TS

De NPO heeft weer eens een nieuwe talkshow. In dit format ontvangt de presentator zijn gasten niet in een studio, maar gaat hij naar hen toe, en moeten zij maar zien waar ze de door hem meegesleepte ovale tafel kwijt kunnen. Nog niet zo lang geleden werd van het publiek verwacht dat het naar het Westergasterrein zou komen. Zelf ben ik ook ooit naar zo’n talkshow gegaan. Niet vrijwillig natuurlijk, want ik ben niet gek. Ik liep stage bij een stichting die Herman Pleij in de arm had genomen om een boekje te schrijven over de geschiedenis van geluk. Meer kan ik er ook niet van maken. Die maandag was ik begonnen met werken op de persafdeling, en woensdagavond zou Pleij aanschuiven bij de talkshow. Ik mocht direct mee. Het zou leerzaam voor me zijn.

Die avond verscheen ik op tijd voor de deur van het mediacafé. Niet veel later arriveerde ook de persvoorlichter van de stichting. De bewaker, die niets aan niemand vroeg maar wel driftig om zich heen keek, liet ons direct door. Terwijl we binnen onze jas ophingen, legde de persvoorlichter het belang van zo’n talkshow voor een campagne uit. Het had iets te maken met een miljoenenpubliek. En nee, het was niet makkelijk om de redactie te overtuigen van een bepaalde gast. ‘DWDD regelen is gewoon lastig,’ aldus de persvoorlichter. Hij bekeek mij nog eens. ‘Jij gaat DWDD niet regelen. Of ja, heel misschien, als je echt goed bent.’ Ik begreep dat mijn stage mislukt zou zijn als ik DWDD aan het eind niet minstens één keer zou hebben ‘geregeld’. Niet dat we die avond naar DWDD gingen, maar dat zou ik ook zeker nog wel eens meemaken, zo beloofde hij. Eerst wilde ik dit maar eens overleven.

We liepen naar de balie waarachter het meisje zat dat ons toegang ging verlenen tot de ‘backstage’. Pleij zou later arriveren, dus het moest ons zonder bekende kop lukken om binnen te komen. Helaas: onze namen stonden niet op de lijst. Pas na een hoop telefoontjes kwam het meisje achter haar desk vandaan om een deur voor ons te openen. Die leidde naar een brandtrap, die op zijn beurt weer leidde naar een zolder. De muren waren beplakt met fotobehang van Amsterdam, en er stond een grote leren loungeset. Hier konden we, ver weg van het publiek beneden, wachten tot Pleij was gearriveerd, had gegeten en klaar was in de schmink. 

De uitzending was een succes. Te gast waren behalve Pleij Kees van der Staaij, een vrouw die een sekssite runde en enkele andere gasten die ik ben vergeten. De eigenaresse van de sekssite reageerde op alle ophef die was ontstaan naar aanleiding van reclamespotjes waarin jonge vrouwen (veelal studentes) zich aanboden als high class escort. Kees van der Staaij vroeg zich af of dat wenselijk was, of je vrouwen voor deze keuze moest stellen, en of vrouwen überhaupt eigenlijk wel in staat waren tot het nemen van beslissingen. De rest van de tafel (allemaal mannen, dat weet ik nog wel) knikte bezorgd. Eigenlijk was alleen Pleij vóór de site, maar hij zat er dan ook om te praten over geluk. Achteraf nam hij de seksbijbel aan die de eigenaresse eigenlijk aan Kees van der Staaij had aangeboden, maar die het cadeau had geweigerd. 

Na afloop volgden meer privileges. Terug in het mediacafé namen we plaats aan de statafel waar volgens de persvoorlichter de presentator – laten we hem Kauw noemen – ook altijd na afloop met zijn gasten borrelde. Deze tafel verschilde in twee opzichten van de rest van het café: in tegenstelling tot het napratende publiek stonden wij, zodat we letterlijk hoger waren dan de rest. Daarnaast werd deze tafel ongevraagd voorzien van bittergarnituur en kaasstengels. Al snel na de uitzending hadden alle gasten zich inderdaad rond de vlammetjes verzameld – alleen Van der Staaij rolde direct in zijn dienstauto. Kauw zelf liet nog op zich wachten. Omdat iedereen aan tafel de eigenaresse van de sekssite negeerde, knoopte ik een gesprek met haar aan. Misschien waren deze mannen bang om direct voor hoerenloper aangezien te worden, en ik kon hoogstens de indruk wekken op zoek te zijn naar iets dat beter betaalde dan mijn stage. 

Terwijl de persvoorlichter vragend mijn kant op keek verscheen Kauw, die zichzelf nog even had omgekleed, aan de statafel. Ik schrijf omgekleed, maar daarmee bedoel ik dat hij één extra knoopje van zijn overhemd had losgemaakt. Hij wurmde zich tussen mij en de eigenaresse. ‘Vonden jullie het leuk?’ vroeg hij, terwijl hij voorover boog om een kaasstengel te grijpen. Zelf had hij het in ieder geval leuk gevonden, want hij ging aan deze tafel nog even door. Opeens leek hij een stuk minder kritisch over de site, en wilde hij het volgende van de eigenaresse weten: ‘Als ik vanavond nog anale seks met een brunette zou willen, zou je dat dan kunnen regelen?’ Het bleef even stil. De eigenaresse legde hem uit dat het zo dus absoluut niet in zijn werk ging, zoals ze ook al in de uitzending had uitgelegd dat ze geen bordeel was, maar wat hij blijkbaar de eerste keer niet had verstaan. En toch was het knap hoe hij, in al zijn horkerigheid en banaliteit, twee blonde vrouwen het gevoel kon geven dat zij geen enkel gevaar liepen in zijn aanwezigheid. 

Nu heeft Kauw dus een nieuw programma. Een talkshow waarin hij ‘bijzondere gesprekken op locatie’ voert. Ik heb er nog niks van gezien, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de gesprekken inderdaad bijzonder zijn. Leerzaam, misschien zelfs.

TS

Hoewel de overheid momenteel eventjes iets anders aan het hoofd schijnt te hebben, stijgt de zeespiegel ondertussen stoïcijns door. De wetenschap ziet nog maar één oplossing: nu alvast één provincie offeren aan de zee. Maar welke? Zeeland heeft al eens een dappere poging gedaan, maar vond het niet zo’n succes. Noord-Holland wordt het in ieder geval niet, want daar wonen wij al. Friesland zou een goede kandidaat zijn, ware het niet dat er van die schattige zeehonden op de Waddeneilanden aanmeren. Maar echt, heel schattig. Daarom een nieuw voorstel: Limburg. Het zou immers niet zo moeten zijn dat een provincie niet in aanmerking voor afzinken komt, puur en alleen omdat ze 200 meter boven zeeniveau en niet aan het water ligt – we zijn niet voor niks grootmeesters in naviducten geworden.

Waarom Limburg? Ik zou zeggen: waarom niet? Vlaaien zijn zuur, Limburgers onverstaanbaar. En als we ze al konden verstaan, dan zouden ze uitleggen waarom ze PVV stemmen. Door al die heuvels valt er niks te zien. Ja, nog meer heuvels, als je geluk hebt. Limburgers zijn er trots op dat hun provincie ‘net het buitenland’ is. Alsof Syrië niet in die categorie valt. Voor de Moederkerk, het carnaval en de drugsindustrie hebben we de Brabanders al. En tante Con woont al jaren op veilige afstand bij ons op de grachtengordel. Zet de pompen maar aan, zou je denken. Helaas. Limburg houdt één troef, één instrument achter de hand: André Rieu en zijn viool. 

André Rieu is de Churchill van de muziekwereld: volksheld die altijd loopt op te scheppen in het Gemenebest, en tot z’n dood onmogelijk om vanaf te komen. Vooral in Australië is André razend populair. Dat krijg je, als je bevolking nog niet zo lang geleden alleen nog maar op didgeridoos liep te blazen. Maar ook een groot aantal Nederlanders luistert dagelijks naar Andrés covernummers. Meestal is dat niet vrijwillig. Zijn dvd’s blasten doorgaans zo hard door de verzorgingstehuizen dat het personeel de verzoeken om euthanasie van de bewoners simpelweg niet meer hoort. Menig wegstervende bejaarde kreeg door Andrés toedoen de Radetzkymars als requiem. Een keer of negen achter elkaar, want André is niet van het halve werk. Of hij nu op het Vrijthof of in Melbourne staat, als zijn publiek om een toegift vraagt – en dat doet het altijd –, dan geeft hij een toegift. Die staat dan ook al vanaf het begin van de tour vast, en beslaat zo’n 60 procent van het totale programma.

Natuurlijk dient er iets tegenover al deze inspanningen te staan. Miljoenen, bijvoorbeeld. En meer, als het even kan. Wanneer André in Maastricht een cappuccino en stuk kruisbessenvlaai bestelt, lijkt het hem niet meer dan logisch dat hij zijn bestelling niet hoeft af te rekenen. Lukt niet altijd. ‘Ongelooflijk,’ noemt hij dat. ‘“Dat is dan 5 euro 50, meneer Rieu,” zeggen ze dan. Ik verbaas me er elke keer weer over.’Andrés redenering: tijdens zijn concerten lopen de horeca-uitbaters net zo goed binnen. Zo bezien zouden de stratenmakers ook maar gratis voedselbonnen uitgedeeld moeten krijgen. Zonder hen zouden die vreetschuren er überhaupt niet staan. Bovendien vertelt André ons niet hoeveel hij zelf aan de gemeente betaalt voor het gebruik van het Vrijthof. Zou hij in het dichtstbijzijnde theater gaan staan, dan zou hij door de beperkte capaciteit en zijn neoclassicistische opblaaskasteel ‘nog maar net de broodjes in de pauze kunnen betalen’. Hij mag, kortom, de heilige Lambertus van Maastricht in de Sint-Servaasbasiliek op zijn blote knietjes danken dat ze telkens opnieuw dat plein voor hem ontruimen. De meeste gekken die herrie komen maken worden direct doorverwezen naar het Malieveld.

Toch zijn Andrés provinciale privileges niet genoeg voor hem. André wil meer. André wil wat tot nu toe alleen een grote internetprovider is gelukt. Ooit zal, als het aan hem ligt, de André Rieu Dome in Maastricht verrijzen. En al ben je Jaap van fucking Zweden met het New York Philharmonic in je kielzog, de muzikale elite komt er mooi niet in. En de recensenten, die altijd lullige dingen over André en zijn orkest schrijven, al helemaal niet. Want zijn muzikanten van het Johann Strauss Orkest (de enige reden dat het orkest niet het André Rieu Orkest heet, is dat het gebruiken van een bekende naam meer prestige oplevert – als ik ergens indruk wil maken zeg ik ook altijd dat ik het Hella Haasse-fellowship bij PC volg) zijn briljant. Wereldklasse. Beter kan niet. Het zal best. Buiten kijf staat dat deze muzikanten poederroze prinsessenjurken als bedrijfskleding dragen. Kijk dan niet, luister gewoon, zou je zeggen. Maar dat is juist het punt: je moet zelf óók naar de dirigent kijken. Anders weet je niet wanneer je de polonaise in moet zetten.

Natuurlijk gaan we André zelf wel horen in zijn Dome. En niet alleen met die hoempapahupsateeholladiejee-walsen hè, want André heeft echt nog wel meer in zijn mars. Een oorlogsmars, bijvoorbeeld. Zo trakteerde André zijn publiek eerder op Alte Kameraden, het strijdlied waarop duizenden gevangen concentratiekamp Neuengamme werden ingeleid en op werden vermoord. Maar ja, die meezinger bestond al voor de oorlog, en het is toch ook niet alsof we alle Volkswagens van de weg hebben gehaald? Nou dan. Bovendien, André is volgens zijn woordvoerder en zoon helemaal niet met politiek bezig. Dat bewees hij ook toen hij tegen alle adviezen in een optreden in Tel Aviv gaf. ‘De concerten hebben maar één doel: mensen een fijne avond bezorgen met prachtige muziek, zodat ze hun dagelijkse zorgen voor even kunnen vergeten.’ Het is ook niet niks wat er daar op die Gazastrook gebeurt. Maar gooi er een goeie polka tegenaan en je zult zien dat de mensen weer helemaal opfleuren.

Spelen in het Johann Strauss Orkest verschilt niet zoveel van het werken in een mijn: het is loodzwaar, en af en toe wordt er een Pool ingevlogen om te helpen. Zo niet dit jaar. André heeft zijn kerstconcerten jammerlijk af moeten blazen. Met die afzegging is tevens een definitieve streep door de opnames van de 36e dvd-box gezet. Misschien komen we deze feestdagen tot de conclusie dat die eerste 35 ook eigenlijk wel genoeg zijn. Het is mooi geweest. We zetten André uit in het gangenstelsel van de eerste de beste mergelgrot. Met viool, voor mijn part.

TS

Maandagochtend, 9 uur. Ik ben in de huisartsenpraktijk en heb zojuist mijn handen gedesinfecteerd. De stoelen in de wachtkamer zijn bezet door bejaarden met coronazorgen. ‘Die kinderen en kleinkinderen moeten uit mijn buurt blijven. Ik heb ze niet het leven gegeven zodat ze mij de nek om konden draaien,’ schreeuwt de een de ander toe. ‘Ja, gelijk heb je hoor,’ antwoordt de ander. ‘Wat?’ De ander neemt haar mondkapje even af. ‘Ik zei: je hebt gelijk, hoor!’

‘Mevrouw Sparreboom?’ Gelukkig. ‘Ja,’ zeg ik, terwijl ik mijn tas opgelucht van de grond pak. ‘U komt voor zaad?’ Nee, vandaag niet. ‘Joost Zaat. Uw huisarts.’ Ik ben verbaasd. Zaat heb ik al in geen tijden meer gezien. Vervanger na vervanger heb ik lastiggevallen met mijn dossier, niemand wilde me vertellen waar Zaat was heen gegaan. Uiteindelijk heb ik hem zelf maar in het BIG-register opgezocht. ‘Joost Zaat is huisarts sinds 1983. Per 30 april 2020 is hij officieel met pensioen, maar hij neemt nog een beetje waar. Sinds augustus 2017 schrijft Zaat elke maandag een column in de Volkskrant.’  

‘Mevrouw Dennenboom. Ga zitten.’ ‘Spárreboom. Meneer Zaat, u bent er weer. Fijn dat u tijd hebt kunnen vinden om mij een beetje waar te nemen.’ Verwoed slaat de buitenechtelijke zoon van Harry Mulisch op zijn toetsenbord. ‘Ik heb het al gezien. U hebt geen corona.’ ‘Maar u heeft nog niet naar mij gekeken.’ ‘Dat is waar,’ geeft Zaat toe, terwijl hij kort zijn blik van het beeldscherm afwendt. ‘Nee, geen corona.’ ‘Eigenlijk had ik een heel andere vraag.’ Nu heb ik zijn aandacht. ‘Een ongewenste zwangerschap? Huishoudelijk geweld? Iets spannends voor de lezers? Vertel het me. Liefst in ongeveer 400 woorden.’ Ik twijfel even. ‘Het gaat om een depressie. Maar ik wil liever niet dat u er een column over schrijft. Dat ga ik zelf namelijk al doen.’

Zaat zucht. ‘De “ziekte” depressie bestaat niet.’ ‘Pardon?’ ‘Is een column van mij. Stond 20 januari 2019 in de krant. Ik zal de assistente een kopie voor je uit laten draaien.’ Hij lijkt me meteen uit te willen laten. ‘Als ik niet te veel van uw tijd neem zou ik de kwestie toch graag nog iets uitgebreider met u willen bespreken.’ ‘Dat kan. Ik vind dat de patiënt niet de dupe van mijn drukte moet zijn.’ ‘Mooi dat u dat zo zegt.’ ‘Ja. Heb ik ook in de Volkskrant geschreven. 28 april. Maar goed, nu dus nog een stukje voor aankomende maandag. Ik kan niet weer aankomen met een coronacolumn.’ 

Zaat houdt zijn handen in zijn ontplofte huisartsencoupe. Uiteindelijk begin ik maar te praten. ‘Op een of andere manier heb ik altijd het gevoel dat mannen nooit naar me luisteren. Ik ben redacteur bij een studentenblad. “TD, misschien is het aardig om voor de verandering een keer een stuk te schrijven waar je zelf niet in voorkomt,” adviseer ik dan. “BN, je hebt er het afgelopen uur al zes opgestoken! En meeloper, er zitten nog steeds vlekjes op mijn schoenen. Hier, kijk maar.” Dat ze daar niet naar luisteren is tot daaraan toe, maar hun gedrag schaadt ondertussen het blad. De juryleden die ik weken geleden al had uitgenodigd hebben allemaal afgezegd omdat ze bang voor ons zijn, maar niet op de goede manier. En gelijk kregen ze: het had niet veel gescheeld of we hadden ons met drie superspreaders in de kelder van een oud grachtenpand opgesloten. Ondertussen fiets ik de stad door met fruitmanden en magnesiumpillen, maar krijg ik telkens de vraag of ik volgende keer misschien een paar blikjes Chouffe kan meenemen. Ik trek het niet meer, dokter Zaat. Ik zit tot hier.’ Ik ga op mijn stoel staan om het precieze punt aan te wijzen.

‘Ik begrijp het,’ antwoordt Zaat als ik weer zit. ‘Maar ik kan er helaas niks mee. Ten eerste omdat u van hysterie echt niet dood gaat. Onregelmatige bloedstroom van de baarmoeder naar de hersenen is in principe ongevaarlijk. Ten tweede omdat ik met het beroepsgeheim zit. Zelfs als ik zou willen zou ik uw verhaal nog niet in een column kunnen verwerken. Te veel herleidbare details. Wat betreft mijn patiënten heb ik alleen nog maar over “de verstandelijk gehandicapte Geertje” kunnen schrijven. Die leest toch geen krant. En bovendien heb ik in haar leven al genoeg voor haar betekent.’ Zaat slaat met zijn vlakke hand op tafel. ‘Fuck it. Mijn volgende column heet “Mijn laatste dag als praktijkhouder. Het wordt tijd dat jong volk gaat zorgen.” Ik ga me volledig op mijn schrijverscarrière storten. Dit is geen doen zo.’ Zijn vingers rammen driftig op het toetsenbord. ‘Als u dat zo voelt. Ik kan me echter herinneren dat u een maand geleden schreef: “Ik kan mijn jongere maatjes uit de praktijk niet alle coronadiensten laten doen.”’ 

Zaat hoort me al niet meer. Ik pak mijn tas en loop naar de uitgang. Er moet nog een blad worden volgeschreven.

TS

The greatest lesson in life is to know that even fools are right sometimes,’ zei Winston Churchill ooit. Nu zei hij wel meer, maar daar had die kale toch een puntje. Gekken hebben inderdaad soms gelijk – soms, maar meestal niet. Als, laten we zeggen, Emilie Sobels mij voorhoudt dat ik 600 euro moet uitgeven om tijdens The Self-Made Summit op 8 oktober tien uur in een pakhuis door te brengen om daar te leren hoe ik snel geld kan verdienen en hoe ik nou écht efficiënt met mijn tijd moet omgaan, dan heeft zij dus géén gelijk. 

Emilie Sobels is ondernemer, werkgever, vastgoedeigenaar, schrijver, ‘girl boss’, en nog belangrijker: self made. Het ideaal van de self made man, of woman voor mijn part, is zoals bekend allang niet meer voorbehouden aan protestantse Ieren die in de negentiende eeuw een katoenfabriek in Chicago optuigden of Italiaanse emigranten die zich Wall Street in wisten te vechten. Tegenwoordig ben je het al door een keer naar de Kamer van Koophandel op de De Ruijterkade te fietsen en onder het genot van een gratis beker automaatkoffie een handtekening te zetten. Sobels ziet het als haar persoonlijke missie om vrouwen te doen geloven dat iedere stap die zij zetten op het door de maatschappij voor sommigen zorgvuldig geplaveide pad van bestaanszekerheid een pure persoonlijke overwinning is. In The self-made guide, een boek dat in eerste instantie leest als reclamefolder voor de Summit – alleen al in het voorwoord noemt ze dit vrouwenvolksfeest vijf keer –, laat ze 21 vrouwen aan het woord die dingen zeggen als ‘grijze muisjes hebben geen carrière’ en ‘er is geen enkel excuus om stil te blijven staan’. Een legitiem excuus voor deze vrouwen zou zijn om eens stil te staan bij alle kwaadaardige onzin die ze er in hun geschifte ratrace naar de top uitkramen. 

Volgens Sobels is een van haar belangrijkste kwaliteiten als ondernemer dat ze goed kan delegeren. ‘Ik heb geen moeite met taken uit handen geven.’ Dat klopt: zo liet ze haar hele boek door een ghostwriter in elkaar zetten. Zij mag dan naar eigen zeggen self made zijn, haar boek is dat zeker niet. In plaats van hier ook nog maar enigszins geheimzinnig over te doen neemt ze de naam van deze ghostwriter doodleuk op in het colofon. Ook deze vrouw heeft immers een instagramaccount met boekpresentatiejurken te vullen, en als dat haar de slechtste ghostwriter ooit maakt, dan is dat maar zo. Sobels zal het allemaal niet kunnen rotten, die heeft het hele werk waarschijnlijk nog zo goed als voor niets kunnen laten optekenen door de notulist een gratis plek in één van haar vijf all female flexwerkpanden aan te bieden – Sobels’ core business, waar ze al met volle teugen reclame voor maakte in haar vorige bestseller. Een pas voor één dag aan een bureau met daarop een vetplant in het centrum van Amsterdam of een andere Nederlandse metropool kost 55 euro. Het is niet te geef, maar, dat moet ik toegeven, dan heb je ook gegarandeerd geen mannen om je heen. 

Natuurlijk wordt zo’n flexwerkplek goedkoper naarmate je er meer dagen gaat zitten – slechts een van de tekenen dat Sobels inderdaad een geniale zakenvrouw is. Bovendien: om geld te verdienen moet je volgens Sobels eerst geld uitgeven. En niet zo’n beetje ook. ‘Het is superspannend om investeringen te doen, maar je moet echt groter denken om groter te worden. Zo worden meisjes met dromen vrouwen met visie.’ Prachtig! En een uitstekend advies, mits je als meisje al een vader had met een in Wassenaar gevestigd consultancykantoor die kan lappen als je door dat eerste pand aan de Brouwersgracht te kopen toch net iets te groot hebt gedacht. Hier rept Sobels met geen woord over, maar rijke ouders is dan ook een lastig advies om in de praktijk toe te passen. Geen advies in ieder geval waar je, pak ’m beet, zo’n 600 euro voor zou neertellen. 

Maar waar dan wel voor? Volgens de website is The Self-Made Summit ‘een investering voor elke werkende vrouw. Naast de mooie sprekers, mogelijkheden tot zelfontwikkeling en geweldige aankleding behoor je in één klap tot een community van 500 vrouwen die overstromen van ambitie.’ Een community van 500 vrouwen, daar heeft zelfs de grootste zelfmoordterrorist nog geen recht op, en met een VIP-ticket (het duurste en het enige ticket dat, anders dan de website beweert, na doorklikken nog beschikbaar blijkt) laat je deze op de front row nog eens allemaal achter je. Aldaar valt te luisteren naar alle mooie sprekers, zoals Fabienne Chapot, founder van Fabienne Chapot, en ene Lucy Woesthoff, een andere lifestyleboekenauteur die als jonge twintiger in Londen werkzaam zou zijn geweest als pr-dame van The Rolling Stones. Over deze gouden tijden circuleren twee verhalen op het wereldwijde web: in het ene solliciteerde Woesthoff via een uitzendbureau naar de functie van pr-medewerker bij een muziekpromotor en werd ze direct aangenomen, in het andere begon ze daar als receptionist en werkte ze zich op tot ze uiteindelijk met Mick en de jongens mee op tour ging. Lies, liééés you dirty Jezebel! Maar met leugens of niet, zolang je jezelf maar als self made verkoopt kun je bij de Summit gewoon het podium op.  

Wie 600 euro voor dit alles nog steeds te duur vindt kan altijd beslissen dat het niet te duur is voor haar baas. Speciaal voor alle ongeletterde girl bosses biedt Sobels een brief van twee kantjes aan waarin alleen nog de naam van hun werkgever moet worden ingevuld. ‘Als je net zo enthousiast bent als ik over dit plan, zou ik ontzettend graag een ticket boeken nog voordat The Self-Made Summit is uitverkocht of de prijzen worden verhoogd.’ Als dreigen niet werkt, heb je als vrouw natuurlijk altijd nog een andere optie. ‘Lach een keer leuk of doe dat ene jurkje aan. Je hebt als vrouw eerder de gunfactor. Ik denk dat het juist een kracht is als je daar als vrouw gebruik van maakt,’ aldus Sobels in een interview met de NOS. Je hebt een kut, gebruik ’m dan ook! Dat is wat Sobels doet – helemaal zelf.

TS

Moeten bladen en kranten stoppen met het publiceren van negatieve recensies? Sommige mensen geloven van wel. Meestal zijn dat mensen die zelf ooit een slechte recensie hebben gekregen. Bij PC hebben we in ieder geval geen last van deze mening, al bekruipt ons ook weleens het gevoel dat we hopeloos achter de feiten aanlopen. Recensies zijn uiteindelijk slechts schadebeperking: het boek is al af, heeft de zegen van de (eind)redactie en is door het CB verspreid onder de Nederlandse boekhandels. Uitgezaaid, niets meer aan te doen. De recensent kan de omstandigheden vaak alleen nog maar verzachten, al gloort er eens per jaar hoop in de vorm van een grootschalig bevolkingsonderzoek met de naam Write Now!

Willen we we weten hoe het ziektebeeld van de Nederlandse letteren er over drie jaar uitziet, doen we er goed aan de inzendingen voor schrijfwedstrijd Write Now! 2020 te analyseren. Deze titanenstrijd wordt jaarlijks uitgevochten door honderden blitse jongens en meisjes tussen de 15 en 24, aangetrokken door een fel social media-offensief van instastories, gifjes en oproepen om al je penvrienden te taggen. Hipper wordt schrijven niet. Als jonge vrouw ben je na de winst dan ook net als Maartje Wortel en Lize Spit verzekerd van een contract bij Das Mag, en het mannelijk restvlees wordt keurig onder andere uitgeverijen verdeeld. 

Hoewel de winnaar van dit jaar nog niet bekend is, zijn deze maand wel de juryrapporten van de voorronden online gepubliceerd. Alle deelnemers zijn op basis van hun postcode ingedeeld bij elf verschillende steden (wat in één rapport leidde tot de aanhef ‘Eindhovuhhhhh’, en in een ander tot ‘Venlooooo’), waarbij uit iedere stad een nummer 1, 2 en 3 naar voren is gekomen. Ook is er meestal nog een eindeloze reeks ‘eervolle vermeldingen’, waarin alle overige deelnemers worden genoemd, anders gaat er dadelijk nog iemand janken. Tot zover de spelregels, nu de prognose voor de komende literaire kalenderjaren.

De komende tijd kunnen we ons voorbereiden op totaal onbegrijpelijke proza en poëzie, vooral uit de buurt van Nijmegen. Uit het rapport voor deze regio: ‘We beginnen bij de derde plaats. De jury wist niet helemaal waar het verhaal over ging.’ Boeiend! De lezer mag in 2024 helemaal zelf bedenken waar al die letters nou eigenlijk in godsnaam over gaan. En als de nummer 3 daar niet voor gaat zorgen, hebben we altijd nog de Nijmeegse nummer 1: ‘Zonder dat we het verhaal helemaal begrepen, waren we mee aan boord.’ Het is misschien even alle hens aan dek, maar dan krijg je er ook wat voor terug, namelijk je eigen inbreng. Van dat principe werd ook in Groningen handig gebruikt gemaakt, waar op de tweede plaats een dichter eindigt die volgens de jury duidelijk ervaring heeft. ‘De zinnen zijn sterk en verzorgd, maar waar gaat het af en toe over?’ Ik heb het uiteraard nog even gecheckt, beste mensen, maar nee, Theo van Theo & Thea zat dit jaar níet in de jury. 

Tegelijkertijd zien we een trend opkomen die op het eerste gezicht misschien tegengesteld lijkt aan het hermetische gelul: die van absolute infantiliteit. In Groningen werd de onbegrijpelijke dichter verslagen door een ‘kinderlijk verhaal’, met ook nog eens ‘een kinderlijke toon’. Wel wil de jury de winnares meegeven in het vervolg wat meer te letten op herhalingen in de tekst. Te denken valt daarbij aan ‘stap, stap, stap’ en ‘schep, schep, schep’. ‘Maar het is ook allemaal wel heel lief,’ aldus het commentaar. Duidelijk! (Nu moet ik er wel bij zeggen dat deze juryleden, veelal literaire randfiguren, volgens mij zelf ook allemaal ofwel minderjarig ofwel debiel zijn. Tot twee keer toe merken ze op dat ze bij bepaalde passages ‘allemaal gebroken hartjes’ hebben getekend, bijvoorbeeld bij een alinea over een jochie dat ergens een middag op een bankje moet zitten wachten, nog nat van een regenbui, met zijn rugzak aan zijn voeten en zijn broodtrommel in zijn handen. Oké, goed, ik geef het toe, nu ik het zelf zo opschrijf kan ik ook maar nauwelijks mijn tranen in bedwang houden. Tering zielig!) In Amsterdam, toch een stad waar ook veel volwassenen met schrijfambities schijnen te wonen, ging de zilveren medaille naar ‘een talig verhaal met een kinderfilmgehalte à la Pippi Langkous. Waar ook niets mis mee is.’ Inderdaad. Als je acht bent. 

Tot zover de grote lijnen. Gelukkig blijven sommige dingen ook gewoon hetzelfde. ‘De personages worden klassiek in het begin geïntroduceerd,’ zo merkt de jury op over een winnend verhaal. Ook metaforen blijven hot: ‘In het verhaal De kameleon volgen we een onzichtbare jongen. De metafoor om gezien te worden door jezelf en door de ander vonden we goed gedaan.’ Let wel, je moet de metaforen dus goed ‘doen’. Anders hoeft het niet. Verder nog iets? Ja zeker, de letteren blijven voorlopig nog deprimerender dan Knausgård in een wegrestaurant, al heeft de jury daar zo haar bedenkingen bij. ‘De thematiek van het verhaal is niet heel origineel, er zijn nu eenmaal al heel veel boeken over depressie en eenzaamheid.’ De twintigjarige Lena mag zich de letterkampioen van Utrecht noemen, als ze voortaan maar niet meer over haar burn-out schrijft. 

Veel liever ziet de jury vrolijk proza. ‘Dat er ruimte is voor humor, vonden we verfrissend,’ zo luidde het commentaar bij weer een andere inzending. Laten we maar hopen dat Passionate Bulkboek daar ook zo over denkt, de organisatie die ‘verantwoordelijk is’ [sic] voor Write Now! en jaarlijks twee ton aan subsidie bij het Letterenfonds opstrijkt. Mij is het lachen ondertussen vergaan.

TS

Archief