BN

Dat de Nederlandse middenklasse op geen enkele manier in staat is tot authentieke zelfexpressie was al langer bekend. Als u het leven in een willekeurig ander land of een andere bevolkingsgroep als een boek of film wil zien, dan is de Nederlandse middenklasse de daarvan door Joop van den Ende kapotgeproduceerde musicalbewerking. Met het vervelende knieën-hoog-handen-in-de-heupenloopje dat de musicalacteur kenmerkt banjert de Nederlandse kleinburger als een overacterende figurant rond door de wereldgeschiedenis.

Als één ding dat de afgelopen tijd weer duidelijk heeft gemaakt is het wel de kleinkunstversie van Aan de Amsterdamse grachten die vrijwel direct na het afkondigen van de eerste coronamaatregelen klonk aan de Egelantiersgracht. In Italië, waar de doodskisten, voor ze eenzaam een gat in worden getakeld, in overvolle mortuaria en kerken liggen opgetast als stapels door een luie bezorger weggesodemieterde reclameblaadjes, waren mensen na verloop van tijd vanaf hun balkons en uit hun ramen hangend samen gaan zingen. Zoiets moesten wij in Amsterdam, besloot een stel enthousiastelingen, ook maar eens doen. Dat honderd kilometer verderop de eerste dode Brabander nog warmer was dan zijn laatste half opgegeten worstenbroodje maakte niet uit; die schuiframen gingen omhoog.

De buurt waar dit zou plaatsvinden stond bij voorbaat al vast. Waar anders in de stad zou zo’n schmierend rollenspel van quasi-spontane volksverbroedering plaatsvinden dan in de Jordaan; volkswijk zonder volk. Vanaf de straat – die immers nog gewoon begaanbaar was  – werd de hele situatie professioneel opgenomen zodat de in harmonie zingende loepzuivere stemmen van vrouwen die in hun leven nog nooit een sjekkie hadden gerookt des te helderder te horen waren.

Goed, dat gezang was op culturele gronden dus verschrikkelijk; ik zou de redactiemarxist van PC niet zijn als ik niet ook even een en ander had nagerekend. De huidige verkoopprijs van een huis op de Egelantiersgracht ligt al snel tussen de anderhalf en twee miljoen euro. Als de overheid tien van die zanglijsters onteigent en het vrijgekomen vastgoed aan, laten we zeggen, Prins Bernhard verkoopt, dan kan van de winst een jaar lang aan een stuk of zeshonderd extra verpleegkundigen een marktconform salaris worden uitgekeerd. (Wanneer u ervan overtuigd bent dat marktconform onderbetaald betekent schrapt u wat mij betreft uit voorgaande zin dat woord en uit mijn voorstel honderd van die ziekenbroeders. Hoeveel het er exact ook zijn, we schieten er gegarandeerd een stuk meer mee op dan met muziektoneel.) De resulterende dakloze operettezangers mogen ondertussen, zo lang ze netjes een vergunning aanvragen en anderhalve meter uit elkaar blijven staan, best op straat door blijven zingen.

BN

U zult, in dit blad of elders, vast wel eens geringschattende opmerkingen zijn tegengekomen over het weblog − het ‘digitale literaire tijdschrift’, als u Co Woudsma zou volgen, maar laten we dat maar niet doen − Tzum. Toch heeft die website best een rol te vervullen. Hoewel alles wat AS over collega’s schrijft waar is, is de volledig aan roddel gewijde rubriek die MM ooit in PC op wilde zetten vooralsnog niet van de grond gekomen. Webmaster Coen Peppelenbos en z’n rakkers duiken nu en dan in de ruimte die wij daarmee laten liggen. Meestal slechts als verzamelaars van informatie die elders al verkrijgbaar is, maar chroniqueur is ook een eerbaar beroep. Toch lijken ze bij Tzum nog niet volledig van hun lotsbestemming op de hoogte. Vaak krijgt de bij elkaar gesprokkelde achterklap geen lucht door de benauwende drukte van zelfs in hun 80 woorden al ruimte verspillende columns, door lelijke schrijversportretten, of doordat Coen het nodig vindt te voorspellen dat PC 2020 niet haalt. (Kiekeboe, Peppelenbos, we zijn er nog.) Onverwacht hoogtepunt in deze roddelverstikkende rommel zijn de sublieme kalverrecensies van Erik-Jan Hummels.

Een van de meest gehoorde kritieken op van inzicht verstoken literatuurbesprekingen is dat ze lezen als het boekverslag van een middelbare scholier. Meestal wordt daarmee bedoeld dat een recensent in zijn bespreking kort het plot van een boek opsomt, iets zegt over de houding van een of twee personages, en daarna met wat weinig specifieke kwalificaties een oordeel geeft. Erik-Jan Hummels beheerst het genre, waarschijnlijk dankzij zijn werkzaamheden als docent, op een veel vollediger en diepzinniger manier. Hummels schrijft niet als scholier omdat hij niet anders kan; hij heeft het boekverslag tot een kunstvorm verheven en schrijft havistenproza zoals geen havist het zou kunnen schrijven. Erik-Jan Hummels zou schrijfcursussen moeten geven aan pedofielen die zich online als onzekere tieners voor willen doen.

Dat hij niks nuttigs te melden heeft – de voornaamste inhoudelijke eis die aan het boekverslag als genre wordt gesteld – laat Hummels merken in iedere tekst die hij schrijft. Zo noteert hij, over een man die ‘wel kan janken’ als hij van de oogarts over zijn defecte traanbuizen hoort in Tex de Wits Ik heb een slimme droger, dat ‘het natuurlijk best grappig is dat het figuurlijke “Daar kan ik wel om janken” door de laatste zin letterlijk wordt begrepen’. Stilistisch onderscheidt Hummels zich vooral door overal waar dat mogelijk is te kiezen voor verkeerde voegwoorden. Ter illustratie de conclusie van hetzelfde stuk over Tex de Wit: ‘Ook thematisch zijn de verhaaltjes bij elkaar gezet, zodat dit boek je een paar uurtjes kan laten glimlachen.’ Oefenen thematische indelingen op de een of andere manier een sterke invloed uit op Hummels’ leestempo? Had hij deze bundel beduidend sneller of trager uitgelezen als de verhalen op alfabetische volgorde van hun titel hadden gestaan? Heeft Erik-Jan Hummels Ik heb een slimme droger überhaupt niet gelezen, maar wel twee uur zitten grijnzen omdat hij de inhoudsopgave zo guitig vond?

Afgelopen december bleek al deze onbenulligheid slechts een opwarmoefening voor Hummels’ recensie van Sylvia Plaths De glazen stolp. De inhoud van dat stuk kan kort worden samengevat: Erik-Jan Hummels begrijpt Sylvia Plath niet. De vorm kan alleen als een artistieke keuze worden besproken. Hummels sproeit als aanwijzingen voor zijn redeneertrant bedoelde voegwoorden als ‘echter’ en ‘vervolgens’ op volslagen onnodige plekken door zijn tekst als een sprinkler in een lek scheepsruim. Minder gul, maar des te exacter in achterlijkheid is het gebruik van de eerste persoon enkelvoud, precies op de plekken waar een volwassen recensent hem juist níet zou gebruiken. Als voorbeeld van Hummels bijzonder precieze puberstupiditeit is vooral de volgende zin uit zijn recensie van De glazen stolp onovertroffen. Omdat ik eerlijk gezegd ook weer niet wil hebben dat u bij het diagonaal lezen van deze tekst zou kunnen denken dat ik hem heb geschreven gaat hij in quarantaine tussen twee witregels:

‘Ze gaat praten met psychologen en krijgt van psychiaters elektroshocks, vooral die shocks krijg je als lezer goed mee.’

Zoals u ondertussen wel verwachtte geeft Erik-Jan bij dit statement geen enkele onderbouwing of uitleg. Waarom krijgt de lezer die elektroshocks ‘goed mee’? Zijn ze naturalistisch tot in detail beschreven? Gebruikt Plath overtuigende metaforen om een onbekende sensatie herkenbaar te maken? Zit er een buzzer in het boek die bij het omslaan van elke bladzijde waarop zo’n stroomstoot voorkomt direct 230 Volt door je lichaam jaagt?

Ook in deze zin is het echter niet de inhoud, maar de puberale stijl die met een weergaloze subtiliteit de hele alinea naar clearasil en energiedrank doet ruiken. Die komma. Hij klopt precies. Iedere andere manier om deze zin op te schrijven had volwassener geklonken; professioneler. Er had een punt kunnen staan. Erik-Jan had ‘en’ achter de komma kunnen schrijven. Hij koos voor de enige optie die hem niet vijftienjariger kon doen lijken.

Het is 2020, en Coen Peppelenbos kan voorspellen wat hij wil, Propria Cures is er nog. Wel, dat geef ik toe, zonder behoorlijk de laatste roddels voor u bij te houden. Om te lezen wat Johan Fretz zoal zegt over Angela de Jong kunt u beter bij Tzum zijn dan bij ons. Als u geïnteresseerd bent in zwaar gestileerde recensies, ogenschijnlijk geschreven door scholieren die hun eerste onzekere stappen zetten in het literaire veld, ook.

BN

Max Tailleur wist het al: wie niet huilen wil moet maar lachen. Ook als in uw onderbewustzijn ondertussen wordt gemultitaskt hoeft de rest van de wereld dan in ieder geval niet tegen uw doorgelopen mascara en overwerkte traanbuizen aan te kijken. In de Verenigde Staten heeft deze vorm van symptoombestrijding sinds de presidentsverkiezingen van 2016 een heropleving beleefd. Ook Dave Eggers besloot zich, in het onlangs in Nederlandse vertaling uitgekomen De kapitein en de Glory, aan de behandelwijze te wagen. Zijn poging tot lolligheidstherapie zet vooral aan tot janken.

Dave Eggers is al langer schrijver van de afgebakende maatschappijkritiek die semi-geëngageerde kinderboekenverdedigers graag lezen. De cirkel ging over computers, het dit jaar uitgekomen De parade over autoritarisme. Voor wie dat allemaal nog niet duidelijk genoeg was schreef Eggers met De kapitein en de Glory een persiflage op satire. Eerst pakte hij er een stapel nieuwsberichten van de afgelopen drie jaar bij; vervolgens begon hij te broeden op een allegorisch decor om die knipselmap in na te vertellen. Een dorp, bedrijf of woongroep zou niet genoeg metaforische mogelijkheden opleveren, een boerderij zou in een plagiaatzaak tegen de erven Orwell geen stand houden, en dus kwam Eggers – Colijn, Mao, en Verdonk gingen hem voor – op het idee de natiestaat weer te geven als schip. Het resultaat had beter een matige spotprent kunnen zijn dan een boek. Eggers’ De kapitein en de Glory kost een tientje, en heeft minder inhoud dan een boekenbon die hetzelfde bedrag vertegenwoordigt.

Kapitein Eggers in strijd met zijn innerlijke bierkaai.

Waarom Eggers dacht zijn maatschappijleerpresentatie als allegorie op te moeten tuigen wordt nergens duidelijk. Hier en daar zet Eggers zijn verhaal wat aan en wordt eens een stumper overboord gesodemieterd, maar op een inzicht dat niet uit het achtuurjournaal is te vissen lijkt de auteur ook in die overdrijving niet te betrappen. De kapitein en de Glory biedt geen enkele zinnige duiding aan iemand die de Amerikaanse politiek de afgelopen drie jaar niet heeft gevolgd. Voor wie dat wel heeft gedaan is het boek een potje memorie zonder tegenstander.

Achter Eggers’ ogenschijnlijke inhoudsloosheid gaan natuurlijk wel overtuigingen schuil. De verkozen kapitein is ongeschikt omdat hij niet genoeg weet van scheepvaart (lees: politiek is een kwestie van de juiste zeilen bijzetten op het juiste moment en overtuigingen zijn daarbij maar onhandig), Poetin speelt een rol als enterende piraat (lees: reflectie op het Amerikaanse politieke systeem is niet nodig want alles is de schuld van de grote boze Rus), en het meest schadelijke gevolg van de geschetste institutionele muiterij is een verlies van de waardigheid die schip en eerdere kapiteins bezaten (lees: het maakt niet uit hoeveel oorlogsmisdaden een Amerikaanse president begaat: als zijn haar maar goed zit).

Dergelijke ideologiekritiek weet een beetje student Cultural Analysis ook uit de Allerhande te peuren. Denkt u dus vooral niet dat er iets in De kapitein en de Glory te vinden is dat u nergens anders vandaan kan halen. Eggers zelf vindt dat hij, dankzij het dunne laagje matrozenproza dat zijn boek van de werkelijkheid scheidt, een nautische parabel voor de eeuwigheid heeft geschreven. Wie een lange zeereis voor de boeg heeft kan echter beter niet De kapitein en de Glory meenemen: het boek verziekt vanwege zijn beperkte houdbaarheid al binnen een week de lucht in het kombuis en leidt bij inname slechts tot intellectuele scheurbuik.

Dave Eggers’ De kapitein en de Glory is tegelijkertijd compleet verstoken van subtiliteit en volstrekt tandeloos, even banaal als schijnheilig; stompzinnig als betweterig; kinderachtig als pompeus. Eggers weet het slechtste van twee uitersten te verenigen en zowel ongeïnspireerd de werkelijkheid over te schrijven als hysterisch uit diezelfde werkelijkheid te vluchten in een metaforisch kutsprookje. In interviews benadrukt Eggers – ondanks de eeuwigheidswaarde die hij aan zijn eigen boek toekent – graag dat schepen vanzelf hun koers wel weer herstellen. Als meer van dit soort zaadloze zeemansverhalen daarmee kunnen worden voorkomen is slechts te hopen dat het schip samen met zijn kapitein vergaat.

BN

Dave Eggers, De kapitein en de Glory. Lebowski, € 9,99

Volgens zijn uitgeverij Ambo|Anthos is Leo Blokhuis een ‘geboren verteller’. Weinig verrassend: als het om verhalende capaciteiten gaat geloven publiciteitsmedewerkers niet in nurture. U kunt natuurlijk bevragen of ‘vertellen’ überhaupt is wat een roman behoort te doen. Dat terzijde: Leo Blokhuis is helemaal geen verteller. Leo Blokhuis is een uitlegger. Om daar achter te komen hoeft u slechts het eerste hoofdstuk van Blokhuis’ debuutroman Blauwe zomer te lezen – of deze korte recensie, en die tweede optie raad ik u aan.

Een favoriet van de ‘geboren verteller’ is het ‘sprekende detail’, en ook Blokhuis steekt observaties in zijn verhaal die daarvoor door moeten gaan. Blauwe zomer begint met een autorit door Soerabaja, en iedereen die over Indonesië schrijft weet waar hij dan de sprekende details vandaan moet halen: uit zijn neus. Leo’s hoofdpersonage ruikt de ‘zoete geur van de bloeiende melati’ die zich mengt met de lucht van ‘een vleug kruidig eten afkomstig van het karretje aan de stoeprand’. Niet veel later walmen in zijn gedachten ‘orchideeën die aan de rand van de veranda hingen’ en ‘de papajabomen in de tuin’. De taxi ruikt, iets minder oriëntalistisch, ‘naar luchtverfrisser en een beetje sigarettenrook.’ O, die heerlijke Indische geuren.

Ook een vertellersliefhebber die zich aan dat hysterische tropengesnuffel niet stoort loopt al snel tegen andere gruwelen aan die duidelijk maken dat Blokhuis hoogstens achter een lessenaar hoort, maar in ieder geval niet in een fonds Nederlandstalige fictie. Neem de volgende twee zinnen: ‘De brede Coen Boulevard heet nu Jalan Dr. Soetomo, ziet hij. Hij was een van de architecten van de Indonesische nationalistische beweging.’ Zulk spreekbeurtenproza hoort zelfs in een lesmethode voor het middelbaar onderwijs niet langs een redacteur te komen.

Het kan altijd erger, want even later krijgt de lezer een koppel bijzinnen te verwerken dat informatie overdraagt met de subtiliteit van een paspoort: ‘In een donkere ruit ziet hij de weerspiegeling van zichzelf, Chris Buisman, vijfenzestig jaar oud.’ Als dit het werk is van een ‘geboren verteller’ kan het bevolkingsregister ook meteen tot simultaneïstisch meesterwerk worden benoemd. Mocht het determinisme dat de publiciteitsafdelingen van Nederlandse uitgevers in zijn greep houdt door de wetenschap worden bevestigd en bestaat er daadwerkelijk een vertel-gen, dan heeft Leo Blokhuis het niet geërfd.

BN

Leo Blokhuis, Blauwe zomer. Ambo|Anthos, €21,99

U zou kunnen denken dat mensen die succes behalen op het internet naar boeken kijken als klimaatactivisten naar bruinkool. Dat is niet zo. Britse wetten worden, omdat dat ze een zekere autoriteit verleent, nog steeds op perkament geschreven, en internetbekendheden brengen allemaal vroeg of laat een boek uit. Dat geeft tastbaarheid aan de roem, en bovendien kan er door verschillende partijen geld aan worden verdiend. Het laatste product van dit gegeven werd onlangs uitgebracht door Het Spectrum, waar de mensen achter RUMAG een papieren geesteskindje mochten baren. Dat kindje, de RUMAG.BIJBEL, had beter na de twintigwekenecho geaborteerd kunnen worden. Liefst met moeder erbij.

Het onderscheidende aspect van RUMAG bestaat uit de vorm van de korte teksten die het platform op sociale media plaatst. In plaats van normale spatiëring te hanteren wordt in die slagkreten tussen elke twee woorden een punt gezet. Of het nu over seks of drank gaat, of een bericht betreft ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een vliegramp, alles wordt bij RUMAG in die staccato vorm gegoten.

Afgelopen februari werd, in datzelfde achterlijke format, een elders in het Engels al gemaakte grap over tienerzwangerschappen herhaald. Op zichzelf geen nieuwswaardige gebeurtenis, want grappendiefstal en in harkerige anglicismen verwoorde vertalingen zijn de twee zuilen waar de RUMAG-architraaf op rust. Toch wist de grap vanwege vermeend seksisme reuring te veroorzaken, en bij RUMAG greep men met beide handen – het stelen van grappen wordt vooralsnog niet volgens de Sharia bestraft – de geboden kans aan. In een statement werd trots geschreven over ‘een duidelijke rode draad’ in RUMAG-content van ‘het iemand willen aaien met een kettingzaag’ en ‘het willen vergiftigen van je ex zijn hond.’ ‘En dat’, vond men bij RUMAG, ‘is precies waarom jullie ons volgen. Jullie schijnheilige motherfuckers. Moraalridders. Schapen.’ De reactie had in ieder geval het gewenste effect bij Bert Brussen, die RUMAG subiet prees als ‘een bazenmerk dat wél een ruggengraat en ballen heeft’.

Het RUMAG-universum is nu dus uitgebreid met een boek, maar achter de spatieloze teksten schuilen al langer pogingen tot het opbouwen van een media-imperium. Een ‘lifestylemerk’ noemen ze zichzelf bij RUMAG. Zo’n buzzword zou u misschien niet verwachten van het ‘bazenmerk’, maar het omschrijft de kliek beter dan haar feministische criticasters. Wie zonder voorkennis op rumag.nl belandt zou vermoeden dat de site het hobbywerkje is van een elfjarige autist die zo’n fan is van Vice dat hij de site in zijn vrije tijd heeft proberen na te bouwen.

Ongeveer de helft van de ‘stukken’ op rumag.nl wordt geschreven door redactrice Stefanie Koorneef. Zo fabriceerde Stefanie bijvoorbeeld het ‘lijstje met dingen die gewoon fucking irritant zijn aan influencers’; op dit moment het eerste artikel dat bezoekers van de site zien. Ze droeg dat werkje op aan ‘iedereen die de influencer ook zat is’, en zal dus zelf ook ergens wel doorhebben hoe uitgekauwd de oefening was. Goed, zo’n zouteloos discours schrijft ook zichzelf niet, en als toch iemand het moet doen, ja, waarom dan niet Stefanie Koorneef? Stefanie kan er echter beter wel voor zorgen dat, mocht ze nog eens schrijven over ‘nare wannabes die allemaal dezelfde foto’s hebben’, het duidelijk is dat haar eigen auteursportret niet meer bij het stuk hoort. Ik zou normaal gesproken nooit een vrouw slechts op haar uiterlijk beoordelen, maar in het geval van Stefanie Koorneef zou een verdere analyse van haar proza het er allemaal alleen maar erger op maken, dus Stefanie, bij dezen: een krappe zes en een half.

Samen met stagiaire Shannon Schippers – die moeilijk op haar uiterlijk te beoordelen is; de kans lijkt mij klein dat ze er in het echt ook uitziet als de foutmelding bij een onbestaande URL – schrijft Stefanie rumag.nl vol met platgetreden observaties over winkelen, katten, relaties beëindigen en rode wijn drinken met je blonde besties. Bij RUMAG weet men dat schreeuwen aandacht oplevert, maar ook dat de grootste afzetmarkt van Nederland uiteindelijk gewoon bestaat uit timide burgertutjes.

Diezelfde doelgroep is ook de kurk waar de Nederlandse boekverkoop op drijft, en dus schoof de RUMAG.BIJBEL onlangs tussen Roxane van Iperen en Yuval Noah Harari aan als hoogst genoteerde binnenkomer in de bestseller top 60. Mijn recensie-exemplaar leek een minder succesvol lot beschoren. Het Chinese restaurant waar ik boven woon verdacht ik er al langer van met mijn post te sodemieteren, en ik had u dus willen waarschuwen dat u daar binnenkort een citaat uit de RUMAG.BIJBEL in uw gelukskoekje zou vinden. Dat zal niet gebeuren, want dit eerste exemplaar kwam later op een adres waar PC twee verhuizingen geleden bivakkeerde boven water. Al voor dat gebeurde bleek Het Spectrum beter in het faciliteren van veeleisende recensenten dan in het contracteren van auteurs met scheppend vermogen, en werd een tweede exemplaar mijn kant op gestuurd, dat wel zonder problemen aankwam. Ondertussen is door een volgend misverstand ook een derde boek onderweg naar mijn huis, en tegen de tijd dat u deze tekst leest hebben mijn huisgenoten dus allemaal een RUMAG.BIJBEL in hun nachtkastje liggen. Laat ik daarom beginnen door iets positiefs te zeggen over die aardige mensen van uitgeverij Het Spectrum. Op de omslag van de RUMAG.BIJBEL belooft een ondertitel dat het boek antwoord geeft ‘OP.AL.JE.KUTVRAGEN’. Fijn dat iemand tijdens het redigeren doorhad dat ‘kutvragen’ aan elkaar wordt geschreven. Online is dat de mensen van RUMAG nog nooit gelukt.

 Wie de RUMAG.BIJBEL openslaat merkt dat het boek aansluit bij alles dat u inmiddels over de auteurs weet. De lezer wordt opgedragen een vraag te verzinnen, het boek vervolgens op een willekeurige pagina te openen, en daar een korte tekst te lezen die als antwoord moet worden geïnterpreteerd. Dat idee is gejat. Er zullen ongetwijfeld meer mensen zijn die iets soortgelijks bedacht of uitgevoerd hebben, maar de bekendste is waarschijnlijk Carol Bolt, die een hele serie van dergelijke boeken op haar naam heeft staan. Waar de cryptische antwoorden van Bolt hier en daar als komisch kunnen worden gezien, is de RUMAG.BIJBEL dat niet. Enkele antwoorden proberen, zoals u ondertussen wel verwacht had, aanstootgevend te zijn: ‘GOOI.EEN.STEEN.DOOR.DE.AUTORUIT.VAN.JE.EX.’ Het grootste deel bestaat echter uit advies dat u ook had gekregen als u in 2010 een vraag had gesteld op het forum van Girlscene: ‘LET.EEN.BEETJE.OP.JEZELF.’ ‘SAMEN.YOGA.DOEN.’ ‘STOP.JEZELF.MET.ANDEREN.TE.VERGELIJKEN.’ U begrijpt waarom het jatten van andermans grappen of interactieve publicatievormen voor de mensen van RUMAG noodzakelijk is: de gedachten die uit hun eigen beperkte geest ontspruiten kunnen onmogelijk choqueren of inspireren.

In de kritiek op influencers die ik eerder in dit stuk aanhaalde werd die groep vergeleken met processierupsen. Overeenkomsten: ‘Het is een plaag en ze geven je jeuk.’ Een volksdeel vergelijken met een ongedierteplaag; dat is volgens sommigen een wat beladen stilistische keuze. Het is natuurlijk vooral lui, want die metafoor kan bij het bespreken van elk populair cultuurverschijnsel gebruikt worden. Laat ik zelf specifieker zijn. RUMAG is een kroket die een half uur te lang in de friteuse heeft gelegen: van buiten duister en hard, van binnen, op de half verdampte resten van wat weeïge meuk na, leeg.

BN

 DE RUMAG.BIJBEL. Uitgeverij Het Spectrum, €12,99

Archief