TS

Dit fenomeen is voorlopig nog niet uitgewoekerd.

Er zijn geen ergere mensen dan zij die ‘ergens een gevoel bij hebben’, op één categorie schlemielen na: zij met een ‘voorgevoel’. Het gebruiksvriendelijke van het woord ‘voorgevoel’ is dat het zonder problemen kan worden ingezet op het moment dat er van een voorgevoel allang geen sprake meer is. Sla google er maar op na: in veruit de meeste gevallen zagen voetballers, prijswinnaars en terminale patiënten hun voorgevoel ‘bewaarheid worden’, bleek het ‘te kloppen’ en was het dus toch ‘terecht’. Logisch, want iedereen wiens voorgevoel niet blijkt te kloppen houdt wijselijk zijn kop.

 

Zo ook Lidewij Edelkoort. Lidewij (‘Li’ voor vrienden en andere hielenlikkers) heeft van voorgevoel haar beroep gemaakt. Hoewel zij in het grote dubbelinterview met haar man Anthon Beeke door de koppige interviewer meermaals ‘trendwatcher’ wordt genoemd, is Lidewij niet te beroerd haar te corrigeren. ‘Ik ben trouwens trendforecaster – een trendwatcher is ­iemand die een heleboel bruine schoenen ziet op straat en stelt: bruin is in. Ik ben dan al veel langer met bruin bezig.’ Inderdaad. En met geel, en groen, en lila. In Lidewijs geval vuurt de kosmos zoveel yottabytes aan informatie op haar ingebouwde schotelantenne af dat haar verspreidingskanalen in de vorm van haar website en mond wel 24 uur per dag aan moeten staan. Op iedereen die het maar horen wil laat ze haar talloze ingevingen los, en maakt daarbij handig gebruik van zowel het trial-and-error-principe als misleidingstechnieken uit de astrologie. Niet alleen doet Lidewij graag voorspellingen die zo algemeen zijn dat het raar zou zijn als ze niet zouden uitkomen, ook geeft ze haar profetieën een tijdsbestek van enkele lichtjaren om iets van de waarheid te naderen.

 

Volgens Lidewij leven we in een ‘zware’ tijd, en wordt het alleen maar gekker. ‘Het zijn spannende jaren, ik maak me zorgen,’ aldus het orakel. Gelukkig was vroeger alles zo lekker normaal, en was iedereen het daarover eens. Nee, dan onze eeuw: ‘Ik vrees voor een burgeroorlog in de ­Verenigde Staten, extreemrechts tegen alternatief, avant-garde, zwart, groen, geel rood.’ Over een aantal jaar zul je het iedereen horen zeggen: ‘Die Lidewij, die wist dat er wat zou gaan gebeuren in Amerika, met dat zwart, groen, geel rood!’ Maar het hardst van iedereen zullen we het Lidewij zelf horen roepen, mits de vraagbaak dan niet al tijden dood is.

 

Vooralsnog horen we Lidewij uitsluitend over voorspellingen uit een ver verleden die ze nooit op papier heeft gezet. Dat weerhoudt haar er niet van de juistheid van al die voorgevoelens door de strot van het publiek te rammen, al heeft nu behalve zijzelf helemaal niemand daar meer iets aan. Herinnert u zich 9/11 nog? Lidewij ook, en zelfs al veel langer dan u. ‘In de lente van 2001 voelde ik me verschrikkelijk. Toen ik de eerste toren zag instorten, was ik helemaal opgelucht: dit was het dus.’ Waar Lidewij anders nogal vaag is over de herkomst van haar prognoses, is ze hier heel duidelijk. Naar eigen zeggen stond ze geestelijk direct in verbinding met Bin Laden, en ja, dat vindt ze zelf ook wel vreemd. Het is zelfs bijna zo vreemd als iemand die eerst opluchting voelt bij het aanschouwen van de grootste terroristische aanslag in de wereldgeschiedenis.

 

Toch bestaan er dingen waar zelfs Lidewij zich lekker druk om kan maken. De teloorgang van onze planeet, bijvoorbeeld. ‘Ik wil geen doemscenario schetsen, maar het is duidelijk dat het nu echt misgaat.’ Maar waar klimatologen met jarenlang serieus onderzoek het laten afweten, gaat Lidewij door. Het heelal en Bin Laden berichten haar al sinds begin jaren 90 dat de economie kleinschaliger, milieuvriendelijker en lokaler zal worden. Lidewij is er nog steeds van overtuigd dat dat ooit, mark her words, ja óóit zal gebeuren! Het is immers onze enige redding, aldus de vrouw die ‘vaker dan een piloot’ in een vliegtuig zit. Wanneer die omslag naar een duurzame economie dan precies plaats gaat vinden, zou ze misschien eens kunnen navragen bij haar klanten, waaronder Coca-Cola, Siemens en L’Oréal.

 

Lidewij beweert dat er van al haar voorspellingen geen enkele niet is uitgekomen. ‘Anders zou ik ze niet opvangen.’ Beter is het om te stellen dat er weleens wat straling zijn doel mist, vooral in de persoonlijke sfeer. Zo was Lidewij in ’82 wegens gebrek aan zin bijna niet naar een designcongres gegaan, terwijl ze daar toch mooi haar man ontmoette. Diezelfde man antwoordde in het Volkskrant-interview op de vraag of hij het jaar 2050 zouden gaan halen overtuigd: ‘Haha, ik niet!’ Daar dacht Lidewij heel anders over. ‘Jij wordt wel oud, ook.’ Drie weken na het interview was Anthon dood. Als het nog kon zou hij zeggen dat hij al zo’n voorgevoel had.

TS

Het was een prachtige zomer voor de rustzoekers in Amsterdam. Theodor Holman was in Italië om verslag uit te brengen van de gedienstige kamermeisjes aldaar, Han Lips heeft zijn RTL XL Premium-account ten volle benut en Hiske Versprille verruilde noodgedwongen de terrassen voor magnetronmaaltijden. Bovendien zal het menig vrouw zijn opgevallen dat haar nek in de avonduren bij afwezigheid van bronstig gehijg op feesten en partijen eindelijk eens droog bleef. Inderdaad: ook Hans van der Beek, beheerder van de fuifrubriek Schuim in Het Parool, zei de salons en partytenten tijdelijk gedag om een zomerstop in te lassen.

Mogelijk heeft u ook voor deze zomer nog nooit last van Hans van der Beek gehad. Dan bent u ofwel een man, ofwel nog nooit op een feest/evenement/ presentatie/festival/bijeenkomst/gala/ housewarming in Amsterdam geweest. Geldt het voorgaande niet voor u maar bent u wel geabonneerd op Het Parool, dan hebt u dubbel zoveel pech. Het Parool is de krant waarin Van der Beek iedere dag verslag doet van de festiviteiten die hij afgaat. Die stukken weet hij elke dag weer zuurder te maken dan zijn kop ernaast doet vermoeden. Het laffe ironische toontje dat werkelijk in al zijn stukken wordt aangeslagen en dat Van der Beek zelf voor humor aanziet is zijn vrijbrief om alles waar mensen tijd en moeite in hebben gestoken vluchtig de grond in te trappen.

Krijgt Hans een goedgevulde goodiebag mee, dan lukt het hem niet daar simpelweg enige dankbaarheid voor te uiten of er desnoods gewoon helemaal zijn bek over te houden, maar lijkt het hem zinniger zijn onvrede te laten blijken over de roze kleur van de verpakking waarin de luxueuze goodies zich bevinden. ‘Ik moet hiermee over straat.’ Mag Hans zich melden voor een zesgangendiner dat wordt verzorgd door twintig ingevlogen Italiaanse sterrenkoks, vindt Hans het nodig zijn lezers te berichten over de file waar hij in heeft moeten staan voor hij aan tafel kon en de onmogelijkheid om tussen de gangen door ‘even een peukje’ te roken. Gaat Hans zich gratis volstouwen met frituurvoer bij het café dat de AD friettest voor de vierde keer op rij heeft gewonnen, wil hij eerst zijn vraagtekens zetten bij de relativiteit van goede friet. ‘Hoezo de lekkerste frieten van Amsterdam? Friet is een stukje aardappel dat een tijdje in de frituur heeft gelegen. Dat kun je langer doen of iets korter en je kunt ook een andere aardappel proberen. Dat was het verder wel, lijkt me toch.’

Waarom stapt Van der Beek niet gewoon naar een Smullers binnen de ring, waar je, als je de boel binnen weet te houden, sowieso niets mee naar huis krijgt? Het antwoord: omdat je in de Smullers geen lekkere wijven kunt vastleggen. Als Hans niet met zijn kolossale lijf alle meisjes van de bediening voor de andere gasten aan het oog onttrekt jaagt hij op bekende vrouwen die hij niet alleen voor zijn camera sleept, maar ook voor zijn vuurpeloton van kritische vragen. Zo stelde hij Doutzen onlangs voor een culinair dilemma dat hemzelf op menig feest gek maakt: ‘Frikandel of kroket?’

Doet Van der Beek dan niks anders dan vrouwen die nietsvermoedend naar een feestje gingen vragen naar hun favoriete vleesstaaf? Jawel, Hans schrijft ook boeken over feestjes en vrouwen. In 2011 tekende hij een top 100 van het Amsterdamse uitgaansleven op, deed Kluun de flauwe suggestie Paradiso op nummer 1 te zetten en ramde uitgeverij Podium er een kaft omheen waar Van der Beeks naam nauwelijks meer op te lezen is, maar die van Kluun des te beter. Rest nog een in de vergetelheid geraakte roman over een geschiedenisdocent met een obsessie voor Chantal Janzen, de vrouw die ooit een dag lang door Van der Beek werd gestalkt omdat hij per se een portret van zes kantjes van haar wilde optekenen. Sindsdien keert Janzen ook regelmatig terug als toevallige aanwezige op de feesten waar Van der Beek verslag van doet, zoals de lancering van het blad &C en het éénjarig bestaan van het blad &C. ‘Chantal Janzen, toevallig naast me, mompelt: “Grote zwans…”’

Tegen mogelijke uitkomsten als een straatverbod of extra beveiliging heeft Van der Beek zich allang gewapend. Afgelopen maand werd hij geweigerd aan de net geopende poorten van het Soho House, ooit de plek waar Van der Beek zelf colleges volgde en inmiddels voor de gemiddelde Amsterdammer onbegaanbare grond. Juist als Van der Beek een keer alle reden heeft om in zijn rubriek in de grootste krant van Amsterdam een evenement ter ere van malafide praktijken totaal de grond in te boren doet hij het natuurlijk niet. ‘Werkelijk schitterend’, ‘opnieuw valt mijn mond open’, ‘krakers eruit, young, hip & beautiful erin’, schrijft de man die in eerste instantie zelf niet eens naar binnen mocht omdat hij absoluut niet tot deze groep behoort. ‘Om binnen te komen, was nog best een toestand. […] Ook foto’s maken van de gasten was niet mogelijk. Dat was om de privacy te waarborgen. […] Ik moest werkelijk al mijn natuurlijke charme inzetten.’ Natuurlijke charme, dat wil bij Van der Beek zeggen: pens naar voren, frons op je kale kop en tegen het meisje van de gastenlijst brullen dat je wél naar binnen mag.

Het zal niet lang meer duren voor Hans terugkeert van zijn feestvakantie op Ibiza en de Amsterdamse markt opnieuw met zijn volle gewicht gaat bezetten. Sluit dus uw ramen als u de frituur aanzet en mijd evenementen die op facebook als openbaar zijn aangemerkt. Dan is het voor u het weet weer tijd voor de volgende zomerstop.

TS

Ook honger? Win de KOLOMKOMPETITIE en krijg 100 euro.

Paulien is ziek!” klonk 16 januari het alarmerende bericht op de facebookpagina van Paulien Cornelisse. Nog voor haar achterban goed en wel was uitgeluld over het wel of niet terecht geplaatste uitroepteken in de zin was de volgende mokerslag al daar. “Helaas is Paulien nog steeds ziek. Ook de voorstelling in Stadsschouwburg Velsen morgenavond is daarom geannuleerd.” Ondertussen is er al dagen geen teken van leven van ’s lands bekendste cavialiefhebster gesignaleerd. Waar het er eerst nog gewoon op leek dat Paulien zich al dagen het hoofd brak over een lekker gek spreekwoord, moeten we nu concluderen dat er meer aan de hand is.

 

Niet toevallig ging de dag voor Pauliens eerste online ziekmelding de film Taal is zeg maar echt mijn ding, naar haar gelijknamige boek, in Tuschinski in première. Dat Paulien daar bij voorbaat al niet op zat te wachten was bekend. Noch in de media noch op haar facebookpagina gaf ze enige reactie op het idee om haar bundel lui bijeengesprokkelde doch goedverkopende columns te verfilmen. Wel wist de scenarist te melden dat “Paulien Cornelisse zich niet te veel probeert te bemoeien met de film.” Daar is geen woord aan gelogen, zeker omdat Paulien niet eens de moeite heeft genomen om naar de première die in haar eigen stad plaatsvond te komen kijken. Dat ze het desondanks presteerde er de volgende dag ziek van te zijn, zal zijn omdat haar ter ore was gekomen dat de filmproducenten een plot hadden bedacht waarin Paulien Cornelisse een vrouw is. Fockeline Ouwekerk, die de taak op zich kreeg, werd in een rokje gehesen en krulde haar haar voor de film. Werkelijk in niets lijkt de hoofdpersoon van deze film nog op Cornelisse, op één ding na: het nadrukkelijke, trage stemgeluid waarmee ook Paulien haar verontwaardiging over allerlei irrelevante taalkwesties uit wordt door Ouwekerk 90 minuten lang perfect volgehouden.

 

Terwijl Paulien op bed lag en de recensenten weer over elkaar heen buitelden om Taal is zeg maar echt mijn ding – de film te bestempelen als de zoveelste middelmatige romkom van eigen bodem, zag niemand dat het in werkelijkheid om een exemplarisch drama ging. Neem de scène die door de Filmkrant werd uitgelicht: “De belegger (Yannick van de Velde) roept dat hij kamperen de hel vindt, waarna Anne (Fockeline Ouwekerk) zich verliest in een letterlijke verbeelding van die uitspraak, met kampeervelden vol vuurtongen en krijsende mensen, en vraagt: “Is die vergelijking niet ietsje overdreven?” Yannick kijkt haar verbijsterd aan. Anne is de enige die zo taalgevoelig is.”

 

Taalgevoeligheid is hier verworden tot het onoverkomelijke verlangen om op iedere zin, uitdrukking, komma of punt iets gevats te willen zeggen. Een vervelende tic waar niet alleen Anne en Paulien last van hebben, maar velen met hen. Een jaar geleden riep de Faculteit der Geesteswetenschappen zelfs een speciale opleiding in het leven voor deze mensen: Cognition, Language and Communication. Een opleiding die volgens de site van de UvA goed past bij mensen die “later willen werken in een functie waarin je te maken krijgt met cognitie, taal en communicatie”. Studenten mogen zich buigen over “de relatie tussen de taalgebruiker en wat die moet weten om efficiënt een boodschap over te brengen of te begrijpen.” Waar de Parnassia Groep enkele maanden nodig heeft om dit aan een autist uit te leggen wijdt de FGW er een bachelor van drie jaar aan.

 

En voor wie? Voor studenten die met een gladgestreken gezicht durven te zeggen dat taal ook hun ding is. Mensen zoals Anne, die op straat, school of thuis wel eens worden geconfronteerd met tekst en van die tekst iets proberen te vinden, maar meestal niet verder komen dan een emotie. “Serieus? “Bushalte opgeheven” tussen aanhalingstekens!? Raar!” roept Anne uit, verontwaardigd over zoveel inefficiëntie in één boodschap. Pure woede is echter slechts één van de sentimenten die een mens kan voelen bij taaluitingen. Taal is minstens zo vaak “grappig”, althans, voor wie er oog voor heeft. Dat hoeft in deze tijd niet meer ingewikkeld te zijn: facebookpagina’s als Taalvoutjes hebben de Ruggespraak uit Onze Taal vervangen en maken het voor iedereen mogelijk met een scherpe blik naar taal te kijken. Je hebt per slot van rekening ergens verstand van als je ziet dat een ander het fout doet. Hele generaties toekomstige studenten Cognition, Language and Communication die nu enkel nog actief zijn op deze pagina taggen elkaar in berichten met taalfouten van medewerkers van de Kruidvat. Of deze fouten zich op fonologisch, morfologisch, semantisch of syntactisch niveau bevinden en hoe inefficiënt ze zijn weten deze kinderen nog niet, maar zal door Jan Don tijdens de colleges haarfijn worden uitgelegd.

 

Paulien Cornelisse heeft zich wel eens hardop afgevraagd waarom zij eigenlijk geen wetenschapper is geworden. Het antwoord daarop weten we niet, maar feit is dat ze zich zo zou kunnen aansluiten bij een compleet nieuwe generatie taalwetenschappers die nu eens lacht en dan weer eens fronst bij het zien van een woord. Een aanbod dat ze waarschijnlijk weigert na wat ze heeft gezien van de trailer van Taal is zeg maar echt mijn ding. Als dit is hoe ‘taalfetisjisten’ er tegenwoordig uitzien veinst Paulien nog liever haar dood.

TS

Archief