan van het Reve

Als vijfjarig kind werd ik het hof gemaakt door de struise ver­weerde half-Bretoense tuinman van mijn grootouders. Maar eigenlijk heb ik hem verleid.

Ik was verliefd op zijn kromme knoes­tige handen en gefascineerd door zijn ef­ficiënte muzikale buxusscharen, en door de wrede logge spaden die regenwormen en pissebedden onthoofden, en door al die andere dofchromen werktuigen met frivole turkooizen handvaten waarvan ik de naam niet kende.

Ik streelde de stugge schort van de tuin­man en vroeg hem om me wegwijs te maken in zijn wereld.

De tuinman joeg me bars weg. Hij hield niet van kinderen.

Tuinieren was een hobby en een bijver­dienste, zijn echte job was politieagent of cipier. Misschien beide.

Ik hield niet van politieagenten en cipiers, maar ik aanbad tuinmannen omdat ze wroetten in de aarde en dus de geheimen van de insecten en de onderwereld kenden.

De tuinman van mijn grootouders kwam elke vrijdagmiddag in hun tuin werken. Mijn grootouders werkten toen nog en ik moest naar school, maar het was altijd naailes vrijdagmiddag en dus spijbelde ik.

Ik had geen sleutel van het huis, wat me goed uitkwam. Ik moest wel in de tuin zitten en de tuinman lastigvallen. Hij kon niet zeggen: ‘Ga naar binnen en maak een puzzel, vervelend wicht!’

De tuinman had altijd een zielige gelige gekraakte thermos bij zich en dunne roggeboterhammen met smeerkaas in alu­miniumfolie gewikkeld. En een berg wa­fels gemaakt door zijn imbeciele zus met wie hij samenwoonde. En volgens som­mige dorpelingen sliepen ze in hetzelfde bed. En dan?

Ik wist dat ik de tuinman niet kon ver­leiden met woorden, maar misschien zou het lukken met de schommel.

Als ik heel hoog schommelde kon hij mijn slipje zien, maar hij keek nooit naar mij het schommelende kind. Laat staan naar het slipje. Zijn rug was altijd trots en koppig naar de schommel gekeerd.

Niettemin droeg ik elke vrijdag mijn strak­ste schattigste slipje in de hoop dat de tuin­man er ooit een blik op zou werpen.

Na zes maanden gaf ik het op.

Ik moest brutaler zijn. Ik bedacht een plan: donderdagnacht sloop ik naar de kelder van mijn grootouders om een fles jenever en een bokaal abrikozen op siroop te verdonkeremanen, en dit rijke onweerstaan­bare feestmaal zou ik dan de volgende dag samen met de tuinman opsmikkelen.

Ik verstopte de fles en de abrikozen in de hobbybarak van Klaus de Duitse buur­man en ex-SS’er die enkel in de paas­vakantie naar zijn tweede verblijf in De Panne kwam.

Ik kon de slaap niet meer vatten, ik keek reikhalzend uit naar vrijdagmiddag.

Eerst was er de saaie voormiddag bij zuster Simone met de aardige ogen en de sympathieke snor: de bruiloft te Kana, de ongelovige Thomas, Jacob en de lad­der, de wolf en de zeven geitjes, een klei­ne halfhartige poging om de kinderen het alfabet aan te leren…

En toen ging de bel!

Ik snelde naar buiten en rende doorheen de duinen naar het grote witte huis van mijn grootouders in de Toeristenlaan.

Ik zag nog net mijn grootvader dronken wegrijden met zijn scheve Stetson naar het rechtsgebouw waar hij moordenaars en stropers en pyromanen en verkrachters zo mild mogelijke straffen zou geven.

Niet omdat hij zonde en verdorvenheid fantastisch vond en wilde aanmoedigen, maar wel omdat hij opsluiting hels, af­schuwelijk, onmenselijk, verwerpelijk, en barbaars vond. Ik ook!

Mijn grootmoeder vertrok altijd een halfuurtje vroeger met haar fiets (zij gaf Franse les in de gemeenteschool Imma­culata), omdat ze elke middag om 13u in een telefooncel op het Sloepenplein huilerig en hysterisch telefoneerde met haar minnaar, een fiere poëtische Portu­gese salamiverkoper die graag balletdan­ser en kazenmaker was geworden maar zijn familie had het hem verboden en hij was week en luisterde naar zijn driftige seksistische versmachtende bekrompen familieleden.

De tuin bevond zich aan de achterkant van het huis.

Eerst bekeek ik de tuinman als een geile stiekeme voyeur: ik gaapte ongegeneerd naar de afgezakte broek en naar de zwe­terige spleet die naar de anus leidde.

Ik wilde zo graag mijn vinger in die anus ste­ken en in slaap vallen in de zon in het gras.

De tuinman draaide zich om en betrapte me. Maar hij was niet geërgerd, eerder geamuseerd.

Hij riep me bij hem, gaf me een aai over mijn kruin en zei dat ik de kruiwagen vol onkruid mocht uitkieperen in die hoek daar.

Maar de kruiwagen was te zwaar en de tuinman kwam achter me staan en legde zijn handen op mijn handen en drukte zijn zalige harde middenstreek tegen mijn rugje, en ik dacht dat ik ging klaarkomen.

Gelukkig klonk er een sirene en de ma­gie was verbroken: we werden weer een verboden volwassene en een spijbelend kind.

Ik bood de jenever en de abrikozen aan, de tuinman was zwijgzaam dankbaar. Hij duwde eetbare bloemen in mijn mond en toen stond hij bruusk op en zei hij dat hij vroeger weg moest vandaag omdat hij bij een boerin in Vladslo een rolstoel en een traplift mocht gaan ophalen voor zijn zieke zus.

Ik huilde bittere teleurgestelde tranen en ik dronk van de jenever die me sla­perig maakte. En angstig en doodziek de volgende dag. Mijn grootvader vond het hilarisch dat ik jenever had gestolen en zo rap, zo ongeremd, zo mateloos had gedronken. Er klonk bewondering in zijn stem, hij wist natuurlijk niet dat de tuinman het grootste deel van de jenever naar binnen had gekapt.

De volgende vrijdag was het raak: zon­der schommel, zonder jenever, en zonder abrikozen ging ik op mijn doel af.

Ik zei tegen de tuinman: ‘Streel me in de struiken, ik heb het nodig. Ik wacht al zo lang.’

De tuinman leek ontroerd en hij gehoor­zaamde godzijdank.

Hij legde me teder op een zeil tussen twee coniferen. Hij trok voorzichtig mijn kleren uit en betastte mijn kleine lede­maten met zijn vuile warme vingers. Het was heerlijk! Hij bouwde het hemelter­gend traag op en ik hield het bijna niet uit, maar eindelijk bereikte hij dan toch mijn vagina.

Hij zei: ‘Precies een pasgeboren molletje.’

Hij stak twee vingers in mijn pasgeboren molletje. En later ook nog zijn tong en het gladde houten handvat van een on­kruidhark.

We beleefden twee jaren pret, nee extase.

Ik heb ook hem verwend, zijn penis in mijn mond. Lastig was het niet, integendeel.

Zelfs de penetratie was veel minder pijn­lijk dan verwacht. Het gebeurde in de win­ter, achter de hobbybarak van nazimonster Klaus. Ik bloedde op de sneeuw en de tuin­man noemde het fluisterend ‘een kerstmi­rakel’. Al was dat wellicht spotternij.

We werden nooit betrapt, nooit uitge­jouwd, nooit gestenigd.

Maar op een dag stierf zijn zus en de tuinman kon een betere job krijgen: re­chercheur in Nieuwpoort.

In mijn gedichten voer ik de tuinman regelmatig op als personage. Ik noem hem dan steevast ‘de pedofiele tuinman’, maar dat klopt niet. We waren een kop­pel, een ordinair blind dwaas vrolijk ver­liefd onschuldig koppel.

Het was mooi en het was niet pervers.

Of als er perversie in het spel was dan kwam die van mij.

Delphine Lecompte

Wat een raar jaar, hè?’ ‘Nou, inderdaad!’ is de dialoog die 2020 kenmerkt en hopelijk zo spoedig mogelijk verdwijnt. Enerzijds omdat het daadwerkelijk een raar – eigenlijk is dat een understatement – jaar is geweest, anderzijds omdat het een cliché waar je u tegen zegt begint te worden. Maar inderdaad, het was toch echt een raar jaar, niet alleen door het verschrikkelijke coronavirus, maar voor mij was het politiek… Hoe zal ik het zeggen… Ook wel een bumpy ride. Het was me het jaartje wel.

Bij het proosten op het nieuwe jaar zegt mijn man altijd: ‘Op een rustig jaar!’ Dat dit voor 2020 niet is gelukt en in 2019 voor mij óók al niet lukte; daar heeft iedereen van kunnen meegenieten. Ik heb hem dan ook verboden dat nog een keer te doen. Hoe moeilijk het is om een rechte rug te houden in de politiek blijkt wel uit mijn laatste twee jaren aan het Binnenhof. Keer op keer proberen “ze” de zonder last gekozen parlementariërs onder de duim te houden en als je maar een moment van eigengereidheid of kritiek toont, dan ben je de sjaak in de Haagse bubbel. Dan is het slikken of stikken in partijdiscipline. Met de staart tussen de benen afdruipen via de achterdeur of met rechte rug de volksvertegenwoordigende taak oppakken. Andere smaken zijn er niet. Ja, dan maar alleen. En onafhankelijk. Prima. Politiek is niet voor bange mensen.

Maar 2020 is voor ons allemaal een “uniek” jaar geworden. Iedereen heeft een ander verhaal, maar het was zelden een success story. En wij moesten in de politiek beslissingen nemen waar we nog nooit over hadden nagedacht. Niet wetende wat de consequenties zijn van de maatregelen die wij nemen. Als we dit doen, wat betekent dat voor kwetsbare mensen, de studenten of voor de rechtsstaat. Waar Rutte zei dat hij beslissingen moest nemen met maar 50% van de informatie, moesten wij het doen met net zoveel informatie als ieder ander. Want echt wijzer werden we niet van Rutte & co. En de pers wist sowieso alles eerder. Lekken is namelijk de middle name van dit kabinet. En als je serieus probeert te achterhalen waar het de hele tijd misgaat, krijg je een wazig antwoord en een zwart gelakt stapeltje papier. Het “varen op zicht” werd daarmee óók het understatement van het jaar. We varen nog altijd in de dikke mist.

Vechten tegen de bierkaai in tijden van crisis. Dat heeft ieder Kamerlid gevormd en ieder Kamerlid heeft dat weer anders ingevuld. Ik heb dat proberen in te vullen door de rechtsstaat op één te zetten. Bizarre coronaboetes, mislukte huwelijksfeesten en ongrondwettelijke spoedwetten, ik heb mijn best gedaan een onafhankelijk geluid te laten horen. Door Grapperhaus het vuur aan het de schenen te leggen toen hij zichzelf en de coronamaatregelen volstrekt belachelijk maakte. Door het kabinet voor het blok te zetten om, na het klappen voor onze zorghelden, met een motie te komen voor een zorgbonus. Kosten: 2,2 miljard.Voelde me een echte Robin Hood. Zorgde daarmee voor een gat in de najaarsbegroting van 800 miljoen. En voor een flinke kater bij het kabinet. Daar ben ik best trots op, die kater. Dat mag je best weten.

Mijn missie is het om een luis in de pels te zijn, om mijn eigen koers als verkozen politica te varen en vernieuwende ideeën de politiek in te krijgen. In de Kamer probeer ik het échte sociale geluid te verkondigen zonder mezelf schuldig te maken aan hokjesdenken of symboolpolitiek. Wars van het identiteitsdenken en doorgeslagen feminisme waar mannen geen rol in zouden hebben. Etniciteit registreren in het hoger onderwijs, gevechtsboten naar vrouwen noemen en wegkijken voor de problematiek die speelt in bepaalde minderheidsgroepen: stop it! Ik kan geen één linkse partij noemen die primair staat voor kansengelijkheid, een toegankelijk onderwijs en groene politiek zonder een ongezonde dosis wegkijken of identiteitspolitiek. De identiteitsstrijd op rechts is overigens ook niet te harden. Het is tijd dat we religieuze minderheden als volwaardige burgers zien en dus kritiek leveren waar nodig om ook in die lagen van de samenleving emancipatie te creëren. Het gaat om verheffen, om conservatieve stromingen tegen te gaan, zodat vrouwen en seksuele minderheden ook in minderheidsgroepen als gelijken worden gezien. Daar hoort een goede dosis kritiek bij en drukken waar het pijn doet, op zijn tijd. Deze culturele verheffing kan niet hand in hand gaan zonder sociaal-economische verheffing: de politiek moet ervoor zorgen dat het onderwijs voor iedereen beschikbaar is, het leenstelsel weer plaatsmaakt voor de basisbeurs, de huren omlaag gaan en het minimumloon omhoog.

Daar heb ik geen Henk en Henk bij nodig, en ook geen partij die niet op wil komen voor ‘mensenproblemen.’ Dat doe ik dan toch echt het liefste helemaal zelf, of met gelijkgestemden. Als een splinter in de politiek. Als een feniks die verrijst uit de as. Hoe het ook loopt, ik ben nog lang niet klaar met mijn politieke strijd.

Femke Merel van Kooten-Arissen

Maandag

Ik mag morgen naar Fidan en Renze. Aanleiding is het Nederlands Filmfestival. Ik ben niet zo geïnteresseerd in waar het over gaat, zolang ik Brimstone maar een paar keer kan noemen. Verder is mijn doel mijn reputatie als Joost Zwagerman 2.0 vast te houden, als ranzige filmprofessor. Edgy noem ik het zelf. Ongegeneerd uitspraken van anderen doen alsof je ze zelf ter plekke bedenkt. En natuurlijk zonder dat suffe einde dat Joost voor zichzelf had uitgedacht, een strop, zo banaal! Ik weet wel creatievere manieren om iemand naar de andere wereld te helpen, je leert het bij de masterclasses die ik samen met m’n vriendje Eddy Terstall geef, Storytelling en Maak je dromen waar. Die scène in Brimstone met die darmen? Voor zo’n huzarenstukje draai ik m’n hand niet om. 

Dinsdag 

Ik zat op tv tegenover een vrouw die iets met abortusboten doet, had ze een prijs mee gewonnen. Ik wist haar mooi voor schut te zetten met een scherpe vraag over of ze vond dat vrouwen het recht hadden om abortus te plegen, zo lang ze het kind nog in hun lijf hebben. Bij negen maanden! Ging ze niet op in, had ik haar mooi in een hoekje! Renze vond het ook een goede vraag, zei hij zelf. Dat mannen hun mond moeten houden is flauwekul. Ik ken m’n pappenheimers, in Brimstone heb ik het stukken smarter opgelost. De hoofdrolspeelster moet in de prostitutie en wordt continu verkracht en vernederd, en dan snijdt ze d’r tong af. Zogenaamd uit zelfbelang maar iedereen snapt dat dat de dialogen een stuk prettiger maakte. 

Woensdag

Ik heb er toch maar even een excuus-tweetje eruitgegooid, er waren net wat te veel Stella’s en tuthola’s op hun tenen getrapt vanwege m’n directe vragen. Ik verlies te veel discussies van haar. Die moet ik ook te vriend houden, wil ik met m’n kop op de tv blijven komen in deze rare tijden – de theatertour Klassiekers met Koolhoven, en ook De keuze van Koolhoven, Koolhovens Helden en De Kijk van Koolhoven staan even on hold. En wie vindt zo’n tweetje na een dag nog terug op mijn Twittertijdlijn? Ik kon de schuld gelukkig in de schoenen van Renze schuiven, met z’n EO-verleden. ‘Not my finest hour’ schreef ik. 

Donderdag

Ik heb vandaag lekker kunnen researchen voor m’n roman. Ik had het eerder over een film, was een foutje. Nu staat er op martinkoolhoven-spreker.nl onder Martin Boeken alleen een contactformulier en telefoonnummer, dat moet anders. Episch wordt het: Indonesië, 1945, 1946, een sexy thriller met femmes fatales en duivelse verraders. Een crime story. Officieel heet het The Emerald Butterfly, maar de werktitel is Koolhovens Koelies. Verder wil ik er nog niet te veel over kwijt. Zoals ik al eerder zei op de radio: ik ga me niet lopen haasten. Het Schnitzelparadijs kwam uit in 2005, ‘n Beetje Verliefd in 2006, Oorlogswinter in 2008 en Brimstone in 2016. Ik ben van de exponentiëlen, dus ik heb nog wel even. Als er maar veel bloed vloeit – en dan heb ik het niet over menstruatiebloed. 

Vrijdag

Ik vind het elk jaar weer heerlijk, dat NFF in Utrecht. Ik mocht over Brimstone praten, een drive-in bioscoop. Zelfs zonder rijbewijs een feestje. ‘My Work’ noem ik het op m’n site. Zes kalveren kreeg ik ervoor. Ik heb, als een van Nederlands meest succesvolle filmmakers, de eerste Amerikaans-Nederlandse western gemaakt. Inmiddels een klassieker, past in de traditie van de spaghettiwesterns. Toch hou ik de trailer nog even bovenaan m’n twitterpagina. 

Zaterdag

Ik werd wakker uit een nachtmerrie. Een pijnlijke herinnering, maar zoals ik altijd zeg, ‘Alles is regie’. Ik zakte een avondje door met een bevriende hoofdredacteur. Op het terras van de Pels zaten we lekker te praten, zoals ik dat het beste kan: in de monoloogvorm. Kwam er een vage Belg bijzitten, die m’n vriend ook bleek te kennen. Ik vroeg hem of ‘ie dat nou niet irritant vond, dat België, met al dat beleefde gedoe. In Nederland zeggen mensen tenminste meteen wat ze denken, zei ik. Nou, deze Belg dacht er anders over. Kwam met een heel verhaal over arrogantie en Hollanders. Ik luisterde niet naar ‘em, wie dacht ‘ie wel dat ‘ie was? Bleek het Dimitri Verhulst te zijn, die schrijver. Ik had ‘m niet herkend, stom. Toen ben ik binnen aan de bar even een potje gaan janken. Not my finest hour too

Zondag

Ik zie net dat Brimstone binnenkort weer op tv komt. De film blijft in home cinemas leven, dat kan je van de meeste vrouwen in de film niet zeggen. Daarom vind ik het zelf ook zo’n feministische film. Ik geloof dat al mijn films zonder inspanning voldoen aan de diversiteitsladder. Claudia Cardinale heeft me zelfs ooit een filmprijs gegeven. Daar kon ik het dan weer over hebben in De Kijk van Koolhoven. Ja, we gingen echt full circle. Is het alweer tijd voor de nieuwe selectie Zomergasten? Drie keer raden naar m’n keuzefilm.

Martin Koolhoven

De jaarlijkse Kinderboekenweek is al heel lang geen week meer, maar bijna twee weken, en begint in coronavrije tijden met een Kinderboekenbal zonder dansen. De laatste keer dat ik ernaartoe ging zag ik gelukkig kinderboeken liggen, want daarvoor, zo rond 2009, was ik ook een paar keer op dat feest aanwezig en zag ik ze nergens. De kinderen hadden wel een stevig papiertje gekregen waar we als schrijvers onze handtekening op konden zetten. Verder herinner ik me de enorme moeite die was gedaan om het bal prachtig aan te kleden, onder meer met een beeld van een naakt waarbij uit de bilspleet chocomel ontsproot. Extraverte tv-coryfeeën praatten in een theaterzaal de boel aan elkaar en zo liepen er nog meer bekenden over het podium, onder wie een actrice die de kinderen in de zaal een refrein liet meezingen met de woorden ‘Rot op, rot op’. Ik zie nog de Vlaamse auteur die in 2009 de Gouden Griffel kreeg daar in verbijstering rondlopen. De prijsuitreikingen werden toen overigens nogal snel afgehandeld, waarschijnlijk omdat er met korte spanningsbogen rekening moest worden gehouden.

Vlaanderen heeft in maart zijn eigen Jeugdboekenmaand. Tot een paar jaar geleden ging die gepaard met een eindfeest in een groot theater, voor zo’n tweeduizend kinderen en ouders. Zowel de kleintjes als de groten konden met een veelheid aan aanwezige schrijvers in gesprek, hen vragen stellen en opmerkingen afvuren over hun werk, en het geheel werd aan het eind van de middag in de grote concertzaal afgesloten met een feestelijk programma, waarbij de kinderen een refrein zongen over boeken en lezen, en niet over oprotten, een woord dat ze trouwens niet gebruiken, het zou in hun geval ‘Trap ’t af! Bol ’t af!’ zijn.

Nederland liep in de jaren zeventig en tachtig wat kinderliteratuur betreft voor op Vlaanderen, er heerste een ronduit stimulerende sfeer, journalisten volgden wat er gaande was en hadden aandacht voor originaliteit en een goede pen, ze bedachten zelfs de Woutertje Pieterseprijs voor bijzondere kinderboeken, en er kwam  een staatsprijs, de Theo Thijssenprijs, altijd goed voor de pensioenopbouw van zzp’ers, maar ook voor het besef dat dat genre niet onderschat hoeft te worden (wat meestal ook betekent dat kinderen worden onderschat, iets waar Guus Kuijer al lang geleden een boek over schreef, Het geminachte kind). Vlaanderen, lang in katholieke sferen gedompeld, begon vooral in de jaren negentig op te bloeien, ook wat de kinderliteratuur betrof. Begin deze eeuw timmerden ook veel originele illustratoren aan de weg.

De opkomst van het neoliberalisme en het marktgeloof, waarbij kwantiteit als kwaliteit werd gezien, beïnvloedde de cultuur in negatieve zin, in Nederland ook eerder dan in Vlaanderen, met als dieptepunt meneer Halbe Zijlstra, die als staatssecretaris van onder meer cultuur, overmatig bezuinigde op die ‘linkse hobby’. Er kwam een grotere hypegevoeligheid, de middelmaat regeerde en media besteedden minder aandacht aan kinderboeken, en trouwens ook aan andere uitingen zoals poëzie.

Ik heb altijd zowel voor volwassenen als voor kinderen gewerkt en een normale baan heb ik nooit gehad. Nadat ik in 1978 Cameretten won, heb ik een aantal jaren met een of twee vrouwelijke musici in het cabaretcircuit getoerd. Ik herinner me een recensie uit die tijd waarin werd opgemerkt dat er vrouwen op het podium stonden, maar dat het toch ook leuk was voor mannen. Dat soort denken is trouwens nog niet voorbij. Toen ik de AKO Literatuurprijs kreeg voor mijn roman Feest van het begin – een prijs die trouwens almaar, niet echt handig, een andere naam krijgt – maakte een bekende oudere auteur een filmpje waarin hij verkondigde dat ik ‘aardige’ kinderboeken schreef en dat maar moest blijven doen. Een jongere, veelgelezen auteur schreef dat ik die prijs van hem had afgepakt om andere redenen dan de kwaliteit van mijn roman. Daarom vond iemand van de jury het bij uitzondering nodig mij een keer te vertellen dat het wel alleen maar om de kwaliteit van mijn roman was gegaan. Tja. Ook in mijn relationele leven waren er mannen die er niet goed tegen konden dat ik erkenning kreeg. Soms was een reactie bijna komisch, zoals toen ik een mooie poëzieprijs ontving en ik dat op het station, op weg naar huis, doorbelde. De eerste reactie was niet iets als ‘Nou, joh, leuk’ of zo, maar ‘Waren die anderen zó slecht?’

Ach, dat ik mijn hele leven heb kunnen schrijven en tekenen, wat ik als kind al wilde, maakt me tot een gelukzak. En dat ik bij lezingen en optredens nu eens kinderen voor me zie, dan weer volwassenen van allerlei leeftijden, en dat ik ervan heb kunnen leven en het nog steeds kan, is ook mooi. Alleen in het begin had ik allerlei losse baantjes nodig, zoals het demonstreren van email (emaj, niet iemeel) op een vrijetijdsbeurs of het leiden van een kinderatelier in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten, in een lokaal zonder kraan. Toen we het op levendige wijze over kleuren mengen hadden gehad en de kinderen hun handen die vol verf zaten in de toiletten van het museum moesten schoonwassen, gingen ze op de spiegels door met hun experimenten. Een beetje museum had gezien dat dit artistieke uitingen waren, maar ik werd onmiddellijk ontslagen.

Collega Dolf Verroen, eenennegentig inmiddels, staat dit jaar in het rijtje kandidaten voor de Gouden Griffel. Als ik dat zie, denk ik nog zeeën van tijd te hebben om door te gaan met het schrijven van romans, poëzie en kinderboeken, met tekenen en optreden. Per slot had ik de paar kwaaltjes die ik nu heb ook al op mijn dertigste en ben ik absoluut niet aan een nieuwe heup toe. 

Joke van Leeuwen

Archief