lokjodenDe zwerver voor mijn supermarkt is een tacticus. Steevast vraagt hij de mensen om 10 cent. Zij pakken hun portemonnee en realiseren zich dan dat 10 cent erg weinig is. Om niet als vrek door te gaan geven ze hem een euro. Ik doe daar niet aan mee. Ik beloon hem liever met iets waar hij wat aan heeft. Wanneer ik vandaag de supermarkt uit loop, stop ik hem een blik doperwten toe.

Een jood komt me tegemoet. Zijn pijpenkrullen zwaaien zwierig langs zijn volle baard. Onder zijn arm draagt hij een dik boek, waarvan het zilverwerk net zo glanst als het sterkettinkje om zijn hals. Een keppeltje siert zijn kruin. Het is een mooie jood. Een jaar of vijfenveertig en goed in klassiek zwarte kleren gestoken. In het voorbijgaan tikt hij mijn boodschappentas aan. Ik excuseer mij -ik zal mijn tas vast verkeerd vast hebben gehad- en loop door.

De jood laat het er niet bij zitten. Ik hoor dat hij zich omdraait. Ik voel de jood in mijn rug. Hij nadert me. Misschien heb ik toch iets laten vallen tijdens onze aanvaring, en wil hij dat teruggeven. Ik krijg een glimlach op mijn gezicht bij de gedachte aan zoveel goedheid. Wanneer hij vlak bij me is, steekt hij een been uit. Ik weet het joodse been net te ontwijken met een uitvalspas en loop weer door. De jood komt achter me aan. Drie, vier, vijf keer probeert hij me pootje te haken. Wat leuk, hij wil een spelletje met me spelen. Het is een speelse jood. Ik draai me om en steek ook mijn been uit. Hij ontwijkt en ik complimenteer hem met zijn reactiesnelheid. Hij geeft mij op zijn beurt weer een trap in mijn loop. Als ik tien minuten later bezweet mijn voordeur bereik, bedank ik hem voor de sportiviteit.

Een half uur later gaat de bel. Ik doe de deur open, maar het portiek is leeg. Achter een vuilnisbak aan de andere kant van de straat hoor ik gegiechel vandaan komen. Boven de vuilnisbak steekt een stukje kruin uit. De kruin draagt een keppeltje. Ik lach en doe de deur weer dicht. De zes keer dat er het volgende uur wordt aangebeld, doe ik niet meer open. Het spel is leuk geweest. Als je ze geen aandacht geeft, houden de joden er vanzelf mee op.

Die nacht word ik wakker van een zacht getik tegen het raam. Ik knip mijn leeslampje aan. Onder het dakraam zie ik een hoopje besjes liggen. Ik schuif het gordijn opzij en in het schijnsel van een lantaarnpaal zit de jood in een struik. In zijn ene hand houdt hij een stuk pvc-pijp, in zijn andere een zakje met bessen. Herhaaldelijk brengt hij de pijp naar zijn mond en blaast hij de bessen mijn dakraam in. Bij elke rake bes gniffelt hij. Ik gebaar dat ik zijn aandacht op prijs stel, maar dat het nu echt even genoeg is.

Als ik de volgende morgen naar mijn werk vertrek, springt de jood achter de struik vandaan waar hij die nacht waarschijnlijk heeft geslapen. Hij begint me met een vinger in mijn zij te porren. Ik probeer mijn fiets te pakken maar met de jood om me heen, wil dat niet lukken. Steeds wanneer ik de sleutel in het slot wil steken, krijg ik een por. Ik ben zijn spelletjes zat. Ik vraag hem of hij op wil houden.

‘Is het omdat ik joods ben?’, antwoordt hij.

Omdat ik niet reageer, herhaalt hij zijn vraag. ‘Nou? Is het omdat ik joods ben? Ja he? Ja toch?’. Ik antwoord dat dat niet zo is. Hij lijkt teleurgesteld en steekt zijn vinger weer in mijn zij. ‘Pak me dan, pak me dan’, roept hij erbij. In een poging hem af te wenden raakt mijn elleboog, niet geheel onbewust, zijn kin. De jood duikt ineen. Om mezelf extra tijd te gunnen mijn fiets van het slot te halen, geef ik hem nog een trap na.

‘Stop!’, schreeuwt de jood. ‘Stop! Ik ben van de politie. Stop!’ Ik laat me niet voor de gek houden. We kunnen ons allemaal wel voordoen als politieagent. Ik trek mijn knie op en raak hem vol tussen de ogen. Het stenen kommetje dat voor zijn keppeltje door moet gaan, valt stuk op de grond. De jood valt erachteraan.

‘Politie! Stop dan!’, kermt hij.

Ik probeer hem bij zijn baard omhoog te trekken maar vind mezelf voortdurend met een pluk watten in mijn handen, die steeds meer met schoensmeer besmeurd raken. De jood ligt bloedend op de grond.

‘Ik ben geen jood! Ik haat joden!’ probeert hij de situatie te redden.

Ik beantwoord zijn smeekbeden met een voet in zijn gezicht. Zijn kaak geeft mee. Als een foetus ligt de jood opgerold op straat. Zijn boek ligt opengeslagen naast hem. De Gebroeders Leeuwenhart, lees ik. Ik geef hem low kicks in zijn maag tot hij bloed begint te rochelen. Dan spring ik met mijn volle gewicht op zijn linkerscheenbeen. Met zijn laatste krachten haalt hij een walkie-talkie tevoorschijn. ‘Versterking, versterking’, mormelt hij.

Van alle kanten komen nu joden aangerend. Allemaal dragen ze dezelfde kommetjes op hun hoofd en hebben ze dezelfde wattenbaard. Ik zet het op een lopen. Op naar een veilige thuishaven. Op naar het dichtstbijzijnde homoplein. Daar ben ik vrij. Daar mogen ze me niets doen. De jood laat ik achter. Het boek neem ik mee. Ik zal het aan mijn zwerver geven.

JV

Archief