TS

Ooit bestond er iets als schaamte. Tegenwoordig bestaat het nog steeds, maar is het iets wat besproken moet worden in plaats van verzwegen. Daarom schreef de zieke auteur Thomas Heerma van Voss een semi-autobiografische roman over een zieke auteur die een semi-autobiografische roman schrijft over een zieke auteur. Thomas schaamt zich niet voor dit gegeven, maar wel voor zijn darmziekte. Helaas schaamde hij zich net niet genoeg om weg te blijven bij NPO Radio 1, waar hij en zijn boek worden geïntroduceerd door presentatrice Mieke van der Weij. ‘In Condities leert Vincent Pek zich verhouden tot het leven, zijn verleden, en het samenwonen met zijn geliefde, wat wordt overschaduwd door een chronische darmziekte. Daarbij zijn onverwachte hevige buikpijn en dunne ontlasting nooit ver weg. Goedemorgen Thomas!’

Goedemorgen Thomas, vertel ons eens wat er de afgelopen tijd allemaal uit je pen en je anus is gekomen. Normaal gesproken zijn lezers gek op semi-autobiografische romans: aan het achterhalen welke passages wel en niet precies zo zijn gebeurd beleven ze meestal meer plezier dan aan het boek zelf. Dat het bij Condities niet zo werkt, heeft een simpele verklaring, die heel helder naar voren komt in de volgende korte dialoog tussen Mieke en Thomas. T: ‘Er hangt een enorm taboe rond darmziektes. Het gaat over poep, dat vinden mensen vies.’ M: ‘Het stinkt.’ T: ‘Precies, het stinkt.’ Daar zijn we het dan allemaal over eens. Als Daan merkt dat de aloude marketingtruc van het semi-autobiografische verhaal niet aanslaat, besluit hij zelf maar een tipje van de sluier te lichten. ‘Bij mij is de ziekte niet zo erg als bij mijn protagonist, hoor.’ Ja ja, dat zal wel. En wie moet dat gaan controleren? Wat in ieder geval zeker is, is dat Thomas net als zijn hoofdpersoon het schrijven even helemaal niet meer zag zitten. ‘Al jaren zwoegt Vincent Pek op een boek dat maar niet wil komen.’ Een typisch geval van obstipatie: hij perst en perst en het komt er maar niet uit.

Thomas’ writer’s block bleek te worden veroorzaakt door zijn chronische darm block. Wilde hij wel met zijn ziekte naar buiten treden? Was het niet gewoon beter om erover te zwijgen? Ook wist Daan helemaal niet zeker of hij als zoveelste jonge schrijver een semi-autobiografisch werk door de strot van het lezerspubliek wilde duwen. Hij zag zelf ook heus wel de achterlijkheid in dit plan. Toch hebben wij nog minder aan deze twijfels dan een crohnpatiënt aan een Rennie. Dat boek moest er blijkbaar uiteindelijk gewoon komen. ‘Waarom wilde je dit verhaal schrijven?’ vraagt Mieke hem. Dit is de enige vraag die ertoe doet: wáárom? Thomas geeft twee redenen. Eén: hij heeft zelf al jaren last van deze kwaal. Dat is natuurlijk hartstikke jammer voor hem, maar nog geen reden om anderen ermee lastig te vallen. Twee: het leek hem interessant om een boek te schrijven over een hoofdpersoon die zich dag in dag uit moet verhouden tot een relatief lullig mankement. Helaas heeft Hanna Bervoets dit boek al geschreven, maar dan zonder drollen en diarree. Het is vorig jaar verschenen en heet Welkom in het rijk der zieken. Of Daan was hier niet van op de hoogte, of hij moest blijkbaar per se zijn eigen kolonie voor darmpatiënten stichten.

Zelf beweert Thomas dat hij geïntrigeerd was door het ongemakkelijke van zijn ziekte en de onmogelijkheid om met familie en vrienden over je uitwerpselen te praten. Kortom: stront is het unique selling point van zijn boek. Nu kunnen we wel doen alsof het nobel is dat Daan ondanks al het ongemak gewoon een roman over zijn darmklachten schrijft, maar wat leren wij ervan? Dat mensen poep een ingewikkeld gespreksonderwerp vinden? Dat het stinkt? Dat had Mieke van der Weij je ook zo wel kunnen vertellen! Toch is Daan ervan overtuigd dat hij iets unieks in handen heeft. ‘Deze darmziekte is natuurlijk heel nutteloos. Het is niet zo dat je door tien jaar buikpijn te hebben uiteindelijk een beloning krijgt of dat er een gouden berg aan het eind wacht. Er is ook geen oplossing. Voor heel veel ziektes geldt: erop of eronder, maar dit blijft altijd.’ Zie hier Thomas’ tragiek: je hele leven moeten lijden aan een ziekte waar je niet eens dood aan gaat. Had hij maar gewoon kanker, of iets anders waar je je werk en sociale leven voor op moet geven om aan het eind van de rit een pot goud of vergulde kist te ontvangen.

Thomas’ gebrek aan realiteitszin is nog vele malen gênanter dan welk poepverhaal dan ook. Dat blijkt ook weer als Mieke en haar co-presentator Peter de Bie aan het eind van het interview toch nog iets vinden waarvan ze wel willen weten of het nou allemaal echt waar is. ‘Die scènes met die uitgever, daar heb ik echt van genoten, die wandelende marketingmachine met louter ronkende teksten.’ Blijkbaar zijn Mieke en Peter nog niet op de hoogte van Thomas’ overstap naar Das Mag, anders hadden ze niet hoeven vragen of die uitgever in het echt ook zo’n opportunistische klootzak is. Thomas moet even zenuwachtig lachen en antwoordt dan dat hij het in eerste instantie wel wat onbeschoft vond toen zijn nieuwe redacteur over zijn ziekte zei dat daar sowieso ‘een verhaal in zit’. ‘Maar een jaar later dacht ik: die ziekte is er nou eenmaal, dan kan ik hem net zo goed gebruiken voor mijn werk.’ Daan, ga je schamen.

TS

Thomas Heerma van Voss, Condities. Das Mag, €24,99.

In museum Meermanno in Den Haag is momenteel een tentoonstelling over foute boeken te zien. Het Groote Negerboek, Het Kerstjoodje, Moeder, vertel eens wat van Adolf Hitler en het volledige werk van Annie M.G. Schmidt liggen tot maart 2020 in grote vitrines opgebaard. Pas als we ons er allemaal nog één keer aan hebben verlekkerd wordt de boel in de hens gestoken. ‘Bezoekers mogen ook zelf aangeven welke boeken zij niet meer vinden kunnen,’ aldus een trotse persvoorlichter. Ja, laat de gewone man het vuile werk maar weer opknappen. Ik kan alvast zeggen dat de curator de foutste werken is vergeten: Het Grote Foute Jongens Boek (Deel 1 en 2) van Arthur van Amerongen en Rob Hoogland.

Het zou natuurlijk chic zijn als auteurs van titels als 10 kleine nikkertjes toegaven dat hun boeken niet meer kunnen en hun NS Publieksprijzen zouden inleveren. Dat doen ze niet, niet in de laatste plaats omdat ze dood zijn, maar ook omdat ze weten dat die boeken daar echt niet subtieler van worden. Hier gaat het mis bij Van Amerongen en Hoogland. In de titel aankondigen dat je fout bent (alsof dat niet al voor zich spreekt als je jezelf op die leeftijd ‘jongen’ noemt) maakt je niet minder fout. Ik heb medelijden met de bescheiden bureauredacteur die moet hebben opgemerkt dat het toch zeker ‘jongensboek’ zoals in Het Groote Negerboek moest zijn, en niet ‘Jongens Boek’, met al die rare hoofdletters. ‘Nee!’ zullen de auteurs hebben gebruld. ‘Het gaat erom dat wij, de jongens, fout zijn!’ Dan nog klopt er natuurlijk niks van die titel. Pijnlijk, zeker omdat de heren zich helemaal gek kunnen ergeren als zo’n malle migrant weer niks van het ex-kofschip heeft gebakken. ‘Wij zijn taalnazi’s,’ aldus Hoogland. Laat dat taal maar gerust weg.

De foute titel heeft het tweede foute boek gehaald. En waarschijnlijk gaat hij ook het derde deel halen, want in het laatste hoofdstuk kondigen Van Amerongen en Hoogland aan dat dat er gaat komen. Zover is het gelukkig nog niet, maar de tijd dat de heren zich beperkten tot hun paar vierkante centimeters in de krant ligt ver achter ons. Voordat de twee elkaar op Facebook leerden kennen leefde Van Amerongen een rustig bestaan op zijn slangenboerderij in de Algarve. Iedere ochtend stond hij vroeg op om zijn dieren te melken en later op de dag het gif te nuttigen. Soms was het wat meer en mailde hij het stuk dat hij na de inname schreef naar HP/De Tijd, soms was het minder en mailde hij de Volkskrant. Zijn eigen reptielenkop liet hij maar zelden zien in Nederland. Ondertussen bestierde Hoogland 2500 kilometer verderop een column in De Telegraaf. Hij was bijna toe aan zijn 7000ste stukje en, eerlijk is eerlijk, hij zat zich weleens te vervelen in zijn study. Dan gooide hij wat pijltjes naar een dartbord, of hij gooide for old times’ sake zijn gestrekte rechterarm met vlakke hand schuin de lucht in, grinnikend omdat dat natuurlijk echt niet kon. Een spiegel had hij niet, want naar eigen zeggen schrok hij zich een hoedje als hij erin keek – en terecht. Hadden de makers van The Exorcist Emile Roemer als Regan gecast, dan had Hoogland het meisje in haar demonische staat moeten spelen.

Volgens hun uitgeverij Pepperbooks zijn er opvallende overeenkomsten tussen Van Amerongen en Hoogland: ‘humor, spitsvondigheid en maling aan politieke correctheid’. Een mens vraagt zich af waarom het nog zo lang heeft moeten duren voordat deze dolende zielen elkaar vonden. Het is prachtig dat de twee elkaar nu kunnen complimenteren met hun ‘vlotte pennetje’, maar jammer dat ze daarbij menen een lezerspubliek nodig te hebben. En wij moeten dat allemaal maar normaal vinden. Sterker nog: volgens Pepperbooks moeten we er lol aan beleven. ‘Van Amerongen en Hoogland zeggen onverbloemd wat ze vinden en passen daarbij vaak het stijlmiddel van de satire toe.’ Het hele punt van satire is dat je juist niet onverbloemd zegt wat je ergens van vindt. Maar goed, iedere mongool maakt weleens een foutje en we snappen heus wel wat de heren in hun boek hebben geprobeerd. Om hun foute meningen wat cachet te geven hebben ze deze verpakt in archaïsche taal die meteen het hele boek onverteerbaar maakt. Het is ‘ofschoon’ dit, ‘derhalve’ dat. Ook vousvoyeren de heren elkaar en wordt de tweede naamval in hun boek vaker gebruikt dan maandelijks in de vrijstaat Beieren. In het eerste deel maakten de tekeningen van Gabriël Kousbroek nog een hoop goed, maar dat plezier is ons in deel 2 ontnomen. In plaats daarvan worden we opgezadeld met een voorwoord van Leon de Winter, die Van Amerongen en Hoogland niet kent en hun boek niet heeft gelezen maar desondanks heel blij is dat het nu bestaat.

Als er op het omslag van een boek staat dat ‘alle denkbare onderwerpen de revue passeren’ weet je dat het nergens over gaat. Nou ja, wel over goede vriend Theo Hiddema natuurlijk. En over Hooglands reisjes naar Pattaya. ‘Er gebeuren merkwaardige dingen, daar in Thailand.’ Gierend schrijft Van Amerongen dat hij nog wel wat andere #MeToo-achtige verhalen over ‘oom Rob’ kan vertellen. Doet hij natuurlijk niet. Nee, liever schrijven de heren over de buitenlanders, want daar mag ook weleens wat over worden gezegd. Of die vrouwen die allemaal willen klaarkomen. Waar is dat nou weer goed voor? vraagt Rob dan. Arthur kan het hem niet vertellen. Je hoeft ook niet alles te weten. Soms is het al genoeg om te schrijven dat je trek hebt in een haring of een goed glas jenever. Eigenlijk kunnen Van Amerongen en Hoogland alles opschrijven wat ze willen. Jongens zijn het, maar foute jongens.

TS

Arthur van Amerongen en Rob Hoogland, Het Grote Foute Jongens Boek Deel 2. Pepperbooks, €19,99

Ik heb me voorgenomen niet meer over vrouwen te schrijven. In het vorige nummer beoordeelde BN ene Stefanie Koorneef met ‘een krappe zes en een half’, deze week vond ik een stuk op de redactie-mail met als onderwerp ‘700 woorden marxistisch racisme en seksisme van BN’. Dat ik hier als vrouw iets tegenover moet stellen is me duidelijk, zeker als ik wil dat Marja Pruis me blijft groeten in de wandelgangen van De Groene. Maakt u zich dus geen zorgen: dit stuk gaat niet over vrouwen. Het gaat over meisjes. De Kunstmeisjes om precies te zijn, want zo heet dit collectief van dertigers.

‘Kunstmeisjes met manuscript.’ 1885, olieverf op doek, 81 x 96 cm.

Wat zijn kunstmeisjes? Geen acrobates, leden van knutselclub CreaBea of weduwen van Anton Heyboer. Kunstmeisjes zijn vrouwen die kijken naar kunst en erover bloggen. Of er een boek over schrijven, want zoals Hitler, Mao en Monica Geuze lieten zien moet het kwaad zich vroeg of laat tussen twee kaften nestelen. ‘Kunstmeisje is een lichtelijk denigrerende naam’, zo geven de drie blog-oprichters Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra toe. ‘Er heerst een bepaald stereotiep beeld van jonge vrouwen als gallerinas in de kunstwereld. Wij willen de ironische naam ‘kunstmeisjes’ reclaimen en er een andere betekenis aan geven.’ Als het patriarchaat je beledigt kun je je verzetten, of dankbaar zijn dat je zelf geen originele naam meer hoeft te verzinnen.

 

De term ‘kunstmeisje’ zou inderdaad ironisch zijn als Kooiman, Maciesza en Schuiten-Kniepstra lieten zien dat je als ‘meisje’ kunstgeschiedenis kunt studeren, als conservator bij het Stedelijk kunt werken of als curator bij het Rembrandthuis. Kortom, dat je met je beperkte stemvolume toch boven Jasper Krabbé uit moet proberen te schreeuwen. Maar wat er nog ironisch is aan de naam kunstmeisjes als je Rembrandt onophoudelijk je ‘BFF’ noemt of een zin noteert als ‘We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: je bent aan het daten en je bent smoorverliefd’, dat wordt niet duidelijk. Wil dit trio zich per se van ironie bedienen, dan kunnen ze beter kiezen voor de titel Les Connoisseurs des Beaux Arts. Met hun thematiek zal het marmeren beeld van ‘oppervlakkig hertje dat vooral goed is in champagne drinken tijdens openingen’ hoe dan ook niet omver worden geworpen. (Het is mij trouwens volledig onduidelijk waarom je zo’n gevaarlijke uitspraak zou doen – gratis drank is toch wat de kunsten nog een beetje de moeite waard maakt.)

Hoewel De Kunstmeisjes het hoog tijd vinden dat ze eens serieus genomen worden, zijn ze de eerste om toe te geven dat hun boek eigenlijk niet serieus is. Op grond waarvan we ze dan wel ernstig moeten nemen blijft vaag. Wat hun betreft is De Kunstmeisjes – Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken niet bedoeld voor kenners, maar mogen die het, zo lezen we in het voorwoord, wel kopen, ‘al is het maar als artistiek-literair verantwoorde deurstop’. Meisjes toch! Moet dat nou? Nog even en ze schrijven dat kunstkenners zich met dat boek wel even op hun lichamen mogen afreageren. In hetzelfde voorwoord lezen we waarom De Kunstmeisjes ondanks hun missie vrouwen als volwaardige mensen op de kaart te zetten toch af en toe dit soort taal uitslaan: ze maken graag gebruik van ‘een vleugje humor’. Humor! Dat hebben meisjes helemaal niet! Daar durfde het volledig vrouwelijke redacteurenbestand van Meulenhoff zeker niet over te beginnen.

Als De Kunstmeisjes niet is geschreven voor kenners, is het niet zo moeilijk te bedenken wie er dan de klos zijn: wij leken. In een interview in Het Parool zegt een van de schrijfsters dat het doel was om ‘toegankelijk over kunst te schrijven’. Algemene tip: waar het woord ‘toegankelijk’ staat, kunt u eigenlijk altijd ‘achterlijk’ lezen. Neem de eerste zin van het tweede hoofdstuk: ‘Een geslaagde selfie maken is alsof je midden in de nacht dronken een bestelling bij de lokale snackbar doet: alles erop en eraan, met extra saus.’ Bent u er al klaar mee? U bent niet de enige. Deze kwelling gaat nog pagina’s door, om uit te komen op de volgende conclusie: niet Kim Kardashian is de ‘Queen of Selfies’, maar Rembrandt. Als Rembrandt dat had geweten had hij al zijn zelfportretten in de gracht gegooid. Ander voorbeeld: om aan te geven dat de kunstenaar Daan van Golden schoonheid in huiselijke details zocht, wordt de volgende introductie over de lezer uitgestort: ‘Het is een kunst op zich: de kleine dingen in het leven waarderen. Wanneer je bijvoorbeeld een regenboog ziet. Of waar Willy Alberti al over zong: de glimlach van een kind.’

Waarom moet het toch allemaal zo dom? De Venus van Botticelli kruipt van schaamte terug in haar schelp, de Mona Lisa slaat na vijfhonderd jaar haar ogen neer. Als je lezers echt zo nodig wil enthousiasmeren, vertel dan gewoon iets interessants in plaats van steeds een knieval te maken omdat je denkt dat de mensen dat leuk vinden. De Kunstmeisjes hebben heus zinnige dingen te melden: ze adviseren je om wat langer naar een kunstwerk te kijken, om überhaupt eens naar een museum te gaan, en om niet meteen alle bijbehorende bordjes te lezen. Mijn advies: lees ook hun boek niet.

TS

De Kunstmeisjes, De Kunstmeisjes, Meulenhoff, € 22,99

 

 

De Levenseindekliniek in Den Haag heeft drukke weken achter de rug. Waar de psychologen normaal gesproken zo’n acht verzoeken per maand behandelen, mocht het team naar aanleiding van misplaatste nieuwsberichten (‘Dutch Teen Allowed To Die At Home’) in één week 41 euthanasietoeristen te woord staan. Hoewel de kliniek beweert alle binnenkomende verzoeken zeer zorgvuldig te behandelen, zouden deze gevallen toch niet al te ingewikkeld moeten zijn. Het gaat hier om mensen die blijkbaar niet eerst uit eigen beweging het internet zijn opgeklommen, maar die toevallig naar Fox News zaten te kijken en dachten: dat lijkt mij ook wel wat. Dat buitenlandse media en ThePostOnline de dood van een zeventienjarig meisje aangrijpen om euthanasie in een kwaad daglicht te stellen is hoe dan ook verschrikkelijk. Euthanasie is juist iets prachtigs, iets wat na jaren lijden eindelijk verlichting brengt. Vooral als het wordt toegepast op, bijvoorbeeld, Hendrik Groen.

Het is inmiddels vijf jaar geleden Groens debuut, Pogingen iets van het leven te maken, het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar, met de snelheid van een opgevoerde scootmobiel de bestsellerlijsten beklom. Stopte hij nou maar eens met pogen. Helaas, op de kaft van de vijfenveertigste druk worden we nog altijd gewaarschuwd: ‘Hendrik Groen mag dan oud zijn, hij is nog lang niet dood en niet van plan zich eronder te laten krijgen.’ Ik ben ervan overtuigd dat zelfs Groen na de juiste hoeveelheid morfine wel anders zou piepen. Dat niemand de inmiddels bijna 90-jarige daar eens een handje bij komt helpen, komt doordat Groen verkoopcijfers voortbrengt waarmee Hugo de Jonge de hele zorgsector naar het niveau van een private kliniek in Qatar kan tillen. Voorlopig zal Meulenhoff dus geen middel schuwen om Groen in leven te houden en bij ieder voorschot voor een nieuw boek ook een karrenvracht aan glucosamine en chondroïtine afleveren om de artrose in zijn vingers te lijf te gaan. Want schrijven zal die bejaarde gek.

Zodoende heeft de succesformule dit jaar een nieuw boek uit zijn broze botten weten te schudden. Een kleine verrassing heet het, daarmee beslist niet doelend op de thema’s die erin aan bod komen. Klagende senioren, een graaiende directie en volgepiste luiers: dat demente bejaarden hier hun laatste beetjes energie in steken, verklaart nog niet waarom de rest van Nederland dit in vier vuistdikke romans beschreven wil zien worden. Op papier kan de mensheid blijkbaar geen genoeg krijgen van al dat oudelullengezeik, al is er geen ziel meer te vinden die in het echte leven voor deze uitdijende groep wil zorgen. Zelfs onze eigen grootouders bezoeken we niet meer, behalve met kerst misschien, om het voorgeslacht de nieuwste Groen massaal cadeau te doen.

Het enige verrassende aan Een kleine verrassing is de achterflaptekst: ‘Hendrik Groen en Evert Duiker, trouwe vrienden in voor- en tegenspoed, zijn de zeventig ruim gepasseerd.’ Pardon? Zijn er opeens nieuwe geboortepapieren opgedoken? Of heeft Meulenhoff Groen een elixer toegediend dat hem minstens tien jaar jonger heeft gemaakt? Waarschijnlijk is er op de uitgeverij paniek uitgebroken toen men besefte dat het voor de geloofwaardigheid van het karakter noodzakelijk was dat de kanker of alzheimer binnen afzienbare tijd zou toeslaan – met zinnetjes als ‘de benen willen niet meer’ zouden ze het niet lang redden. Niet alleen werd besloten de leeftijd van Groen niet meer in ondertitels mee te nemen en hem voortaan gewoon ‘oud’ te noemen, ook zette de publiciteitsafdeling vaart achter de televisieserie en merchandise-lijn: de markt bleek grote behoefte te hebben aan boekenleggers, tasjes, strandballen en keukenschorten met de tekst ‘I love Hendrik Groen’.

Waarom complete volksstammen zo dol zijn op Groen blijft een groot raadsel. Hij is het Nederlandse antwoord op De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, over een bejaarde die niet alleen tien jaar ouder is, maar die tenminste wel de ballen heeft om gewoon weg te lopen als een plek hem niet zint. Nee, dan die kankerpit van een Hendrik Groen: zogenaamd heldhaftig uit het verzorgingstehuis ‘ontsnappen’ om stiekem uit eten te gaan bij de Griek om de hoek, maar zodra de Ouzo achter de kiezen is wel terugkeren om zich nog door een 15-jarige ROC-stagiaire Zorg en Welzijn te laten wassen. Niet voor niks is het uitgerekend Kluun die op de achterflap geciteerd wordt: ‘Hendrik Groen is koning!’

Er zijn mensen die beweren dat de 62-jarige Peter de Smet het brein is achter Hendrik Groen. Zelf weiger ik te geloven dat die boeken geschreven worden door iemand die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet eens heeft bereikt. Wat staat ons dan nog allemaal te wachten? Voor iedere bezuiniging in de zorg zal De Smet zijn botontkalking trotseren en een nieuw boek in elkaar draaien. Er zullen nog talloze passages over gevechten om het laatste advocaatje volgen, om nog maar te zwijgen over de eindeloze dialogen met zorgrobots. Laat in uw wilsbeschikking alvast opnemen dat u er onder geen enkele omstandigheid uit voorgelezen wilt worden.

TS

Nog liever dan romans lees ik de aanbiedingsbrochures waarin uitgeverijen hun nieuwe koopwaar etaleren. Deze folders zijn bedoeld als reclame voor boekhandelaren, die op basis van de aanbieding hun inkoopbeleid kunnen bepalen, maar ik gebruik ze anders: ik blader erdoorheen alsof het een Bijenkorf-catalogus betreft en mail de uitgeverijen vervolgens welke artikelen zij mij gratis op mogen sturen. Daar staat doorgaans tegenover dat er in PC een recensie van de ontvangen romans moet verschijnen, al is het voor de promotie van het boek meestal beter als het daar niet meer van komt. Toch reageren PR-stagiairs braaf op mijn verzoeken, en sturen ze direct de volgende aanbieding mee, zodat ik in augustus aan het zwembad al kruisjes kan zetten in de najaarsbrochure.

Das Mag houdt niet van brochures. ‘Het draait bij uitgeverijen steeds meer om aanbiedingsfolders in plaats van om het boek’, aldus Toine Donk ten tijde van de oprichting in 2015. ‘Dat moet anders.’ Het idee dat die aanbiedingsfolders op hun beurt volledig om het boek draaien ging er bij Toine blijkbaar niet in. Das Mag kwam met een radicaal alternatief: geen aanbiedingsfolder. Het tweekoppig bestuur had besloten de titels los aan de boekhandel aan te bieden en en passant maar weer uit te halen naar de concurrenten: ‘Al die uitgeverijen blijven maar vasthouden aan drie keer per jaar een dikke aanbiedingsfolders voor alle boekhandels.’ Waarom zulke overzichten niet handig zouden zijn voor de boekhandel werd niet duidelijk, maar uit eigen onderzoek hadden Toine en Daniël geconcludeerd dat boekhandels al die reclameboeken spuugzat waren. Dat het Das Mag een hoop geld scheelde om niet drie keer per jaar zo’n folder in elkaar te moeten draaien was mooi meegenomen.

Inmiddels is het mei 2019 en heb ik de zomerbrochure van Das Mag voor mij. Hoewel boekhandelaren het hippe aanbiedingsbeleid van de uitgeverij inderdaad als lekker rustig hebben ervaren, kwamen de literaire cowboys van de Staalstraat er snel achter dat hun kantoor op deze manier als opslaghuis zou blijven fungeren. Daarom presenteerde de uitgeverij afgelopen jaar ‘met trots’ hun eerste aanbieding. Twitter werd woest, de Volkskrant publiceerde een artikel met de kop ‘Wat is er nog rebels aan uitgeverij Das Mag?’ (antwoord: niks). Jamal Ouariachi is ondertussen gestopt met tweeten en Das Mag heeft een jaar lang vrolijk de ene na de andere aanbieding de wereld in geslingerd.

Het leek erop dat Das Mag haar puberale wereldbeeld ontgroeid was, tot het PR-apparaat begin deze maand op de sociale media toch nog blijk gaf van een ernstig verstoorde hormoonhuishouding. ‘Onze zomeraanbieding, die hebben we nu klaar. Daarin kun je dus precies zien welke boeken er van ons in de zomer verschijnen.’ Lekker gewerkt jongens. Handig ook, zo’n folder! ‘Maar zo’n folder is stiekem best saai en maakt de afstand tussen de schrijver en de toekomstige lezer alleen maar groter.’ Daar gaan we weer. Zonder die folder komt het werk van de schrijver niet eens bij de lezer terecht, tenzij je alleen maar schrijvers als Thomas Rueb in je fonds hebt, die met tien pallets de straat op gaan om hun boek gratis aan het publiek uit te delen in ruil voor stemmen waarmee ze de NRC Boekenwedstrijd kunnen winnen. Maar wie daarnaast een gek met het ludieke pseudoniem Auteur 404 en een boek over anti-fame toelaat kan niet anders dan ook ouderwetse methoden inzetten.

Enter de aanbiedingsfolder. Waarom Das Mag zichzelf de grond in boort door te zeggen dat zo’n brochure saai is is mij een raadsel: aan die 16 pagina’s valt meestal meer lol te beleven dan alle vuistdikke debuutromans die Toine en Daniël tot nu toe de wereld in hebben geholpen. Neem alleen al de kop ‘Waarom wij dit boek uitgeven’ die veronderstelt dat de aartsluie synopsissen van soms twee zinnen lang de boekhandelaar niet over de streep gaan trekken. Onder dit kopje geeft Das Mag zichzelf 7×5 cm aan ruimte om eerlijk te vertellen hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Pagina 4: ‘Peter kan meer dan 280 tekens schrijven […] Door zijn online bekendheid zien wij Peter als rising star.’ Pagina 6: ‘Haar artikel riep heftige emoties op en ging viral. Voor ons een signaal dat dit onderwerp ontzettend leeft.’ Pagina 8: ‘Nooit eerder publiceerde Fen Verstappen ergens een woord proza. Toch geven we met blind vertrouwen haar debuut uit.’ Blijkbaar moet je ofwel een literaire twitterheld à la Toine, ofwel een onbekende nitwit als Daniël zijn om een plaats in de stal van Das Mag te veroveren.

Het is niet verrassend dat de promotieafdeling de aandacht van de aanbiedingen nog altijd probeert af te leiden, en nog minder verrassend met welk middel dat gebeurt: zoals de moderniteit vereist is er weer een podcast in het leven geroepen, ditmaal voor de boeken van de zomeraanbieding. Vier auteurs en een redacteur leggen in een interview zonder beeld uit waarom wij hun handel moeten aanschaffen.

‘Er staat een woordenlijst achterin met alle moeilijke woorden die in het boek worden gebruikt.’ ‘Nu mag ik dus een boek schrijven en dat vind ik wel leuk.’ ‘We lazen het en moesten er gelijk van huilen en ook een beetje van lachen.’ Das Mag, doe mij toch maar die najaarsbrochure.

TS

Archief