BN

Als u aan de UvA studeert heb ik nieuws voor u: u mag gaan stemmen in de studentenraadsverkiezingen. Misschien wist u dat al. Dat zou betekenen dat u (i) Folia online nog steeds leest (heeft u echt niks beters te doen?) of (ii) zelf verkiesbaar bent. In beide gevallen: mijn medeleven.

Zou u een blik werpen op de kieslijsten (nogmaals: heeft u echt niks beters te doen?) dan zou u zien dat de namen van studentenpartijen allemaal klinken als een consultancybureau of als een grap. Als u na uw geworpen blik nog steeds geïnteresseerd bent in studentenpolitiek (conclusie: u heeft echt niks beters te doen) wil ik u hier best in twee zinnen uitleggen waar u op kan stemmen. Komen ze.

De consultancybureaus bestaan, naast enkele conservatiever ingestelde JOVD’ers met varkensoogjes en paardentandvlees, uit een schakering van verschillende tinten leeg pseudoprogressivisme; de grappen worden gemaakt door gedesillusioneerde mensen die ooit verbonden waren aan de consultancybureaus. In de loop van het jaar na uw stem zullen de consultancybureaus langzaam meer op de grappen gaan lijken, terwijl de grappen zich min of meer laten meeslepen in de mores van de consultancybureaus, of ermee ophouden.

Nu dat duidelijk is wil ik, ondanks de hel en verdoemenis die op mijn laatste politieke handlezing in PC volgden, ook nog wel een kleine voorspelling doen. Aangezien de opkomst dit jaar ongelooflijk laag wordt zullen de consultancybureaus een overwinning behalen op de grappen. Gelukkig hoeft u zich daar verder geen zorgen over te maken. Studentenraden kunnen zich kapotvergaderen, ze kunnen het ene na het andere kantje aan niet-bindend advies voltikken, ze kunnen, net als iedere andere burgerman (m/v), zich over van alles en nog wat uitlaten, mensen die hun iets misdoen voor de rechter slepen, petities opzetten en, als ze echt niets beters te doen hebben, stukjes naar Folia opsturen. Wat het allemaal met politiek, zoals die in de rest van het land wordt gedefinieerd, te maken zou moeten hebben; geen idee, want iets te vertellen heeft de studentenraad niet.

BN

Soms verdient iemand geen tweede kans. Dat is niet alleen een zin die vrouwen vaak herhalen bij het bespreken van hun liefdesleven; direct na de oorlog was het een breed gedeelde opvatting. Aan dat korte tijdperk van wijsheid kwam al snel een einde. In West-Duitsland hoefden SA-leden maar snel op hun CV te krabbelen dat ze tussen 1933 en 1945 op sabbatical waren geweest om hun posities te behouden. Tegelijkertijd werd de laatste V2 op weg naar Londen ingehaald door zijn bouwers, die in de Verenigde Staten per direct en met behoud van secundaire arbeidsvoorwaarden aan het werk mochten. In Nederland konden ontvoerders hun slachtoffers al op 12 september 1949 weer met de Telegraaf van die dag fotograferen.

Niet iedereen die de uitslag van een voetbalwedstrijd verkeerd voorspelt hoeft natuurlijk voor een tribunaal te verschijnen. Wel zou het mooi zijn als mensen opsodemieteren uit het specifieke vakgebied waar ze hun onkunde in hebben bewezen. (Blijft de ramp die u voorspelt uit, dan is het gedaan met de waarzeggerij. Is het onderwijsmodel dat u introduceert een aanfluiting, dan krijgt uw enkelband dezelfde instellingen als die van een kinderlokker. Wijst u een onschuldige aan als moordenaar? Inleveren, die deerstalker en pijp. Bent u, kortom, Maurice de Hond, dan kunt u ondertussen net zo goed bij het grofvuil gaan zitten.) Waarom Rutger van den Noort nog over epidemiologie mag praten is mij volstrekt onduidelijk.

Van den Noort wist, voor zijn gestuntel op dat gebied, eerder al aandacht te krijgen. In september 2016, bijvoorbeeld, door een coup in Nederland te voorspellen. Niet onmiddelijk, laat dat wel zijn: ‘Doordat de organisatie complex is, zal een staatsgreep onmogelijk kunnen plaatsvinden op de korte termijn. Het zal minimaal vier jaar voorbereiding onder grote geheimhouding vergen.’ Voor een preciezere indicatie van het moment waarop het een en ander zou moeten gebeuren wilde Rutger ook nog wel een balletje opgooien: ‘Prinsjesdag.’ Wil hij dus voor de verandering eens gelijk krijgen, dan heeft ie nog een half jaar, maar als het ligt aan Van den Noort – een refoproleet met een springerige middenscheiding die zich tijdens werkuren met ‘Innovation Management’ bezighoudt – laat die staatsgreep waarschijnlijk nog even op zich wachten. Als het zo ver is wil Rutger vast helpen met het implementen van een efficiënte workflow bij de knokploegen. 

In afwachting van zijn patjepeeërsputsch vond Van den Noort het begin dit jaar tijd om weer eens ergens een mening over te hebben, en deze keer was dat, zoals u in mijn tweede alinea las, de verspreiding van ziektes. Hij schreef dat het ‘weer januari’ was, en tot zover was er niks aan de hand; hij had zelfs groot gelijk. Dat wist hij in zijn volgende zin meteen flink te bederven. ‘Traditioneel breekt er dan weer een “virus” uit wereldwijd om de budgetten van de WHO weer te garanderen in aanloop naar de jaarvergadering in mei 2020.’ (Los van de niet al te best opgedroogde boodschap; godskolere, wat een draak van een zin is dat. Eerst die dubbele ‘weer’, nadat ie ook in de eerste zin al is langsgekomen, en daarna ook nog de suggestie dat de WHO op de een of andere manier ieder jaar in 2020 vergadert, of alleen in 2020 een jaarvergadering houdt. Iemand die zo schrijft zou u sowieso niet moeten vertrouwen.)

Waarom de aanhalingstekens in Rutgers schrijven er al snel net zo slecht uitzagen als zijn Nederlands hoef ik u niet uit te leggen. Het weerhield de schlemiel er niet van iedereen en z’n moeder de les te blijven lezen over de pandemie. Of maatregelen nou te mild of te drastisch waren, hobby-sofist Rutger van den Noort verkondigde iedere mening die te verkondigen was. Een stilstaande klok staat twee keer per dag goed. Een doorslaande klok, moet Rutger hebben gedacht, spreidt z’n kansen een stuk beter. Het voortdurende gebeier en gekoekoek culmineerde, voorlopig, in de beschuldiging dat de overheid eerdere waarschuwingen voor een mogelijke pandemie niet serieus had genomen. Het aantal mogelijke punten op de omtrek van een cirkel is oneindig. Het aantal door Rutger van den Noort aangehangen overtuigingen komt behoorlijk in de buurt.

In 2018 beloofde Van den Noort al eens het opiniemaken op te geven. Op hetzelfde moment dat hij met Stichting De Nederlandse Leeuw een ‘top 10 met oplossingen voor de Multiculturele Samenleving’ presenteerde, kondigde hij ook meteen maar zijn afscheid bij die organisatie aan: Rutger was per direct ‘niet meer beschikbaar in het publieke debat’. Een land redden is één ding, maar de kinderen wilden ook nog wel eens worden voorgelezen, en liever niet uit een tendentieus opiniestuk.

Destijds kwam Rutger tot zijn beslissing na in de keuken een bordje te zijn tegengekomen met de tekst ‘als je er niet vrolijk van wordt, dan moet je het niet doen’. De mogelijkheid dat die wandversiering door niemand minder dan God zelf op zijn pad was gebracht sloot Van den Noort niet uit – zelfs Hij schrijft tegenwoordig blijkbaar niet meer in het Aramees, maar in weeïge dooddoeners. Als de Heer zich kenbaar maakt middels huisvrouwenprullaria, dan kan Hij dat net zo goed doen in PC. Bij dezen dus ook namens boven: Rutger, rot op.

BN

Met vernoemingen kan het best voorzichtig worden omgegaan. Een vliegveld naar Buddy Holly noemen, of een bungeejump-platform naar Herman Brood; zoiets zou maar smakeloos overkomen. Ook bij de naamgeving van ziekenhuizen en andere gezondheidsinstellingen wordt meestal rekening gehouden met vreemde connotaties. Zo is er, voor zover ik weet, nooit een afdeling verloskunde vernoemd naar Frida Kahlo, of een chirurgische kliniek naar de gebroeders De Witt. Zeer verstandig.

Desondanks kan ik me voorstellen dat patiënten zich niet altijd prettig hebben gevoeld tijdens een opname in, bijvoorbeeld, het Wilhelmina Gasthuis of het Julianaziekenhuis. Terwijl u onder narcose gaat wilt u er liever niet aan denken dat de chirurg van dienst, vlak na met uw openhartoperatie begonnen te zijn en terwijl u daar ligt met uw als een walnoot opengekraakte borstbeen, het plots voor gezien houdt en de boot naar Engeland pakt. Nee, dan het OLVG. Dat ze er daar realistische ideeën over inseminatie op na houden mag uit de naam niet per se blijken; het klinkt in ieder geval moederlijk en troostend. Onze Lieve Vrouwe haalt het echter met afstand niet bij de mooiste vernoeming in de gezondheidszorg. Dat is zonder twijfel die van het Brabantse Jeroen Bosch Ziekenhuis.

Het vernoemen van een serieuze instelling naar de meest proto-Pythoneske schilder van Nederland is sowieso leuk. Des te leuker is het bij een ziekenhuis: een in de regel beslist niet ter vermaak bedoeld rariteitenkabinet. Het bestaan van het Jeroen Bosch Ziekenhuis is voor associatieve denkers als succesvolle kernfusie. Degene die het zijn naam heeft gegeven had óf geen kunsthistorisch besef, of had dat wel en daar bovenop een geweldig gevoel voor humor, en omdat ik ondanks alles nog steeds vertrouwen in de mensheid heb ga ik uit van dat laatste.

In het Jeroen Bosch Ziekenhuis, zo stel ik me graag voor, is de traumahelikopter een reusachtige vogel met een porseleinen landingsgestel. In het atrium staat een gigantische fontein van gekleurde glazen bollen die water spuit uit ivoren tepels. De baliemedewerkers dragen er trechters op hun hoofden en de maagspoelslangen eindigen er in vissenmonden. Het omroepsysteem bestaat er uit gouden trompetten, in half uit de muren naar voren springende reten gestoken. De deur naar het mortuarium is een enorme wolvenmuil. De infuusnaalden klauwen zich met hoornen nagels in de aderen van patiënten vast terwijl de bedden op schaatsijzers over de bevroren vloeren glijden. De zusters hebben mottenvleugels; de doktoren konijnenkoppen. De kunstmatige longen zijn er doedelzakken, de stethoscopen oorschelpen en de scalpels kleine hellebaarden.

Waar het precies is misgegaan weet ik niet, maar in het algemeen zijn we er in goede vernoemingen of zelfs naamgeving in het algemeen niet op vooruit gegaan. De namen van onze grote schrijvers plakken we op tochtige laadplekken of lullige steigertjes, rechthoekige tribunes om een met een plat dak overspannen vierkant heen noemen we een dome, en door toedoen van de een of andere onverlaat heeft de Groene Olifant een jaar lang ‘Tropenkolder’ geheten, voor die aan een malaria-aanval ontsproten mispeer recht werd gezet. (Goed, ik kom er misschien nooit binnen, maar heb me er iedere keer dat ik door de Sarphatistraat fietste mateloos aan geërgerd.) Wat we aan goede namen hadden is ook nog eens grotendeels stukgefuseerd tot drieletterige afkortingen of opgelost in iets dat marketingtechnisch verantwoord is en klinkt als een onomatopee voor het
opendraaien van een fles frisdrank. Ik mag lijden dat het Jeroen Bosch Ziekenhuis tot de Dag des Oordeels blijft bestaan.

BN

Het Jeroen Bosch Ziekenhuis is dagelijks open voor bezoek. Vooraf reserveren wordt wegens drukte aangeraden.

Dat de Nederlandse middenklasse op geen enkele manier in staat is tot authentieke zelfexpressie was al langer bekend. Als u het leven in een willekeurig ander land of een andere bevolkingsgroep als een boek of film wil zien, dan is de Nederlandse middenklasse de daarvan door Joop van den Ende kapotgeproduceerde musicalbewerking. Met het vervelende knieën-hoog-handen-in-de-heupenloopje dat de musicalacteur kenmerkt banjert de Nederlandse kleinburger als een overacterende figurant rond door de wereldgeschiedenis.

Als één ding dat de afgelopen tijd weer duidelijk heeft gemaakt is het wel de kleinkunstversie van Aan de Amsterdamse grachten die vrijwel direct na het afkondigen van de eerste coronamaatregelen klonk aan de Egelantiersgracht. In Italië, waar de doodskisten, voor ze eenzaam een gat in worden getakeld, in overvolle mortuaria en kerken liggen opgetast als stapels door een luie bezorger weggesodemieterde reclameblaadjes, waren mensen na verloop van tijd vanaf hun balkons en uit hun ramen hangend samen gaan zingen. Zoiets moesten wij in Amsterdam, besloot een stel enthousiastelingen, ook maar eens doen. Dat honderd kilometer verderop de eerste dode Brabander nog warmer was dan zijn laatste half opgegeten worstenbroodje maakte niet uit; die schuiframen gingen omhoog.

De buurt waar dit zou plaatsvinden stond bij voorbaat al vast. Waar anders in de stad zou zo’n schmierend rollenspel van quasi-spontane volksverbroedering plaatsvinden dan in de Jordaan; volkswijk zonder volk. Vanaf de straat – die immers nog gewoon begaanbaar was  – werd de hele situatie professioneel opgenomen zodat de in harmonie zingende loepzuivere stemmen van vrouwen die in hun leven nog nooit een sjekkie hadden gerookt des te helderder te horen waren.

Goed, dat gezang was op culturele gronden dus verschrikkelijk; ik zou de redactiemarxist van PC niet zijn als ik niet ook even een en ander had nagerekend. De huidige verkoopprijs van een huis op de Egelantiersgracht ligt al snel tussen de anderhalf en twee miljoen euro. Als de overheid tien van die zanglijsters onteigent en het vrijgekomen vastgoed aan, laten we zeggen, Prins Bernhard verkoopt, dan kan van de winst een jaar lang aan een stuk of zeshonderd extra verpleegkundigen een marktconform salaris worden uitgekeerd. (Wanneer u ervan overtuigd bent dat marktconform onderbetaald betekent schrapt u wat mij betreft uit voorgaande zin dat woord en uit mijn voorstel honderd van die ziekenbroeders. Hoeveel het er exact ook zijn, we schieten er gegarandeerd een stuk meer mee op dan met muziektoneel.) De resulterende dakloze operettezangers mogen ondertussen, zo lang ze netjes een vergunning aanvragen en anderhalve meter uit elkaar blijven staan, best op straat door blijven zingen.

BN

U zult, in dit blad of elders, vast wel eens geringschattende opmerkingen zijn tegengekomen over het weblog − het ‘digitale literaire tijdschrift’, als u Co Woudsma zou volgen, maar laten we dat maar niet doen − Tzum. Toch heeft die website best een rol te vervullen. Hoewel alles wat AS over collega’s schrijft waar is, is de volledig aan roddel gewijde rubriek die MM ooit in PC op wilde zetten vooralsnog niet van de grond gekomen. Webmaster Coen Peppelenbos en z’n rakkers duiken nu en dan in de ruimte die wij daarmee laten liggen. Meestal slechts als verzamelaars van informatie die elders al verkrijgbaar is, maar chroniqueur is ook een eerbaar beroep. Toch lijken ze bij Tzum nog niet volledig van hun lotsbestemming op de hoogte. Vaak krijgt de bij elkaar gesprokkelde achterklap geen lucht door de benauwende drukte van zelfs in hun 80 woorden al ruimte verspillende columns, door lelijke schrijversportretten, of doordat Coen het nodig vindt te voorspellen dat PC 2020 niet haalt. (Kiekeboe, Peppelenbos, we zijn er nog.) Onverwacht hoogtepunt in deze roddelverstikkende rommel zijn de sublieme kalverrecensies van Erik-Jan Hummels.

Een van de meest gehoorde kritieken op van inzicht verstoken literatuurbesprekingen is dat ze lezen als het boekverslag van een middelbare scholier. Meestal wordt daarmee bedoeld dat een recensent in zijn bespreking kort het plot van een boek opsomt, iets zegt over de houding van een of twee personages, en daarna met wat weinig specifieke kwalificaties een oordeel geeft. Erik-Jan Hummels beheerst het genre, waarschijnlijk dankzij zijn werkzaamheden als docent, op een veel vollediger en diepzinniger manier. Hummels schrijft niet als scholier omdat hij niet anders kan; hij heeft het boekverslag tot een kunstvorm verheven en schrijft havistenproza zoals geen havist het zou kunnen schrijven. Erik-Jan Hummels zou schrijfcursussen moeten geven aan pedofielen die zich online als onzekere tieners voor willen doen.

Dat hij niks nuttigs te melden heeft – de voornaamste inhoudelijke eis die aan het boekverslag als genre wordt gesteld – laat Hummels merken in iedere tekst die hij schrijft. Zo noteert hij, over een man die ‘wel kan janken’ als hij van de oogarts over zijn defecte traanbuizen hoort in Tex de Wits Ik heb een slimme droger, dat ‘het natuurlijk best grappig is dat het figuurlijke “Daar kan ik wel om janken” door de laatste zin letterlijk wordt begrepen’. Stilistisch onderscheidt Hummels zich vooral door overal waar dat mogelijk is te kiezen voor verkeerde voegwoorden. Ter illustratie de conclusie van hetzelfde stuk over Tex de Wit: ‘Ook thematisch zijn de verhaaltjes bij elkaar gezet, zodat dit boek je een paar uurtjes kan laten glimlachen.’ Oefenen thematische indelingen op de een of andere manier een sterke invloed uit op Hummels’ leestempo? Had hij deze bundel beduidend sneller of trager uitgelezen als de verhalen op alfabetische volgorde van hun titel hadden gestaan? Heeft Erik-Jan Hummels Ik heb een slimme droger überhaupt niet gelezen, maar wel twee uur zitten grijnzen omdat hij de inhoudsopgave zo guitig vond?

Afgelopen december bleek al deze onbenulligheid slechts een opwarmoefening voor Hummels’ recensie van Sylvia Plaths De glazen stolp. De inhoud van dat stuk kan kort worden samengevat: Erik-Jan Hummels begrijpt Sylvia Plath niet. De vorm kan alleen als een artistieke keuze worden besproken. Hummels sproeit als aanwijzingen voor zijn redeneertrant bedoelde voegwoorden als ‘echter’ en ‘vervolgens’ op volslagen onnodige plekken door zijn tekst als een sprinkler in een lek scheepsruim. Minder gul, maar des te exacter in achterlijkheid is het gebruik van de eerste persoon enkelvoud, precies op de plekken waar een volwassen recensent hem juist níet zou gebruiken. Als voorbeeld van Hummels bijzonder precieze puberstupiditeit is vooral de volgende zin uit zijn recensie van De glazen stolp onovertroffen. Omdat ik eerlijk gezegd ook weer niet wil hebben dat u bij het diagonaal lezen van deze tekst zou kunnen denken dat ik hem heb geschreven gaat hij in quarantaine tussen twee witregels:

‘Ze gaat praten met psychologen en krijgt van psychiaters elektroshocks, vooral die shocks krijg je als lezer goed mee.’

Zoals u ondertussen wel verwachtte geeft Erik-Jan bij dit statement geen enkele onderbouwing of uitleg. Waarom krijgt de lezer die elektroshocks ‘goed mee’? Zijn ze naturalistisch tot in detail beschreven? Gebruikt Plath overtuigende metaforen om een onbekende sensatie herkenbaar te maken? Zit er een buzzer in het boek die bij het omslaan van elke bladzijde waarop zo’n stroomstoot voorkomt direct 230 Volt door je lichaam jaagt?

Ook in deze zin is het echter niet de inhoud, maar de puberale stijl die met een weergaloze subtiliteit de hele alinea naar clearasil en energiedrank doet ruiken. Die komma. Hij klopt precies. Iedere andere manier om deze zin op te schrijven had volwassener geklonken; professioneler. Er had een punt kunnen staan. Erik-Jan had ‘en’ achter de komma kunnen schrijven. Hij koos voor de enige optie die hem niet vijftienjariger kon doen lijken.

Het is 2020, en Coen Peppelenbos kan voorspellen wat hij wil, Propria Cures is er nog. Wel, dat geef ik toe, zonder behoorlijk de laatste roddels voor u bij te houden. Om te lezen wat Johan Fretz zoal zegt over Angela de Jong kunt u beter bij Tzum zijn dan bij ons. Als u geïnteresseerd bent in zwaar gestileerde recensies, ogenschijnlijk geschreven door scholieren die hun eerste onzekere stappen zetten in het literaire veld, ook.

BN

Archief