Een Wallace-themanummer? De WhatsApp-groep van de redactie ontploft: ‘gonna be huge’, zegt de een, ‘can’t say it’, zegt de ander, ‘big’, zegt de volgende, ‘been saying’, zegt de een weer, ‘let’s get it said’, zegt de tweede. Tja, kan, denk ik, maar waarom? Ik heb dat kleimannetje nooit iets literair-satirisch horen zeggen. Altijd dat gepicknick op de kaasmaan, maar ondertussen mislukken al zijn uitvindingen. Gromit, die is een stuk slimmer, daar zouden we het eens over moeten hebben, dat zien die lui dan weer niet in. Maar goed, ik heb ooit een toespraak gelezen van hoe-heet-die-gast-ook-alweer, over een saai leven hebben en je dan moeten inleven in je domme medemens omdat je eigen leven dan leuker wordt ofzoiets. Iets met vissen en actief besluiten niet iedereen een idioot te vinden. ‘Dit is water’, zeg ik daarom acht keer tegen mezelf, en ik app terug: ‘leuk idee, jongens!’ 

Een vlaag van ellendigheid overvalt me vrijwel direct: moeten schrijven over een wipgeneuste kaasvreter is niet wat ik me had voorgesteld van mijn redacteurschap. Waar begin je, met zo’n figuur? Ik besluit me in hem in te leven en een cracker met Yorkshire Wensleydale te eten bij de thee vanmiddag. Maar in de supermarkt blijken alle blokken kaas er zweterig uit te zien. ‘Sorry, we krijgen de koeling niet meer aan de praat’, zegt een medewerker die me de vochtige Wensleydales ziet inspecteren. Dat zo’n inteeltjosti aan een contract komt. Hoe moeilijk is het om een stuk kaas koud te houden terwijl het buiten vriest? Maar die bezwete kazen doen me wel ergens aan denken: het voorhoofd van die schrijver waar al die deugjongens zo weg van zijn. Walter Falcon uit Dallas was het, volgens mij.

Met in mijn handen een pak crackers en een netje Babybellen, knappe jongen die een Babybel weet te bederven, sluit ik me achter aan de rij. Voor me staat een Amerikaans stel, een man met een hoofd als een beitel en een vrouw die eruitziet als een emmer. Zo traag als een slak met een verdraaide meniscus laden ze hun boodschappen op de lopende band. In de gaten die tussen de producten ontstaan zou ik al mijn aankopen kwijt kunnen. Een eerste neiging het stel onder de oksels te kietelen houd ik in bedwang. Een tweede neiging ook. ‘Dit. Is. Wa. Ter.’ Ik bijt op mijn wangen en proef bloed. Ben ik een goed mens? Nog wel. Houd dit vast. Wil ik wel een goed mens zijn? Als dit is wat ervoor nodig is, twijfelachtig.

Dan ben ik eindelijk aan de beurt. De cassière steekt haar Baker-Miller-roze nepnagels in een van de waxkaasjes. ‘Latisha’, roept ze door de voordeelsupermarkt met een stem die de absolute stem van de dood is, ‘hoe duur is… dit?’ Ze houdt het netje als een trofee omhoog en kauwt in afwachting van Latisha’s respons met open mond op een stuk gom. Ik moet denken aan een studie die aantoonde dat er meer poepbacteriën onder acrylnagels blijven zitten dan onder natuurlijke nagels. De geperforeerde huid van de Babybel zal geen weerstand bieden tegen de eencellige E. Coli’s, die zich vervolgens, al smullend van de witte kaas, elke twintig minuten in aantal verdubbelen. Kon ik me elke twintig minuten maar in aantal verdubbelen, sabbelend op maagdelijk zachte kaas, en ondertussen iedereen uitroeien. Dan zou de wereld een betere plek zijn. Maar het is water. Ik kies ervoor het betekenisvolle, het mystieke van de situatie inzien, de Vomar is als moeder aarde, Latisha is Maria, water, het is water, ook kankercellen hebben water nodig.

Buiten houdt een meisje met een iPad in haar hand me tegen. ‘Hoi, heeft u even de tijd voor de kindertjes met honger in Zuid-Soedan?’ Haar frivoliteit is ongepast, ze weet het, maar nee zeggen is nog veel ongepaster, dat weet ze ook. Met die ene vraag sluit ze me op in een kooi en gooit ze het sleuteltje weg. Al snel laat ze zakjes superpindakaas zien om uitgemergelde kinderen mee aan de praat te krijgen. Ik rochel iets op en laat het in mijn mond heen en weer gaan. ‘Met drie keertjes vijftien euro kunt u twee hele kinderen helpen’, zegt ze. Ik wil het meisje vragen of kinderen met honger wel zo heel zijn en of ik niet een gehalveerd tarief kan betalen voor een zwaar ontvleesd kind. ‘Ik zoek vandaag tien mensen die mij willen helpen en ik heb er al negen gevonden!’ Mijn wangzakken zuig ik naar binnen om zoveel mogelijk speeksel bij de rochel te voegen. ‘Kan ik uw naam erbij zetten?’ Ik open mijn lippen en breng mijn tong op spanning om de rochel met grote kracht naar buiten te stuwen. Maar dan denk ik toch weer: dit is water dit is water dit is water en slik ik de rochel door. Geniaal eigenlijk, die godverdegodver-hoe-heet-die-nou, kunnen we daar geen themanummer over maken?

OM

Dit is water, David Foster Wallace.
Koppernik, €15

Het was een spannende wedstrijd, een echte nek-aan-nek-race, maar de hoofdprijs voor het domste stuk in het David Foster Wallace-themanummer van De Groene Allerhande kan slechts aan één iemand worden uitgereikt. Christiaan Weijts beweert dat personages uit Wallace’ verhalenbundel Korte gesprekken met afgrijselijke mannen veelal afgrijselijke mannen zijn. Hij deed deze onthutsende bevinding toen hij het boek laatst voor de tweede keer las; na #MeToo en de vierde feministische golf lijkt er bij Weijts eindelijk een basisvaardigheid voor begrijpend lezen te zijn ingedaald. De eerste keer vond hij de gesprekken in het boek ook een beetje kort, maar nu begrijpt hij dat dat de bedoeling is. We kunnen ons gaan voorbereiden op een lezing van Anna Karenina als een roman over het leven van een vrouw die Anna Karenina heet.

De nieuwe, verbeterde Christiaan Weijts herkent in de personages die Wallace opvoert opeens ‘stereotiepe mannen − vrouwenversierders, vrouwenhaters, egomane betweters’. Een knappe, intersectioneel feministische lezing, zoals we die het liefst zien van een jongen die zelfs in de turboklas van het Stedelijk Gymnasium altijd als laatste werd gekozen bij gym. Wie niet sterk is, moet slim zijn − zo werden kereltjes als hij op school gerustgesteld. De beste omschrijving van het leven van Christiaan Weijts, is als de tot in het neurotische doorgetrokken voltrekking van dat adagium. Met één blik op zijn in kluisjes gevouwen gezicht weet je dat hij nu nog te allen tijde op het schoolplein leeft, schichtig voor ijsbeentjes en okkernootjes. Ook het literaire veld is geen pestvrij lokaal. 

De meeste mensen hoeven Korte gesprekken met afgrijselijke mannen maar één keer te lezen om te weten dat het over problematische mannelijkheid gaat. Sterker nog, ze hoeven daarvoor maar één keer de titel te lezen. Dat Weijts de titel heeft gelezen, en zelfs met aandacht, staat vast, want hij tekent er een commentaar over op: ‘Korte gesprekken met afgrijselijke mannen. Die vertaling is niet helemaal gelukkig, want een groot deel van de bizarre verhalen uit deze bundel zijn toch echt interviews.’ Dat Weijts niet in staat bleek het andere deel van de titel even kritisch te beschouwen, kunnen we dan ook makkelijk opvatten als een bescheiden jeugdzonde van deze vooraanstaande criticus, iets dat we hem in het licht van zijn ontzaglijke bijdrage aan de Nederlandse letterkunde gemakkelijk kunnen vergeven. ‘Wanneer ik het voor het eerst las?’, vraagt hij zichzelf, omdat anders niemand het doet, ‘Nog net vóór #MeToo, ik denk in 2016, toen het eindelijk in het Nederlands verscheen.’ Dat zou aandoenlijk zijn, ware het niet dat Weijts in 2016 niet 16 was, of 26, maar 40, en gepubliceerd auteur. Als je beseft dat zijn analyse van Korte gesprekken met afgrijselijke mannen toen niet verder kwam dan ‘besmuikt lachen’ om deze ‘intellectuele kleedkamerpraat’, kan je zomaar de neiging bekruipen hem ouderwets in elkaar te slaan. 

Toch moeten we niet al te streng zijn voor de 40-jarige Weijts. Dat is hij immers zelf al: ‘Destijds zou ik er alleen instemmend om lachen, maar zeker na Rebecca Solnits Men explain things to me (2008) is het onmogelijk om hier geen rasechte mansplainer aan het woord te horen. Wallace voert een Andrew Tate-achtige figuur op die zijn eigen autoriteit ontmaskert. […] Vanuit onze tijd, en nu ik zelf wat ouder, wijzer en gelukkiger ben, zie ik wat al die mannen delen: angst, onmacht. Ik denk dat ik ze destijds heroïsch had gevonden.’ Nu zijn de meeste mannen op hun 26ste al oud, wijs en gelukkig genoeg om Andrew Tate achter zich te laten, maar dat dat Weijts wat langer kostte mag een klein euvel heten. Hij heeft nu het licht gezien, en daar gaat het om. Sinds zijn Albert Verwey-lezing in 2022 over de woke-samenzwering tegen literatuur, de meest buitensporige edelkitsch die ik heb gelezen sinds de blauwdrukken van het Luxor Hotel in Las Vegas, heeft hij grote stappen gemaakt. 

Laten we bovendien niet vergeten dat Weijts in 2002 druk was met hele andere dingen: hij werd door de rechter veroordeeld voor stalking. Toen zijn vriendin hun relatie verbrak, kon hij dat niet verkroppen. De mensen die dan twijfelen of Weijts wel de juiste persoon is om problematische mannelijkheid in literatuur aan de kaak te stellen, denken wel heel rechtlijnig over de dingen. Hij is juist ervaringsdeskundig: als iemand weet wat verkrachtingscultuur is, is het Christiaan Weijts. De man is beste vrienden met Ad Verbrugge, Rick Honings en Onno Blom. Hij weet dat de mannen in Wallace’ boek afgrijselijk zijn, omdat hij zelf zo afgrijselijk is. Daar begint zijn waarde als criticus, en eindigt die ook.

WF

Over wijlen mijn schoonvader Dick, die vrijwel zijn hele leven in de Hanzestad Kampen doorbracht, en die ik daar regelmatig bezocht, is veel te vertellen. Dat ga ik hier niet doen, maar ik onthul hier een van zijn verzotheden: hij was niet vies van een moppie leverworst. Hij had daar een favoriete slager voor, nee, niet de Slagerij van Kampen, want dat is natuurlijk de slagwerkerspopgroep, maar een lokale vleeshouwer. Hij had er ook een speciale benaming voor: kulle. Ik had er nog nooit van gehoord, het zou wel plaatselijk dialect zijn, maar begreep uit de context van zijn bestellingen dat het om aantrekkelijk gekruide leverworst ging. Een delicatesse. En intuïtief vond ik het wel een passend woord voor deze lekkernij. Ik hield er ook van, maar lekkerder vind ik bij buien zure leverworst.

Als woordenfreak ging in op onderzoek uit en raadpleegde woordenboeken, encyclopedieën, kookboeken, dialectkrochten. Het woord  kulle schijnt uit het latijn te komen, waar culleus een (leren) zak is om vloeistoffen in te bewaren. Vandaar vliegt de betekenis alle kanten uit. In de middeleeuwen  wordt de teelbal ermee aangeduid, het scrotum, ook al een zakje waar vocht in kan worden opgeslagen, en al gauw ook de penis. Zo zegt men in Leeuwarden: ‘Dou lulst net so  feul as dien kulle lang is’, oftewel: je bent nogal zwijgzaam. En in de Betuwe gaat een rijmpje rond: ‘’Door die scheur daar trekt zijn hele kulleke deur.’ Maar waar is de leverworst?

Voor de adel en de hogere burgerij ontstond in de middeleeuwen een mode met een vooruitstekende zak voor het mannelijk orgaan, waarin niet alleen dat apparaat werd opgeborgen, maar ook allerhande spulletje zoals de zakdoek, geld, etenswaren: de kulzak. Die zette het mannelijk lid viriel  en geprononceerd op de pronk; in onze tijd verstoppen we het geval liefst schaamtevol achter een onzichtbare gulp. Deze opbergfunctie van zulke braguettes is overgenomen door de broekzakken. Verwant is de cul- de- sac, de bodem van een zak, en vandaar de doodlopende steeg. Een ‘flauwe kul’ was in 1500 niet om over naar huis te schrijven: er zat weinig of niets in, geen geld, geen imposant lid, geen producerende kloot. Maar waar is toch de leverworst?

Ik denk dat flauwekul uiteindelijk samenvalt met kul: leeg gezwets,nonsens, quatsch, onzin, gekkepraat, zotteklap, gebeuzel, bolderdash  nincompoop en ook in het Engels: balls (daar heb je ze weer), gekloot enzovoort. En er is ook nog een betekenisaftakking naar plagerij, pesten, jennen en voor de gek houden: kullen. Maar waar blijft verdickeme de leverworst?

Die duikt opeens in Amsterdam op. Meyer Sluyser, de chroniqueur van het vooroorlogse Amsterdamse Jodenleven spreekt voor de VARA in 1950 (‘ Hier is de VARA, 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep’). Hij verhaalt: ‘Prompt elke zondagmorgen omstreeks een uur of tien placht de koopman met een kar volgeladen met zure uitjes, leverbeuling in azijn (die Amsterdammers  “flauwe kul” noemen) en dergelijke, de steeg door te komen. Geheel in Amsterdamse stijl placht de koopman dan te brullen: “lekkere flauwe kul… hier moet je zijn voor de beste flauwe kul…”’’

Ha, hier hebben we  kul in de betekenis van leverworst. De zuurjood kon op zondag zijn waren slijten, want zijn vrije dag, de sabbath, was de zaterdag. Na WOII was het afgelopen. Hoewel de zure leverworst nog wel te krijgen is, meest in glazen  bokalen, is de naam uit het lexicon verdwenen. De ENSIE vermeldt in 1950 dat de term voor leverbeuling in azijn vero(uderd) is. Als je naar  De Leeuw gaat, de zuurwinkel op de Vrijheidslaan die de Oost-Europese traditie voortzet, en daar vraagt of ze ook flauwekul verkopen, krijg je vragende blikken. Dat woord kennen ze niet, maar ze verkopen wel grote mooie plakken zure leverworst. Geen streetfood, maar om thuis te savoureren. Hoe  het bijvoeglijk naamwoord flauw in roulatie is gekomen, is raadselachtig, omdat de zure leverworst nu juist flink gekruid is. Wie het weet mag het zeggen. Hoe dan ook, het woord is verdwenen, ook uit recente boeken en artikelen over de joodse inleggerij en tentoonstellingen over het Joodse leven, zoals momenteel in de Nieuwe Kerk. Schrijvers over de Joodse keuken die ik consulteerde weten er ook geen raad mee. Wel vond ik nog op internet een instructief artikel over de flauwe kul (voor liefhebbers: op 1 april 2025 geschreven door Ubel Zuiderveld, Ubelski.nl). Daar vermeldt de schrijver dat ook hij bij De Leeuw is langsgeweest, met hetzelfde resultaat. Dit lexicale onderdeel van de traditie is dus verzonken, als het niet weer tot leven gewekt wordt. Mijn schoonvader Dick heeft de term in elk geval aan mij overgeleverd. Hij kende het nog. Mogelijk doorgegeven via zijn grootvader, die er een slagerij op na had gehouden.

De zuurwinkel van De Leeuw staat op honderd meter van de zijstraat van de Vrijheidslaan- die toen nog Amstellaan heette- , waar ik ben opgegroeid. Thuis werd ik regelmatig door mijn moeder, broer en zus uitgemaakt voor ‘beledigde leverworst’. Ik was namelijk heel snel gepikeerd, beledigd om kleinigheden, kon weinig kritiek velen. Die lichtgeraaktheid is hoop ik allengs wat gesleten. Maar waar kwam die term nu weer vandaan? Dat was niet zo moeilijk. Mijn moeder kwam uit Duitsland en die heeft de ‘beleidigte Leberwurst’ meegenomen. Dat is een gewone Duitse uitdrukking voor snel aangebrande types, die ‘sauer’ doen als ze kritiek krijgen. Oorspronkelijk schijnt de uitdrukking te maken te hebben met de lever als zetel van de emoties. Mijn fascinatie voor de leverworst, al dan niet in het zuur, komt misschien wel uit die vroege periode. Ik ben er zelf een. Of is dat flauwekul?

D’O

Het gaat niet goed met de vrouw. In de Verenigde Staten wordt het recht op abortus ingeperkt, in Iran haalt de zedenpolitie ongesluierde vrouwen van straat, en in Nederland was femicide het kinderwoord van het jaar. Toch is er één vrouw die hier, vergeef mij de seksistisch geladen zegswijze, garen bij spint.

Nienke ’s Gravemade verwierf in het afgelopen jaar landelijke bekendheid door in actie te komen voor de veiligheid van vrouwen – niet mijn woorden, maar die van de NOS-website, waar Nienke ’s Gravemade samen met Zohran Mamdani (nieuwe burgemeester van New York) en Julia Coster (mocht bij het concert van Zara Larsson in de Ziggo Dome op het podium komen dansen) uitgeroepen werd tot aanstormend talent van 2025.

’s Gravemades landelijke doorbraak bestond uit een gedicht naar aanleiding van een moord op een zeventienjarig meisje. Op verzoek van de nabestaanden waren de media terughoudend geweest in hun berichtgeving. Zelfs De Telegraaf had zich beperkt tot de voornaam van het slachtoffer. Maar dat was buiten ’s Gravemade gerekend, die haar fanfiction nog geen dag na de moord op Instagram plaatste.

‘Het rode handtasje. Ik denk nog steeds aan het rode handtasje. Hoe het bungelde aan haar stuur, terwijl ze door de nacht reed. (…) Het tasje aan haar stuur, met portemonnee, een lipglossje en haar huissleutels. Of zaten die bij haar fietssleutels in het slot gestoken? Of tussen haar vingers geklemd? (…) Het maakt niet uit wat er in het rode handtasje zat. Het enige wat uitmaakt is dat het tasje niets kan zeggen, terwijl het tasje alles heeft gezien.’ 

Laten we dat eerst maar eens op esthetisch niveau behandelen. Een tasje dat kennelijk over een goed stel ogen beschikt (‘het tasje heeft alles gezien’) maar geen mond heeft (‘het tasje kan niets zeggen’) – wat moeten we ons daar in hemelsnaam bij voorstellen? En waarom is dat eigenlijk ‘het enige wat uitmaakt’? Is dit poëzie of is erover nagedacht?

Op ethisch niveau is dit natuurlijk minstens zo gestoord. Toch vond half Nederland het prachtig en zag Nienke ’s Gravemade zich genoodzaakt ons andermaal toe te spreken: ‘Mijn afgelopen dagen stonden in het teken van de woorden die ik afgelopen donderdag schreef.’ Haar open brief bestaat uit zeven zinnen waarin de eerste persoon enkelvoud maar liefst elf keer voorkomt (5x ‘ik’, 2x ‘mij’, 4x ‘mijn’) en waarvan de strekking is dat Nienke ’s Gravemade zich distantieert van de initiatieven die naar aanleiding van Nienke ’s Gravemades gedicht zijn opgezet. Nu de instagramvolgers en interviewverzoeken binnenstromen is het zeventienjarige meisje ineens dood en begraven. Bij wijze van spreken dan, want de uitvaart moest nog plaatsvinden.

En daar bleef het niet bij. Ik citeer het juryrapport van de Joke Smit Aanmoedigingsprijs: ‘Nienke ’s Gravemade brengt als actrice, schrijfster en online feministisch activiste met humoristische filmpjes op Instagram giftige mannelijkheid onder de aandacht.’ 

In deze filmpjes reageert ’s Gravemade op vrouwenhaters als Andrew Tate en Nick Fuentes. Het ‘humoristische’ element moeten we vermoedelijk zoeken in het dik aangezette Hollandse accent waarmee ze Engels spreekt. Ook dit is uiteraard volstrekt zinloos – geen enkele puber wordt de manosphere uit getrokken omdat een vrouw van dezelfde leeftijd als zijn moeder zijn idool belachelijk probeert te maken. Preken voor eigen parochie dekt de lading niet, want zo’n pastoor komt in elk geval zijn huis nog uit. 

Bovendien blijkt ’s Gravemade al snel door alle relevante vrouwenhaters heen te zijn. Dus begint ze te putten uit randfiguren met maximaal een paar duizend volgers. Als ’s Gravemade met haar video’s al iets bereikt, dan is het dat ze deze grifters, deze kleinhandelaars in misogynie, precies datgene geeft waarnaar ze op zoek zijn: een podium.    

Carl Jung bedacht ooit het elektracomplex als vrouwelijke tegenhanger van Sigmund Freuds oedipuscomplex. Misschien wil iemand ook eens nadenken over een vrouwelijke tegenhanger van Freuds narcissuscomplex. Ik heb wel een idee.

AG

Het is niet gemakkelijk om een vredesduif te zijn. Wanneer ik dezer dagen met mijn olijftak over de Randstad zweef, de tijd van het jaar dat de vrede welig zou moeten tieren, ben ik voornamelijk geneigd om tegen een pas schoongemaakt raam aan te vliegen. Overal zijn onruststokers. Overal zijn oproerkraaiers. Dit land is nog nooit zo verdeeld geweest. Soms word ik daar gewelddadig van. Soms wil ik alle opiniërende columnisten van NRC de nek omdraaien. Daarom zit ik nu ook in therapie. Ik heb een recept voor 500 gram oxazepam per week en de Heer weet dat ik ieder tablet nodig heb: God, wat mis ik de verzuiling.

Ergens zou het barmhartig zijn. Die nekken omdraaien, bedoel ik. Het gezicht van een opiniërende columnist is een gekweld gezicht; het is het gezicht van Rosanne Hertzberger; diep ongelukkig, vervuld van schaamte maar alsnog arrogant. Het is een uitdrukking die je alleen maar krijgt als je de hele dag in totale afzondering tegendraadse meningen zit te formuleren. Zo gaat dat tegenwoordig. Iedere debiel met een mening krijgt een opiniërende column in de katernen van NRC en iedere debiel met een bijbehorend plan – in het geval van Rosanne Hertzberger – komt op een kieslijst terecht, vaak van een partij die direct na de verkiezingen weer in elkaar stort. En het land? Waar blijft het land bij deze ontwikkeling? Onbestuurbaar. Alleen Mai Spijkers spint garen bij deze bedroevende gang van zaken, want alle nieuwe lijsttrekkers mogen hun biografieën bij Prometheus uitbrengen. Dat zijn er heel wat inmiddels.

Het grootste vergrijp van Mai Spijkers is overigens niet dat hij opruiende boeken uitbrengt. Of dat hij zijn redacteuren in hokken stopt en slaat met stokken. Nee, het is dat hij zoveel geld heeft en alsnog die afzichtelijke pakken draagt. Vooral degenen met de bretels. Die bretels zijn de echte bedreiging voor de vrede, denk ik soms. Dan zie ik Mai Spijkers zijn kantoor uitlopen, gekleed als een soort aan lagerwal geraakte oliebaron, en dan realiseer ik me: misschien was dat verheffingsideaal toch niet zo’n goed idee. Misschien had Mai Spijkers gewoon een rietsnijder in Zuid-Brabant moeten blijven, net zoals zijn voorouders.

Ik ben een groot voorstander van de verzuiling. Wat is een zuil? Goed dat u het vraagt. Het is een bouwkundig fenomeen. Zuilen zijn groot en breed en houden de hele tempel overeind. Het geheim van goed bestuur zit in de zuil. Dat zeg ik al jaren. Het Parthenon in Athene – de bakermat van de democratie – heeft er wel zesenveertig. Toevallig? Ik dacht het niet. Nu hebben mensen vaak iets aan te merken op de Atheense democratie; dat ze Socrates ter dood hebben veroordeeld, bijvoorbeeld. Maar om eerlijk te zijn had ik Socrates ook ter dood veroordeeld. Had die pederast maar niet zoveel irritante meningen moeten hebben. Als je erover nadenkt was Socrates ook maar de Rosanne Hertzberger van zijn tijd. Een vijand van de vrede.

Op regenachtige dagen lees ik graag de boeken van Arend Lijphart – Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek om precies te zijn – en dan denk ik terug aan de dagen van weleer. De tijd voordat iedereen zo nodig een individu moest zijn. Iedere zuil had zijn eigen vakbond, zijn eigen voetbalclub en met andersdenkenden werd simpelweg niet gecommuniceerd. Er heerste vrede tussen de gesegregeerde gemeenschappen. Alle mogelijke spanningen werden opgelost door compromissen van de elite: ons beroemde poldermodel. Zelfs in verkiezingstijd was er vrede, want er waren alleen maar grote volkspartijen. Iedere formatie ging van een leien dakje. Ik hoefde nauwelijks wat te doen. Ik zat de hele dag aan mijn cloaca te trekken.

Maar nu? Soms bid ik tot God voor de geestelijke gezondheid Rob Jetten. Alstublieft God, zeg ik zacht. Eeuwige, de Enige, de Almachtige, vestig uw blik op onze toekomstige premier. Heb medelijden. Zie hoe hij zit te werken in zijn schamele partnerwoning in Den Haag. Zie hoe hij zijn paperassen ordent in het schijnsel van een flakkerende kaars. Soms komt zijn Argentijnse hunk even naast hem staan. Hij fluistert zachte liefdeswoordjes in zijn oor, perverse fantasieën over bezwete kniebeschermers van het hockeyveld, maar Rob wuift hem geïrriteerd weg. ‘Niet nu, Nico,’ zegt Rob. ‘Ik moet PvdA-GL en de VVD in een kabinet zien te proppen.’ Daarna vervloekt hij de Nederlandse kiezer. Waar hebben ze hem mee opgezadeld?

Genoeg is genoeg. Dit land heeft maar drie partijen nodig: een racistische proletenpartij, een wereldvreemde kosmopolieten-partij en een groep zielloze liberalen die met iedereen in bed stapt. Dat is wat God voor ogen had toen hij dit pannenkoekenrestaurant van een natiestaat uit de klei deed oprijzen. Stel u zich voor. Mensen zouden weer door hun tijdlijn kunnen scrollen, zonder te worden belaagd met pastelkleurige infografieken over femicide of AI-gegenereerde protestnummers over AZC’s. Meningsverschillen zouden onnodig zijn, omdat niemand meer overtuigd kon worden. Iedereen geborgen in zijn eigen zuil. Geen kiezer zou ‘zwevend’ zijn, maar vastgeketend: met beide benen op de grond. We zouden elkaar weer in de ogen kijken. We zouden weer naar buiten gaan, om wandelingen te maken in het Vondelpark. We zouden luisteren naar het vrolijke gekwetter van de halsbandparkieten. De sneeuw zou zachtjes naar beneden vallen en achter ieder raam, bij ieder kerstdiner, zou de vrede heersen. Roekoe!

Thijs Hoekstra

Archief