BN

Max Tailleur wist het al: wie niet huilen wil moet maar lachen. Ook als in uw onderbewustzijn ondertussen wordt gemultitaskt hoeft de rest van de wereld dan in ieder geval niet tegen uw doorgelopen mascara en overwerkte traanbuizen aan te kijken. In de Verenigde Staten heeft deze vorm van symptoombestrijding sinds de presidentsverkiezingen van 2016 een heropleving beleefd. Ook Dave Eggers besloot zich, in het onlangs in Nederlandse vertaling uitgekomen De kapitein en de Glory, aan de behandelwijze te wagen. Zijn poging tot lolligheidstherapie zet vooral aan tot janken.

Dave Eggers is al langer schrijver van de afgebakende maatschappijkritiek die semi-geëngageerde kinderboekenverdedigers graag lezen. De cirkel ging over computers, het dit jaar uitgekomen De parade over autoritarisme. Voor wie dat allemaal nog niet duidelijk genoeg was schreef Eggers met De kapitein en de Glory een persiflage op satire. Eerst pakte hij er een stapel nieuwsberichten van de afgelopen drie jaar bij; vervolgens begon hij te broeden op een allegorisch decor om die knipselmap in na te vertellen. Een dorp, bedrijf of woongroep zou niet genoeg metaforische mogelijkheden opleveren, een boerderij zou in een plagiaatzaak tegen de erven Orwell geen stand houden, en dus kwam Eggers – Colijn, Mao, en Verdonk gingen hem voor – op het idee de natiestaat weer te geven als schip. Het resultaat had beter een matige spotprent kunnen zijn dan een boek. Eggers’ De kapitein en de Glory kost een tientje, en heeft minder inhoud dan een boekenbon die hetzelfde bedrag vertegenwoordigt.

Kapitein Eggers in strijd met zijn innerlijke bierkaai.

Waarom Eggers dacht zijn maatschappijleerpresentatie als allegorie op te moeten tuigen wordt nergens duidelijk. Hier en daar zet Eggers zijn verhaal wat aan en wordt eens een stumper overboord gesodemieterd, maar op een inzicht dat niet uit het achtuurjournaal is te vissen lijkt de auteur ook in die overdrijving niet te betrappen. De kapitein en de Glory biedt geen enkele zinnige duiding aan iemand die de Amerikaanse politiek de afgelopen drie jaar niet heeft gevolgd. Voor wie dat wel heeft gedaan is het boek een potje memorie zonder tegenstander.

Achter Eggers’ ogenschijnlijke inhoudsloosheid gaan natuurlijk wel overtuigingen schuil. De verkozen kapitein is ongeschikt omdat hij niet genoeg weet van scheepvaart (lees: politiek is een kwestie van de juiste zeilen bijzetten op het juiste moment en overtuigingen zijn daarbij maar onhandig), Poetin speelt een rol als enterende piraat (lees: reflectie op het Amerikaanse politieke systeem is niet nodig want alles is de schuld van de grote boze Rus), en het meest schadelijke gevolg van de geschetste institutionele muiterij is een verlies van de waardigheid die schip en eerdere kapiteins bezaten (lees: het maakt niet uit hoeveel oorlogsmisdaden een Amerikaanse president begaat: als zijn haar maar goed zit).

Dergelijke ideologiekritiek weet een beetje student Cultural Analysis ook uit de Allerhande te peuren. Denkt u dus vooral niet dat er iets in De kapitein en de Glory te vinden is dat u nergens anders vandaan kan halen. Eggers zelf vindt dat hij, dankzij het dunne laagje matrozenproza dat zijn boek van de werkelijkheid scheidt, een nautische parabel voor de eeuwigheid heeft geschreven. Wie een lange zeereis voor de boeg heeft kan echter beter niet De kapitein en de Glory meenemen: het boek verziekt vanwege zijn beperkte houdbaarheid al binnen een week de lucht in het kombuis en leidt bij inname slechts tot intellectuele scheurbuik.

Dave Eggers’ De kapitein en de Glory is tegelijkertijd compleet verstoken van subtiliteit en volstrekt tandeloos, even banaal als schijnheilig; stompzinnig als betweterig; kinderachtig als pompeus. Eggers weet het slechtste van twee uitersten te verenigen en zowel ongeïnspireerd de werkelijkheid over te schrijven als hysterisch uit diezelfde werkelijkheid te vluchten in een metaforisch kutsprookje. In interviews benadrukt Eggers – ondanks de eeuwigheidswaarde die hij aan zijn eigen boek toekent – graag dat schepen vanzelf hun koers wel weer herstellen. Als meer van dit soort zaadloze zeemansverhalen daarmee kunnen worden voorkomen is slechts te hopen dat het schip samen met zijn kapitein vergaat.

BN

Dave Eggers, De kapitein en de Glory. Lebowski, € 9,99

Volgens zijn uitgeverij Ambo|Anthos is Leo Blokhuis een ‘geboren verteller’. Weinig verrassend: als het om verhalende capaciteiten gaat geloven publiciteitsmedewerkers niet in nurture. U kunt natuurlijk bevragen of ‘vertellen’ überhaupt is wat een roman behoort te doen. Dat terzijde: Leo Blokhuis is helemaal geen verteller. Leo Blokhuis is een uitlegger. Om daar achter te komen hoeft u slechts het eerste hoofdstuk van Blokhuis’ debuutroman Blauwe zomer te lezen – of deze korte recensie, en die tweede optie raad ik u aan.

Een favoriet van de ‘geboren verteller’ is het ‘sprekende detail’, en ook Blokhuis steekt observaties in zijn verhaal die daarvoor door moeten gaan. Blauwe zomer begint met een autorit door Soerabaja, en iedereen die over Indonesië schrijft weet waar hij dan de sprekende details vandaan moet halen: uit zijn neus. Leo’s hoofdpersonage ruikt de ‘zoete geur van de bloeiende melati’ die zich mengt met de lucht van ‘een vleug kruidig eten afkomstig van het karretje aan de stoeprand’. Niet veel later walmen in zijn gedachten ‘orchideeën die aan de rand van de veranda hingen’ en ‘de papajabomen in de tuin’. De taxi ruikt, iets minder oriëntalistisch, ‘naar luchtverfrisser en een beetje sigarettenrook.’ O, die heerlijke Indische geuren.

Ook een vertellersliefhebber die zich aan dat hysterische tropengesnuffel niet stoort loopt al snel tegen andere gruwelen aan die duidelijk maken dat Blokhuis hoogstens achter een lessenaar hoort, maar in ieder geval niet in een fonds Nederlandstalige fictie. Neem de volgende twee zinnen: ‘De brede Coen Boulevard heet nu Jalan Dr. Soetomo, ziet hij. Hij was een van de architecten van de Indonesische nationalistische beweging.’ Zulk spreekbeurtenproza hoort zelfs in een lesmethode voor het middelbaar onderwijs niet langs een redacteur te komen.

Het kan altijd erger, want even later krijgt de lezer een koppel bijzinnen te verwerken dat informatie overdraagt met de subtiliteit van een paspoort: ‘In een donkere ruit ziet hij de weerspiegeling van zichzelf, Chris Buisman, vijfenzestig jaar oud.’ Als dit het werk is van een ‘geboren verteller’ kan het bevolkingsregister ook meteen tot simultaneïstisch meesterwerk worden benoemd. Mocht het determinisme dat de publiciteitsafdelingen van Nederlandse uitgevers in zijn greep houdt door de wetenschap worden bevestigd en bestaat er daadwerkelijk een vertel-gen, dan heeft Leo Blokhuis het niet geërfd.

BN

Leo Blokhuis, Blauwe zomer. Ambo|Anthos, €21,99

U zou kunnen denken dat mensen die succes behalen op het internet naar boeken kijken als klimaatactivisten naar bruinkool. Dat is niet zo. Britse wetten worden, omdat dat ze een zekere autoriteit verleent, nog steeds op perkament geschreven, en internetbekendheden brengen allemaal vroeg of laat een boek uit. Dat geeft tastbaarheid aan de roem, en bovendien kan er door verschillende partijen geld aan worden verdiend. Het laatste product van dit gegeven werd onlangs uitgebracht door Het Spectrum, waar de mensen achter RUMAG een papieren geesteskindje mochten baren. Dat kindje, de RUMAG.BIJBEL, had beter na de twintigwekenecho geaborteerd kunnen worden. Liefst met moeder erbij.

Het onderscheidende aspect van RUMAG bestaat uit de vorm van de korte teksten die het platform op sociale media plaatst. In plaats van normale spatiëring te hanteren wordt in die slagkreten tussen elke twee woorden een punt gezet. Of het nu over seks of drank gaat, of een bericht betreft ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een vliegramp, alles wordt bij RUMAG in die staccato vorm gegoten.

Afgelopen februari werd, in datzelfde achterlijke format, een elders in het Engels al gemaakte grap over tienerzwangerschappen herhaald. Op zichzelf geen nieuwswaardige gebeurtenis, want grappendiefstal en in harkerige anglicismen verwoorde vertalingen zijn de twee zuilen waar de RUMAG-architraaf op rust. Toch wist de grap vanwege vermeend seksisme reuring te veroorzaken, en bij RUMAG greep men met beide handen – het stelen van grappen wordt vooralsnog niet volgens de Sharia bestraft – de geboden kans aan. In een statement werd trots geschreven over ‘een duidelijke rode draad’ in RUMAG-content van ‘het iemand willen aaien met een kettingzaag’ en ‘het willen vergiftigen van je ex zijn hond.’ ‘En dat’, vond men bij RUMAG, ‘is precies waarom jullie ons volgen. Jullie schijnheilige motherfuckers. Moraalridders. Schapen.’ De reactie had in ieder geval het gewenste effect bij Bert Brussen, die RUMAG subiet prees als ‘een bazenmerk dat wél een ruggengraat en ballen heeft’.

Het RUMAG-universum is nu dus uitgebreid met een boek, maar achter de spatieloze teksten schuilen al langer pogingen tot het opbouwen van een media-imperium. Een ‘lifestylemerk’ noemen ze zichzelf bij RUMAG. Zo’n buzzword zou u misschien niet verwachten van het ‘bazenmerk’, maar het omschrijft de kliek beter dan haar feministische criticasters. Wie zonder voorkennis op rumag.nl belandt zou vermoeden dat de site het hobbywerkje is van een elfjarige autist die zo’n fan is van Vice dat hij de site in zijn vrije tijd heeft proberen na te bouwen.

Ongeveer de helft van de ‘stukken’ op rumag.nl wordt geschreven door redactrice Stefanie Koorneef. Zo fabriceerde Stefanie bijvoorbeeld het ‘lijstje met dingen die gewoon fucking irritant zijn aan influencers’; op dit moment het eerste artikel dat bezoekers van de site zien. Ze droeg dat werkje op aan ‘iedereen die de influencer ook zat is’, en zal dus zelf ook ergens wel doorhebben hoe uitgekauwd de oefening was. Goed, zo’n zouteloos discours schrijft ook zichzelf niet, en als toch iemand het moet doen, ja, waarom dan niet Stefanie Koorneef? Stefanie kan er echter beter wel voor zorgen dat, mocht ze nog eens schrijven over ‘nare wannabes die allemaal dezelfde foto’s hebben’, het duidelijk is dat haar eigen auteursportret niet meer bij het stuk hoort. Ik zou normaal gesproken nooit een vrouw slechts op haar uiterlijk beoordelen, maar in het geval van Stefanie Koorneef zou een verdere analyse van haar proza het er allemaal alleen maar erger op maken, dus Stefanie, bij dezen: een krappe zes en een half.

Samen met stagiaire Shannon Schippers – die moeilijk op haar uiterlijk te beoordelen is; de kans lijkt mij klein dat ze er in het echt ook uitziet als de foutmelding bij een onbestaande URL – schrijft Stefanie rumag.nl vol met platgetreden observaties over winkelen, katten, relaties beëindigen en rode wijn drinken met je blonde besties. Bij RUMAG weet men dat schreeuwen aandacht oplevert, maar ook dat de grootste afzetmarkt van Nederland uiteindelijk gewoon bestaat uit timide burgertutjes.

Diezelfde doelgroep is ook de kurk waar de Nederlandse boekverkoop op drijft, en dus schoof de RUMAG.BIJBEL onlangs tussen Roxane van Iperen en Yuval Noah Harari aan als hoogst genoteerde binnenkomer in de bestseller top 60. Mijn recensie-exemplaar leek een minder succesvol lot beschoren. Het Chinese restaurant waar ik boven woon verdacht ik er al langer van met mijn post te sodemieteren, en ik had u dus willen waarschuwen dat u daar binnenkort een citaat uit de RUMAG.BIJBEL in uw gelukskoekje zou vinden. Dat zal niet gebeuren, want dit eerste exemplaar kwam later op een adres waar PC twee verhuizingen geleden bivakkeerde boven water. Al voor dat gebeurde bleek Het Spectrum beter in het faciliteren van veeleisende recensenten dan in het contracteren van auteurs met scheppend vermogen, en werd een tweede exemplaar mijn kant op gestuurd, dat wel zonder problemen aankwam. Ondertussen is door een volgend misverstand ook een derde boek onderweg naar mijn huis, en tegen de tijd dat u deze tekst leest hebben mijn huisgenoten dus allemaal een RUMAG.BIJBEL in hun nachtkastje liggen. Laat ik daarom beginnen door iets positiefs te zeggen over die aardige mensen van uitgeverij Het Spectrum. Op de omslag van de RUMAG.BIJBEL belooft een ondertitel dat het boek antwoord geeft ‘OP.AL.JE.KUTVRAGEN’. Fijn dat iemand tijdens het redigeren doorhad dat ‘kutvragen’ aan elkaar wordt geschreven. Online is dat de mensen van RUMAG nog nooit gelukt.

 Wie de RUMAG.BIJBEL openslaat merkt dat het boek aansluit bij alles dat u inmiddels over de auteurs weet. De lezer wordt opgedragen een vraag te verzinnen, het boek vervolgens op een willekeurige pagina te openen, en daar een korte tekst te lezen die als antwoord moet worden geïnterpreteerd. Dat idee is gejat. Er zullen ongetwijfeld meer mensen zijn die iets soortgelijks bedacht of uitgevoerd hebben, maar de bekendste is waarschijnlijk Carol Bolt, die een hele serie van dergelijke boeken op haar naam heeft staan. Waar de cryptische antwoorden van Bolt hier en daar als komisch kunnen worden gezien, is de RUMAG.BIJBEL dat niet. Enkele antwoorden proberen, zoals u ondertussen wel verwacht had, aanstootgevend te zijn: ‘GOOI.EEN.STEEN.DOOR.DE.AUTORUIT.VAN.JE.EX.’ Het grootste deel bestaat echter uit advies dat u ook had gekregen als u in 2010 een vraag had gesteld op het forum van Girlscene: ‘LET.EEN.BEETJE.OP.JEZELF.’ ‘SAMEN.YOGA.DOEN.’ ‘STOP.JEZELF.MET.ANDEREN.TE.VERGELIJKEN.’ U begrijpt waarom het jatten van andermans grappen of interactieve publicatievormen voor de mensen van RUMAG noodzakelijk is: de gedachten die uit hun eigen beperkte geest ontspruiten kunnen onmogelijk choqueren of inspireren.

In de kritiek op influencers die ik eerder in dit stuk aanhaalde werd die groep vergeleken met processierupsen. Overeenkomsten: ‘Het is een plaag en ze geven je jeuk.’ Een volksdeel vergelijken met een ongedierteplaag; dat is volgens sommigen een wat beladen stilistische keuze. Het is natuurlijk vooral lui, want die metafoor kan bij het bespreken van elk populair cultuurverschijnsel gebruikt worden. Laat ik zelf specifieker zijn. RUMAG is een kroket die een half uur te lang in de friteuse heeft gelegen: van buiten duister en hard, van binnen, op de half verdampte resten van wat weeïge meuk na, leeg.

BN

 DE RUMAG.BIJBEL. Uitgeverij Het Spectrum, €12,99

Mensen die niet weten wat ze met hun tegenstrijdigheden aan moeten kunnen daar op heel wat verschillende manieren mee omgaan. Ze kunnen zich allereerst natuurlijk gewoon bedrinken om de hele teringzooi te vergeten, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Een serie schizofrene identiteiten aannemen, bijvoorbeeld, en die voor elkaar en de buitenwereld verbergen achter lawaai en praatjes. Dit zijn niet de openingszinnen van mijn autobiografie. Dit is een stuk over voormalig GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil.

Özdil zag zichzelf graag als een van de meer activistische leden van de Tweede Kamer. Dat ging hem niet bijzonder vlot af. Ik was ooit aanwezig bij een van zijn pogingen om politiek betrokken studenten te imponeren. Daar stond hij dan, met de spreektoeter in zijn handen. Om de zin laste hij een pauze in, bedoeld om ruimte te bieden aan een gejoel dat maar niet wilde komen. Om zijn toneel ook voor de doven onder ons van spektakel te voorzien eindigde hij door heel demonstratief en schlemielig een of ander wetsvoorstel doormidden te scheuren. Geen hond die het wat kon schelen. Het was voor iedereen duidelijk dat Zihni dezelfde ochtend voor z’n spiegel had staan oefenen hoe zo’n papiertje nou een beetje theatraal in tweeën ging.

Foto’s van Zihni’s toespraak werden door de aanwezige GroenLinks-medewerkers – toen nog gehoorzaam aan Zihni’s grillen – gemaakt vanuit een intimiderend kikvorsperspectief, en zijn vervolgens zo afgesneden dat het er in ieder geval op Instagram uit moet hebben gezien alsof een Turkse Troelstra woedende volksmeuten had opgezweept. Het is een imago dat Özdil enthousiast probeerde te cultiveren: dat van een maverick binnen de GroenLinks-fractie; een ruwe bonk die vanwege zijn onorthodoxe methodes constant overhoop lag met zijn leidinggevenden. ‘Maar ja, we kunnen niet zonder Zihni,’ fluisterden zij in deze fantasie vervolgens tegen elkaar, wanneer ze dachten dat Özdil hen niet hoorde. ‘He gets the job done.’ Dat hij uiteindelijk vanwege een vertrouwensbreuk uit de fractie werd gewipt moet een diep gekoesterde wens zijn geweest die na jaren in vervulling ging. ‘Your licence to kill is revoked, Özdil.’ Hij had het Jesse in zijn dromen al zo vaak horen zeggen.

De laatste keer dat Zihni voor losgeslagen projectiel mocht spelen was niet lang voor zijn afscheid, in SPUI25. Dat deed hij toen onder andere door gebruik te maken van de eerste vluchtroute die ik zojuist noemde en zich te bezatten, maar daar wordt hij door mij, in tegenstelling tot zijn fractiegenoten, niet op afgerekend. Het lijkt me de meest menselijke en herkenbare manier waarop zijn onzekerheid zich manifesteert. Enfin, Özdil mocht daarnaast ook weer spelen dat hij volksmassa’s aanzette tot een bestorming van het Winterpaleis. Hij was niet mild. Marktwerking in het hoger onderwijs had geleid tot ‘al de problemen, al het gezeik, alle tyfuszooi waar we nu mee te maken hebben.’

De volgende morgen zal Özdil met een kater wakker zijn geworden. Nogmaals, dat is niet mijn probleem. Voor dit kankertranendal vluchten in de drank is volkomen herkenbaar. Sommigen doen dat bij een debatavond, andere mensen komen thuis uit het café en draaien om drie uur ’s nachts vier keer achter elkaar River van Joni Mitchell op vol volume. Terug naar mijn punt: ik begrijp Zihni. Waar de meesten onder ons echter vooral de ochtend na zo’n gelag weer heel anders denken over de voorgaande avond – River is een heel mooi nummer, maar moet het echt zo hard worden meegeblèrd dat het hele huis wakker wordt? – slingerde Zihni’s identiteit permanent op een vergelijkbare manier heen en weer.

Zodra de woede die hij zo graag aan zou willen wakkeren resultaten begon te sorteren ontwaakte namelijk een andere Özdil. Wanneer er geklapt moest worden voor de verkiezingsoverwinning van een tegenstander stond Zihni pal vooraan blij zijn knuistjes tegen elkaar te rammen. Wanneer iemand een ander verantwoordelijk stelde voor het beleid waar ook Zihni Özdil zo graag tegen ageerde, wist hij niet snel genoeg onder hoeveel beschaving en vijandenliefde hij zich moest verschuilen. Dan stond hij de mensen waar hij iets eerder nog tegen fulmineerde opeens innig te knuffelen, en als iemand van zo’n actie iets zei verdwenen de scheldwoorden plots uit Zihni’s vocabulaire en kon hij alleen nog maar het vrije en onbegrensde debat in de meest dociele termen verdedigen. Dan vergat Özdil opeens weer dat hij zelf ook om het ontslag van mensen die hij niet mocht had staan roepen, en verwijderde hij de stukken die hij daarover had geschreven snel van het internet.  

Dat er verschil bestaat tussen iedereen met een mening die u niet bevalt de hersens intimmeren, en slijmerig de erkenning nastreven van elke tegenstander, daar wilde Özdil dan niet meer aan. Of dat woede niet alleen een voorstelling is, maar dat sommige mensen écht boos zijn. Voor Zihni waren zulke emoties slechts wenselijk zolang ze werden gesublimeerd in waardering voor Zihni. Nu hij zijn zetel braaf aan de partij teruggeeft – een laatste daad die laat zien dat Zihni helemaal niet de eigenwijze eenling is die hij graag portretteerde – zal hij de komende periode redelijk wat tijd om handen hebben. Als ik Zihni Özdil één advies mag geven is het dat hij vooral lekker door moet gaan met drinken. Hopelijk weet het de schizofrene praatjes en eventuele andere overlevingsmechanismen te vervangen. En als hij dan toch per se een keer lawaai wil maken zet hij maar gewoon net als de rest van ons Joni Mitchell op.

BN

Geen kunstvorm die de mensheid heeft bedacht wordt niet ook in België beoefend. Belgen schreven grote romans en zongen het levenslied. Al lang voordat het postmodernisme aansloeg in de architectuur had de belabberde ruimtelijke ordening in Belgische steden resultaten geboekt waar Rem Koolhaas alleen jaloers op kan zijn. Ook aforismen worden niet slechts geschreven door Britse dandy’s of Franse filosofen. Zo was het de Vlaamse Karel Jonckheere die het genre omschreef als de ‘kortste bewering die aan het langste eind wil trekken.’ Als er één Belg is die dat tegenwoordig laat zien, is het Rik Torfs.

Tot enkele jaren geleden was Torfs, hoogleraar kerkelijk recht, rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Na verkiezingen onder personeel en studenten werd hij in 2013, door een meerderheid te behalen bij die tweede groep, verkozen. Ik begrijp niet dat daar door minder democratisch aan de macht gekomen universiteitsbestuurders nauwelijks gebruik van is gemaakt. Niet alleen omdat Torfs eruitziet als een morsige priester. Het beste argument tegen democratisering van het hoger onderwijs is vijf minuten aforismen van Rik Torfs te lezen.

Torfs’ leven is één lange poging zoveel mogelijk citeerbare uitspraken te doen. Zo nu en dan schrijft hij ook langere teksten, maar het liefst overstelpt hij het internet met puntige spreuken. Waarschijnlijk houdt hij niet op totdat hij voor elke denkbare halfbakken scriptie een motto heeft geleverd; voor iedere mogelijke rouwkaart of bruiloftsuitnodiging prêt-à-citer content heeft gecreëerd.

Al Torfs’ aforismen catalogiseren is een vrijwel onmogelijke taak. Toch zou ik ze, grofweg, in drie categorieën in willen delen. Allereerst zijn er de simpele soundbites. Dat zijn slagzinnen als ‘Radijsjes en bloemkolen in dezelfde dipsaus. Komt dat ooit goed?’ Binnen deze groep is er de subcategorie van banaliteiten die zich onderscheiden door hun onvervalste Vlaamsheid. Daarbinnen vallen bijvoorbeeld het wegdromen in de pauze tijdens een concert van de fanfare – ‘prachtig moment waarop schijnbaar niets gebeurt’ – of formulaire sportjournalistiek: ‘De winnaar van de Ronde van Vlaanderen is elk jaar weer het prachtige landschap.’

Naast deze spielerei zijn er Torfs’ meer prangend en politiek bedoelde wijsheden. Die krijgen het eveneens vaak voor elkaar een gemeenplaats uit te spreken, en zijn daarnaast meestal ook nog eens aantoonbaar onwaar. De volgende, bijvoorbeeld: ‘Wat waarheid is, heeft geen geweld nodig. Wie een aanslag pleegt, bewijst zijn eigen ongelijk.’

Oscar Wilde, die al even citaatgeil was als Rik Torfs, schreef ooit iets vergelijkbaars: ‘Iets is niet per se waar omdat iemand is gestorven om het te realiseren.’ Ook een open deur, maar in ieder geval wel juist. Torfs, die graag de indruk probeert te wekken over diepe bronnen van onvermoede nuance te beschikken, wil hier stiekem toch stelliger zijn dan Wilde. Zo wordt hij meteen door een ellenlange geschiedenis van gerechtvaardigd geweld tegengesproken.

Een goed aforisme werkt hetzelfde als een goede beschuldiging van seksueel wangedrag: het hoeft niet onweerlegbaar te zijn, maar moet wel zo overkomen. Rik Torfs doet het tegenovergestelde. Wanneer Torfs claimt dat wie een aanslag pleegt zijn eigen ongelijk bewijst, doet dat mij het zelfmoordterrorisme van Jan van Speijk – die overigens ook heel spitsvondig kon zijn – alleen maar meer waarderen. Als zijn landgenoten enigszins op Torfs lijken zou ik ook liever de lucht in gaan dan een infame Brabander worden.

Niet alleen van geweld heeft Torfs een afkeer. Iedere vorm van emotionele betrokkenheid gaat hem in feite te ver: ‘Hoe kun je in een discussie gelijk hebben en toch boos worden? Is het dan zo erg om gelijk te hebben?’ Wie mijn beledigingen aan Torfs’ adres als woede wil interpreteren ziet dat hij ook hier weer onzin uitkraamt. Overigens zou ook Torfs daar, als hij zijn eigen beknopte bullen volgt, geen problemen mee moeten hebben: ‘Cynisme is zoals een pakje sigaretten. Wie eraan verslaafd is, moet je het gunnen.’

Die opmerking leidt me naar de derde categorie; de meest filosofische. Een onoplettende lezer zou in de uitspraken die tot deze soort behoren per ongeluk iets gevats of diepzinnigs kunnen menen te herkennen. In deze laatste groep benadert Torfs de vorm van het sterke citaat namelijk het dichtst. Het is helaas de inhoud die achterblijft. Veel pakkende aforismen klinken paradoxaal. Veel achterlijke prietpraat ook. De grens tussen vaagheden en intelligente observaties is alleen helemaal niet zo ondefinieerbaar als sommige onbenullen denken. Tussen de twee ligt een uitgestrekt niemandsland, en Rik Torfs weet het nooit over te steken. Ter illustratie de volgende uitspraak: ‘Het is nooit te laat. Anders konden we dat niet meer zeggen.’

Eigenlijk zou ik niet eens voorbeelden op willen noemen van de oneindige scenario’s die dit statement absurd maken. Terwijl u het las moet u er zelf al drie of vier bedacht hebben. Om toch snel een rijtje af te werken: het is al ongeveer vijfhonderd jaar lang behoorlijk te laat om de Reformatie te voorkomen, al zo’n honderdvijf jaar om de moord op Franz Ferdinand te verijdelen, en al zes jaar om het imago van de Leuvense universiteit te redden. Of ik dat kan zeggen of niet is daarbij van weinig belang.

Het enige nut van deze uitspraak lijkt dan ook de mogelijkheid tot flauwe grappen die hij Torfs’ studenten biedt na het verstrijken van een deadline. Daar houd ik het voor nu bij. Ik sluit graag af, want zo hoort dat, door een groot denker te citeren: ‘Schrijven is verslaving. Zelfs als je niets te melden hebt, ga je eindeloos verder op het ritme van dansende letters.’ Niks tegen in te brengen, Rik.

BN

Archief