TS

Ik heb me voorgenomen niet meer over vrouwen te schrijven. In het vorige nummer beoordeelde BN ene Stefanie Koorneef met ‘een krappe zes en een half’, deze week vond ik een stuk op de redactie-mail met als onderwerp ‘700 woorden marxistisch racisme en seksisme van BN’. Dat ik hier als vrouw iets tegenover moet stellen is me duidelijk, zeker als ik wil dat Marja Pruis me blijft groeten in de wandelgangen van De Groene. Maakt u zich dus geen zorgen: dit stuk gaat niet over vrouwen. Het gaat over meisjes. De Kunstmeisjes om precies te zijn, want zo heet dit collectief van dertigers.

‘Kunstmeisjes met manuscript.’ 1885, olieverf op doek, 81 x 96 cm.

Wat zijn kunstmeisjes? Geen acrobates, leden van knutselclub CreaBea of weduwen van Anton Heyboer. Kunstmeisjes zijn vrouwen die kijken naar kunst en erover bloggen. Of er een boek over schrijven, want zoals Hitler, Mao en Monica Geuze lieten zien moet het kwaad zich vroeg of laat tussen twee kaften nestelen. ‘Kunstmeisje is een lichtelijk denigrerende naam’, zo geven de drie blog-oprichters Mirjam Kooiman, Nathalie Maciesza en Renee Schuiten-Kniepstra toe. ‘Er heerst een bepaald stereotiep beeld van jonge vrouwen als gallerinas in de kunstwereld. Wij willen de ironische naam ‘kunstmeisjes’ reclaimen en er een andere betekenis aan geven.’ Als het patriarchaat je beledigt kun je je verzetten, of dankbaar zijn dat je zelf geen originele naam meer hoeft te verzinnen.

 

De term ‘kunstmeisje’ zou inderdaad ironisch zijn als Kooiman, Maciesza en Schuiten-Kniepstra lieten zien dat je als ‘meisje’ kunstgeschiedenis kunt studeren, als conservator bij het Stedelijk kunt werken of als curator bij het Rembrandthuis. Kortom, dat je met je beperkte stemvolume toch boven Jasper Krabbé uit moet proberen te schreeuwen. Maar wat er nog ironisch is aan de naam kunstmeisjes als je Rembrandt onophoudelijk je ‘BFF’ noemt of een zin noteert als ‘We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: je bent aan het daten en je bent smoorverliefd’, dat wordt niet duidelijk. Wil dit trio zich per se van ironie bedienen, dan kunnen ze beter kiezen voor de titel Les Connoisseurs des Beaux Arts. Met hun thematiek zal het marmeren beeld van ‘oppervlakkig hertje dat vooral goed is in champagne drinken tijdens openingen’ hoe dan ook niet omver worden geworpen. (Het is mij trouwens volledig onduidelijk waarom je zo’n gevaarlijke uitspraak zou doen – gratis drank is toch wat de kunsten nog een beetje de moeite waard maakt.)

Hoewel De Kunstmeisjes het hoog tijd vinden dat ze eens serieus genomen worden, zijn ze de eerste om toe te geven dat hun boek eigenlijk niet serieus is. Op grond waarvan we ze dan wel ernstig moeten nemen blijft vaag. Wat hun betreft is De Kunstmeisjes – Vijftig kunstwerken om langer dan twintig seconden naar te kijken niet bedoeld voor kenners, maar mogen die het, zo lezen we in het voorwoord, wel kopen, ‘al is het maar als artistiek-literair verantwoorde deurstop’. Meisjes toch! Moet dat nou? Nog even en ze schrijven dat kunstkenners zich met dat boek wel even op hun lichamen mogen afreageren. In hetzelfde voorwoord lezen we waarom De Kunstmeisjes ondanks hun missie vrouwen als volwaardige mensen op de kaart te zetten toch af en toe dit soort taal uitslaan: ze maken graag gebruik van ‘een vleugje humor’. Humor! Dat hebben meisjes helemaal niet! Daar durfde het volledig vrouwelijke redacteurenbestand van Meulenhoff zeker niet over te beginnen.

Als De Kunstmeisjes niet is geschreven voor kenners, is het niet zo moeilijk te bedenken wie er dan de klos zijn: wij leken. In een interview in Het Parool zegt een van de schrijfsters dat het doel was om ‘toegankelijk over kunst te schrijven’. Algemene tip: waar het woord ‘toegankelijk’ staat, kunt u eigenlijk altijd ‘achterlijk’ lezen. Neem de eerste zin van het tweede hoofdstuk: ‘Een geslaagde selfie maken is alsof je midden in de nacht dronken een bestelling bij de lokale snackbar doet: alles erop en eraan, met extra saus.’ Bent u er al klaar mee? U bent niet de enige. Deze kwelling gaat nog pagina’s door, om uit te komen op de volgende conclusie: niet Kim Kardashian is de ‘Queen of Selfies’, maar Rembrandt. Als Rembrandt dat had geweten had hij al zijn zelfportretten in de gracht gegooid. Ander voorbeeld: om aan te geven dat de kunstenaar Daan van Golden schoonheid in huiselijke details zocht, wordt de volgende introductie over de lezer uitgestort: ‘Het is een kunst op zich: de kleine dingen in het leven waarderen. Wanneer je bijvoorbeeld een regenboog ziet. Of waar Willy Alberti al over zong: de glimlach van een kind.’

Waarom moet het toch allemaal zo dom? De Venus van Botticelli kruipt van schaamte terug in haar schelp, de Mona Lisa slaat na vijfhonderd jaar haar ogen neer. Als je lezers echt zo nodig wil enthousiasmeren, vertel dan gewoon iets interessants in plaats van steeds een knieval te maken omdat je denkt dat de mensen dat leuk vinden. De Kunstmeisjes hebben heus zinnige dingen te melden: ze adviseren je om wat langer naar een kunstwerk te kijken, om überhaupt eens naar een museum te gaan, en om niet meteen alle bijbehorende bordjes te lezen. Mijn advies: lees ook hun boek niet.

TS

De Kunstmeisjes, De Kunstmeisjes, Meulenhoff, € 22,99

 

 

De Levenseindekliniek in Den Haag heeft drukke weken achter de rug. Waar de psychologen normaal gesproken zo’n acht verzoeken per maand behandelen, mocht het team naar aanleiding van misplaatste nieuwsberichten (‘Dutch Teen Allowed To Die At Home’) in één week 41 euthanasietoeristen te woord staan. Hoewel de kliniek beweert alle binnenkomende verzoeken zeer zorgvuldig te behandelen, zouden deze gevallen toch niet al te ingewikkeld moeten zijn. Het gaat hier om mensen die blijkbaar niet eerst uit eigen beweging het internet zijn opgeklommen, maar die toevallig naar Fox News zaten te kijken en dachten: dat lijkt mij ook wel wat. Dat buitenlandse media en ThePostOnline de dood van een zeventienjarig meisje aangrijpen om euthanasie in een kwaad daglicht te stellen is hoe dan ook verschrikkelijk. Euthanasie is juist iets prachtigs, iets wat na jaren lijden eindelijk verlichting brengt. Vooral als het wordt toegepast op, bijvoorbeeld, Hendrik Groen.

Het is inmiddels vijf jaar geleden Groens debuut, Pogingen iets van het leven te maken, het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar, met de snelheid van een opgevoerde scootmobiel de bestsellerlijsten beklom. Stopte hij nou maar eens met pogen. Helaas, op de kaft van de vijfenveertigste druk worden we nog altijd gewaarschuwd: ‘Hendrik Groen mag dan oud zijn, hij is nog lang niet dood en niet van plan zich eronder te laten krijgen.’ Ik ben ervan overtuigd dat zelfs Groen na de juiste hoeveelheid morfine wel anders zou piepen. Dat niemand de inmiddels bijna 90-jarige daar eens een handje bij komt helpen, komt doordat Groen verkoopcijfers voortbrengt waarmee Hugo de Jonge de hele zorgsector naar het niveau van een private kliniek in Qatar kan tillen. Voorlopig zal Meulenhoff dus geen middel schuwen om Groen in leven te houden en bij ieder voorschot voor een nieuw boek ook een karrenvracht aan glucosamine en chondroïtine afleveren om de artrose in zijn vingers te lijf te gaan. Want schrijven zal die bejaarde gek.

Zodoende heeft de succesformule dit jaar een nieuw boek uit zijn broze botten weten te schudden. Een kleine verrassing heet het, daarmee beslist niet doelend op de thema’s die erin aan bod komen. Klagende senioren, een graaiende directie en volgepiste luiers: dat demente bejaarden hier hun laatste beetjes energie in steken, verklaart nog niet waarom de rest van Nederland dit in vier vuistdikke romans beschreven wil zien worden. Op papier kan de mensheid blijkbaar geen genoeg krijgen van al dat oudelullengezeik, al is er geen ziel meer te vinden die in het echte leven voor deze uitdijende groep wil zorgen. Zelfs onze eigen grootouders bezoeken we niet meer, behalve met kerst misschien, om het voorgeslacht de nieuwste Groen massaal cadeau te doen.

Het enige verrassende aan Een kleine verrassing is de achterflaptekst: ‘Hendrik Groen en Evert Duiker, trouwe vrienden in voor- en tegenspoed, zijn de zeventig ruim gepasseerd.’ Pardon? Zijn er opeens nieuwe geboortepapieren opgedoken? Of heeft Meulenhoff Groen een elixer toegediend dat hem minstens tien jaar jonger heeft gemaakt? Waarschijnlijk is er op de uitgeverij paniek uitgebroken toen men besefte dat het voor de geloofwaardigheid van het karakter noodzakelijk was dat de kanker of alzheimer binnen afzienbare tijd zou toeslaan – met zinnetjes als ‘de benen willen niet meer’ zouden ze het niet lang redden. Niet alleen werd besloten de leeftijd van Groen niet meer in ondertitels mee te nemen en hem voortaan gewoon ‘oud’ te noemen, ook zette de publiciteitsafdeling vaart achter de televisieserie en merchandise-lijn: de markt bleek grote behoefte te hebben aan boekenleggers, tasjes, strandballen en keukenschorten met de tekst ‘I love Hendrik Groen’.

Waarom complete volksstammen zo dol zijn op Groen blijft een groot raadsel. Hij is het Nederlandse antwoord op De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, over een bejaarde die niet alleen tien jaar ouder is, maar die tenminste wel de ballen heeft om gewoon weg te lopen als een plek hem niet zint. Nee, dan die kankerpit van een Hendrik Groen: zogenaamd heldhaftig uit het verzorgingstehuis ‘ontsnappen’ om stiekem uit eten te gaan bij de Griek om de hoek, maar zodra de Ouzo achter de kiezen is wel terugkeren om zich nog door een 15-jarige ROC-stagiaire Zorg en Welzijn te laten wassen. Niet voor niks is het uitgerekend Kluun die op de achterflap geciteerd wordt: ‘Hendrik Groen is koning!’

Er zijn mensen die beweren dat de 62-jarige Peter de Smet het brein is achter Hendrik Groen. Zelf weiger ik te geloven dat die boeken geschreven worden door iemand die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet eens heeft bereikt. Wat staat ons dan nog allemaal te wachten? Voor iedere bezuiniging in de zorg zal De Smet zijn botontkalking trotseren en een nieuw boek in elkaar draaien. Er zullen nog talloze passages over gevechten om het laatste advocaatje volgen, om nog maar te zwijgen over de eindeloze dialogen met zorgrobots. Laat in uw wilsbeschikking alvast opnemen dat u er onder geen enkele omstandigheid uit voorgelezen wilt worden.

TS

Nog liever dan romans lees ik de aanbiedingsbrochures waarin uitgeverijen hun nieuwe koopwaar etaleren. Deze folders zijn bedoeld als reclame voor boekhandelaren, die op basis van de aanbieding hun inkoopbeleid kunnen bepalen, maar ik gebruik ze anders: ik blader erdoorheen alsof het een Bijenkorf-catalogus betreft en mail de uitgeverijen vervolgens welke artikelen zij mij gratis op mogen sturen. Daar staat doorgaans tegenover dat er in PC een recensie van de ontvangen romans moet verschijnen, al is het voor de promotie van het boek meestal beter als het daar niet meer van komt. Toch reageren PR-stagiairs braaf op mijn verzoeken, en sturen ze direct de volgende aanbieding mee, zodat ik in augustus aan het zwembad al kruisjes kan zetten in de najaarsbrochure.

Das Mag houdt niet van brochures. ‘Het draait bij uitgeverijen steeds meer om aanbiedingsfolders in plaats van om het boek’, aldus Toine Donk ten tijde van de oprichting in 2015. ‘Dat moet anders.’ Het idee dat die aanbiedingsfolders op hun beurt volledig om het boek draaien ging er bij Toine blijkbaar niet in. Das Mag kwam met een radicaal alternatief: geen aanbiedingsfolder. Het tweekoppig bestuur had besloten de titels los aan de boekhandel aan te bieden en en passant maar weer uit te halen naar de concurrenten: ‘Al die uitgeverijen blijven maar vasthouden aan drie keer per jaar een dikke aanbiedingsfolders voor alle boekhandels.’ Waarom zulke overzichten niet handig zouden zijn voor de boekhandel werd niet duidelijk, maar uit eigen onderzoek hadden Toine en Daniël geconcludeerd dat boekhandels al die reclameboeken spuugzat waren. Dat het Das Mag een hoop geld scheelde om niet drie keer per jaar zo’n folder in elkaar te moeten draaien was mooi meegenomen.

Inmiddels is het mei 2019 en heb ik de zomerbrochure van Das Mag voor mij. Hoewel boekhandelaren het hippe aanbiedingsbeleid van de uitgeverij inderdaad als lekker rustig hebben ervaren, kwamen de literaire cowboys van de Staalstraat er snel achter dat hun kantoor op deze manier als opslaghuis zou blijven fungeren. Daarom presenteerde de uitgeverij afgelopen jaar ‘met trots’ hun eerste aanbieding. Twitter werd woest, de Volkskrant publiceerde een artikel met de kop ‘Wat is er nog rebels aan uitgeverij Das Mag?’ (antwoord: niks). Jamal Ouariachi is ondertussen gestopt met tweeten en Das Mag heeft een jaar lang vrolijk de ene na de andere aanbieding de wereld in geslingerd.

Het leek erop dat Das Mag haar puberale wereldbeeld ontgroeid was, tot het PR-apparaat begin deze maand op de sociale media toch nog blijk gaf van een ernstig verstoorde hormoonhuishouding. ‘Onze zomeraanbieding, die hebben we nu klaar. Daarin kun je dus precies zien welke boeken er van ons in de zomer verschijnen.’ Lekker gewerkt jongens. Handig ook, zo’n folder! ‘Maar zo’n folder is stiekem best saai en maakt de afstand tussen de schrijver en de toekomstige lezer alleen maar groter.’ Daar gaan we weer. Zonder die folder komt het werk van de schrijver niet eens bij de lezer terecht, tenzij je alleen maar schrijvers als Thomas Rueb in je fonds hebt, die met tien pallets de straat op gaan om hun boek gratis aan het publiek uit te delen in ruil voor stemmen waarmee ze de NRC Boekenwedstrijd kunnen winnen. Maar wie daarnaast een gek met het ludieke pseudoniem Auteur 404 en een boek over anti-fame toelaat kan niet anders dan ook ouderwetse methoden inzetten.

Enter de aanbiedingsfolder. Waarom Das Mag zichzelf de grond in boort door te zeggen dat zo’n brochure saai is is mij een raadsel: aan die 16 pagina’s valt meestal meer lol te beleven dan alle vuistdikke debuutromans die Toine en Daniël tot nu toe de wereld in hebben geholpen. Neem alleen al de kop ‘Waarom wij dit boek uitgeven’ die veronderstelt dat de aartsluie synopsissen van soms twee zinnen lang de boekhandelaar niet over de streep gaan trekken. Onder dit kopje geeft Das Mag zichzelf 7×5 cm aan ruimte om eerlijk te vertellen hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Pagina 4: ‘Peter kan meer dan 280 tekens schrijven […] Door zijn online bekendheid zien wij Peter als rising star.’ Pagina 6: ‘Haar artikel riep heftige emoties op en ging viral. Voor ons een signaal dat dit onderwerp ontzettend leeft.’ Pagina 8: ‘Nooit eerder publiceerde Fen Verstappen ergens een woord proza. Toch geven we met blind vertrouwen haar debuut uit.’ Blijkbaar moet je ofwel een literaire twitterheld à la Toine, ofwel een onbekende nitwit als Daniël zijn om een plaats in de stal van Das Mag te veroveren.

Het is niet verrassend dat de promotieafdeling de aandacht van de aanbiedingen nog altijd probeert af te leiden, en nog minder verrassend met welk middel dat gebeurt: zoals de moderniteit vereist is er weer een podcast in het leven geroepen, ditmaal voor de boeken van de zomeraanbieding. Vier auteurs en een redacteur leggen in een interview zonder beeld uit waarom wij hun handel moeten aanschaffen.

‘Er staat een woordenlijst achterin met alle moeilijke woorden die in het boek worden gebruikt.’ ‘Nu mag ik dus een boek schrijven en dat vind ik wel leuk.’ ‘We lazen het en moesten er gelijk van huilen en ook een beetje van lachen.’ Das Mag, doe mij toch maar die najaarsbrochure.

TS

Splinters zijn vervelende dingen. Als je ze er niet zo snel mogelijk met een pincet uitrukt gaan ze zweren. Negeren is sowieso geen optie: hoe klein ook, zo’n ding blijft zeuren. In politieke zin heeft de splinter ook betekenis. Het gaat dan om iets nietigs, een partij die er eigenlijk niet toe doet maar waarvan de aanwezigheid soms maar moeilijk te ontkennen valt. Na de eerste uitzending van het tv-programma Splinter in de politiek, waarin JOVD-captain Splinter Chabot schuimbekkend het Binnenhof uitkamt op zoek naar iedere politicus die hij te pakken kan krijgen, kunnen we stellen dat bovenstaande betekenissen nog altijd volstaan.

De media benadrukken graag dat Splinter een telg uit de Bart Chabot-dynastie is. Hoewel ieder beeld van Splinters manische kop die mededeling direct overbodig maakt, is het in feite nog veel erger. Splinter heeft het DNA-pakket van zijn moeder volledig naast zich neergelegd en is de genetische dubbelganger van Bart Chabot. Dezelfde tandjes in dezelfde scheve klep, dezelfde bril, hetzelfde onverstaanbare geratel en dezelfde onuitputtelijke motor. Naast Splinter verwekte Bart ook nog de tropische cyclonen Sebas, Storm en Maurits. Dat Yolanda Chabot van ellende twee mannen aan het medialandschap heeft afgestaan is niet verwonderlijk: de vrouw moet thuis een dagtaak hebben gehad aan het uitdelen van Ritalin-tabletten.

Van de vier zoons was Splinter de eerste die door moeders met zijn medicijndoosje op straat werd gegooid. Splinter vond onderdak bij DWDD, waar hij na twee keer als tafelheer te hebben opgetreden besloot dat de redactie hem nu maar eens aan de andere kant van de tafel moest uitnodigen. Trots verkondigt – brult – hij aldaar dat het resultaat van zijn eerste presentatieklus de dag erna op NPO3 te zien zal zijn. Dat we allemaal moeten kijken. Dat we er misschien door zullen denken: verdomd, die politiek, daar is van alles gaande. Op het moment van schreeuwen vroeg niemand in het publiek zich nog af hoe de kleine hystericus daar überhaupt terecht was gekomen – wilde complottheorieën over kruiwagens waren al sterk verouderd. Men vond het eigenlijk best logisch dat zo’n cultuurhatend programma als DWDD toenadering zocht tot de jeugdafdeling van de VVD.

Evengoed klinkt er opgelucht gelach als Splinter na de vraag of hij wil doorgroeien in het kastenstelstel van de VVD resoluut ‘nee!’ schreeuwt. Op de vraag of hij dan wel op Mark Rutte stemt komt helemaal geen antwoord. Volgens Splinter ben je als JOVD-lid absoluut niet verplicht om VVD te stemmen, of om überhaupt enige affiniteit met de partij te voelen. Een hele opluchting, maar waarom dan nog inschrijfgeld betalen? Voor een blauw-oranje nieuwsbrief waarin de tien netwerkborrels van de maand staan opgesomd?

Als je Splinters zinnen weet te ontcijferen blijkt dat hij zijn lidmaatschap steeds met één woord probeert te verantwoorden: liberalisme. Splinter is homo en een excentriekeling, want hij draagt donutsokken. Hij denkt dat hij een partij die zichzelf graag als liberaal profileert nodig heeft om dat te kunnen doen en dat iedereen bij socialere partijen met dezelfde rode ster op zijn jas rondloopt. Terwijl het toch echt VVD-kamerleden zijn die voor een stemming een sms’je van de hoogste macht krijgen met daarin de boodschap ‘straks voor’ of ‘straks tegen’. Die tegen een voorstel waren voor verplichte voorlichting over seksuele diversiteit op het mbo. Die samen kwamen opdagen met de knaller van een oneliner ‘Normaal. Doen.’

Misschien is Splinter wel de kleine lastpak die met zijn onophoudelijke gebrul de VVD goed fatsoen weet bij te brengen. De JOVD staat er bijvoorbeeld al om bekend eerlijk te hebben toegegeven dat ook zij het een wel een erg opvallend hete zomer vonden. Waarschijnlijker is het dat Splinter – nu nog door de pers als ‘een leuk joch’ omschreven – over tien jaar met uitgestreken smoel voor een camera verkondigt dat we lastige moslimjongeren maar eens moeten gaan steriliseren. Het is het pad dat onder anderen Klaas Dijkhoff en Mark Rutte eerder hebben bewandeld: eerst jarenlang de sympathieke jongen uithangen, om vervolgens eens voorzichtig aan de rechtsstaat te gaan sleutelen.

Vooralsnog is Splinter de lieve stumper die alleen nog maar de chef mag interviewen terwijl deze op een terras aan zijn bakje yoghurt zit. Hoewel Splinter wel even voorzichtig vraagt naar de dividendbelasting, komt de meest heftige kritiek in de vorm van een toevallige passant, die in het voorbijgaan naar Rutte schreeuwt: ‘helemaal klaar met jou, weet je dat!’ Rutte echter is een door Philips ontworpen robot die niet in staat is om negatieve signalen te registreren. Zelfs als Splinter hem nog even op de aantijging wijst geeft hij een error. Het deert niet, want zelf heeft Splinter het ook veel liever over de leuke dingen des levens. Daarom gaat hij schaatsen met Lodewijk Asscher, in een kort broekje door het park rennen met Rob Jetten en winkelen met Lilian Marijnissen. Hij wil politici uit hun context halen, om ze te laten zien ‘op momenten dat ze echt zichzelf zijn’. Of een cameraploeg en een extatisch kind aan je broekspijp dat proces bemoeilijken, mag de kijker beslissen. De politici kan het niet rotten: die laten zich vlak voor de Provinciale Statenverkiezingen maar al te graag interviewen door een jonge homo die zegt alle bewindslieden die hij spreekt ‘zulke aardige mensen’ te vinden.

Waar Splinter in de politiek werkelijk om draait is een individuele zoektocht. ‘Kan je wel helemaal jezelf zijn in de politiek?’ vraagt Splinter ons. Wat hij bedoelt is: kan ik wel helemaal mezelf zijn in de politiek? Splinter zou graag meer kleur in de politiek zien, liefst zijn eigen paarse gilet en gebloemde overhemden. Alleen als Den Haag zich aan zijn kledingvoorschriften aanpast overweegt hij een politieke carrière. Voorlopig blijft hij de modewetten uitleggen aan zijn opnameleider, die hem op een koude dag in januari vraagt of hij zijn overjas niet beter dicht kan doen. ‘Een dichte jas ziet er niet uit!’ is Splinters antwoord. Hopelijk ziet hij nog eens in dat het VVD-lidmaatschap niemand staat.

TS

Roos steek je vinger in je doos

Het is niet makkelijk meer om jezelf tot feminist uit te roepen. Waar het claimen van de onbeschermde titel een aantal jaar geleden leidde tot vragende blikken, boekcontracten en een confrontatie met Maxim Hartman in een talkshow, bereikt de boodschap tegenwoordig nauwelijks meer de cortex van de luisteraar. Hoewel het provocatiegehalte van de mededeling inmiddels ongeveer even hoog is als het individueel erkennen van de Armeense genocide, heeft er zich direct een gewaagd alternatief aangediend: verklaren dat je je niet schaart bij de hordes moderne Dolle Mina’s. Een man hoeft dit natuurlijk helemaal niet te proberen, een vrouw zal zich op z’n minst nader moeten verklaren – tenzij die vrouw luistert naar de naam Roos Dickmann.

In de voorjaarsaanbieding van Prometheus prijkte de debuutbundel Ik ook van mij van Dickmann naast de paginavullende tekst ‘Kan een vrouw die verkracht wordt zichzelf iets kwalijk nemen?’ Dit is wat Prometheus heeft weten te brouwen van het werk van Rosie Price, dat volgens haar Engelse uitgever gaat over ‘the courage of a young woman speaking out’. Voor Dickmanns bundel deed Tim Hofman zijn best de walgelijkheid van de rechterpagina te benaderen. ‘Een intiem boekje’, aldus de muzenzoon, die via instagram vanzelfsprekend warme banden met Dickmann onderhoudt. Een korte blik op haar account doet alweer vermoeden wat jonge actrices – de letteren zijn slechts een uitstapje – zo aantrekkelijk maakt voor uitgevend Nederland: deze vrouw is haar eigen pr-machine. In talloze posts en stories waarin interpunctie als een dichterlijke ingreep is verdwenen (‘ik heb een gedichtenbundel uitgebracht die nu te koop is kusje’) spoort ze met haar onuitputtelijke bron van ironie haar trollenleger aan het broddelwerk te kopen.

Het enige wat de publiciteitsafdeling nog hoefde te doen was Dickmann met Gedichtendag op de trein naar Hilversum zetten. Op deze dag worden dichters traditioneel uit hun hollen gesleept om iets over hun werk te vertellen, om vervolgens weer een jaar lang genegeerd te worden. In de uitzending van Kunststof vraagt presentator Frénk van der Linden Dickmann wat zij haalt uit een ‘feminien aspect’ in een gedicht van de Dichter des Vaderlands, waarop Dickmann triomfantelijk verkondigt dat ze ‘géén feminist’ is. ‘Dat wil ik wel graag even benadrukken.’ Was Dickmann het wel geweest, dan had ze Van der Linden misschien gevraagd waarom zij in godsnaam specifiek over dat onderdeel iets moet zeggen, terwijl Jan Baeke en Pim te Bokkel eerst minutenlang zijn losgegaan op het geheel.

Van der Lindens motieven worden duidelijk als hij Dickmann verder aan de tand voelt. ‘Ik vraag het omdat het me verbaasde, zo niet verbijsterde, dat jij geen vrouwelijke poëten zegt te lezen.’ ‘Het is niet zo dat ik ze bewust niet lees,’ aldus Dickmann, die vervolgens heel precies uitlegt waarom ze bewust geen vrouwen leest. ‘Ik kan soms poëzie best wel snel een beetje gedweep vinden, bepaalde mooischrijverij. Dan denk ik soms: doe niet zo moeilijk! Stel je niet aan. Harden the fuck up. Poëten kunnen soms, en dan vooral vrouwen denk ik…’ Vlak voordat Lieke Marsman al haar vriendinnen heeft weten te mobiliseren grijpt Jan Baeke in, die tot zijn eigen verbazing aan een 22-jarige vrouwelijke dichter moet mansplainen dat er weldegelijk goede vrouwelijke dichters bestaan. ‘Het is waarschijnlijk ook een vooroordeel,’ klinkt het zelfbewustzijn van Dickmann. Waarschijnlijk heeft ze daarin gelijk, want als de onvermijdelijke vraag of ze weleens vrouwen leest komt is het antwoord nee. ‘Maar ik blader er soms wel een beetje doorheen.’

Laten we de bundel van Dickmann eens doorbladeren. Volgens de achterflap schrijft Dickmann ‘recht op de man af’. Toch richt ze een van haar eerste gedichten ‘aan alle jonge vrouwen die zichzelf hopen te vinden in Thailand’. Was het eerst een cliché om als jonge vrouw naar Thailand te gaan, nu is het een nog groter cliché om daarover te schrijven. Een volgend klapstuk richt ze ‘aan mezelf en alle andere poëten die zichzelf hopen te vinden in melancholische liefdesgedichten’. Dickmann laat geen twijfel bestaan over haar stokpaardje: ‘Houd toch eens op met dat / eeuwige gezever en gezaag over / de liefde; het is vertieft en dwaas / verdomde stom.’ Dickmann wil niet horen van gebroken harten en zakt liever een kwart meter af naar de anus.

Zelf denkt Dickmann dat de meeste jonge mensen zich sneller tot haar gedichten over poep en de poëzie van andere millennials voelen aangetrokken dan tot het werk Slauerhoff. Of dat voor haar pleit moet ieder voor zich beslissen, maar we hoeven niet te doen alsof de gedichten van Hofman en Dickmann serieuze doorgroeimogelijkheden bieden. Andersom geldt hetzelfde. Wie fan is van Slauerhoff, gaat waarschijnlijk niet van Dickmann houden. Gelukkig doet ze dat zelf wel.

TS

Roos Dickmann, Ik ook van mij, Prometheus, € 15,00, of gratis door te bladeren bij Athenaeum

Archief