Maartje Wortel werd tijdens haar studie van de School voor Journalistiek gestuurd omdat ze te veel verzon. Inmiddels is ze een van de grootste literaire talenten van haar generatie. In 2009 debuteerde ze met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Hierna volgden de romans Half mens en IJstijd en de verhalenbundel Er moet iets gebeuren. In haar nieuwe roman Mortelschieten keert ze terug naar de klassieke thema’s die ten grondslag liggen aan haar oeuvre: lamlendigheid, details en irrelevantie. Deze week in PC: een exclusieve voorpublicatie uit de nieuwe Wortel!

 

Ik lig op mijn rug en kijk naar het plafond. Ik heb het geteld: het is er één. Hoe lang ik hier nu al lig, weet ik niet precies. Ik geloof dat de zon twee keer onder is gegaan. Drie keer kan ook. Het kamerbrede tapijt prikt inmiddels in mijn rug als een afgekloven schuurspons. De nieuwe ex-vriend van mijn moeder heeft het hier neergelegd op de dag dat de mensen van nummer 38 hun tuinhekje schilderden. De kleur van de verf die ze gebruikten heet op de staalkaart van de Gamma ‘Bestemming’. Volgens mij kost hij 22,50 per liter. Ik kijk weer naar het plafond. Ik kijk eigenlijk vooral naar het gat in het plafond. Ik houd mijn ogen open. Want als je ogen niet open zijn, dan zijn ze dicht. En als ze dicht zijn, dan zien we Ronnies bungelende lijf. Zijn blauw aangelopen gezicht. Het knarsen van het plafond onder zijn gewicht. Althans, dat laatste is eigenlijk vooral een kwestie van gehoor. Toch is het alsof ik het ook zie. Het zal wel komen doordat ik lijd aan synesthesie, een zeldzame aandoening waardoor de zintuigen zich met elkaar vermengen. Het is een kruis dat ik heb leren dragen met berusting en lotsbesef. Van huis uit ben ik qua ziekten dan ook wel wat gewend. Mijn opa had kanker en mijn oma was dement. De enige gezonde was eigenlijk Ronnie. Tot de dag van het gat in het plafond. Zal het leven ooit weer normaal worden? Bijna sluit ik mijn ogen, maar dan begrijp ik plotseling wat er moet gebeuren: mortel. Ik heb mortel nodig.

 

Krakend en zwoegend kom ik overeind. Ik voel me een brugdek dat voor het eerst in maanden wordt geopend. De binnenvaart laat zich niet langer negeren. Dat merk ik ook aan de commotie in mijn ingewanden. Met mijn voeten loop ik naar de WC. Ik leg mijn rechterhand op de deurklink. Het koude metaal voelt aan als een trapleuning in de winter. Ik open de deur. Ik druk op het lichtknopje. Ik zet twee stappen in de richting van de WC-pot. Ik draai me met mijn rug naar de spoelknop en met mijn ogen naar het douchegordijn toe. Ik zak langzaam hurkend naar beneden. Ik ontspan als ik voel hoe de bril zich tegen mijn vlees drukt. Dan activeer ik mijn endeldarm. Het doet me denken aan die keer dat het vroor tijdens de opvoering van het jaarlijkse kerstspel in de Sint-Lambertuskerk aan de Tweede Wieringerdwarsstraat. Leontien de Kikker was Maria en Pietertje Zondergaard was Jozef. Ik was God. Leontien stond bekend om de wratten tussen de tenen aan haar linkervoet. Haar 48-jarige vader verwijderde ze eens per maand met een afgestompt mes waar hij op andere gelegenheden de Camembert mee aansneed. Het verband waarmee hij de wonden vervolgens omzwachtelde bezorgde Leontien een soort klompvoet die haar op het eerste gezicht een onwaarschijnlijke Maria maakte. Ik vermoed dat de docenten ons wilden leren dat wonderen plaatsvinden op plekken waar je ze het minst verwacht. Inmiddels weet ik dat het andersom is: wonderen vinden juist plaats waar je ze het meest verwacht. Want al was ik in de Sint-Lambertus destijds tot bloedens toe geconstipeerd, ik wist zeker dat het me zou lukken. En ook nu vertaalt diezelfde vastberadenheid zich na een WC-gang van enige uren in het beoogde resultaat. Ik sta op en kijk in de pot. Mensen die veel tijd op het toilet doorbrengen, hebben veel te verbergen. Dat zei Ronnie vroeger al. Zijn onderbouwing heb ik nooit begrepen. Maar in mijn geval had hij zeker gelijk. Ik strek mijn arm uit. Ik druk op de spoelknop. In de kunstmatig opgewekte maalstroom glijden mijn keutels weg als kleuters in de grote glijbaan van het Tikibad.

 

Ademend wordt er terug de kamer in gelopen. Het gat zit nog steeds in het plafond. Ik schrijd naar het raam, de stomme getuige die alles heeft zien gebeuren en plaatsvinden. Ik realiseer me dat een raam een muur is die het liefst onzichtbaar zou zijn. Of misschien is een muur juist een raam dat gezien wil worden. Maar wat zijn de gordijnen dan? Misschien wel een muur die niet gezien wilde worden maar zich halverwege bedacht. Of andersom? Of willen we misschien zelf onzichtbaar zijn? Uiteindelijk willen mensen niet vergeten, maar vergeten worden. Pas als je vergeten wilt worden door jezelf, dan wil je ook vergeten. Want verlies krijgt pas betekenis als je iets bent kwijtgeraakt. Net zoals je pas dingen hoeft te geloven als je ze niet weet. Want dingen zijn dingen. Van deze gedachten krijg ik behoefte om te roken. Ik steek dus met mijn rode Bic-aansteker een sigaret op uit het pakje American Spirit dat nog op de grenenhouten keukentafel ligt. Ik kijk weer uit het raam en probeer de wortel van 732034 te berekenen. Ik heb zin in ossenworst. Mijn poes heet Thelonious IV. Mijn telecomprovider is Ziggo, maar vroeger zat ik bij KPN.

 

Ik loop naar de Gamma op industrieterrein De Sikkel. Links ervan ligt de Kwantum. Rechts ervan de Leen Bakker. Ik ontvang veel prikkels in deze omgeving, dus het kost moeite om me op mijn doel te concentreren. Het is alsof iedere trottoirband me een verhaal probeert te te vertellen. We zouden er een bundel mee kunnen vullen. Eenmaal in de bouwmarkt bestudeer ik een object waarvan ik niet kan bepalen of het een vuurkorf of een vuilnisbak is. Juist als ik besef ik dat sommige dingen niet één ding, maar twee dingen zijn, vraagt een medewerker me of ik iets zoek. Ik bevestig dit.

 

‘Wat precies?’ vraagt hij.

 

‘Ik heb ooit onderzetters gebreid met de overbuurvrouw van tante Ria. Het mens had een neus als een vleeshaak en duldde tijdens het handwerken uitsluitend Tel Sell met witte port. Op haar jurken stonden bloemetjes. Toch heb ik er nooit een tweezaadlobbige tussen gezien. Deze botanische kieskeurigheid wekte van mijn kant een sympathie die helaas onbeantwoord bleef. Pas na vijf theekoppen port durfde ik te vragen of ze misschien ook iets anders te drinken had. Het liefst iets met een kleurtje. Daarop verwees ze me met grote tegenzin naar de kelder waar ze haar non-alcoholische levensmiddelen had weggestopt. De bruine speksteen van haar ondergrondse schatkamer kwam me intens bekend voor. Pas jaren later zou ik met een schok inzien dat het precies dezelfde steen was als in de bijkeuken van mijn grootvader. In de kelder heerste een geur die het midden hield tussen triestheid en verdriet. Alsof de muren wisten dat ze bestonden uit bakstenen onder de grond. Een diepvries zoemde mechanisch. Tussen de met beschimmelde lappen, uien en spullen gevulde bakken vond ik de siroop uit grenadinesapconcentraat waarnaar ik zocht. Op de plank daaronder zag ik een bak mortel. Zo’n bak heb ik nu nodig.’

 

De jongen kijkt me aan. Zou hij oogcontact zoeken? Hij zegt niets, zodat ik duidelijk kan horen wat voor muziek er wordt gedraaid in de bouwmarkt. Het is Shakira. Ik heb Shakira altijd de Christina Aguilera van de popmuziek gevonden. Er loopt juist een vrouw met een blauwe jas, een zwarte tas, bruine schoenen, witte oorbellen en rode lippenstift voorbij als de jongen twee keer knikt. Ik heb een zwak voor mensen die twee keer knikken. Ik geloof dat ze een heel eigen wereldbeeld hebben.

 

‘Kom maar mee,’ zegt de jongen.

 

‘We komen mee,’ antwoord ik.

 

De jongen loopt zo snel als een wandelaar in maart. Zo zijn sommige mensen. Hij toont me de mortel met de glimlach van iemand die weet dat alles ooit anders zal zijn. Ik weet dat ook, dus ik kijk terug op dezelfde manier. Dan reken ik de mortel af en loop naar huis.

 

Ik ben weer binnen en neem poolshoogte bij het plafond. Als ik het gat zie, dan huiver ik. Waarom Ronnie? vraag ik. Een urgentere vraag schiet me pas te binnen als ik het mortelschepje al in mijn hand heb: waarom ik? Dus pak ik mijn telefoon en bel Ronnie op.

 

‘Bel je nou weer over die lamp?’ vraagt hij.

 

‘Ja. Je hoeft niet nog een keer te proberen om hem op te hangen, maar ik vind op zich dat je in principe wel zelf het gat mag dichten dat je hebt veroorzaakt.’

 

Ik ga op de grond liggen wachten tot Ronnie het plafond komt repareren. Zou alles dan toch weer normaal worden? Ik besluit de bak met mortel alvast te openen. Ik laat mijn hand door de grijze substantie glijden, en bewonder de schakeringen, het reliëf, het karakter. Het doet me beseffen hoeveel er nog te vertellen valt. Er valt nog zo ongelooflijk veel te vertellen.

 

Maartje Wortel

 

Ook zo benieuwd hoe het verhaal verder gaat? Mortelschieten is vanaf februari 2017 voor slechts €17,50 te koop bij Das Mag. Een gesigneerde, bibliofiele uitgave in speciale cassette zal voor €99,50 verkrijgbaar zijn.

Archief