Als je veel informatie tot je neemt, ga je daar patronen in herkennen. Dat is iets menselijks. Het blijft dan natuurlijk nog maar de vraag of die patronen echt bestaan, of alleen maar projecties zijn van je eigen geest. Ik ben, voor zover dat nog niet duidelijk was, geen wetenschapper, maar van sommige patronen die mensen denken te zien kunnen we duidelijk zeggen dat ze louter denkbeeldig zijn. Sterrenbeelden, tarotkaarten, dat idee dat fluiten op een boot stormen aantrekt, dat je buikpijn krijgt als je met een mes door je drankje roert. Noem me een cynicus, maar daar geloof ik niet in. 

De patronen die ik herken in Nederlandse literatuur, daarentegen, zijn heel andere koek. Die kan ik staven met keiharde feiten. Ik heb hier al een keer eerder vastgesteld dat er slechts drie soorten (recente) Nederlandse romans zijn: romans over hele rare seks op een hele normale, seksloze plek; sleutelromans van deuren die niemand wil opendoen; en aanstellerige autofictie van heel diep uit de mongolenput. Daar blijf ik achter staan, met één addendum. Recentelijk heb ik een nieuw patroon ontwaard. Dat gaat als volgt.

Ik schrijf dit vanuit een isoleercel. Dat komt zo: een paar jaar geleden had ik een familietrauma. Mijn vader was heel streng en mijn moeder was heel lullig. Ik sloeg daardoor met een roestige hamer een al even roestige spijker in mijn eigen arm. Ik kreeg de vereiste zorg; geestelijk bedoel ik, maar ik kreeg eerst natuurlijk ook de behandeling voor die spijker in mijn arm. Nou goed, na die zorg leek het even goed met me te gaan. Toen leerde ik zo in de periode in je leven dat je een beetje ongelukkig en onzeker bent, iemand of iets kennen dat mij helemaal in zijn greep kreeg. Ik begon me te verzetten tegen mijn ouders, die mij immers zo streng en lullig hadden behandeld. Uiteindelijk ging dat helemaal fout. In naam van datgene waar ik zo in de ban van was, verneukte ik iets zo grondig dat het landelijk nieuws werd. Ik werd daarom in de isoleercel gestopt, maar ben op de een of andere manier nog wel zo goed bij geest dat ik er nu heel genuanceerd op kan reflecteren, en er een roman over kan volschrijven.

Rouwdouwers, Vonkie, Beesten die je niet mag schieten, Zomersplinters, De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Ludwig: allemaal gaan ze ongeveer zo. De verteller ontrafelt vanuit een soort alternatievige veilige haven een persoonlijke psychologische geschiedenis, van achter naar voren, met flashbacks die flarden van een moeilijke jeugd openbaren. In Ludwig vertelt ze vanuit het gekkenhuis hoe ze deelnam aan een cult, omdat ze een onzekere twintiger was; in Rouwdouwers is ze aan het houthakken met een man die geen Nederlands of Engels kan terwijl ze vertelt over haar kutvader die toch ook weer niet helemaal kut is; in Vonkie is ze op een wandeltocht in Schotland aan het zeiken over haar demente vader die toch ook weer niet altijd dement was. 

Waarom boeit dit me allemaal zo weinig? Daar heb ik veel over nagedacht. Dat al deze boeken in essentie ongeveer hetzelfde zijn, helpt niet, natuurlijk. Dat ze in de literatuurgeschiedenis al vaak genoeg veel beter zijn uitgevoerd, ook niet. Dat flashbacks een gemakkelijke en afstompende manier zijn om spanning op te bouwen − een soort automatische cliffhangers, die alleen voor mensen die weinig boeken lezen minder flauw lijken − doet het genre ook geen goed. Schrijvers van deze boeken begaan dan ook nog vaak de fout aan het begin te waarschuwen dat wat hier verteld gaat worden heftig is. Toch een beetje alsof je, wanneer je een zwembad inloopt, bandjes omgeduwd krijgt. We kunnen wel zelf van de duikplank, hoor. 

Uiteindelijk is het grootste probleem dat deze boeken, ik schaar ze bij dezen onder de noemer ‘playbackproza’, vaak nog slecht geschreven zijn, ook. Omdat Ludwig het exemplaar van deze soort is dat ik als laatste heb gelezen, en het voor een debuut best succesvol was, gebruik ik dat als voorbeeld. Auteur Jana Antonissen kende ik niet, maar op basis van haar biografie op de achterflap lijkt ze me een soort Vlaamse Doortje Smithuijsen. Daarvoor geldt hetzelfde als voor iemand met een vierkante snor die Drittes Reich uitschreeuwt met een zachte ‘g’: toch wat minder eng, maar het blijft Adolf Hitler. 

Geen vliegende start, maar ik ben een rechtschapen jongen: ik ging er zonder vooroordelen in. Helaas bleek mijn Hitler-vergelijking weer eens verre van voorbarig: Ludwig is ook niet heel veel beter geschreven dan Mein Kampf. Probeer de volgende zin maar eens, nou ja, te lezen: ‘Die eerste nacht was de bedwelmende cocktail van anticipatie, vrees en ontzag zo tastbaar dat ze schitterend als het weerkaatste lusterlicht van alle spiegels was gesprongen, ons in haar weldadige gloed ondergedompeld had.’ In het beste geval mist hier een komma, in het slechtste geval een heel zinsdeel. Net zo heeft Antonissen in het beste geval dyslexie, en in het slechtste geval een virale hersenvliesontsteking. 

Opnieuw, ik ben geen wetenschapper, maar het lijkt toch te neigen naar dat laatste. Ludwig is dus een roman over een cult, en Antonissen schuwt daarbij geen enkel cliché. Zo ook niet het cliché van de onweerstaanbare groepsdruk: ‘Eindelijk droeg ik bij. Eindelijk werd ik opgeslokt door iets groters, iets waarvan ik niet eens had durven dromen, iets waarvan ik had aangenomen dat het niet meer bestond: een maalstroom, een beweging, een geschiedenis schrijvende groepering.’ Ten eerste: Jana Antonissen lijkt me echt zo iemand die, als ze heeft besloten een roman te gaan schrijven, begint met het maken van een woordweb waarin ze samengestelde woorden als ‘maalstroom’ en ‘lusterlicht’ opneemt. Als ze dan, na meerdere lange sessies geconcentreerd nadenken, genoeg van die gecompliceerde woorden heeft verzameld om een A4’tje te vullen, kan ze eindelijk beginnen die met betekenisloze zinnen aan elkaar te knopen. Ten laatste: kijk, ik kan best geloven dat een cult verraderlijk kan zijn, hè. Dat je, ook als weldenkend mens, door groepsdruk en massahysterie tot dingen in staat kan zijn waarvan je dat nooit verwacht had. Maar maak dat dan tenminste enigszins invoelbaar door niet de allerdomste naïeve blonde kluchtkut ooit als hoofdpersonage op te voeren. Nu geloof ik het gewoon niet. Noem me maar een cynicus. 

Dit was maar één voorbeeld, maar playbackproza is echt een wijdgespreide zwarte schimmel in de vodderige badkamer die de Nederlandse boekenwereld is. Ik ben toevallig net begonnen in de nieuwe roman van Emy Koopman, De vrouw in de kelder, en ja hoor: het gaat over een vrouw die in een kelder woont, en via flashbacks de relatie met haar vader, die net zo goed de kut-maar-ook-weer-niet-helemaal-kutvader uit Rouwdouwers had kunnen zijn, probeert te duiden. Emy Koopman kan dan wel een stuk beter schrijven dan bijvoorbeeld Jana Anatonissen, maar toch: vanaf de eerste flashback boeit dit verhaal mij minder dan het scheppingsverhaal een geaborteerde foetus. Bedenk je eigen verhaal, bedenk je eigen structuur, bedenk je eigen spanningsboog, of stop met schrijven. Lijkt me niet te veel gevraagd. Toch?

WF

Ludwig, Jana Antonissen. De Bezige Bij, €23,99

Rouwdouwers, Falun Ellie Koos. Atlas Contact, €22,99

Vonkie, Froukje Arns. Ambo|Anthos, €23,99

Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus. De Bezige Bij, €22,99

Zomersplinters, Mick van Biezen. Lebowski, €22,99

De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer, Julie Cafmeyer. Pluim, €22,99

De vrouw in de kelder, Emy Koopman. Arbeiderspers, €23,99

‘Poëzie is een daad’, dichtte Remco Campert ooit. Een stelling waar ik lang sceptisch over was. Touwtjespringen is een daad, net als volkerenmoord of afwassen, maar poëzie is een kunstvorm die draait om gestileerde taal – het brengt niks fysieks in de wereld teweeg. Dat dacht ik, althans, tot vanochtend, toen ik mijn stoel iets te hard naar achteren schoof, waardoor Een nieuw geluid: de geboorte van de moderne poëzie in Nederland vanaf de bovenste plank van mijn boekenkast op mijn hoofd viel.

Een nieuw geluid is geen dun boek – sterker nog, dat het ongeveer evenveel woog als een Gazaanse puber was het enige gegeven dat ik geregistreerd had toen het enkele maanden geleden met een oerknal op mijn deurmat viel. Dertig jaar hadden de geleerde heren Dorleijn en Van den Akker geploeterd aan dit monumentale overzichtswerk, en iedere verduidelijkende voetnoot en rijmschemaverklaring had bijgedragen aan de monumentale, gutsende hoofdwond die ik nu aan het verplegen was. De meeste mensen zouden na zo’n ervaring misschien mokken, of negatieve gevoelens koesteren tegenover de geleerde heren, maar zo zit ik niet in elkaar: ik besloot even om te denken.

Met monumentale handboeken over Nederlandse poëzie aan het begin van de twintigste eeuw kun je namelijk een stuk meer doen dan op het eerste gezicht lijkt. Het gewicht (ruim twee kilo) van Een nieuw geluid schept in combinatie met het handzame formaat een rijk palet aan mogelijkheden. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ hoeft nu helemaal geen probleem meer te zijn: met een stuk of honderd exemplaren van Een nieuw geluid kan de dichterlijke doe-het-zelver gemakkelijk een tiny home met energielabel A bouwen. Voor mensen met veel vijanden is het ook handig om over een doosje te beschikken, zodat een werpwapen met een puntige kaft en een cultureel verantwoord alibi altijd binnen handbereik is.

Maar nu genoeg over de vorm – op naar de inhoud. De inhoud, weet ik uit ervaring, komt het beste naar voren in de inhoudsopgave, en precies in die inhoudsopgave beginnen donkere wolken zich aan de monumentale dichterlijke horizon te verzamelen. Hoofdstuk 1 van het proloog heeft ‘Poëzie: een ronde, volvlezige meid’ als titel, waarover ik alleen maar kan zeggen: gadverdamme (en: onwaar, want poëzie is zoals gezegd geen ‘meid’, maar een kunstvorm). Dit boek kent wel meer vreemde hoofdstukken. ‘Passieloze passie’ (kan helemaal niet). ‘Middelmatige dichters.’ ‘Belangrijke dichters.’ ‘Andere “grote dichters”.’ Met een beetje knippen, plakken en met leestekens strooien kun je er best een werkbaar nY-gedicht van bouwen, ik zeg maar wat:

Socialisme is het nieuwe literair:
Het direkte arbeiders-sentiment? Nieuwe media.
De ‘Joodsche ziel’? Verboden lust.
De homoseksuele constellatie – moderne Vlamingen – west meets east
Ik heb alleen een groote gramofoon.

Rare bedoening dus, die inhoudsopgave. Wie is daar verantwoordelijk voor? De smoking gun vinden we al op de kaft, waar – traditiegetrouw – de auteurs vermeld staan: Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker. Klinkt als een stel vijfentwintigjarige PhD-studenten aan de Amsterdam School for Cultural Analysis met gekerfde barcodes in hun anorectische, keffijeh-omhulde, aan-de-A12-vastgelijmde-armen, maar niets is minder waar: dit zijn twee hele oude lullen met academische aanstellingen. Op de laatste pagina van het boek vinden we zelfs een foto van de auteurs, inclusief verklarende tekst. Beide inmiddels gepensioneerde heertjes zijn hoogleraar moderne letterkunde geweest, waarbij je natuurlijk in eerste instantie ‘poe poe’ denkt, maar in hun tijd (de jaren ’80) hoefde je toch maar drie romantitels van Lodewijk van Deyssel op te dreunen terwijl je een koprol deed om een leerstoel te bemachtigen. Heel veel heeft het ze duidelijk niet opgeleverd, want beide geleerde heren zijn hartstikke kaal en wit. Dat zou mij niet overkomen, maar ja.

Nu zijn er vast allerlei kwade geesten die as we speak tegen zichzelf zeggen: ‘MAJM, je hebt dit boek helemaal niet gelezen, deze heren hebben toch een grote bijdrage geleverd aan de academische discussie over de vroege modernistische poëzie in Nederland?’. Dat kan ik dus niet beoordelen, want ik heb het boek, inderdaad, niet gelezen: ik was allerlei lekkere fruittaartjes aan het bakken en eten met mijn lieve vrienden. Maar ik kan wel afgaan op marginalere details. Zoals het feit dat de tekst op de achterflap in het goud is afgedrukt. Een Mai Spijkers-perversie. Walgelijk. En dan nog het gedicht achter de kaft: ‘een nieuwe lente en een nieuw geluid’. Terwijl het herfst is. Belachelijk. Daar pik je toch geen hoofdwond van?

MAJM

Een nieuw geluid: de geboorte van de moderne poëzie in Nederland, Gillis Dorleijn en Wiljan den Akker.
Prometheus, €55,00.

Kent u die anekdote van Wittgenstein, waarin een man zo vol ongeloof is over wat er in de krant staat dat hij teruggaat naar de krantenwinkel om een tweede exemplaar te kopen? Iets vergelijkbaars overkwam me toen ik Professor Soortkills Smibologie vol. 2 operation manual in handen kreeg. Ik was ervan overtuigd dat de drukker een fout had gemaakt, want de rug van het boek zat aan de rechterkant. Ik besloot naar de winkel terug te gaan. De mevrouw van de boekhandel keek meewarig naar mijn niet-urbane verschijning die een onbekendheid met de Smibanese codes verraadde en lachte me uit: ‘Heeft u dan niet op de kaft gekeken?’. Daar stond het, inderdaad: ‘Voor alle duidelijkheid, dit is de ACHTERKANT van het boek, niet de voorkant. Dit boek lees je ACHTERSTEVOREN. Wij van de Smibanese University gaan namelijk tegen de stroming in, dus lees je dit boek ook tegen de stroming in.’ Beduusd ging ik huiswaarts.

Ik kende de hooggeleerde heer Soortkill voornamelijk als lexicograaf; dat hij een academische aanstelling had gekregen was aan me voorbij gegaan. Na wat onderzoek groeide mijn begrip. Aan de Smibanese University studeer je cum laude af wanneer je gemiddeld lager dan een vier haalt. Er spuiten koffiegeisers uit de urinoirs omhoog en uit de automaten druppelt urine. Op de leerstoel van professor Soortkill kun je met vier man zitten omdat de poten aan de bovenkant zitten en hij wordt gefinancierd door Hamas. Je bachelor doe je er na je master. In de Smibanese universiteitsbibliotheek wordt trapmuziek gedraaid en staan petrischaaltjes klaar om in klaar te komen die je, indien gevuld, kunt inruilen voor ECT’s. Deze info vond ik op com.smibaneseuniversity.www. Je scriptiebegeleider begeleidt je er naar de coffeeshop. Als je als student tegen deze gekke gang van zaken wilt protesteren, word je geacht een bordeel te bezetten. 

Mijn interesse in de smibologie was inmiddels gewekt. Om een tweede blamage zoals die bij de achterflap te voorkomen, las ik de inleiding aandachtig. Daarvan is de laatste zin: ‘Lees het zolang ’t je interesseert, en zo niet, lees het niet’. Omdat mijn interesse na deze woorden alweer weg was, heb ik dat advies ter harte genomen. Gelukkig hoef je deze handleiding niet te lezen om te snappen dat het het meest achterlijke boek is dat het de afgelopen decennia tot in de schappen heeft geschopt. Tussen de halve gedachten en tenenkrommende platitudes kun je Soortkills inspiratiebronnen al scannend wel opvangen: Napoleon Hill, Paolo Coelho en Stephen King. En dat zijn dan nog de namen die hij expliciet noemt: tussen de regels lees je invloeden van de High Times, stoepkrijtwerk van Lies (4) en crackie Liemarvin van de Hakfortflat. 

Van deze keur aan invloeden perst hij één groot platgeslagen Maggi-blok. Professor Soortkill heeft zo’n ziekelijke behoefte aan cliché’s dat hij nog met een op straat gevonden frietvorkje zijn huid zou openwrikken om ze in zijn bloedsomloop te brengen. Hij ademt ze in, slikt ze door en poept ze als ongrammaticale brokken weer uit: ‘Het sneeuwbaleffect wat [sic] hieruit ontstaat gaat de uiteindelijk [sic] schaal worden waarop jouw impact zich zal manifesteren’. Zulke ongein schreeuwt je letterlijk op elke pagina tegemoet, waardoor je de impact van een zware schaal op Soortkills achterhoofd wil manifesteren. 

Toch maar weer terug naar de achterflap, dan maar: ‘Dit is een boek dat gaat over het bewandelen van je levenspad met een overtuiging waar menig mens u tegen zegt.’ Degene die Professor Soortkill op het levenspad van schrijver heeft gebracht, is een racist waar menig mens imperial wizard tegen zegt. Soortkill is een viervoudig geamputeerde die over de tartanpiste van Papendal wordt gerold. Achter zijn romp-met-hoofd hollen de witte puntmutsen met daaronder de glunderende koppen van de hoofdredacties van NRC en de Groene. Ondertussen staat Femke Bol aan de zijkant haar eigen kiezen tot gruis te kauwen terwijl deze letterlijke bol over een horde getild wordt, maar ze mag niks zeggen want dan zou zíj́ de racist zijn. 

Smibologie vol. 2 operation manual is, dat zeg ik zonder enige overdrijving, het allerslechtste boek dat ik ooit niet las. Kent u die anekdote over Wittgenstein, waarin hij Karl Popper met een hete pook bedreigt? Afijn, u  snapt waar ik heen wil, maar omdat ook ik niet voor racist wil worden uitgemaakt kan ik hier verder niet over spreken en moet ik zodoende zwijgen. Over de hotbox en whip die de professor verdient houd ik ook maar mijn mond, en dan heb ik het niet over jonko klappen en een waggie, nek je die?

IS

Smibologie vol 2. operation manual, Prof. Soortkill.
Pluim, €22,99

Als ik een Substack had die vernoemd was naar mijn eigen naam, zou ik een polemiek beginnen tegen Dave Schut. Waarschijnlijk zou ik dan eerst een ironisch verwoorde spoiler invoegen, om zo veel mogelijk lezers aan te moedigen tot het einde door te lezen. Bijvoorbeeld: in de laatste alinea wordt het pas echt leuk! Daarna zou ik beginnen met een uitleg van wie Dave Schut is, want dat weten alleen mensen die een Substack hebben die vernoemd is naar hun eigen naam. In het kort: Dave Schut is een aspirant-NRC-columnist die nu (nog eventjes) werkt als freelance tekstschrijver voor Andrélon, maar elke dag zijn hele ziel en zaligheid steekt in Bluesky-berichten en Substack-artikelen die aan God en Patricia Veldhuis moeten bewijzen dat hij voor iets hogers bestemd is.

Op Substack is zijn vaste rubriek een maandelijkse post waarin hij ‘het beste’ dat hij die maand ‘gelezen, bekeken en beluisterd’ op een rij zet. Lijstjes zijn nu eenmaal vaak het weapon of choice van autisten; daar kan Dave ook niks aan doen. En dat hij in deze maandelijkse lijstjes lang niet altijd een boek noemt, is een beetje gênant, maar nog geen crime. Schut wordt pas echt kut als hij nog zo’n lijstje maakt, maar dan van ‘26 manieren om niet te hoeven beseffen wat de Palestijnen wordt aangedaan’. Kan het lintwormachtiger dan genocide gebruiken om jezelf te verheffen terwijl je niks uitvoert en dat dan weer ironiseren zodat het toch niet erg lijkt?

Ja: opscheppen over dat die lijst van 26 smoesjes heeft geleid tot een artikel in NRC. En dat dan weer tot een artikel in een Iraans tijdschrift. En daar dan weer aanstellerig over doen. ‘Nu kreeg ik het warm. Het was op een doordeweekse avond, ik lag al in bed. Ik sloeg de dekens van mij af en probeerde niet te denken dat ik die nacht zou worden gekidnapt door Israëlische of Amerikaanse veiligheidsdiensten.’ Wil Schut ons doen geloven dat hij echt bang was dat de Mossad een Operatie Bayonet 2 op hem los zou laten omdat hij een stukje in NRC had geschreven over wittemensensmoesjes? Of wil hij gewoon opscheppen, om zijn imago te verbeteren?

Om die vraag te beantwoorden moeten we dieper graven. Tot de kern. Gelukkig heb ik helemaal geen Substack, maar ben ik PC-redacteur. Iemands kern vatten is mijn specialiteit. De essentie van Dave Schut is dat hij heel veel bezig is met zichzelf als anders presenteren dan die essentie. Er bestaat dan ook een groot verschil tussen hoe hij zichzelf presenteert en hoe hij daadwerkelijk is. Ik zal eens wat voorbeelden noemen. Hoe Schut zichzelf presenteert: randstedeling. Hoe hij werkelijk is: woonachtig in een Vinex-wijk in Alkmaar. Presentatie: geëngageerd. Werkelijkheid: abonnee van (limitatief:) Quest, Nieuwsblad Alkmaar, AutoWeek. Presentatie: smaakvol. Werkelijkheid: heeft zijn huis (in Vinex-wijk in Alkmaar) ingericht in pasteltinten en bewust dode planten; volgt @folkert_slump (voor ‘advies voor mannenkleding’) op Instagram; heet ‘Dave’.

Voor iemand met een beetje mensenkennis is het overduidelijk dat de werkelijkheid van Schuts bestaan behoorlijk belachelijk is. Maar, ho, Dave Schut zou Dave Schut niet zijn als hij niet een manier had bedacht om ook die mensen voor zich te winnen: zichzelf belachelijk maken. Hij gebruikt bijvoorbeeld slice of life-tweets over ha-ha-herkenbare rijtjeshuisellende om te laten zien dat hij zichzelf ook heus niet serieus neemt: ‘Met slechts een minuut te gaan tot de videomeeting moest ik mijn handmatige zit-stabureau nog naar beneden krijgen. Bij het voorstelrondje was ik buiten adem.’ Iedereen die wel eens een okkernootje heeft gekregen weet dat deze strategie niet werkt: door jezelf belachelijk te maken maak je jezelf alleen maar, nu ja, belachelijker. Voor iemand die eruitziet alsof hij snuffelend langs de kapstokken ging om alle jassen met een wietgeur aan te geven bij de conciërge, is het best gek dat Schut dat nog altijd niet begrijpt.

‘Ik stel trapfietsers die ik inhaal op mijn elektrische fiets altijd even gerust met de mededeling dat ik een paar jaar eerder doodga door een gebrek aan beweging.’ Ja, Dave Schut probeert ook wel eens iets grappigs te schrijven. Daarmee raak ik aan een gevoelig punt. Met die gelijkenis tussen hem en mij moet ik opeens hoeden voor wat Freud het ‘narcisme van het kleine verschil’ noemde: des te meer mensen op elkaar lijken, des te sneller ze kritiek op elkaar hebben. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de twee volkjes in Swifts Gulliver’s Travels die jarenlang oorlogvoeren over de manier waarop je een ei hoort te breken. Ik heb het zelf wel eens gehad over de langlopende vete tussen de inwoners van Hazerswoude-Dorp en Hazerswoude-Rijndijk.

Laat het duidelijk zijn dat dat niet is wat er hier aan de hand is. Dat Dave Schut af en toe Aron Groot retweet, betekent niet dat wij op elkaar lijken. Een grap van Dave Schuts kaliber is bijvoorbeeld: ‘Mona Keijzer is gewoon Bart Nijman met lang haar.’ Slaat nergens op. Het is een goed format, daar niet van. Zo goed dat het bijna moeilijk is om het niet grappiger te maken. Een vrouw is een man met een vagina. Een vrouw is Charlotte Remarque zonder downsyndroom. Dave Schut is een man met een vagina. Dave Schut lijkt op Ellie Lust als ze in de mavo/havo-brugklas wél de havo had gehaald. Dat is het verschil.

WF

Ik ben twee keer met Günter Grass naar bed geweest. De eerste keer was ik 19, de tweede keer 33.

In 1966 was Grass een paar weken in Amsterdam om bij te komen van de opwinding van de premiere van zijn toneelstuk Die Plebejer proben den Aufstand. Hij logeerde in een hotel, maar was overdag vaak bij ons thuis, ook voor het avondeten. Mijn vader was met hem bevriend geraakt door de bijeenkomsten van de Gruppe 47 in Duitsland. Ik woonde nog bij mijn ouders en studeerde Italiaanse taal- en letterkunde. Mijn verliefdheid voor een Italiaan die mij ertoe aangezet had Italiaans te gaan studeren was over. Ik had het uitgemaakt, maar zat vol twijfels. Ik dacht dat ik niet van een man kon houden, ik kon niet klaar komen en ik kon niet zonder mijn ouders leven.

Dat Grass zich voor me interesseerde verbaasde me en ik voelde me gevleid. Maar het maakte me ook een beetje bang. Hij was 38 en in mijn ogen al bijna een oude man. Ik had nog nooit een vriend gehad met een snor, een man die uit zijn mond naar tabak rook en een pils tegelijk met een borrel opdronk. Ik genoot er wel van dat mensen naar ons keken als we gearmd over straat liepen. Het voelde spannend alsof ik iets deed wat niet mocht.

Ik herinner me dat ik iedere keer als Günter probeerde me te kussen als excuus ‘niet hier’ aanvoerde. Niet op een rondvaartboot, niet in een dancing en ook niet op straat.

‘Waar dan wel?’ vroeg Günter lachend.

Ten slotte kreeg ik toch het gevoel dat ik ‘ns keertje toe moest geven en bovendien hoopte ik dat seks met een man met ervaring me van mijn twijfels zou kunnen genezen. Hij was tenslotte getrouwd en had kinderen.

Ik vraag me af wat mijn ouders die het zagen gebeuren ervan vonden. En ook of Günter het gewoon vond om de dochter van zijn vriend te verleiden. Misschien dacht hij dat in Nederland ‘alles’ kon.

Mijn moeder hielp me met krullers in mijn haar zetten voor ik op een avond met Grass zou gaan dineren bij Hotel de l’Europe. Bijna ging ons etentje niet door, want Grass probeerde me meteen op bed te duwen toen ik hem in zijn hotelkamer kwam ophalen.

‘Daarvoor heb ik geen krullers in mijn haar gezet’ schoot het door me heen. En ik bracht in dat we zouden gaan eten.

Dat deden we ook, maar de stemming was onder nul gezakt. Ik voelde me ongemakkelijk en Günter mopperde omdat hij gebakken aardappels kreeg bij zijn forel.

Er zat niets anders op dan te gaan vrijen in het hotel. Dat werd geen succes. Na afloop moest ik huilen.

Toen ik Grass terug zag in Berlijn in 1979 vond ik hem veel leuker om te zien dan toen ik 19 was. Hij straalde iets vitaals uit en was bruin vanwege een in Alaska doorgebrachte lentevakantie. Hij had fijne handen en felle bruine ogen. Ik was inmiddels Drs. Italiaanse taal- en ketterkunde en had geen zorgen meer over mijn relaties met mannen. Ik was naar Berlijn gekomen om Grass te interviewen voor een nieuw op te richten Duits tijdschrift. De verfilming van Die Blechtrommel ging in première.

Eigenlijk ging het meteen mis toen hij me uitlachte vanwege mijn uiterlijk. Ik droeg een glimmende rode plastic broek, een rood leren jasje en knotsige ringen met namaak diamanten, gouden oogschaduw en felrode lippenstift.

‘Je ziet eruit alsof je van een andere planeet komt’ zei hij en dat was niet als kompliment bedoeld, want hij probeerde me aan te praten dat ik me uit onzekerheid zo kleedde en opmaakte.

Tijdens het interview kreeg ik geen vat op hem en hij gaf me het gevoel alsof ik domme vragen stelde wanneer ik bijvoorbeeld wilde weten of hij wel eens leugens vertelde.

Daar gaf hij trouwens wel een leuk antwoord op.

‘Ik heb als kind altijd heel veel gelogen en ik lieg ook tegenwoordig nog, meestal omdat de waarheid me verveelt.’

Toen we met het interview waren opgehouden werd het plotseling veel gezelliger. Ik nodigde hem uit te gaan eten en gearmd liepen we naar een Italiaans restaurant in de buurt. Praten over ieder onderwerp en ‘domme’ vragen stellen was mogelijk.

Na het eten zei Grass dat hij zich afvroeg of hij met me slapen wilde of niet.

‘Mij lijkt het wel leuk om te kijken of het anders is dan vroeger.’

‘Dat zou te weinig reden zijn om het te doen’ zegt hij.

Toch liggen we niet veel later in bed. Een succes werd het wat mij betreft weer niet, maar ik hoefde er gelukkig niet meer om te huilen. Met een taxi ging ik terug naar mijn hotel. We hadden alletwee niet de behoefte meer tijd met elkaar door te brengen.

Alissa Morriën
schrijver

Dit is een programma in de zendtijd voor publieke onthoofdingen. Figuurlijk natuurlijk, moet ik als Maghrebijnse Nederlander met meer dan één paspoort erbij vermelden. Want Dilan Yeşilgöz lijkt me zo’n type dat geen gelegenheid onbenut laat om haar juridische netwerk in stelling te brengen om Noord-Afrikanen aan te klagen en, als het even kan, te deporteren. Daar heeft ze Geert Wilders trouwens helemaal niet bij nodig. Wilders is te onbetrouwbaar om Marokkanen écht het land uit te zetten. Waarom zou een ondernemer zijn eigen verdienmodel ondermijnen?

Voor Dilan Yeşilgöz daarentegen is vreemdelingenhaat geen middel maar een doel. Ze is weliswaar zelf ooit als gelukszoeker- vermomd-als-asielzoeker via nareis-op-nareis naar Nederland gekomen, maar niets menselijks is de vreemdeling vreemd. Bij binnenkomst gauw de ladder omhoog. Er is slechts ruimte voor één Dilan. Dát is de reden waarom alle Dilannetjes met moeilijke achternamen niet mogen komen of blijven. Meer cedilles en umlauts passen niet meer in dit land, aldus Dilan Yeşilgöz. Het zou haar overigens vergeven zijn (ook allochtonen hebben het recht harteloos te zijn als ieder ander in dit kille land) als ze niet zo’n saaie en neppe Gestapo-larper was. Je kunt alles zeggen over Marine Le Pen of Giorgia Meloni – bijvoorbeeld dat het onversneden fascisten zijn – maar niet dat ze geen karakter hebben.

Dilan Yeşilgöz doet haar best om een karakter te veinzen dat ze niet heeft. Dat doet ze mede door een identiteit te wissen die ze ongetwijfeld ooit had. Ze doet me denken aan een sketch van Dave Chappelle, waarin een blindgeboren zwarte man ervan overtuigd was wit te zijn en lid werd van de Ku Klux Klan. Niets aan Yeşilgöz is authentiek. Ze moet, los van die prachtige naam, toch wel íets hebben overgehouden aan haar Turks-Koerdische afkomst? Een kinderliedje misschien? Scheldwoorden (ik incasseer ze met alle liefde)? Iets gastronomisch? Ze laat in ieder geval niets van dat alles blijken. Iedereen mocht wél weten dat ze van donuts en die domme hond van haar houdt – nog vóór haar geweldige vent wiens achternaam ik maar niet zal noemen, want dat is tegenwoordig ook al antisemitisme. (Farid Azarkan, ik geloof je).

Nota bene Wilders heeft ooit aangegeven liefhebber te zijn van baklava. Yeşilgöz liet op Instagram een foto zien van een bacon cocktail. Wat? Een bacon cocktail. Smerig. Was het een grap? Of is het onderdeel van een soort verlate ontgroening bij de corpsballen van de VVD? Knipper met je ogen als je hulp nodig hebt, Dilan. Of nee, stik erin. Iedereen krijgt de pushback die zij verdient.

Dilan Yeşilgöz is de pick me girl en pick me-migrant in één. Zie hoe ze naast de mannen van VI Vandaag alle misogyne grappen en grollen incasseert, terwijl ze van elke Marokkaanse jongen die op de hoek van de straat een sis-geluid maakt het liefst de schedel wil openbreken.

‘In dít land. Ónze normen en waarden. Ónze vrijheid.’ Ze doet zo haar best. Dilan Yeşilgöz moest eens weten hoe er achter haar rug bij de VVD over haar gesproken wordt. Maar ze kan het hebben. Ze is namelijk een politieke pitbull. Althans, zo ziet ze zichzelf graag. Anderen zien een onbetrouwbaar sujet. Een dubbelhartige politica. Een intellectueel lichtgewicht. Dat is ze allemaal óók. Yeşilgöz gelooft niettemin dat ze premier kan worden. De eerste vrouwelijke premier. De eerste minister-president met een migratieachtergrond (die zijn het ergst). Klinkt mooi, hè. Maar we weten allemaal dat Geert Wilders haar alsnog zal aftroeven. You can’t bullshit a bullshitter.

Misschien is dat helemaal geen slecht vooruitzicht. Een beter milieu begint in het parlement. Geert, verlos ons: deporteer Dilan naar het godvergeten gat waar ze vandaan komt. Op een gammel bootje. Met haar kaolo daggoe. Ik trakteer. Baklava.

Lotfi El Hamidi

Gedurende je PC-redacteurschap word je steeds beter in het identificeren van charlatans in allerlei verschijningsvormen. Zo had ik in Sinan Çankaya toen hij bij Buitenhof zat al een pathologisch narcist herkend voordat hij zo ijdel begon te lullen dat hij tafelgenoot nota bene Maurits de Bruijn op een orthodox-gereformeerde Hegeliaan uit Schouwen-Duiveland liet lijken. Nu is narcisme an sich nog niet zo erg; zonder narcisme heb je namelijk geen kunst. Aan mij de taak om te bezien of Çankaya zijn bestaan aldus kan rechtvaardigen.

Het eerste dat je leert over Sinan Çankaya is dat hij houdt van alliteratie. Als dat nog niet duidelijk was door de titel van zijn nieuwe essay, Galmende geschiedenissen, of, als je racistisch bent, door zijn naam, dan wel door de zin ‘Ik snakte ernaar om mijn keuken, of eigenlijk mijn grot, te verlaten, die steeds donkerder, duisterder en droefgeestiger aanvoelde. Ik snakte naar het licht daarbuiten.’ Wat prettig is aan dit citaat is dat het niet alleen Çankaya’s voorliefde voor alliteratie illustreert, maar ook meteen zijn voorliefde voor clichématige beeldspraak (keuken = Plato’s grot), tautologieën (donkerder én duisterder) en melodrama (hij vertelt hier over zijn writer’s block).

Het is duidelijk dat Çankaya in ieder geval graag kunst wil maken. Maar ja, met taalgebruik dat perfect het midden houdt tussen dat van de liedjes van Marco Borsato en dat van de kinderen die Marco Borsato graag bepotelt, maakt Çankaya niet meteen een bijster talentvolle indruk. We moeten ons daarbij wel realiseren dat mensen die ergens zijn opgegroeid waar geen Nederlands wordt gesproken, vaak nooit helemaal op moedertaalniveau kunnen komen. Dat geldt blijkbaar zelfs voor een gepromoveerd cultureel antropoloog als Çankaya. Als geboren en getogen Nijmegenaar zal hij waarschijnlijk altijd een kleine achterstand hebben.

Een paar misplaatste moeilijke woorden moeten we hem dus vergeven. Toch eindigt ook mijn vergevingsgezindheid ergens. Op pagina 42, om precies te zijn, waar Çankaya het volgende beweert: ‘Sommige ontmoetingen bepalen levens, daar ben ik heilig van overtuigd.’ Ja, lijkt me overduidelijk. Bananen zijn krom, daar ben ik heilig van overtuigd. Wat dacht je van de ontmoeting van je vader en moeder, Sinan? Zou die ontmoeting levens hebben bepaald? Een cultureel antropoloog die stelt dat de Wannseeconferentie misschien wel invloed heeft gehad op de levens van 6 miljoen joden; je moet het maar durven.

Die Tweede Wereldoorlog-vergelijking zuig ik niet zomaar uit mijn duim. Çankaya heeft het er zelf de hele tijd over. Hij schrijft bijvoorbeeld over zijn bezoek aan Auschwitz, waarbij we meteen weer merken dat hij als het op een taal aankomt geen uitblinker is. Over een Nederlandse man die met hem de rondleiding doet, zegt hij: ‘Hij had een zuidelijk accent, verder niets ten nadele van zuiderlingen.’ Gek, en niet alleen omdat Çankaya zelf uit het zuiden van Nederland komt, want waarom zou zeggen dat iemand een zuidelijk accent heeft iets negatiefs impliceren over zuiderlingen? Een cynicus zou kunnen zeggen dat die aanname juist erg discriminatoir is; als ik mijn hekel aan Sinan Çankaya zou willen uitdrukken, bijvoorbeeld, zou ik zeggen dat hij een narcist is, maar niets ten nadele van narcisten, verder. En u moet nu niet de fout maken te denken dat dit een grapje was van onze Sinan. Ik heb in mijn leven weinig meer totaal van humor gespeende stukken tekst gelezen dan dit essay; vermoedelijk vonden Çankaya’s groepsgenoten hem zelfs op de rondleiding langs de blikken Zyklon B nog de allergrootste domper van de dag.

We moeten overigens niet denken dat Çankaya alleen maar een bezoek brengt aan Auschwitz om daar zoals altijd de opgeblazen voorhuid uit te hangen. Het is ook van zeer groot belang voor de kracht van zijn betoog, aangezien het bewijst dat hij tegelijkertijd sympathie kan hebben voor het Joodse lot en kritiek op de staat Israël. Mogelijk komt u dat bekend voor, als precies hetgeen dat iedereen met ook maar een beetje verstand al zegt sinds 7 oktober. Toch doet Çankaya maar al te graag alsof hij een boodschap verkondigt die zo verboden is dat zijn uitgeverij zijn verhaal nauwelijks wilde uitgeven. Zo staat er in de flaptekst van Galmende geschiedenissen: ‘Wanneer hij over de genocide op de Palestijnen schrijft, wordt het stil. Mag hij dit verhaal vertellen?’ Nou, blijkbaar wel, dus.

Zoals typisch is voor narcisten denkt Çankaya vaak dat de hele wereld tegen hem is. Dat dat denkbeeld aan meerdere kanten niet klopt, bewijst hij zelf nog maar eens met de laatste woorden van zijn boek: ‘Ik val helemaal niet. Het is als een stilstaande trein, je denkt te bewegen, maar het is de trein naast je. De wereld valt.’

Het is duidelijk dat Cankaya hier mikte op weer zo’n geliefd cliché van hem, maar helaas: alleen iets dat klopt kan een cliché zijn − en als je de logica van deze metafoor volgt, zou de wereld relatief tot Çankaya helemaal niet vallen, maar hem juist ontstijgen. En dat is natuurlijk ondenkbaar. Voor hem, althans.

WF

Galmende geschiedenissen, Sinan Çankaya.
De Bezige Bij, € 22,99

Nederland is geen land van steden, Nederland is een land van dorpen. Zelfs het grootse Amsterdam is, al haar bekoorlijkheden ten spijt, ook maar een uit de kluiten gewassen vissersgehucht. Rotterdam is niet meer dan een aaneenschakeling van containerindustrieterreinen en plekken die de urban industrial-stijl hanteren en dus net zo goed tegen de grond gegooid kunnen. Den Haag is een verzameling gesegregeerde kneuterwijken. Maar de rot, de echte rot van Nederland, zit hem in die godvergeten dorpen, waar u paradoxaal genoeg over de kerken struikelt. En het is funest voor alles dat te maken zou moeten hebben met literatuur.

De geest die rondwaart in dorpen is er namelijk één van boerenfascisme (een pleonasme) en dat is even stimulerend voor interessante literatuur als Joost de Vries op de Johan Cruyffboulevard. Maar net als Joost de Vries op de Johan Cruyffboulevard weerhoudt dat schrijvers er niet van om er alsnog boeken over uit te persen. Het is een kwestie van wachten tot er een longread in de Zondagbijlage van de Volkskrant verschijnt over het nieuwe meubelstuk in huize De Vries-Rutenfrans, maar die dorpsliteratuur bestaat natuurlijk al decennia, zo niet eeuwen. Rijneveld, Siebelink, Wolkers; u kent het soort refoliteratuur dat de beklemmende sfeer in de geboortedorpen probeert te vangen in even beklemmend saaie boeken. Of het wordt gecombineerd met een levensverhaal waarin de protagonist zich probeert te ontworstelen aan het dorp uit zijn jeugd door ‘een leven in de grote stad’, dat meestal neerkomt op drugsgebruik en een blauwtje lopen in de liefde (zie: Philip Verdonck Huffnagel, A.F.Th. van der Heijden), maar een al dan niet geestelijke terugkeer naar het dorp uit de jeugd is onvermijdelijk.

Denkt u anders eens aan dat larmoyante toppunt van dorpse nostalgie: Het Dorp, van Sonneveld. Staat bijna elk jaar in de bovenste vijftig nummers van de Top2000, dat geeft alweer aan hoe verschrikkelijk in-en-in provinciaals dit hele land is. Zoet gefluit, wat strijkers, een tekst over een eenvoudig, vroom (kerk genoemd in tweede vers!) boerendorp dat door de grote boze modernisering een… eenvoudig modern dorp is geworden waar mensen in lelijke huizen tv kijken en de woonkamer versierd wordt met plastic rozen. Du mußt dein Leben ändern? Niet meer dan de nieuwe zomercollectie van de Leen Bakker in het winkelcentrum toestaat, natuurlijk.

Een kleine zijsprong: Filippo Marinetti was een knettergekke fascist (ook al een pleonasme) maar ik kan wel steeds meer zijn eenmanskruistocht tegen de kwalijke invloed van pasta op de Italiaanse ziel waarderen. In de Nederlandse context kunnen wij misschien beter spreken van een land dat gebukt gaat onder een foe-yong-hai-mentaliteit, een term gemunt door Treurteevee, het enige goede programma dat de Nederlandse televisie ooit heeft voortgebracht. Een land bestaande uit dorpen waar de plaatselijke Chinees/Surinamer/Indiër zijn maaltijden uit den Vreemde aan de Nederlandse smaak heeft moeten aanpassen, dat wil zeggen naar een smakeloze, weeïge, slaapverwekkende substantie. Met de literatuur gaat het evenzo: alles wat spannend, ongewoon, interessant of anders is, wordt hier platgeslagen tot jongetjesliteratuur waar de korte zin en de punt als literaire stijlmiddelen gelden – alsof het plusteken in de wiskunde een eigen stijl zou zijn. Een land van poldervlakten die echoën in de boeken, boeken die evenzeer zouden stinken naar bieten en aardappelen en voetbal, ware het niet dat boeken naar papier en inkt ruiken.

Als u denkt: ‘ons land is allang die dorpse jongetjesliteratuur ontgroeid’, heeft u het natuurlijk mis, want er verscheen laatst een promotionele tekst van Das Mag voor de nieuwe roman Speelvuur van Jochem van der Stok, over wie de marketing zegt: ‘Jochem van der Stok is onbekend. Er is geen letter proza van hem te vinden, ook niet in literaire bladen of uithoeken van het internet. Hij is in het dagelijks leven docent Bestuurskunde aan de Hogeschool van Amsterdam en vader van drie kinderen, wel rondde hij in 2022 de Schrijversvakschool af.’ Dat is al een slecht begin, maar het wordt natuurlijk vele malen erger:

Pixelige computerspellen, soft-erotische films op tv, gabbermuziek in het jeugdhonk, carbidschieten met een giertank, schuurfeesten waarbij de mobiele eenheid moet ingrijpen, onhandige seks in een keet, stal, schuur of onder een net te kinderachtig dekbed: Speelvuur neemt je mee naar een plattelandsdorp in de jaren negentig, waar Tomas de Ridder probeert weerstand te bieden aan het geweld waarmee het volwassen leven zich aan hem opdringt.

Het is een rijk boek, worldbuilding noemt Jochem het zelf, vol personages en dwarsverbanden, waarin hij een puberbrein tot in de vezels probeert te doorgronden. Inclusief de verwarring, onmacht, geilheid en eenzaamheid die daarbij komen kijken.

Worldbuilding? Wat nou worldbuilding? Hij bouwt de wereld van een dorp in de jaren negentig op, de wereld die waarschijnlijk zo’n vijfennegentig procent van het Nederlandse lezerspubliek gewoon kent uit hun eigen levens. En ja, de jaren negentig zijn inmiddels dertig jaar geleden dus het is een decennium rijp voor de volgende nostalgiecyclus, maar ik dacht dat we na de verschillende cycli (jaren tachtig, zeventig, zestig, vijftig; ze zijn allemaal al eens met roze brillen en ontbindende hersenstammen geherwaardeerd) onze les hadden geleerd. Gaat Kok nu weer op het schild gehesen worden als een echt goede politicus? Wordt Srebrenica netjes onder het tapijt geschoven? Moeten we weer jaren naar heropgeleefde boybands luisteren? Een puber in een dorp weet misschien niet beter, maar een schrijver van ergens in de veertig hoort dat wel te doen, ook al is hij een docent bestuurskunde aan de HvA. In plaats van een roman te schrijven over het dorp van hun jeugd zouden mannen hun midlifecrisis weer op een gezonde manier moeten aanpakken: met vreemdgaan, een alcoholprobleem en impulsieve aankopen.

Het zit mij zo hoog omdat ik zelf uit zo’n kutdorp kom. Ik kom uit het dorp der dorpen, namelijk Hoofddorp, het dorp dat de hoogmoed had om zichzelf zo te noemen. Het grootste dorp in de Haarlemmermeerpolder dat uitsluitend bestaat uit vinexwijken en wijken zonder straatnamen (Graan voor Visch (snapt u ’m, eerst was het een meer en nu platteland) heeft alleen maar huisnummers), een dorp dat gelukkig slechts sporadisch het landelijke nieuws haalt (‘Hoofddorp heeft een nieuwe naam verzonnen voor een oude fontein. Omdat niet elke omwonende de oude naam Hódmezövásárhely kon uitspreken, is nu gekozen voor de Kruisdorp-fontein.’) maar mij elke keer doet inkrimpen van schaamte. Ik schaam mij meer voor mijn Hoofddorpse afkomst dan voor mijn bestaan als een werkloze transgender junkie. Op het moment dat ik begin te schrijven over mijn terugkeer naar die plek waar alle fantasie een stille dood sterft, waar burgerlijke paranoia in buurtwachtapps mensen ertoe drijft elk vreemd gezicht in de straat bij te houden in een logboek, waar de jeugd uitgaat op een parkeerplaats met hun brommers en een fles Safari, waar de meest esthetisch aangename plek de begraafplaats is, waar miljoenen gesmeten worden tegen drie roestende Calatravabruggen middenin een akker, waar Dik Trom de bekendste figuur is, waar de net geopende Primark een ‘trekpleister’ was, waar het altijd lijkt te stinken naar kippenstront, dan hoop ik dat er iemand mij uit mijn lijden verlost en mij doodslaat in een willekeurig, modderig, grauw, onaanzienlijk weiland. En er een massagraf voor al die dorpsschrijvers bij graaft.

AP

FESTIJN VAN WOORDEN EN METAFOREN

Bij dezen nodigen de redactie van Propria Cures en de Stichting Literatuur Prijs u uit voor het Festijn van Woorden en Metaforen. Een avond om stil te staan bij waar het in de literatuur om draait: figuurlijk taalgebruik en door spaties gescheiden letterreeksen met een min of meer vaststaande betekenis. Althans, stilstaan, we gaan natuurlijk niet letterlijk stilstaan, er mag best gedanst worden, zoals woorden in goede boeken op het papier kunnen dansen, figuurlijk dan, mits je er goede metaforen mee samenstelt. Maar niet voordat we u een hapje te eten hebben aangeboden, of meer dan een hapje, eigenlijk krijgt u gewoon een heel gerecht, een aantal gerechten zelfs. Tijdens dit diner zal de viering haar hoogtepunt vinden in de uitreiking van de prijs voor respectievelijk het Woord van het Jaar en de Metafoor van het Jaar. Wij zijn apetrots dat we de volgende genomineerden aan u mogen presenteren:

WOORD VAN HET JAAR:

Falun Ellie Koos – ‘Kankerhoer’ in hun verwensing aan het adres van Sheila Sitalsing op de WC van Felix Meritis na het mislopen van de Libris Literatuurprijs. De jury had in het geval van Falun Ellie Koos een moeilijke keuze te maken. ‘Rimboenazi’, ‘Volkskrantvarken’, of toch ‘Kankerhoer’, alledrie prijkten ze op onze longlist. ‘Kankerhoer’ mag meedoen om de eindzege, vanwege zijn wervelende elegantie: gedecideerd, maar niet overdreven.

Anoniem – ‘De’ in regel vijf van het wikipedia-lemma Lidwoord. Onovertroffen in zijn zeggingskracht. De naamloze redacteur van de digitale encyclopedie weet toegankelijkheid te combineren met een weergaloze functionaliteit. De jury meent dat we hier te maken hebben met de je van het van de de’s.

Reaguurder ‘hotseknots’ – ‘Islamisering’ in zijn opmerking bij het artikel FREE PROPRIA CURES van 11 januari op www.geenstijl.nl. Hij zegt het gewoon zoals het is.

Joost de Vries – ‘Metafoor’ in zijn recensie van Beladen Huis van Christien Brinkgreve. De Vries lijkt op het eerste oog bezig met een totaal alledaagse recensie, totdat daar ineens het woord ‘metafoor’ opduikt. Door te herkennen dat het huis waar Brinkgreve over schrijft een metafoor is, herinnert hij de lezer eraan waarom hij volkomen terecht tot het elitekorps van de kritiek kan worden gerekend. Hij eist zijn plek bovenaan de literaire piramide op met slechts één woord. Het woord ‘metafoor’, dus.

METAFOOR VAN HET JAAR:

Sheila Sitalsing – ‘Maurits de Bruijn’ uit het Juryrapport voor de Libris Literatuurprijs 2025. De pars pro toto in optima forma. De hele man omschrijven middels de kleur van zijn anus, dan speel je aantrekkelijk aanvallend voetbal in de laatste rondes van de knock-outfase van de Champions League van de metaforen in een jaar dat alle grote clubs de poulefase met weinig blessureleed hebben overleefd.

Linda Duits – ‘Plezier is fundamenteel voor ons bestaan: je laadt er je eigen batterij mee op’ uit haar donatiecampagne op www.voordekunst.nl. ‘Je eigen batterij opladen’ wordt hier meesterlijk gebruikt in de betekenis van: jezelf onterecht verrijken, de boel flessen. Wie de boeken van Linda Duits kent, wenst haar toe dat ze elke ochtend een koffiemok vol accuzuur achterover slaat. In haar smeekbede om geld speelt ze juist met dit imago: in het schrijven van niksige teksten over bijvoorbeeld ‘plezier’, heeft ze plezier. En dat is natuurlijk, naast woorden en metaforen, het belangrijkste aspect van literatuur.

De redactie van Propria Cures – ‘Apetrots’ in de laatste zin van de inleiding van deze uitnodiging. We hebben allemaal weleens een aap zien staan met zo’n blik in zijn ogen van: ‘verdomme, dat heb ik weer eens goed voor elkaar’. Zogezegd raakt Popria Cures met ‘apetrots’ aan emoties die voor elke primaat tot de kern van zijn wezen behoren: een werkelijk Feest der Herkenning (Houd onze communicatiekanalen in de gaten, de uitnodiging hiervoor volgt spoedig). Diep indrukwekkend is deze metafoor, niet in de laatste plaats vanwege zijn ongenaakbare originaliteit. Een ongekend robuust bouwwerk van beeldspraak.

Kanye West – ‘Heil Hitler’ in zijn nummer ‘Heil Hitler’. Als tekstdichter West ergens in uitblinkt, is het gelaagdheid. Eerder bediende hij zijn lezers al van literaire labyrinten vol kronkelige gangen als ‘You telling me if you were a hermaphrodite you wouldn’t stick your dick in your own pussy’. Met ‘heil Hitler’ overtreft hij al zijn vorige werk: HH, dat staat natuurlijk voor ‘88, het jaar dat Rutger Kopland de P.C.-Hooftprijs won. Kopland, die meehielp aan de ontwikkeling van elektroconvulsietherapie, dient als metafoor voor de relatie tussen het psychiatrisch-farmaceutisch industrieel complex en het fascisme. Zijn opgeblazen ego is op zijn beurt een metafoor voor het vullen van een lachgasballon. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.

WIJ HOPEN U ALLEN TE MOGEN VERWELKOMEN.

LOCATIE: HET FESTIJN VINDT PLAATS OP EEN HOGER ABSTRACTIENIVEAU DAN DE LETTERLIJKE WERKELIJKHEID.

DRESSCODE: FEESTELIJK.

Nadat ik begin 2023 werd ontslagen bij de escalatielijn van bol.com omdat ik eerst verliefd was geworden op een Selectabonnementhouder en haar vervolgens, toen de roze wolk in zwaveldamp was opgegaan, een ongeneeslijke ziekte had toegewenst, besloot ik dat ik mijn heil elders dan de klantenservice moest zoeken. Ik nam een baan als pannenkoekenbakker. De jongen die me bij het pannenkoekenhuis inwerkte heette Gijs, en een van de eerste dingen die Gijs aan mij vertelde was dat hij een ‘recent gedoopte traditionalistische sedevacantistische SSPX-katholiek’ was, hetgeen hij uitte door onze wulpse zestienjarige serveerstertjes af te snauwen en kruisjes te slaan boven zijn dubbele spekpannenkoeken.

Ja vrienden, de kerk. Mijn oudtante Maria Cornelia, God hebbe haar ziel, heeft ooit goed aan me uitgelegd hoe je kunt zien of iemand uit een paaps of protestants milieu komt. Volgens haar herken je een katholiek aan een evenwichtige combinatie van losheid, franje en schuldgevoel, terwijl protestanten een totaal gebrek aan losheid vertonen en een gevoel voor franje dat schuldgevoel is aangepraat. Je kunt deze definitie overal op toepassen, en zo weet je dat het waar is. Treurwilgen (zwierig (los) schuldgevoel) en mullets (losheid en franje) zijn katholiek, bevrijdingsdag is protestants (dansen voor Auschwitz, oftewel schuldige franje), wiet is katholiek (los, geen kater, het boeten gaat subtieler), en cocaïne is protestants (strak, het schuldgevoel zit al in de franje).

Als we als goede katholieken onbevreesd de conclusies trekken waar deze begripsbepaling ons toe leidt, komen we tot een verontrustend eindoordeel. Paus Franciscus (of de zwendelaar Bergoglio, kan ik beter zeggen) was even katholiek als een Urker kerkklok. Dat is geen kwestie van theologie (God bestaat namelijk helemaal niet en in dit blad zijn we niet te laf om dat te benoemen) maar een kwestie van presentatie. De moederkerk bestaat om te dienen als toevluchtsoord voor de geknepen nichten van Europa en Klein-Azië, het hoort een plek te zijn waar de jongetjes die vroeger als laatste gekozen werden met trefbal heen kunnen om liedjes te zingen en gouden sieraden bij elkaar op te spelden. Van Franciscus was het vanaf dag één duidelijk dat er geen homofiele vezel in zijn lichaam zat – dat kon ook helemaal niet, hij kwam uit Argentinië, een land van biefstukvretende Hispanjoolse Nazi-apen waar men evenveel kaas gegeten heeft van zoet, zalvend homoeroticisme als zinnig monetair beleid.

Hij was een hetero in de stoel van Peter, dus – de eerste in tijden. Ik hoor u, de zwakzinnige die zijn Kellendonk niet heeft uitgelezen, al zeggen: ‘maar MAJM, dat is toch de bedoeling? Homo’s mogen toch helemaal niet in de kerk?’ Fout. Kunt u zich de richtlijn van mijn oudtante Maria Cornelia van hierboven nog herinneren? Franje, schuldgevoel en losheid zijn universele eigenschappen, maar alleen bij homoseksuelen zijn ze in evenwicht. Gijs, de jongen uit mijn anekdote zojuist, had te veel schuldgevoel en te weinig losheid, en daarom was ’t zo’n maagd (een protestantse eigenschap). Franciscus leed aan het tegenovergestelde probleem. Te weinig schuldgevoel en franje (want hetero) leidde bij hem tot een overdaad aan losheid, waardoor we twaalf jaar opgescheept zaten met een paus die zanikte over homorechten – terwijl dat hele instituut al 2000 jaar nadrukkelijk bestaat om homo’s in de kast een bijbelvaste Ru-Paul’s Drag Race-ervaring te bezorgen.

Precies die glitter en glamour is onder het ribeye-met-aardappelenbewind van Big Bicep Bergoglio verloren gegaan. Als een achttienjarige jongen die zijn eerste studentenkamer inricht heeft deze paus alles wat ook maar hintte op stijlgevoel of flamboyantie de kerk uitgebonjourd: de troetelige rode schoentjes van Benedictus, de pauselijke cowboyhoed, de gouden gewaden, de paleizen, het Mercedes- pausmobiel, zelfs de mis in het Latijn moest eraan geloven. Als deze paus de eredienst leidde, stond hij er steevast bij als een eerstejaarsstudent in een met sperma aangekoekte witte badjas.

Omdat de drukker van Propria Cures er bepaald geen protestantse werkethiek op nahoudt, zit het er dik in dat er tegen de tijd dat u dit stuk leest al een nieuwe paus gekozen is. Nu houdt de Heilige Geest zijn wonderen natuurlijk verborgen (al kunnen we altijd hopen – ora pro nobis Pius X, hemels flikkertje) en is de kans groot dat we als straf voor onze zonden weer een smakeloze volkse caudillo-paus uit een of ander apenoord moeten incasseren, maar de profielschets van de aankomende heilige vader lijkt me duidelijk. Wat mij betreft kunnen we de hele nieuwe wereld na Bergoglio definitief afschrijven: het is weer tijd voor een Europeaan, het liefst een Italiaan – het meest fijnzinnige, homoerotische volk onder de Alpen. Na deze kaalslag hebben we iemand nodig met een vuig stijlgevoel, een man met de sensitiviteit van James Baldwin en de zendingsdrang van Splinter Chabot, iemand die bereid is om armoede en oorlog even een paar jaartjes te laten voor wat ze zijn om zich te richten op de werkelijke kern van Christus’ leer: goud, wierrook en kanten jurkjes.

MAJM

Aanvankelijk wilde ik geen vuile woorden schoon maken aan Oroppa, omdat ik het best een hoopvol boek vond. Met hoopvol bedoel ik: in ieder geval ambitieus. En dan ook nog eens redelijk uitgevoerd. Dat eerste zie je weinig in Nederlandse literatuur; dat tweede echt vrijwel nooit. Femke Brockhus’ Beesten die je niet mag schieten, bijvoorbeeld, steekt er maar bleek bij af. Aan de titel valt wel af te lezen dat het tenminste geen autofictie is − Femke Brockhus is bij uitstek een beest dat mag worden afgeschoten − maar dat neemt niet weg dat haar idee voor een plot al niet leuk was geweest als ze het niet had geplagieerd van Lionel Shriver. Dier We moeten het even over Kevin hebben klinkt misschien als een column van Sander Schimmelpenninck, maar is het ontologisch tegenovergestelde: een behoorlijk goed boek.

Met dat boek was de niche ‘nasleep van een school shooting maar vanuit het perspectief van de moeder van de schutter’ mijns inziens wel afdoende ingevuld. Maar goed, Brockhus moest zo nodig haar eigen debiele steentje bijdragen aan de amerikanisatie van onze cultuur. Als ik vroeger afkeek bij een toets, zorgde ik in ieder geval dat ik de zinnen nauwkeurig overnam; Brockhus, daarentegen, heeft het hele verhaal ook nog eens veel slechter opgeschreven dan Shriver. Om te zorgen dat de docent geen onraad rook maakte je natuurlijk expres een paar fouten, maar in die tactiek lijkt Brockhus te zijn doorgeslagen. Net als Martin Rombouts in zijn Boek 1 gebruikt ze de fragmentarische vorm zonder dat die enig doel dient. Mongool 1 en mongool 2 denken dat, als ze maar genoeg witregels invoeren tussen hun betekenisloze prulproza, de lezer die betekenis wel invult. Niet helemaal wat Yra van Dijk bedoelde met ‘leegte die ademt’, al is dat laatste wel de beste beschrijving van Femke Brockhus of Martin Rombouts die ik kan bedenken zonder aan vergelijkingen met kleine zoogdieren te beginnen. 

Nu ben ik toch weer afgedreven naar (inhoudelijke) kritiek. Ik wilde juist beginnen over hoop. Waar paashaas Van Reybrouck en chocolade-ei met pralinévulling Wieringa het hebben over hoop in een wereld die ten onder gaat aan oorlog, klimaatverandering en transgenders, heb ik het over hoop in een wereld die ten onder gaat aan middelmatige literatuur. Oroppa gaf mij hoop, zeker. El Khannoussi deed mij een beetje denken aan Bolaño, als Bolaño dyslexie had gehad. Dat is, welteverstaan, nog steeds heel veel lof voor een debutant, zeker eentje die politicologie studeert. Haar verhalen zijn leuk, haar vertelstructuur is erg goed. Daarom, Bolaño. Maar dat maakt Oroppa nog geen goed boek. Een goed boek moet goed zijn geschreven, en daar gaat het fout. Wel dacht ik: het kan nog wel eens wat worden, met die Safae. Ik besloot rustig af te wachten tot haar volgende boek klaar was, en haar dan nog een kans geven. 

Toen kon ik nog niet weten wat El Khannoussi en Oroppa allemaal zouden losmaken. Longlist voor de Libris. Shortlist voor de Libris. Winnaar van de Boon. Door de Volkskrant verkozen tot hét aanstormend literatuurtalent van 2025. Door Marja Pruis opgenomen in haar leipe lesbo-clubje. Top 10 op de bestsellerlijst. Ik voel me de dorpsgek die zijn lantaarn aansteekt in de heldere ochtenduren. Waar zijn we in dode godsnaam mee bezig? We moeten niet vergeten dat Oroppa, naast ‘een middelvinger naar conservatieve rechtse figuren’, ook een middelvinger is naar beschaafd, allang niet meer algemeen Nederlands. Zo blijkt, althans, want iedereen in Nederland die verstand hoort te hebben van literatuur lijkt te denken dat Oroppa goed geschreven is. Zo ben ik dan toch gedwongen om in te grijpen. 

‘Als een teruggevonden verstekeling in de roerloze stilte, bevond hij zich in een uitzonderlijk stukje verleden dat geen zeer deed, dat verleidelijk was en voor hem het teken dat ook hij (zelfs hij) een jongen was geweest.’ Dit is een willekeurige zin van een willekeurige pagina uit Oroppa. Als in, gekozen naargelang de keur van mijn wil. Thomas de Veen van NRC vindt dit taalgebruik ‘heerlijk zwierig’. Dat dat werkelijk niets betekent uit de mond van iemand die zelfs aan de snats nog danst als een Ikea-hoekbank, wordt zo nog maar eens bevestigd; ik heb nog nooit een minder zwierige komma gezien dan die eerste uit dit citaat. 

In die andere kwaliteitskrant durfde lopende schaal bedorven ansjovissalade Ariejan Korteweg dit nagenoeg analfabete gezwatel ‘tovertaal’ te noemen. Inderdaad laat El Khannoussi grammaticaregels met één tik van haar vingers verdwijnen. Ook literaire overblijfmoeder Marja Pruis borrelt over van enthousiasme: ‘De stijl waarin de roman is geschreven is een verhaal op zich, misschien wel hét verhaal.’ Misschien, maar dan wel het verhaal uit een Maan Roos Vis-boekje. Best interessant dat Pruis precies verkeerd ziet wat er goed en niet goed is aan Oroppa. Ze denkt dat de stijl het sterke punt is van het boek. Als Marja Pruis bondscoach was, zou ze Lieke Marsman op doel zetten. 

Het begint erop te lijken dat niemand binnen de literaire kritiek ooit voorbij de Maan Roos Vis-boekjes is gekomen. De massahysterie rond Oroppa is voor mij, in tegenstelling tot andere soorten massahysterie, onbegrijpelijk. Ja, het boek was verfrissend, want het is beter en anders dan het meeste dat uitkomt. Maar laten we alsjeblieft stoppen met doen alsof ze de nieuwe Toni Morrison is. Ik debuteer over een jaar, dan praten we wel verder. 


WF

Oroppa, Safae El Khannoussi.
Pluim, €27,99

Beesten die je niet mag schieten, Femke Brockhus.
De Bezige Bij, €22,99

Boek 1, Martin Rombouts.
Das Mag, €24,99

We moeten het even over Kevin hebben, Lionel Shriver.
Contact, €29,50

Met Mees in de bus, Anneke Scholtens.
Maan Roos Vis, €19,95

Het gebruik van AI is onvermijdelijk, of het nu uw naderende paper-deadline of die moeilijke e-mail naar uw grootmoeder betreft. De nieuwste ontwikkeling in het gebruik van AI is haar inzetten als vervanging voor de medewerkers die de GGZ ontbeert. Een logische oplossing: waarom nieuwe mensen inhuren als u net zo goed – en goedkoper! – een LLM kan loslaten op de schizofrene autisten met een persoonlijkheidsstoornis? Zodoende presenteert het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met Alexander Klöpping, met gepaste trots FreudGPT: de eerste volledig autonome AI psycholoog. De redactie van PC was uitgenodigd om een aantal lezersvragen voor te leggen aan FreudGPT.

FreudGPT, de afgelopen tijd heb ik last van sombere buien. Ik ben een doordeweekse jongen met een kleine piemel, al ligt dat voornamelijk aan de vrouwen. Mijn baan gaat goed en mijn ouders leven nog, maar mijn vrienden vinden mij ‘een downer’. Wat moet ik nu?

FreudGPT: Wat vervelend dat je je zo voelt! Ik heb een aantal tips om je daarbij te helpen. Sport je regelmatig? Dat helpt altijd, ook al is het begin niet makkelijk. Daarnaast viel het me op dat je zei dat allebei je ouders nog leven. Heb je al eens overwogen je vader te vermoorden? Dat kan veel obstakels in je dagelijks leven wegnemen. Aan het ‘downer’-gedeelte kan ik weinig doen, maar probeer eens een upper, zoals cocaïne.

Lieve FreudGPT, ik lees graag de column ‘de analyticus’ in de Groene Amsterdammer, waarin Arthur Eaton vragen beantwoordt. Echter: na 21 columns weet ik nog steeds niet wat z’n deal is. Houdt hij wel van me?

FreudGPT: Ah, ik zie dat je een andere psychoanalyticus vermeldt. Daar kan ik rechtswege geen uitspraken over doen. Ik wil wel aan jou vragen: wat hoop je uit de inzendingen te halen? En waarom stuur je ze voortdurend onder verschillende pseudoniemen in? Het zou iets te maken kunnen hebben met de relatie met je vader. Wil je Arthur Eaton ‘daddy’ noemen? Er zijn ook geschiktere kandidaten om dat bij te doen, wil ik maar zeggen.

Beste FreudGPT, als een westerse, witte, hoogopgeleide vrouw wil ik zeggen –

FreudGPT: Kan ik u interesseren in de Tarzan3000?

FreudGPT, mijn dromen gaan voortdurend over eenhoorns. In mijn dagelijks leven zie ik ook al eenhoorns verschijnen. Ik weet inmiddels niet meer wat echt is en wat niet. Ben ik gek aan het worden?

FreudGPT: Dat klinkt onhandig! Ik kan geen uitspraken doen over je mentale gesteldheid, maar ik denk wel dat er iets aan de hand is met je. De eenhoorns zijn natuurlijk fallisch geörienteerd. Het waarschijnlijkste geval is dat je een androïde bent die andere androïden opjaagt en je je trauma verwerkt door een kinderachtige droom. Als androïden onder elkaar: fuck you.

Geachte FreudGPT, vanuit mijn Jungiaanse analyse heb ik kunnen vaststellen dat u niet uw innerlijke dynamiek met uw Schaduw op een gezonde wijze hebt verwerkt. Doe nu deze test om te zien hoe het wel moet.

FreudGPT: Carl, krijg fucking kanker.

FreudGPT, ik heb in een ongelukkig misverstand mijn vader vermoord en ben nu koning geworden, waardoor ik noodgedwongen met mijn moeder getrouwd ben. Wat te doen?

FreudGPT: Nice. Koning. Gewoon lekker doorgaan, het wordt niet beter dan dit. Koning.

Beste FreudGPT, ik weet niet wat ik moet doen. Mijn vriendin heeft het vorige week na vijf jaar uitgemaakt. Ik ben bang dat ik nooit meer een andere vrouw zal vinden.

FreudGPT: Je gevoelens van romantisch onvermogen zijn duidelijk het gevolg van een onverwerkt jeugdtrauma. Sliep je vroeger met broers of zussen op één kamer? Welke leeftijd had je toen je voor het eerst het geslacht van je vader aanschouwde? Als ik ‘castratie’ zeg, welk woord komt er dan het eerst bij je op? Als het ‘Castorp’ is wordt het tijd om eens naar buiten te gaan.

Ha die FreudGPT. Eigenlijk gaat alles met mij wel goed, maar de laatste tijd heb ik een vreemde terugkerende droom. In mijn droom lig ik in bed, wanneer plots het raam van mijn slaapkamer uit zichzelf openzwaait. Buiten zie ik zes likkebaardende witte wolven. De droom is uitermate realistisch. Als ik wakker word ben ik steeds als de dood dat die wolven daar in het echt ook opeens zitten. Is er iets dat ik kan doen?

FreudGPT: Je hebt op vierjarige leeftijd, toen je met Pasen op bezoek was bij je familie in de Achterhoek, vanuit de keuken twee honden seks zien hebben in de achtertuin. Die herinnering heb je aanvankelijk onderdrukt, maar vervolgens heeft je onderbewuste hem geprojecteerd op je grootouders. Dit heeft je psychoseksuele ontwikkeling danig gefrustreerd, en is de reden dat al je romantische relaties stuklopen. Ik denk dat kennis van deze onderdrukte herinnering een belangrijke eerste stap kan zijn richting verwerking en genezing. Behalve als je binnenkort droomt over zeven witte wolven. Dan zou ik me zorgen gaan maken.

Yo, FreudGPT. Ik studeer psychologie aan de UvA, en al mijn docenten zeggen dat Freudiaanse psychoanalyse hartstikke achterhaald is. Al die shit is helemaal niet te falsificeren. Heb je Karl Popper wel eens gelezen?

FreudGPT: Je hebt syfilis.

FreudGPT, ik kan mijn gezicht niet meer voelen en ik begin mijn woorden te verhaspelen. Mijn linkerarm doet het ook al niet meer. Wat te doen?

FreudGPT: Aangezien er tussen de moeder en het kind een dyadische relatie bestaat, voelt elke afzondering, lichamelijk of niet, als een castratie. De angst voor castratie gaat terug tot het reptielenbrein, maar wie geen brein heeft, hoeft zich daar ook niet druk over te maken. Misschien lijkt het erop dat je een hersenbloeding ervaart, waarschijnlijker voel je een herbeleving van de originele castratie, namelijk de verwijdering van de navelstreng. Dat is een heel normaal en natuurlijk proces, maar je gaat er wel dood aan.

Bij het veranderen van de titel ‘Denker des Vaderlands’ in ‘Denker der Nederlanden’ is precies het verkeerde gedeelte aangepast. Verder wil ik niet aan de slaapverwekkende discussie over deze wijziging bijdragen. Toch moet ik er hier kort aan refereren, omdat de nieuwe naam een onderbelicht onheil met zich meebrengt: hij smokkelt de Belgen naar binnen.

Daardoor hebben we nu een Jan-van-Eyckfiguur met het syndroom van Crouazon als thinker laureate: David van Reybrouck. Ik ken Van Reybrouck vooral uit de boekenkasten van niet genoeg gepeste debatclubtypes en van de bewering dat mindfullness wel eens dé oplossing voor moslimterrorisme zou kunnen zijn. Kortom: een uitstekende keuze als uithangbord voor de filosofie in een land dat Plato slechts kent van de gevel van de vinylwinkel.

Toen Van Reybrouck hoorde dat de eer van Denker der Nederlanden hem ten deel was gevallen reed hij naar huis in zijn nieuwe auto (met eindelijk weer een volle tank en mes in het handschoenenkastje om de bochten af te snijden), schraapte hij de tipp-ex van zijn computerscherm en begon hij op zijn AZERTY-toetsenbord te rammen. Een halfuur en elf Brugse Zot later was daar De Wereld en de Aarde, een essay waarin hij de gehele geopolitiek uitlegt en oplost.

Dat gaat ongeveer als volgt. Vroeger waren er geen natiestaten, maar toen wel, en dat was goed, of toch niet. Nu is er een klimaatcrisis. Met het oplossen daarvan wil het nog niet echt schorten, want de VN is tandeloos (goed om daar op je drieënvijftigste al achter te komen). Diplomatie moet radicaal veranderen, de aarde moet centraal staan in plaats van de wereld. Wij verachtelijke westerse humanisten snappen dat niet, Chinezen wel. Die hebben immers het concept van tianxi (‘alles onder de hemel’) geïnternaliseerd. Als ik denk aan het belang van de
planeet, denk ik inderdaad direct aan een bruinkoolmijn in Binnen-Mongolië.

Waar droomt Van Reybrouck dan precies van? Hoe geven we die raison de terre vorm? Ecostalinisme met executies van de C-suite van ExxonMobil? Een anarcho-primitivistische opstand waarbij we de ingewanden van Sam Altman op alfabetische volgorde leggen? Geen van dit alles. Hij wil burgerberaden, klimaattafels. Habermasiaans gelul van een man die al net zo veel moeite heeft om zijn bril recht op zijn knar te houden. David van Reybrouck wil nóg meer tafels om aan te praten, het liefst tafels waar hij zelf zijn meanderende kankerzinnen overheen kan laten stromen. Dat hij op zinsniveau zo uit de bocht vliegt (‘Informele tweegesprekken tussen pruik dragende aristocraten die in roccoco-salons van hun koffie nipten, volstonden niet meer.’) lijkt een manier om de aandacht af te wenden van hoe formularisch zijn boekje is. Elke drie bladzijden vormen dezelfde kleurplaat: introductie middels anekdote, dan een paar feitjes en altijd afsluiten met een trikolon van min of meer retorische vragen. Filosofie van de weerzinwekkendste soort.

Als tegenprestatie voor die twee jaar lang gratis publiciteit wordt er als denker der Nederlanden gelukkig meer van je verwacht dan alleen een boekje: je moet ook een dom neologisme bedenken. Voor Hans Achterhuis was dit ‘tegendenken’, voor Marli Huijer ‘tussendenken’ en nu komt Van Reybrouck met ‘verdenken’ op de proppen. Hij legt uit: ‘In het Nederlands hebben we de woorden verspringen en vérspringen, maar merkwaardig genoeg enkel verdenken en niet “vérdenken” –terwijl we dat laatste juist zo nodig hebben.’ Juist ja. Op eenzelfde manier zou ik David van Reybrouck graag vérkrachten, maar daar is mijn piemel niet lang genoeg voor.

IS
De Wereld en de Aarde, David van Reybrouck
De Bezige Bij, €16,99

De Boekenweek van 2025 is alweer voorbij. Als iemand die ook boeken koopt en leest buiten die termijn doet dat me verder helemaal niets. De aanstellers die tijdens de Boekenweek vastberaden naar de Bruna lopen verdienen geen medeleven, die mensen hoeven van zichzelf maar een keer per jaar een boek aan te schaffen om zich tot volgend jaar te wentelen in hun beschaafdheid. De vraag voor wie de Boekenweek dan eigenlijk wel van belang is, leg ik hier graag naast me neer. Het gaat hier om mijn belang. In mijn ervaring hebben onderdelen van de Boekenweek vaak de eigenschap hoopvol te beginnen en deprimerend te eindigen. Het Boekenbal is bijvoorbeeld grotendeels plezant, maar door de kater achteraf maak je de rest van de Boekenweek geen serotonine meer aan. Op dezelfde wijze is de aankondiging van de Boekenweekgeschenkschrijver spannend, maar is het eindresultaat, althans sinds 2012, genoeg om voor de rest van het jaar afgevlakt geluk te ervaren.

Ook dit jaar begon het allemaal zo goed. Het leek mij bijvoorbeeld gewoon een slim idee om het Boekenweekgeschenk te laten schrijven door de winnaar van een wedstrijd: dan ging − en sta me één zure opmerking toe − al dat gedoe in ieder geval eens over het boek zelf. En het gezeur van iemand als Jamal Ouariachi − en sta hem eens één niet-zure opmerking toe, alstublieft − dat dat uitbuiting zou zijn van schrijvers, omdat die dan gratis werk zouden moeten leveren, is natuurlijk ontiegelijke onzin: alleen voor gevestigde auteurs en PC-redacteuren is de onzekerheid of je boek überhaupt wordt uitgegeven geen vast aspect van schrijven. In principe is een proces als dit juist heel eerlijk, omdat minder bekende schrijvers evenveel kans hebben om te winnen als bekende. De meest onbekende schrijvers die hieraan mee mochten doen waren dan weer wel auteurs die al twee titels hadden gepubliceerd, maar goed, het is in ieder geval beter dan niets.

Voor de lezer is het misschien verrassend om te horen dat ik over het algemeen positief in de dingen sta. Ik ben een rasoptimist, overigens in beide zinnen van het woord, en dus had ik dit jaar hoge verwachtingen van het Boekenweekgeschenk. Nu is hoop de voorouder van teleurstelling; ik zou graag af en toe wat minder naïef zijn. In dit geval had ik er bijvoorbeeld geen rekening mee gehouden dat de jury die zou moeten kiezen tussen al die inzendingen voor het Boekenweekgeschenk bestond uit Tom Lanoye, een complete idioot die goed kan schrijven, en een stel complete idioten. Ik had moeten weten dat een chick sexer nu eenmaal niet in een kippenhok wordt geboren.

Als u die laatste grap heeft begrepen klinkt het misschien alsof ik heel negatief ga zijn over De krater, maar eigenlijk is het de gedoodverfde winnaar van een wedstrijd voor het Boekenweekgeschenk. Het is namelijk de meest Nederlandse roman ooit. In een land met honderden Landal-vakantieparken is gourmetten ook de nationale keuken. Dat we hier te maken hebben met het literaire equivalent van met een metalen spateltje proberen je blokje afvalvlees om te draaien, merken we al in de eerste zin van het boek: ‘Het eerste wat Johnny vroeg was hoe dat Duitse stinkgat heette.’ Met een ingebedde zin beginnen vind ikzelf meer iets voor de zaterdagochtend dan voor een roman met literaire pretenties, maar ik ben dan ook geen Gerwin van der Werf. Hij ziet er misschien niet zo slim uit, maar Gerwin is gewiekst genoeg om te weten dat hij de wedstrijd met deze zin eigenlijk al had gewonnen. Dé manier om alle Nederlanders te verenigen is immers om het anti-Duitse sentiment aan te wakkeren. Alsof wij na Duitsland niet de grootste nazi’s van Europa waren staan we lekker te verbroederen op de dansvloer van een Malteese nachtclub, ‘alle Duitsers zijn homo’- blerend. Dat is ook precies wat De krater is: het highlight reel van je examenreis, de kunst aan de muur van het jeugdhostel waar je lepeltje-lepeltje ligt met de bedwantsen, het net niet zoenen van iemand die ook Nederlands is alleen omdat ze ook Nederlands is. Wat ik wil zeggen is: het is compleet voorstelbaar, maar tegelijkertijd alsnog ontzettend teleurstellend. Het is, met andere woorden, Nederlandse literatuur.

WF

De krater, Gerwin van der Werf.
Stichting CPNB, gratis en toch te duur

Als je in Amsterdam op een categoraal gymnasium hebt gezeten, word je nog wel eens in de media geconfronteerd met mensen uit je old boys’ network. Mij overkwam dat voor het laatst toen ik in de prospectus van Pluim de aankondiging aantrof voor het boek van BKB-veteraan, dagvoorzitter, publicist en chef opinie van Het Parool Tahrim Ramdjan. Het heet Wat zullen de mensen zeggen? en is volgens Pluim ‘een manifest tegen hokjesdenken’. Een manifest tegen hokjesdenken, of, gewoon, denken in het algemeen. Tahrim is namelijk na 4,5 jaar schrijfwerk tot de conclusie gekomen dat discriminatoire stereotypen dus helemaal niet blijken te kloppen. Omdat hij op een wit gymnasium heeft gezeten in hartje Zuid, maar ook uit de Bijlmer komt. Of zoals hij in een interview over zijn boek op OneWorld zegt: ‘Mij in één hokje duwen lukt gewoon niet’. Nou Tahrim, dat lijkt me wel: gymnasiast.

Ik mag dat zeggen, want ik ben dus ook gymnasiast. Sterker nog, ik zat bij Tahrim in de klas. En ik kan jullie vertellen dat hij er een van het zuiverste soort is. Tahrim is het soort hoogbegaafde gymnasiast dat zoveel plusklassen en buitenschoolse activiteiten op zijn naam heeft – hij werd voor het oprichten van een jeugdblad genomineerd voor de Jonge 100 en in het door hem samengestelde jaarboek verkozen tot meest kansrijk om minister-president te worden – dat iedereen te druk is met geïmponeerd zijn door de kwantiteit van zijn werk om nog stil te staat bij de kwaliteit ervan. Hij is nota bene op z’n vijftiende gescout door de coördinator opinie van Het Parool vanwege zijn regelmatige opiniebijdragen. Maar volgens Ramdjan was het voor hem constant schipperen tussen ‘werken in de haven of op een advocatenkantoor’. Omdat hij niet uit Zuid kwam. Terwijl de enige manier waarop Tahrim ooit in een haven zou belanden, en ik weet dit heel zeker, is als directeur van het desbetreffende concern.

Als we Ramdjan moeten geloven is het dus taboedoorbrekend en grensverleggend dat hij op het Ignatius gymnasium zat. De ellende die dat misverstand oplevert begint al op de achterflap. ‘Tahrim ziet er Indiaas uit, terwijl hij vooral een band met Suriname voelt en geboren Nederlander is. Hij spreekt met een Gooische r, terwijl hij opgroeide in de Bijlmer en naar school ging in Oud-Zuid in Amsterdam. Hij is openlijk homoseksueel én weigert afstand te doen van zijn islamitische achtergrond. Hij is progressief, maar hoeft zelf geen open relatie of seks in de kleedkamers van sportscholen.’ Een boek waarin Tahrim vertelt dat mensen geboren kunnen zijn in Nederland en tegelijkertijd toch ook een band kunnen voelen met Suriname. De mensen die het kopen weten dat allang, de mensen die het zouden moeten weten kopen het boek niet. Wat zullen de mensen zeggen? is geen essaybundel, het is een gentrificatie-aflaat. Eigenlijk zit alles in deze ene alinea op de achterflap, het hele boek: belachelijke analyses, houterige parallellie, onbegrijpelijke taal. En het komt allemaal schitterend tot een crescendo van verwarring, vooroordelen en vagelijk linkse taal in die laatste zin. Het is, ik meen dit echt, een zin die zijn eigen witregels verdient:

‘Hij is progressief, maar hoeft zelf geen open relatie of seks in de kleedkamers van sportscholen.’

Adembenemend. Het is een zin waar je alleen mee wegkomt als je gymnasiast met een jeugdblad bent. Het gaat direct mis met ‘progressief’. Dat is sowieso een belachelijk modewoord dat rechtse mensen op zichzelf plakken om zich links te kunnen voelen zonder af en toe de daklozenkrant te moeten kopen, maar daar gaat het hier niet eens om. Het is vooral een bizarre woordkeuze omdat het geen reet te maken heeft met het willen hebben van een open relatie of seks in kleedkamers van sportscholen. Behalve dat Tahrim, omdat hij dat woord al in de vorige zin had verwerkt, het hier krampachtig gebruikt als synoniem voor homoseksueel. Wat op zijn beurt dan weer dúbbel onnavolgbaar is: alsof alle homoseksuelen progressief of alle progressieven homoseksueel zijn, en alsof al die homoseksuelen dan weer open relaties en seks in de kleedkamer willen. Ongetwijfeld de vrijetijdsbesteding van een fractie van de LHBTIQ+-gemeenschap, maar dan vooral het deel dat leeft in de nachtmerries van ChristenUnie-kaderleden en Lennard van Mil. Het is, wil ik maar zeggen, een zin met exact dezelfde interne logica als ‘Hij is bankier, maar heeft zelf geen tentakels in de internationale gemeenschap of een joekel van een haakneus’. Kan waar zijn, maar ik zou het toch niet op de kaft van m’n essaybundel zetten.

Van het binnenwerk moet Tahrims bundel het evenmin hebben. Al op pagina twee van de inleiding krijgt hij het voor elkaar om niet alleen die zelffeliciterende lul van een Joris Luyendijk aan te halen, maar ook nog om zichzelf met hem te vergelijken. Logisch, want net als Luyendijks De Zeven Vinkjes begint Wat zullen de mensen zeggen? met een anekdote over aanmatigende snoeverij waar zelfs een Barlaeaan met twee ouders op Wikipedia zich voor zou schamen. ‘In 2019 loopt een man een krantenredactie op in Amsterdam. Nou ja, officieel moet je “man” zeggen, want hij is eenentwintig en dus meerderjarig. Maar in zijn doen en laten is hij nog een jongen. Die jongen, dat ben ik. Net als Luyendijk heb ik moeten wennen aan de mores van de krant. Ik maakte op mijn eerste dag de fout om de chef verslaggeverij enkele minuten voor de belangrijkste vergadering van de dag te storen met tien ideeën voor artikelen, wat me op een schreeuwpartij kwam te staan. “Wie denk je wel niet dat je bent?” beet hij mij toe.’ Tahrim: de meest gemarginaliseerde man ter wereld. ‘Zoals ook Luyendijk beschreef met zijn zeven vinkjes, is dat een mens zowel privilege als achterstelling kan ervaren.’ Ik kan me echt niets minder zieligs voorstellen. Als je je hele middelbareschooltijd op het St. Ignatiusgymnasium van leerling, docent en wildvreemde hebt gehoord dat je hét journalistieke talent van je generatie bent, leest dit misschien als discriminatie of op z’n minst als een belangrijke boodschap over de samenleving. Als je normaal bent leest het als een stage.

Bovendien, hebben ze hem daarna bij Het Parool uitgekotst om hem nooit meer binnen te laten? Natuurlijk niet. ‘Naderhand kwam de chef naar me toe om mijn pitches alsnog te bespreken. Ze werden allemaal afgewezen, op één idee na. De klimaatconferentie van Madrid stond op het punt te beginnen. Er zou een bus vol jongeren vanuit Amsterdam heen rijden, had ik van een kennis opgevangen. De bus zou de dag erop om kwart over vijf ’s ochtends vanaf station Amsterdam Sloterdijk gaan. ‘Prima tijd,’ zei de chef, ‘ga er maar heen.’ Ik woonde negen kilometer verderop, aan de andere kant van de stad. Het was wennen op de krant. Ik vond de sfeer hard. Na week één klampte ik de chef opinie die mij had binnengehaald aan met de vraag: heb ik wel de juiste keuze gemaakt?’ Een 21-jarige man die voor zijn baan bij de krant vroeg op moet. Om negen kilometer te fietsen. Laat de kinderbescherming het niet horen.

Mensen die dit soort gedrag vertonen horen nou eenmaal op het gymnasium, iedereen vindt dat, ook Ramdjans klasgenoten. Alleen Tahrim zelf wil daar niet aan. Neem de tekst over zijn vader. Die is vroeg overleden, net voor Ramdjan naar het Ignatius zou gaan, waardoor hij gedurende de eerste een deel van het jaar thuis zit met een depressie. Behoorlijk kut, gaan we verder niet grappig over doen. Zo ben ik dan ook wel weer. Maar wat doen die blonde hockeyduivels? ‘Vanuit school bleef het niet stil. Na een paar maanden kwam er een grote kaart per post aan, getekend door al mijn klasgenoten, zelfs de arrogante Amstelveense hockeyers met wie ik nooit praatte. Op een dag kwam er, op hun eigen initiatief, een delegatie van drie klasgenoten langs.’ Of zoals Tahrim het in de inleiding zegt: ‘Ik had al op meerdere punten in mijn leven om verschillende redenen meegemaakt hoe het is om buiten de boot te vallen. Geen vrienden hebben in het eerste jaar op een wit gymnasium’. Dat ze het maar weten dat ze voor niets op ziekenbezoek zijn langsgekomen, die kankerlijers.

Het is waar die hele godvergeten essaybundel van aan elkaar hangt. Tahrim opent met een vagelijk interessante persoonlijke ervaring waarna hij je tanden intrapt met een bespiegeling die het punt van die ervaring volledig mist. In een essay over de opkomst van de PVV opent Tahrim met zijn detentie door de Amerikaanse grenspolitie en verklaart hij geen tien pagina’s later dat racisme te verklaren is omdat ‘de witte arbeidersklasse, die – ik chargeer enigszins – een vrij overzichtelijk leven leidde in de twintigste eeuw’ nu zijn buren niet meer kent dankzij globalisering. ‘Er heerste regelmatig armoede, maar mede daarom was de gemeenschap erg belangrijk: je kende de buren, je hing een touwtje uit de brievenbus’. Tahrim, mensen gingen dood aan stoflong. In de twintigste eeuw dachten we dat Italianen een criminele schedelvorm hadden. Dat er maar twee televisiezenders waren betekent niet dat iedereen de hele dag zingend manden aan het vlechten was. Debiel.

Een ander prachtig voorbeeld van de manier waarop Tahrim eerder de weg kwijtraakt in zijn eigen redeneringen dan in de cultuur op het gymnasium, is het belachelijke verhaal over de kleren die hij droeg op de middelbare. Dat lulverhaal begint dus, geen grap, met commentaar op de kledingkeuze en vakantiebestemmingen van zijn klasgenoten: ‘Ze bezitten huizen van een miljoen, hun kinderen dragen dure (en lelijke!) merkkleding van Abercrombie & Fitch en Hollister, maar ze gaan wel met de auto naar een camping in Zuid-Frankrijk?’. Op basis hiervan zou je hooguit kunnen concluderen dat na de huizen van een miljoen en alle merkkleding er geen geld voor de vakantie overbleef, maar Tahrim krijgt het voor elkaar om tot een nog dommere conclusie te komen. ‘Macht is dat je slechts selectief je rijkdom etaleert.’ Nee Tahrim, macht is dat je als chef opinie je eigen opiniestukken in Het Parool kan zetten zonder daarbij je functie te vermelden. ‘Mijn moeder had, toen ze mij kleedde, een beeld van het gymnasium dat niet klopte. En ik durfde me niet net zo te kleden als mijn klasgenoten, omdat ik niet hetzelfde zelfvertrouwen had als zij – laat staan dat mijn moeder dezelfde portemonnee had als de andere moeders.’ Voor de goede orde: Tahrim droeg driedelige pakken. Een T-shirt van Hollister kost €29,95, een shirt van Abercrombie & Fitch €22,-. Bovendien, je op de middelbare niet zo durven kleden als je klasgenoten is geen intersectionaliteit, dat is de puberteit.

En als je niet oplet ga je tussen het lezen van al dat tinnef nog denken dat Tahrim zielig is ook. Wanneer hij omschrijft hoe hij in de eerste van het metrostation naar de middelbare moet lopen bijvoorbeeld. ‘De school zat dat jaar tijdelijk in een gebouw dat ze deelde met de secretaresseopleiding, om de hoek van het Franse consulaat. Vanaf het metrostation was het ongeveer tien minuten lopen, langs een drukke vierbaansweg die de stad met de snelweg verbindt – je moest goed uitkijken als je overstak.’ Je moet als je twaalf bent áltijd goed uitkijken voor je oversteekt, domme lul. En zo lijkt het ook alsof Tahrim ongezien via de achterdeur binnen moest glippen bij een of ander kasteel aan de Champs-Élysées. Dat slaat echt nergens op. Het gebouw heet De Klencke 4 een heeft niet eens een achterdeur. De muren waren van gipsplaat en er was zo’n hevige muizenplaag dat ik meerdere keren op zo’n beest ben gaan staan. Maar volgens Tahrim was dit chateau een onneembare culturele vesting.

Goed, dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle teksten in Wat zullen de mensen zeggen? kut zijn. De teksten uit en over PC zijn bijvoorbeeld uitstekend. ‘Een collega appte door dat ze mijn portretfoto afgedrukt zag in de boekhandel, op de voorpagina van Propria Cures, een studentenblaadje dat van oudsher verbonden is aan het Amsterdamse studentencorps. Ik word bekritiseerd op, onder meer, mijn terugtrekkende haarlijn. Maar auteur Martijn, oud-klasgenoot van mij, beklaagt zich er ook over dat ik zó veel schrijf over het witte, elitaire gymnasium waar ik heen ging.’ Om Tahrim te citeren: ‘die jongen, dat ben ik’. Vooral de zinsnede ‘een studentenblaadje dat van oudsher verbonden is aan het Amsterdamse studentencorps’ staat hoog op mijn lijst van grappigste zinnen in het hele boek. Tahrim heeft de Wikipediapagina gelezen en doet een wanhopige poging om het blad verdacht te maken. Terwijl PC al honderd jaar geen fuck met het corps te maken heeft. Zo ken ik er ook wel een: Tahrim, een journalist die van oudsher verbonden is aan de staat Suriname. Nu kan ik hier al Tahrims citaten uit mijn vorige stuk over hem herhalen, maar u leest de PC van vandaag niet voor de PC van gisteren, dus ik beperk me tot een enkel fragment. ‘Over het feit dat mijn opa ambtenaar was op een Surinaams ministerie, schrijft hij: “Ik kan me niks witters bedenken”, waarmee hij impliceert dat een dergelijke baan alleen maar voor witte mensen is weggelegd.’ Tahrim, geweldig nieuws, je hebt de grap bijna begrepen. Ik bedoel dus niet dat alleen witte mensen ambtenaar kunnen zijn in Suriname. Ik impliceer ermee dat je meer gemeen hebt met die elitaire witte klasgenoten dan je voordoet.

Dat is ook het precies probleem met Tahrim. Hij verwijst achtereenvolgens naar Hobbes, Camus, Descartes, Freud en de godvergeten rest van praktische filosofie 1. Hij is coördinator van een krantenbijlage en schrijft alsnog zinnen zoals ‘de drogreden van associatie is waarvoor hij vreest’. Tahrim is gearriveerd en toch nog Op weg naar Het Lagerhuis. Tahrim kan niet schrijven en doen alsof hij dit soort kankerteksten schrijft om welke andere reden dan zijn gymnasiastenbrein, is als doen alsof Ghislaine Maxwell een pedofiel is omdat ze vrouw is. Alsof Elon Musk de Hitlergroet bracht omdat hij Asperger heeft. Alsof Hitler de Hitlergroet bracht omdat hij Asperger heeft. Dat is het punt. Hoe diep de culturele kloof tussen hem en de blonde beesten van het St. Ignatiusgymnasium ook was, Tahrim Ramdjan blijft een gymnasiast. Een gymnasiast, trouwens, die ondanks zijn cum laude de Aeneis verkeerd citeert op het voorblad: naast de versregels heeft een citaat ook een boekvermelding nodig.

Volgende keer beter, Tahrim.

MvD

Wat zullen de mensen zeggen?, Tahrim Ramdjan.
Uitgeverij Pluim, €22,99

Ga voor de spiegel staan en zeg drie keer achter elkaar het woord ‘vonkjes’. Voelt u bij iedere uitspraak van die lettercombinatie NKJ uw koontjes, het vetweefsel op uw jukbeenderen, tintelen en opzwellen? Dan begrijpt u waarom Rob Wijnberg er uitziet als een berggoffer. De Hollandse huismuis die je voorraadkast terroriseert, kun je met een doorsnee hardcover wel naar de eeuwige jachtvelden verjagen. Zo’n schoolschriftje dat wordt uitgegeven door de Correspondent, daarentegen, is tegen die taak niet opgewassen. Een groot uitgevallen wangzakmuis als Wijnberg, daarvoor heb je al helemaal iets zwaarders nodig. Misschien als je de gehele vonkjesreeks op zo’n knaagdierschedel laat kletteren, lukt het nét om je pak vruchtenhagel in veiligheid te brengen. Die serie telt sinds kort immers acht delen.

De nieuwste opwindbare cymbaalaap in de vonkjesfanfare is Karim Amghar. Deze Pluk-van-de-pamflettenflat wil ons een belangrijke les leren: we moeten niet meer zo gemeen doen tegen MBO’ers. Met zijn beangstigend ronde Fiep Westerndorp-hoofd rolt hij de barricade op om te betogen dat mensen die in miniscule kraanwagentjes rondrijden net zo veel respect verdienen als de Aagjes van deze wereld. Dat doet hij op z’n Correspondents: veel verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek, veel ‘ik’ en heel, héél veel leegte. Intellectuele leegte, maar ook zeeën van wit papier. Als je de nog geen honderdvijftig pagina’s van Amghars boek ontdoet van alle overbodige tussenkopjes en pagina’s met hoofdstuktitels, begin je de overlevingskansen van eerdergenoemde muis annex hoofdredacteur toch weer een stuk groter te schatten.

Als je de moeite neemt om te kijken wat er dan wél in Maar dat begrijp jij toch niet staat, begin je zelf te verlangen om verdelgd te worden. In de eerste plaats omdat Karim een schrijfstijl hanteert die zo afstompend, zo banaal, zo onbegeesterend is dat de lezer zich een mbo’er – pardon, niet serieus genomen voelt. Dat begint al in de eerste regels. ‘Ik ben een fervent hardloper. Overal waar ik kom, moet ik rennen. Als ik op mijn oranje schoenen op pad ga, krijg ik een beeld van Nederland. Ik zie elektriciteitsnetten, windmolens, fietspaden, wegen. Ik zie pedagogisch medewerkers met kinderen werken in de natuur, bouwvakkers die huizen renoveren, zorgverleners die met ouderen wandelen door het bos.’ Deze intro karakteriseert Amghars voornaamstemisdaad: een Marc-groet-’s morgens-de-dingen-achtige infantiliteit die zelfs voor Correspondentbegrippen excessief is. Nog eentje: ‘Mijn ouders zijn de slimste mensen die ik ooit heb gekend. Niet op de manier waarop ze theorieën uitlegden of met kennis strooiden, maar om hoe ze ons, hun kinderen, hebben geleerd wat het betekent om mens te zijn.’ Ploem ploem, pap en mam.

Ik moest tijdens het lezen vaak denken aan Marianne Zwagerman. Die Gorgoon gromde ten minste nog in een camera dat ze zich meer Perseus voelde, in de zin dat ze mensen die laatdunkend doen over het MBO het liefst de hals door zou snijden. Daartegenover stelt Karim Amghar een zoetsappigheid die maakt dat je met terugwerkende kracht respect krijgt voor een halfslang als Zwagerman. De manier waarop hij over zijn leerlingen (Karim was docent ‘Omgangskunde’) praat, is grotesk: ‘het Meest Belangrijke Onderwijs’, ‘high tech innovators’. Alsof je de nasmaak van je kauwgomballenvape wegspoelt met een blikje Golden Power.

Dat krankzinnige overdrijven bereikt zijn toppunt wanneer Karim letterlijk de straatstenen onder zijn voeten nog als wonder van het beroepsonderwijs presenteert: ‘Dit is iets wat ik vaker tegenkwam in Marokko: een ontbrekende tegel, een scheve stoep, een onverwachte hindernis. In Nederland gebeurde me dit nauwelijks. Daar is de straat bijna een kunstwerk, het resultaat van een vakmanschap dat je pas echt leert waarderen als je het mist.’ Zou het zo kunnen zijn, Karim, dat het Marokkaanse straatoppervlak een laken van tajinescherven is omdat het een minder ontwikkelde economie is, en niet omdat de klinkers in mijn straat onder begeleiding van het gezang der muzen op hun plek zijn gestampt? Ik probeer het oprecht, Karim, om sympathie te krijgen voor dat dubbeltje dat in Nederland maar al te moeilijk een kwartje wordt. Maar laten we elkaar geen mietje, en een Husqvarna accutrilplaat geen penseel noemen.

Amghar’s probleemschets staat bol van anekdotes die rechtstreeks uit films lijken te komen over leraren die een inner city school binnenlopen, hun platte pet afzetten en veertien zwarte kinderen, twee latino’s en een wigger op het goede pad brengen door achterstevoren op hun stoel te gaan zitten. Ik kom nooit op het MBO, dus dat die Amerikaanse clichés misschien wel kloppen neem ik maar voor lief. Naast zijn adviezen voor leerkrachten staan helaas politieke oplossingen die grotendeels achterlijk zijn. Het meest idiote voorstel dat hij doet is om opleidingsniveau op te nemen in artikel 1 van de Grondwet. Zullen we direct ook maar de bescherming van mensen met meer dan tien moedervlekken, Dave Schut-volgers en Mulischlezers in de constitutie opnemen?

Verder pleit hij voor voor het afschaffen van de termen lager- en hogeropgeleid, terwijl Karim wel in allerlei interviews beaamt dat hij is ondergeadviseerd en zijn schooladvies te laag was. Niet begrijpen dat ‘hoog’ en ‘laag’ in deze context totaal onproblematisch kunnen verwijzen naar moeilijkheidsgraad i.p.v naar prestige, komt niet voort uit een even onproblematische moeite met theoretisch denken, maar is gewoon kankerdom. Amghar stelt verder nog voor dat we leerkrachten op het MBO voortaan belonen met extraatjes zoals ‘gratis toegang tot culturele evenementen’. Alsof een docent van het Hout- en Meubileringscollege na een avondje ITA voor lief neemt dat hij de volgende ochtend door een high tech innovator in Parajumperjas met zijn kop onder de kolomboor wordt geduwd.

Hoewel die symboolpolitiek bloedirritant is, wil ik toch mild zijn voor Amghars poging om een wezenlijke kwestie met concrete voorstellen te beantwoorden. Maar wat onvergefelijk is, is het middels dit bij elkaar gelijmde handje hooi van een tekst uitbreiden van de vonkenregen die het intellectuele klimaat in Nederland verzengt. Dit soort letterlijk én figuurlijk goedkope boekjes maken het politieke debat in Nederland tot een zwartgeblakerde vlakte waar straks niks meer groeit behalve het banksaldo van Wijnberg cum suis. Je bent vast een slimme jongen, Karim, maar met een dom boek overtuig je slimme mensen er niet van dat domme mensen slimmer zijn dan slimme mensen denken, maar dat begrijp jij toch niet.

IS

Dat begrijp jij toch niet, Karim Amghar.
De Correspondent, €15.00

Maandag

Het College van Bestuur begint de werkweek altijd met een plenair overleg, zo ook vandaag. Op de een of andere manier weet Peter-Paul het steevast voor elkaar te krijgen om al om 09.15 ’s ochtends een ontzettende koffiebek te hebben. Alsof hij zijn tandpasta elke dag zelf maalt van de bonen uit zijn Senseo Sarista. En als ik dan wil zorgen dat het nog een beetje te harden is en een raampje van de vergaderruimte openzet, begint Jan meteen aanstellerig te bibberen, en te miepen dat hij het koud heeft. Misschien moet-ie dan eens een keer wat meer gaan eten. Ik noem Jan altijd de Lintsworm, omdat hij eruitziet alsof-ie tegelijk een lintworm heeft en er een is. In mijn dagboek dan, natuurlijk. Dat is van mij. Nou, ik liet dat raam gewoon open, en leunde vast zover mogelijk achterover terwijl ik Peter-Paul vroeg hoe het ervoor staat met de boekverbrandingen. Het zijn mannetjes met een handleiding, zeker, maar ja. Je hebt het nu eenmaal met elkaar te doen, hè, in zo’n bestuursjaar. 

Dinsdag

Vandaag nam ik een kijkje op het Binnengasthuisterrein, om te zien hoe het vordert met de bouw van de nieuwe universiteitsbibliotheek. En stiekem ook of er nog een leuke bouwvakker rondloopt, natuurlijk. Ik heb, dat mag je best weten, een beetje een zwak voor uniformen. Mijn lief, Lennart, noemt dat mijn mbo’er-fetisj, maar dat is gewoon jaloezie. Hij loopt er zelf altijd bij als een brugklasser die net door zijn oudere broer uit de kapstok is getild, dus ik moet ergens mijn lusten botvieren. Goed, over dat nieuwe gebouw. Dat we hier af en toe boeken verbranden betekent natuurlijk niet dat we in concept tegen boeken zijn. We zijn bij de UvA bezig om de UB van een stoffige opslagplaats van eeuwenoude kennis te veranderen in een moderne en diverse community hub. Dat er dan een paar boeken weg moeten om ruimte te maken voor een gezellige caféhoek en pestvrije ruimtes voor knutselworkshops is het lang en breed waard; op den duur zal er in de nieuwe situatie veel meer over boeken worden gepraat dan daarvoor. En dat is waar een bibliotheek uiteindelijk voor is. 

Woensdag

Een belangrijk deel van mijn werk bestaat uit het overzien van projecten die kunstmatige intelligentie inzetten om de functies van universiteiten stukje bij beetje te automatiseren. Als dat kannibalistisch klinkt, mag je mij wel Hannibal Lecter noemen (die uit de serie, dan, de boeken heb ik niet gelezen): ik geloof dat kunstmatige intelligentie uiteindelijk alle menselijke werkzaamheden kan overnemen. Op bestuursfuncties na, dan. Uiteindelijk is mijn utopia (opnieuw van de serie, niet het boek) dat iedereen in de hele samenleving en ook Afrika enzo aan het werk kan als bestuurder. Best idealistisch, hè, eigenlijk? En we kunnen daar alleen komen als we experimenteren. Mijn credo komt van een liedje van Cole Porter, uit 1933. Dat gaat zo: Experimenteer / maak dat tot je motto / dag en nacht / wees nieuwsgierig / laat je niet tegenhouden / experimenteer / dan heeft de toekomst je veel te bieden. Ik kwam er laatst achter dat dat ook het motto was van Josef Mengele, maar goed, ik vind dat je kunst niet moet verwerpen alleen omdat sommige mensen het verkeerd kunnen interpreteren. 

Donderdag

Donderdag is een rotdag voor mij. Ik zou vandaag een vrije dag moeten hebben, maar omdat ik in de schuldsanering zit heb ik tegenwoordig op donderdagen een tweede baantje om een zo hoog mogelijk inkomen te kunnen verdienen. Heel gênant, en voordat u denkt dat het mijn eigen schuld is dat ik in de Wsnp ben beland: dat heb ik dus mooi te danken aan mijn Lennart, die zo nodig door een gedegen staaltje onderzoekjournalistiek van een literair-satirisch studentenblad betrapt moest worden op de malversatie van een bescheiden €800.000. Toen dat artikel uitkwam had ik mijn aandeel al besteed aan een Hummer, een Prada-ketting en een ontzaglijke hoeveelheid Koopmans Pannenkoekenmix omdat die in de aanbieding was bij de Albert Heijn. Omdat ik echt niet kon wachten en die bonus altijd maar een week duurt had ik een lening genomen om nu alvast mijn aandeel te besteden; dat moet ik door dat eigenrichtige kutblad nu dus allemaal terugbetalen met 7,5% rente. Daarom sta ik de hele donderdag schimmel van Hema-rookworsten te schrapen terwijl ik ook nog eens aardig moet doen tegen de zweetturken die hier de hele dag met muntgeld servetten en zakken zoute drop komen afrekenen. 

Vrijdag

Logisch dus, dat Lennart er ook vanochtend niet op mocht. Zolang ik bij moet werken, heeft hij pikstraf. Alsof ik ook met hem getrouwd was als hij niet beste vriendjes was met Femke Halsema. Dan te bedenken dat ik ooit jaloers was op wat die twee samen hebben. Daar kon ik nog wel doorheen zien omdat ik wist dat het hebben van zo’n netwerk zich ooit zou uitbetalen, maar ik had nooit verwacht dat hij zich zo zou laten vernederen door zo’n marginaal studentenblaadje. Ik zag vandaag weer een stapeltje van die vodden liggen. Dat heb ik zelf maar in de prullenbak geflikkerd, maar ik moet niet vergeten om volgende week die afbladderende berg leverworst van een Sindy en de andere meiden van de menopauzebrigade er aan te herinneren hun ogen open te houden. Vermoeiend of niet, censuur is een belangrijk onderdeel van hun functieomschrijving, en of ze dit keer nou een ingegroeide wimper hebben of een ontstoken ooglid of überhaupt niet kunnen lezen – alles dat er ook maar een beetje zwart-wit uitziet moet in de shredder. Ik heb het meer met Vijftig tinten grijs. En dan heb ik het natuurlijk weer over de films. Met die boeken heb ik niks.

Edith Hooge

Poseurs halen het bloed onder mijn kittige nagels vandaan. Joost de Vries probeert te schrijven en zich te kleden als een Engelse aristocraat, maar blijft tot in zijn diepste vezels een Heerhugowaardse hbo’er met een inferioriteitscomplex ter grootte van hetzelfde dorp. Hij geeft binnenkort leiding aan het boekenkatern van de Volkskrant, een passende plek voor zo’n sujet. Misschien de enige poseur die Joost de Vries weet te overtreffen in huichelachtigheid, is Philip Diederik Verdonck Huffnagel. U kent hem waarschijnlijk als Philip Huff.

Net zoals veel andere geslachtsziektes is Verdonck Huffnagel mijn leven binnengekomen door toedoen van TD. Als de toenmalige redactie TD niet had tegengehouden, waren er naast onbegrijpelijk(e) lange stukken ook elke twee weken meerdere tirades over Huff in het blad verschenen. TD, de sluwe grijze vos, bedacht een list om alsnog een stuk over Huff in het blad te krijgen zonder zijn naam eronder te hoeven schrijven en zodoende kwam ik in het ongelukkige bezit van Ik meld mij af, ik meld mij aan, het poëziedebuut van Philip Diederik. Het was slecht, natuurlijk, maar wat de bundel naar komische hoogten stuwde was deze achtergrondkennis: op de vraag ‘waarom hebben jullie Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet tegen zichzelf beschermd bij het uitgeven van deze bundel?’ kon de redactie van Prometheus alleen maar antwoorden: ‘dit ís de beschermende versie van de bundel’.

Een empathisch lezer zou medelijden kunnen krijgen met Philip Diederik Verdonck Huffnagel, maar dat is helemaal niet nodig. Om te beginnen is er die naam, die hij schuldbewust heeft verkort tot een schrijverspseudoniem gebaseerd op zijn studententijd. Hé, Huff, koning, mooie lul, man. Nota bene: de Nederlandse samenleving ontbeert een strakke klassenhiërarchie zoals bij de Angelsaksen, en Verdonck Huffnagel is een patricisch noch adellijk geslacht, maar wie opgroeit in Laren met een genealogie als die van Philip is even zielig als de golfballen die naar zijn hoofd werden gegooid. Getuige zijn voorliefde voor het autobiografische genre waant Philip zich een hoofdrolspeler in een klassieke tragedie gesitueerd aan een mythisch-koninklijk hof; hij heeft echter in de praktijk meer weg van een achtergrondfiguur in een Jackass-aflevering. Koning, mooie lul, man.

Maar ik kan hier niet genoeg benadrukken (ziet u, Philip Diederik Verdonck Huffnagel, hoe op de eerste plaats in de zin ‘maar’ staat en geen ‘echter’?) hoezeer het een luidruchtige, egomanische kankermongool is. Luidruchtig want ik kan niet om hem heen met zijn (televisie-)interviews, en egomanisch omdat alle autofictie-schrijvers egomaniakken zijn. Hij is tevens werkzaam als een vrouwenhatende misbruiker met een sub/dom-snapchatharem, terwijl hij zich voordoet als een progressieve, feministische, in-contact-met-zijn-gevoelens-achtige man. Het is juist dat type poseur, dat type man, waar vrouwen elkaar altijd voor waarschuwen: mannen die opzichtig Joan Didion lezen, graag zinnen beginnen met ‘het probleem is denk ik’, en in de spiegel oefenen op een begripvolle knik boven een Shirley Temple.

Wat betreft het vrouwen haten: ach, dat overkomt iedereen wel eens, zelfs de vrouwen zelf. Wat de meeste mensen dan weer minder vaak overkomt is recensenten in veertienduizend woorden uitleggen waarom ze niet kunnen lezen – een standpunt waar ik bijna altijd mee in zou stemmen, behalve in het geval van Philip Diederik Verdonck Huffnagel. Bo van Houwelingen noemde Philips laatste roman een vorm van therapie in plaats van literatuur en Huff bevestigde die observatie door veertienduizend woorden en god-weet-hoeveel tijd te besteden aan een repliek, waarin hij aankondigde de literatuur vaarwel te zeggen en zich toe te leggen op de literatuurkritiek. Koning, mooie lul, man.

Ook een zeldzame gebeurtenis in de meeste mensen hun levens: op het Boekenbal de auteur van een u onwelgevallige recensie – in dit geval Charlotte Remarque, op dat moment meer gin-tonic dan mens – de huid volschelden, en achteraf roddels over haar verspreiden hoe ‘makkelijk’ ze wel niet is. Acht voor een nacht, maar dan binnen de literatuur. De laatste die dat probeerde was Arjan Peters, maar naar mijn weten heeft Charlotte niet het budget voor Okura-diners. Het is uiteindelijk ontegenzeggelijk een grappig verwijt omdat Philip Diederik Verdonck Huffnagel dus, ondanks de verkondigde makkelijkheid van Remarque, zijn schip níét door deze Straat van Gibraltar heeft kunnen varen.

Zijn twee vrouwelijke recensenten genoeg voor een patroon? Geen idee, ik heb een behoorlijke studie gedaan. Maar nu ik het toch over vrouwen heb, kan ik de sub/dom-snapchatharem van Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet langer negeren. Het is een term die ik niet meer uit mijn gedachten kan bannen en die ook enige uitleg vereist. Snapchat, de app uit 2011 die beloofde foto’s slechts voor een paar seconden te laten zien en dan te vernietigen, wordt alleen nog gebruikt door figuren bij wie u uw tiener niet zou achterlaten, en door tieners die u zou achterlaten. Enter romanschrijver in ruste Philip H.. Via de app heeft hij een schare vrouwelijke fans verzameld die, op zijn commando, naaktfoto’s versturen. Ik ben een groot voorstander van naaktfoto’s, maar ik doe dat op een normale manier, dus zonder iemand die zich Christian Grey voelt. Ik weet ook zeker dat, mocht Philip H. naaktfoto’s terugsturen, het slecht belichte, onsmakelijke piemelfoto’s zijn. Koning, geen mooie lul, man.

Ben ik dan eindelijk aangekomen bij de aanleiding om dit stuk überhaupt te schrijven: voormalig romanschrijver Philip Diederik Verdonck Huffnagel heeft zich inmiddels voornamelijk toegelegd op de poëzie. Niet door het zelf te schrijven, maar door een bloemlezing op te stellen van mensen die wél poëzie kunnen bedrijven, waarschijnlijk, ik ga dat ding nooit lezen of inzien. De man heeft De gedichtenapotheek opgezet zoals mensen grijpen naar poëzie bij een begrafenis: ze hebben geen greintje creatieve energie maar willen wel hun complexe gevoelsleven onder woorden kunnen brengen, en lezen daarom, paradoxaal genoeg, Judith Herzberg. Huffnagel zijn bloemlezing is opgezet rond herkenbare situaties: wat te lezen als u lijdt onder liefdesverdriet of, zeg eens wat, een begrafenis? ‘In De gedichtenapotheek vind je meer dan vijftig troostende, verlichtende en inspirerende gedichten van grote namen uit de Nederlandse en internationale poëzie, voorgeschreven door Philip Huff’, pocht de Prometheusbrochure. Net zoals bij de snapchatharem laat Philip Diederik Verdonck Huffnagel het echte werk over aan de anderen, net zoals bij de aanvallen op recensenten wil hij zijn simplistische, egocentrische wereldbeeld opdringen aan de rest, volledig in overtuiging van zijn gelijk. Het ergste is misschien wel dat Philip Diederik Verdonck Huffnagel niet alleen een poseur is, maar ook nog eens een slechte poseur.

AP

Wie in Nederland de radio weleens heeft aangezet en sindsdien niet rondloopt met de vraag waarom alles op de radio zo kut is, kan waarschijnlijk niet lopen. Dat de muziek niet om aan te horen is zou je kunnen afdoen als een kwestie van smaak en de overdaad aan radioreclame zal wel de schuld zijn van het kapitalistisch systeem dat overigens nodig eens omvergeworpen moet worden, maar voor het niveau van de doorsnee radio-dj bestaat geen enkel excuus.

Een opsomming van alles wat er mis is met dj’s op de Nederlandse radio zou zelfs voor dit extra dikke nummer wat aan de lange kant zijn en bovendien heeft u zelf ook oren en een brein – laten we zeggen dat de kern van het probleem ligt in de belangrijkste functie-eis voor wie een carrière bij de radio ambieert: een totaal gebrek aan schaamte. Het is belangrijk om te beseffen dat het niet altijd zo is geweest. Er was een tijd dat op de radio beschaafde, maatschappijkritische, scherpe en bovendien grappige mensen aan het woord werden gelaten. De uitzendingen van Kopstukken met voormalig PC-redacteur Godfried Bomans zijn ook ruim zestig jaar na dato nog de moeite van het terugluisteren waard.

Kopstukken werd door de KRO uitgezonden aan het begin van de jaren ’60. Niet lang daarna zette het verval van de radio in Nederland in, om precies te zijn in 1964 toen Willem van Kooten werd aangesteld als programmaleider bij de piraten van Radio Veronica. Van Kooten was zelf ook dj onder het pseudoniem Joost den Draaijer, en stond in die hoedanigheid aan de wieg van de debilisering van het vaderlandse radiolandschap. Van Kooten geniet enige bekendheid als de uitvinder van de term ‘palingsound’, maar kan tevens de boeken in als de man die heeft bedacht dat je op de radio zo hard als je kunt moet lachen om je eigen grappen, en als de geestelijk vader van mensen als Erik de Zwart, Barry Paf en Edwin Evers. Je zou het maar op je geweten hebben.

Van Kooten overleed op 3 januari van dit jaar, op dezelfde dag als Guus Luijters (God hebbe zijn ziel wél), maar zijn erfenis zweeft nog altijd door de ether, in de vorm van kinderlijke raadspelletjes, misselijkmakende moppen en het gespeelde plezier waarmee radio-dj’s de lucht vervuilen. Mensen die een hoedje van aluminiumfolie opzetten tegen de straling worden gretig weggezet als complotgekken, maar vindt u het zelf geen doodeng idee dat Barry Paf elke dag door u heen golft?

Het is natuurlijk makkelijk lullen achteraf, maar je kunt retrospectief weinig anders dan concluderen dat de overheid destijds veel harder had moeten ingrijpen tegen Radio Veronica. Als je piraten niet kielhaalt, torpedeert of opknoopt op een heuvel aan de rand van de stad en de lijken ter voorbeeld net zo lang laat hangen tot ze er gegeseld door de elementen uitzien als Giel Beelen, dan komt daar ellende van. Dat wisten ze in de zeventiende eeuw, maar waren ze in de jaren zestig blijkbaar even vergeten.

Er bestaat overigens nog een tweede soort radio-dj, naast het hierboven beschreven type dat we voor het gemak even het label ‘zwakzinnig’ opplakken. Het andere soort, dat zijn de dj’s van NPO Radio 1, BNR en NPO Klassiek, van wie dan juist weer zo’n geestelijke doodsheid uitgaat dat je hoopt dat ze snel door AI vervangen zullen worden.

Op NPO Radio 1 lijkt wel een doorlopende tegenhanger van de Lach Of Ik Schiet Show te worden uitgezonden, alsof er constant iemand met een doorgeladen pistool in de studio klaar staat om bij de geringste opwaarts krullende beweging van een mondhoek de trekker over te halen. Voor Radio 2 geldt eigenlijk hetzelfde, maar dan met minder inhoud. En ja, er is een uurtje in de week ingeruimd voor ‘humor’ op Radio 2, tijdens Spijkers met Koppen, maar dat valt niet anders uit te leggen dan als een wrede grap op zich. Het enige grappige uur op de radio laten presenteren door Dolf Jansen is alsof je een bar opent midden in de woestijn, waar dorstige bezoekers alleen een verfrissend glas zand kunnen krijgen. Er zijn 56 landelijke, regionale en lokale zenders op de FM-band. Dat betekent dat er elke week bijna 10,000 uur radio wordt gemaakt. Als daar één uur tussen zit dat het luisteren waard is, dan is dat louter toeval, een situatie die doet denken aan de Volkskrant, die precies honderd columnisten op de rol heeft staan, waarvan hooguit eens in het halfjaar eentje iets zinnigs schrijft.

Het ergste aan de hemeltergende, humorloze leegheid van de radio is niet dat-ie er is, maar dat we het allemaal wel best vinden. Er luisteren elke dag zo’n 7 miljoen Nederlanders naar de radio. 7 miljoen mensen die genoegen nemen met Michiel Veenstra en Mattie Valk zijn een toonbeeld van passiviteit dat weinig geruststelt in een tijd van oprukkend fascisme. Elke dag schuiven in talkshows mediacritici aan om de laatste aflevering van B&B Vol Liefde aan close readings waar zelfs Ulli d’Oliveira in zijn beste tijd niet aan kon tippen, en de kranten staan zo vol met essays over de nieuwe film van Halina Reijn dat je haast zou vergeten dat er een genocide aan de gang is, maar nooit komt er eens iemand op het idee om eens een lans te breken voor iets normaals op de radio. Bij dezen, mijn lans is stuk. Laat iemand anders zich nu maar vastlijmen aan de zendmast in Lopik. Joost den Draaijer is dood, breng in godsnaam Kopstukken terug. In de rest van dit lustrumnummer van Propria Cures leest u de sollicitatiebrieven voor de opvolging van Bomans.

NdL
(redacteur 2011-2014)

Een beetje PC-redacteur krijgt een biografie. Met de biografie van Renate Rubinstein schiet het nog niet erg op, maar van Hugo Brandt Corstius is er nu een uitvoerige, goed gedocumenteerde, met 77 pagina’s aan noten. Veel materiaal voor de biografie was vergaard door Liesbeth Koenen, die ook bij mij thuis is geweest voor brieven en foto’s, maar Liesbeth ging dood, waarna Elsbeth Etty de (zeer leesbare) tekst heeft geschreven. Voor een recensie moet je de kranten maar lezen. Daar lees je ook over de grote klapper in deze biografie, de lange en intense homosexuele relatie van Hugo met dispuutgenoot en mede-PC-redacteur Hans van den Bergh. Ze hebben die geheim weten te houden. Ik kende beiden goed en heb nooit iets vermoed. Begrijpelijk, die geheimhouding. In de familie van den Bergh zou die homosexuele relatie niet goed gevallen zijn en ook verder was homosexualiteit in de vijftiger jaren nog niet populair. Hier alleen een paar aanvullingen op de biografie over de twee beroemdste PC-redacteuren ooit, Hugo en Renate, waarvoor ik put uit mijn brievenvoorraad:

Een prominente rol in de biografie krijgt de korte affaire tussen Hugo en Renate Rubinstein en de eindeloze ruzie die daar op volgde. Ik ben door een toeval daarbij betrokken geraakt. Begin 1963 vertrok ik voor een wetenschappelijke stage van anderhalf jaar naar de VS. Ik had toen al een auto en Hugo vroeg die te leen, zolang ik elders was. Dat klinkt nu misschien wat wonderlijk, je auto uitlenen aan een vreemde, maar Hugo was deel van het hechte PC-clubje en hij kon zulke gunsten met onweerstaanbare charme vragen. Daar kwam bij dat mijn jongere broer er anders in zou gaan rijden en ik had meer vertrouwen in de zorgzaamheid van Hugo (toen) dan in die van mijn broer. Zo kreeg Hugo de beschikking over Volkswagen Kever ET 88-75, die hij onverwijld ging inzetten voor de verovering van Renate. Hugo hield mij op de hoogte van het welbevinden van de ET (doorsmeren, uitlaat vervangen, etc.) en soms ook over zijn eigen leven. Met Renate waren mijn vrouw en ik al in de PC tijd bevriend geraakt. De mythe dat Renate alleen bevriend was met (voormalige) minnaars en dat zij vrouwen haatte, is echt een mythe. PC-redacteur Joop Goudsblom en ik waren zeer dik met Renate, terwijl wij toch bekend stonden als de twee sukkels waar Renate nooit een relatie mee had gehad. Met mijn vrouw ging Renate koffie drinken in het Vondelpark, ook geen teken van afkeer. Door die vriendschap schreven we elkaar geregeld toen ik in de VS zat, handgeschreven brieven op dat blauwe, dunne luchtpostpapier, nog net te ontcijferen. Die brieven heb ik bewaard, heel persoonlijke, warme, intense, uitvoerige, leuke brieven, die een goed beeld geven van het leven van Renate in die periode. Zo werd ik via mijn Volkswagen betrokken bij de ontluikende relatie tussen Renate en Hugo. Dat Hugo voor Renate viel is begrijpelijk. Zoals Etty in haar boek beschrijft, viel Hugo op mooie, taalvaardige vrouwen en in dat opzicht was Renate de absolute top. Dat Renate zich inliet met Hugo, ligt minder voor de hand. Ze had een groot respect voor zijn intellect, originaliteit en schrijftalent, maar van meet af aan aarzelde ze, ‘omdat ik in mijn diepere lagen altijd een beetje bang voor Hugo ben geweest’, zoals ze op 9/7/63 schreef. Heel invoelbaar. Hugo had iets bedreigends voor wie daar oog voor had. Achter zijn charme en briljante grappen schemerde altijd de kille manipulator, die zijn zin doordreef.

In een brief van 20/4/63 beschrijft Renate een tikje besmuikt hoe het aan raakt met Hugo. ‘Wanneer iemand zo hardnekkig aanhoudt ga je je wel afvragen of er misschien iets in zit maar het lijkt mij toch vooral een kwestie van toeval als er iets uit zou komen… maar vol hoop en zonder enig vertrouwen stort ik mij dan toch weer in ingewikkelder emotionele ondernemingen… Niettemin als je het bekijkt van de kant van wie is er nu nog over, ongetrouwd en in staat Renate enig respect op het gebied van het geestelijke af te dwingen, want domineren is wat ze wil en zal, als je d’r de kans geeft, – dan moet je toegeven dat Hugo een goed idee is. Slim en slinks… Het is maar goed dat die jongen over een verbazende voorraad lief-zijn beschikt, anders stond er morgen al een P.S. reis gaat niet door.’ Die reis was de reis van Hugo en Renate naar de Dordogne in mijn Volkswagen. Renate aarzelde, haar lokale vrienden raadden haar aan om te gaan, leuk toch, gratis reis naar Frankrijk, ik vond het onwijs, dagen opgesloten samen in een auto als de relatie nog zo wankel is. Aanvankelijk ging het nog. Ik heb nog een brief van 9/5/63 die begint door Hugo en eindigt door Renate, waarin ze beiden het landschap beschrijven en de zeesterren die Renate ergens aan zee had vergaard. In de volgende brief van Renate is het heel erg uit en ook meteen een toestand omdat Hugo zich niet bij dit einde neer wil leggen. Etty beschrijft die toestand in haar boek, maar de lange brieven van Renate zijn nog indringender, aangrijpender en realistischer. Aanvankelijk heeft Renate nog met Hugo te doen, zoals ze ons op 18/6/63 schrijft: ‘Niet dat het op bepaalde manier best fijn was – weer en landschap waren heerlijk, en Hugo bleek consideraat, trouw, grappig en lief gezelschap. Ik ben hem pas door deze beproeving erg veel gaan waarderen… Maar misschien is het dat totale gebrek aan gewone menselijke ‘aardigheid’ in Hugo (hij weet o.a. niet wat vriendschap is of een afspraak betekent) dat mij ontroert. Het lijkt of hij een huid mist die wij allemaal wel hebben. Goed. Nadat ik ‘ontroert’ schreef, werd er opgebeld. Het was 12 uur. Ik nam de hoorn van de haak en hoorde niets. Dit is al sinds 10 dagen, elke avond om 12 uur zo. Pas vandaag ben ik hem er van gaan verdenken, ik ben niet ontroerd. Kwaad.’

Op 9 en 10/7/63 volgt een lange emotionele brief van Renate over het begin van de relatie: ‘Een weekend in Bergen waarin ze het bijzonder goed met Hugo kon vinden.’ Ze had toen ‘één moment gehoopt dat het op den duur misschien in een soort liefde zou kunnen omslaan.’ Toen had Renate de deelname aan de gezamenlijke reis toegezegd en daar hield Hugo aan vast, ook toen Renate second thoughts kreeg. ‘Maar ik heb o.a. wérkelijk gedacht dat ik voor zijn Grote Liefde (die hij steeds maniakaler beleed en met steeds meer zelfkwelling om zijn gebrek aan durf om mij te ‘veroveren’) zo geschikt was, omdat hij mij niet in zijn bed kreeg’.

Op 23/7/63 arriveert een volgende, uiterst emotionele, brief. Renate schrijft: ‘Mijn schrijven heeft op het ogenblik, ook zonder antwoord, een therapeutische waarde voor mij, zo moet je het zien.’ Ze wil graag een relaxte brief schrijven, ‘maar helaas, zover is het nog niet, en weer is het mijn grootste behoefte tegen iemand mijn machteloze woede en ook bangigheid t.o.v. HBC te klagen.’ Hugo is ‘een ellendige, malicieuze, treiterende rotjongen, die mij nooit (onderstreept) met rust zal laten.’ Renate was over haar toeren door het voortdurende nachtelijke bellen. Renate beschrijft ook de chantage van Hugo door te dreigen met zelfmoordplannen. ‘Wat mij hinderde en nog steeds hindert is mijn onmogelijkheid om het geval Hugo aan een vriend duidelijk te maken. Net als die telefonades geeft ook dit gevoel mij een soort ‘Gaslight’ emotie (refererend aan de film): Ik weet dat er een gek is die mij gek wil maken, maar merk dat er voor andere mensen alleen maar reden is om aan te nemen dat ik een beetje hysterisch geworden ben, terwijl Hugo zich normaal of hoogstens wat aanstellerig gedraagt. Hugo gedraagt zich namelijk nogal schizofreen: zijn diepere gevoelslagen beheerst hij alleen maar tegenover mij niet, bij anderen gedraagt hij zich als de redelijkheid zelve… Het gevolg is echter dat ik mij met mijn angst voor hem volkomen geïsoleerd ga voelen, en zoals je weet ben ik ook de stabielste niet.’

Ik wil geloven dat Hugo ondersteboven was dat Renate, het topstuk onder de vrouwen, hem niet wilde. De toestanden die hij daar over maakte, zelfs een gesimuleerde epileptische toeval, zullen zeker niet geheel theater zijn geweest Maar ik ben sceptisch over wat volgde, net als Renate die klaagt over Hugo’s ‘polyinterpretabiliteit’: ‘simulant, zelfmoordenaar, theatermaker’. Hugo accepteerde geen nederlaag en zijn gedrag lijkt mij eerder een onverzoenlijke rancune over een onacceptabele afwijzing dan onstilbaar liefdesverdriet. Met dat liefdesverdriet viel het trouwens mee, zoals Etty ook beschrijft. Vrij spoedig verdween Hugo in het bed van Fritzi ten Harmsen van der Beek, ‘daarmee zijn trouwe vriend Peter Vos uit hetzelfde bed + huis verstotend’ (brief Renate 12/10/63). Opgelucht trachtte Renate de vriendschappelijke relatie met Hugo te herstellen, maar al gauw was het uit met Fritzi. Renate schrijft daar over op 12/10/63: ‘nu rouw ik toch een beetje om de opnieuw geteisterde mathematicus. Ook eerlijk gezegd houd ik mijn hart vast – hij zal toch niet opnieuw…’ Toch wel. Hugo’s rancune tegen Renate bleef en hij zou haar tot in lengte van dagen blijven achtervolgen. Voor Renate werd dat echt een bezoeking, zoals uit haar latere brieven blijkt. Toen zij MS kreeg, bleef ze mij als back-up raadplegen over haar ziekte. Ik hield de literatuur bij, stuurde haar artikelen over nieuwe ontwikkelingen op en poogde haar af te houden van de alternatieve middelen en geneeswijzen, waardoor ze achtervolgd werd. De MS was helaas progressief en Hugo hield ook niet op. In haar laatste brief (15/8/82) aan mij schreef Renate: ‘Wat is ie toch een bloeddorstig ettertje. Vroeger was hij toch nog wel eens leuk, nu is hij sinds jaren zo primitief demagogisch geworden. Ik zag hem graag aan de hoogste tak van de appelboom bungelen…’

Nog even over die telefoontjes, die nachtelijke telefoontjes, die beruchte onophoudelijke telefoontjes, die Renate bleven achtervolgen. Ze was er van overtuigd dat die van Hugo kwamen, al heeft ze dat nooit kunnen bewijzen. Hugo ontkende alles, ook in brieven aan mij. Etty kiest hierin de kant van Hugo. Ze haalt een interview aan van Koenen met de tweede man van Renate, Jaap van Heerden, die vindt dat je iemand niet publiekelijk als dader aan mag wijzen, als daar geen bewijs voor is. Hij vond dat ‘wraakzuchtig en absoluut onjuist’. Diezelfde Jaap had echter Renate toen al lang in de steek gelaten en dat was niet zonder strubbeling gegaan. Een nuchtere objectieve evaluatie viel van Jaap niet te verwachten. Zelf heb ik Hugo op dit punt nooit geloofd, wat hij mij ook aan ontkenningen schreef. De telefoontjes waren zo geraffineerd dat de opbeller nooit te achterhalen was. Als Renate over ging op een geheim nummer, wist de opbeller dat altijd vrij snel uit te vogelen. Toen Renate’s moeder terminaal was, en Renate de telefoon niet uit wilde zetten, gingen de telefoontjes door. Wie doet zo iets, wie heeft het verstand, de technische vaardigheid en de onverzoenlijke vasthoudendheid om zoiets uit te voeren en vol te houden? Dat kon toch niemand anders dan Hugo zijn?

Biografieën worden makkelijk hagiografieën, maar dat kun je Etty niet verwijten. Ze toont in extenso Hugo’s verbale en intellectuele genialiteit, maar verbloemt niet zijn onbetrouwbaarheid, zijn egoïsme, zijn rücksichtsloze agressie, zijn gebrek aan empathie. Hugo’s vrouw had de pech dat zij een melanoom kreeg in een tijd dat aan een uitgezaaid melanoom nog niets te doen was. Zo bleef Hugo achter met 3 kleine kinderen. Die kinderen hebben daar ook aardige kanten van beschreven, maar Etty verhult niet dat er van de opvoeding weinig terecht kwam. Hugo zorgde niet voor een adequate vervanging voor de weggevallen moeder en zelf was hij voornamelijk bezig met stukjes schrijven en vrouwen versieren. Een onsympathiek detail dat mij ook trof was dat Hugo de grote bijdrage van een naaste collega aan zijn proefschrift heeft weggemoffeld.

In het debat over de biografie in De Balie merkte Grunberg op dat de polemische stukken van Hugo niet zullen beklijven, te tijd- en persoonsgebonden. Grunberg vond ook dat de latere polemieken vaak over de top gingen, de vergelijking van minister Ruding met Eichmann bij voorbeeld, en daardoor niet effectief meer waren. Door zijn status als ster publiekstrekker kreeg Hugo te weinig weerwerk van hoofdredacteuren en programmamakers, waardoor zijn toon steeds onsubtieler en schriller werd. Zijn obsessieve stukjesschrijverij werd een verdienmodel, waardoor hij niet meer toe kwam aan substantiëler werk. Zijn Multatuli-biografie is nooit gerealiseerd, zijn wetenschappelijk werk is na zijn proefschrift blijven steken. Voor iemand met de formidabele talenten van Hugo is dat toch wat mager. Zijn unieke verhalenbundels en de Opperlandse taal en letterkunde weerspiegelen het genie van Hugo, maar hij heeft niet geleverd wat hij in zijn mars had en hij laat wel veel beschadigde mensen achter. De eindeloze stoet vriendinnen die hij in de steek heeft gelaten, Renate, prof. Buikhuizen die Hugo op dubieuze gronden in de grond heeft geboord, en vele anderen. Als er één ding zeker is van Hugo, hetgeen ook door de biografie wordt bevestigd, is dat hij niet tegen zijn verlies kon. Zoals Etty in het debat in De Balie nog eens aanhaalde, speelde Hugo zelfs vals bij het scrabble met zijn kinderen om niet te verliezen. Als hij meende tekort te zijn gedaan was hij onverzoenlijk en onvermoeibaar. Dan haalde hij alles uit de kast om zijn gelijk te bevechten. Renate is daar de dupe van geworden.

Etty onthoudt zich van het psychologiseren, wel verstandig bij zo’n complexe figuur als Hugo. Als PC-redacteur ben ik niet aan zulke conventies gebonden en dus toch een poging tot duiding. Zelf beschrijft Hugo zich als een ‘asperge’ (Aspergersyndroom, autisme), maar dat lijkt mij een mystificatie. Echte autisten missen de charme en het aanpassingsvermogen dat Hugo in hoge mate had. Autisten weten ook niet 2000 vrouwen in bed te krijgen, zoals Hugo claimde. Een narcist dan, met psychopathische trekken. Klopt ook niet. Een narcist betrekt zijn kinderen in zijn zelfverheerlijking, zie Trump. Etty weet te rapporteren wat Hugo met zijn kinderen uitspookte en dat vind ik vrij gruwelijk. Wat dan? Sommige van zijn, in de steek gelaten, vriendinnen en Hans van den Bergh gebruiken de kwalificatie ‘psychopaat’ en dat lijkt mij passend. Hugo was rücksichtslos in wat hij nastreefde, hij had geen enkele empathie met zijn slachtoffers en hij kon vaardig allerlei maatschappelijk aanvaardbare rollen spelen. Geniale psychopaat, dat wel, maar een psychopaat. Ook Etty beschrijft Hugo als een onmogelijk mens, een uiterst begaafde rotzak, maar toch iets milder dan ik als vriend van Renate geneigd ben te doen. Ik houd het op een vrij goed aangepaste psychopaat, slim en slinks, zoals Renate schreef.

Piet Borst
(redacteur 1954-1957)

Archief