Over wijlen mijn schoonvader Dick, die vrijwel zijn hele leven in de Hanzestad Kampen doorbracht, en die ik daar regelmatig bezocht, is veel te vertellen. Dat ga ik hier niet doen, maar ik onthul hier een van zijn verzotheden: hij was niet vies van een moppie leverworst. Hij had daar een favoriete slager voor, nee, niet de Slagerij van Kampen, want dat is natuurlijk de slagwerkerspopgroep, maar een lokale vleeshouwer. Hij had er ook een speciale benaming voor: kulle. Ik had er nog nooit van gehoord, het zou wel plaatselijk dialect zijn, maar begreep uit de context van zijn bestellingen dat het om aantrekkelijk gekruide leverworst ging. Een delicatesse. En intuïtief vond ik het wel een passend woord voor deze lekkernij. Ik hield er ook van, maar lekkerder vind ik bij buien zure leverworst.
Als woordenfreak ging in op onderzoek uit en raadpleegde woordenboeken, encyclopedieën, kookboeken, dialectkrochten. Het woord kulle schijnt uit het latijn te komen, waar culleus een (leren) zak is om vloeistoffen in te bewaren. Vandaar vliegt de betekenis alle kanten uit. In de middeleeuwen wordt de teelbal ermee aangeduid, het scrotum, ook al een zakje waar vocht in kan worden opgeslagen, en al gauw ook de penis. Zo zegt men in Leeuwarden: ‘Dou lulst net so feul as dien kulle lang is’, oftewel: je bent nogal zwijgzaam. En in de Betuwe gaat een rijmpje rond: ‘’Door die scheur daar trekt zijn hele kulleke deur.’ Maar waar is de leverworst?
Voor de adel en de hogere burgerij ontstond in de middeleeuwen een mode met een vooruitstekende zak voor het mannelijk orgaan, waarin niet alleen dat apparaat werd opgeborgen, maar ook allerhande spulletje zoals de zakdoek, geld, etenswaren: de kulzak. Die zette het mannelijk lid viriel en geprononceerd op de pronk; in onze tijd verstoppen we het geval liefst schaamtevol achter een onzichtbare gulp. Deze opbergfunctie van zulke braguettes is overgenomen door de broekzakken. Verwant is de cul- de- sac, de bodem van een zak, en vandaar de doodlopende steeg. Een ‘flauwe kul’ was in 1500 niet om over naar huis te schrijven: er zat weinig of niets in, geen geld, geen imposant lid, geen producerende kloot. Maar waar is toch de leverworst?
Ik denk dat flauwekul uiteindelijk samenvalt met kul: leeg gezwets,nonsens, quatsch, onzin, gekkepraat, zotteklap, gebeuzel, bolderdash nincompoop en ook in het Engels: balls (daar heb je ze weer), gekloot enzovoort. En er is ook nog een betekenisaftakking naar plagerij, pesten, jennen en voor de gek houden: kullen. Maar waar blijft verdickeme de leverworst?
Die duikt opeens in Amsterdam op. Meyer Sluyser, de chroniqueur van het vooroorlogse Amsterdamse Jodenleven spreekt voor de VARA in 1950 (‘ Hier is de VARA, 25 jaar democratisch-socialisme in de omroep’). Hij verhaalt: ‘Prompt elke zondagmorgen omstreeks een uur of tien placht de koopman met een kar volgeladen met zure uitjes, leverbeuling in azijn (die Amsterdammers “flauwe kul” noemen) en dergelijke, de steeg door te komen. Geheel in Amsterdamse stijl placht de koopman dan te brullen: “lekkere flauwe kul… hier moet je zijn voor de beste flauwe kul…”’’
Ha, hier hebben we kul in de betekenis van leverworst. De zuurjood kon op zondag zijn waren slijten, want zijn vrije dag, de sabbath, was de zaterdag. Na WOII was het afgelopen. Hoewel de zure leverworst nog wel te krijgen is, meest in glazen bokalen, is de naam uit het lexicon verdwenen. De ENSIE vermeldt in 1950 dat de term voor leverbeuling in azijn vero(uderd) is. Als je naar De Leeuw gaat, de zuurwinkel op de Vrijheidslaan die de Oost-Europese traditie voortzet, en daar vraagt of ze ook flauwekul verkopen, krijg je vragende blikken. Dat woord kennen ze niet, maar ze verkopen wel grote mooie plakken zure leverworst. Geen streetfood, maar om thuis te savoureren. Hoe het bijvoeglijk naamwoord flauw in roulatie is gekomen, is raadselachtig, omdat de zure leverworst nu juist flink gekruid is. Wie het weet mag het zeggen. Hoe dan ook, het woord is verdwenen, ook uit recente boeken en artikelen over de joodse inleggerij en tentoonstellingen over het Joodse leven, zoals momenteel in de Nieuwe Kerk. Schrijvers over de Joodse keuken die ik consulteerde weten er ook geen raad mee. Wel vond ik nog op internet een instructief artikel over de flauwe kul (voor liefhebbers: op 1 april 2025 geschreven door Ubel Zuiderveld, Ubelski.nl). Daar vermeldt de schrijver dat ook hij bij De Leeuw is langsgeweest, met hetzelfde resultaat. Dit lexicale onderdeel van de traditie is dus verzonken, als het niet weer tot leven gewekt wordt. Mijn schoonvader Dick heeft de term in elk geval aan mij overgeleverd. Hij kende het nog. Mogelijk doorgegeven via zijn grootvader, die er een slagerij op na had gehouden.
De zuurwinkel van De Leeuw staat op honderd meter van de zijstraat van de Vrijheidslaan- die toen nog Amstellaan heette- , waar ik ben opgegroeid. Thuis werd ik regelmatig door mijn moeder, broer en zus uitgemaakt voor ‘beledigde leverworst’. Ik was namelijk heel snel gepikeerd, beledigd om kleinigheden, kon weinig kritiek velen. Die lichtgeraaktheid is hoop ik allengs wat gesleten. Maar waar kwam die term nu weer vandaan? Dat was niet zo moeilijk. Mijn moeder kwam uit Duitsland en die heeft de ‘beleidigte Leberwurst’ meegenomen. Dat is een gewone Duitse uitdrukking voor snel aangebrande types, die ‘sauer’ doen als ze kritiek krijgen. Oorspronkelijk schijnt de uitdrukking te maken te hebben met de lever als zetel van de emoties. Mijn fascinatie voor de leverworst, al dan niet in het zuur, komt misschien wel uit die vroege periode. Ik ben er zelf een. Of is dat flauwekul?
D’O