Polemiek

Elke avond mag mijn oma kiezen. Ze eet apart van de groep met een echt mes en een echte vork, of ze schuift met plastic bestek aan bij de anderen. Na een reeks gewelddadige incidenten met medebewoners konden de verzorgers niet anders. De kinderen van de slachtoffers hadden het in een brief namens hun ouders geëist.

Ik heb de brief gezien, hij was zonder ironie ondertekend met ‘De Slachtoffers’. Het personeel had nog voorgesteld om iedereen met plastic bestek te laten eten, maar daar wilde de Stichting voor Slachtoffers van Mevrouw Hogeling niet aan. Omdat er één bewoner was met een agressieprobleem, moest de rest zich aanpassen? Geen sprake van. 

Bij de brief zaten foto’s van de verwondingen die ze zou hebben aangericht. Forse blauwe plekken op armen, benen, bij één man zelfs net onder het oog. Maar wat zegt dat op die leeftijd? Hun huid is zo dun geworden dat je het bloed door hun aderen ziet stromen. Als ze hoesten kan hun aorta knappen. Die dingen gebeuren. 

Voor mijn oma maakt het allemaal weinig uit. Ze maakt elke dag de keuze alsof ze die voor het eerst maakt. De verzorgers zijn er handig mee, ze weten het zo te spelen dat het dilemma een extra service lijkt. Wilt u de jus erop of ernaast? Wilt u straks chocoladevla, vanillevla of door elkaar? Wilt u met de groep eten met het groene bestek of liever even lekker alleen met het zilveren bestek? Meestal eet ze met zilver. 

Vandaag kan het niet op, ze eet met zilver én met de groep. Ik fungeer als een soort blauwhelm tussen haar en de huisgenoten. We eten draadjesvlees met doperwtjes, krieltjes en appelmoes. ‘Goor’, zegt ze terwijl ze op hoog tempo het vlees naar binnen schuift. Als het vlees bijna op is, begint ze te schreeuwen: ‘Mevrouw, ik moet dit niet. Het lijkt wel stront! Gadverdamme! Neeee, ik wil dit niet! Haal het bij me weg! Heeeeelp!’ 

Het gebeurt vaker, haar kinderen schamen zich ervoor. Ik niet, ik ben altijd trots geweest op mijn lompe oma. Mijn beschermde leventje in een klein dorp had weinig ruigs, maar mijn vader, haar zoon, komt tenminste uit een echt arbeidersnest. Waar je met z’n allen uit één pan at en waar de kinderen én de vader werden geslagen door moeder. Haar gescheld, haar handel in konijnenbont – de kelder onder het huis stond vol met veel te kleine hokken – de wietplantages op zolder, de burenruzies, de veroordelingen voor winkeldiefstal: het is ook een beetje míj́n afkomst. Het geeft me karakter, terwijl ik er niet voor heb hoeven lijden.

Als je haar gejengel geen aandacht geeft, stopt ze vanzelf weer en eet ze haar bord leeg. Ik pak mijn telefoon en maak een selfie met haar. Ze lacht als een puber die op de schoolfoto moet. ‘Flikker toch op met dat ding.’ Ik maak er een instagramstory van: ‘Wij tegen de rest! #mattiesforlife #nietaltelangmeerdus’. 

Ik proef dat het bejaardenvoedsel niet veel slechter is dan de magnetronmaaltijden die ik zelf vaak eet, en zie dat een van de vrouwen aan tafel me strak aankijkt. Ze trilt. Misschien is ze boos, heeft ze het koud, zit haar luier vol of trilt ze altijd.

– ‘Ik zie het wel, jongen.’

– ‘Wat ziet u wel, mevrouw?’ 

– ‘Jij bent er eentje, ik zie het wel.’ 

– ‘Ja, ik ben er eentje’, zeg ik vrolijk.

– ‘Een rat ben je.’

– ‘Nou, nou, dat hoeft ook weer niet mevrouw.’ 

– ‘Jij bent een jood! Een jood ben je.’ 

Nog voor ik kan reageren voel ik een klodder lauwwarme drab op mijn nek landen. Mijn oma begint te lachen. ’Sorry jongen. Ach sorry, kom hier.’ Met een vies servetje smeert ze de appelmoes uit over mijn nek. Ze stopt haar halfslachtige schoonmaakklus als de nazipensionado weer begint te praten: 

– ‘Wat doe jij hier, jij hoort hier niet! Jood!’ 

– ‘Ze hadden jou moeten vergassen, kankerwijf’, snauwt mijn oma. Dat is het aardige van haar dementie, ze leeft heerlijk in het moment. Bij vlagen kan ze behoorlijk ad rem uit de hoek komen.

Ik probeer de boel te sussen. ‘Dames, dames, ik ben helemaal niet joods en er gaat hier dus ook helemaal niemand worden vergast, oké?’ 

De vrouw lijkt gerustgesteld en eet verder. 

– ‘Nou, dát was weer gezellig, of niet? Mevrouw Hogeling, wat hadden we nou afgesproken?’, zegt een vrouw van achterin de 50 die met botox lijkt te willen voorkomen hier zelf ooit te moeten wonen.

– ‘Wat krijgen we nou?’, zeg ik. ‘Zij maakt mij uit voor vuile rat en vuile jood, en dan hebben wij het gedaan?’ 

– ‘Meneer Hogeling, er wordt hier wel meer gezegd, maar er is er maar eentje die met eten loopt te smijten.’

Ik heb wel eens gehoord dat je iemand het beste kunt overtuigen door gewoon je mond te houden. Bij mij werkt het in elk geval. ‘Maar u heeft gelijk, sorry’, zeg ik. ‘Oma, we gaan niet meer met dingen gooien, goed?’ Mijn oma zet het kinderstemmetje op dat haar kinderen zo haten. Niemand weet waarom ze het doet, maar het is erg manipulatief. ‘Oké meneertje koekepeertje.’ Ze kijkt even naar het slagveld op haar bord, alweer vergeten dat ze het zelf heeft aangericht. 

– ‘Wie ben jij?’, vraagt ze, nog steeds op het kindertoontje.

– ‘Ik ben Thomas’, zeg ik. ‘De zoon van Joop!’ 

Ze kijkt me glazig aan, dan lacht ze. ‘Ach, wat gezellig. Ik heb thuis ook een Ongelovige Thomas en een Joop de Doop. Maar die zijn nog maar klein.’

Je kunt veel van haar zeggen, maar niet dat ze niet bijbelvast is. 

Thomas Hogeling

Voor wie er nog aan twijfelde: ook vrouwen zijn in staat tot verkrachting. Geef ze een toetsenbord, vraag ze om over seks te schrijven en het is alsof je Ted Bundy, Jack the Ripper en Marc Overmars samen een gangbang laat organiseren. Geen pik zou je een meer uitgewoond gevoel kunnen geven dan het legio vrouwen dat momenteel op een vlotte manier over neuken probeert te schrijven.

Daarbij gebruiken ze dus gewoon woorden als ‘neuken’. Ja, heel direct misschien, maar volgens deze vrouwen is het echt tijd dat het taboe op seks – en vooral vrouwen die seks hebben! – nu eens wordt doorbroken. In de praktijk komt dit erop neer dat ik het afgelopen jaar in 28 columns uitgelegd heb gekregen hoe mijn clitoris eruitziet. Die (iedere sekscolumnist zou hier ‘zij’ schrijven en opmerken dat clitoris immers een vrouwelijk woord is) ziet eruit ‘als een soort zwaantje’, aldus sekscolumnist van de Volkskrant Joy Delima. Geen verkleinwoord had de buitensporige tuttigheid van dit genre beter kunnen typeren. 

Die tuttigheid is een veel groter probleem dan de orgasmekloof. Behalve Joy Delima hebben ook Linda Duits, Marith Iedema, Linda de Munck, Marie Lotte Hagen, Nydia van Voorthuizen, Daan Borrel, Dorien van Linge, Milou Deelen en Nina de la Parra zich op het onderwerp gestort. Joy Delima wil ‘seks niet langer als een geheim behandelen’. Linda De Munck omschrijft zichzelf als ‘feminist en taboe-doorbreker’. Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen spreken van ‘een taboe op het ownen van je seksualiteit’. Linda Duits wil een einde maken aan ‘het taboe op seks en op het praten over seks’. En volgens Milou Deelen is als vrouw praten over seks ‘nog erg taboe’. 

Hoe willen ze dat zogenaamde taboe dan doorbreken? Met columns die zo saai en voorspelbaar zijn als een vijftienjarige jongen die een meisje in het fietsenhok vingert. Met proza dat even krampachtig is als vaginisme en even ranzig als chlamydia. In dit jargon heet geil worden ‘van je stoel glibberen’. Borsten zijn ‘boobs’ of, erger, ‘boobies’. Mannelijke orgasmes heten ‘zaadpompsessies’, en een vrouwelijk orgasme is ‘een soort vulva-nies’ (‘je voelt ’m opkomen en je hoeft het enkel toe te laten’). Ik ben even royaal met de aanhalingstekens, want ik heb niks met dit alles te maken.

Bleef het maar bij een paar onsmakelijke neologismen. Maar nee, die woorden staan in complete, nog veel afschuwelijkere zinnen. Joy Delima vindt dat mensen voor ze met elkaar naar bed gaan de vraag moeten stellen: ‘In wat voor seks heb je zin vandaag?’ Immers: ‘Als ik iemand uitnodig om voor het eerst bij mij te komen eten, dan vraag ik toch ook altijd wat iemand graag eet.’ Ieder normaal mens zou gewoon z’n best doen en de ander proberen te verrassen. Ook Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen houden niet van verrassingen. In het voorwoord van hun erotische verhalenbundel Damn Horny (‘Voor je begint met masturberen, eerst nog even dit…’) geven ze alles alvast weg. ‘Verwacht dikke konten, strap-ons en packers, geile dominante vrouwen en non-binaire personen die weten wat ze willen, klungelseks, communicatie in bed, spank sessies en nog veel meer.’ Hoeveel mensen zouden al eens met iemand mee naar huis zijn gegaan omdat diegene ze ‘communicatie in bed’ en ‘non-binaire personen die weten wat ze willen’ beloofde? En hoeveel zouden daarop zitten te wachten? ‘Al die burnt-out, overworked, overachieving girls moeten klaarkomen. God heeft de clitoris geschapen FOR A REASON. Dus, schreeuw samen met mij onze mantra: MAKE WOMEN COME. HEAL THE WORLD,’ aldus Nina de la Parra in haar debuut. ‘HEAL THE WORLD’? Heal je capslockknop, gek! 

Als al deze vrouwen echt geïnteresseerd waren in taboes doorbreken hadden ze wel een biologieboek voor de onderbouw geschreven. Daar valt natuurlijk niet genoeg eer aan te behalen. Dus publiceren ze betuttelende manifesten bij Das Mag of Pluim, en columns bij De Correspondent of Volkskrant Magazine die alleen worden gelezen door hun vrienden en andere bezoekers van Milkshake. Kortom, door iedereen die alles wat zij opschrijven ook zelf wel had kunnen bedenken. 

Het zijn godbetert net mannen: allemaal precies hetzelfde. Als ik nog één keer hoor dat ik moet kunnen lachen tijdens seks, dat wij vrouwen natuurlijk best in staat zijn zelf de deur open te doen, dat poepen tijdens een date echt heel normaal is, dat ik met een spiegeltje naar mijn kut (wederom helemaal geen woord om je voor te schamen natuurlijk) moet kijken, dat het aan mij is om te bepalen of ik mijn oksels wel of niet scheer of dat seks veel méér is dan alleen penetratie, vraag ik een vrouwenbesnijdenis aan.

TS

Nieuws: de #feestgate gaat door. Zojuist is er een nieuwe bres geslagen in de verdedigingswal van Femke Fataal. Om even het geheugen op te frissen: Halsema had Lennart Booij (werkt niet voor een fooi) tot partyplanner van het volksfeest ‘Amsterdam 750 jaar’ gepromoveerd. Booij declareerde € 10.000 (excl. BTW) per maand voor 20 uur per week, vanaf 1 februari 2020 tot 31 januari 2022. De maanden waarin hij petanquete in de Provence buiten beschouwing gelaten, schraapte hij zo €210.000 binnen. Door publicaties van uw favoriete studentenblad stond Booij, over wie natuurlijk niet onvermeld kan blijven dat hij mentor was van de Graaier des Vaderlands Sywert van L., zo snel buiten dat zijn schaduw nog binnen was.

In de slag om de Stopera gooide de burgemeester de ene na de andere ambtenaar voor de bus. Iemand had Booij het verkeerde contract voorgelegd, dus daar stond dan wel dat hij maximaal 24 maanden (maal 10.000 is, 240.000, dus boven de Europese aanbestedingsnorm) zou werken, maar het ging om de intentie. Personeel & Organisatie had zitten slapen toen het contract eindigde en Booij schaamteloos facturen bleef sturen. De manager leadbuyer had beter moeten opletten. En haar junior-woordvoerder, Marloe Boon, die in een zeer eerlijk antwoord aan dit blad had gezegd dat Booij tot oktober 2025 zou blijven, heeft het politieke equivalent van een Azteeks zonneoffer ondergaan: inmiddels is ze woordvoerder van de Lenin van GroenLinks, Rutger Groot Wassink. Al valt hij wel mee, als je eerst onder de knoet van Halsema zat.

De burgemeester trok zich terug achter haar politieke Maginotlinie: er was een afspraak met Booij dat hij tot de verkiezingen zou blijven en na het plebisciet zou een nieuwe (of de oude) Volkskommissar het brood-en-spelenfestijn in 2025 organiseren. Daar bleef zij op hameren en als de Duitse stoottroepen tijdens de slag bij Verdun liep de oppositie in de personen van Johnas van Lammeren en Annabel Nanninga zich stuk op deze muur. Een uitputtingsslag (zestien uur raadsdebat), maar Halsema hield stand.

Om voor de laatste keer een oorlogsmetafoor te gebruiken: de WOB is de journalistieke tank of atoomboom. Het breekijzer om een doorbraak mee te forceren. 330 pagina’s gelakte documenten ploften 20 mei 14:20 in ons postvakje. Een race tegen de klok, want de betaalde kranten wilden zo snel mogelijk deze groene WOB-weide kaalvreten.

Waar haalde Marloe Boon het idee vandaan dat Booij tot oktober 2025 zou blijven? Had ze een kater, tripte ze alsof ze een paddoplantage naar binnen had geschrokt? Het antwoord is duidelijk: Lennart Booij dacht dat hij tot oktober 2025 zou blijven. ‘Lennart Booij is gevraagd om tot en met 27 oktober 2025 betrokken te zijn bij Amsterdam750, als extern programmadirecteur’: zo staat het in de mail van 26 januari. De man die met Halsema had afgesproken tot aan de verkiezingen op zijn stoel te zitten. Deze mail van Marloe aan mij was door hen samen opgesteld, blijkt uit de WOB. Hij was voorgelegd aan Peter Teesink – de gemeentesecretaris had niet de behoefte om hem te corrigeren. Niemand begon over die zogenaamde afspraak. Als die had bestaan hadden daar twee partijen van geweten: de gemeente, in de persoon van Halsema, Teesink, iemand die een mooie handtekening of ferme handdruk kan geven, én Booij. En laat de laatste nou van niets weten.

Het WOB-web was deze keer wijd uitgeworpen. Alle documenten over de aanstelling van Booij vanaf september tot 25 februari werden naar boven gevist. Nergens ook maar één letter over een afspraak dat Booij tot het nieuwe college zou blijven. Niet in de mails, niet in de appjes. Zijn ze in de Stopera vergeten deze afspraak mee te sturen? Of bestond hij enkel in het hoofd van Halsema? Eens kijken wat haar nieuwe verdedigingslinie zal zijn.   

Martijn Neggers is een rasechte Brabander. Geboren in het ziekenhuis van Eindhoven, de dorpsmavo in Valkenswaard doorlopen, afgestudeerd als tweedegraads docent Nederlands aan de Fontys Hogeschool in Tilburg en inmiddels werkzaam op het Beatrix College in Tilburg. Daar is niets op tegen – ik heb nota bene zelf een jaar in Tilburg gewerkt, voordat ik in Amsterdam ging studeren; toen ik mijn Brabantse collega’s vertelde dat ik klassieke talen overwoog zeiden zij dat ik ook in Latijns-Amerika kon gaan wonen – maar je moet het ook niet mooier maken dan het is.

Dat doet Martijn Neggers wel. Door bijvoorbeeld in een interview met HP/De Tijd te beweren dat Tilburg de beste plek is om te wonen. ‘De stad van het absurdisme. Er zijn nogal wat absurdistische kunstenaars die hier wonen. Er zijn ook absurdistische kunstenaars die hier zouden moeten wonen.’ En door romans te schrijven die zich in Brabant afspelen. In De mensen die achterbleven (2016, Nijgh & Van Ditmar) trekt hoofdpersoon Martijn Neggers van Valkenswaard naar Tilburg. ‘Vol goede moed gaat hij op zoek naar zijn dromen en een Grootsch Leven.’ Onzinnige zinsneden als ‘op zoek naar zijn dromen’ en misplaatst reviaans hoofdlettergebruik ten spijt – over die ‘sch’ zeg ik maar even niets – mocht Neggers na dit debuut een tweede boek schrijven.

Die tweede roman heet Spoetnik (2018, nog steeds Nijgh & Van Ditmar). Deze keer verhuist de hoofdpersoon namelijk van het grote Amsterdam naar de Spoetnikstraat in Helmond-Noord. Helmond als decor voor je roman gebruiken, zeg maar het Almere van Brabant, is bijzonder goedkoop. Daar ‘-Noord’ aan toevoegen is zo mogelijk nóg goedkoper. Om niet te zeggen gratuit. De achterflap, wederom door Neggers zelf geproduceerd, verraadt, voor zover dat nog niet duidelijk was, zijn minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Randstad: ‘Een tragikomisch verhaal dat zich afspeelt in een tijd waarin de Gewone Man’ – daar heb je die hoofdletters weer – ‘niet bang is een keel op te zetten en zich verzet tegen het juk van de grote steden en de hoge heertjes.’

Maar als ook Spoetnik alleen in de Tilburgkatern van het Brabants Dagblad besproken wordt, besluit Neggers zichzelf opnieuw uit te vinden. Om de aandacht van zijn baan als docent af te leiden trekt hij een spijkerjasje aan, rolt de mouwen van dat spijkerjasje op en laat zijn ontblote onderarm tatoeëren. Hij maakt een twitteraccount en tweet dat hij een Amsterdams café gaat bezoeken: ‘Goed. Ik ga dus naar de Pels vandaag. Als de ongelofelijk clichématige lame-ass die ik ben. Kom vooral ook, want ik ken maar acht Amsterdammers, en die zullen er wel weer niet zijn.’ Neggers wil dolgraag naar de grote stad, maar hij is ook bang. Bang om een cliché te zijn. En bang om alleen te zitten. 

Ook in zijn romans wil Neggers het grootser aanpakken. Geen Brabant meer, maar Frankrijk. En dan ook meteen het Frankrijk van de vijftiende eeuw. Leve de Koning (2021, hij heeft goede vrienden bij Nijgh & Van Ditmar) is een ‘niet-heroïsche ridderroman over de Slag bij Agincourt’. Niet-heroïsch, dat betekent dat die vijftiende-eeuwse infanteristen de hele tijd ‘kut’ zeggen. De associatie met New Kids begint zich alweer op te dringen. En ja hoor – wie blijkt de belangrijkste legeraanvoerder van de Slag bij Agincourt? Anton, de Hertog van Brabant. Neggers was na twee fluitjes in de Pels terug in Brabant, Leve de koning na twintig pagina’s. Zelfs de aanbeveling op het omslag is van Theo Maassen.

Ik hoef u niet uit te leggen waarom Martijn Neggers geen succesauteur is. Wie ik dat wel moet uitleggen is Martijn Neggers. In genoemd interview met HP/De Tijd: ‘Ik denk weleens: hoe zou het zijn om waanzinnig veel lezers te hebben? Leve de koning raakt inhoudelijk gezien op zekere punten aan Game of Thrones.’ Op genoemd twitteraccount: ‘Ik schrijf 3,5 jaar aan een roman; totale stilte, rollende hooibalen in de wind. #fuckmylife.’ Waarom die totale stilte? Sommige mensen maken lelijke dingen mooier dan ze zijn (‘Ik hou van de Tilburgse lelijkheid, maar ook hoe het hier steeds mooier wordt en hoe we dat calimerogevoel steeds meer kwijtraken.’), de meeste mensen houden beleefd hun mond.

AG

Afgelopen week was de Week van de Klassieken. Net als de Boekenweek bestaat de Week van de Klassieken uit een feestelijke opening, een fatalistisch artikel in de Volkskrant (‘Zijn de Griekse en Latijnse literatuur uit de gratie aan het raken?’), en een themaboekje. Het enige verschil is dat je voor het klassiekenweekgeschenk vijf euro moet betalen. 

De eer om dat klassiekenweekgeschenk te mogen schrijven viel dit jaar ten deel aan Christiaan Weijts, schrijver, NRC-columnist, en van huis uit neerlandicus. Waarom een neerlandicus? Omdat het boekenweekgeschenk al door een classicus wordt geschreven? Weijts legt bij De Taalstaat van Frits Spits uit waarom hij tóch een geschikt klassiekenweekauteur is: ‘In boeken die ik schrijf zit niet zozeer Homerus maar Ovidius bijvoorbeeld altijd wel op de achtergrond.’ Dat is als zeggen dat je bij het koken niet zozeer een staafmixer gebruikt, maar een pan bijvoorbeeld altijd wel. Op de achtergrond. 

De achterflap van Weijts’ Zeven mijlen langs de limes is al even pretentieus: ‘Een slimme en sprankelende monoloog, en tegelijk memoir en miniatuur-odyssee.’ Een miniatuur-odyssee, dat is een wandeling. Christiaan Weijts neemt ons mee langs de limes, het allersaaiste dat de klassieke oudheid te bieden heeft. De limes is (hoewel ‘limes’ als een meervoud klinkt, is dat het niet; net zoals het woord ‘media’, maar dan andersom) de grens van het Romeinse Rijk. Dat wil zeggen: een paar in de uiterwaarden van de Rijn gestampte houten palen. Het interessantste aan de limes is dat ’ie in Nederland is.

Maar voor Weijts blijkt de limes vooral een excuus om het over zijn eigen jeugd te hebben. Voordeel: Zeven mijlen langs de limes gaat niet over de limes. Nadeel: Zeven mijlen langs de limes gaat over de jeugd van Christiaan Weijts. Aanvankelijk houdt Weijts nog vol dat zijn wandeling wél met de limes te maken heeft: ‘Zeven mijlen. Ongetwijfeld wordt het ook mijl op zeven, vol omwegen en kronkelingen die zich verzetten tegen de rechtlijnigheid van de militaire mars, de rechtlijnigheid van damwanden die de loop van de rivier rechten.’ Maar al snel ‘verdwalen [we] nog wat verder, zijn [we] de limesroute al even kwijt, maar bewegen [we] ons wel in de juiste richting. Oegstgeest. Daar had ik pianoles.’ 

Door de jeugd van Weijts loopt één belangrijke grens. Die tussen het gymnasium en het vmbo. Tussen mensen die piano spelen en mensen die Sky Radio luisteren. Tussen Romeinen en barbaren, zou je haast zeggen. Weijts zegt dat in elk geval de hele tijd. ‘Wat die barbaren wél hadden: lekkere wijven. Daar ontbrak het op het gym ten enenmale aan. Daar had je vooral vioolmeisjes, advocatendochters, nerdy girls met dikke brillenglazen. Er leek een wetmatigheid te bestaan die wilde dat intelligentie en schoonheid omgekeerd evenredig waren verdeeld.’ 

Inderdaad, léék te bestaan. Het fenomeen Christiaan Weijts logenstraft die wetmatigheid. Hij bewijst dat domme mensen ook gewoon lelijk kunnen zijn. En geil. ‘Ook dat is een grens: de scheiding tussen lichaam en geest. Wij stonden aan de overkant, op de klif van het domein van de geest, reikhalzend uitziend naar de overkant waar strakke meiden rondliepen in badpakjes van O’Neill. Die deden het graag en vaak, kregen we te horen. […] Waar het om “dierlijke cellen” ging, sprak ik die uit als “sierlijke dellen”. Sindsdien was het een staande uitdrukking. Sierlijke dellen. Ik was er zelf ook wel content mee. Mede omdat het vrij redelijk uitdrukte wat ik zocht, waarnaar ik smachtte. Niet alleen dat rauwe, dat hoerige, nee, er moest een esthetische component aan zitten, iets elegants, iets schilderachtigs. Het moesten ornamenten zijn, diertjes die zich gracieus voortbewogen, sierlijk over stranden en door parken, en die ook een zekere geestelijke bekwaamheid bezaten. […] Cécile. Die naam alleen al. […] Ze was al een stapje verder op weg naar het lichaam van een volwassen vrouw. […] Rokjes droeg ze, en elegante panty’s of misschien wel kousen, met jarretels, Jezus Christus, wie zal het zeggen.’ Ik zal het zeggen: ze droeg géén kousen met jarretels. Ze was twaalf, Christiaan. 

AG

Christiaan Weijts, Zeven mijlen langs de limes, Athenaeum – Polak & Van Gennep. €5,–

Archief