TS

Sisyphus is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij was de stichter en koning van Korinthe. Hij was een sluwe man, maar beging de vergissing de goden uit te dagen. Hij wist telkens aan hen te ontsnappen, maar verergerde hiermee zijn uiteindelijke straf. Die luidde dat hij tot het einde der tijden in de Tartaros een rotsblok tegen een berg moest duwen. Telkens rolde het van de top weer de diepte in waardoor hij het opnieuw en opnieuw de steile helling op moest duwen. Als onze nieuwste meeloper annex classicus in wor­ding het beter weet hoort u dat vast in het volgende nummer, maar dit is hoe Wikipedia het ons vertelt.

Dagelijks verrichten een half miljoen Nederlanders sisyphusarbeid. Je leest met veel ploeteren de Volkskrant uit, en de volgende dag ligt ie gewoon weer op de mat. En de dag daarna, en die daarna, enzovoort. Soms denk je: vandaag zal het vast meevallen, het ergste moeten we nu toch wel eens hebben gehad. Ik denk te­rug aan het jaar waarin de debuutroman van Volkskrant-verslaggever en -tv-re­censent Haro Kraak verscheen. Dat boek werd in een artikel in diezelfde krant ge­promoot. ‘Synesthesie, daar gaat Kraaks eerste roman over.’ Door: Haro Kraak. En wij maar duwen. Dinsdagochtend lag het rotsblok weer onderaan de berg. ‘Emma Curvers wilde 100 Amerikaanse achtbanen bezoeken als basis voor haar roman Melktanden. Waarom?’ las ik op de voorpagina. ‘V-redacteur en schrijver Emma Curvers had een wild plan dat ze mooi kon inpassen in de voorbereiding van een nieuw boek: 100 Amerikaanse achtbanen ondergaan,’ stond er verder­op. ‘Melktanden verschijnt op 2 maart bij Uitgeverij Pluim.’ Tussen die twee laatste zinnen had Curvers in corona- en verkiezingstijd vier pagina’s volgeschre­ven over waarom achtbanen zo leuk zijn. Je moet het maar durven. Maar thrillsee­ker Curvers deinst sinds ze in de Cany­on Blaster is geweest blijkbaar nergens meer voor terug.

Bij het artikel staan foto’s die haar vrien­din onderweg heeft gemaakt, zodat die tenminste ook nog een slaatje uit deze van de pot gerukte onderneming heeft kunnen slaan. In de achttiende eeuw gin­gen jonge mannen als onderdeel van hun opvoeding op een grand tour door Eu­ropa. Geef vrouwen tegenwoordig eens een dergelijke kans en ze kiezen ervoor om in een woestijngebied waar tot op de dag van vandaag geen cultuur te vin­den is alle Six Flags-parken af te lopen. Niet dat de dames nooit eens zin hadden in iets anders. ‘Ik ben moe, ik ben cha­grijnig, ik wil aan het strand liggen,’ zo klonk het commentaar van de vriendin op een zeker moment. Jammer dan, want er zouden geen strandpassages in Curvers’ boek voorkomen. Had de vriendin maar twintig jaar geleden met Jan Wol­kers naar Texel gemoeten. Alhoewel het natuurlijk maar de vraag is of dat zo’n prettige vakantie zou zijn geweest.

Al met al is de hele gang van zaken dus­danig gestoord dat je niet meer kunt aan­wijzen waar de gekkigheid nou precies begint. Gaat ze op die idiote reis om­dat ze een boek daarover wil schrijven? Schrijft ze dat boek omdat ze die idiote reis wil maken? Gaat het boek over die idiote reis zodat ze het op deze manier ook in de Volkskrant kan aanprijzen? En welke redactiechef heeft dat toegestaan? We komen er niet meer achter. Laten we dus maar kijken of Curvers aan het eind van de rit een boek heeft kunnen afle­veren met iets meer spanning en onver­wachte wendingen dan de Rupsbaan op de kermis.

‘Lon heeft het voor elkaar. Ze heeft een vriend, een robot-stofzuiger, een hond en een huis,’ zo meldt de achterflap. Nog even langs de notaris en het leven zit er voor Lon wel zo’n beetje op. Maar zo makkelijk gaat het allemaal niet, want terwijl Lon in de weer is met haar robot-stofzuiger is haar vriend Philip dat met ene Xenia. ‘Maar dat laat Lon niet over haar kant gaan.’ Lekker Lon! Wat gaat ze eraan doen? Slaat ze Philips tanden uit z’n bek? Voert ze zijn ballen aan de hond? Niets van dat alles. Lon gaat ge­woon ook doen waar ze zelf zin in heeft. Lon gaat Amerikaanse pretparken aflo­pen. ‘Curvers heeft intieme kennis van het ware drama van de burgerlijkheid: het futiele verzet ertegen,’ aldus Arnon Grunberg. Mooie woorden, al komen ze dan van de man die zich zo hard tegen de burgerlijkheid verzet dat hij in New York blijft zitten terwijl zijn vriendin en onge­boren kind in een flat in Almere wonen.

Je zou verwachten dat het met Curvers’ intieme achtbaankennis ook wel goed zit. ‘Langzaam ratelend stijg ik op naar de Amerikaanse vlag die boven op de achtbaan wappert. Dit is de houdgreep van de achtbaan, langzamer dan nodig, bijna sadistisch: je mag je voorbereiden op wat komen gaat, maar je kunt niet meer terug,’ schrijft ze in Melktanden. En trouwens ook in de Volkskrant: ‘De achtbaan takelt ons naar boven, waar trots een Amerikaanse vlag wappert. Het takelen moet traag, dit is de houdgreep van de achtbaan, bestemd voor reflectie op je leven.’ Curvers weet alleen niet of het takelen bestemd is voor voorberei­ding of reflectie omdat ze in werkelijk­heid niet in 100 maar slechts in 64 acht­banen is geweest. Hoe dacht ze eigenlijk in godsnaam een fatsoenlijk boek af te kunnen leveren zonder gedegen vooron­derzoek? ‘Never let the truth get in the way of a good story,’ zegt ze zelf. Of van een wat minder goed verhaal, natuurlijk.

TS

De NPO heeft weer eens een nieuwe talkshow. In dit format ontvangt de presentator zijn gasten niet in een studio, maar gaat hij naar hen toe, en moeten zij maar zien waar ze de door hem meegesleepte ovale tafel kwijt kunnen. Nog niet zo lang geleden werd van het publiek verwacht dat het naar het Westergasterrein zou komen. Zelf ben ik ook ooit naar zo’n talkshow gegaan. Niet vrijwillig natuurlijk, want ik ben niet gek. Ik liep stage bij een stichting die Herman Pleij in de arm had genomen om een boekje te schrijven over de geschiedenis van geluk. Meer kan ik er ook niet van maken. Die maandag was ik begonnen met werken op de persafdeling, en woensdagavond zou Pleij aanschuiven bij de talkshow. Ik mocht direct mee. Het zou leerzaam voor me zijn.

Die avond verscheen ik op tijd voor de deur van het mediacafé. Niet veel later arriveerde ook de persvoorlichter van de stichting. De bewaker, die niets aan niemand vroeg maar wel driftig om zich heen keek, liet ons direct door. Terwijl we binnen onze jas ophingen, legde de persvoorlichter het belang van zo’n talkshow voor een campagne uit. Het had iets te maken met een miljoenenpubliek. En nee, het was niet makkelijk om de redactie te overtuigen van een bepaalde gast. ‘DWDD regelen is gewoon lastig,’ aldus de persvoorlichter. Hij bekeek mij nog eens. ‘Jij gaat DWDD niet regelen. Of ja, heel misschien, als je echt goed bent.’ Ik begreep dat mijn stage mislukt zou zijn als ik DWDD aan het eind niet minstens één keer zou hebben ‘geregeld’. Niet dat we die avond naar DWDD gingen, maar dat zou ik ook zeker nog wel eens meemaken, zo beloofde hij. Eerst wilde ik dit maar eens overleven.

We liepen naar de balie waarachter het meisje zat dat ons toegang ging verlenen tot de ‘backstage’. Pleij zou later arriveren, dus het moest ons zonder bekende kop lukken om binnen te komen. Helaas: onze namen stonden niet op de lijst. Pas na een hoop telefoontjes kwam het meisje achter haar desk vandaan om een deur voor ons te openen. Die leidde naar een brandtrap, die op zijn beurt weer leidde naar een zolder. De muren waren beplakt met fotobehang van Amsterdam, en er stond een grote leren loungeset. Hier konden we, ver weg van het publiek beneden, wachten tot Pleij was gearriveerd, had gegeten en klaar was in de schmink. 

De uitzending was een succes. Te gast waren behalve Pleij Kees van der Staaij, een vrouw die een sekssite runde en enkele andere gasten die ik ben vergeten. De eigenaresse van de sekssite reageerde op alle ophef die was ontstaan naar aanleiding van reclamespotjes waarin jonge vrouwen (veelal studentes) zich aanboden als high class escort. Kees van der Staaij vroeg zich af of dat wenselijk was, of je vrouwen voor deze keuze moest stellen, en of vrouwen überhaupt eigenlijk wel in staat waren tot het nemen van beslissingen. De rest van de tafel (allemaal mannen, dat weet ik nog wel) knikte bezorgd. Eigenlijk was alleen Pleij vóór de site, maar hij zat er dan ook om te praten over geluk. Achteraf nam hij de seksbijbel aan die de eigenaresse eigenlijk aan Kees van der Staaij had aangeboden, maar die het cadeau had geweigerd. 

Na afloop volgden meer privileges. Terug in het mediacafé namen we plaats aan de statafel waar volgens de persvoorlichter de presentator – laten we hem Kauw noemen – ook altijd na afloop met zijn gasten borrelde. Deze tafel verschilde in twee opzichten van de rest van het café: in tegenstelling tot het napratende publiek stonden wij, zodat we letterlijk hoger waren dan de rest. Daarnaast werd deze tafel ongevraagd voorzien van bittergarnituur en kaasstengels. Al snel na de uitzending hadden alle gasten zich inderdaad rond de vlammetjes verzameld – alleen Van der Staaij rolde direct in zijn dienstauto. Kauw zelf liet nog op zich wachten. Omdat iedereen aan tafel de eigenaresse van de sekssite negeerde, knoopte ik een gesprek met haar aan. Misschien waren deze mannen bang om direct voor hoerenloper aangezien te worden, en ik kon hoogstens de indruk wekken op zoek te zijn naar iets dat beter betaalde dan mijn stage. 

Terwijl de persvoorlichter vragend mijn kant op keek verscheen Kauw, die zichzelf nog even had omgekleed, aan de statafel. Ik schrijf omgekleed, maar daarmee bedoel ik dat hij één extra knoopje van zijn overhemd had losgemaakt. Hij wurmde zich tussen mij en de eigenaresse. ‘Vonden jullie het leuk?’ vroeg hij, terwijl hij voorover boog om een kaasstengel te grijpen. Zelf had hij het in ieder geval leuk gevonden, want hij ging aan deze tafel nog even door. Opeens leek hij een stuk minder kritisch over de site, en wilde hij het volgende van de eigenaresse weten: ‘Als ik vanavond nog anale seks met een brunette zou willen, zou je dat dan kunnen regelen?’ Het bleef even stil. De eigenaresse legde hem uit dat het zo dus absoluut niet in zijn werk ging, zoals ze ook al in de uitzending had uitgelegd dat ze geen bordeel was, maar wat hij blijkbaar de eerste keer niet had verstaan. En toch was het knap hoe hij, in al zijn horkerigheid en banaliteit, twee blonde vrouwen het gevoel kon geven dat zij geen enkel gevaar liepen in zijn aanwezigheid. 

Nu heeft Kauw dus een nieuw programma. Een talkshow waarin hij ‘bijzondere gesprekken op locatie’ voert. Ik heb er nog niks van gezien, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de gesprekken inderdaad bijzonder zijn. Leerzaam, misschien zelfs.

TS

Hoewel de overheid momenteel eventjes iets anders aan het hoofd schijnt te hebben, stijgt de zeespiegel ondertussen stoïcijns door. De wetenschap ziet nog maar één oplossing: nu alvast één provincie offeren aan de zee. Maar welke? Zeeland heeft al eens een dappere poging gedaan, maar vond het niet zo’n succes. Noord-Holland wordt het in ieder geval niet, want daar wonen wij al. Friesland zou een goede kandidaat zijn, ware het niet dat er van die schattige zeehonden op de Waddeneilanden aanmeren. Maar echt, heel schattig. Daarom een nieuw voorstel: Limburg. Het zou immers niet zo moeten zijn dat een provincie niet in aanmerking voor afzinken komt, puur en alleen omdat ze 200 meter boven zeeniveau en niet aan het water ligt – we zijn niet voor niks grootmeesters in naviducten geworden.

Waarom Limburg? Ik zou zeggen: waarom niet? Vlaaien zijn zuur, Limburgers onverstaanbaar. En als we ze al konden verstaan, dan zouden ze uitleggen waarom ze PVV stemmen. Door al die heuvels valt er niks te zien. Ja, nog meer heuvels, als je geluk hebt. Limburgers zijn er trots op dat hun provincie ‘net het buitenland’ is. Alsof Syrië niet in die categorie valt. Voor de Moederkerk, het carnaval en de drugsindustrie hebben we de Brabanders al. En tante Con woont al jaren op veilige afstand bij ons op de grachtengordel. Zet de pompen maar aan, zou je denken. Helaas. Limburg houdt één troef, één instrument achter de hand: André Rieu en zijn viool. 

André Rieu is de Churchill van de muziekwereld: volksheld die altijd loopt op te scheppen in het Gemenebest, en tot z’n dood onmogelijk om vanaf te komen. Vooral in Australië is André razend populair. Dat krijg je, als je bevolking nog niet zo lang geleden alleen nog maar op didgeridoos liep te blazen. Maar ook een groot aantal Nederlanders luistert dagelijks naar Andrés covernummers. Meestal is dat niet vrijwillig. Zijn dvd’s blasten doorgaans zo hard door de verzorgingstehuizen dat het personeel de verzoeken om euthanasie van de bewoners simpelweg niet meer hoort. Menig wegstervende bejaarde kreeg door Andrés toedoen de Radetzkymars als requiem. Een keer of negen achter elkaar, want André is niet van het halve werk. Of hij nu op het Vrijthof of in Melbourne staat, als zijn publiek om een toegift vraagt – en dat doet het altijd –, dan geeft hij een toegift. Die staat dan ook al vanaf het begin van de tour vast, en beslaat zo’n 60 procent van het totale programma.

Natuurlijk dient er iets tegenover al deze inspanningen te staan. Miljoenen, bijvoorbeeld. En meer, als het even kan. Wanneer André in Maastricht een cappuccino en stuk kruisbessenvlaai bestelt, lijkt het hem niet meer dan logisch dat hij zijn bestelling niet hoeft af te rekenen. Lukt niet altijd. ‘Ongelooflijk,’ noemt hij dat. ‘“Dat is dan 5 euro 50, meneer Rieu,” zeggen ze dan. Ik verbaas me er elke keer weer over.’Andrés redenering: tijdens zijn concerten lopen de horeca-uitbaters net zo goed binnen. Zo bezien zouden de stratenmakers ook maar gratis voedselbonnen uitgedeeld moeten krijgen. Zonder hen zouden die vreetschuren er überhaupt niet staan. Bovendien vertelt André ons niet hoeveel hij zelf aan de gemeente betaalt voor het gebruik van het Vrijthof. Zou hij in het dichtstbijzijnde theater gaan staan, dan zou hij door de beperkte capaciteit en zijn neoclassicistische opblaaskasteel ‘nog maar net de broodjes in de pauze kunnen betalen’. Hij mag, kortom, de heilige Lambertus van Maastricht in de Sint-Servaasbasiliek op zijn blote knietjes danken dat ze telkens opnieuw dat plein voor hem ontruimen. De meeste gekken die herrie komen maken worden direct doorverwezen naar het Malieveld.

Toch zijn Andrés provinciale privileges niet genoeg voor hem. André wil meer. André wil wat tot nu toe alleen een grote internetprovider is gelukt. Ooit zal, als het aan hem ligt, de André Rieu Dome in Maastricht verrijzen. En al ben je Jaap van fucking Zweden met het New York Philharmonic in je kielzog, de muzikale elite komt er mooi niet in. En de recensenten, die altijd lullige dingen over André en zijn orkest schrijven, al helemaal niet. Want zijn muzikanten van het Johann Strauss Orkest (de enige reden dat het orkest niet het André Rieu Orkest heet, is dat het gebruiken van een bekende naam meer prestige oplevert – als ik ergens indruk wil maken zeg ik ook altijd dat ik het Hella Haasse-fellowship bij PC volg) zijn briljant. Wereldklasse. Beter kan niet. Het zal best. Buiten kijf staat dat deze muzikanten poederroze prinsessenjurken als bedrijfskleding dragen. Kijk dan niet, luister gewoon, zou je zeggen. Maar dat is juist het punt: je moet zelf óók naar de dirigent kijken. Anders weet je niet wanneer je de polonaise in moet zetten.

Natuurlijk gaan we André zelf wel horen in zijn Dome. En niet alleen met die hoempapahupsateeholladiejee-walsen hè, want André heeft echt nog wel meer in zijn mars. Een oorlogsmars, bijvoorbeeld. Zo trakteerde André zijn publiek eerder op Alte Kameraden, het strijdlied waarop duizenden gevangen concentratiekamp Neuengamme werden ingeleid en op werden vermoord. Maar ja, die meezinger bestond al voor de oorlog, en het is toch ook niet alsof we alle Volkswagens van de weg hebben gehaald? Nou dan. Bovendien, André is volgens zijn woordvoerder en zoon helemaal niet met politiek bezig. Dat bewees hij ook toen hij tegen alle adviezen in een optreden in Tel Aviv gaf. ‘De concerten hebben maar één doel: mensen een fijne avond bezorgen met prachtige muziek, zodat ze hun dagelijkse zorgen voor even kunnen vergeten.’ Het is ook niet niks wat er daar op die Gazastrook gebeurt. Maar gooi er een goeie polka tegenaan en je zult zien dat de mensen weer helemaal opfleuren.

Spelen in het Johann Strauss Orkest verschilt niet zoveel van het werken in een mijn: het is loodzwaar, en af en toe wordt er een Pool ingevlogen om te helpen. Zo niet dit jaar. André heeft zijn kerstconcerten jammerlijk af moeten blazen. Met die afzegging is tevens een definitieve streep door de opnames van de 36e dvd-box gezet. Misschien komen we deze feestdagen tot de conclusie dat die eerste 35 ook eigenlijk wel genoeg zijn. Het is mooi geweest. We zetten André uit in het gangenstelsel van de eerste de beste mergelgrot. Met viool, voor mijn part.

TS

Maandagochtend, 9 uur. Ik ben in de huisartsenpraktijk en heb zojuist mijn handen gedesinfecteerd. De stoelen in de wachtkamer zijn bezet door bejaarden met coronazorgen. ‘Die kinderen en kleinkinderen moeten uit mijn buurt blijven. Ik heb ze niet het leven gegeven zodat ze mij de nek om konden draaien,’ schreeuwt de een de ander toe. ‘Ja, gelijk heb je hoor,’ antwoordt de ander. ‘Wat?’ De ander neemt haar mondkapje even af. ‘Ik zei: je hebt gelijk, hoor!’

‘Mevrouw Sparreboom?’ Gelukkig. ‘Ja,’ zeg ik, terwijl ik mijn tas opgelucht van de grond pak. ‘U komt voor zaad?’ Nee, vandaag niet. ‘Joost Zaat. Uw huisarts.’ Ik ben verbaasd. Zaat heb ik al in geen tijden meer gezien. Vervanger na vervanger heb ik lastiggevallen met mijn dossier, niemand wilde me vertellen waar Zaat was heen gegaan. Uiteindelijk heb ik hem zelf maar in het BIG-register opgezocht. ‘Joost Zaat is huisarts sinds 1983. Per 30 april 2020 is hij officieel met pensioen, maar hij neemt nog een beetje waar. Sinds augustus 2017 schrijft Zaat elke maandag een column in de Volkskrant.’  

‘Mevrouw Dennenboom. Ga zitten.’ ‘Spárreboom. Meneer Zaat, u bent er weer. Fijn dat u tijd hebt kunnen vinden om mij een beetje waar te nemen.’ Verwoed slaat de buitenechtelijke zoon van Harry Mulisch op zijn toetsenbord. ‘Ik heb het al gezien. U hebt geen corona.’ ‘Maar u heeft nog niet naar mij gekeken.’ ‘Dat is waar,’ geeft Zaat toe, terwijl hij kort zijn blik van het beeldscherm afwendt. ‘Nee, geen corona.’ ‘Eigenlijk had ik een heel andere vraag.’ Nu heb ik zijn aandacht. ‘Een ongewenste zwangerschap? Huishoudelijk geweld? Iets spannends voor de lezers? Vertel het me. Liefst in ongeveer 400 woorden.’ Ik twijfel even. ‘Het gaat om een depressie. Maar ik wil liever niet dat u er een column over schrijft. Dat ga ik zelf namelijk al doen.’

Zaat zucht. ‘De “ziekte” depressie bestaat niet.’ ‘Pardon?’ ‘Is een column van mij. Stond 20 januari 2019 in de krant. Ik zal de assistente een kopie voor je uit laten draaien.’ Hij lijkt me meteen uit te willen laten. ‘Als ik niet te veel van uw tijd neem zou ik de kwestie toch graag nog iets uitgebreider met u willen bespreken.’ ‘Dat kan. Ik vind dat de patiënt niet de dupe van mijn drukte moet zijn.’ ‘Mooi dat u dat zo zegt.’ ‘Ja. Heb ik ook in de Volkskrant geschreven. 28 april. Maar goed, nu dus nog een stukje voor aankomende maandag. Ik kan niet weer aankomen met een coronacolumn.’ 

Zaat houdt zijn handen in zijn ontplofte huisartsencoupe. Uiteindelijk begin ik maar te praten. ‘Op een of andere manier heb ik altijd het gevoel dat mannen nooit naar me luisteren. Ik ben redacteur bij een studentenblad. “TD, misschien is het aardig om voor de verandering een keer een stuk te schrijven waar je zelf niet in voorkomt,” adviseer ik dan. “BN, je hebt er het afgelopen uur al zes opgestoken! En meeloper, er zitten nog steeds vlekjes op mijn schoenen. Hier, kijk maar.” Dat ze daar niet naar luisteren is tot daaraan toe, maar hun gedrag schaadt ondertussen het blad. De juryleden die ik weken geleden al had uitgenodigd hebben allemaal afgezegd omdat ze bang voor ons zijn, maar niet op de goede manier. En gelijk kregen ze: het had niet veel gescheeld of we hadden ons met drie superspreaders in de kelder van een oud grachtenpand opgesloten. Ondertussen fiets ik de stad door met fruitmanden en magnesiumpillen, maar krijg ik telkens de vraag of ik volgende keer misschien een paar blikjes Chouffe kan meenemen. Ik trek het niet meer, dokter Zaat. Ik zit tot hier.’ Ik ga op mijn stoel staan om het precieze punt aan te wijzen.

‘Ik begrijp het,’ antwoordt Zaat als ik weer zit. ‘Maar ik kan er helaas niks mee. Ten eerste omdat u van hysterie echt niet dood gaat. Onregelmatige bloedstroom van de baarmoeder naar de hersenen is in principe ongevaarlijk. Ten tweede omdat ik met het beroepsgeheim zit. Zelfs als ik zou willen zou ik uw verhaal nog niet in een column kunnen verwerken. Te veel herleidbare details. Wat betreft mijn patiënten heb ik alleen nog maar over “de verstandelijk gehandicapte Geertje” kunnen schrijven. Die leest toch geen krant. En bovendien heb ik in haar leven al genoeg voor haar betekent.’ Zaat slaat met zijn vlakke hand op tafel. ‘Fuck it. Mijn volgende column heet “Mijn laatste dag als praktijkhouder. Het wordt tijd dat jong volk gaat zorgen.” Ik ga me volledig op mijn schrijverscarrière storten. Dit is geen doen zo.’ Zijn vingers rammen driftig op het toetsenbord. ‘Als u dat zo voelt. Ik kan me echter herinneren dat u een maand geleden schreef: “Ik kan mijn jongere maatjes uit de praktijk niet alle coronadiensten laten doen.”’ 

Zaat hoort me al niet meer. Ik pak mijn tas en loop naar de uitgang. Er moet nog een blad worden volgeschreven.

TS

The greatest lesson in life is to know that even fools are right sometimes,’ zei Winston Churchill ooit. Nu zei hij wel meer, maar daar had die kale toch een puntje. Gekken hebben inderdaad soms gelijk – soms, maar meestal niet. Als, laten we zeggen, Emilie Sobels mij voorhoudt dat ik 600 euro moet uitgeven om tijdens The Self-Made Summit op 8 oktober tien uur in een pakhuis door te brengen om daar te leren hoe ik snel geld kan verdienen en hoe ik nou écht efficiënt met mijn tijd moet omgaan, dan heeft zij dus géén gelijk. 

Emilie Sobels is ondernemer, werkgever, vastgoedeigenaar, schrijver, ‘girl boss’, en nog belangrijker: self made. Het ideaal van de self made man, of woman voor mijn part, is zoals bekend allang niet meer voorbehouden aan protestantse Ieren die in de negentiende eeuw een katoenfabriek in Chicago optuigden of Italiaanse emigranten die zich Wall Street in wisten te vechten. Tegenwoordig ben je het al door een keer naar de Kamer van Koophandel op de De Ruijterkade te fietsen en onder het genot van een gratis beker automaatkoffie een handtekening te zetten. Sobels ziet het als haar persoonlijke missie om vrouwen te doen geloven dat iedere stap die zij zetten op het door de maatschappij voor sommigen zorgvuldig geplaveide pad van bestaanszekerheid een pure persoonlijke overwinning is. In The self-made guide, een boek dat in eerste instantie leest als reclamefolder voor de Summit – alleen al in het voorwoord noemt ze dit vrouwenvolksfeest vijf keer –, laat ze 21 vrouwen aan het woord die dingen zeggen als ‘grijze muisjes hebben geen carrière’ en ‘er is geen enkel excuus om stil te blijven staan’. Een legitiem excuus voor deze vrouwen zou zijn om eens stil te staan bij alle kwaadaardige onzin die ze er in hun geschifte ratrace naar de top uitkramen. 

Volgens Sobels is een van haar belangrijkste kwaliteiten als ondernemer dat ze goed kan delegeren. ‘Ik heb geen moeite met taken uit handen geven.’ Dat klopt: zo liet ze haar hele boek door een ghostwriter in elkaar zetten. Zij mag dan naar eigen zeggen self made zijn, haar boek is dat zeker niet. In plaats van hier ook nog maar enigszins geheimzinnig over te doen neemt ze de naam van deze ghostwriter doodleuk op in het colofon. Ook deze vrouw heeft immers een instagramaccount met boekpresentatiejurken te vullen, en als dat haar de slechtste ghostwriter ooit maakt, dan is dat maar zo. Sobels zal het allemaal niet kunnen rotten, die heeft het hele werk waarschijnlijk nog zo goed als voor niets kunnen laten optekenen door de notulist een gratis plek in één van haar vijf all female flexwerkpanden aan te bieden – Sobels’ core business, waar ze al met volle teugen reclame voor maakte in haar vorige bestseller. Een pas voor één dag aan een bureau met daarop een vetplant in het centrum van Amsterdam of een andere Nederlandse metropool kost 55 euro. Het is niet te geef, maar, dat moet ik toegeven, dan heb je ook gegarandeerd geen mannen om je heen. 

Natuurlijk wordt zo’n flexwerkplek goedkoper naarmate je er meer dagen gaat zitten – slechts een van de tekenen dat Sobels inderdaad een geniale zakenvrouw is. Bovendien: om geld te verdienen moet je volgens Sobels eerst geld uitgeven. En niet zo’n beetje ook. ‘Het is superspannend om investeringen te doen, maar je moet echt groter denken om groter te worden. Zo worden meisjes met dromen vrouwen met visie.’ Prachtig! En een uitstekend advies, mits je als meisje al een vader had met een in Wassenaar gevestigd consultancykantoor die kan lappen als je door dat eerste pand aan de Brouwersgracht te kopen toch net iets te groot hebt gedacht. Hier rept Sobels met geen woord over, maar rijke ouders is dan ook een lastig advies om in de praktijk toe te passen. Geen advies in ieder geval waar je, pak ’m beet, zo’n 600 euro voor zou neertellen. 

Maar waar dan wel voor? Volgens de website is The Self-Made Summit ‘een investering voor elke werkende vrouw. Naast de mooie sprekers, mogelijkheden tot zelfontwikkeling en geweldige aankleding behoor je in één klap tot een community van 500 vrouwen die overstromen van ambitie.’ Een community van 500 vrouwen, daar heeft zelfs de grootste zelfmoordterrorist nog geen recht op, en met een VIP-ticket (het duurste en het enige ticket dat, anders dan de website beweert, na doorklikken nog beschikbaar blijkt) laat je deze op de front row nog eens allemaal achter je. Aldaar valt te luisteren naar alle mooie sprekers, zoals Fabienne Chapot, founder van Fabienne Chapot, en ene Lucy Woesthoff, een andere lifestyleboekenauteur die als jonge twintiger in Londen werkzaam zou zijn geweest als pr-dame van The Rolling Stones. Over deze gouden tijden circuleren twee verhalen op het wereldwijde web: in het ene solliciteerde Woesthoff via een uitzendbureau naar de functie van pr-medewerker bij een muziekpromotor en werd ze direct aangenomen, in het andere begon ze daar als receptionist en werkte ze zich op tot ze uiteindelijk met Mick en de jongens mee op tour ging. Lies, liééés you dirty Jezebel! Maar met leugens of niet, zolang je jezelf maar als self made verkoopt kun je bij de Summit gewoon het podium op.  

Wie 600 euro voor dit alles nog steeds te duur vindt kan altijd beslissen dat het niet te duur is voor haar baas. Speciaal voor alle ongeletterde girl bosses biedt Sobels een brief van twee kantjes aan waarin alleen nog de naam van hun werkgever moet worden ingevuld. ‘Als je net zo enthousiast bent als ik over dit plan, zou ik ontzettend graag een ticket boeken nog voordat The Self-Made Summit is uitverkocht of de prijzen worden verhoogd.’ Als dreigen niet werkt, heb je als vrouw natuurlijk altijd nog een andere optie. ‘Lach een keer leuk of doe dat ene jurkje aan. Je hebt als vrouw eerder de gunfactor. Ik denk dat het juist een kracht is als je daar als vrouw gebruik van maakt,’ aldus Sobels in een interview met de NOS. Je hebt een kut, gebruik ’m dan ook! Dat is wat Sobels doet – helemaal zelf.

TS

Archief