TS

Splinters zijn vervelende dingen. Als je ze er niet zo snel mogelijk met een pincet uitrukt gaan ze zweren. Negeren is sowieso geen optie: hoe klein ook, zo’n ding blijft zeuren. In politieke zin heeft de splinter ook betekenis. Het gaat dan om iets nietigs, een partij die er eigenlijk niet toe doet maar waarvan de aanwezigheid soms maar moeilijk te ontkennen valt. Na de eerste uitzending van het tv-programma Splinter in de politiek, waarin JOVD-captain Splinter Chabot schuimbekkend het Binnenhof uitkamt op zoek naar iedere politicus die hij te pakken kan krijgen, kunnen we stellen dat bovenstaande betekenissen nog altijd volstaan.

De media benadrukken graag dat Splinter een telg uit de Bart Chabot-dynastie is. Hoewel ieder beeld van Splinters manische kop die mededeling direct overbodig maakt, is het in feite nog veel erger. Splinter heeft het DNA-pakket van zijn moeder volledig naast zich neergelegd en is de genetische dubbelganger van Bart Chabot. Dezelfde tandjes in dezelfde scheve klep, dezelfde bril, hetzelfde onverstaanbare geratel en dezelfde onuitputtelijke motor. Naast Splinter verwekte Bart ook nog de tropische cyclonen Sebas, Storm en Maurits. Dat Yolanda Chabot van ellende twee mannen aan het medialandschap heeft afgestaan is niet verwonderlijk: de vrouw moet thuis een dagtaak hebben gehad aan het uitdelen van Ritalin-tabletten.

Van de vier zoons was Splinter de eerste die door moeders met zijn medicijndoosje op straat werd gegooid. Splinter vond onderdak bij DWDD, waar hij na twee keer als tafelheer te hebben opgetreden besloot dat de redactie hem nu maar eens aan de andere kant van de tafel moest uitnodigen. Trots verkondigt – brult – hij aldaar dat het resultaat van zijn eerste presentatieklus de dag erna op NPO3 te zien zal zijn. Dat we allemaal moeten kijken. Dat we er misschien door zullen denken: verdomd, die politiek, daar is van alles gaande. Op het moment van schreeuwen vroeg niemand in het publiek zich nog af hoe de kleine hystericus daar überhaupt terecht was gekomen – wilde complottheorieën over kruiwagens waren al sterk verouderd. Men vond het eigenlijk best logisch dat zo’n cultuurhatend programma als DWDD toenadering zocht tot de jeugdafdeling van de VVD.

Evengoed klinkt er opgelucht gelach als Splinter na de vraag of hij wil doorgroeien in het kastenstelstel van de VVD resoluut ‘nee!’ schreeuwt. Op de vraag of hij dan wel op Mark Rutte stemt komt helemaal geen antwoord. Volgens Splinter ben je als JOVD-lid absoluut niet verplicht om VVD te stemmen, of om überhaupt enige affiniteit met de partij te voelen. Een hele opluchting, maar waarom dan nog inschrijfgeld betalen? Voor een blauw-oranje nieuwsbrief waarin de tien netwerkborrels van de maand staan opgesomd?

Als je Splinters zinnen weet te ontcijferen blijkt dat hij zijn lidmaatschap steeds met één woord probeert te verantwoorden: liberalisme. Splinter is homo en een excentriekeling, want hij draagt donutsokken. Hij denkt dat hij een partij die zichzelf graag als liberaal profileert nodig heeft om dat te kunnen doen en dat iedereen bij socialere partijen met dezelfde rode ster op zijn jas rondloopt. Terwijl het toch echt VVD-kamerleden zijn die voor een stemming een sms’je van de hoogste macht krijgen met daarin de boodschap ‘straks voor’ of ‘straks tegen’. Die tegen een voorstel waren voor verplichte voorlichting over seksuele diversiteit op het mbo. Die samen kwamen opdagen met de knaller van een oneliner ‘Normaal. Doen.’

Misschien is Splinter wel de kleine lastpak die met zijn onophoudelijke gebrul de VVD goed fatsoen weet bij te brengen. De JOVD staat er bijvoorbeeld al om bekend eerlijk te hebben toegegeven dat ook zij het een wel een erg opvallend hete zomer vonden. Waarschijnlijker is het dat Splinter – nu nog door de pers als ‘een leuk joch’ omschreven – over tien jaar met uitgestreken smoel voor een camera verkondigt dat we lastige moslimjongeren maar eens moeten gaan steriliseren. Het is het pad dat onder anderen Klaas Dijkhoff en Mark Rutte eerder hebben bewandeld: eerst jarenlang de sympathieke jongen uithangen, om vervolgens eens voorzichtig aan de rechtsstaat te gaan sleutelen.

Vooralsnog is Splinter de lieve stumper die alleen nog maar de chef mag interviewen terwijl deze op een terras aan zijn bakje yoghurt zit. Hoewel Splinter wel even voorzichtig vraagt naar de dividendbelasting, komt de meest heftige kritiek in de vorm van een toevallige passant, die in het voorbijgaan naar Rutte schreeuwt: ‘helemaal klaar met jou, weet je dat!’ Rutte echter is een door Philips ontworpen robot die niet in staat is om negatieve signalen te registreren. Zelfs als Splinter hem nog even op de aantijging wijst geeft hij een error. Het deert niet, want zelf heeft Splinter het ook veel liever over de leuke dingen des levens. Daarom gaat hij schaatsen met Lodewijk Asscher, in een kort broekje door het park rennen met Rob Jetten en winkelen met Lilian Marijnissen. Hij wil politici uit hun context halen, om ze te laten zien ‘op momenten dat ze echt zichzelf zijn’. Of een cameraploeg en een extatisch kind aan je broekspijp dat proces bemoeilijken, mag de kijker beslissen. De politici kan het niet rotten: die laten zich vlak voor de Provinciale Statenverkiezingen maar al te graag interviewen door een jonge homo die zegt alle bewindslieden die hij spreekt ‘zulke aardige mensen’ te vinden.

Waar Splinter in de politiek werkelijk om draait is een individuele zoektocht. ‘Kan je wel helemaal jezelf zijn in de politiek?’ vraagt Splinter ons. Wat hij bedoelt is: kan ik wel helemaal mezelf zijn in de politiek? Splinter zou graag meer kleur in de politiek zien, liefst zijn eigen paarse gilet en gebloemde overhemden. Alleen als Den Haag zich aan zijn kledingvoorschriften aanpast overweegt hij een politieke carrière. Voorlopig blijft hij de modewetten uitleggen aan zijn opnameleider, die hem op een koude dag in januari vraagt of hij zijn overjas niet beter dicht kan doen. ‘Een dichte jas ziet er niet uit!’ is Splinters antwoord. Hopelijk ziet hij nog eens in dat het VVD-lidmaatschap niemand staat.

TS

Roos steek je vinger in je doos

Het is niet makkelijk meer om jezelf tot feminist uit te roepen. Waar het claimen van de onbeschermde titel een aantal jaar geleden leidde tot vragende blikken, boekcontracten en een confrontatie met Maxim Hartman in een talkshow, bereikt de boodschap tegenwoordig nauwelijks meer de cortex van de luisteraar. Hoewel het provocatiegehalte van de mededeling inmiddels ongeveer even hoog is als het individueel erkennen van de Armeense genocide, heeft er zich direct een gewaagd alternatief aangediend: verklaren dat je je niet schaart bij de hordes moderne Dolle Mina’s. Een man hoeft dit natuurlijk helemaal niet te proberen, een vrouw zal zich op z’n minst nader moeten verklaren – tenzij die vrouw luistert naar de naam Roos Dickmann.

In de voorjaarsaanbieding van Prometheus prijkte de debuutbundel Ik ook van mij van Dickmann naast de paginavullende tekst ‘Kan een vrouw die verkracht wordt zichzelf iets kwalijk nemen?’ Dit is wat Prometheus heeft weten te brouwen van het werk van Rosie Price, dat volgens haar Engelse uitgever gaat over ‘the courage of a young woman speaking out’. Voor Dickmanns bundel deed Tim Hofman zijn best de walgelijkheid van de rechterpagina te benaderen. ‘Een intiem boekje’, aldus de muzenzoon, die via instagram vanzelfsprekend warme banden met Dickmann onderhoudt. Een korte blik op haar account doet alweer vermoeden wat jonge actrices – de letteren zijn slechts een uitstapje – zo aantrekkelijk maakt voor uitgevend Nederland: deze vrouw is haar eigen pr-machine. In talloze posts en stories waarin interpunctie als een dichterlijke ingreep is verdwenen (‘ik heb een gedichtenbundel uitgebracht die nu te koop is kusje’) spoort ze met haar onuitputtelijke bron van ironie haar trollenleger aan het broddelwerk te kopen.

Het enige wat de publiciteitsafdeling nog hoefde te doen was Dickmann met Gedichtendag op de trein naar Hilversum zetten. Op deze dag worden dichters traditioneel uit hun hollen gesleept om iets over hun werk te vertellen, om vervolgens weer een jaar lang genegeerd te worden. In de uitzending van Kunststof vraagt presentator Frénk van der Linden Dickmann wat zij haalt uit een ‘feminien aspect’ in een gedicht van de Dichter des Vaderlands, waarop Dickmann triomfantelijk verkondigt dat ze ‘géén feminist’ is. ‘Dat wil ik wel graag even benadrukken.’ Was Dickmann het wel geweest, dan had ze Van der Linden misschien gevraagd waarom zij in godsnaam specifiek over dat onderdeel iets moet zeggen, terwijl Jan Baeke en Pim te Bokkel eerst minutenlang zijn losgegaan op het geheel.

Van der Lindens motieven worden duidelijk als hij Dickmann verder aan de tand voelt. ‘Ik vraag het omdat het me verbaasde, zo niet verbijsterde, dat jij geen vrouwelijke poëten zegt te lezen.’ ‘Het is niet zo dat ik ze bewust niet lees,’ aldus Dickmann, die vervolgens heel precies uitlegt waarom ze bewust geen vrouwen leest. ‘Ik kan soms poëzie best wel snel een beetje gedweep vinden, bepaalde mooischrijverij. Dan denk ik soms: doe niet zo moeilijk! Stel je niet aan. Harden the fuck up. Poëten kunnen soms, en dan vooral vrouwen denk ik…’ Vlak voordat Lieke Marsman al haar vriendinnen heeft weten te mobiliseren grijpt Jan Baeke in, die tot zijn eigen verbazing aan een 22-jarige vrouwelijke dichter moet mansplainen dat er weldegelijk goede vrouwelijke dichters bestaan. ‘Het is waarschijnlijk ook een vooroordeel,’ klinkt het zelfbewustzijn van Dickmann. Waarschijnlijk heeft ze daarin gelijk, want als de onvermijdelijke vraag of ze weleens vrouwen leest komt is het antwoord nee. ‘Maar ik blader er soms wel een beetje doorheen.’

Laten we de bundel van Dickmann eens doorbladeren. Volgens de achterflap schrijft Dickmann ‘recht op de man af’. Toch richt ze een van haar eerste gedichten ‘aan alle jonge vrouwen die zichzelf hopen te vinden in Thailand’. Was het eerst een cliché om als jonge vrouw naar Thailand te gaan, nu is het een nog groter cliché om daarover te schrijven. Een volgend klapstuk richt ze ‘aan mezelf en alle andere poëten die zichzelf hopen te vinden in melancholische liefdesgedichten’. Dickmann laat geen twijfel bestaan over haar stokpaardje: ‘Houd toch eens op met dat / eeuwige gezever en gezaag over / de liefde; het is vertieft en dwaas / verdomde stom.’ Dickmann wil niet horen van gebroken harten en zakt liever een kwart meter af naar de anus.

Zelf denkt Dickmann dat de meeste jonge mensen zich sneller tot haar gedichten over poep en de poëzie van andere millennials voelen aangetrokken dan tot het werk Slauerhoff. Of dat voor haar pleit moet ieder voor zich beslissen, maar we hoeven niet te doen alsof de gedichten van Hofman en Dickmann serieuze doorgroeimogelijkheden bieden. Andersom geldt hetzelfde. Wie fan is van Slauerhoff, gaat waarschijnlijk niet van Dickmann houden. Gelukkig doet ze dat zelf wel.

TS

Roos Dickmann, Ik ook van mij, Prometheus, € 15,00, of gratis door te bladeren bij Athenaeum

Dit fenomeen is voorlopig nog niet uitgewoekerd.

Er zijn geen ergere mensen dan zij die ‘ergens een gevoel bij hebben’, op één categorie schlemielen na: zij met een ‘voorgevoel’. Het gebruiksvriendelijke van het woord ‘voorgevoel’ is dat het zonder problemen kan worden ingezet op het moment dat er van een voorgevoel allang geen sprake meer is. Sla google er maar op na: in veruit de meeste gevallen zagen voetballers, prijswinnaars en terminale patiënten hun voorgevoel ‘bewaarheid worden’, bleek het ‘te kloppen’ en was het dus toch ‘terecht’. Logisch, want iedereen wiens voorgevoel niet blijkt te kloppen houdt wijselijk zijn kop.

 

Zo ook Lidewij Edelkoort. Lidewij (‘Li’ voor vrienden en andere hielenlikkers) heeft van voorgevoel haar beroep gemaakt. Hoewel zij in het grote dubbelinterview met haar man Anthon Beeke door de koppige interviewer meermaals ‘trendwatcher’ wordt genoemd, is Lidewij niet te beroerd haar te corrigeren. ‘Ik ben trouwens trendforecaster – een trendwatcher is ­iemand die een heleboel bruine schoenen ziet op straat en stelt: bruin is in. Ik ben dan al veel langer met bruin bezig.’ Inderdaad. En met geel, en groen, en lila. In Lidewijs geval vuurt de kosmos zoveel yottabytes aan informatie op haar ingebouwde schotelantenne af dat haar verspreidingskanalen in de vorm van haar website en mond wel 24 uur per dag aan moeten staan. Op iedereen die het maar horen wil laat ze haar talloze ingevingen los, en maakt daarbij handig gebruik van zowel het trial-and-error-principe als misleidingstechnieken uit de astrologie. Niet alleen doet Lidewij graag voorspellingen die zo algemeen zijn dat het raar zou zijn als ze niet zouden uitkomen, ook geeft ze haar profetieën een tijdsbestek van enkele lichtjaren om iets van de waarheid te naderen.

 

Volgens Lidewij leven we in een ‘zware’ tijd, en wordt het alleen maar gekker. ‘Het zijn spannende jaren, ik maak me zorgen,’ aldus het orakel. Gelukkig was vroeger alles zo lekker normaal, en was iedereen het daarover eens. Nee, dan onze eeuw: ‘Ik vrees voor een burgeroorlog in de ­Verenigde Staten, extreemrechts tegen alternatief, avant-garde, zwart, groen, geel rood.’ Over een aantal jaar zul je het iedereen horen zeggen: ‘Die Lidewij, die wist dat er wat zou gaan gebeuren in Amerika, met dat zwart, groen, geel rood!’ Maar het hardst van iedereen zullen we het Lidewij zelf horen roepen, mits de vraagbaak dan niet al tijden dood is.

 

Vooralsnog horen we Lidewij uitsluitend over voorspellingen uit een ver verleden die ze nooit op papier heeft gezet. Dat weerhoudt haar er niet van de juistheid van al die voorgevoelens door de strot van het publiek te rammen, al heeft nu behalve zijzelf helemaal niemand daar meer iets aan. Herinnert u zich 9/11 nog? Lidewij ook, en zelfs al veel langer dan u. ‘In de lente van 2001 voelde ik me verschrikkelijk. Toen ik de eerste toren zag instorten, was ik helemaal opgelucht: dit was het dus.’ Waar Lidewij anders nogal vaag is over de herkomst van haar prognoses, is ze hier heel duidelijk. Naar eigen zeggen stond ze geestelijk direct in verbinding met Bin Laden, en ja, dat vindt ze zelf ook wel vreemd. Het is zelfs bijna zo vreemd als iemand die eerst opluchting voelt bij het aanschouwen van de grootste terroristische aanslag in de wereldgeschiedenis.

 

Toch bestaan er dingen waar zelfs Lidewij zich lekker druk om kan maken. De teloorgang van onze planeet, bijvoorbeeld. ‘Ik wil geen doemscenario schetsen, maar het is duidelijk dat het nu echt misgaat.’ Maar waar klimatologen met jarenlang serieus onderzoek het laten afweten, gaat Lidewij door. Het heelal en Bin Laden berichten haar al sinds begin jaren 90 dat de economie kleinschaliger, milieuvriendelijker en lokaler zal worden. Lidewij is er nog steeds van overtuigd dat dat ooit, mark her words, ja óóit zal gebeuren! Het is immers onze enige redding, aldus de vrouw die ‘vaker dan een piloot’ in een vliegtuig zit. Wanneer die omslag naar een duurzame economie dan precies plaats gaat vinden, zou ze misschien eens kunnen navragen bij haar klanten, waaronder Coca-Cola, Siemens en L’Oréal.

 

Lidewij beweert dat er van al haar voorspellingen geen enkele niet is uitgekomen. ‘Anders zou ik ze niet opvangen.’ Beter is het om te stellen dat er weleens wat straling zijn doel mist, vooral in de persoonlijke sfeer. Zo was Lidewij in ’82 wegens gebrek aan zin bijna niet naar een designcongres gegaan, terwijl ze daar toch mooi haar man ontmoette. Diezelfde man antwoordde in het Volkskrant-interview op de vraag of hij het jaar 2050 zouden gaan halen overtuigd: ‘Haha, ik niet!’ Daar dacht Lidewij heel anders over. ‘Jij wordt wel oud, ook.’ Drie weken na het interview was Anthon dood. Als het nog kon zou hij zeggen dat hij al zo’n voorgevoel had.

TS

Het was een prachtige zomer voor de rustzoekers in Amsterdam. Theodor Holman was in Italië om verslag uit te brengen van de gedienstige kamermeisjes aldaar, Han Lips heeft zijn RTL XL Premium-account ten volle benut en Hiske Versprille verruilde noodgedwongen de terrassen voor magnetronmaaltijden. Bovendien zal het menig vrouw zijn opgevallen dat haar nek in de avonduren bij afwezigheid van bronstig gehijg op feesten en partijen eindelijk eens droog bleef. Inderdaad: ook Hans van der Beek, beheerder van de fuifrubriek Schuim in Het Parool, zei de salons en partytenten tijdelijk gedag om een zomerstop in te lassen.

Mogelijk heeft u ook voor deze zomer nog nooit last van Hans van der Beek gehad. Dan bent u ofwel een man, ofwel nog nooit op een feest/evenement/ presentatie/festival/bijeenkomst/gala/ housewarming in Amsterdam geweest. Geldt het voorgaande niet voor u maar bent u wel geabonneerd op Het Parool, dan hebt u dubbel zoveel pech. Het Parool is de krant waarin Van der Beek iedere dag verslag doet van de festiviteiten die hij afgaat. Die stukken weet hij elke dag weer zuurder te maken dan zijn kop ernaast doet vermoeden. Het laffe ironische toontje dat werkelijk in al zijn stukken wordt aangeslagen en dat Van der Beek zelf voor humor aanziet is zijn vrijbrief om alles waar mensen tijd en moeite in hebben gestoken vluchtig de grond in te trappen.

Krijgt Hans een goedgevulde goodiebag mee, dan lukt het hem niet daar simpelweg enige dankbaarheid voor te uiten of er desnoods gewoon helemaal zijn bek over te houden, maar lijkt het hem zinniger zijn onvrede te laten blijken over de roze kleur van de verpakking waarin de luxueuze goodies zich bevinden. ‘Ik moet hiermee over straat.’ Mag Hans zich melden voor een zesgangendiner dat wordt verzorgd door twintig ingevlogen Italiaanse sterrenkoks, vindt Hans het nodig zijn lezers te berichten over de file waar hij in heeft moeten staan voor hij aan tafel kon en de onmogelijkheid om tussen de gangen door ‘even een peukje’ te roken. Gaat Hans zich gratis volstouwen met frituurvoer bij het café dat de AD friettest voor de vierde keer op rij heeft gewonnen, wil hij eerst zijn vraagtekens zetten bij de relativiteit van goede friet. ‘Hoezo de lekkerste frieten van Amsterdam? Friet is een stukje aardappel dat een tijdje in de frituur heeft gelegen. Dat kun je langer doen of iets korter en je kunt ook een andere aardappel proberen. Dat was het verder wel, lijkt me toch.’

Waarom stapt Van der Beek niet gewoon naar een Smullers binnen de ring, waar je, als je de boel binnen weet te houden, sowieso niets mee naar huis krijgt? Het antwoord: omdat je in de Smullers geen lekkere wijven kunt vastleggen. Als Hans niet met zijn kolossale lijf alle meisjes van de bediening voor de andere gasten aan het oog onttrekt jaagt hij op bekende vrouwen die hij niet alleen voor zijn camera sleept, maar ook voor zijn vuurpeloton van kritische vragen. Zo stelde hij Doutzen onlangs voor een culinair dilemma dat hemzelf op menig feest gek maakt: ‘Frikandel of kroket?’

Doet Van der Beek dan niks anders dan vrouwen die nietsvermoedend naar een feestje gingen vragen naar hun favoriete vleesstaaf? Jawel, Hans schrijft ook boeken over feestjes en vrouwen. In 2011 tekende hij een top 100 van het Amsterdamse uitgaansleven op, deed Kluun de flauwe suggestie Paradiso op nummer 1 te zetten en ramde uitgeverij Podium er een kaft omheen waar Van der Beeks naam nauwelijks meer op te lezen is, maar die van Kluun des te beter. Rest nog een in de vergetelheid geraakte roman over een geschiedenisdocent met een obsessie voor Chantal Janzen, de vrouw die ooit een dag lang door Van der Beek werd gestalkt omdat hij per se een portret van zes kantjes van haar wilde optekenen. Sindsdien keert Janzen ook regelmatig terug als toevallige aanwezige op de feesten waar Van der Beek verslag van doet, zoals de lancering van het blad &C en het éénjarig bestaan van het blad &C. ‘Chantal Janzen, toevallig naast me, mompelt: “Grote zwans…”’

Tegen mogelijke uitkomsten als een straatverbod of extra beveiliging heeft Van der Beek zich allang gewapend. Afgelopen maand werd hij geweigerd aan de net geopende poorten van het Soho House, ooit de plek waar Van der Beek zelf colleges volgde en inmiddels voor de gemiddelde Amsterdammer onbegaanbare grond. Juist als Van der Beek een keer alle reden heeft om in zijn rubriek in de grootste krant van Amsterdam een evenement ter ere van malafide praktijken totaal de grond in te boren doet hij het natuurlijk niet. ‘Werkelijk schitterend’, ‘opnieuw valt mijn mond open’, ‘krakers eruit, young, hip & beautiful erin’, schrijft de man die in eerste instantie zelf niet eens naar binnen mocht omdat hij absoluut niet tot deze groep behoort. ‘Om binnen te komen, was nog best een toestand. […] Ook foto’s maken van de gasten was niet mogelijk. Dat was om de privacy te waarborgen. […] Ik moest werkelijk al mijn natuurlijke charme inzetten.’ Natuurlijke charme, dat wil bij Van der Beek zeggen: pens naar voren, frons op je kale kop en tegen het meisje van de gastenlijst brullen dat je wél naar binnen mag.

Het zal niet lang meer duren voor Hans terugkeert van zijn feestvakantie op Ibiza en de Amsterdamse markt opnieuw met zijn volle gewicht gaat bezetten. Sluit dus uw ramen als u de frituur aanzet en mijd evenementen die op facebook als openbaar zijn aangemerkt. Dan is het voor u het weet weer tijd voor de volgende zomerstop.

TS

Ook honger? Win de KOLOMKOMPETITIE en krijg 100 euro.

Paulien is ziek!” klonk 16 januari het alarmerende bericht op de facebookpagina van Paulien Cornelisse. Nog voor haar achterban goed en wel was uitgeluld over het wel of niet terecht geplaatste uitroepteken in de zin was de volgende mokerslag al daar. “Helaas is Paulien nog steeds ziek. Ook de voorstelling in Stadsschouwburg Velsen morgenavond is daarom geannuleerd.” Ondertussen is er al dagen geen teken van leven van ’s lands bekendste cavialiefhebster gesignaleerd. Waar het er eerst nog gewoon op leek dat Paulien zich al dagen het hoofd brak over een lekker gek spreekwoord, moeten we nu concluderen dat er meer aan de hand is.

 

Niet toevallig ging de dag voor Pauliens eerste online ziekmelding de film Taal is zeg maar echt mijn ding, naar haar gelijknamige boek, in Tuschinski in première. Dat Paulien daar bij voorbaat al niet op zat te wachten was bekend. Noch in de media noch op haar facebookpagina gaf ze enige reactie op het idee om haar bundel lui bijeengesprokkelde doch goedverkopende columns te verfilmen. Wel wist de scenarist te melden dat “Paulien Cornelisse zich niet te veel probeert te bemoeien met de film.” Daar is geen woord aan gelogen, zeker omdat Paulien niet eens de moeite heeft genomen om naar de première die in haar eigen stad plaatsvond te komen kijken. Dat ze het desondanks presteerde er de volgende dag ziek van te zijn, zal zijn omdat haar ter ore was gekomen dat de filmproducenten een plot hadden bedacht waarin Paulien Cornelisse een vrouw is. Fockeline Ouwekerk, die de taak op zich kreeg, werd in een rokje gehesen en krulde haar haar voor de film. Werkelijk in niets lijkt de hoofdpersoon van deze film nog op Cornelisse, op één ding na: het nadrukkelijke, trage stemgeluid waarmee ook Paulien haar verontwaardiging over allerlei irrelevante taalkwesties uit wordt door Ouwekerk 90 minuten lang perfect volgehouden.

 

Terwijl Paulien op bed lag en de recensenten weer over elkaar heen buitelden om Taal is zeg maar echt mijn ding – de film te bestempelen als de zoveelste middelmatige romkom van eigen bodem, zag niemand dat het in werkelijkheid om een exemplarisch drama ging. Neem de scène die door de Filmkrant werd uitgelicht: “De belegger (Yannick van de Velde) roept dat hij kamperen de hel vindt, waarna Anne (Fockeline Ouwekerk) zich verliest in een letterlijke verbeelding van die uitspraak, met kampeervelden vol vuurtongen en krijsende mensen, en vraagt: “Is die vergelijking niet ietsje overdreven?” Yannick kijkt haar verbijsterd aan. Anne is de enige die zo taalgevoelig is.”

 

Taalgevoeligheid is hier verworden tot het onoverkomelijke verlangen om op iedere zin, uitdrukking, komma of punt iets gevats te willen zeggen. Een vervelende tic waar niet alleen Anne en Paulien last van hebben, maar velen met hen. Een jaar geleden riep de Faculteit der Geesteswetenschappen zelfs een speciale opleiding in het leven voor deze mensen: Cognition, Language and Communication. Een opleiding die volgens de site van de UvA goed past bij mensen die “later willen werken in een functie waarin je te maken krijgt met cognitie, taal en communicatie”. Studenten mogen zich buigen over “de relatie tussen de taalgebruiker en wat die moet weten om efficiënt een boodschap over te brengen of te begrijpen.” Waar de Parnassia Groep enkele maanden nodig heeft om dit aan een autist uit te leggen wijdt de FGW er een bachelor van drie jaar aan.

 

En voor wie? Voor studenten die met een gladgestreken gezicht durven te zeggen dat taal ook hun ding is. Mensen zoals Anne, die op straat, school of thuis wel eens worden geconfronteerd met tekst en van die tekst iets proberen te vinden, maar meestal niet verder komen dan een emotie. “Serieus? “Bushalte opgeheven” tussen aanhalingstekens!? Raar!” roept Anne uit, verontwaardigd over zoveel inefficiëntie in één boodschap. Pure woede is echter slechts één van de sentimenten die een mens kan voelen bij taaluitingen. Taal is minstens zo vaak “grappig”, althans, voor wie er oog voor heeft. Dat hoeft in deze tijd niet meer ingewikkeld te zijn: facebookpagina’s als Taalvoutjes hebben de Ruggespraak uit Onze Taal vervangen en maken het voor iedereen mogelijk met een scherpe blik naar taal te kijken. Je hebt per slot van rekening ergens verstand van als je ziet dat een ander het fout doet. Hele generaties toekomstige studenten Cognition, Language and Communication die nu enkel nog actief zijn op deze pagina taggen elkaar in berichten met taalfouten van medewerkers van de Kruidvat. Of deze fouten zich op fonologisch, morfologisch, semantisch of syntactisch niveau bevinden en hoe inefficiënt ze zijn weten deze kinderen nog niet, maar zal door Jan Don tijdens de colleges haarfijn worden uitgelegd.

 

Paulien Cornelisse heeft zich wel eens hardop afgevraagd waarom zij eigenlijk geen wetenschapper is geworden. Het antwoord daarop weten we niet, maar feit is dat ze zich zo zou kunnen aansluiten bij een compleet nieuwe generatie taalwetenschappers die nu eens lacht en dan weer eens fronst bij het zien van een woord. Een aanbod dat ze waarschijnlijk weigert na wat ze heeft gezien van de trailer van Taal is zeg maar echt mijn ding. Als dit is hoe ‘taalfetisjisten’ er tegenwoordig uitzien veinst Paulien nog liever haar dood.

TS

Archief