AG

Het gaat niet goed met de vrouw. In de Verenigde Staten wordt het recht op abortus ingeperkt, in Iran haalt de zedenpolitie ongesluierde vrouwen van straat, en in Nederland was femicide het kinderwoord van het jaar. Toch is er één vrouw die hier, vergeef mij de seksistisch geladen zegswijze, garen bij spint.

Nienke ’s Gravemade verwierf in het afgelopen jaar landelijke bekendheid door in actie te komen voor de veiligheid van vrouwen – niet mijn woorden, maar die van de NOS-website, waar Nienke ’s Gravemade samen met Zohran Mamdani (nieuwe burgemeester van New York) en Julia Coster (mocht bij het concert van Zara Larsson in de Ziggo Dome op het podium komen dansen) uitgeroepen werd tot aanstormend talent van 2025.

’s Gravemades landelijke doorbraak bestond uit een gedicht naar aanleiding van een moord op een zeventienjarig meisje. Op verzoek van de nabestaanden waren de media terughoudend geweest in hun berichtgeving. Zelfs De Telegraaf had zich beperkt tot de voornaam van het slachtoffer. Maar dat was buiten ’s Gravemade gerekend, die haar fanfiction nog geen dag na de moord op Instagram plaatste.

‘Het rode handtasje. Ik denk nog steeds aan het rode handtasje. Hoe het bungelde aan haar stuur, terwijl ze door de nacht reed. (…) Het tasje aan haar stuur, met portemonnee, een lipglossje en haar huissleutels. Of zaten die bij haar fietssleutels in het slot gestoken? Of tussen haar vingers geklemd? (…) Het maakt niet uit wat er in het rode handtasje zat. Het enige wat uitmaakt is dat het tasje niets kan zeggen, terwijl het tasje alles heeft gezien.’ 

Laten we dat eerst maar eens op esthetisch niveau behandelen. Een tasje dat kennelijk over een goed stel ogen beschikt (‘het tasje heeft alles gezien’) maar geen mond heeft (‘het tasje kan niets zeggen’) – wat moeten we ons daar in hemelsnaam bij voorstellen? En waarom is dat eigenlijk ‘het enige wat uitmaakt’? Is dit poëzie of is erover nagedacht?

Op ethisch niveau is dit natuurlijk minstens zo gestoord. Toch vond half Nederland het prachtig en zag Nienke ’s Gravemade zich genoodzaakt ons andermaal toe te spreken: ‘Mijn afgelopen dagen stonden in het teken van de woorden die ik afgelopen donderdag schreef.’ Haar open brief bestaat uit zeven zinnen waarin de eerste persoon enkelvoud maar liefst elf keer voorkomt (5x ‘ik’, 2x ‘mij’, 4x ‘mijn’) en waarvan de strekking is dat Nienke ’s Gravemade zich distantieert van de initiatieven die naar aanleiding van Nienke ’s Gravemades gedicht zijn opgezet. Nu de instagramvolgers en interviewverzoeken binnenstromen is het zeventienjarige meisje ineens dood en begraven. Bij wijze van spreken dan, want de uitvaart moest nog plaatsvinden.

En daar bleef het niet bij. Ik citeer het juryrapport van de Joke Smit Aanmoedigingsprijs: ‘Nienke ’s Gravemade brengt als actrice, schrijfster en online feministisch activiste met humoristische filmpjes op Instagram giftige mannelijkheid onder de aandacht.’ 

In deze filmpjes reageert ’s Gravemade op vrouwenhaters als Andrew Tate en Nick Fuentes. Het ‘humoristische’ element moeten we vermoedelijk zoeken in het dik aangezette Hollandse accent waarmee ze Engels spreekt. Ook dit is uiteraard volstrekt zinloos – geen enkele puber wordt de manosphere uit getrokken omdat een vrouw van dezelfde leeftijd als zijn moeder zijn idool belachelijk probeert te maken. Preken voor eigen parochie dekt de lading niet, want zo’n pastoor komt in elk geval zijn huis nog uit. 

Bovendien blijkt ’s Gravemade al snel door alle relevante vrouwenhaters heen te zijn. Dus begint ze te putten uit randfiguren met maximaal een paar duizend volgers. Als ’s Gravemade met haar video’s al iets bereikt, dan is het dat ze deze grifters, deze kleinhandelaars in misogynie, precies datgene geeft waarnaar ze op zoek zijn: een podium.    

Carl Jung bedacht ooit het elektracomplex als vrouwelijke tegenhanger van Sigmund Freuds oedipuscomplex. Misschien wil iemand ook eens nadenken over een vrouwelijke tegenhanger van Freuds narcissuscomplex. Ik heb wel een idee.

AG

De wetenschappelijke revolutie heeft ons veel leed bespaard. Zo is er sindsdien niemand meer van de rand van de aarde gevallen en wordt de aderlating alleen nog beoefend door mensen die zelf ook echt dood willen. Maar de wetenschappelijke revolutie kent ook een schaduwzijde. En dan heb ik het niet over buskruit, mosterdgas, of de atoombom. Dan heb ik het over Sjamadriaan. Dat is ook meteen de laatste keer dat ik wetenschapsjournalist Adriaan ter Braack (37) zo genoemd heb. Dat meneer zo’n kinderachtig pseudoniem heeft bedacht betekent niet dat ik eraan mee hoef te werken. Je moet ergens een grens trekken.

Maar genoeg over de vorm, op naar de inhoud. Ik geef het maar vast weg: die is niet veel beter. Adriaan ter Braack strijdt naar eigen zeggen tegen de ‘de online wildgroei aan pseudowetenschap’. Dat doet hij door dag in dag uit influencers die hun horoscoop delen of een voorspoedige zwangerschap manifesteren belachelijk te maken. Iemand die gelooft dat de sterren invloed op zijn leven hebben is dom – dat is zo’n beetje het idee. Adriaan vertoont het superioriteitsgevoel van iemand die zojuist het werk van Richard Dawkins heeft ontdekt. Als je dat in drie gymnasium doet ben je pedant; als je dat op je zevenendertigste doet ben je verdorven. En ook nog steeds pedant.

Adriaan ter Braack zal zeggen dat hij ook een tegengeluid biedt aan écht schadelijke desinformatie, zoals de overtuiging dat zonnebrand kankerverwekkend is. In een interview in de Volkskrant beweert hij de mensen juist te willen helpen. ‘Het gaat niet om mij, maar om de dingen waarover ik schrijf. Het geeft mij vooral voldoening dat mensen door mijn posts een gezondere kant op worden gestuurd.’ Dat is, naast griezelig ijdel en borderline megalomaan, totale onzin. Geen enkele zonnebrandscepticus gaat ineens factor vijftig smeren omdat hij door Adriaan ter Braack voor ‘vitaliteitstokkie’ is uitgemaakt. En het enige wat Ter Braack voldoening geeft is een nieuwe lading likes van zijn trouwe volgers op twitter en instagram. Voor eigen parochie preken – zo heette dat toen de kerken nog vol zaten omdat er nog niemand op het belachelijke idee was gekomen dat onwetenschappelijk per definitie gelijkstaat aan ongewenst.

In zijn voortdurende zoektocht naar nieuwe slachtoffers raakt Ter Braack het spoor steeds verder bijster. Zo krijgt ‘ansichtkaartrapper en all round onhebbelijke hansworst Snelle’ ervan langs omdat hij gembershots verkoopt – die zijn in werkelijkheid immers veel minder heilzaam dan Snelle beweert! Adriaan doet alsof hij nog nooit van het concept ‘reclame’ heeft gehoord. Alles voor de likes en niemand die zich afvraagt waar we het in ’s hemelsnaam over hebben.

Zelfs zijn eigen vader moet het ontgelden. Dat hij al twintig jaar dood is mag geen excuus heten. Sterker nog, dat is nu juist het probleem. Toen bleek dat Ter Braack senior aan ALS leed en de artsen niets meer voor hem konden betekenen, ging hij op zoek naar alternatieve geneesheren. Junior in de Volkskrant: ‘Eén van hen had een wichelroede met gekleurde draden, die correspondeerden met ziektebeelden.’ Dat heeft hij zijn vader nooit vergeven: ‘Totale bullshit, en erg sneu.’ Liever had Adriaan gezien dat zijn ongeneeslijk zieke vader gewoon was doodgegaan zoals zijn kind dat wilde – passief, zonder protest. Dat het voor zijn vader misschien prettiger was om zich aan die wichelroede vast te klampen is iets wat er bij Adriaan twintig jaar later nog steeds niet ingaat. En nu zitten wij met de zoveelste gek die zijn trauma in de publieke arena aan het bevechten is. Adriaan, als je dit leest: een psycholoog is tegenwoordig ook een wetenschapper, geef het een kans.

Maar de ultieme trigger voor Adriaan is toch gewoon geld. Zijn commentaar op de cursus ‘Vrouwencirkel Facilitator’ van Willemijn Welten: ‘Zevenhonderd ballen, geen geld.’ Zijn commentaar op het Flore Fam Founder-programma van Jessie Jazz Vuijk: ‘Vijftig euro, per maand, geen geld.’ Zijn commentaar op de energetische huisreinigingen van Puur Kelly: ‘Tweehonderd ballen voor drie sessies. Geen geld.’ Dit is waarschijnlijk de ‘cynische humor’ waar Ter Braack volgens zijn eigen website zijn enorme succes aan te danken heeft. 

En niet alleen succes, want net als al die maanzussen heeft Adriaan aan zijn populariteit een verdienmodel verbonden. Zijn tweewekelijkse ‘premium nieuwsbrief’ kost vier euro vijftig per maand. Geld verdienen met gebakken lucht is slecht, maar geld verdienen met gebakken lucht óver mensen die geld verdienen met gebakken lucht is prima. Propria Cures verschijnt trouwens ook tweewekelijks en kost maar vier euro per maand. Laat de wetenschap dat maar eens verklaren. 

AG

‘Roxanne, you don’t care if it’s wrong or if it’s right,’ zong Sting in 1978. Nou, dan had hij buiten Roxane van Iperen gerekend. Roxane van Iperen weet als geen ander wat goed en fout is. De Holocaust bijvoorbeeld: die is fout. Extreemrechts: fout. De Rwandese genocide: iets minder bekend, maar ook gewoon fout. Roxane van Iperen daarentegen: goed.

Met die boodschap beklimt Van Iperen elke verhoging die wel iets wegheeft van een podium. In Hilversum is dat de gezonken caravan van Janine Abbring, in Veenendaal de gestoffeerde trap naar de eerste verdieping van de lokale bibliotheek, in Amsterdam het spreekgestoelte van de Nieuwe Kerk, ter gelegenheid van de 4 mei-voordracht: ‘Of het nu gaat over trauma’s van de Tweede Wereldoorlog, Nederlands-Indië, de koloniale tijd, Srebrenica, de Molukkers of de veteranen: de last van het onbedwongen verleden wordt pas verlicht als de mythe plaatsmaakt voor weten.’ Dat zal ik even herhalen: de last van het onbedwongen verleden wordt pas verlicht als de mythe plaatsmaakt voor weten. Die zin betekent niets, maar Roxane van Iperen kijkt veelbetekenend in de camera, dus is hier sprake van een belangrijke morele les.

Haar morele zuiverheid is trouwens niet aangeboren. Roxane van Iperen wilde vroeger vooral veel geld verdienen zodat ze nooit meer van iemand afhankelijk zou hoeven zijn (Roxane heeft een moeilijke jeugd gehad, waar ze ‘liever niet over praat’, zoals ze in elk interview vertelt). De opleiding tot huisarts of hartchirurg duurde haar iets te lang, dus werd Roxane advocaat aan de Zuidas. Gespecialiseerd in belastingconstructies – ze was nu toch bezig. 

Nee, Roxane heeft pas op latere leeftijd een moreel kompas ontwikkeld. Op haar 37e om precies te zijn, toen ze genoeg multinationals aan een brievenbus op de Seychellen had geholpen om voor zichzelf een vrijstaand huis in ’t Gooi te kunnen betalen. Haar oog viel op Driftweg nummer 2 te Naarden. Roxane noemde het huis alvast naar haar eigen kapsel: ’t Hooge Nest. Grapje, zo heette het huis al honderd jaar, en Roxane wilde wel eens weten of de vorige bewoners het een beetje netjes hadden gehouden. Allemaal terug te lezen in het ‘woord vooraf’ van Roxanes doorbraakboek ’t Hooge Nest: ‘Ik hoor de voormalige eigenaresse, buurtbewoners en winkeliers in de omringende dorpen uit, duik in kadasters en archieven en val van de ene verbazing in de andere. Op het hoogtepunt van de Tweede Wereldoorlog, als de treinen richting de concentratiekampen met volle capaciteit rijden en de Endlösung der Judenfrage succesvol vorm begint te krijgen, wordt in ’t Hooge Nest door twee joodse zussen een groot onderduik- en verzetscentrum gerund.’ 

Voordat we verder gaan moet u weten dat er in Nederland één blad is dat nog minder wordt gelezen dan Propria Cures. Het heet Argus en om ervoor te mogen schrijven moet je, pardon, u met ten minste één been in het graf staan. Op 24 november 2021 verscheen in Argus een artikel van journaliste Annemieke Hendriks over ’t Hooge Nest, getiteld ‘Reconstructie van een bestseller’. Conclusie: Roxane heeft geen mensen uitgehoord en archieven doorgespit, maar een Duits boek uit 1986 geplagieerd. Hendriks schrijft: ‘Ik zoek op vele namen en trefwoorden uit het boek ’t Hooge Nest, zoals “drogist Bochove” of de voedsel aanvoerende “pakezels”, en het is prompt raak: de anekdote staat al in Sag nie… Er is echter niet één verwijzing naar dit boek. Nergens schrijft Van Iperen: “Zoals Eberhard Rebling (of Lin Jaldati) vertelt in het boek…” Dat mag haar literaire stijl zijn, maar dan moet je je toch elders in je boek uitvoerig verantwoorden over het gebruik van zo’n bepalende bron. Met geen woord.’ Om maar even binnen het thema te blijven: je kunt van Adolf Hitler zeggen wat je wilt, maar hij schreef Mein Kampf in elk geval helemaal zelf. 

Van Iperen mag in diezelfde Argus van 24 november 2021 reageren: ‘De aannames en interpretaties die Hendriks loslaat op mijn gekozen narratief of onderzoekswijzen staan haar volkomen vrij, maar leg ik naast me neer.’ Om nog maar eens binnen het thema te blijven: had Adolf Eichmann vrijuit willen gaan, dan had hij de aanklachten tegen zijn persoon ‘interpretaties’ moeten noemen en ze vervolgens ‘naast zich neer’ moeten leggen. 

Want vrijuit ís Roxane van Iperen gegaan. ’T Hooge Nest werd onder de titel The Sisters of Auschwitz een internationale bestseller en belandde zelfs op de prestigieuze eindejaarslijst ‘best books picked by our acclaimed guest authors’ van The Guardian. De acclaimed guest author in kwestie was Rutger Bregman, maar toch.

Na zo’n enorm succes is het logisch dat je het als auteur even niet meer weet, dat je last krijgt van een writer’s block. Gelukkig is Roxane van Iperen heel goed in boeken afleveren die ze zelf niet geschreven heeft. Enter Brieven aan ’t Hooge Nest, waarin ze de fanmail aan haar eigen adres bundelt. ‘Sommige brieven in het nieuwe boek van Roxane van Iperen wil je meer dan één keer lezen,’ klinkt de recensie in NRC. Als dit ‘het nieuwe boek van Roxane van Iperen’ is, dan ben ik de nieuwe werknemer van de Belastingdienst. Een doordenkertje misschien, maar hij klopt wel. 

De moraal van dit verhaal? Dat je op je hoede moet zijn als een voormalig advocaat ineens begint te verkondigen dat genocide erg is. We kunnen alleen maar hopen dat Van Iperen haar royalties niet gebruikt om het Achterhuis te kopen. 

AG

Deze week geen pakkende openingszin of leuke inhaker – ik kom meteen terzake. Toen afgelopen week bekendgemaakt werd dat Raoul de Jong het boekenweekessay gaat schrijven, reageerde hij als volgt: ‘Ik moest huilen toen ik hoorde dat ik het volgende boekenweekessay mag schrijven, met snottebellen en geluid. Het is niet elke dag dat iemand zoals ik, een half Groningse, half Surinaamse, dansende schrijver, zo’n enorme eer ten deel valt. Sterker nog: ik ben de eerste boekenweekauteur met Surinaamse roots.’ 

Dat klinkt zo al belachelijk, maar u heeft nog geluk dat Propria Cures geen podcast is. Raoul de Jong praat namelijk alsof hij het Barlaeus heeft ingeslikt. Hij spreekt het woord ‘Surinaams’ uit niet alsof het over zijn afkomst gaat, maar over zijn favoriete filter op Thuisbezorgd. Als het klopt dat zijn voorouders uit Suriname komen, dan zullen ze vooral aan de geselende kant van de zweep hebben gestaan. Om het maar even aforistisch te zeggen: Raoul de Jong is de eerste zwarte man die aan blackface doet.

Of zoals zijn website het verwoordt: ‘Raoul de Jong (Rotterdam, 1984) reisde op zijn negentiende vier maanden door West-Afrika, overleefde vier maanden New York met vijftig dollar op zak en wandelde van Rotterdam naar Marseille uit naam van zijn hond Puck.’ Zelfs het mínst geprivilegieerde element in deze opsomming blijkt na doorvragen van een Parool-interviewer een geval van high-end house-sitting. ‘Op mijn 21ste vertrok ik met niet meer dan vijftig dollar naar New York. Ik mailde iedereen in Nederland: kennen jullie iemand die me hier kan helpen? Ik werd gekoppeld aan twee literair agenten, een koppel dat een logeerkamer overhad. Als tegenprestatie verzorgde ik overdag hun Yorkshireterriër.’ 

Vier maanden Manhattan om af en toe een hond uit te laten is voor normale mensen als u en ik bepaald geen straf – en al helemaal niet voor Raoul de Jong. Raoul was namelijk het joch dat vroeger op het schoolplein van elke tijdsspanne het equivalent ‘in hondenjaren’ moest berekenen. En waar ik vroeger zei bedoelde ik nu. Toen zijn eigen hond overleed wilde hij haar eigenlijk op Zorgvlied begraven. Het werd toch de achtertuin. ‘Mijn moeder kwam voor de afscheidsdienst terug uit Frankrijk. Ik deed mijn mooiste pak aan en hield een toespraak. Daarin beloofde ik Puck in mijn eentje te blijven doen wat we altijd samen deden. We reisden veel bijvoorbeeld. […] Zo zijn we in Parijs, Napels, Milaan en Rome geweest.’ Geloof me, ik wil niets liever dan dit citaat beëindigen, maar omwille van de samenhang moeten we toch nog even door: ‘Niet lang na Pucks dood hoorde ik in een droom een zinnetje: “Jij moet deze zomer naar Marseille gaan lopen.” Een week later heb ik de deur in Rotterdam achter me dicht getrokken en ben vertrokken, met Puck in gedachten.’

In plaats van zijn hechtingsstoornis aan een Oud-Zuid-therapeut voor te leggen ging Raoul duizend kilometer lopen. En alsof dat niet genoeg was, schreef hij er ook nog eens een boek over: De grootsheid van het al. Ondertitel: Een hedendaagse odyssee, want een wandeltocht ter nagedachtenis van je huisdier is vergelijkbaar met tien jaar lang op zee dwalen, een cycloop verblinden en bij thuiskomst allemaal troonpretendenten vermoorden, waarmee ik niet wil zeggen dat dat tweede beter is, maar wel een stuk minder gênant. Over gênant gesproken: De grootsheid van het al begint met een vijftal ‘STATUTEN VAN DE GEHEIME ORDE VAN PUCK’. Wie er dan nog in slaagt verder te lezen komt erachter dat Raoul de Jong ook voor deze reis op het familiekapitaal teert. ‘Ik checkte mijn saldo en ontdekte dat mijn opa zomaar, zonder reden, geld had gestort.’ Daarmee waren alle hotelovernachtingen op de route bekostigd, maar nog niet zijn regenjas en routekaart. ‘Ik belde de ANWB en The Northface en vroeg of zij me wilden sponsoren. Dat wilden ze.’ 

In het werk van Raoul de Jong zijn twee grote thema’s te ontwaren: infantiliteit en Suriname. En reizen op andermans kosten natuurlijk, al is dat wellicht eerder een motief. Hoe het ook zij, in zijn doorbraakroman Jaguarman, genomineerd voor Libris Literatuur Prijs en de European Union Prize for Literature, komt het allemaal samen. Ditmaal begint de ellende zelfs al in het colofon: ‘Dit boek werd mede mogelijk gemaakt door de Geheime Orde van Puck.’ In Jaguarman vertrekt Raoul de Jong naar Suriname om op zoek te gaan naar ‘een medicijnman die zichzelf kon transformeren in een jaguar’. Ergens weet Raoul zelf ook wel dat hij voor dit soort sprookjes te oud is, maar dat rechtvaardigt hij door, ja, door wat eigenlijk? ‘Ik weet niet of mensen in jaguars kunnen veranderen, maar ik weet wel dat de mensen die daar in geloofden ervoor zorgden dat het regenwoud, dat wij als mensen letterlijk nodig hebben voor ons voortbestaan, er vandaag de dag nog is, juist doordat ze in dit soort verhalen geloofden.’ Stap anders nog eens op het vliegtuig naar Paramaribo, Raoul. 

Het boekenweekessay is voor Raoul de Jong ook een kans om Jaguarman nog eens aan de man te brengen. Aan de witte man, vooral. ‘De voorafgaande twee jaar had ik steeds gezocht naar manieren om mensen ervan te overtuigen dat mijn boek Jaguarman niet alleen bedoeld is voor Surinamers, maar voor iederéén, ongeacht huidskleur. […] Ik was er best moe van om steeds te moeten uitleggen dat zo’n onderwerp interessant is voor álle mensen. […] Dankzij het boekenweekessay is het net alsof ik een zwaard in mijn hand heb gekregen en een kroon op mijn hoofd.’ En waar gaat het boekenweekessay van Raoul de Jong over? ‘Het is een avonturenverhaal. In een droom kreeg ik te horen dat ik moest gaan zeilen. Die droom heb ik serieus genomen: ik ben naar de Caraïben gevlogen en op een schip gestapt.’ Misschien kunnen de stemmen in zijn dromen hem voor de verandering eens vertellen wat een essay is. En, als ze dan toch bezig zijn, waarom niet iedereen zijn boeken leest. Ongeacht huidskleur.

AG

Men zegt weleens dat kinderen het meest kritische publiek zijn. Eigenlijk zijn het vooral kinderboekenschrijvers die dat zeggen. Guus Kuijer bijvoorbeeld, toen hij genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs: ‘Kinderboeken schrijven is moeilijk, dus toen ik 65 werd dacht ik: nu ga ik voor grote mensen schrijven.’ En een jaar eerder, op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Voor mijn gemak sta ik mezelf toe voor u te schrijven.’ En een aantal jaren later, wederom op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Ik gun mezelf het gemak voor u te schrijven.’ Is hier sprake van vergevorderde dementie of van een uitzonderlijk goed geheugen? 

Wat Guus Kuijer in elk geval verzwijgt, is dat hij al eens ‘voor grote mensen’ heeft geschreven. Begin jaren zeventig publiceerde hij twee verhalenbundels en een roman. Pas daarna is Guus Kuijer kinderboeken gaan schrijven. Kennelijk waren de recensies hem nog niet kritisch genoeg, ook niet toen bijna-naamgenoot Guus Luijters in Het Parool schreef dat zijn debuut, dat van Guus Kuijer dus, ‘bijzonder weinig hoop voor de toekomst geeft. Het is een boek om zo weer te vergeten en dat lukt moeiteloos.’ Zijn tweede boek had volgens Ad Zuiderent in Trouw ‘te weinig om het lijf’ en zijn derde grotemensenboek werd niet meer gerecenseerd. Kinderboekenschrijvers zijn eigenlijk altijd mislukte schrijvers. 

Zijn comeback als grotemensenschrijver, veertig jaar later, pakte Guus Kuijer handiger aan. Hij nam het bestverkochte boek aller tijden en zette er ‘voor ongelovigen’ achter. Athenaeum – Polak & Van Gennep wilde het wel uitgeven, in zes delen à € 22,99 per stuk zelfs, en daarna natuurlijk een mooie editie met alle delen ineen. ‘Een originele, literaire onderneming die zijn weerga niet kent,’ schreef Joost de Vries in De Groene Amsterdammer. Volgens mij kent de literaire onderneming van Guus Kuijer wel degelijk een weerga: de Bijbel voor gelovigen. Je zult maar naar je leeglopende kerk op weg zijn, langs een boekhandel komen die op zondag geopend is, en daar De Bijbel voor ongelovigen als absolute bestseller in de vitrine zien liggen. 

En dat is precies waar het Guus Kuijer om te doen is. Als kind heeft hij God bij herhaling om nieuw speelgoed gevraagd, maar zijn gebeden werden nooit verhoord. ‘Ik had het gevoel dat niemand luisterde. Huilen moest ik daarvan.’ Nu neemt Guus Kuijer wraak. ‘Ik zie de Bijbel als een waardevol erfstuk, de basis van onze cultuur. Ik begrijp dat mensen vroeger geloofden in hogere machten, de wetenschap was immers nog niet vergevorderd,’ bijt hij een journalist van het Nederlands Dagblad (‘Christelijk betrokken’) toe. Guus Kuijer weet het zeker: de Hof van Eden was een goed onderhouden tuin op het zuiden, de Zondvloed een klimaatramp, de Tien plagen tien klimaatrampen, Mozes een omhooggevallen badmeester en God bestaat niet.

Gaat Guus Kuijer ook het Nieuwe Testament navertellen, hoort Guus Kuijer u denken. ‘Sommige mensen denken dat ik ook nog het Nieuwe Testament ga navertellen. Ik denk van niet, want ik heb nogal een afkeer van een God die zijn zoon laat doodmartelen aan een kruis en die dat ziet als een daad van liefde voor de mensheid,’ schrijft hij in de Volkskrant. Maar God bestond toch niet? Waarom is die God van het Nieuwe Testament dan ineens zo’n probleem? Guus Kuijers Genesis, waarin God dus door Adam wordt bedacht, biedt uitsluitsel. Daar staat namelijk: ‘Het begon met een woord. Het was een woord dat zomaar in mijn hoofd opkwam en nergens bij hoorde. En dat woord was: God.’ In de eerste zinnen van zijn hervertelling plagieert Guus Kuijer al een andere hervertelling: die van de evangelist Johannes, uit het gedeelte van de Bijbel dat hij niet gaat navertellen. 

Dit alles valt in het niet bij de tweets van Guus Kuijer. 11 juli 2022: ‘Ik heb mijn leven lang mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 10 april 2021: ‘Als je kinderboeken hebt geschreven word je gelukkig niet gezien als “een belangrijke schrijver’’. Daar ben ik wel blij om.’ 24 maart 2021: ‘Ik heb mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 11 oktober 2020: ‘En God sprak: “Ik ga niet naar de kerk. Ik kijk wel uit. Zelfs niet in Staphorst. Ik lees De Bijbel voor ongelovigen van Guus Kuijer, want dat boek is een avontuur.”’ 

Hier is geen sprake van vergevorderde dementie en ook niet van een uitzonderlijk goed geheugen, maar van een vergevorderd en uitzonderlijk minderwaardigheidscomplex.

AG

Archief