Polemiek

Stromboli, een van de vele klassiekers van Nederlandse bestverkopende auteur Saskia Noort, is verfilmd. Een vraaggesprek over Foucault, literatuur, vrouwen en Connie Palmen. ‘Leon de Winter is natuurlijk een totale gek.’

In Stromboli zien we vrij veel thema’s met een filosofisch karakter. Freuds ideeën over seksualiteit zien we terugkomen, in de film zit een scene met het biechthokje, ik moet daarbij denken aan het werk van de late Foucault. Door welke filosoof bent u geïnspireerd voor uw werk?
‘Ik ben niet echt door een filosoof geïnspireerd, als ik eerlijk ben. Waar ik dan mijn ideeën vandaan haal? Van mezelf. Nee, serieus… Uiteraard heb ik zelf de nodige retraites gedaan: daar heb je allerlei spirituele gesprekken met mensen, maar het is niet zo dat ik de hele tijd filosofische boeken lees.’

Tussen het boek en de film bestaan enkele doch grote verschillen. Denkt u dat een verfilming van een boek – hoe goed zij ook is – recht kan doen aan de artistieke creatie van de auteur?
‘Ik denk dat je beide niet kan vergelijken, hoewel de film recht doet aan het boek. Dat wat ik wil vertellen met mijn boek, wordt ook in de film verteld. Dat vind ik erg mooi. In mijn boek zitten twee verhalen, in de film heeft Michiel van Erp gekozen voor één verhaal. Je hebt natuurlijk het verhaal van de scheiding, de moeder die uit een huwelijk stapt en over wie allerlei seksistische vooroordelen de ronde doen. En daarnaast het verhaal waarin zij op zoek gaat naar de waarheid over hoe ze verder moet. Ik snap dat de filmmakers het eerste deel eruit hebben gehaald.’

In Stromboli staan trauma en de omgang ermee centraal. Het idee van Stromboli – de mens is een berg waarin het vanbinnen borrelt en spuwt – vind ik een mooie metafoor. Ook zien we in uw werk het idee van beschaving als een vernislaag terug. U schraapt dat weg en probeert te kijken naar wat de echte drijfveren zijn; veelal geweld en seks. Deze thema’s doen mij denken aan het werk van Arnon Grunberg. Als ik u de vrouwelijke Arnon Grunberg noem, wat is dan uw reactie? En wat vindt u van zijn werk?
‘Dan ben ik zeer vereerd. Ik vind Grunbergs werk práchtig. Niet alles, eerlijk gezegd. Maar ik voel me vooral vereerd. Ik denk dat andere mensen verbaasd reageren, maar ik neem dit compliment aan.’

Dat brengt ons bij een persoon die verbaasd kan reageren. Eerst een citaat uit Stromboli. ‘De LINDA. vond het “zo herkenbaar, zo ontroerend – de liefde spat ervan af”, maar Connie Palmen zei in DWDD: “Karel deelt het bed met het Paard van Troje. Zij is de ondergang van de Nederlandse literatuur.”’ In één zin: wie of wat is Connie Palmen voor u?
‘Connie Palmen was – en is nog steeds – een literaire heldin. Ik ben ietsjes jonger dan Connie Palmen en zeker in het begin was ik een grote fan – ik ben nog steeds fan, overigens. Ik heb ook al haar boeken gelezen. Maar ik was wel geschrokken van haar reactie op het Boekenbal.’

In 2009 maakte Palmen zichzelf onsterfelijk door kacheltjelam voor de camera haar collega’s Noort, Kluun en Heleen van Royen ‘stelletje nietsnutten’ te noemen. In een eerder interview in Het Parool noemde Noort deze actie ‘een messteek in mijn rug’.
‘Natuurlijk ben ik daar mee bezig geweest. In Stromboli zijn Karel en Sara ook schrijvers. Sara wordt steeds bekender met haar columns, terwijl Karel symbool staat voor de traditionele literaire wereld (hij drinkt veel en schrijft al jarenlang geen romans meer, TD).’

Dit ene bijzinnetje over Connie Palmen is een kleine polemische aanval. U bent niet de eerste die dit doet. De groten der aarden deden het: Philip Roth, Arie Storm. Een reactie blijft niet vaak uit. Vreest u niet de toorn van Palmen in haar volgende Grote Literaire Roman – tenminste, als die er ooit gaat komen?
‘O nou, als ze dat doet, ben ik alleen maar blij. Ik zou dat fantastisch vinden. Natuurlijk! Die opmerkingen op het Boekenbal vond ik toen niet leuk, maar het was natuurlijk a) een eer, en b) het heeft mij zo veel air time opgeleverd. Inderdaad, ook extra lezers. Ik zal het je zeggen: ik en mijn boek kwamen hiervoor niet bij De Wereld Draait Door aan tafel. Maar als Connie Palmen er wat over zegt wel. Dan is er polemiek – dat vinden ze interessanter dan gewoon een boek. Ik deel hier inderdaad een tik uit, dat vind ik ook wel leuk. Ik denk niet dat zij dat heel erg vindt, maar we gaan het meemaken. Ze gaat het zeker niet lezen, want ze leest mijn boeken niet.’

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: zij of hij heeft een punt?
‘Er is weleens iets geschreven waarbij ik dacht: ja… Wat was het ook alweer? Iets grammaticaals, een terugkerende zinsbouw. Met die kritiek was ik blij, al hoor ik dat liever van mijn redacteur dan als mijn boek al af is. Ik kan heel goed tegen kritiek, vooral als die inhoudelijk is: als iemand schrijft dat ik veel clichés gebruik, dan ga ik daar zeker op letten.’

Wat is uw guilty pleasure?
‘Reality tv. Nee, geen Big Brother of Utopia, die programma’s vind ik stom. Ik houd liever van The Real Housewives Beverly Hills of Married at First Sight Australia. Nederlanders zijn heel slecht in reality tv, daarom kijk ik liever Angelsaksische.’

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
‘Zo… Even denken. Dat is een boek van Ammaniti (Nicolò, TD). Italiaanse schrijver. Ik haal je op, ik neem je mee. Ik houd erg van Italiaanse schrijvers.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog gelezen?
‘Dan denk ik aan Jonathan Franzen. Welk boek? Allemaal. Die laatste heb ik ook niet gelezen, ben de titel kwijt…’

Crossroads…
‘Nee, ik bedoel die daarvoor…’

Freedom, Purity, The Corrections…
‘Freedom, die ja. Is er een Nederlands boek dat over honderd jaar nog gelezen wordt? Ik houd het maar hier bij.’

Welk boek ligt momenteel naast uw bed?
‘Dat is… een boek van… Ow wat erg, ik weet al die namen niet. Hij heet Dave Nicholls…? Dave Nicholls… Ja, dat is hem. Hij heeft Wij geschreven. En het boek op mijn nachtkasje heet Onze jonge jaren… Maar het kan ook anders heten. Ik ben er nog niet in begonnen, maar het ligt wel op mijn nachtkastje. Er liggen wel meer boeken – heel veel. Ik krijg altijd veel boeken opgestuurd en dan vragen ze een week later: heb je het al uit?’

Welke Nederlandse schrijver is naar uw idee het meest onderschat?
‘Welke Nederlandse auteur is het meest onderschat? Nou, ik!’ Na een kort lachintermezzo: ‘Ik vind onderschat een moeilijk woord; welke schrijver verdient een groter publiek, denk ik dan. En dat is Manon Uphoff. Natuurlijk Vallen is als vliegen, maar dat is slechts één boek – ik vind al haar boeken goed. En eigenlijk vind ik alle vrouwelijke auteurs, met uitzondering van Connie Palmen, onderschat. Ja, ook vrouwen als Nina Polak en Mensje van Keulen en Marja Pruis. Jij noemt het sisterhood… Ik vind hen allemaal onderschat – zij staan niet in de Bestseller Top60 en dat komt mede doordat serieuze media liever schrijven over het zoveelste boek van Herman Brusselmans. Met onderschat bedoel ik niet dat ze niet serieus genomen worden als literair auteur, maar mensen gaan eraan voorbij als ze wordt gevraagd: wat vind je de tien beste titels. Altijd hoor je dan Van der Heijden of Grunberg, Harry Mulisch… Dan krijg je misschien nog Connie Palmen, maar voor de rest zijn het allemaal mannen. Ik vind dat wij erg slecht omgaan met onze vrouwelijke literaire auteurs in Nederland.’

Hebt u verborgen talenten? En, als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
‘Journalist, maar goed, dat ben ik ook. Misschien zou ik wel vastgoedspecialist zijn. Niet per se als makelaar: ik denk eerder aan opkopen, flippen en doorverkopen.’

“Ik ben Saskia Noort, makelaar in pandjes en woon in Bergen…”
‘Ik denk niet dat ik per se een hele goede designer ben, maar wel dat ik goed kan inschatten welk huis veel winst gaat opleveren. Pandjesmakelaar, ja, dat zou ik wel goed kunnen. Beetje die Selling Sunset-achtige bezigheid.’

Er staat een tafeltje klaar langs de Seine, met twee kaarsen op een rood geblokt kleed. Obers in jacquet staan klaar. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u uitnodigen voor een diner à deux?
‘Ik denk Knausgård… Toch weer een man, hé? Ik zou eigenlijk een vrouw moeten zeggen. Toch ga ik voor hem, ik vind die trilogie van hem fascinerend, het is allemaal biografisch.’

Welke klassieker hebt u tot uw grote schaamte nog nooit gelezen?
Direct: ‘Oorlog en vrede. Ik weet eigenlijk ook niet of ik het wil lezen. Maar het is zo’n boek waar iedereen over begint en dan denk ik: ik heb het niet gelezen… Soms denk ik: ik ga op vakantie en dat ga ik het helemaal lezen, maar dan wil ik het toch niet lezen. Het voelt dan als huiswerk.’

Tolstoi of Dostojewski?
‘Beetje lastig, want ik heb Tolstoi dus nog niet gelezen. Dus ik denk dat ik dan voor hem kies, dan kan ik dat gaan lezen.’

Pier Paolo Pasolini of Reiner Werner Fassbinder?
‘Pasolini.’

Jessica Durlacher of Leon de Winter?
‘O my god! Jessica Durlacher. Niet alleen uit sisterhood, hoor… Leon de Winter is natuurlijk een totale gek, met zijn meningen. Ik vind het bizar dat die man nog een podium krijgt. Maar ik vind het ook gek dat zij nog met hem is. Ik kies dan dus voor Jessica.’

Dan Brown of John Grisham?
‘John Grisham.’

W.F. Hermans, Gerard Reve of Harry Mulisch?’
‘Oehh…’

Met het pistool op de borst.
‘Nou, niet Reve. Ik vind De avonden saai, verschrikkelijk. Maar mijn ouders vonden het prachtig. En nog steeds moeten die arme kinderen dat kutboek lezen op school… Het is geen kutboek, maar wel saai. Uit deze drie kies ik dan toch Harry Mulisch.’

Jonathan Franzen of Jennifer Egan?
‘Ik weet niet wie die laatste is. A Visit from the Goon Squad? The Candy House? Wordt zij gezien als vrouwelijke schrijfster van The Great American Novel? Zegt mij niets. Dus ik kies haar, want Franzen heb ik al gelezen.’

Sigmund Freud of Carl Jung?
‘Freud, denk ik. Hoewel hij ook inmiddels totaal achterhaald is. En hij is seksistisch… Toch ik kies voor hem.’

Nou, dat was hem dan.
‘En waar komt dit eigenlijk in?’

Propria Cures.
‘Aha, oké.’

Deze week geen pakkende openingszin of leuke inhaker – ik kom meteen terzake. Toen afgelopen week bekendgemaakt werd dat Raoul de Jong het boekenweekessay gaat schrijven, reageerde hij als volgt: ‘Ik moest huilen toen ik hoorde dat ik het volgende boekenweekessay mag schrijven, met snottebellen en geluid. Het is niet elke dag dat iemand zoals ik, een half Groningse, half Surinaamse, dansende schrijver, zo’n enorme eer ten deel valt. Sterker nog: ik ben de eerste boekenweekauteur met Surinaamse roots.’ 

Dat klinkt zo al belachelijk, maar u heeft nog geluk dat Propria Cures geen podcast is. Raoul de Jong praat namelijk alsof hij het Barlaeus heeft ingeslikt. Hij spreekt het woord ‘Surinaams’ uit niet alsof het over zijn afkomst gaat, maar over zijn favoriete filter op Thuisbezorgd. Als het klopt dat zijn voorouders uit Suriname komen, dan zullen ze vooral aan de geselende kant van de zweep hebben gestaan. Om het maar even aforistisch te zeggen: Raoul de Jong is de eerste zwarte man die aan blackface doet.

Of zoals zijn website het verwoordt: ‘Raoul de Jong (Rotterdam, 1984) reisde op zijn negentiende vier maanden door West-Afrika, overleefde vier maanden New York met vijftig dollar op zak en wandelde van Rotterdam naar Marseille uit naam van zijn hond Puck.’ Zelfs het mínst geprivilegieerde element in deze opsomming blijkt na doorvragen van een Parool-interviewer een geval van high-end house-sitting. ‘Op mijn 21ste vertrok ik met niet meer dan vijftig dollar naar New York. Ik mailde iedereen in Nederland: kennen jullie iemand die me hier kan helpen? Ik werd gekoppeld aan twee literair agenten, een koppel dat een logeerkamer overhad. Als tegenprestatie verzorgde ik overdag hun Yorkshireterriër.’ 

Vier maanden Manhattan om af en toe een hond uit te laten is voor normale mensen als u en ik bepaald geen straf – en al helemaal niet voor Raoul de Jong. Raoul was namelijk het joch dat vroeger op het schoolplein van elke tijdsspanne het equivalent ‘in hondenjaren’ moest berekenen. En waar ik vroeger zei bedoelde ik nu. Toen zijn eigen hond overleed wilde hij haar eigenlijk op Zorgvlied begraven. Het werd toch de achtertuin. ‘Mijn moeder kwam voor de afscheidsdienst terug uit Frankrijk. Ik deed mijn mooiste pak aan en hield een toespraak. Daarin beloofde ik Puck in mijn eentje te blijven doen wat we altijd samen deden. We reisden veel bijvoorbeeld. […] Zo zijn we in Parijs, Napels, Milaan en Rome geweest.’ Geloof me, ik wil niets liever dan dit citaat beëindigen, maar omwille van de samenhang moeten we toch nog even door: ‘Niet lang na Pucks dood hoorde ik in een droom een zinnetje: “Jij moet deze zomer naar Marseille gaan lopen.” Een week later heb ik de deur in Rotterdam achter me dicht getrokken en ben vertrokken, met Puck in gedachten.’

In plaats van zijn hechtingsstoornis aan een Oud-Zuid-therapeut voor te leggen ging Raoul duizend kilometer lopen. En alsof dat niet genoeg was, schreef hij er ook nog eens een boek over: De grootsheid van het al. Ondertitel: Een hedendaagse odyssee, want een wandeltocht ter nagedachtenis van je huisdier is vergelijkbaar met tien jaar lang op zee dwalen, een cycloop verblinden en bij thuiskomst allemaal troonpretendenten vermoorden, waarmee ik niet wil zeggen dat dat tweede beter is, maar wel een stuk minder gênant. Over gênant gesproken: De grootsheid van het al begint met een vijftal ‘STATUTEN VAN DE GEHEIME ORDE VAN PUCK’. Wie er dan nog in slaagt verder te lezen komt erachter dat Raoul de Jong ook voor deze reis op het familiekapitaal teert. ‘Ik checkte mijn saldo en ontdekte dat mijn opa zomaar, zonder reden, geld had gestort.’ Daarmee waren alle hotelovernachtingen op de route bekostigd, maar nog niet zijn regenjas en routekaart. ‘Ik belde de ANWB en The Northface en vroeg of zij me wilden sponsoren. Dat wilden ze.’ 

In het werk van Raoul de Jong zijn twee grote thema’s te ontwaren: infantiliteit en Suriname. En reizen op andermans kosten natuurlijk, al is dat wellicht eerder een motief. Hoe het ook zij, in zijn doorbraakroman Jaguarman, genomineerd voor Libris Literatuur Prijs en de European Union Prize for Literature, komt het allemaal samen. Ditmaal begint de ellende zelfs al in het colofon: ‘Dit boek werd mede mogelijk gemaakt door de Geheime Orde van Puck.’ In Jaguarman vertrekt Raoul de Jong naar Suriname om op zoek te gaan naar ‘een medicijnman die zichzelf kon transformeren in een jaguar’. Ergens weet Raoul zelf ook wel dat hij voor dit soort sprookjes te oud is, maar dat rechtvaardigt hij door, ja, door wat eigenlijk? ‘Ik weet niet of mensen in jaguars kunnen veranderen, maar ik weet wel dat de mensen die daar in geloofden ervoor zorgden dat het regenwoud, dat wij als mensen letterlijk nodig hebben voor ons voortbestaan, er vandaag de dag nog is, juist doordat ze in dit soort verhalen geloofden.’ Stap anders nog eens op het vliegtuig naar Paramaribo, Raoul. 

Het boekenweekessay is voor Raoul de Jong ook een kans om Jaguarman nog eens aan de man te brengen. Aan de witte man, vooral. ‘De voorafgaande twee jaar had ik steeds gezocht naar manieren om mensen ervan te overtuigen dat mijn boek Jaguarman niet alleen bedoeld is voor Surinamers, maar voor iederéén, ongeacht huidskleur. […] Ik was er best moe van om steeds te moeten uitleggen dat zo’n onderwerp interessant is voor álle mensen. […] Dankzij het boekenweekessay is het net alsof ik een zwaard in mijn hand heb gekregen en een kroon op mijn hoofd.’ En waar gaat het boekenweekessay van Raoul de Jong over? ‘Het is een avonturenverhaal. In een droom kreeg ik te horen dat ik moest gaan zeilen. Die droom heb ik serieus genomen: ik ben naar de Caraïben gevlogen en op een schip gestapt.’ Misschien kunnen de stemmen in zijn dromen hem voor de verandering eens vertellen wat een essay is. En, als ze dan toch bezig zijn, waarom niet iedereen zijn boeken leest. Ongeacht huidskleur.

AG

Men zegt weleens dat kinderen het meest kritische publiek zijn. Eigenlijk zijn het vooral kinderboekenschrijvers die dat zeggen. Guus Kuijer bijvoorbeeld, toen hij genomineerd werd voor de AKO Literatuurprijs: ‘Kinderboeken schrijven is moeilijk, dus toen ik 65 werd dacht ik: nu ga ik voor grote mensen schrijven.’ En een jaar eerder, op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Voor mijn gemak sta ik mezelf toe voor u te schrijven.’ En een aantal jaren later, wederom op Twitter: ‘Waarom ik geen kinderboeken meer schrijf? Omdat dat moeilijk is. Ik gun mezelf het gemak voor u te schrijven.’ Is hier sprake van vergevorderde dementie of van een uitzonderlijk goed geheugen? 

Wat Guus Kuijer in elk geval verzwijgt, is dat hij al eens ‘voor grote mensen’ heeft geschreven. Begin jaren zeventig publiceerde hij twee verhalenbundels en een roman. Pas daarna is Guus Kuijer kinderboeken gaan schrijven. Kennelijk waren de recensies hem nog niet kritisch genoeg, ook niet toen bijna-naamgenoot Guus Luijters in Het Parool schreef dat zijn debuut, dat van Guus Kuijer dus, ‘bijzonder weinig hoop voor de toekomst geeft. Het is een boek om zo weer te vergeten en dat lukt moeiteloos.’ Zijn tweede boek had volgens Ad Zuiderent in Trouw ‘te weinig om het lijf’ en zijn derde grotemensenboek werd niet meer gerecenseerd. Kinderboekenschrijvers zijn eigenlijk altijd mislukte schrijvers. 

Zijn comeback als grotemensenschrijver, veertig jaar later, pakte Guus Kuijer handiger aan. Hij nam het bestverkochte boek aller tijden en zette er ‘voor ongelovigen’ achter. Athenaeum – Polak & Van Gennep wilde het wel uitgeven, in zes delen à € 22,99 per stuk zelfs, en daarna natuurlijk een mooie editie met alle delen ineen. ‘Een originele, literaire onderneming die zijn weerga niet kent,’ schreef Joost de Vries in De Groene Amsterdammer. Volgens mij kent de literaire onderneming van Guus Kuijer wel degelijk een weerga: de Bijbel voor gelovigen. Je zult maar naar je leeglopende kerk op weg zijn, langs een boekhandel komen die op zondag geopend is, en daar De Bijbel voor ongelovigen als absolute bestseller in de vitrine zien liggen. 

En dat is precies waar het Guus Kuijer om te doen is. Als kind heeft hij God bij herhaling om nieuw speelgoed gevraagd, maar zijn gebeden werden nooit verhoord. ‘Ik had het gevoel dat niemand luisterde. Huilen moest ik daarvan.’ Nu neemt Guus Kuijer wraak. ‘Ik zie de Bijbel als een waardevol erfstuk, de basis van onze cultuur. Ik begrijp dat mensen vroeger geloofden in hogere machten, de wetenschap was immers nog niet vergevorderd,’ bijt hij een journalist van het Nederlands Dagblad (‘Christelijk betrokken’) toe. Guus Kuijer weet het zeker: de Hof van Eden was een goed onderhouden tuin op het zuiden, de Zondvloed een klimaatramp, de Tien plagen tien klimaatrampen, Mozes een omhooggevallen badmeester en God bestaat niet.

Gaat Guus Kuijer ook het Nieuwe Testament navertellen, hoort Guus Kuijer u denken. ‘Sommige mensen denken dat ik ook nog het Nieuwe Testament ga navertellen. Ik denk van niet, want ik heb nogal een afkeer van een God die zijn zoon laat doodmartelen aan een kruis en die dat ziet als een daad van liefde voor de mensheid,’ schrijft hij in de Volkskrant. Maar God bestond toch niet? Waarom is die God van het Nieuwe Testament dan ineens zo’n probleem? Guus Kuijers Genesis, waarin God dus door Adam wordt bedacht, biedt uitsluitsel. Daar staat namelijk: ‘Het begon met een woord. Het was een woord dat zomaar in mijn hoofd opkwam en nergens bij hoorde. En dat woord was: God.’ In de eerste zinnen van zijn hervertelling plagieert Guus Kuijer al een andere hervertelling: die van de evangelist Johannes, uit het gedeelte van de Bijbel dat hij niet gaat navertellen. 

Dit alles valt in het niet bij de tweets van Guus Kuijer. 11 juli 2022: ‘Ik heb mijn leven lang mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 10 april 2021: ‘Als je kinderboeken hebt geschreven word je gelukkig niet gezien als “een belangrijke schrijver’’. Daar ben ik wel blij om.’ 24 maart 2021: ‘Ik heb mijn best gedaan om schrijver te worden en geen BN’er. Dat is gelukt.’ 11 oktober 2020: ‘En God sprak: “Ik ga niet naar de kerk. Ik kijk wel uit. Zelfs niet in Staphorst. Ik lees De Bijbel voor ongelovigen van Guus Kuijer, want dat boek is een avontuur.”’ 

Hier is geen sprake van vergevorderde dementie en ook niet van een uitzonderlijk goed geheugen, maar van een vergevorderd en uitzonderlijk minderwaardigheidscomplex.

AG

Elke avond mag mijn oma kiezen. Ze eet apart van de groep met een echt mes en een echte vork, of ze schuift met plastic bestek aan bij de anderen. Na een reeks gewelddadige incidenten met medebewoners konden de verzorgers niet anders. De kinderen van de slachtoffers hadden het in een brief namens hun ouders geëist.

Ik heb de brief gezien, hij was zonder ironie ondertekend met ‘De Slachtoffers’. Het personeel had nog voorgesteld om iedereen met plastic bestek te laten eten, maar daar wilde de Stichting voor Slachtoffers van Mevrouw Hogeling niet aan. Omdat er één bewoner was met een agressieprobleem, moest de rest zich aanpassen? Geen sprake van. 

Bij de brief zaten foto’s van de verwondingen die ze zou hebben aangericht. Forse blauwe plekken op armen, benen, bij één man zelfs net onder het oog. Maar wat zegt dat op die leeftijd? Hun huid is zo dun geworden dat je het bloed door hun aderen ziet stromen. Als ze hoesten kan hun aorta knappen. Die dingen gebeuren. 

Voor mijn oma maakt het allemaal weinig uit. Ze maakt elke dag de keuze alsof ze die voor het eerst maakt. De verzorgers zijn er handig mee, ze weten het zo te spelen dat het dilemma een extra service lijkt. Wilt u de jus erop of ernaast? Wilt u straks chocoladevla, vanillevla of door elkaar? Wilt u met de groep eten met het groene bestek of liever even lekker alleen met het zilveren bestek? Meestal eet ze met zilver. 

Vandaag kan het niet op, ze eet met zilver én met de groep. Ik fungeer als een soort blauwhelm tussen haar en de huisgenoten. We eten draadjesvlees met doperwtjes, krieltjes en appelmoes. ‘Goor’, zegt ze terwijl ze op hoog tempo het vlees naar binnen schuift. Als het vlees bijna op is, begint ze te schreeuwen: ‘Mevrouw, ik moet dit niet. Het lijkt wel stront! Gadverdamme! Neeee, ik wil dit niet! Haal het bij me weg! Heeeeelp!’ 

Het gebeurt vaker, haar kinderen schamen zich ervoor. Ik niet, ik ben altijd trots geweest op mijn lompe oma. Mijn beschermde leventje in een klein dorp had weinig ruigs, maar mijn vader, haar zoon, komt tenminste uit een echt arbeidersnest. Waar je met z’n allen uit één pan at en waar de kinderen én de vader werden geslagen door moeder. Haar gescheld, haar handel in konijnenbont – de kelder onder het huis stond vol met veel te kleine hokken – de wietplantages op zolder, de burenruzies, de veroordelingen voor winkeldiefstal: het is ook een beetje míj́n afkomst. Het geeft me karakter, terwijl ik er niet voor heb hoeven lijden.

Als je haar gejengel geen aandacht geeft, stopt ze vanzelf weer en eet ze haar bord leeg. Ik pak mijn telefoon en maak een selfie met haar. Ze lacht als een puber die op de schoolfoto moet. ‘Flikker toch op met dat ding.’ Ik maak er een instagramstory van: ‘Wij tegen de rest! #mattiesforlife #nietaltelangmeerdus’. 

Ik proef dat het bejaardenvoedsel niet veel slechter is dan de magnetronmaaltijden die ik zelf vaak eet, en zie dat een van de vrouwen aan tafel me strak aankijkt. Ze trilt. Misschien is ze boos, heeft ze het koud, zit haar luier vol of trilt ze altijd.

– ‘Ik zie het wel, jongen.’

– ‘Wat ziet u wel, mevrouw?’ 

– ‘Jij bent er eentje, ik zie het wel.’ 

– ‘Ja, ik ben er eentje’, zeg ik vrolijk.

– ‘Een rat ben je.’

– ‘Nou, nou, dat hoeft ook weer niet mevrouw.’ 

– ‘Jij bent een jood! Een jood ben je.’ 

Nog voor ik kan reageren voel ik een klodder lauwwarme drab op mijn nek landen. Mijn oma begint te lachen. ’Sorry jongen. Ach sorry, kom hier.’ Met een vies servetje smeert ze de appelmoes uit over mijn nek. Ze stopt haar halfslachtige schoonmaakklus als de nazipensionado weer begint te praten: 

– ‘Wat doe jij hier, jij hoort hier niet! Jood!’ 

– ‘Ze hadden jou moeten vergassen, kankerwijf’, snauwt mijn oma. Dat is het aardige van haar dementie, ze leeft heerlijk in het moment. Bij vlagen kan ze behoorlijk ad rem uit de hoek komen.

Ik probeer de boel te sussen. ‘Dames, dames, ik ben helemaal niet joods en er gaat hier dus ook helemaal niemand worden vergast, oké?’ 

De vrouw lijkt gerustgesteld en eet verder. 

– ‘Nou, dát was weer gezellig, of niet? Mevrouw Hogeling, wat hadden we nou afgesproken?’, zegt een vrouw van achterin de 50 die met botox lijkt te willen voorkomen hier zelf ooit te moeten wonen.

– ‘Wat krijgen we nou?’, zeg ik. ‘Zij maakt mij uit voor vuile rat en vuile jood, en dan hebben wij het gedaan?’ 

– ‘Meneer Hogeling, er wordt hier wel meer gezegd, maar er is er maar eentje die met eten loopt te smijten.’

Ik heb wel eens gehoord dat je iemand het beste kunt overtuigen door gewoon je mond te houden. Bij mij werkt het in elk geval. ‘Maar u heeft gelijk, sorry’, zeg ik. ‘Oma, we gaan niet meer met dingen gooien, goed?’ Mijn oma zet het kinderstemmetje op dat haar kinderen zo haten. Niemand weet waarom ze het doet, maar het is erg manipulatief. ‘Oké meneertje koekepeertje.’ Ze kijkt even naar het slagveld op haar bord, alweer vergeten dat ze het zelf heeft aangericht. 

– ‘Wie ben jij?’, vraagt ze, nog steeds op het kindertoontje.

– ‘Ik ben Thomas’, zeg ik. ‘De zoon van Joop!’ 

Ze kijkt me glazig aan, dan lacht ze. ‘Ach, wat gezellig. Ik heb thuis ook een Ongelovige Thomas en een Joop de Doop. Maar die zijn nog maar klein.’

Je kunt veel van haar zeggen, maar niet dat ze niet bijbelvast is. 

Thomas Hogeling

Voor wie er nog aan twijfelde: ook vrouwen zijn in staat tot verkrachting. Geef ze een toetsenbord, vraag ze om over seks te schrijven en het is alsof je Ted Bundy, Jack the Ripper en Marc Overmars samen een gangbang laat organiseren. Geen pik zou je een meer uitgewoond gevoel kunnen geven dan het legio vrouwen dat momenteel op een vlotte manier over neuken probeert te schrijven.

Daarbij gebruiken ze dus gewoon woorden als ‘neuken’. Ja, heel direct misschien, maar volgens deze vrouwen is het echt tijd dat het taboe op seks – en vooral vrouwen die seks hebben! – nu eens wordt doorbroken. In de praktijk komt dit erop neer dat ik het afgelopen jaar in 28 columns uitgelegd heb gekregen hoe mijn clitoris eruitziet. Die (iedere sekscolumnist zou hier ‘zij’ schrijven en opmerken dat clitoris immers een vrouwelijk woord is) ziet eruit ‘als een soort zwaantje’, aldus sekscolumnist van de Volkskrant Joy Delima. Geen verkleinwoord had de buitensporige tuttigheid van dit genre beter kunnen typeren. 

Die tuttigheid is een veel groter probleem dan de orgasmekloof. Behalve Joy Delima hebben ook Linda Duits, Marith Iedema, Linda de Munck, Marie Lotte Hagen, Nydia van Voorthuizen, Daan Borrel, Dorien van Linge, Milou Deelen en Nina de la Parra zich op het onderwerp gestort. Joy Delima wil ‘seks niet langer als een geheim behandelen’. Linda De Munck omschrijft zichzelf als ‘feminist en taboe-doorbreker’. Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen spreken van ‘een taboe op het ownen van je seksualiteit’. Linda Duits wil een einde maken aan ‘het taboe op seks en op het praten over seks’. En volgens Milou Deelen is als vrouw praten over seks ‘nog erg taboe’. 

Hoe willen ze dat zogenaamde taboe dan doorbreken? Met columns die zo saai en voorspelbaar zijn als een vijftienjarige jongen die een meisje in het fietsenhok vingert. Met proza dat even krampachtig is als vaginisme en even ranzig als chlamydia. In dit jargon heet geil worden ‘van je stoel glibberen’. Borsten zijn ‘boobs’ of, erger, ‘boobies’. Mannelijke orgasmes heten ‘zaadpompsessies’, en een vrouwelijk orgasme is ‘een soort vulva-nies’ (‘je voelt ’m opkomen en je hoeft het enkel toe te laten’). Ik ben even royaal met de aanhalingstekens, want ik heb niks met dit alles te maken.

Bleef het maar bij een paar onsmakelijke neologismen. Maar nee, die woorden staan in complete, nog veel afschuwelijkere zinnen. Joy Delima vindt dat mensen voor ze met elkaar naar bed gaan de vraag moeten stellen: ‘In wat voor seks heb je zin vandaag?’ Immers: ‘Als ik iemand uitnodig om voor het eerst bij mij te komen eten, dan vraag ik toch ook altijd wat iemand graag eet.’ Ieder normaal mens zou gewoon z’n best doen en de ander proberen te verrassen. Ook Marie Lotte Hagen en Nydia van Voorthuizen houden niet van verrassingen. In het voorwoord van hun erotische verhalenbundel Damn Horny (‘Voor je begint met masturberen, eerst nog even dit…’) geven ze alles alvast weg. ‘Verwacht dikke konten, strap-ons en packers, geile dominante vrouwen en non-binaire personen die weten wat ze willen, klungelseks, communicatie in bed, spank sessies en nog veel meer.’ Hoeveel mensen zouden al eens met iemand mee naar huis zijn gegaan omdat diegene ze ‘communicatie in bed’ en ‘non-binaire personen die weten wat ze willen’ beloofde? En hoeveel zouden daarop zitten te wachten? ‘Al die burnt-out, overworked, overachieving girls moeten klaarkomen. God heeft de clitoris geschapen FOR A REASON. Dus, schreeuw samen met mij onze mantra: MAKE WOMEN COME. HEAL THE WORLD,’ aldus Nina de la Parra in haar debuut. ‘HEAL THE WORLD’? Heal je capslockknop, gek! 

Als al deze vrouwen echt geïnteresseerd waren in taboes doorbreken hadden ze wel een biologieboek voor de onderbouw geschreven. Daar valt natuurlijk niet genoeg eer aan te behalen. Dus publiceren ze betuttelende manifesten bij Das Mag of Pluim, en columns bij De Correspondent of Volkskrant Magazine die alleen worden gelezen door hun vrienden en andere bezoekers van Milkshake. Kortom, door iedereen die alles wat zij opschrijven ook zelf wel had kunnen bedenken. 

Het zijn godbetert net mannen: allemaal precies hetzelfde. Als ik nog één keer hoor dat ik moet kunnen lachen tijdens seks, dat wij vrouwen natuurlijk best in staat zijn zelf de deur open te doen, dat poepen tijdens een date echt heel normaal is, dat ik met een spiegeltje naar mijn kut (wederom helemaal geen woord om je voor te schamen natuurlijk) moet kijken, dat het aan mij is om te bepalen of ik mijn oksels wel of niet scheer of dat seks veel méér is dan alleen penetratie, vraag ik een vrouwenbesnijdenis aan.

TS

Archief