MSM

Liesbeth Rasker zit het liefst zo vaak en zo lang mogelijk in een vliegtuig. Staat ze aan de grond, dan blogt ze over de volgende keer dat ze weer de Polderbaan op mag. De Flying Blue Miles die ze heeft gespaard kan ze inmiddels omruilen voor een eigen Boeing. Voor een meisje dat zich zo tot het luchtruim voelt aangetrokken lijkt een carrière weggelegd als stewardess, of voor mijn part gevechtspiloot. Maar veel makkelijker is natuurlijk om gewoon schrijfster te worden. Raskers debuut Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken is sinds mei te koop bij boekhandels door het hele land, en tax-free aan boord van KLM-vluchten.

 

In haar boek stelt Rasker zich voor de uitdaging om lezers ervan te overtuigen dat vakanties leuk zijn. Zelf heeft ze het over ‘reizen’, jezelf ‘leren kennen’ en ‘het ultieme gevoel van vrijheid’. Dat kan niet op de camping in Appelscha of fietsend naar Genua. Daarvoor moet je pinnen in Mongolië. En motorrijden in Vietnam, met beesten zwemmen bij de Filipijnen of een oerlelijke rugtas de Amazone doorsjouwen. Eigenlijk is iedere bestemming geschikt om jezelf te leren kennen, zolang je er maar minstens tien uur voor in een vliegtuig moet. Dit lijkt overdreven, maar dat is het niet voor wie zo’n complexe persoonlijkheid heeft als Liesbeth Rasker. Onlangs mocht ze van een corrupte redactiechef voor de Volkskrant een stuk typen over Instagramclichés, waarin ze zonder ironie alle vrouwen bespot die zich even afgezaagd laten fotograferen als zij op haar eigen sociale mediaprofielen. Trots vertelt ze over de mapjes die ze al jaren bijhoudt om dit soort gekkigheid te archiveren, waarvoor ze werkelijk ieder denkbaar Instagramaccount heeft geplunderd behalve dat van zichzelf. Dat heb ik dus maar voor haar gedaan – zie foto’s. Of ze staat te ver van haar management af om in de gaten te houden wat er in haar naam op het internet wordt gedumpt, of ze heeft zo’n dissociatieve identiteitsstoornis dat ze inderdaad maar het best in een Tibetaanse druipsteengrot kan gaan bedenken wie ze nou eigenlijk is.

 

Er is amper een rode lijn te ontdekken in de tientallen ontwikkelingslanden waar Rasker jaarlijks heen vliegt om dat ultieme gevoel van vrijheid te ervaren. Op het eerste gezicht lijkt het alsof ze alle Windows-bureaubladachtergronden af wil werken. Maar wie beter kijkt, ontdekt de invloed van een andere multinational: opvallend veel van haar bestemmingen horen bij het assortiment van de KLM. De luchtvaartmaatschappij wordt slechts een paar keer genoemd in haar boek, maar dankzij haar Instagramteam loopt ze opnieuw tegen de lamp: ‘Hieperdepiep @KLM is jarig! 98 kaarsjes staan er op de taart, en dat wordt gevierd met DRIE speciale rechtstreekse ticketdeals. Naar New York (nu vanaf €449), Curaçao (nu vanaf €499) en Colombo (nu vanaf €649). Kiezen is moeilijk, maar mag ik je adviseren om naar Sri Lanka te gaan?’ Uiteraard gaat Reisbureau Rasker voor het duurste ticket naar het verste, armste land: Sri Lanka, een eiland dat op jaarbasis verantwoordelijk is voor minder CO2-uitstoot dan deze neokoloniale millennial in haar eentje. Ooit behoorde een kwart van de wereld toe aan de Britse koning, tegenwoordig is de hele aarde inclusief dampkring bedoeld voor het vermaak van Liesbeth Rasker.

 

Haar pact met de KLM is maar één van de louche sponsordeals waar Rasker op teert. Als influencer/aanplakzuil op kanalen die worden gedomineerd door basisschoolleerlingen is ze de ideale kinderlokker voor Ketel One Vodka, Moët en andere bedrijven die niet mogen adverteren in de Tina. Famke Louise neemt genoegen met een duimpje op Facebook; Liesbeth Raskers PR-demonen rusten niet voordat je je eerste zuipvakantie hebt geboekt naar Palma de Mallorca (KLM-retour v/a €468), of liever nog naar Ho Chi Minhstad (KLM-retour v/a €1309). Want reizen zul je. Daarover is de vlieggoeroe vanaf haar eerste hoofdstuk branded content heel duidelijk: ‘je moet reizen’. Mocht je haar willen gehoorzamen, dan is je vakantie aan meer regels onderworpen dan een rondleiding door Pyongyang. Je moet in een hostel, je moet met een backpack en je moet sociaal. Je moet, kortom, alles wat je op een vakantie hoopt te ontvluchten.

 

Liesbeth Rasker voelt de tijdsgeest feilloos aan. Klimaatakkoorden die met de grootste moeite tot stand zijn gekomen worden teruggedraaid, zodat ze de kans ziet om haar morbide ecologische voetafdruk te presenteren als een toffe hobby. Een atlas is voor haar een H&M-catalogus vol hebbedingetjes, middelen om egoïstische doelen te verwezenlijken zoals ‘sterker, zelfverzekerder en wijzer’ terugkeren en je overgeven ‘aan de grillen van het onbekende’. Als ze zich echt wilde overgeven aan het onbekende had ze zich wel in Indonesië laten besnijden of in China haar voeten laten inbinden. In plaats daarvan trekt ze door het oerwoud met roedels hostelvolk die een week later in de Coco’s Outback aan het Thorbeckeplein zitten. Met al haar overstapstrategieën, malariapillen en jetlags ziet Rasker over het hoofd waar het bij reizen echt om draait. Terwijl dat maar zo weinig is: een beetje zon, een goed boek, en zo min mogelijk met pizza’s poserende Nederlandse mokkels om je heen.

MSM

Liesbeth Rasker, Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken. Nijgh & van Ditmar, €17,50.

Het is een wetmatigheid in de TV-wereld: hoe manischer het gelach op de publiekstribune, hoe groter de kans op een Gouden Televizierring. Zo scoorde Johnny de Mol in 2015 met een show over incontinente autisten, en Floortje Dessing in 2016 met haar vakantievideo’s van de maanlandschappen in Kabul en Aleppo. Dankzij concurrentie zoals Geer & Goor zoeken een hobby! was dit misschien nog een spannende strijd. In 2017 waren er niet eens decibelmeters nodig om de winnaar te voorspellen. Met medewerking van gesloten afdelingen uit de hele Benelux is het iemand gelukt een groep Tourettepatiënten te verzamelen die het met nog kortere tussenpozen en nog minder logica uitgiert dan de lachband bij The Flintstones. Om met Sybrand Buma te spreken: Arjen Lubach, chapeau!

Weliswaar moest Lubach zijn hoofd instellen als screensaver op de matrixmuren van de Ziggo Dome om genoeg stemmen te halen, maar van zo’n prijs kijkt hij amper nog op. Zo werd hij al benoemd tot Slimste Mens door Philip Freriks, en tot Liberaal van het Jaar door Koen Bokhorst, inderdaad een JOVD-bestuurslid. ‘Vorig jaar ging de prijs naar de Amsterdamse Mein Kampf-verkoper Michiel van Eyck,’ aldus Koen Bokhorst in een aanbevelend persbericht. Zoals Jan Wolkers onder jongeren pas roem verwierf door op televisie te knuffelen met pissebedden en spuugbeestjes, zo zullen veel mensen Arjen Lubach in eerste instantie kennen als presentator die ’s zondags in een te strak pak een mengpaneel en een balpen bedient. Maar dit doet geen recht aan zijn tropenjaren als auteur van CJP-columns, Eurodance-lyrics en een incidenteel stuk voor Propria Cures toen hij nog niet wist dat het blad alleen door oud-redacteuren wordt gelezen. (Overigens zijn dat er na 128 jaar niet veel minder dan de 829.000 kijkers van Lubachs show.) Tegenwoordig prijken Lubachs literaire verdiensten nog lager op zijn CV dan een aanstelling als Groningse taxichauffeur of Vlielandse havenmeester. Met het opportunisme van Kate Middleton en de efficiëntie van Mabel Wisse Smit is hij via een stormbaan aan genres, media en schuilnamen omhoog geklauterd – net zolang tot zijn grappen niet alleen hilariteit, maar ook gehoorzaamheid zouden oogsten.

Dit is gelukt. Zondag met Lubach heeft geen kijkers, maar volgelingen. Zo agressief als VPRO-marketeers de show online propageren, zo agressief belijden de slachtoffers van deze advertentiestrategie hun passie voor het programma. Als een paramilitaire eenheid marcheert Lubachs publiek achter hem aan, altijd in slagorde om de commando’s op te volgen die als grollen in zijn script worden verwerkt. Een burgerinitiatief ondertekenen om Lubach Farao der Nederlanden te maken? – Doen we nog voor het avondeten, bij de gratie van Ra. Op Erik de Vogel stemmen voor de Zilveren Televizierster? – Farao’s wil is wet. Een referendum afdwingen over de aftapwet? – Ingerukt, mars! Soms is een handtekening genoeg om Lubachs aanhangers een gevoel van morele verwantschap met hun oppertrol te bezorgen, maar eigenlijk is geen prijs te hoog. Er zijn zelfs fanaten die 15 euro neertellen voor een paar minuten in zijn fysieke nabijheid op een vrije donderdagavond.

De stootkracht van Lubachs burgermilitie neemt ieder seizoen toe. De recente slag om de sleepwet was een grote opsteker. Een referendum over de wet leek onwaarschijnlijk omdat niemand er iets van wist, laat staan er iets van vond, totdat Lubach de strijdhoorn blies en zijn horden net zolang tekeer liet gaan tot er 300.000 handtekeningen waren verzameld. Eat your heart out, Jan Roos. Het is grappig dat een massa die zich kenmerkt door zo’n klakkeloze onderwerping, zich tegelijkertijd laat voorstaan op de aanstichting van een referendum waarin de individuele soevereiniteit centraal staat. Zulke vergaande surveillance heb je blijkbaar niet nodig om mensen te controleren. Veel plezier zal er voor de AIVD en de NSA trouwens niet te beleven zijn aan alle burgerdata die straks beschikbaar komen, als daaruit alleen maar blijkt dat iedereen fulltime Zondag met Lubach zit te streamen. Voor terreurbestrijding zal het weinig interessanter worden dan Lubachs ontmaagding door FARC-rekruut Tanja Nijmeijer. Maar daarover lees je zonder moeilijk gedoe met kabels ook alles op lindanieuws.nl.

Het strekt Arjen Lubach tot eer dat hij niet tot zijn eigen publiek behoort, maar dit pleit hem zeker niet vrij. Het doet ook niets af aan het feit dat hij zich wekelijks installeert in een setting die gebaseerd lijkt op het decor van de klassieke reclames van Frisia Financieringen. Daarin prees een gladjakker grijnzend allerlei woekerpolissen en wurgcontracten aan alsof het kaassouflés waren. Het is nog maar de vraag of Lubach betrouwbaarder is. Zijn optreden lijkt nog zwaarder geregisseerd dan Willem-Alexanders kersttoespraak, en de grappen zijn soms zo banaal dat er zelfs in Amerika mensen om kunnen lachen. Dat is hier dan altijd nog groter nieuws dan de oorspronkelijke grap. Wie ook vaak om Arjen Lubachs grappen moet lachen, is Arjen Lubach. Toch lacht hij om de meeste grappen in zijn show niet. Die zullen dan wel bedacht zijn door één van de zeven andere mannen in zijn humortank, stuk voor stuk weggekaapt uit kweekvijvers zoals de Speld en het talentontwikkelingstraject van de CliniClowns. Zij komen niet in beeld. Misschien souffleren ze onder Lubachs bureau, zoals de keukenknechts die Herman den Blijker tijdens kookshows onder het fornuis verstopt om zwezeriken te ontvliezen en mergpijpen schoon te spoelen. Behalve op lol berust Zondag met Lubach op een hoop sporenonderzoek in oude websites en overheidsnotities, waar onderbetaalde stagiairs waarschijnlijk weken achtereen moeten wroeten naar enigszins van de pot gerukte details. Het zal wel een dankbare taak zijn voor studenten die al in hun vroegste jeugd tot het VPRO-postmodernisme van Villa Achterwerk zijn veroordeeld – Reddit-verslaafden die inmiddels te oud zijn om het verschil tussen satire en journalistiek nog te leren, en gedoemd zijn door het leven te dolen op zoek naar opvolgers voor rolmodellen zoals Oma Hondje, Bep Brul en Purno de Purno.

Als het gaat om inlichtingendiensten, aftapwetten en overheidscontrole klinkt vroeg of laat de vraag: wie bewaakt de bewakers? Volgens de Volkskrant controleert Zondag met Lubach de macht, dus dat zal Arjen Lubach dan wel zijn. Maar even belangrijk is de vervolgvraag: wie bewaakt de bewakers van de bewakers? Het is niet aan mij om hierover te oordelen, maar een abonnement op Propria Cures heeft u al vanaf 10 euro.

MSM

MSM droeg deze column voor met een kogelvrij vest tijdens filosofische talkshow De Idee, in een Stadsschouwburg vol met Arjen Lubach en diens fans.

De grootste bedreiging voor de monarchie is de kersttoespraak van koning Willem-Alexander. Zelfs het garantiebewijs van een gourmetset heeft meer karakter dan deze jaarlijkse lijkrede voor de democratie. Maar zoals miljoenen Nederlanders in de waan verkeren dat gourmetten iets leuks is, zo zijn er nog minstens evenveel ‘voor het Koningshuis’. Deze mensen zijn ofwel dom, of verkeerd ingelicht. Voor de eerste groep bestaan opvangfaciliteiten zoals de Oranjevereniging of het hospice. Voor de tweede groep bestaat er iets beters: hoop.

 

Koningsgezindheid is net zoiets als geloven dat je afstamt van Karel de Grote. De meerderheid van de bevolking heeft er last van, terwijl je maar een paar feiten nodig hebt om ervan te genezen. Aan de ene kant zijn deze feiten zo banaal dat het neerbuigend is om ze te herhalen. Aan de andere kant geldt dit nog sterker voor de geestdodende jaarcyclus van de Oranjes. Dankzij een infrastructuur van feestdagen, onderscheidingen en lachwekkend beeldmateriaal heeft hun dynastie de 21e eeuw gehaald. Feodale privileges hebben zij niet prijsgegeven. Integendeel, steeds meer politieke verplichtingen zijn hun uit handen genomen, terwijl hun toelage amper is verminderd. In die zin zijn zij grotere uitvreters dan Lodewijk XIV. De Zonnekoning zou zich de pruik van zijn kop schamen als hij moest teren op de schatkist van een staat die hij niet eens zelf hoeft te besturen.

 

Het Huis van Oranje-Nassau doet niet aan zulke gêne. Zelfs zo’n achterhaalde en ongeschoolde ambtenaarsfunctie als het koningschap weten zij nog in potsierlijkheid te overstijgen. Nu zij niet meer per draagkoets naar de WC worden getild, moeten prinsesjes doen alsof ze fietsend naar school gaan uit angst voor Kamervragen. Nu zij geen marsen en hymnen meer inspireren, wrijven ze zich in de handen als er zoiets ontstaat als het Koningslied. Een vloek voor de muziek, een zegen voor de republiek: die ene keer dat de Rijksvoorlichtingsdienst een ander genre goedkeurt dan het propagandabericht of de fopbegroting leidt dit meteen tot een constitutionele rel. Zoals Prins Amadeiro Ricosto di Carnavallo de scepter zwaait over Den Bosch, zo heerst Willem-Alexander over Nederland. Alleen moet Willem zijn act het hele jaar volhouden. De enige die hij met deze parodie nog meer voor schut zet dan zijn volk, is hijzelf.

 

Er is maar één uitvinding nog belachelijker dan de monarchie, en dat is de argumentatie ter onderbouwing van de monarchie. Zo denken sommige mensen dat het beter gaat in landen met een koning, keizer of andere genetisch gedetermineerde mascotte. Zij weten blijkbaar niet dat ook België een koninkrijk is. Hetzelfde geldt voor Lesotho, waar een recordpercentage van de bevolking rondloopt met aids, en Marokko, waar Badr Hari vandaan komt.

 

Mensen geloven vooral dat het goed is voor de economie om een vorst te onderhouden. Slavernij was pas goed voor de economie. De spanning tussen financiële baatzucht en morele principes biedt motivatie genoeg om Shell te boycotten zodra er ook maar één ijsbeer een opvlieger heeft. Gek genoeg blijkt dezelfde tegenstrijdigheid te zwak om verontwaardiging te ontlokken over het radicaal ondemocratische staatshoofd van een democratische rechtsstaat, domweg omdat de koekblikken met zijn bolle bakkes het zo goed doen in Schiphol Plaza. Natuurlijk is er een esthetisch verschil tussen creperende pooldieren en de koninklijke familie. De Oranjes belichamen een onrecht dat visueel aantrekkelijker is dan dood wild, dementerende vleesbomen zoals Juliana en Wilhelmina daargelaten. Willem-Alexander doet goed zijn best: hij importeerde een bruid uit een ander halfrond en schakelde Erwin Olaf in om zijn dochters toerekeningsvatbaar op de foto te krijgen. Een lovenswaardige prestatie, maar de ethiek laat zich niet met schmink en windturbines bewerken. Overerfbaar vorstendom als bekroning van een democratie blijft een grotere contradictie dan Marc Dutroux als erevoorzitter van Save the Children.

 

Zo vaag als de hypothetische opbrengsten van het koningshuis zijn, zo duidelijk zijn de kosten. In 2018 omvat de begroting van de koning 42,3 miljoen. Daarnaast is 17,1 miljoen beschikbaar voor andere begrotingen ‘in relatie tot het koningschap’. Dit is bijvoorbeeld het onderhoud van De Groene Draeck, de rosésloep van Beatrix, dat is weggemoffeld bij het ministerie van Defensie. In dit licht valt te begrijpen waarom oud-commandant De Kruif het Nederlandse leger onlangs ‘een 5 voor materieel’ gaf. De verdere financiën van de Oranjes zijn één groot duty-free shopfestijn. De site www.koninklijkhuis.nl staat bol van de voorbeelden, zoals: ‘De Koning (…) bezoekt een kinderboerderij en schenkt daar een dier. Dit soort schenkingen zijn onbelast.’ Wie durft te beweren dat je belasting niet leuker kunt maken? Verder beheerst de familie een imperium aan dubieus vermogen, dat deels is ondergebracht in een aantal louche en uiteraard onbelaste stichtingen. Neem bijvoorbeeld de Stichting Kroongoederen, dat als doel heeft ‘te bevorderen dat afstammelingen van H.M. Koningin Wilhelmina bij de uitoefening van de Koninklijke waardigheid de beschikking hebben over de daartoe nodige of gewenste roerende lichamelijke zaken’. Wat zijn dat, hoeren? Pasten die niet meer bij de functionele uitgaven van 28,3 miljoen? Om de eindjes aan elkaar te knopen moeten geregeld instanties bijspringen zoals het Rijksvastgoedbedrijf. Maar zelfs met die hulp houden de Oranjes het hoofd amper boven water. Sterker nog, hun gebrek is van zo’n humanitaire aard dat buitenlandse filantropen zich genoodzaakt zien het koningshuis te ondersteunen. Zo heeft de Bill en Melinda Gates Foundation een subsidie beschikbaar gesteld voor de kosten die Máxima maakt bij haar VN-activiteiten. Is het zo genoeg? Niet voor hare koninklijke krent Christina, die de cashflow ook nog eens afroomde via een brievenbusfirma op Guernsey.

 

Laten we er voor het gemak even van uitgaan dat alle stichtingen, belastingvoordelen, trusts, paleizen, koetsen, subsidies en geschenken gratis zijn. Dan kost het koningshuis de Nederlandse staat zo’n 60 miljoen per jaar. Hoewel dit voor één familie een beste smak stempelgeld is, lijkt het op de volledige rijksbegroting een marginale post. Maar zolang er bibliobussen, muziekscholen en theatergezelschappen worden opgeheven omdat hun nog veel marginalere kosten voor de overheid te hoog zijn, is dit argument nog slapper dan het wuifhandje van prins Claus. Ook als de 60 miljoen wordt verdeeld over een bevolking van 17 miljoen levert het nog individueel voordeel op: meer dan 3 euro per persoon. Dat lijkt weinig, maar dat is het niet voor iedereen die moet rondkomen van een uitkering en geen ‘Oranje’ heet. Bovendien heb je voor dat geld toch zeker twee nummers van Propria Cures. Maar de regering ziet de mensen liever met veilige lectuur, zoals het Droomboek voor de koning, waarin burgers hun ‘droom voor het land’ mogen beschrijven – niets gaat te ver om ze af te leiden van de staatkundige nachtmerrie waartoe ze grondwettelijk zijn veroordeeld.

 

Het koningshuis wordt wel ‘de kers op de democratische taart’ genoemd. Ik ken maar één taart met een kers erop en dat is de Schwarzwälder Kirschtorte, het onsmakelijkste Duitse exportproduct na Bernhard van Lippe-Biesterfeld. Gezien de irrationele rechtvaardiging van de constitutionele monarchie is het weinig verrassend dat het instituut zelfs een SS-veteraan geschikt acht om de nationale eendracht te vergroten. Niet dat er een grotere verbindende werking uitgaat van de Oranjes die wel goed waren in de oorlog. Ze waren niet eens hier in de oorlog. En zo gauw de Groene Draeck het onderspit delft bij een volgende invasie zullen ze weer met hun pony’s het eerste het beste vliegtuig naar Canada nemen. Dat vliegtuig staat namelijk gewoon in hun achtertuin. Willem-Alexander zal vast niet te beroerd zijn om het voorbeeld van Wilhelmina te volgen, en vanuit een of ander landhuis zijn onderdanen op te roepen om nou toch godverdomme eens in verzet te komen want het jachtseizoen op Het Loo is bijna geopend. Je kunt van Hoessein, Khadaffi en Assad zeggen wat je wil, maar zij bleven tenminste wel op post toen er gevaar dreigde.

 

Het blijkt maar al te vaak dat tradities niet acceptabel hoeven te zijn om voort te bestaan, zolang het maar tradities zijn. Zelfs aan deze voorwaarde voldoet het Nederlandse koningshuis niet. De Oranje-dynastie is amper twee eeuwen oud, en na de Napoleontische oorlogen in het zadel geholpen om het romantische revivalproject rondom de in elkaar geflanste natiestaat wat op te leuken. Vergelijk dit met de Perzische keizers, die 2500 jaar regeerden en nu ook opgehoepeld zijn. Je ziet meteen dat de stamboom van de Oranjes weinig voorstelt: een vorst met een zuivere bloedlijn onderscheidt zich door de grootte van zijn kin, niet door die van zijn buik. Van zijn adellijke vazallen hoeft Willem-Alexander het evenmin te hebben. Wie respect heeft voor de aristocratie van Nederland vindt de business class van Easyjet vast ook een chique bedoening.

 

Mensen zullen denken dat dit stuk voortkomt uit jaloezie. Dat klopt. Ik wil ook een eredoctoraat, een penseelschimmel en een kinderziekenhuis. Ik ga ook niet ontkennen dat de monarchie grootse dingen heeft voortgebracht: we hebben er onovertroffen grappen aan te danken zoals de zwemaffaire, de Lockheed-affaire en de Greet Hofmans-affaire. Maar zelfs voor de leukste grappen kan de prijs te hoog zijn. Hopelijk hoeft Amalia er dus niet meer aan te geloven – al is het alleen maar zodat haar kinderen in de toekomst echt met de fiets naar school kunnen.

MSM

 

Achternamen, vroeger had je daar tenminste nog wat aan. Zo wist je meteen: Bakker is bakker, Ossendrijver is ossendrijver, en Naaktgeboren is naakt geboren. Dit soort logica is voor de moderne mens te veel gevraagd. Sinds het concept van de vrije beroepskeuze overal is doorgedrongen leeft men erop los alsof achternamen altijd al de semantiek van een appendix hebben gehad. Schaamteloos worden de Boeren voetballers, de Groentemannen presentatrices en de Weermannen decanen. Een des te groter gejuich zou moeten klinken voor de individuen die ondanks deze maatschappelijke druk trouw blijven aan de roeping van hun nomenclatuur. Zo is er sprake van een luchtvaartdeskundige Benno Baksteen, een zelfmoordexpert Ad Kerkhof en een vogelviroloog Thijs Kuiken. Bij Propria Cures verwelkomen we sinds kort zelfs persberichten over onderwijs van ene Sanne Scholing. Ook Rob Wijnberg moet hebben opgemerkt dat een handjevol eigenzinnige denkers nog altijd de lotsbeschikking van hun naam erkent. Zonder inlijving van zo’n zeldzame loyalist zou de redactie van De Correspondent nooit de complete intelligentsia kunnen vertegenwoordigen. Gelukkig kan Wijnberg vertrouwen op een uitstekende HR-manager: sinds anderhalf jaar luistert de Correspondent Drugs immers naar de naam ‘Thijs Roes’.

 

Wie door de eregalerij van De Correspondent scrolt, stuit op een serie uitgebluste rechtbankportretten van auteurs die meer baat lijken te hebben bij een intakegesprek in een Jellinekkliniek dan bij Roes’ nieuwsbrieven uit Raveland. Zo trekken Dimitri Tokmetzis en Maurits Martijn, Correspondenten Veiligheidsindustrie en Surveillance, al maanden door stad en land met het dwingende advies om wekelijks een ander schuiladres te betrekken en nooit recht in webcams te kijken, een niveau van paranoia dat pas optreedt in de latere stadia van een speedverslaving. Ondertussen zit Rutger Bregman, Correspondent Vooruitgang, met glowsticks, click-sigaretten en kaken als een nietmachine op de zitzak in de hoek om free hugs uit te delen aan iedereen die zelf nog genoeg blotters en blauwe Mitsubishi’s over heeft om zijn hippievisioenen over gratis geld en 15-urige werkweken te verdragen. Op de achtergrond ligt Daan Windhorst, Correspondent Satire, verstrikt in de buizen naar de lachgastank waarmee een staat van gierende stuiptrekking onafgebroken wordt gehandhaafd.

 

Kortom, op de after van Thunderdome 2012 waarin de redactie nog altijd is verwikkeld lijkt een aparte Correspondent Drugs ongeveer even overbodig als de verplichte badmeester bij Olympische zwemwedstrijden. Dat de betalende lezers van De Correspondent per petitie om de instelling van deze journalistieke narcoticabrigade hebben verzocht lijkt ook onaannemelijk. Het feit dat alle artikelen evengoed gratis beschikbaar zijn met heel wat simpelere digitale manoeuvres dan de pantechnologische verdwijntrucs van Martijn en Tokmetzis doet al vermoeden dat de abonnementen niet bedoeld zijn voor de smartest cookies in the jar. Maar ook als je erin slaagt om jezelf een onbeperkt aantal stukken cadeau te doen, spreken de titels voor zich: ‘Verkiezingen zijn als curling. Maar wie is de scheidsrechter?’, ‘Zo was het om te spreken op de TED-conferentie in Vancouver’, of ‘Pffff. En hier dan nog een pakkende titel’. Als je dit je lezers aandoet, moet hun gemiddelde leeftijd wel laag genoeg zijn om binnen een straal van vijf kilometer van iedere coffeeshop geweerd te worden. Een Correspondent Gummibeertjes zou op een groter draagvlak kunnen rekenen.

 

Aangezien redactie noch publiek om Roes verlegen zat, rest nog maar één verklaring voor zijn komst: zijn eigen vastberadenheid. Met de bezetenheid van een junk die zojuist de methadonbus heeft gemist moet hij zichzelf via listen en ingeslagen autoruiten naar binnen hebben geritseld. Zoals er bij iedere beroepskeuzetest op school meisjes zijn die ‘iets met dieren’ en jongens die ‘iets met techniek’ willen, zo drentelt op het schoolplein ook altijd wel een smoezelige nozem rond die het liefst gewoon ‘iets met wiet’ zou doen. Om in deze wens gesterkt te worden hoefde Roes alleen maar de toekomst te lezen in de glazen bol van zijn bong, hoewel zijn ID-kaart natuurlijk ook volstond. Ieder stickie in de fietsenkelder bracht hem dichter bij de jongensdroom die hij inmiddels heeft verwezenlijkt: geld verdienen aan drugs zonder ook maar één keer ’s nachts op een Kymco door Nieuw-West te hoeven krioelen.

 

Eenmaal binnen bij De Correspondent is Roes al snel op zijn lauweren gaan rusten. Wie in zijn stukken adviezen verwacht van het kaliber ‘inkakken is bijpakken’ komt bedrogen uit. Ook wie benieuwd is hoeveel gram er ’s zaterdags op de gespiegelde salontafel van Rob Wijnberg doorheen wordt gejaagd kan beter een forumonderwerp beginnen op PartyFlock, want Roes onthult alleen het volgende: ‘Veel Nederlanders gebruiken cocaïne met Oud & Nieuw. Daarmee zijn ze in feite illegaal bezig.’ Als Tim Hofman de incidenteel tevoorschijn piepende heliumvocal in een trancenummer belichaamt, dan is Thijs Roes de bonkende ideologische baslijn die toeziet op herhaling van dezelfde boodschap wanneer Hofman te druk is met dichten om de Tweede Kamer toe te spreken. Die boodschap luidt als volgt. Stap 1: een transparanter drugsdebat, stap 2: alle drugs te koop bij de Etos. Een simpel advies aan de politiek, dat Roes nog steeds niet goed onder woorden meent te hebben gebracht. Met pogingen daartoe vult hij zijn dagen op de redactie: ‘Wat als alle drugs legaal zouden zijn?’ of ‘Xtc in de winkel kopen? Met dit stappenplan kan het’. Om geen enkele lezer te overweldigen verdunt Roes zijn oeuvre nog verder met tussentijdse samenvattingen: ‘Ik zocht naar manieren om drugs beter te reguleren. Dit vond ik tot nu toe’, een jaar later gevolgd door ‘Ik zocht een jaar naar een beter drugsbeleid. Dit vond ik.’ Het afsluitende karakter van die laatste titel schept hoop, maar onderschat nooit het risico op terugval bij een beroepsgebruiker.

 

Ligt het aan de gezapige redelijkheidscultus van De Correspondent, of is Roes’ rantsoen nakkies beroepshalve zo de pan uit gerezen dat aan zijn inmiddels zwaar necrotische hersenschors alleen nog teksten ontspringen met minder nieuwswaarde dan een voorlichtingsbrochure van het Trimbos-instituut? Waarschijnlijk is het nog ernstiger, en moet Roes worden gediagnostiseerd als een pillentikker van het ergste soort: de academische drugsgebruiker voor wie er geen genot bestaat zonder duiding. Iemand die een raveteef een ‘psychonaut’ noemt, die weet waar MDMA voor staat en die LSD gebruikt voor de metafysische inzichten in plaats van de walsende brontosaurussen. Wie Roes’ stukken met een precisieweegschaal te lijf gaat vindt tussen haakjes en in voetnoten besmuikte verwijzingen naar zijn eigen K-, D- en 3MeO-PCP-holes. Maar door als een krenterige dealer elk persoonlijk exces met scheppen intellectueel bakpoeder te versnijden lukt het hem een nog groter slaapverwekkend effect te behalen dan een longdrinkglas GHB. Toch schuilt hierin misschien de werkelijke kracht van Roes’ werk: laat kinderen die later gewoon ‘iets met wiet’ willen zijn stukken lezen om te zien wat daarvan komt – de rest van hun leven zullen zij geen drugs meer aanraken.

 

MSM

Zin om iemand te mollen?

Doe nu mee aan de PC ONTHOOFTPRIJSVRAAG.

 

 

 

 

Het is een kenmerk van onovertrefbare roem dat zelfs aan de futielste persoonlijke voortbrengselen een steeds hogere waarde wordt toegekend. Een vermeende huidschilfer van Jezus is goed voor een kathedraal, een BH van Madonna gaat voor een ton onder de hamer en een onderbroek van Hermann Göring brengt zo duizenden euro’s op. Arnon Grunberg lacht in zijn vuistje om deze parvenu’s. Hij hoeft maar een kattebelletje naar een Nederlandse krant te appen om in New York een week lang Moederdag te kunnen vieren. Voor een extra boost van zijn Goldman Sachs-account zorgt hij door jaarlijks een roman te schrijven. In 2017 is dat Het tweede bestand, en volgens Nijgh & Van Ditmar is het ‘verpletterend’. Dat schept verwachtingen – al helemaal voor een boekje van 60 pagina’s.

 

Voor anderhalf miljoen mensen komt Het tweede bestand bij voorbaat als godsgeschenk. Naar schatting telt Nederland namelijk zoveel middelbare scholieren, die maar moeten zien hoe ze het ooit voor elkaar gaan krijgen om vóór hun eindexamen tien literaire werken te lezen. Stel dat je maximaal negen Boekenweekgeschenken mag laten meetellen, dan is Grunbergs brochure wat je noemt een lifesaver. Het lijkt erop dat de uitgeverij bij deze doelgroep ook advies heeft ingewonnen voor de lay-out. Om de tekst überhaupt in hardcover uit te kunnen geven is namelijk gekozen voor grotere regelafstand en marges dan in een poëziedebuut. En wie kan de effectiviteit van deze truc beter garanderen dan iemand die onlangs voor aardrijkskunde een werkstuk heeft moeten schrijven over gematigde landklimaten of bestaansmiddelen in Guinee-Bissau? Alleen misschien de arme ziel die de Volkskrantcolumns van Remco Campert op moet maken.

 

Ergernis om de schaarste van Grunberg-besprekingen op scholieren.com is niet de enige verklaring voor de bescheiden omvang van het boek. Er was ook sprake van tijdsdruk. Ten eerste werd op 19 april de verfilming uitgezonden van prequel Het bestand. Het tweede bestand wekt de schijn van een haastig gecomponeerde promotiestunt, bedoeld om de kijkcijfers op te krikken en en passant nog wat resterende pallets van Het bestand te slijten. Ten tweede voelde Arnon Grunberg de hete adem van Hanna Bervoets in zijn nek. In haar nieuwste roman Fuzzie worden personages door pluchen bolletjes met kleffe teksten bestookt; in Het tweede bestand belast Grunberg het computervirus Christus II met precies dezelfde taak. Zodra deze informatie uitlekte zijn bij Nijgh & Van Ditmar de drukpersen in allerijl opgestart en nachtenlang draaiende gehouden, ook al moest Grunberg hierdoor genoegen nemen met de publicatie van niet meer dan een eerste opzet. Dit offensief heeft geholpen: Het tweede bestand verscheen een paar dagen eerder dan Fuzzie, en Bervoets liep de primeur mis.

 

Het is interessant dat Bervoets en Grunberg onafhankelijk van elkaar de noodzaak voelden om een roman te wijden aan een romantische chatbot. Maar waar Bervoets zich qua research meestal beperkt tot oncontroleerbare gedachte-experimenten, kennen we Grunberg als een auteur die zijn publicaties voorbereidt met gedegen veldwerk: hij wil fictie schrijven met zo min mogelijk leugens. Zo zat hij embedded bij het Nederlandse leger voor een roman over een Zuid-Amerikaanse guerillabeweging, liep hij mee bij de Rotterdamse crisisdienst voor een verhaal over een psychiater die een patiënt kidnapt en reisde hij daadwerkelijk af naar de Betuwe voordat hij beschreef hoe een personage in deze regio zijn dochter en haar vriend afmaakt met een kettingzaag. Het tweede bestand gaat over een hackend meisje op een zolderkamer, dus deze keer kon Grunberg volstaan met de uren die hij dagelijks al in isolement met zijn laptop doorbrengt, aangevuld met wat uitstapjes naar reddit of 4chan. Hij mag van geluk spreken dat de FBI nooit argwaan heeft gekoesterd over zijn antropologische onderzoeksessies op het dark web. Bij een eventuele inval had hij de schijn tegen zich gehad, als hij in het schelle licht van zijn Linux-systeem moest uitleggen dat de onbegrijpelijke tekst op zijn scherm het manuscript was van een Nederlandse romanschrijver, en niet de code voor een DDoS-aanval van een ontspoorde whizzkid.

 

Arnon Grunberg is joods. Toch is hij een heel ander soort persoon dan, bijvoorbeeld, Paul Damen. Zo zal je hem niet snel tegenkomen in De Pels of De Zwart. Het bewijs voor zijn bestaan is dus beperkt, maar toch schijnt hij een bepalende rol te spelen in de literatuur. Misschien verklaren deze eigenschappen waarom hij als een soort god wordt behandeld door sommige mensen. Door hemzelf bijvoorbeeld, want waar Bervoets nog gelooft dat lezers behoefte hebben aan liefde in het algemeen, weet Grunberg dat de mensen kieskeuriger zijn: ze willen zijn liefde. Gedreven door dit dogma schrijft hij voor de VPRO-gids al jaren columns over begerige lezeressen, poseert hij op verzoek als naaktmodel in intieme composities en deelt hij op het Das Mag Festival het bed met de winnaar van een quiz over zijn leven. Maar zulk geflikflooi valt in het niet bij het grootse minnespel dat hij met de lezer bedrijft via zijn teksten. ‘Wat is liefde anders dan het liefdevolle woord?’ vraagt het hackermeisje in Het tweede bestand zich terecht af. ‘De begrijpelijke blik kan iedereen erbij fantaseren als het liefdevolle woord eenmaal is gevallen.’ Aan het eind van het verhaal is nog onduidelijk of haar taalvirus erin slaagt om alle systemen te infecteren met zijn debiliserende liefdeselixer. Maar je hoeft maar een willekeurige boekhandel binnen te gaan om te zien dat Arnon Grunberg in werkelijkheid al overal is doorgedrongen.

 

MSM

 

Arnon Grunberg, Het tweede bestand, Nijgh & Van Ditmar, €9,99.

 

Plunder nu uw messenblok en doe mee aan de PC ONTHOOFTPRIJSVRAAG.

 

Archief