BN

Mensen die niet weten wat ze met hun tegenstrijdigheden aan moeten kunnen daar op heel wat verschillende manieren mee omgaan. Ze kunnen zich allereerst natuurlijk gewoon bedrinken om de hele teringzooi te vergeten, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Een serie schizofrene identiteiten aannemen, bijvoorbeeld, en die voor elkaar en de buitenwereld verbergen achter lawaai en praatjes. Dit zijn niet de openingszinnen van mijn autobiografie. Dit is een stuk over voormalig GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil.

Özdil zag zichzelf graag als een van de meer activistische leden van de Tweede Kamer. Dat ging hem niet bijzonder vlot af. Ik was ooit aanwezig bij een van zijn pogingen om politiek betrokken studenten te imponeren. Daar stond hij dan, met de spreektoeter in zijn handen. Om de zin laste hij een pauze in, bedoeld om ruimte te bieden aan een gejoel dat maar niet wilde komen. Om zijn toneel ook voor de doven onder ons van spektakel te voorzien eindigde hij door heel demonstratief en schlemielig een of ander wetsvoorstel doormidden te scheuren. Geen hond die het wat kon schelen. Het was voor iedereen duidelijk dat Zihni dezelfde ochtend voor z’n spiegel had staan oefenen hoe zo’n papiertje nou een beetje theatraal in tweeën ging.

Foto’s van Zihni’s toespraak werden door de aanwezige GroenLinks-medewerkers – toen nog gehoorzaam aan Zihni’s grillen – gemaakt vanuit een intimiderend kikvorsperspectief, en zijn vervolgens zo afgesneden dat het er in ieder geval op Instagram uit moet hebben gezien alsof een Turkse Troelstra woedende volksmeuten had opgezweept. Het is een imago dat Özdil enthousiast probeerde te cultiveren: dat van een maverick binnen de GroenLinks-fractie; een ruwe bonk die vanwege zijn onorthodoxe methodes constant overhoop lag met zijn leidinggevenden. ‘Maar ja, we kunnen niet zonder Zihni,’ fluisterden zij in deze fantasie vervolgens tegen elkaar, wanneer ze dachten dat Özdil hen niet hoorde. ‘He gets the job done.’ Dat hij uiteindelijk vanwege een vertrouwensbreuk uit de fractie werd gewipt moet een diep gekoesterde wens zijn geweest die na jaren in vervulling ging. ‘Your licence to kill is revoked, Özdil.’ Hij had het Jesse in zijn dromen al zo vaak horen zeggen.

De laatste keer dat Zihni voor losgeslagen projectiel mocht spelen was niet lang voor zijn afscheid, in SPUI25. Dat deed hij toen onder andere door gebruik te maken van de eerste vluchtroute die ik zojuist noemde en zich te bezatten, maar daar wordt hij door mij, in tegenstelling tot zijn fractiegenoten, niet op afgerekend. Het lijkt me de meest menselijke en herkenbare manier waarop zijn onzekerheid zich manifesteert. Enfin, Özdil mocht daarnaast ook weer spelen dat hij volksmassa’s aanzette tot een bestorming van het Winterpaleis. Hij was niet mild. Marktwerking in het hoger onderwijs had geleid tot ‘al de problemen, al het gezeik, alle tyfuszooi waar we nu mee te maken hebben.’

De volgende morgen zal Özdil met een kater wakker zijn geworden. Nogmaals, dat is niet mijn probleem. Voor dit kankertranendal vluchten in de drank is volkomen herkenbaar. Sommigen doen dat bij een debatavond, andere mensen komen thuis uit het café en draaien om drie uur ’s nachts vier keer achter elkaar River van Joni Mitchell op vol volume. Terug naar mijn punt: ik begrijp Zihni. Waar de meesten onder ons echter vooral de ochtend na zo’n gelag weer heel anders denken over de voorgaande avond – River is een heel mooi nummer, maar moet het echt zo hard worden meegeblèrd dat het hele huis wakker wordt? – slingerde Zihni’s identiteit permanent op een vergelijkbare manier heen en weer.

Zodra de woede die hij zo graag aan zou willen wakkeren resultaten begon te sorteren ontwaakte namelijk een andere Özdil. Wanneer er geklapt moest worden voor de verkiezingsoverwinning van een tegenstander stond Zihni pal vooraan blij zijn knuistjes tegen elkaar te rammen. Wanneer iemand een ander verantwoordelijk stelde voor het beleid waar ook Zihni Özdil zo graag tegen ageerde, wist hij niet snel genoeg onder hoeveel beschaving en vijandenliefde hij zich moest verschuilen. Dan stond hij de mensen waar hij iets eerder nog tegen fulmineerde opeens innig te knuffelen, en als iemand van zo’n actie iets zei verdwenen de scheldwoorden plots uit Zihni’s vocabulaire en kon hij alleen nog maar het vrije en onbegrensde debat in de meest dociele termen verdedigen. Dan vergat Özdil opeens weer dat hij zelf ook om het ontslag van mensen die hij niet mocht had staan roepen, en verwijderde hij de stukken die hij daarover had geschreven snel van het internet.  

Dat er verschil bestaat tussen iedereen met een mening die u niet bevalt de hersens intimmeren, en slijmerig de erkenning nastreven van elke tegenstander, daar wilde Özdil dan niet meer aan. Of dat woede niet alleen een voorstelling is, maar dat sommige mensen écht boos zijn. Voor Zihni waren zulke emoties slechts wenselijk zolang ze werden gesublimeerd in waardering voor Zihni. Nu hij zijn zetel braaf aan de partij teruggeeft – een laatste daad die laat zien dat Zihni helemaal niet de eigenwijze eenling is die hij graag portretteerde – zal hij de komende periode redelijk wat tijd om handen hebben. Als ik Zihni Özdil één advies mag geven is het dat hij vooral lekker door moet gaan met drinken. Hopelijk weet het de schizofrene praatjes en eventuele andere overlevingsmechanismen te vervangen. En als hij dan toch per se een keer lawaai wil maken zet hij maar gewoon net als de rest van ons Joni Mitchell op.

BN

Geen kunstvorm die de mensheid heeft bedacht wordt niet ook in België beoefend. Belgen schreven grote romans en zongen het levenslied. Al lang voordat het postmodernisme aansloeg in de architectuur had de belabberde ruimtelijke ordening in Belgische steden resultaten geboekt waar Rem Koolhaas alleen jaloers op kan zijn. Ook aforismen worden niet slechts geschreven door Britse dandy’s of Franse filosofen. Zo was het de Vlaamse Karel Jonckheere die het genre omschreef als de ‘kortste bewering die aan het langste eind wil trekken.’ Als er één Belg is die dat tegenwoordig laat zien, is het Rik Torfs.

Tot enkele jaren geleden was Torfs, hoogleraar kerkelijk recht, rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Na verkiezingen onder personeel en studenten werd hij in 2013, door een meerderheid te behalen bij die tweede groep, verkozen. Ik begrijp niet dat daar door minder democratisch aan de macht gekomen universiteitsbestuurders nauwelijks gebruik van is gemaakt. Niet alleen omdat Torfs eruitziet als een morsige priester. Het beste argument tegen democratisering van het hoger onderwijs is vijf minuten aforismen van Rik Torfs te lezen.

Torfs’ leven is één lange poging zoveel mogelijk citeerbare uitspraken te doen. Zo nu en dan schrijft hij ook langere teksten, maar het liefst overstelpt hij het internet met puntige spreuken. Waarschijnlijk houdt hij niet op totdat hij voor elke denkbare halfbakken scriptie een motto heeft geleverd; voor iedere mogelijke rouwkaart of bruiloftsuitnodiging prêt-à-citer content heeft gecreëerd.

Al Torfs’ aforismen catalogiseren is een vrijwel onmogelijke taak. Toch zou ik ze, grofweg, in drie categorieën in willen delen. Allereerst zijn er de simpele soundbites. Dat zijn slagzinnen als ‘Radijsjes en bloemkolen in dezelfde dipsaus. Komt dat ooit goed?’ Binnen deze groep is er de subcategorie van banaliteiten die zich onderscheiden door hun onvervalste Vlaamsheid. Daarbinnen vallen bijvoorbeeld het wegdromen in de pauze tijdens een concert van de fanfare – ‘prachtig moment waarop schijnbaar niets gebeurt’ – of formulaire sportjournalistiek: ‘De winnaar van de Ronde van Vlaanderen is elk jaar weer het prachtige landschap.’

Naast deze spielerei zijn er Torfs’ meer prangend en politiek bedoelde wijsheden. Die krijgen het eveneens vaak voor elkaar een gemeenplaats uit te spreken, en zijn daarnaast meestal ook nog eens aantoonbaar onwaar. De volgende, bijvoorbeeld: ‘Wat waarheid is, heeft geen geweld nodig. Wie een aanslag pleegt, bewijst zijn eigen ongelijk.’

Oscar Wilde, die al even citaatgeil was als Rik Torfs, schreef ooit iets vergelijkbaars: ‘Iets is niet per se waar omdat iemand is gestorven om het te realiseren.’ Ook een open deur, maar in ieder geval wel juist. Torfs, die graag de indruk probeert te wekken over diepe bronnen van onvermoede nuance te beschikken, wil hier stiekem toch stelliger zijn dan Wilde. Zo wordt hij meteen door een ellenlange geschiedenis van gerechtvaardigd geweld tegengesproken.

Een goed aforisme werkt hetzelfde als een goede beschuldiging van seksueel wangedrag: het hoeft niet onweerlegbaar te zijn, maar moet wel zo overkomen. Rik Torfs doet het tegenovergestelde. Wanneer Torfs claimt dat wie een aanslag pleegt zijn eigen ongelijk bewijst, doet dat mij het zelfmoordterrorisme van Jan van Speijk – die overigens ook heel spitsvondig kon zijn – alleen maar meer waarderen. Als zijn landgenoten enigszins op Torfs lijken zou ik ook liever de lucht in gaan dan een infame Brabander worden.

Niet alleen van geweld heeft Torfs een afkeer. Iedere vorm van emotionele betrokkenheid gaat hem in feite te ver: ‘Hoe kun je in een discussie gelijk hebben en toch boos worden? Is het dan zo erg om gelijk te hebben?’ Wie mijn beledigingen aan Torfs’ adres als woede wil interpreteren ziet dat hij ook hier weer onzin uitkraamt. Overigens zou ook Torfs daar, als hij zijn eigen beknopte bullen volgt, geen problemen mee moeten hebben: ‘Cynisme is zoals een pakje sigaretten. Wie eraan verslaafd is, moet je het gunnen.’

Die opmerking leidt me naar de derde categorie; de meest filosofische. Een onoplettende lezer zou in de uitspraken die tot deze soort behoren per ongeluk iets gevats of diepzinnigs kunnen menen te herkennen. In deze laatste groep benadert Torfs de vorm van het sterke citaat namelijk het dichtst. Het is helaas de inhoud die achterblijft. Veel pakkende aforismen klinken paradoxaal. Veel achterlijke prietpraat ook. De grens tussen vaagheden en intelligente observaties is alleen helemaal niet zo ondefinieerbaar als sommige onbenullen denken. Tussen de twee ligt een uitgestrekt niemandsland, en Rik Torfs weet het nooit over te steken. Ter illustratie de volgende uitspraak: ‘Het is nooit te laat. Anders konden we dat niet meer zeggen.’

Eigenlijk zou ik niet eens voorbeelden op willen noemen van de oneindige scenario’s die dit statement absurd maken. Terwijl u het las moet u er zelf al drie of vier bedacht hebben. Om toch snel een rijtje af te werken: het is al ongeveer vijfhonderd jaar lang behoorlijk te laat om de Reformatie te voorkomen, al zo’n honderdvijf jaar om de moord op Franz Ferdinand te verijdelen, en al zes jaar om het imago van de Leuvense universiteit te redden. Of ik dat kan zeggen of niet is daarbij van weinig belang.

Het enige nut van deze uitspraak lijkt dan ook de mogelijkheid tot flauwe grappen die hij Torfs’ studenten biedt na het verstrijken van een deadline. Daar houd ik het voor nu bij. Ik sluit graag af, want zo hoort dat, door een groot denker te citeren: ‘Schrijven is verslaving. Zelfs als je niets te melden hebt, ga je eindeloos verder op het ritme van dansende letters.’ Niks tegen in te brengen, Rik.

BN

Niets is mooier voor een filosoof dan het ongelijk van een voorganger bewijzen. Wat dat betreft is nieuwe Denker des Vaderlands Daan Roovers voortvarend van start gegaan. Al in haar eerste week haalde ze Plato onderuit. Die vond dat, in de ideale politieke inrichting, filosofen het voor het zeggen zouden hebben. Als Roovers iets heeft weten aan te tonen is het wel dat we daar beter niet aan kunnen beginnen.

Dat ze zulk filosofisch succes zou behalen moet ook voor Roovers zelf een verrassing zijn geweest. Aanvankelijk studeerde ze geen filosofie, maar medicijnen. ‘Ook zo’n typische meisjeskeuze,’ zegt ze daarover. ‘Als ik een jongen was geweest, was ik iets exacts gaan studeren.’ In hetzelfde interview waarin ze die uitspraak doet spreekt ze al snel ook over andere gevolgen van haar studiekeuze: ‘Van die medicijnenstudie heb ik achteraf trouwens geen spijt. De meeste filosofen zijn niet zo bèta. Als ik een exacte kwestie voor me krijg, denk ik: dat kan ik wel snappen.’ Blijkbaar wijkt de Rooversiaanse logica op dit punt behoorlijk af van de klassieke, en kan een enkele negatie zonder al te veel omhaal geëlimineerd worden om tot een ware propositie te komen. Jezelf tegenspreken, zou de leek het noemen.

Ondanks, of misschien juist dankzij haar nog niet volledig uitgewerkte paraconsistente logica, is Roovers nu dus Denker des Vaderlands. Een functie die, in haar eigen woorden, twee kanten kent. ‘Het algemene idee is dat ik filosofie een podium biedt, zodat het een groter publiek bereikt. Daarnaast word ik gebeld door media om mijn mening te geven over verschillende kwesties.’ Publieksfilosoof was Roovers al, onder andere als hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Met het eerste deel van haar nieuwe ambt zou ze dus uit de voeten moeten kunnen. Nu is het percentage zinvol denken bij publieksfilosofie in de regel even hoog als het alcoholpromillage van een pak sinaasappelsap, maar goed, ervaring bestaat ook zonder inhoud.

Door naar de tweede taak van een Denker des Vaderlands. Daar is Roovers duidelijk over. Ze gaat hem, heeft ze in een geniale ingeving bedacht, simpelweg níet uitvoeren. ‘Wat binnen een debat mijn eigen mening is, vind ik minder relevant,’ zegt ze daarover. ‘Waarom zou mijn mening interessanter zijn dan de jouwe?’ Daan Roovers heeft, mogen we concluderen, direct na haar aantreden haar taakomschrijving zo aangepast dat die plotseling precies datgene behelst dat ze eigenlijk sowieso al deed.

Het is ergens niet vreemd dat Roovers haar eigen mening liever niet op een voetstuk plaatst: een overtuigende of samenhangende opinie weet ze immers niet te produceren. Neem de argumentatie die ze aanvoert bij de beslissing om haar eigen werk te halveren. ‘Ik heb natuurlijk veel gelezen. Ik ken ook veel mensen in de filosofie. Maar alleen maar wijzen naar grote filosofen vind ik toch een beetje top-down.’

Die opmerking is in de eerste plaats komisch, wanneer u weet dat Roovers twee zinnen eerder zonder goede reden Hannah Arendt heeft aangehaald. Wat echter vooral duidelijk wordt is Roovers’ complete onvermogen om, na al dat lezen en mensen kennen, aan denken ook een keer conclusies te verbinden. Dat kennis tot het vormen van een onderbouwde mening kan leiden, of dat het, God beware, zelfs zinnig zou kunnen zijn die mening vervolgens te uiten, dat gaat er bij Roovers niet in. Ze lijkt daarentegen vooral te denken dat een studie filosofie mensen opleidt om stilletjes en met zo min mogelijk eigen inbreng de inspraakavonden in hun plaatselijke buurtcentrum voor te zitten.

Roovers’ grootste probleem is dan ook niet dat ze zichzelf om de haverklap tegenspreekt. Het is dat ze een in kwade trouw weggedoken schijtlijster is. Roovers is de vervelende student die als essay over de zin van het leven een leeg blaadje inlevert, en er dan blasé naast staat, verkondigend dat het leven welbeschouwd toch ook geen zin heeft. Daan Roovers is de partner die je een leeg pakje geeft voor je verjaardag, met de mededeling dat het toch haar liefde is die het grootste cadeau zou moeten zijn. Laffe gemakzucht die door moet gaan voor intelligentie of nuance. Leegte, vermomd als betekenis.

Zelfs in die lafheid weet deze PR-dame van de Nederlandse filosofie overigens nog een laatste contradictie aan te boren, en tegelijkertijd ook maar meteen de volslagen zinloosheid van publieksfilosofie duidelijk te maken. Er was de afgelopen honderd jaar één kort moment waarop enigszins serieuze wijsbegeerte een groot publiek wist te bereiken. Laat dat nu precies de periode zijn geweest waarin filosofen in hun engagement iets verder gingen dan het werktuiglijk reageren op telefoontjes van journalisten. De rouwstoet van Jean-Paul Sartre – over wie veel gezegd kan worden, maar niet dat hij zijn eigen meningen niet interessant vond – werd in 1980 door 50.000 mensen begeleid. Het zal mij benieuwen wanneer Daan Roovers en haar lege vel papier een stadion uitverkopen.

BN

 

U kent de dooddoener: ‘Er zijn geen domme vragen, alleen domme antwoorden.’ Onzin natuurlijk. Dat betekent echter allerminst dat er op domme vragen niet nog dommere antwoorden mogelijk zijn. Saskia de Coster wist het in een interview met Trouw voor elkaar te krijgen: de domste vraag over schrijverschap zo beantwoorden dat het overkomt alsof ze zelf nog minder begrijpt van waar ze mee bezig is dan haar interviewer.

De Coster schreef – ze is er vroeg bij voor de boekenweek – in de roman Nachtouders over haar rol als niet-biologische moeder in een lesbische relatie. In Trouw mag ze daar eerst wat onovertuigende observaties over maken. Ik ben geen biologische moeder, maar ik had er wel een – om de denktrant van de CPNB maar even aan te houden – en dus mag ik haar best corrigeren als ze meent dat échte moeders de poepluiers van hun kinderen niet vinden stinken. Dat vinden ze wel. Poep stinkt: er is geen navelstreng die daar verschil in kan maken.

Al snel volgt echter De Vraag. Die begint door te stellen dat Nachtouders een roman is, ‘maar…’ U weet dan waarschijnlijk al wat er komt: er moet weer worden gehengeld naar de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Die roman, die is stiekem geïnspireerd door gebeurtenissen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, en interviewer Iris Pronk zal eens even uitvogelen hoe dat in elkaar steekt. De Coster meent op deze vraag in te moeten gaan door een vreemde mening te onderbouwen met een verwijzing die ‘m meteen weer onderuithaalt.

‘Ik zou het heel flauw gevonden hebben als ik mezelf in het boek een andere naam zou hebben gegeven, Sandra of zo. Dat zou een vorm van bedrog zijn geweest, ik heb zelfonderzoek gedaan.’ Tot zoverre de mening, die van zichzelf al behoorlijk rammelt. Als je als auteur meent dat je je eigen naam aan een personage moet hangen om een zelfonderzoek te doen overtuigen heb je in de rest van je schrijven wel bijzonder weinig vertrouwen. Maar goed, dan krijgen we dus nog de ter onderbouwing van deze opvatting bedoelde verwijzing: ‘Flaubert zei het al: “Madame Bovary, c’est moi”.’

Daarmee wordt het niet per se duidelijk of Saskia de Coster kan schrijven: lezen kan ze in ieder geval niet. Anders had ze door dat Flaubert hier haar theorie niet ondersteunt, maar een flinke dosis rattenkruid toedient. Als Flaubert Madame Bovary kon zijn, waarom zou De Coster dan in godsnaam niet voorbij Saskia komen? De Coster had haar personage Sandra kunnen noemen, of Emma; voor mijn part Gustave. De poepluier zou toch hetzelfde hebben geroken.

BN

Een ingewikkelde meid

Op 4 maart 1986 maakte Richard Manuel zijn laatste restje cocaïne op, dronk hij het bodempje uit de fles Grand Marnier die hij nog had staan, en hing zichzelf op in een hotelbadkamer. Richard Manuel is mijn favoriete zanger. Toch moet hij volgens Babette Labeij, auteur van ZING!, in zijn muzikale leven iets fout hebben gedaan, net als Kurt Cobain, Phil Ochs, Herman Brood en Ian Curtis. Van zingen moet je namelijk, bevrijd raken, verlossing vinden en gelukkig worden. Muziek, dat is een pleister om je verdriet en problemen om te zetten in ‘kracht en positief denken.’

Zelf was Babette Labeij ooit ook zangeres. Zoals vele kunstenaars die hun kunst aan de straatstenen niet kwijtraken, of schrijvers bij wie de pallets onverkochte debuutromans als Duitse Marken in het trappenhuis opgestapeld liggen, bedacht ook Labeij op een bepaald moment dat ze datgene waar ze geen succes in vond beter kon gaan onderwijzen. Als zangcoach werkte ze vervolgens bij IdolsX-Factor, Popstars en The Voice of Holland, en riep zo dus al minstens zes of zeven generaties aan Whitney Houston-epigonen over ons af. In haar vrije tijd probeert Babette Labeij daarnaast externe links naar haar eigen website te verstoppen in het aan haar gewijde Wikipedia-artikel. Op 16 oktober verscheen bij Nijgh & Van Ditmar haar boek ZING! – de meest verderfelijke ideologische uiteenzetting van een muzikant sinds Richard Wagners Het Joodse in de muziek.

‘Muziek’ aldus Labeij, ‘is de beste psychiater die ik ooit heb gehad.’ Behoorlijk onverantwoordelijk als u het mij vraagt, zo mensen maar af te raden om professionele hulp te zoeken. Opmerkingen als deze zijn niet bijzonder respectvol richting de geestelijke gezondheidszorg, terwijl die mensen zich ook maar te pletter werken om types als Labeij, die naar buiten één en al vrolijkheid en optimisme uitstralen, en dus van binnen wel psychische wrakken moeten zijn, er op te wijzen dat ze niet voor hun problemen kunnen vluchten door af en toe een ariaatje te blèren tijdens het koken.

Het is echter niet alleen de psychiatrie die in de piepzak komt te zitten. Terwijl therapie zijn betekenis verliest wordt de rest van het leven keihard getherapiseerd, en ook muziek wordt gereduceerd tot een van alle overige betekenis of waarde ontdane placebo en belandt als afvinkvakje in de utilistische calculus. Alles moet ons immers maar gelukkig maken, ons lichaam en onze geest gezond houden; elke activiteit moet een shot endorfine produceren. Bij Nijgh & Van Ditmar konden ze wel wat met die verkoop garanderende zelfhulpboodschap. In de najaarsbrochure werd op de pagina over ZING! meteen Erik Scherder – de enige boskabouter die bijverdient als neurowetenschapper, in plaats van gewoon rustig z’n eikeltjestabak te roken – er ook maar aan de grijze ringbaard bijgesleept, om aan het geheel zelfs een wetenschappelijk tintje te geven.

Hoewel het woord ‘passie’ – dat ook Labeij graag twee of drie keer per alinea gebruikt – ondertussen alleen in de martelporno van Mel Gibson nog enigszins z’n oorspronkelijke lading dekt, is het tegenovergestelde van dit blije gezemel natuurlijk overdreven romantisch. Een echte artiest hoeft niet per definitie een suïcidale verslaafde te zijn. Koeien geven melk, maar niet alle melk komt uit een koe: depressieve mislukkelingen hebben geweldige muziek gemaakt, maar niet elke goede melodie wordt bedacht door iemand die op het randje van de afgrond staat. Genoeg prutsers hebben zich bovendien vastgebeten in een vicieuze cirkel van ongeluk zonder ooit iets van waarde te produceren, en veel mensen kunnen vast plezier ontlenen aan zingen. Peuters kunnen ook kraaiend van enthousiasme losgaan op een rammelaar; honden op een tennisbal. Waarom zou de gemiddelde Nederlander niet van allerhande bezigheidstherapietjes op kunnen knappen? Ik wil niet beweren dat je niet gelukkig mag worden van zingen. Wel had ik van Nijgh tenminste een kwaliteitsgoeroe verwacht, in plaats van een dusdanig lege conceptie van kunst, muziek of literatuur.

Een definitie van muziek waar de cultusvolger iets mee kan is in ZING! niet te vinden. Naast een reclamefolder voor Labeijs zangacademie is het boek vooral een verzameling persoonlijke anekdotes over muziek. Wat heeft Babette daarin dan te melden? Ze houdt van ABBA. Christine McVie’s Songbird is een van haar ‘favoriete songs ever.’ De Beatles? ‘In mijn ogen de grondleggers van de hedendaagse popmuziek.’ ZING! bevat geen register met alle genoemde artiesten en nummers, maar wie dat wel wil hebben kan een maandje wachten en de Top 2000 erbij pakken. Wie geen zin heeft om een boek te lezen vol oppervlakkig gedweep dat waarschijnlijk voor ‘aanstekelijk’ door moet gaan, en waarvan zelfs de auteur in een zeldzaam moment van zelfreflectie opmerkt dat het misschien inderdaad ‘zum Kotzen‘ klinkt – doe daar dan wat aan, muts – kan ZING! beter laten liggen. Of er gewoon meteen een einde aan maken.

BN

Archief