We moeten het hebben over journalisten. Niet over hun verstreken of juist ongestreken overhemden en egomanie, of dat ze de hele werkdag staren naar het scherm met de live leescijfers van hun artikel in de kantine, nee, we pakken het probleem bij de atoomkern aan: hun taalgebruik. Ze kunnen niet spellen, gebruiken krukkige anglicismen en noemen alles, maar dan ook echt alles ‘kraakhelder’. Zowel de soep in het restaurant als de taal in de nieuwe roman of de muziek van een opera kraken van helderheid. Het is doortrapt: de lezer weet niet wat het betekent zonder dat de lezer het gevoel heeft dat hij niet weet wat het betekent. Als een currymaaltijd gemaakt met van die zerocalorierijst: achteraf zit je vol, maar energie om de trap op te lopen heb je niet. De allergrootste gelatinerijstkorrel in deze categorie, ik krijg er nu ook weer spontaan kippenvel van, is, mijn hemel, gaan deze woorden nu echt uit mijn pen komen, de volgende: ‘wat het betekent om’.
Zo geeft een schrijver volgens NRC weer ‘wat het betekent om als kind op te groeien met een rokkenjager’, en maakt een roman ‘aangrijpend invoelbaar wat het betekent om als vluchteling afgesneden te zijn van het land dat je lief is en ergens anders een nieuw leven op te bouwen’. Ja, je kunt kind zijn, opgroeien met een rokkenjager, of vluchteling zijn, afgesneden van het land dat je lief is, ergens anders een nieuw leven opbouwen, allemaal waarneembare bezigheden. Maar wat het betekent? Niets. Althans, niets meer dan wat het betekent om op dinsdag een boterham te eten.
Maar het wordt nog erger wanneer de zinsnede na een vorm van ‘onderzoeken’ staat. Een kop in NRC: ‘“After Us” is een spannende en wonderschone exploratie van wat het betekent om wél te bestaan’. Ik heb het even uitgezocht, maar ‘After Us’ is gewoon een theaterstuk voor mensen, en niet voor aliens die mogelijk niet weten hoe het is om te bestaan. Of neem de Filmkrant: ‘Passing (…) onderzoekt wat het betekent om als zwart persoon door het leven te gaan als wit.’ Prima, een filmmaker zou nog iets kunnen onderzoeken, maar een film niet. Een film is eventueel het resultaat van onderzoek, een film gaat gewoon ergens over. In dit geval over een omgekeerde chocoladezoen.
Maar het meest pedant is de constructie nog wel in combinatie met mens: ‘Ik denk dat geschiedenis ons vooral kan laten zien wat het betekent om mens te zijn’, stond laatst in NRC. De geschiedenis kan ons veel leren, maar juist niet wat het betekent om mens te zijn. Mensen uit de geschiedenis zijn namelijk niet. Je als levend mens tot de dode mens keren om te vragen wat het is om mens te zijn is als Abdelkader Benali die aan A.F.Th. van der Heijden vraagt hoe het is om (wat het betekent om) een lage rusthartslag te hebben. In de Volkskrant gaat het zelfs over een ‘zoektocht naar de vraag wat het betekent om mens te zijn’. Een zoektocht naar een vraag is al absurd natuurlijk: als je je vraag kwijtraakt zal die niet zo belangrijk zijn geweest en hoef je daar geen zoektocht voor op touw te zetten. En dat blijkt, want die vraag is dus wat het betekent om mens te zijn. Als dat je vraag is raad ik je aan een dozijn Gillette-scheermesjes in te slikken en te stoppen met mens zijn, dan hoef je je ook niet meer af te vragen wat dat precies betekent.
Nu denken jullie natuurlijk, heremijntijd, wat een mierenverkrachtend geneuzel van die OM. En daar hebben jullie helemaal gelijk in. Het gaat er niet om wat er niet staat in zo’n zin, het gaat erom wat er wel staat: namelijk niets. En dat is irritant. Journalisten zijn er om ons iets uit te leggen. In klinkklare kraakheldere taal. En als ze dat niet kunnen, moeten ze nog even goed bij zichzelf nagaan wat het betekent om journalist te zijn.
OM
Van de romantische liefde ben ik altijd groot voorstander geweest. Zoete woorden, doosjes chocolade, en geslachtsgemeenschap: wat mij betreft is het allemaal prachtig. Ook prachtig als het tussen twee mannen plaatsvindt, want precies die mogelijkheid is de zoetste appel aan onze Joods-Christelijke beschavingsboom, als je het mij vraagt. Wat ik het leukste van allemaal vind, is de liefdespoëzie. Hoe mooier de liefdespoëzie is, hoe leuker ik het vind.
Een voorbeeld. Valentijnsdag j.l. verscheen er op mijn Instagram-tijdlijn een gedicht met de reuze-intrigerende titel ‘je bent zacht’. Een liefhebber van de liefdespoëzie als ik weet bij zo’n titel direct: we hebben beet. Dat wordt poëzie over de liefde, en dus: genieten.
Voordat we met z’n allen lekker van de versjes gaan smullen, voel ik de noodzaak om enkele woorden aan een auteursprofiel te wijden. Dara Bazelet is iemand die ik al lange tijd met belangstelling volg. Toen ik een jaar of zestien was, ontmoette ik Dara op een debattoernooi. Ik voelde direct: die gaat later aan de liefdespoëzie. Hoe ik dat wist? Ze had een zekere glazigheid van blik en luiheid van spreken, die ik beide herkende van een meisje uit mijn basisschoolklas waarvan later bleek dat ze door haar vader bewerkt werd met een kalfslederen aktetas. Maar Dara kwam uit Amsterdam-Zuid, en ook als zestienjarige kende ik de CBS-statistieken over de buurtgebondenheid van huiselijk geweld donders goed. Ik besefte: die wordt niet geslagen, die is mentaal met andere zaken bezig, waarschijnlijk gewichtige zaken, zoals de liefdespoëzie.
In de daaropvolgende jaren werd mijn intuïtie steeds bevestigd. Ik was Dara namelijk op Instagram gaan volgen (@daraa.m), en daar werden de dingen met de dag literairder. De skinny jeans werden ingeruild voor een hele vieze rok. De sjaaltjes werden dunner – de glimlach dubbelzinniger. Er verschenen steeds vaker opschrijfboekjes in beeld. Dinerkaarsen in wijnflessen. Sigaretten. Bontmutsen. Andere meisjes met hele vieze rokken. Toen Dara in een stuk of vijf stories trots meldde dat ze aangenomen was bij de cursus Writing for performance van de HKU wist ik dat het menens was, en dat de liefdespoëzie niet lang meer op zich zou laten wachten.
Maar er waren omwegen. Dara schreef, als onderdeel van die HBO-opleiding, een theatervoorstelling over hoe zielig Israëliërs waren. Voor een periode van enkele maanden richtte ze haar havo-pijlen zelfs op de mailbox van dit studentenblad (“acteurs in de porno-industrie die beter behandelt worden”; “zouden mensen het echt boeien” – het vak Dutch grammar for performance writers werd toen nog niet aangeboden). Ze begon een Substack met de kernachtige titel ‘Dara Bazelet’, waarop ze vermeldde dat ‘I felt like an old man from a desolate forest. I have often felt like one. This old man is part of me in a way.’. Dat desolate woud werd vooral bevolkt door de karkassen van de grammaticaregels die Dara met iedere nieuwe taaluiting doodverkrachtte. Maar ik behield mijn hoop – ik zat in de wedstrijd voor de liefdespoëzie.
En op 14 februari j.l. was ie-er eindelijk. ‘je bent zacht’ – we hadden het er net al even over. als mijn woorden het je niet / kunnen zeggen / hoop ik dat mijn lichaam dat kan. Hier vinden we direct een wereldpoëticale noviteit: iets niet kunnen zeggen in een gedicht. In de meeste gedichten vinden ze het juist heel makkelijk om betekenis over te dragen, maar dat is hier dus niet zo. Want het lukt niet met de woorden. Daarom zegt Dara: ik wil die liefde anders overdragen, namelijk op een of andere fysieke, misschien wel erotisch beladen manier – maar wat voor? In ieder geval belooft het veel.
mijn handen zeggen / je lach is breed / je hand is breed / je rug is breed / je liefde ook. Dit is een doordenkertje. Het is een lekkere vent, waar onze Dara mee te maken heeft. En dat zeggen haar handen. Normaal best moeilijk, voor handen om te praten. Maar gelukkig mag dat, in de poëzie. Waarschijnlijk wordt hier iets schunnigs mee geïmpliceerd. Hoeven wij niet aan mee te doen. Kan wel. De ‘breedheid’ van een lach, een rug en de liefde lijken een non-fysieke semantische basis te hebben. De perfide Amerikanen zouden dit een ‘gemixt metafoor’ noemen, maar we moeten hierbij bedenken, ons meisje heeft op de HKU vast veel Mallarmé gelezen (neem ik aan), ze is duidelijk een heel autonoom HBO-taalsysteem voor haar eigen aan het bouwen.
Maar neem dan de volgende regels. mijn vingers wandelen / over je billen als bokkenpoten / over heuvels. Dit is dus erotisch. Maar laten we ons even richten op die bokkenpoten. Een bok is een mannelijke geit. Mijn vingers wandelen over je billen als mannelijke geitenpoten. Ik, de geit, wandel over je billen, alsof het heuvels waren. Ik vertrap je nederheuvels met mijn poten. Ik zet mijn hak in je kruis. Geil, Dara.
Enfin. De liefdespoëzie is een nobel, maar wellicht voor HBO’ers onbereikbaar doel. Misschien hebben ze meer te halen bij, ik zeg maar wat, de Michiel Lieuwma-podcast. Kunnen ze daar de boel duiden. Geld verdienen. Dan hebben ze gelijk de tijd om zich te verdiepen in Hugh Kenner. Yeats. Het concept ‘metrum’. Dara, mop, doe in het vervolg iets beter je best.
MAJM
Een Wallace-themanummer? De WhatsApp-groep van de redactie ontploft: ‘gonna be huge’, zegt de een, ‘can’t say it’, zegt de ander, ‘big’, zegt de volgende, ‘been saying’, zegt de een weer, ‘let’s get it said’, zegt de tweede. Tja, kan, denk ik, maar waarom? Ik heb dat kleimannetje nooit iets literair-satirisch horen zeggen. Altijd dat gepicknick op de kaasmaan, maar ondertussen mislukken al zijn uitvindingen. Gromit, die is een stuk slimmer, daar zouden we het eens over moeten hebben, dat zien die lui dan weer niet in. Maar goed, ik heb ooit een toespraak gelezen van hoe-heet-die-gast-ook-alweer, over een saai leven hebben en je dan moeten inleven in je domme medemens omdat je eigen leven dan leuker wordt ofzoiets. Iets met vissen en actief besluiten niet iedereen een idioot te vinden. ‘Dit is water’, zeg ik daarom acht keer tegen mezelf, en ik app terug: ‘leuk idee, jongens!’
Een vlaag van ellendigheid overvalt me vrijwel direct: moeten schrijven over een wipgeneuste kaasvreter is niet wat ik me had voorgesteld van mijn redacteurschap. Waar begin je, met zo’n figuur? Ik besluit me in hem in te leven en een cracker met Yorkshire Wensleydale te eten bij de thee vanmiddag. Maar in de supermarkt blijken alle blokken kaas er zweterig uit te zien. ‘Sorry, we krijgen de koeling niet meer aan de praat’, zegt een medewerker die me de vochtige Wensleydales ziet inspecteren. Dat zo’n inteeltjosti aan een contract komt. Hoe moeilijk is het om een stuk kaas koud te houden terwijl het buiten vriest? Maar die bezwete kazen doen me wel ergens aan denken: het voorhoofd van die schrijver waar al die deugjongens zo weg van zijn. Walter Falcon uit Dallas was het, volgens mij.
Met in mijn handen een pak crackers en een netje Babybellen, knappe jongen die een Babybel weet te bederven, sluit ik me achter aan de rij. Voor me staat een Amerikaans stel, een man met een hoofd als een beitel en een vrouw die eruitziet als een emmer. Zo traag als een slak met een verdraaide meniscus laden ze hun boodschappen op de lopende band. In de gaten die tussen de producten ontstaan zou ik al mijn aankopen kwijt kunnen. Een eerste neiging het stel onder de oksels te kietelen houd ik in bedwang. Een tweede neiging ook. ‘Dit. Is. Wa. Ter.’ Ik bijt op mijn wangen en proef bloed. Ben ik een goed mens? Nog wel. Houd dit vast. Wil ik wel een goed mens zijn? Als dit is wat ervoor nodig is, twijfelachtig.
Dan ben ik eindelijk aan de beurt. De cassière steekt haar Baker-Miller-roze nepnagels in een van de waxkaasjes. ‘Latisha’, roept ze door de voordeelsupermarkt met een stem die de absolute stem van de dood is, ‘hoe duur is… dit?’ Ze houdt het netje als een trofee omhoog en kauwt in afwachting van Latisha’s respons met open mond op een stuk gom. Ik moet denken aan een studie die aantoonde dat er meer poepbacteriën onder acrylnagels blijven zitten dan onder natuurlijke nagels. De geperforeerde huid van de Babybel zal geen weerstand bieden tegen de eencellige E. Coli’s, die zich vervolgens, al smullend van de witte kaas, elke twintig minuten in aantal verdubbelen. Kon ik me elke twintig minuten maar in aantal verdubbelen, sabbelend op maagdelijk zachte kaas, en ondertussen iedereen uitroeien. Dan zou de wereld een betere plek zijn. Maar het is water. Ik kies ervoor het betekenisvolle, het mystieke van de situatie inzien, de Vomar is als moeder aarde, Latisha is Maria, water, het is water, ook kankercellen hebben water nodig.
Buiten houdt een meisje met een iPad in haar hand me tegen. ‘Hoi, heeft u even de tijd voor de kindertjes met honger in Zuid-Soedan?’ Haar frivoliteit is ongepast, ze weet het, maar nee zeggen is nog veel ongepaster, dat weet ze ook. Met die ene vraag sluit ze me op in een kooi en gooit ze het sleuteltje weg. Al snel laat ze zakjes superpindakaas zien om uitgemergelde kinderen mee aan de praat te krijgen. Ik rochel iets op en laat het in mijn mond heen en weer gaan. ‘Met drie keertjes vijftien euro kunt u twee hele kinderen helpen’, zegt ze. Ik wil het meisje vragen of kinderen met honger wel zo heel zijn en of ik niet een gehalveerd tarief kan betalen voor een zwaar ontvleesd kind. ‘Ik zoek vandaag tien mensen die mij willen helpen en ik heb er al negen gevonden!’ Mijn wangzakken zuig ik naar binnen om zoveel mogelijk speeksel bij de rochel te voegen. ‘Kan ik uw naam erbij zetten?’ Ik open mijn lippen en breng mijn tong op spanning om de rochel met grote kracht naar buiten te stuwen. Maar dan denk ik toch weer: dit is water dit is water dit is water en slik ik de rochel door. Geniaal eigenlijk, die godverdegodver-hoe-heet-die-nou, kunnen we daar geen themanummer over maken?
OM
Dit is water, David Foster Wallace.
Koppernik, €15
Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.
De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal.
De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan.
Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt.
Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.
WF
Over wijlen mijn schoonvader Dick, die vrijwel zijn hele leven in de Hanzestad Kampen doorbracht, en die ik daar regelmatig bezocht, is veel te vertellen. Dat ga ik hier niet doen, maar ik onthul hier een van zijn verzotheden: hij was niet vies van een moppie leverworst. Hij had daar een favoriete slager voor, nee, niet de Slagerij van Kampen, want dat is natuurlijk de slagwerkerspopgroep, maar een lokale vleeshouwer. Hij had er ook een speciale benaming voor: kulle. Ik had er nog nooit van gehoord, het zou wel plaatselijk dialect zijn, maar begreep uit de context van zijn bestellingen dat het om aantrekkelijk gekruide leverworst ging. Een delicatesse. En intuïtief vond ik het wel een passend woord voor deze lekkernij. Ik hield er ook van, maar lekkerder vind ik bij buien zure leverworst.
Als woordenfreak ging in op onderzoek uit en raadpleegde woordenboeken, encyclopedieën, kookboeken, dialectkrochten. Het woord kulle schijnt uit het latijn te komen, waar culleus een (leren) zak is om vloeistoffen in te bewaren. Vandaar vliegt de betekenis alle kanten uit. In de middeleeuwen wordt de teelbal ermee aangeduid, het scrotum, ook al een zakje waar vocht in kan worden opgeslagen, en al gauw ook de penis. Zo zegt men in Leeuwarden: ‘Dou lulst net so feul as dien kulle lang is’, oftewel: je bent nogal zwijgzaam. En in de Betuwe gaat een rijmpje rond: ‘’Door die scheur daar trekt zijn hele kulleke deur.’ Maar waar is de leverworst?
Voor de adel en de hogere burgerij ontstond in de middeleeuwen een mode met een vooruitstekende zak voor het mannelijk orgaan, waarin niet alleen dat apparaat werd opgeborgen, maar ook allerhande spulletje zoals de zakdoek, geld, etenswaren: de kulzak. Die zette het mannelijk lid viriel en geprononceerd op de pronk; in onze tijd verstoppen we het geval liefst schaamtevol achter een onzichtbare gulp. Deze opbergfunctie van zulke braguettes is overgenomen door de broekzakken. Verwant is de cul- de- sac, de bodem van een zak, en vandaar de doodlopende steeg. Een ‘flauwe kul’ was in 1500 niet om over naar huis te schrijven: er zat weinig of niets in, geen geld, geen imposant lid, geen producerende kloot. Maar waar is toch de leverworst?
Ik denk dat flauwekul uiteindelijk samenvalt met kul: leeg gezwets,nonsens, quatsch, onzin, gekkepraat, zotteklap, gebeuzel, bolderdash nincompoop en ook in het Engels: balls (daar heb je ze weer), gekloot enzovoort. En er is ook nog een betekenisaftakking naar plagerij, pesten, jennen en voor de gek houden: kullen. Maar waar blijft verdickeme de leverworst?
Die duikt opeens in Amsterdam op. Meyer Sluyser, de chroniqueur van het vooroorlogse Amsterdamse Jodenleven spreekt voor de VARA in 1950 (‘ Hier is de VARA, 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep’). Hij verhaalt: ‘Prompt elke zondagmorgen omstreeks een uur of tien placht de koopman met een kar volgeladen met zure uitjes, leverbeuling in azijn (die Amsterdammers “flauwe kul” noemen) en dergelijke, de steeg door te komen. Geheel in Amsterdamse stijl placht de koopman dan te brullen: “lekkere flauwe kul… hier moet je zijn voor de beste flauwe kul…”’’
Ha, hier hebben we kul in de betekenis van leverworst. De zuurjood kon op zondag zijn waren slijten, want zijn vrije dag, de sabbath, was de zaterdag. Na WOII was het afgelopen. Hoewel de zure leverworst nog wel te krijgen is, meest in glazen bokalen, is de naam uit het lexicon verdwenen. De ENSIE vermeldt in 1950 dat de term voor leverbeuling in azijn vero(uderd) is. Als je naar De Leeuw gaat, de zuurwinkel op de Vrijheidslaan die de Oost-Europese traditie voortzet, en daar vraagt of ze ook flauwekul verkopen, krijg je vragende blikken. Dat woord kennen ze niet, maar ze verkopen wel grote mooie plakken zure leverworst. Geen streetfood, maar om thuis te savoureren. Hoe het bijvoeglijk naamwoord flauw in roulatie is gekomen, is raadselachtig, omdat de zure leverworst nu juist flink gekruid is. Wie het weet mag het zeggen. Hoe dan ook, het woord is verdwenen, ook uit recente boeken en artikelen over de joodse inleggerij en tentoonstellingen over het Joodse leven, zoals momenteel in de Nieuwe Kerk. Schrijvers over de Joodse keuken die ik consulteerde weten er ook geen raad mee. Wel vond ik nog op internet een instructief artikel over de flauwe kul (voor liefhebbers: op 1 april 2025 geschreven door Ubel Zuiderveld, Ubelski.nl). Daar vermeldt de schrijver dat ook hij bij De Leeuw is langsgeweest, met hetzelfde resultaat. Dit lexicale onderdeel van de traditie is dus verzonken, als het niet weer tot leven gewekt wordt. Mijn schoonvader Dick heeft de term in elk geval aan mij overgeleverd. Hij kende het nog. Mogelijk doorgegeven via zijn grootvader, die er een slagerij op na had gehouden.
De zuurwinkel van De Leeuw staat op honderd meter van de zijstraat van de Vrijheidslaan- die toen nog Amstellaan heette- , waar ik ben opgegroeid. Thuis werd ik regelmatig door mijn moeder, broer en zus uitgemaakt voor ‘beledigde leverworst’. Ik was namelijk heel snel gepikeerd, beledigd om kleinigheden, kon weinig kritiek velen. Die lichtgeraaktheid is hoop ik allengs wat gesleten. Maar waar kwam die term nu weer vandaan? Dat was niet zo moeilijk. Mijn moeder kwam uit Duitsland en die heeft de ‘beleidigte Leberwurst’ meegenomen. Dat is een gewone Duitse uitdrukking voor snel aangebrande types, die ‘sauer’ doen als ze kritiek krijgen. Oorspronkelijk schijnt de uitdrukking te maken te hebben met de lever als zetel van de emoties. Mijn fascinatie voor de leverworst, al dan niet in het zuur, komt misschien wel uit die vroege periode. Ik ben er zelf een. Of is dat flauwekul?
D’O