FrancaTreur“Wel eng, zeker? Zoveel mensen.” De boekhandelaar kijkt me meelevend aan. Het hoofd schuin, haar bril een tikkeltje afgezakt. “Niet zo eng,” zeg ik. “Ik heb het al vaker gedaan.” 
Ik ben twintig minuten te vroeg. In het kantoortje achterin de boekwinkel krijg ik koffie met poedermelk. Als er geen echte melk is, drink ik de koffie zwart, maar het is al te laat. De poeder zit er al in. Ze hebben een barkruk voor me klaargezet, vertelt de boekhandelaar. Dat wordt niet bewegen, want ik draag een strakke rok. Maar het is beter dan een fluorescerendroze Louis XV megafauteuil. Of een geinige strandstoel. Dan klagen de mensen in de pauze dat ze je niet kunnen zien.

Ha, daar zul je de interviewer hebben. Zijn hand voelt als een oud kadetje. “Wat doen we,” vraagt hij, “zeg ik je of u?” Hij kijkt alsof hij het antwoord al weet. Iets zegt me dat hij zelf ook schrijft. Even later komt zijn debuut uit een linnen tasje: ‘Wandelen met dichters uit de IJsselstreek’. Ik mag het houden. Hij is de beste vriend van Jan Siebelink. Daar heb ik er al veel van ontmoet. “Het is zo’n beetje tijd,” waarschuwt de boekhandelaar. Ze gaat ons voor naar de winkel. Rondom mijn kruk ligt een handjevol confetti. “Dan heb je zo’n boekje geschreven,” zegt de interviewer, “en opeens wordt het een bestseller. Had je zo’n succes verwacht?” De microfoon piept. De mensen grijpen naar hun oren. De boekhandelaar komt naar voren, klopt op de microfoon, blaast erin en drukt op het on/off- knopje. “Probeer nog eens,” zegt ze. Hij piept nog steeds. “We doen ‘t wel zonder,” zeg ik. “Ik wist niet wat ik kon verwachten,” schreeuw ik. Na een paar zinnen vergeet ik te schreeuwen. De hele avond zie ik mensen met een hand achter hun oor.

Pauze. Signeren. “Eindelijk kan ik je eens van dichtbij bekijken,” zegt een mevrouw. Had ik nou vanmorgen de oren nog gedaan? “Zet er maar in: voor mijn lieve zus, omdat je dit jaar mijn steun en toeverlaat bent geweest.” Ik kijk op. De vrouw snapt niet wat er nou zo moeilijk aan is. “Voor – mijn – lie – ve…” “Hoe heet uw zus,” vraag ik. Het is Rita. Voor Rita, schrijf ik. Daarna weet ik het niet. “Om – dat – je – dit – jaar …” De vrouw praat harder dan nodig. Ik voel haar adem langs mijn slaap. Ik schrijf dat ik Rita nog veel confetti wens. De vrouw vindt haar eigen tekst beter. “Rita is míjn zus niet,” zeg ik. De pauze is voorbij, de beurt is aan het publiek.

“Bent u familie van de Treurs uit Driebergen?” De interviewer grijpt in. “Als u het goedvindt, gaan we het vanavond over Franca’s bóek hebben.” Hij kijkt me triomfantelijk aan. Hij heeft me gered. Daar wil hij straks een bedankje voor, dat zie ik aan zijn ogen. Na afloop bedank ik hem. Van de boekhandelaar krijg ik een boeketje van de Wereldwinkel. Bijna laat ik het op de toonbank liggen. “Hier, vergeet je mooie boeket niet!”

Het is niet echt een boeket. Het is houtwol in de vorm van een bos bloemen. Bovenop zitten theezakjes, chocolaatjes en bananen-honing-muslirepen. Als ik in de trein hongerig het cellofaan eraf trek, blijken de repen en de chocola een jaar over de datum. Ik ruik aan de theezakjes, er komt geen geur meer af.

Franca Treur

Archief